[Fotokatern 1933-1955]
1 Hubertus Maria Nooteboom (1897-1945) en Johanna Carolina Christina Sophia Pessers (1910), de ouders van Cees Nooteboom op de boulevard in Scheveningen, circa 1932
Ik heb met mijn eigen geheugen altijd op gespannen voet geleefd. Ik heb er geen, zeg ik altijd, maar dat is natuurlijk niet waar. Aan de andere kant, veel ervan heb ik ook niet in voorraad. Anderen kunnen hun hele kindertijd, compleet met data, scholen en voorvallen oplepelen als waren ze hun eigen computer, maar dat kan ik niet. Soms vraag ik me weleens af of ik er vroeger wel geweest ben. Er zijn documenten genoeg die bewijzen dat dat zo is, maar het lijkt meestal alsof de tijd die achter me ligt in elkaar is gestort. Even kijk ik niet om of de jaren vallen over elkaar heen, de gebeurtenissen raken verward, de scholen van mijn verleden worden aan elkaar vastgebouwd, de verkeerde leraren dwalen door de verkeerde gangen, en als ik in die geleidelijk dichtslibbende chaos iets terug wil vinden moet ik werken. Beckett heeft over Proust gezegd dat juist het feit dat die geen geheugen had hem heeft gedwongen al die delen van A la recherche du temps perdu te schrijven. Dat mag een overdrijving zijn, maar het spreekt me aan.
Wie geen verleden heeft moet het maken, als een mijnwerker afdalen in de gangen, kranten en modebladen lezen om te zien wat er gebeurde en hoe iedereen eruitzag. Dus alweer: werken.
cees nooteboom: ‘Hierro, het eind van de wereld’ uit: Waar je gevallen bent, blijf je (1983)
2 Tante Stine toen ze nog geen tante Stine was. Zo heb ik haar nooit gekend, ik was toen nog niet geboren. Maar de trek rond haar mond is herkenbaar, afstand, ironie en licht amusement. Zij was een zuster van mijn vader en was, zoals dat heette, ‘goed getrouwd’ - er hing, toen ik klein was, een geur van geld en wereld om haar heen die bleef toen het geld allang weg was. Ze had een onvergetelijk stemgeluid, tegelijkertijd luid en nonchalant, met altijd iets wegwaaierigs. Zodoende werd ouderdom, een oorlog, een scheiding, een glijvlucht in de armoede met alles wat dat inhield tot iets wat je op de koop toenam, en waar je het in ieder geval niet over had. Het zat allemaal in die stem verdisconteerd, de wereld en de afstand tot de wereld. Wat vroeger misschien het casino van Deauville geweest was, werd nu de bus naar Knokke, maar ze zal het verliezende nummer met precies diezelfde glimlach begroet hebben die ze op dit autonome portret al heeft.
cees nooteboom
3 Die nacht heb ik, als op een altaar, Het Verboden Rijk en een portret van mijn vader op de schrijftafel gezet, dat zijn laatste overlevende zuster me plotseling gegeven heeft vlak voor mijn vertrek. Mijn vader is in de oorlog omgekomen, ik heb hem nauwelijks gekend, ik heb niet het gevoel dat ik ooit met hem gesproken heb. Hij was van hetzelfde jaar als Slauerhoff, (in werkelijkheid was hij één jaar eerder geboren - noot samenst.) hij is nooit zo oud geworden als ik nu ben, en op deze foto is hij, denk ik, begin twintig. Mensen die deze foto gezien hebben, denken dat het een jeugdportret van mij is. Hij is gemaakt op een mailboot naar Indië, maar nog in Europa, want de twee mannen die erop staan dragen geen tropenkleding. Van de andere man die eruit-ziet als iemand uit de gang van Al Capone, weet niemand meer wie hij is. Met zijn zwarte hoed en pochet leunt mr. Chicago zwaar op de tengere gestalte van mijn vader - maar hoe kan die jongen mijn vader zijn? Hij ziet eruit als een dandy, trenchcoat, tweed pet, souspieds, vlinderdas, een sigaretje in zijn rechterhand, zijn linker nonchalant in zijn zak, een lichte, ironische lach, de voeten los uit elkaar, op reis. Wat hij in Indië ging doen of heeft gedaan kan niemand me vertellen. Ik sta daar in die vale kamer wat onwezenlijk te turen naar dat boek en die foto. Slauerhoff heeft het brandspoor van zijn onrustige leven voorgoed in de Nederlandse poëzie achtergelaten, mijn vader heeft niets nagelaten dan een paar amateuristische tekeningen, zelfs een graf is er niet van hem, maar ik weet dat ik dacht toen ik die foto van zijn voorbije passage voor het eerst zag en in zijn spottende gezicht keek: het is jouw schuld dat ik almaar als een gek over de wereld moet draaien, jij hebt het zaad van die onrust in mij gezaaid. Maar foto's zeggen niets terug, en hij blijft almaar zacht lachen, op weg naar hetzelfde Azië waar ik nu ben. Een voorbijganger die zijn voorbije passage in woorden bewaart, tot ook die van de tafel worden geblazen.
