K&C-agenda, 15 januari 1969.
‘Laten we blij zijn dat de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van haar stichting, besloten heeft het werk te doen verschijnen dat wij het genoegen hebben u heden te tonen: “Acht eeuwen schilderkunst. Schatten uit de Belgische musea”, een gecommentarieerd repertorium van wat kan beschouwd worden als het waardevolste of het meest karakteristieke schilderijenbezit van de musea, grote of kleine, en van andere openbare gebouwen in België’ (P. Haesaerts).
Laten we blij zijn. ‘Acht eeuwen schilderkunst’ is inderdaad een voortreffelijk boek. Een ogenblik vraagt men zich wel af waarvoor het nu precies gemaakt
is. Het houdt immers het midden tussen een luxueus geschenkboek en een wetenschappelijk repertorium. Maar die nuttigheidskwestie verschuift heel vlug naar de achtergrond, eens dat men in het boek aan het grasduinen is geraakt. Het is immers zo gemaakt dat het voortdurend irriteert, d.w.z. de gebruikeljke schema's overhoop haalt, maar juist daardoor nieuwe samenhangen, nieuwe interpretaties ontdekt worden. Het lag misschien niet in de bedoeling van de samenstellers, die het een beetje irreëel als een handige museumgids willen voorstellen, maar voor mij ligt de bestaansreden van het nieuwe boek daarin. Alhoewel er met geen woord wordt over gerept, sluit het goed aan bij een initiatief als dit van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.
Het boek bestaat uit drie delen: het eerste bevat korte historische studies van de Westerse schilderkunst (van heel ongelijke waarde) met de bedoeling de nationale schilderkunst in de algemene evolutie van de Westerse schilderkunst te situeren; het tweede deel geeft een historiek van de musea en openbare instellingen waar de schilderijen zich bevinden; het derde deel bevat biografieën van de geciteerde kunstenaars. Verschillende registers maken het gebruik van het boek gemakkelijk, hoewel hier onmiddellijk moet aan toegevoegd worden dat er heel wat onnauwkeurigheden ingeslopen zijn.
Het eerste deel bevat uitsluitend full-page kleurenreprodukties, meestal van details van schilderijen die ook in zwart-wit zijn gereproduceerd. Deze manier van uitsnijden reveleert soms onbekende aspecten van heel bekende schilderijen, hetgeen nog eens de theorie van Malraux over de verhouding van foto tot kunstwerk bevestigt. De illustratie van het tweede deel is gemengd: reprodukties in kleur op groot formaat en reprodukties in zwart-wit op postzegelformaat. Het derde deel bevat enkele zelfportretten van kunstenaars. In het geheel niet minder dan 1026 illustraties, waarvan 106 in vierkleurendruk. Op de keuze ervan kan ik hier vanzelfsprekend niet ingaan. Men zou zich bijvoorbeeld kunnen afvragen waarom een Arman niet tot de schilders gerekend wordt? Maar in het algemeen lijkt me de selectie uitstekend. Ik wil alleen nog wijzen op de laatste illustratie achterin het boek, buiten elk verband als een orgelpunt geplaatst: ze verbeeldt een ‘weelge tafel’, iets om de opulente burgerij (uit de XVIIe eeuw) mee te bekoren?
Dat brengt me terug op de inleiding van Haesaerts, waaruit ik al citeerde: laten we blij zijn. Ik zou er willen aan toevoegen: laten we er ook mee ophouden de kunst te misbruiken. Ik citeer verder: ‘We mogen er ons over verheugen dat, in de huidige maatschappij, nieuwe mecenassen en kunstbeschermers zijn opgestaan (sic), ik denk aan bankinstellingen, aan de grote organen van het nijverheids- en handelsleven, die, naast hun belangrijke sociale activiteit (sic), steeds meer steun verlenen aan het tot stand komen van culturele prestaties... Deze instanties nemen aldus de rol over van de sociale machten uit vorige eeuwen: de godsdienstige overheid, de koninklijke of prinselijke hoven, de bourgeoisie...’.
Wanneer men dit op een decemberavond van 1968 zonder één krimp hoort uitspreken, dan beginnen de oren te tuiten. Men weet ineens niet meer waar men staat. Wat hebben de bankinstellingen, wat heeft de industrie in dit land in de laatste vijftig jaar, of, als men dat liever heeft, de laatste vijf jaar gedaan voor de kunst, om van de sociale activiteit nog maar te zwijgen? Wat? Enkele boeken uitgegeven die even luxueus en duur als conventioneel waren? Hun harde zakelijkheid met een kunstzinnig aureool omkleed? Prijzen voor de beste mecenas in ontvangst genomen? Wat nog? Ik wil me hier dan nog niet, zoals het zou moeten, opstellen op het vlak van de levende kunst, zoals H. Sabbe het terecht doet in zijn stuk ‘à bas le mécenat’ in K&C/39. Ik wil me nog zover mogelijk inleven in de traditionele kunstopvattingen die deze milieu's schijnen aan te hangen. Zelfs dan nog moet de vraag negatief beantwoord worden. Ik zou hier het onderscheid willen toepassen van Henri Lefebvre tussen oeuvre en produit: een oeuvre betekent een waarde op zich, waaraan men zich onbaatzuchtig geeft, een kathedraal bijvoorbeeld; een produit iets wat in het consumptieproces wordt verteerd. Als onze hedendaagse bank- en financiële instellingen zich nog voor het kunstwerk interesseren, dan is het alleen om het in hun eigen consumptieproces te integreren en het dus tot produkt te verlagen. Ze zijn m.a.w. in geen enkel opzicht creatief, ook niet in hun houding ten overstaan van de kunst: ze brengen geen werken voort. Het wordt tijd dat we eerlijk zijn. Het initiatief van de Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid om een boek uit te geven gewijd aan de Belgische musea is zonder meer verdienstelijk, maar het betekent niet meer dan een druppel water op een hete plaat. De kunstcriticus die meent dit initiatief te moeten opblazen en het als uiting van effectief mecenaat te moeten bestempelen, degradeert zichzelf. De culturele revolutie moet nog beginnen □
300 jaar Rembrandt.
K&C-agenda, 15 januari 1969.
Pierre Alechinsky.
K&C-agenda, 15 januari 1969.
Pierre van Soest en Shlomo Korèn in het Paleis voor Schone Kunsten.
K&C-agenda, 15 januari 1969.