terug  begin  verderprepost

Mies van der Rohe en Mondriaan.

K&C-agenda, 20 november 1968.

 

Onlangs werd op de Kemperplatz te Berlijn de nieuwe Nationalgalerie in gebruik genomen. Ontworpen door Mies van der Rohe bevindt ze zich in de onmiddellijke nabijheid van de Philharmonie van Scharoun en van de in opbouw zijnde bibliotheek, eveneens van Scharoun. Een groter contrast dan tussen het werk van Scharoun en dit van Mies van der Rohe kan men zich

[p. 278]

moeilijk indenken. Contrasten kunnen een verrijkend element zijn in het stadsbeeld. Maar hier is dit niet het geval omdat dezelfde fout werd gemaakt als in 1958 met het Hansaviertel: men ging niet uit van de samenhang van het woonmilieu of van het stadsweefsel in het algemeen (waarin contrasten naar believen kunnen spelen). Men wilde het monumentale Berlijn met een nieuw monument verrijken. Men was er m.a.w. niet in de eerste plaats om bekommerd een goed museum te maken, waarin de Berlijner zich zou kunnen thuisvoelen, maar wenste een meesterwerk van Mies van der Rohe naast het meesterwerk van Scharoun

Het contrast ligt niet alleen in de vormelijke uiteenlopendheid van deze twee gebouwen. Er bestaat een onoplosbare contradictie tussen het denken over architectuur dat in beide gebouwen geïncarneerd is. Waar een Scharoun in zijn vormconceptie tendeert naar een dynamische, nonconformistische samenhang van de delen van zijn gebouw onderling en van deze delen samen met het geheel, stelt Mies van der Rohe zijn ongeleed gebouw op als een alleenstaande tempel. James Speyer van het Art Institute te Chicago noemde de nieuwe Nationalgalerie ‘beslist het mooiste gebouw van onze tijd’ en aarzelde niet het te vergelijken met het Parthenon, de Poseidoontempel, de Notre-Dame te Parijs.

Zoals ik ze hier formuleer is de tegenstelling nog te simplistisch. Ze zit immers ook nog in het werk van Mies van der Rohe zelf. Het gebouw is van een extreme eenvoud, zowel in conceptie als in materiaal. Oorspronkelijk bedoeld als een grote tentoonstellingshal voor wisselende exposities, doet het gebouw nu ook dienst als behuizing van de collectie van de Nationalgalerie. Vandaar de twee duidelijk onderscheiden delen. Boven, op een verhoogd vlak, een ruime hal van 50 meter vierkant, met glas rondom afgesloten. Het dak van die halle bestaat uit een stalen rooster van 18 maal 18 cassetten van 3.60 m in het vierkant, dat aan de vier zijden door twee stalen kolommen van 8.20 m wordt gedragen. Onder het verhoogde vlak bevinden zich de zalen voor de vaste collectie en voor de administratie. Deze onderbouw van 85 meter in het kwadraat is slechts aan één zijde geopend op een terras, zodat het grootste gedeelte ervan permanent kunstlicht behoeft.

Men kan zeggen dat Mies van der Rohe de museum-inrichters niets heeft willen opdringen; hen alleen maar een zo bruikbare, zo onbepaald mogelijke ruimte heeft willen ter beschikking stellen, zodat ze er alle kanten mee uit kunnen; een ruimte, zoals de Berlijnse kunstenaars in hun protest tegen de nieuwe Nationalgalerie gewild hadden, waarin het leven spontaan kan evolueren.

In feite komt het nieuwe gebouw door zijn theatrale inplanting, zijn kunstmatige verhevenheid met de statige trappen, zijn absolute geometrie, zijn grote preciesheid van vorm en materiaalbehandeling niet zo over. Het doet zich voor als een sacraal gebouw, waarin men geneigd is stil te gaan spreken,

[p. 279]

waarin moeders met kinderwagens niet eens durven binnendringen. Door de uitwerking van zijn vorm spreekt Mies van der Rohe zijn eigen intenties flagrant tegen.

De directeur van het museum, dr. W. Haftmann, heeft dan ook begrijpelijkerwijze de fout gemaakt Mies van der Rohe met Mondriaan in verband te brengen. De eerste tentoonstelling immers in de nieuwe Nationalgalerie is een uitgebreide retrospectieve van Mondriaan. Wat Mies van der Rohe en Mondriaan gelijk hebben is echter alleen de rechte lijn. Maar de rechte lijn is een abstractie; een gebouw en een schilderij (ook een abstract schilderij) zijn een concreet iets, en in die concretie zijn het werk van Mies van der Rohe en Mondriaan elkaars tegenpolen □

 

Open brief aan de minister ter zake Begijnhof te Leuven.

De Standaard der Letteren, 23 november 1968.

prepostterug  begin  verder