cees nooteboom: ‘De poort naar China’ uit: Van de lente de dauw (1995)
4 Ongedateerde foto, de vader van Cees Nooteboom staat linksboven tegen de reling geleund. Hij stuurde de foto naar zijn zuster Stine met de tekst: ‘Nu Stine en Gijs vele groeten van Huub. p.s. Wij varen vannacht door naar Port Said en vandaar naar Colombo. Tot ziens.’
5 Johanna Justine Huberta Maria (Hanneke, 1932) en Cees Nooteboom, Den Haag, circa 1937
6 De ouders van Cees Nooteboom met Cees' jongere broer Hubertus Jacobus Anna (Huub, 1940), Rijswijk, circa 1942
7 Cees, roeiend met jeugdvriend Joop Bezemer op de Vecht bij Nederhorst den Berg, circa 1946
8 Een kasteelruïne in de buurt van Well, niet ver van Venray, waar ik als intern bij de Franciscanen op kostschool zat (Gymnasium Immaculatae Conceptionis). Het jaar zou 1948 kunnen zijn. Er hangt een mooie schaduw over deze foto, en toch schijnt de zon. Alles klopt, het ruïneuze sentiment, het ouwelijke pakje - met plusfours - de bestudeerde pose, de omgevallen zuil, de open deuropening die door geen muur meer gestut wordt, verval. De vraag is of ironie ten opzichte van het vroegere beeld is toegestaan. Degene die later naar die ander van vroeger kijkt weet gewoon te veel, zijn anachronistische blik heeft iets schennends, de ander kan zich tegenover die blik niet verdedigen, want al leest hij dan al Cicero en Livius, hij weet nog niet dat hij later een romanfiguur over het Forum Romanum zal laten lopen (‘de schrijver’ in Een lied van schijn en wezen - noot samenst.) tussen andere, dezelfde brokstukken en afgeknotte zuilen. Historici zijn naar achteren gerichte profeten, heeft Schlegel gezegd. Vooral in het eigen leven heeft die postume helderziendheid iets onaangenaams.
cees nooteboom
9 Cees als jeugdige gymnasiast in de tuin van zijn oom Louis, Tilburg, 1947
10 ‘De grootste en de kleinste Extremist’ staat er achterop deze foto. Een hekel aan die jaren bij de Franciscanen in Venray heb ik niet, maar uiterst geheimzinnig komt het me nu voor, het roomse kostschoolleven. Drie keer per jaar mochten we eruit, verder bleven we waar we waren - het kloosterideaal: stabilitas loci. We sliepen opeen reusachtige slaapzaal met surveillanten, werden met een handbel gewekt, stonden om zes uur op. Eerst mis, dan ontbijt, dan een uur studie (‘felix studium’), daarna de lessen. Groepen, klieken, afzijdigheid en dan weer hartstochtelijke vriendschappen, waarvan niets is overgebleven, namen die niet meer bij gezichten horen, gezichten die geen naam meer hebben. Hoe maken ze schrijvers? Nu ik naar dit teruggevonden beeld kijk, weet ik niet of ik het koddig (ik kan er geen ander woord voor vinden) of droevig moet vinden. Ik weet nog dat mijn groep ‘De Extremisten’ heette, maar wat we deden, wat dat inhield, en of iedereen er lid van was, weet ik niet meer. De vraag is niet waar de tijd blijft, maar waar datgene gebleven is wat in die tijd ooit echt gebeurd is.
cees nooteboom