TABK 24(1968).
Bij een prijsvraag komt het niet zo vaak voor dat iedereen, mededingers en andere belangstellenden, zich met eigen ogen rekenschap kunnen geven van alle vijftig projecten die voor de prijsvraag werden ingestuurd. Hier krijgt men zelfs nog meer dan dat te zien, want aan de door regelrechte architecten voorgestelde ontwerpen zijn er nog enkele visies toegevoegd van leken, leerlingen van een Amsterdams lyceum. Over die ontwerpen, dacht ik, hoef ik u dan ook niet veel te vertellen. U hebt de gelegenheid om ze zelf kritisch te bekijken, te beoordelen, en er misschien enkele conclusies uit te halen.
Er is echter één punt waarover u misschien enige verklaring verwacht: tussen u en die projecten staat immers een jury, die het op zich genomen heeft die vijftig ingezonden ontwerpen enigszins te stratificeren. U krijgt geen vijftig gelijke ontwerpen meer te zien, maar in verschillende beurten door de jury geschifte ontwerpen. En dat maakt wel enig verschil. Op een of andere manier hebt u met de aanwezigheid van een vijftal mensen te doen, aan wie gevraagd werd het eerst een oordeel uit te spreken, en wat meer is, een rangorde op te stellen.
De samenstelling van de jury was even toevallig en heterogeen als de samenstelling van de groep inzenders. Ze hield geen enkel verband met om het even welke school, welke opvatting, welke richting in de architectuur ook. Als kerkbouwer, socioloog of criticus had ieder van ons al wel ergens iets met kerkbouw te maken gehad. Ieder van ons had zich over het probleem ideeën gevormd, maar in de bijeenkomsten van de jury werden deze nooit geformuleerd. Zonder iets van elkaar af te weten, zonder enige gemeenschappelijke oordeelsgrond tenzij het prijsvraagreglement, is ieder van ons voor elk van de vijftig projecten gaan staan met zijn eigen opvattingen over kerkbouw, liturgie, architectuur en stedebouw. Dat heeft de werkwijze van de jury niet vergemakkelijkt. Er zijn momenten van uitgesproken aporie geweest, ogenblikken dat we geen uitweg meer zagen. Achteraf gezien bleek deze vorm van jury de enige te zijn die aan het opzet van de ideeënprijsvraag beantwoordde. Tegenover en in continue dialoog met de projecten moest de jury eerst zichzelf constitueren, zich door de projecten laten constitueren.
Het ligt natuurlijk heel anders wanneer het werk van de jury erin bestaat, een aantal ontwerpen op hun concrete waarde, hun mogelijkheden voor een gegeven situatie te toetsen. Nu kwam het er echter op aan, zo onbevooroordeeld mogelijk nieuwe ideeën op zich te laten afkomen en vanuit die ideeën, voor zover ze uit de projecten waren af te lezen, criteria en normen voor een beoordeling te vinden. Dit heeft ertoe geleid dat de jury pas in het proces van de beoordeling zelf is ontstaan, als het ware door de prijsvraag is gevormd en dat ze pas bij het afsluiten van de besprekingen over de nodige criteria beschikte om de projecten te beoordelen. De vraag kan gesteld worden en werd in feite ook gesteld, of het hele werk dan niet moest overgedaan worden, of sommige projecten niet te vroeg opzij werden gezet. Elke prijsvraag blijft natuurlijk een gok, zowel voor de inzenders als voor de beoordelaars, en te verregaande conclusies mogen er niet aan verbonden worden. Maar als ik, uitgaande van de ervaring opgedaan in de besprekingen en in het contact met de projecten, voor mezelf nog eens de hele gang van zaken probeer te herhalen, dan geloof ik niet dat het uiteindelijke resultaat duidelijk anders geweest zou zijn dan wat er nu uit de bus is gekomen. Maar misschien denken andere leden van de jury daar verschillend over.
