terug  begin  verderprepost
[p. 31]

[Fotokatern 1955-1963]



illustratie
22 De Gran Rio, schip van de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij. Cees Nooteboom monsterde aan als bediende om zelf de overtocht naar Suriname te bekostigen, waar hij aan de directeur van de sms, Frans Lichtveld, de hand van zijn dochter Fanny ging vragen. ‘Met mijn aanstaande schoonvader kon ik het uitstekend vinden, we gingen dansen en varen, hij leerde me Surinaams eten en nam me mee naar feesten in de Sociëteit Het Park en moet intussen goed op me gelet hebben, want voor het huwelijk wilde hij zijn toestemming niet geven.[...] Dat we in de loop van diezelfde herfst toch in Harlem (met Leo Vroman als getuige) getrouwd zijn heeft hij ons nooit kwalijk genomen.’ Uit het ‘Voorwoord’ van De koning van Suriname (1993).

Gran Rio
voor F.D.L.
 
1957.
 
Veertien mannen, veertien dagen,
 
Een schip op de oceaan.
 
In het grote web van de zomer
 
Verschuift het schip als de spin.
 
Een logboek van zeeschuim blijft achter
 
Dat niemand zal lezen.
 
Op die plek in de tijd
 
Heb ik wacht onder sterren
 
Die zichzelf niet benoemen.
 
Angst die ik toen niet had voel ik
 
Nu.
 
Ik stond alleen aan de reling
 
In mijn vroegere, andere lichaam,
 
Geen gedachte, geen schepen in zicht.
 
De vracht van de melkweg
 
Verlichtte de zwalkende vlakte
 
Totdat die de kleur kreeg van modder,
 
Het schip anders rolde, en de stuurman zei
 
Zand uit de Orinoco.
 
Toen zag ik het land in het water
 
De mond voor de ogen,
 
En later de stad van jouw huis.

cees nooteboom

Uit: Paesaggi narrati

(Het landschap verteld), 1982



illustratie
23 Cees Nooteboom en de schrijver Hugo Pos, destijds procureur-generaal in Paramaribo, 1957.

[p. 32]


illustratie
24 Fanny Lichtveld en Cees Nooteboom. Foto: Nico Jesse.
‘Via Curaçao, Cuba en Miami ben ik naar New York gereisd waar Fanny zich bevond. Met Leo Vroman en mijn eenzame neef Guus als getuigen hebben we toen getracht zonder de toestemming van Fanny's ouders te huwen. We moesten eerst voor de rechter verschijnen. Hij vroeg waarom we niet in de kerk trouwden. We zeiden dat we daar niet in geloofden. Toen zei hij dat we communisten waren en weigerde het huwelijk wettelijk te bekrachtigen. Uit een telefoonboek hebben we een lijst met kerken overgeschreven. We zijn ze allemaal afgeweest. Subway in, subway uit; Fanny was in het wit en haar jurk werd steeds groezeliger. Uiteindelijk zijn we in de Scottish Presbyterian Church in Harlem getrouwd voor een swingende dominee.’ (Nooteboom tegen Jan Brokken, Haagse Post, 13 november 1982.)




illustratie
25 Kasteel Groeneveld, Baarn.



illustratie
26 Lopend ben ik voor het eerst op Kasteel Groeneveld gekomen. Het leek wel Ferdinand Huyck. De vrouw met de nooit eindigende werveling van in elkaar gevlochten bijzinnen, de magere jongen die ik nog bijna was, samen over de Eemnesserdijk op weg van Jagtlust naar Groeneveld. Het sneeuwde. Polders, lage boerderijen onder aan de dijk, oprijlaan, de twee halfronde vleugels van het kasteel waar ik later zou wonen als wijdopen armen. Deze foto moet van een paar jaar later zijn (circa 1959 - noot samenst.), een van de spontane wilde zomerfeesten, zondagmiddagen waarop de Amsterdamse bohème naar Baarn afzakte, naar het eeuwig open huis van Joop en Ali Colson. Vijvers, pauwen, gazons, grote, hoge ruimtes vol onzin van het Waterlooplein, schilderijen van Bob Buys, ijzeren bedjes van de ‘moeilijke’ kinderen die er ooit gewoond hadden. Ik heb de helft van mijn gewicht, zo ken ik mij niet meer. Een filmscène, het zware antieke pistool op de open mond gericht. Zo heeft Henry de Montherlant zelfmoord gepleegd. Dat wist ik toen nog niet, maar nu ik de foto na zoveel jaar voor het eerst zie, herinner ik me het ogenblik van gevaarlijke extase, aangejaagd door de pauwenkreten, de lach van Frits Müller, de zwelgende warmte van de Hollandse zomerdag, de schittering in de ogen van Joop Colson, alsof er toch nog een loden kogel uit dat ding kon komen. Misschien zijn er nog ergens zulke mensen, ik ken ze niet meer. Het kasteel is nu een museum met suppoosten. Fritzi woont in Groningen, de hese werveling van de zinnen betoogt en betovert nog steeds. Foto: Hans de Boer.

cees nooteboom


[p. 33]


illustratie
27 Van augustus 1957 tot en met oktober 1960 werkte Cees Nooteboom regelmatig mee aan Elseviers Weekblad. ‘De matroos zonder lippen’ werd opgenomen in de verhalenbundel De verliefde gevangene (1958). Een aantal reisverhalen werd gebundeld in De koning van Suriname. In Elseviers Weekblad werden de bijdragen van Nooteboom meestal geïllustreerd door Cees Bantzinger of Eppo Doeve.

