terug  begin  verderprepost

Antoine Pompe en de moderne architectuur 1890-1940.

K&C-agenda, 5 maart 1969.

 

Het Museum van Elsene organiseerde reeds enkele belangrijke retrospectieven in verband met de ontwikkelingsgeschiedenis van de moderne kunst in België. De overzichtstentoonstelling die er nu te zien is behandelt een zo goed als onbekend aspect: een halve eeuw moderne bouwkunst in België (1890-1940) rond de figuur van Antoine Pompe. Die laatste naam zal waarschijnlijk niet velen bekend klinken. Hij is slechts bij insiders bekend en deze weten er dan ook niet veel meer van dan de naam. Het is ook niet zo gemakkelijk om hem in de moderne architectuur een plaats te geven. Hij was te origineel en te direct om zich ergens aan een stijl, zelfs zijn eigen stijl, te binden. Hij is tot de architectuur gekomen, zoals een Mies van der Rohe, langs het ambachtelijke. Hij begon zijn loopbaan als tekenaar in een tapijtfabriek, was daarna een tijdje smid, werkte in een gieterij en ging tenslotte bouwen. Zijn opleiding tot de architectuur was dan ook allesbehalve academisch. Hij dacht niet in stijlbegrippen, maar vanuit de realiteit van een bewoonde architectuur. Zijn aanpak kan vergeleken worden met die van Henry van de Velde voor zijn eigen woning ‘Bloemenwerf’. Pompe reageerde dan ook instinctmatig tegen de exclusieve verfijning van de Horta-stijl en hij was een van de eersten om de robuuste baksteenarchitectuur van de Hollandse school en vooral van Berlage in België te introduceren.

Is de tentoonstelling opgezet als een hommage aan Antoine Pompe, de vergeten meester, met haar meer dan 500 nummers gaat ze ver boven de betekenis

[p. 326]

van deze figuur uit. Ze laat zelfs volledig onbekende documenten zien zoals die van de Antwerpenaar Julien Schillemans, die in het spoor van Le Corbusier, droomsteden ontwierp voor 35 miljoen inwoners. Ze illustreert echter in de eerste plaats de enkele bescheiden pogingen van sociale woningbouw uit diezelfde tijd, die in geen enkel opzicht nadien nog werden geëvenaard.

Deze tentoonstelling, zoals elk contact met de architectuur uit de behandelde periode, doet opnieuw de vraag rijzen hoe het gekomen is dat zulk een elan is verzand in het meest hopeloze conformisme en dat niet alleen globaal beschouwd, maar ook in de particuliere ontwikkelingsgang van elk van de dragers van deze beweging, van Horta tot Stynen. Het geeft de indruk dat al deze mensen een ogenblik lang, gedragen door de algemene beweging vart het socialisme, boven zichzelf zijn uitgetild geweest tot een niveau van vruchtbaarheid, waarop geen enkel, individueel, zich heeft kunnen handhaven. Was het gemis aan geloof in eigen werk? Gemis aan overgave? Of gewoon vermoeidheid, le repos du guerrier? Het was misschien een vorm van schizofrenie, waardoor ze in een moment van helderheid tot de werkelijke verhoudingen van het hedendaagse levenspatroon zijn doorgestoten, om onmiddellijk erop terug te vallen in de verouderde, maar nog altijd geldende denkschema's. Het is een feit dat wie naar oplossingen zoekt voor het actuele architectuurprobleem meer aanknopingspunten kan vinden in het creatieve werk uit de periode 1890-1940, dan in het makke, onpersoonlijke van de meeste naoorlogse produkten.

Op het stuk van architectuurtentoonstellingen zijn we helemaal niet verwend. Ze zijn ook niet erg spectaculair. Ze vragen aandacht, studie, bezinning. Hopelijk brengt de tentoonstelling in het Museum van Elsene een inspirerende confrontatie met onze recente architectuurontwikkeling (tot 20 maart) □

 

Drijvende architectuur.

K&C-agenda, 12 maart 1969.

prepostterug  begin  verder