In ieder geval is het zo, dat ook in de constitutie van de jury zoals die nu is verlopen, ieders sympathieën en antipathieën, als ik het zo mag zeggen, zijn blijven meespreken en dat er helemaal geen sprake is geweest van nivellering. De opvattingen bleven duidelijk uit elkaar lopen, zowel wat architectuur en stedebouw als wat het kerkgebouw betrof. Om slechts één voorbeeld te noemen: er waren in de jury zowel principiële voor- als tegenstanders van een herkenbare sacraliteit van het geïsoleerde kerkgebouw en een daaraan beantwoordende opvatting van architectuur als autonoom ruimtelijk kunstwerk. Deze tegenstellingen hadden als positief resultaat dat geen enkele oplossing
van te voren uitgeschakeld kon worden, noch die waarin het kerkgebouw zo goed als restloos in het anonieme stadsweefsel wordt opgelost, noch die waarin het kerkgebouw als een architectonisch, om niet te zeggen monumentaal zwaartepunt in de stadsstructuur wordt beklemtoond. Elk ontwerp werd op die manier vanuit verschillende hoeken bekeken en op zijn eigen, ik zou zeggen, persoonlijke samenhang, consequentie en rijkdom beoordeeld. Elk ontwerp dicteerde aldus als het ware zelf de criteria waarop het wilde beoordeeld worden, in het samenspel van grafische transpositie en begeleidende verklaring, uiteraard met de klemtoon op het eerste. Weer slechts één voorbeeld: een ontwerp dat een stedebouwkundige aansluiting suggereert of veronderstelt en die aansluiting niet realiseert, geeft de beoordelaar een reële norm in de hand om dit project af te wijzen, afgezien van de vraag of de jury zo'n aansluiting wenselijk vindt of niet. Het criterium lag m.a.w. niet in de voorafgegeven ideeën van de jury, maar in het project zelf, wat dan natuurlijk wel veronderstelt dat het project juist gelezen wordt.
Het is eigen aan een ideeënprijsvraag dat niet alleen het concrete project als oplossing van het gestelde probleem onder ogen wordt genomen, maar ook de algemene idee, de strekking, die in het geheel van de inzendingen naar voren treedt.
Er zijn geen gegevens om uit te maken in hoeverre de vijftig inzenders representatief genoemd kunnen worden voor de architecten in Nederland en België. De namen van de prijswinnaars leren echter wel, dat zowel noord als zuid onder de anonieme ontwerpen zijn vertegenwoordigd. Meer verbazing wekt het, dat niet alleen debutanten maar ook gerenommeerde kerkbouwers aan de wedstrijd hebben meegedaan. Dat zou erop kunnen wijzen dat ook onder hen ontevredenheid heerst over het werk dat ze totnogtoe gepresteerd hebben en over de omstandigheden waarin hun dat werd opgedrongen. Ik ben geneigd aan te nemen dat de ontwerpen die hier zijn samengebracht, een tamelijk correcte doorsnede te zien geven van wat de architect zich de dag van vandaag van een kerkgebouw voorstelt. En als we er ook de voorstellingen van de meisjes van Amsterdam bij betrekken, kunnen we nog een stap verder gaan. Zoals ik zei, stond de jury aanvankelijk een beetje ontwapend tegenover de schijnbare veelheid en uiteenlopendheid van de voorgestelde ideeën. Bij nader inzien bleek echter al gauw dat die veelheid in grote mate toegeschreven moest worden aan het feit dat we in vele gevallen met partiële benaderingen te doen hadden. Alles bij elkaar blijkt er immers een merkwaardige overeenkomst te bestaan over de fundamentele richting waarin een oplossing voor de kerkbouw gezocht moet worden, zodat hier opnieuw, op het collectieve vlak van de prijsvraag in haar geheel, zich als het ware vanzelf criteria en vergelijkingspunten aanboden. Zulke criteria hebben vanzelfsprekend niets mathematisch, maar ze zijn, dacht ik, toch met een vrij grote nauwkeurigheid te omschrijven.
In de meeste van de projecten wordt de kerk als een kritische functie beschouwd met als voornaamste object de stedebouwkundige planning of meer in het algemeen het woonmilieu als expressie van samenleving. Deze kritiek impliceert het afwijzen van het liturgisch isolement. Met het liturgisch aspect van de zaak hebben de inzenders echter nog nauwelijks iets van doen. Liturgie lijkt in deze prijsvraag niet meer de zaak van architecten te zijn. Ik zou zeggen: gelukkig maar. De architecten hebben in het te ontwerpen kerkgebouw een aanleiding gevonden om hun algemeen onbehagen over de woonsituatie van vandaag scherp te formuleren. Verscheidenen onder hen grijpen zelfs het kerkgebouw aan als een ultieme oplossing, een ersatz, voor wat aan humaniteit in het woonmilieu van vandaag ontbreekt.
