terug  begin  verderprepost

Een televisiebruegel.

K&C-agenda, 17 september 1969.

 

Om de slechte kwaliteit van de Bruegelreproduktie aan te duiden, spreekt men van een chromobruegel. Sinds de televisie ons de zevenmiljoenreproduktie van Paul Haesaerts over Bruegel heeft laten zien, kunnen we nu spreken van een ‘televisiebruegel’, om een onvoorstelbaar produkt van onkunde, slordigheid of onverschilligheid aan te duiden, zowel op kunsthistorisch als op filmisch gebied.

Ik schreef al bij gelegenheid van het Bruegeljaar dat we bruegelblind zijn geworden, dat we gewoon niet meer in staat zijn Bruegel te zien, maar pas na deze film is het helemaal tot me doorgedrongen hoever die kwaal reikt. In alle films over kunst die hij totnogtoe gemaakt heeft, gaf Haesaerts blijk van een onweerstaanbare neiging tot verregaande simplificaties en platvloerse associaties - om bijvoorbeeld te laten zien dat de primitieven met hun twee voeten op de grond staan, vond hij destijds niet beter dan de voeten van Arnolfini te laten zien, maar met Bruegel werd een tot nog toe ongeëvenaard hoogtepunt bereikt. Bruegel werd onder de valse en sinds lang verouderde gemeenplaatsen begraven.

Het is natuurlijk zijn goed recht van cineast de kunsthistorische wetenschap te negeren om direct op Bruegel af te gaan, hem, zoals dat blijkbaar in de bedoeling lag, als universeel genie te confronteren met onze werkelijkheid van vandaag. Film is voor zulk een confrontatie misschien wel het meest geschikte medium. Het bevat fantastische mogelijkheden om schilderijen op een volstrekt eigen wijze te zien en te reveleren. Maar iets oorspronkelijks, iets nieuws is er in de Bruegelfilm niet te bespeuren, geen spoor van een persoonlijke interpretatie.

Men moet echter zijn eisen niet eens zo hoog stellen. Zelfs als men de film als een mondain gelegenheidswerk beschouwt, dat geen andere pretenties heeft dan het gangbare beeld van Bruegel nu eens in plaatjes met ‘poëtisch’ commentaar te laten zien, dan is hij evenmin gelukkig te noemen. Geen enkele van de aangesneden aspecten - de schilder van de natuur, de humanist, de boerenbruegel... - komt op een behoorlijke wijze uit de verf. Over het commentaar past alleen het zwijgen.

Dit alles zou niet eens zo erg en zo ergerlijk zijn, als het niet zo perfect paste

[p. 364]

in de algemene mentaliteit van cultuurmanipulatie, waarvan onze pers en televisie de eminente dragers zijn. Ik sprak van onkunde. Aan de basis van de onkunde ligt die mentaliteit. Het kan hen allemaal geen barst schelen! De eigen geborneerdheid, onverschilligheid, zelfvoldaanheid van de verantwoordelijken voor onze massamedia wordt geprojecteerd in het zogenaamde publiek en bezegeld met een woord dat de deur dicht doet: objectiviteit. Omdat men zichzelf geen eisen stelt betreffende een programma, omdat men zichzelf met gemeenplaatsen vleit, moet ook het publiek ermee tevreden zijn. En het is er natuurlijk mee tevreden ook. Hoe kan het anders. Het wordt gewoon ernstige informatie geweigerd. Hoe onjuist de voorstelling van zaken ook moge zijn, het heeft geen mogelijkheden tot kritiek. Integendeel, door de alleenheerschappij van het medium en de aureool van de maker wordt het zo bewerkt, dat het alleen maar kan slikken.

De enige rem op deze machtspositie zou enkel kunnen zijn een niet aflatend en massaal protest van de televisie- en de kunstkritiek. Maar ook deze zijn aan de machtsposities overgeleverd. Laten we dus maar doorgaan met schouderklopjes en miljoenen uit te delen □

 

Middelheim 1969.

K&C-agenda, 17 september 1969.

prepostterug  begin  verder