K&C-agenda, 5 november 1969.
In de al te tamme zee van de Belgische architectuur is er de laatste weken enige beweging waar te nemen geweest. Wel geteld, zijn er drie gebeurtenissen tot de oppervlakte doorgedrongen. In volgorde van belangrijkheid was er eerst de voorstelling van de toekomstige sociale zetel van de C.B.R., daarna de viering van het vijftigjarig bestaan van de Nationale Maatschappij voor de Huisvesting, en tenslotte, een gesprek onder architecten te Luik.
De voorstelling van de zetel van de C.B.R., waarop niemand minder dan Marcel Breuer als feestredenaar optrad, laat me perplex. Dat Breuer er blijk gaf van een complete verzaking aan alles waarin hij ooit geloofd heeft om het spel van de mode en het succes te spelen, tot daar aan toe. Na zijn laatste realisaties kon niemand er meer aan twijfelen. Het ergerlijke is dat C.B.R., praktische monopoliehouder van de Belgische cementprodukties, zich garant gaat stellen voor de toekomst van de architectuur in dit land door deze te reduceren tot de primitiefste vorm van een legospelletje. En deze vergelijking is nog te vleiend. In het ontwerp van Lambrichs en Brodzki - het wordt tijd dat de architecten worden genoemd - wordt architectuur zonder meer herleid tot een gevel, en dan nog een vlakke, saaie, monotone gevel, zonder één enkele mogelijkheid om die monotonie te doorbreken en tot een zekere expressiviteit van het gebouw te komen. Wat zou er ook in deze opvatting over architectuur nog uit te drukken zijn? Er blijft niets anders over dan een gevel die zichzelf uitdrukt. Daarmee is de kringloop van de moderne architectuur
gesloten. We zijn terug in het academische beland, een verarmd en verschraald academisme, dat met dit van het einde van verleden eeuw niet eens meer kan vergeleken worden.
Tegenover deze architectenarchitectuur staat de architectuur zonder architect, de architectuur van de wonende mens. Men had kunnen verwachten: de architectuur van de Nationale Maatschappij voor Huisvesting. Inderdaad, deze maatschappij heeft het klaargespeeld om een jaarboek over vijftig jaar bouwen van woningen uit te geven zonder een architect te vermelden. Dit zou toe te juichen zijn, indien het een uiting ware van bewust architectuurbeleid. Het is echter alleen slordigheid en vooringenomenheid: de moor heeft zijn werk gedaan, de moor kan gaan. Want in het jaarboek wordt in feite niets anders getoond dan architectenarchitectuur, één enkele uitzondering uit de jaren dertig niet te na gesproken. In heel het boek niets anders dan gevels; en geen enkele, maar dan ook geen enkele, plattegrond. De literatuur die deze prentjes begeleidt is navenant: een zelfverheerlijking van de maatschappij, die haar eigen bestaan moet verdedigen, zonder één kritische noot over het begrip zelf van ‘sociale woning’, dat op zich al een sociale aanklacht is.
Tegenover de harde werkelijkheid van de hedendaagse architectuur, staat de haast wanhopige bezinning van architecten die naar een uitweg zoeken en daarom te Luik waren bijeengekomen om het requisitoir op te maken tegen de architect en zijn levensvreemde, anti-sociale, architectuur. Het thema van het gesprek luidde: ‘L'architecte n'a plus d'audience. Quel est l'avenir du domaine bâti?’ Het thema zelf is dubbelzinnig. Nog nooit heeft de architect zulk een invloed gehad in het bepalen van het menselijk milieu, maar nog nooit is die invloed op zo'n oppervlakkige manier verkwanseld: tot de fundamentele werkelijkheid van de architectuur dringt de architect niet meer door - zie maar naar de C.B.R. - zijn rol blijft beperkt tot die van een versierder, die als taak heeft de onmenselijkheid en onsamenhangendheid van het hedendaagse leefmilieu te verbergen achter een mooie schijn. De vele, al te vele, jongeren, op het gesprek aanwezig, schijnen zich met die rol van versierder niet meer tevreden te stellen. Hopelijk vinden zij de weg om een sterke ‘anti-architectuur’ op te bouwen, die aan de mens zijn ontvreemd milieu terugschenkt □
Amerika, hoera.
K&C-agenda, 12 november 1969.
Forum van de grafiek.
K&C-agenda, 12 november 1969.