terug  begin  verderprepost
[p. 366]

De architectuur van de goed geregelde omgeving.

TABK 19(1969).

 

Om duidelijk te maken waarover het in zijn nieuwe boek gaat, gebruikt Reyner Banham een parabel: ‘Een primitieve stam (van het soort dat alleen in parabels bestaat) komt 's avonds op een kampplaats, goed voorzien van hout. Fundamenteel bestaan er twee methoden om het “environmentele potentieel” van dit hout uit te baten. Het kan ofwel gebruikt worden om een scherm tegen de wind of een dak tegen de regen te bouwen (de structurele oplossing); of het kan aangewend worden om een vuur te maken (de energetische oplossing). Een ideale stam van nobele rationalisten zal de beschikbare hoeveelheid hout schatten, de weersomstandigheden voor de nacht bekijken, vochtig, winderig of koud, en al naar gelang over zijn voorraad hout beschikken. Een reële stam echter, erfgenaam van voorouderlijke culturele tradities, zal natuurlijk niets van dit alles doen, maar vuur maken of zich een beschutting oprichten, naar gelang de gewoonte het voorschrijft - en dit is, zoals uit deze studie zal blijken, wat ook de westerse, beschaafde landen doen, in de meeste gevallen althans’.

Naar deze parabel te oordelen behoort Banham bij de stam van de beschaafde westerlingen. Hij beschouwt zichzelf als een nobele rationalist, maar is in feite maar een reële mens, behept met de culturele determinaties van de stam waartoe hij behoort. Die stam is nog niet eens die van de beschaafde westerling in het algemeen, maar van de moderne architect en architectuurcriticus.

Wanneer Banham een parabel vertelt, is deze reeds zo gesystematiseerd en gerationaliseerd dat hij veel van zijn geloofwaardigheid verliest. Waar haalt hij het immers zo maar te stellen dat er fundamenteel twee methoden zijn die blijkbaar diametraal tegenover elkaar staan. Als er nu eens voldoende hout is om tesamen de structurele én de energetische oplossing toe te passen; een wind- en regenbeschutting te maken én een vuur aan te leggen. Als het nu eens in de gewoonten ligt - en dit is het meest voorkomende geval - dat primitieve stammen een vuur maken en een kamp afbakenen, waar blijft dan het onderscheid van Banham? Misschien is die structuur er zelfs nodig om de energetische oplossing te laten renderen.

Het heeft natuurlijk geen zin over een parabel te gaan vitten. Hij is echter zo juist gekozen en zo juist verteld dat hij op een uitmuntende wijze het hele boek samenvat met zijn fundamenteel juiste visie en zijn eenzijdige en tot op zekere hoogte ridicule uitwerking.

Banham stelt zijn boek in het teken van het humanisme: ‘In een wereld, meer tot menselijkheid genegen en meer bewust van de primaire menselijke verantwoordelijkheid van de architect, zouden de hoofdstukken die volgen geen apologie behoeven; ze zouden waarschijnlijk nooit geschreven zijn. Het ware

[p. 367]

sedert lang duidelijk geworden dat de kunst en de zaak van het bouwen niet kunnen onderverdeeld worden in twee intellectueel gescheiden delen - structuren van de ene kant en mechanische voorzieningen van de andere kant’. De hele zaak is nu dat Banham nergens in zijn boek verklaart hoe zijn humanisme, wat dit dan ook moge zijn, samenhangt met het onderscheid tussen de structuur van een gebouw en de mechanische voorzieningen ervan. Er wordt hier een denkfout gemaakt die men eerder bij een erfgenaam van Descartes dan bij een van Hobbes zou verwacht hebben.

Waar de schoen wringt wordt duidelijk in volgende paragraaf: ‘Tot nog toe werd de geschiedenis van de architectuur zo geschreven, dat er geen behoefte bestond het onderscheid tussen structuur en voorziening, dat geen rekening houdt met de manier waarop een gebouw wordt gebruikt, uiteen te zetten of te verantwoorden... Waar het, bij de eerste oogopslag, voordehandliggend is dat de geschiedenis van de architectuur zich zou moeten bezig houden met het geheel van de technologie die nodig is om een bewoonbare omgeving te scheppen, heeft zij zich in feite bijna uitsluitend ingelaten met de uitwendige vormen van de bewoonbare volumen, zoals die door de structuur welke hen omvat worden zichtbaar gemaakt’.

