K&C-agenda, 19 november 1969.
Wat doet men met een architect die opdrachten teruggeeft, die niet alleen provo's gezellig vindt, maar een provo is, die zijn jeugd in de Jordaan niet kan vergeten, die een kerk koopt en er een soort kommunetehuis van maakt. Iedereen is er welkom. Je kan er 's morgens nonnen liggen slapen vinden of nozems. Je bent er tegelijk overal en nergens. Slaap-, werk- of eetkamers zijn er niet. Er is alleen veel plaats en van allerlei soort. Wat vangt men met zo iemand in een georganiseerde, op efficiëntie afgestemde maatschappij aan? Wie wil met hem in zee?
En toch oefent zo'n man, zo'n architect, op onze nette maatschappij ergens een aantrekkingskracht uit. Ook al neemt men hem niet helemaal of helemaal niet au sérieux, toch is hij goed genoeg om hem een (ongevaarlijk) plaatsje in het systeem te gunnen, om hem te integreren. Hij mag bijvoorbeeld bij de uitreiking van de Glaverbelprijs in Brussel komen spreken: een slordige trui tussen het marmer en het glas en het navenant geklede gezelschap brengt een pittig contrast en geeft het gevoel van grootmoedigheid. En zoals hij in de sociale zetel van Glaverbel het woord mag voeren, zo mag hij ook af en toe een gebouw maken, waarvan men bij voorbaat weet dat het een succesnummer wordt en in de publiciteit komt. Nu en dan is eigenlijk al te veel gezegd. Want behalve enkele aanpassingen, waaronder de mensa op de campus te Twente, is Pieter Blom, een van de bekendste architecten in Nederland, nu pas aan zijn eerste gebouw toe; de studentensociëteit op de campus van de Technische Hogeschool van Twente te Drienerlo, enkele weken geleden officieel in gebruik genomen.
Het lag in Bloms bedoelingen geheel de nieuwe universiteit in één geweldig gebouw onder te brengen, een gebouw dat een stuk stad zou zijn, iets meer dan alleen maar universiteit. Blom heeft niet moeten wachten op de studentenrevolte om te weten dat een student iets meer is dan iemand die studeert, dat een student ergens tot een gemeenschap behoort, een gemeenschap die breder is dan de studentensociëteit. Toen eenmaal de inplanting van de TH van Twente op een afgelegen plaats buiten Drienerlo beslist was, was er voor Blom geen ander alternatief dan van die plek een nieuwe, zo compleet mogelijke stad te maken, een plaats die jaar in jaar uit, dag en nacht bewoond en
beleefd zou zijn en waar studenten hun binding met het grote geheel zouden ervaren. Hij ontwierp een enorme structuur, ik geloof enkele kilometer lang, die naar gelang de behoeften ingevuld, betrokken en aangepast zou kunnen worden. Wat ervan gebouwd werd is maar een fragment, een kleine rest, niets anders dan een programmaverklaring, die zegt hoe het zou kunnen en hoe het zou hoeven te zijn en juist daardoor een beetje vreemd, onwezenlijk, niet helemaal echt is. Maar toch merkwaardig genoeg om ervan te gaan dromen.
Het gebouw - we zijn wel verplicht van een gebouw te spreken - bestaat uit een polyvalente structuur, uiterst eenvoudig en toch rijk aan mogelijkheden. Enkele van die mogelijkheden heeft Pieter Blom met heel veel overgave en fantasie uitgewerkt, zelfs met agressiviteit. Maar in die uitwerking ligt niet het merkwaardigste. Men kan zich best voorstellen dat de structuur op een heel andere wijze zou ingevuld en omkleed worden. Het zou geen zier verwondering wekken als morgen dit gebouw er heel anders zou uitzien, als een ander architect of de studenten zelf er een deel van weghalen en er iets anders voor in de plaats zetten. Hoe bepaald het image ook is, toch heeft het niets definitiefs. Van vandaag op morgen kan het sprookjeslandschap omgetoverd worden.
Blom zelf heeft zijn gebouw een ‘burcht’ genoemd. De studenten hebben er ‘de bastille’ van gemaakt, het begin van de revolutie, het begin van de bevrijding. Men zou het willen geloven. Het klinkt schoon, maar hol. Eén zwaluw die nog geen lente maakt □
Het wonder uit Faras.
K&C-agenda, 19 november 1969.