terug  begin  verderprepost

Het ABC van de Stedebouw.

K&C-agenda, 29 oktober 1969.

 

1. Na honderd en een keer over urbanisatie te hebben gesproken zonder veel begrip, laat staan resultaat, kun je je misschien voorstellen dat ik het, naar aanleiding van het colloquium te Luik, met enige tegenzin nogmaals daarover wil hebben: alles wat er te zeggen valt, dreunt als een refrein, en dat refreintje

[p. 373]

wordt men nu langzamerhand beu.

Juist op dit soort vermoeidheid van de machteloze schijnt de macht in de democratie haar tactiek op te bouwen. Men laat praten, in het beste geval consulteert men zelfs, men organiseert gesprekken, en als iedereen zijn eigen gepraat beu is geworden, valt de beslissing die een geroutineerde administratie al lang had uitgekiend.

Op het gebied van de urbanisatie heeft een soortgelijke methode nog meer succes dan elders, omdat de belangen die het op het spel staan in het algemeen groter zijn en omdat er geen eentwee-modeloplossingen kunnen gegeven worden, waar iedereen zo maar kan gaan achter staan. Dit betekent dan ook dat, hoe technisch het probleem ook moet gesteld worden, hoe wetenschappelijk het moet benaderd worden, urbanisatie in wezen een politiek probleem is. Het meest dringende in de politieke problematiek van de urbanisatie is momenteel: de mogelijkheid tot een urbanisatie moet geschapen worden door de gemeenschap tegen willekeurige manipulaties van de speculanten te beschermen. Urbanisatie buiten de gemeenschap is nonsens, en dat is het wat we zien gebeuren. Die gemeenschap kan niet bestaan, bestaat in feite niet, zolang de ruimte waarin die gemeenschap zich kan bewegen, haar niet toebehoort, niet vrij is, niet beschikbaar voor de uitbouw van een adequaat en steeds evoluerend milieu. Heel concreet: zolang die ruimte voorwerp kan zijn van particulier winstbejag, leeft de gemeenschap in de vervreemding.

Het eerste politieke doel van een democratische gemeenschap die zich een leefmilieu wil scheppen is: een radicaal einde te stellen aan elke vorm van grondspeculatie. Zoals Henri Lefèbvre het uitdrukt is het fundamentele recht van de mens, het recht op de stad. In een systeem waarin grondspeculatie niet alleen een kans krijgt, maar in de hand wordt gewerkt, is het recht op de stad je reinste utopie.

2. Het einde van de grondspeculatie betekent echter op verre na nog geen urbanisatie. Om aan een reële urbanisatie toe te komen, moeten heel wat meer structuren en vooral denkmodellen doorbroken worden. Ik ga ze hier niet opsommen. Wel wil ik een beroep doen op allen die zich op een of andere manier op een politiek-sociale carrière voorbereiden om zich in hun denken op het probleem van de stad in al zijn implicaties (financieel, juridisch, economisch, sociologisch, psychologisch) toe te spitsen in een onbevooroordeelde wetenschappelijke geest. Stedebouw wordt, als het dat nog niet is, het probleem nummer één van de toekomstige samenleving. En we staan er totaal ontredderd tegenover, omdat we er nog niet eens aan toe zijn het te stellen.

3. Een heel bijzonder beroep moet hier gedaan worden op de stedebouwers, architecten, vormgevers. Zij moeten zich van de draagwijdte van hun taak bewust worden en hun plaats, een werkelijke plaats, in het sociale en politieke leven innemen. Ze mogen het zich niet verhelen dat de tijd van de geïmproviseerde stedebouw, die we nu nog rondom ons aan het werk zien, voorbij is,

[p. 374]

definitief voorbij. Ze hebben als taak, niet om de ene wijk na de andere, het ene verkavelingsplan na het andere uit hun mouw te schudden, maar in de eerste plaats om de gemeenschap de denkmodellen te leveren, waarin zij zich haar leefmilieu kan voorstellen en door die voorstelling heen, ook realiseren. Ze moeten ervan overtuigd zijn dat de denkschema's die architecten en stedebouwers de gemeenschap opgedrongen hebben, het niet doen.

Het gaat niet langer op over de stedebouw te denken volgens de modellen van de wooneenheid van Le Corbusier of de villawijk van Howard. Beide zijn evenzeer achterhaald en hebben in hun realisatie hun onmogelijkheid bewezen. Beide zijn ze voortgekomen uit een reactie op een stedelijke structuur die reeds door de industriële revolutie en de ermee samenhangende demografische verschuivingen grondig was verstoord. Hun uitgangspunt was niet meer de stad, maar de desintegratie van de stedelijke functies. Op die desintegratie hebben ze een integristisch antwoord gegeven, waar juist de stad het tegendeel is van integrisme: een voorwaarde tot vrijheid.

4. Als we over stedebouw willen spreken, komt het erop aan dat elk nu in zijn eigen discipline de structuren gaat bestuderen en ontwikkelen die deze vrijheid mogelijk maken. Het gaat niet langer op dat de afzonderlijke wetenschappelijke disciplines zich binnen de eigen discipline blijven cantonneren. Het gaat zelfs niet meer op om alleen maar interdisciplinair te gaan werken: het object zelf van ons denken in een bepaalde discipline moet de totaliteit zijn van het menselijk leefmilieu, de totaliteit dus van de mens.

De economie kan voorzeker alleen maar economisch denken, maar ze kan economisch denken over de mens die meer dan een homo economicus is. Er zijn twee menselijke activiteitsgebieden die deze totaliteit rechtstreeks tot object hebben: de politiek en de stedebouw - ik zou zeggen: de politiek van de stedebouw. Want stedebouw is uiteindelijk de enige reële opgave van de politiek van vandaag. Als politici en stedebouwkundigen dat gaan inzien, dan hebben we nog een kans dat er steden ontstaan die leefbaar zijn. Dan krijgt het politieke bedrijf zelf een nieuwe zin en een nieuwe impuls. De mens is een bouwer en wil iets realiseren. Hij heeft een ontwerp nodig om te kunnen leven. Kathedralen of pyramiden kan hij niet meer bouwen, maar misschien is hij wel in staat om een stad, om de stad te bouwen. Als hij daarin niet lukt, dan moet hij ook maar zijn droom van de democratische gemeenschap opgeven. Ons werken aan de stad is immers ook de concrete vorm van onze hoop op een toekomst □

 

Wat is design?

K&C-agenda, 29 oktober 1969.

prepostterug  begin  verder