En Banham gaat verder: ‘Het resultaat is dat een ruime reeks van historische elementen van het grootste belang voor de ontwikkeling van de architectuur, in vele scholen van architectuur of afdelingen van architectuurgeschiedenis nooit onderwezen of zelfs vermeld worden. Sommige van deze elementen behoren niet rechtstreeks tot het bouwen - bouwheer, wetgeving, beroepsorganisatie, etc.; andere zijn er direct bij betrokken - verandering van gebruik, ontwikkeling van de verwachtingen van de gebruiker, wijziging in de manier om de behoeften van de gebruiker te bevredigen. Van deze laatste is de mechanische ingreep op de omgeving, die van spectaculair belang is én als gewijzigde verwachting, én als onherroepelijke verandering ten overstaan van de primauteit van de structuur, het minst van al bestudeerd’.

Niemand zal deze diagnose betwisten. Ik moge hier verwijzen naar wat ik heb genoteerd in ‘De architectuur in Nederland aan de kunstgeschiedenis overgeleverd’ in nummer 15 van deze jaargang. De architectuurgeschiedenis en de architectuurkritiek zit even hopeloos als de hedendaagse architectuur zelf vast in achterhaalde stijlbegrippen. In zoverre Banham daarmee wil afrekenen is zijn boek van het grootste belang. Om die afrekening weer te geven heeft Banham een uitstekende formule bedacht: architectuur hanteert hij niet langer als een autonoom begrip. Het woord heeft alleen nog betekenis als architecture of the well-tempered environment. Architectuur is niet langer het oprichten van een gebouw, het bepalen van een structuur, maar het scheppen van een goed-geregelde omgeving. Deze begripsbepaling van de term architectuur is op zich alleen al bijzonder belangrijk: ze wijst op een omschakeling van een mentaliteit. Indien het echter bij deze algemene en vage begrippen blijft, komt

[p. 368]

men niet veel verder. Het nieuwe begrip moet op een juiste, zinvolle en complete wijze opgeladen worden en daarin is m.i. Banham in zijn boek niet geslaagd. Het is zijn goed recht slechts enkele, heel bepaalde aspecten van een goedgeregelde omgeving te onderzoeken. Maar ook in dit geval is het aangewezen om deze aspecten in het geheel te situeren om niet de indruk te wekken, zoals Banham doet, dat een goed-geregelde omgeving helemaal en uitsluitend van deze fragmentaire aspecten afhankelijk is. In feite komt het er in het boek van Banham op neer dat de architectuur van de goed geregelde omgeving afhankelijk gesteld mag worden van de verlichting en klimatisering. Deze twee aspecten maken de architectuur uit.

Dit standpunt lijkt me te eng, al kan men het wel, zoals ik al suggereerde, cultuurhistorisch verklaren. Het is zonder meer duidelijk dat kunstmatig licht en warmte twee mogelijkheden van de hedendaagse techniek zijn, waarvan men had kunnen veronderstellen dat ze de architectonische vorm op een ingrijpende wijze zouden beïnvloeden. In werkelijkheid is de architectonische vorm ervoor immuum gebleken. Op dit punt is de parabel van Banham maar al te waar: de architectuur heeft deze technische mogelijkheden op verre na nog niet als een nieuw cultuurhistorisch gegeven verwerkt. Zij heeft ze als vreemde elementen gebruikt en ze enkel in zoverre aangewend als ze haar in staat stelden op een nog onafhankelijker wijze dan voorheen ‘vorm’, ‘figuur’, ‘stijl’ te zijn, en dus vorm, figuur, stijl van een voorbij cultuurbeeld, verloochening m.a.w. van het er elementair mee verbonden begrip van de goede omgeving.

Maar ook op dit punt is de voorstelling van Banham niet helemaal juist, omdat ze de gang van zaken al te eenzijdig voorstelt. Wat immers van de schizofrene verhouding van de architectuur tot technische equipering kan gezegd worden, geldt, zij het dan in mindere mate, ook voor de verhouding van architectuur tot de nieuwe constructieve mogelijkheden. Ook deze laatste worden op een gelijksoortige manier door de architectuur misbruikt om een achterhaalde kunsthistorische stijlopvatting met nog meer klem te affirmeren. De eenzijdigheid van Banhams betoog ligt echter niet alleen in de willekeurige beperking tot het technische equipement van licht en warmte: ze steekt ook in de opbouw van het betoog zelf, in de manier waarop deze beide elementen worden aangepakt. Men zou het zo kunnen stellen: in zijn titel spreekt Banham m.i. terecht van ‘de architectuur van de goed-geregelde omgeving’, maar in de uiteenzetting zelf komt de architectuur niet meer ter sprake en gaat het alleen maar over de zuiver elementaire aspecten van licht en warmte. De architectuur is er slechts nog in zoverre bij betrokken dat Banham alleen maar de goed-geregelde omgeving onderzoekt van gebouwen die voor het grootste deel tot de door hem zo misprezen officiële architectuurgeschiedenis behoren. In het perspectief van Banham zelf is dit een nonsens. Het laat zien hoezeer Banham in zijn reactie tegen de stijl-architectuur zelf nog in de