Het zou me te ver voeren hier in te gaan op de vraag of de kerk en het kerkgebouw werkelijk de drager kan zijn van deze kritische functie in onze samenleving. Verwacht men van de kerk niet wat zij niet meer geven kan? Denkt men niet al te archaïsch als men zijn heimwee en zijn verlangen naar een bewoonbare wereld projecteert in een nieuw type van kerkgebouw? Maar zelfs voor wie geneigd is op deze laatste vragen ja te zeggen, blijft de kritiek uitgesproken en er is alvast deze algemene conclusie uit af te leiden, dat de meeste van de architecten die aan deze prijsvraag hebben meegedaan, het probleem van de kerkbouw niet meer als een geïsoleerd probleem zien, maar als een deelprobleem van een veel omvattender problematiek. Zij kunnen nog slechts zijdelings antwoorden op de vraag naar het kerkgebouw, en zien zich verplicht te refereren aan andere dringender problemen, in de eerste plaats van stedebouwkundige aard.
Het is duidelijk dat men het kerkgebouw in de eerste plaats bepaald ziet door zijn plaats in een stedebouwkundige samenhang, zelfs als men het nog als een alleenstaand gebouw behandelt. De werkzaamheid van dit principe in de conceptie van het gebouw zelf en in die van zijn relaties tot de omgeving werd tenslotte een van de voornaamste criteria. Het idee van deze ideeënprijsvraag ligt daar: de kerk moet gaan werken aan de ruimte van de mensengemeenschap, aan de stad, want deze is de elementaire voorwaarde voor haar eigen bestaan. De kerk moet zich inpassen, maar er blijkt voorlopig niets te zijn waarin zij zich inpassen kan. De structuur ontbreekt waarvan zij deel kan zijn. Er zit dan voor de ontwerpers niets anders op dan zelf een structuur voor te stellen waarin ze de plaats van de kerk kunnen aanwijzen.
Die plaats blijft, als we ze een ogenblik op zichzelf beschouwen, zelf heel onbepaald. Ze herhaalt op haar schaal en binnen haar eigen omschrijving de vrije structuur van het grote geheel waartoe ze behoort. Ze wil de mens een zo groot mogelijke ruimtelijke bruikbaarheid verschaffen, vaak zo omvattend, dat ze niets meer kan inhouden, zo afgestemd op alle gebruik dat ze voor geen enkel gebruik meer geschikt is. Ook van het kerkgebouw wil men een dooreenander maken, waarin alles mogelijk en open blijft, waarin de contradicties
tegen elkaar kunnen opbotsen. Men wil een chaos scheppen, waarin de geest vruchtbaar kan worden. Het zou wel eens kunnen zijn dat de kerken, die totnogtoe toonbeelden van orde en discipline zijn geweest, juist in het openhouden van die chaos de reden van hun voortbestaan vinden.
De architect droomt ervan een kerk uit het leven én de stad te laten ontstaan, de stad zelf tot kerk te maken, maar dat kan hij voorlopig alleen maar door te beginnen met van zijn kerk een stad te maken, een stukje leefbare wereld. Dat wil zeggen dat de kerk niet kan wachten tot de voorwaarden vervuld zijn, ze moet zelf die voorwaarden scheppen, alleen al omdat ze bestaat.
In deze enkele beschouwingen is, geloof ik, de fundamentele gedachtengang van zo goed als alle projecten samengevat. Ze zijn niet bedoeld om de keuze van de jury te verdedigen, alleen maar om haar werkwijze toe te lichten. Deze heeft erin bestaan te luisteren naar wat de projecten te vertellen hadden. Ik hoop dat we goed hebben geluisterd, en dat we door verkeerde interpretaties uw eigen kijk niet al te zeer hebben vertroebeld □
Moderne kerkelijke kunst en kerkbouw, in Catholica 2, Stichting Catholica, Hilversum, 1968.
Toulouse-Lautrec.
(film BRT) 1968.