[p. 34]


illustratie
28 ‘Dichtersstaking’. Van links naar rechts: Hans Andreus, Louis Lehmann, Gerrit Kouwenaar, Sybren Polet, Simon Vinkenoog, Jan G. Elburg en Cees Nooteboom, Amsterdam, Nieuwe Zijds Voorburgwal, 1958. Foto: Eddy Posthuma de Boer.

In 1958 verscheen bij Uitgeverij Het Spectrum de bloemlezing Poëzie der twintigste eeuw. In De Telegraaf van 20 november 1958 reageerde Cees Nooteboom namens acht dichters (op de foto ontbreekt Remco Campert) op deze uitgave, waarvoor aan de betrokken dichters tevoren geen toestemming was gevraagd. Bovendien was vooraf ook geen overeenstemming bereikt over het honorarium. Nooteboom: ‘Pas toen de bloemlezing verschenen was, heb ik gevraagd of ik er misschien nog iets voor kreeg en wanneer. Toen werd mij meegedeeld dat er drie gedichten uit één cyclus opgenomen waren maar als één gedicht geteld werden en ik er dus ƒ2,75 voor kreeg. [...] Het is niet prettig om je met dit soort misselijke zaken te moeten ophouden. Maar het is ook niet prettig om voortdurend over je te laten lopen.’


[p. 35]


illustratie
29 Van links naar rechts: Cees Nooteboom, Hugo Claus, Harry Mulisch. Tekening: Waldemar Post.



illustratie
30 Drie heren. Soms ben ik verbaasd dat ze er alle drie nog zijn. Die voeten moesten nog door alle continenten, in die magen moest nog een baai vol oesters, een dom vol zuurkool en een vat vol grutjespap, in die hoofden lagen nog nooit geschreven boeken opgeslagen. Op een andere foto uit dezelfde serie staan de heren naast elkaar, dat betekent dat ze van elkaar gescheiden kunnen worden, uit het beeld verwijderd, in andere opstelling weer neergezet. Dat zal ook allemaal gebeuren, maar dat weten ze nog niet. Nu kijken ze nog historisch in de een of andere toekomst (en profil) of zetten hun borst vooruit. De kleinste heeft het daar moeilijk mee, wegens gebrek aan borst. Hij kan er dan ook, net als Trotsky, worden afgeknipt, of, als het zo uitkomt, weer bijgeplakt. Al met al een feestelijke dag daar, in Ibiza, 1959.

cees nooteboom


[p. 36]


illustratie
31 Omslag van de boekuitgave van het toneelstuk De zwanen van de Theems, dat op 18 april 1959 in de Stadsschouwburg in Amsterdam in première ging met in de hoofdrollen Ellen Vogel en Joan Remmelts. In De Groene Amsterdammer van 25 april 1959 schreef Jeanne van Schaik-Willing: ‘Het is een wonder hoe het mogelijk is, dat een jongeman die 24 was toen hij het stuk schreef, zich zo in het wezen van de ouderdom heeft kunnen inleven.’ H.A. Gomperts vatte het stuk in Het Parool van 20 april 1959 samen met: ‘Het is een nogal melodramatische geschiedenis, waarin de opgehoopte conflicten in wrange ruzies tot beheerste explosies worden gebracht en de onderlinge kwellingen contrasterend worden afgewisseld met sfeervolle vertederingen en herinneringen van de oude garde.’



illustratie
32 De Haagse Post portretteerde Cees Nooteboom in 1959 als ‘Nederlandse super-nozem’.



illustratie
33 Fanny Lichtveld en Cees Nooteboom tijdens het Boekenbal, Amsterdam 1960. Foto: Cor van Weele.

[p. 37]


illustratie
34 Cees Nooteboom en Remco Campert in restaurant Caracoles, Barcelona 1960.



illustratie
35 Van links naar rechts: Ed Hoornik, Cees Nooteboom, Harry Mulisch, Amsterdam, circa 1960.
‘Ed Hoornik hield dagelijks salon. Harry Mulisch, W.L. Brugsma, Jan Hein Donner, Tabe Bas waren meestal van de partij. Een echte salon was het eigenlijk niet, daarvoor maakten we te veel lol. 's Nachts in de gracht zwemmen en daarna trok je een veel te grote onderbroek van Hoornik aan. Verkleedpartijen. We speelden toneel. Het klinkt flauw, maar het was leuk.’ (Cees Nooteboom in het interview ‘De voorbije passages van Cees Nooteboom’ van Jan Brokken, Haagse Post, 13 november 1982.)


prepostterug  begin  verder