[p. 369]

traditie ervan gevangen zit. Er bestaat immers, bekeken vanuit zijn manier van behandelen, geen enkele reden meer om een onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ architectuur. Het enige onderscheid dat nog opgaat is dat tussen een effectief geklimatiseerd gebouw en een gebouw waar de verwarming en de luchtverversing te wensen overlaten. De behandeling van het licht is iets genuanceerder. In bepaalde gevallen wordt het ‘architectonische’ aspect erbij betrokken, zoals bijvoorbeeld in de architectuur van een Mendelsohn, een Schindler of in lichtreclame-architectuur van Las Vegas. Maar ook deze behandeling is uiterst fragmentair en onsamenhangend.

Uitvoerig wordt bijvoorbeeld het klimatiseringssysteem beschreven van bekende gebouwen als de Larkinbuilding of de prairiehouses van F.L. Wright, de Richard Laboratories van L. Kahn, het Rinascente-warenhuis te Rome van F. Albini, de Philadelphia Saving Fund Society Building van Howe en Lescaze, de Queen Elizabethhall op de South Bank te London, vermengd met enkele onbekende voorbeelden van gebouwen die alleen om hun technische installatie van belang zijn, maar in geen van beide gevallen wordt de relatie onderzocht tussen de installatie die een goed geregelde omgeving mogelijk maakt en de architectonische vorm. In de optiek van dit boek kan het ook niet, omdat in het begin principieel wordt gesteld dat goed-geregelde omgeving en architectonische vorm tegengestelden zijn. Denk maar aan de parabel. In feite zijn het wel geen identieke momenten van het hele bouwproces - men kan ze tot op zekere hoogte onderscheiden - maar toch onlosmakelijk op elkaar gebonden dialectische momenten. Het technische equipement in zijn zuiverste, elementairste vorm, kan niet buiten een structuur. Het radicale standpunt lijkt voor een auteur als Banham, die in zijn boek over het Brutalisme nog zo sterk door de vormproblemen geboeid was, wel een wanhoopsdaad.

Om socio-pedagogische redenen zou men kunnen verkiezen het begrip architectuur terzijde te laten om vanuit een directe, fenomenologische analyse van het hedendaagse wonen en de hedendaagse mens de voorwaarden van een goed geregelde omgeving te beschrijven en zo langs een omweg de architectuur opnieuw te ontdekken. Maar ook als men zich op dit standpunt stelt, komt men met het boek van Banham ontgoocheld uit. Het is van die kant bekeken zelfs archaïsch. Banham beschrijft wel bij stukken en brokken de evolutie van de klimatisering van een bepaald gebouw, maar hij spreekt nergens over de evolutie van het technisch equipement - denk bijvoorbeeld maar aan de mogelijkheden van de atoomenergie - noch over de projecten van klimatisering van grotere eenheden dan alleen maar de traditionele afbakening van het afzonderlijke gebouw. Nergens ook spreekt hij over de eventuele psychologische weerslag van een soortgelijke evolutie - denk maar aan het belangrijke feit dat men zelf geen controle meer heeft op de regeling van het eigen microklimaat en de abstrahering van de omgeving die hieruit volgt.

[p. 370]

Geen woord ook over de betekenis van de nieuwe vormen van comfort, noch over de registreerbare reacties er op.

Met deze enkele randbemerkingen is de kritiek op het irriterende boek van Banham verre van uitgeput. En toch zou het verkeerd zijn bij deze kritiek stil te staan of daarom het boek zonder meer af te wijzen. De visie, waaruit het boek is ontstaan en die meer tussen dan in de regels wordt uitgesproken, is té belangrijk. Architectuur is geen kwestie van min of meer bewuste stijlvorming, los van de concrete, primaire bewoonbaarheid: architectuur is het scheppen van een in alle opzichten goed geregelde omgeving □

 

Martial Raysse. Portret van France.

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 19(1969).

 

4x Bruegel.

K&C-agenda, 1 oktober 1969.

 

Henri Leys en de XIXe eeuw.

K&C-agenda, 8 oktober 1969.

 

Een stad voor het gebruik.

K&C-agenda, 8 oktober 1969.

prepostterug  begin  verder