K&C-agenda, 12 februari 1969.
De architect van de memoires in kwestie is Fernand Pouillon, de man die enkele jaren geleden na een fulgurante carrière heel Frankrijk van zich heeft doen spreken door het faillissement van een van de belangrijkste bouwmaatschappijen. Zoals dat gewoonlijk gebeurt, was het de architect die alles wat anderen in de onderneming verkeerd hadden gedaan op zijn hoofd kreeg. Hij was de grote zondebok.
Ik ga het avontuur niet navertellen. Je moet het lezen in de versie van Pouillon, want hij is een geboren verteller, niet overal even nauwkeurig, maar altijd meeslepend, zonder enige inhibitie, noch wat zijn eigen persoon, noch wat zijn vrienden en vooral zijn vijanden betreft. Hij noemt man en paard. En het kan hem niet verdommen of het nu toevallig een minister is die hem dwarszit of een vriendinnetje dat hem in de steek laat.
Ook wie zich geen barst voor architectuur interesseert, wordt geboeid door de directheid waarmee een getergde man zijn leven aan de openbaarheid prijsgeeft, niet alleen uit exhibitionisme, maar uit een tragische behoefte aan rechtvaardiging ten overstaan van zichzelf en ten overstaan van de mensen in het algemeen. Zijn bekentenissen zijn afstotend door hun egotisme, maar ontwapenend door hun eerlijkheid. Ergens zegt Pouillon: ‘Je ne crois pas avoir aimé, mais avoir eu plutôt besoin d'amour.’ Het is niet te verwonderen dat hij voor zijn eerste roman Les Pierres Sauvages uitgerekend de Prix des Deux Magots heeft gekregen.
Als ik echter dit boek op deze plaats signaleer, en niet in de rubriek letteren, dan is het omdat het boek nog meer dan persoonlijke bekentenissen bevat. Het is een van de felste aanklachten tegen de misstanden in de bouwwereld en
het architectenberoep, misstanden die geen privilegie van de Franse situatie zijn.
Met citaten uit Pouillons memoires zou men een lijvig pamflet kunnen samenstellen vol keiharde feiten, verhevigd nog door een diepe verontwaardiging erover. Deze uit zich in aanvallen tegen de politieke corruptie, de speculatie in het bouwbedrijf, de sociale onrechtvaardigheid in de woningbouw, de jaloerse naijver onder de architecten, hun onbekwaamheid, hun onverantwoordelijkheid, hun loomheid. Er zijn ontroerende zinnen te citeren waarin Pouillon zijn bekommernis uitspreekt over het lot van de massamens in een mensonwaardig milieu. ‘Je frémis en pensant à ces êtres conditionnés par l'habitude et l'impossibilité matérielle d'accéder à un autre logement, qui acceptent de végéter sans révolte dans des Sarcelles, subissent l'influence de ce déprimant milieu architectural et ses phantasmes dégradants. Je veux mourir avant que les hommes s'habituent aux cités-dortoirs et constituent une nouvelle sous-humanité, qui non seulement acceptera son milieu, le tolérera sans pouvoir le rejeter, mais finira par le préférer à d'harmonieux et prestigieux centres urbains.’
In zijn boek, en niet alleen in zijn boek, heeft Pouillon één enorme, maar dan ook enorme, vergissing begaan: hij heeft zijn bedoelingen met zijn prestaties vereenzelvigd. Om maar één voorbeeld te noemen: hij heeft zelf niet veel anders dan Sarcelles gebouwd. Haast zonder voorbehoud kan ik al zijn beschouwingen en bedenkingen over architectuur en sociale huisvesting onderschrijven, maar de architectuur van Pouillon, die hij zelf, als proef op de som, in zijn boek afbeeldt is één flagrante tegenspraak ervan en één grove miskenning van wat een waarachtig menselijk leefmilieu behoort te zijn.
Wanneer alles waar is wat Pouillon over zichzelf in zijn memoires vertelt, dan is hij een fantastische manager, een groot organisator, een inventieve bedrijfsleider, een koppige intrigant, een handige zakenman (die op het einde zware pech heeft gehad, maar zich nu dubbel en dik wreekt), maar hij is ook een archislecht architect. Door de foto's in dit boek speelt Pouillon in de kaart van zijn tegenstanders: hij geeft, gedeeltelijk althans, een verklaring voor hun verzet. Men zou dit boek moeten kunnen lezen met de ogen dicht. Daarom bespaar ik dit blad illustratie van het werk. Het portret van de man is de enige illustratie die bij het boek past □
Kerkbouw als kritische functie.
K&C-agenda, 19 februari 1969.