[Fotokatern 1963-1980]
54 Donner kijkt duivels, ik lig gekweld achterover. Wat ik om mijn hoofd heb gegooid weet ik niet meer, het lijkt de kap van een dominicaner pij. Een omgekeerde scène uit de tijd van de Inquisitie: de dominicaan is de gemartelde, de ketter triomfeert. Plotselinge verkleeddrift - altijd een teken van ontevredenheid met het eigen bestaan -, invallen, improvisaties, wilder en onverwachter naarmate de nacht langer werd. Twee keer ben ik tijdens zo'n nacht in de gracht gesprongen, de bedorven, brakke smaak hoort bij het arsenaal van de herinneringen. Het zal de oppositie der tegendelen geweest zijn waardoor de theatrale combinatie met de grote en zware Donner zo aantrekkelijk was, hij als dwerg, ik als reus met zijn ontzaglijke jas aan, hij als prinses Marijke, ik als Wilhelmina. Iets oproerigs hoorde bij zulke avonden. Iedereen uiteindelijk op weg naar iets anders, tegen elkaar ketsende talenten en tegelijkertijd confrèrie, alles onder het oog van Hoornik die als een geniale, voyeuristische paus in zijn grote stoel zat, het maakt die nachten onvergetelijk.
cees nooteboom
55, 56 Het stuk De Spaanse smokkelaar waarover in de brief van toneelgroep Centrum wordt gesproken, werd nooit opgevoerd. Op de tekening heeft Cees Nooteboom aanwijzingen voor het decor geschreven, zoals ‘afdak eucalyptus-bladen’ en ‘lichte verhoging, als zoiets kan, tenminste (alles kan)’.
57 Karel Appel en Cees Nooteboom, 1965. Foto: Piet Keijser.
58 Toen ik deze foto weer zag, die gemaakt is in een periode dat ik maandenlang niet kon lopen of staan, wist ik voorgoed waarom ik baarden en snorren zo vervelend vind. 1966.
cees nooteboom
59 Stephen Spender, een verhaal van twee dassen. Ooit, in 1962, stond hij bij het befaamde schrijverscongres in Edinburgh ergens op een overloop met een aantal mensen te spreken, een lange man, toen nog niet met dat later zo witte haar. Ik hoor niet wat hij zegt omdat zijn das me fascineert, een lange, zilverwitte ganzenveer op een ijsblauw fond. ‘What a fabulous tie,’ het is eruit voor ik het weet, en het gesprek valt stil, want zonder een seconde aarzeling heeft de dichter zijn das losgeknoopt en aan mij gegeven. Pas als ik hem in mijn handen heb, zie ik dat onderaan bij de pennenpunt twee letters staan getekend: J.C.: Jean Cocteau. Sindsdien draag ik die das als ik een prijs krijg, al is hij nu zo langzamerhand wel erg fragiel geworden. Acht jaar later, mei 1968 in Parijs, doet hij voor de tweede keer een das uit. Hij heeft net bij Mary McCarthy verteld dat hij van Louis Aragon gehoord had dat het Centraal Comité van de Communistische Partij besloten had om niet achter de studentenopstand te gaan staan, en dat hij dat weer aan ‘de Rothschilds’ had doorverteld die het tegen Pompidou gezegd hadden, die het weer aan De Gaulle in Baden-Baden had laten weten, zodat die rustig terug kon komen. De wereld voor kinderen verklaard. We liepen in de buurt van Théâtre de l'Odéon, waar weer een van die marathonzittingen van studenten zou plaatsvinden en Sartre zou spreken. Eddy Posthuma de Boer wilde een foto van ons maken, maar uit de verte klonk het gescandeerde geroep dat bij een revolutionaire optocht hoort. Even snel als de vorige keer rukte de dichter de das van zijn hals en propte hem in zijn binnenzak. Wat het omgekeerde van salonfähig is weet ik niet in één woord te zeggen, maar als dat woord bestaaat beschrijft het precies wat er op dat ogenblik gebeurde. Overigens wist hij zich van die eerste das niets meer te herinneren. Foto: Eddy Posthuma de Boer.
cees nooteboom
60, 61 Brief van Cees Nooteboom aan Mary McCarthy, later gedateerd: najaar '73.
Mary McCarthy en Cees Nooteboom: een intensieve vriendschap van zevenentwintig jaar. (zie 84 en 85)
62 Tijdens een van zijn reizen voor Avenue in Gambia, 1975. Foto: Eddy Posthuma de Boer.
‘Die reisverhalen horen voor mij wel degelijk bij het literaire werk. Ja, en die drang om te reizen heeft ook te maken met het feit dat je in het buitenland niemand bent. Behalve door de elegante snit in je kostuum en door je prachtige schoenen uit Thailand val je niet op. Die anonimiteit bevalt me. Zal ik een interview krijgen? Kom ik met een verhaal thuis? Het prettige is dat Avenue me altijd heeft vrijgelaten. Ik heb een eigen stijl voor de reisreportage kunnen ontwikkelen. Een eigen vorm. Dat heb ik toch maar aan Avenue te danken.’ (Uit het interview van Jan Brokken met Cees Nooteboom, Haagse Post 13 november 1982.)
63 Liesbeth List en Cees Nooteboom in de metro in Tokyo, 1977. Foto: Eddy Posthuma de Boer.
‘Zwerven, ja. Ook in de jaren met Liesbeth. Vreemde jaren. Vreemd omdat ik in aanraking kwam met een wereld die ik niet kende: de showbusiness. Ik ging mee op tournees, leerde mensen als Brel kennen - een fantastische kerel - en Aznavour - een minder fantastische kerel -, ik vertaalde liedjes, schreef zelf liedjes, onderhandelde met platenmaatschappijen. Reisde met Liesbeth mee naar Djakarta, Tokio, Los Angeles. Ik was gefascineerd door het theater, de schijnwerpers, haar enorme talent - en door de schimmenwereld die altijd om theatermensen heen hangt.’ (Cees Nooteboom tegen Jan Brokken, Haagse Post, 13 november 1982.)
64 Foto: W.F. Hermans.
64, 65, 66 Op de in 1981 verschenen bundel Voorbije passages is op de cover de foto afgedrukt van Nootebooms vader. (Zie 3 in dit Schrijversprentenboek.) Het portret van Nooteboom (‘zonder schedeldak’) op de achterzijde werd op 3 februari 1979 in Turijn gemaakt door Willem Frederik Hermans, die Cees Nooteboom na de verschijning van Voorbije passages de kaart ‘Calypso’ van Paul Roberts stuurde. Hermans schrijft onder andere: ‘We kregen je boek, met, op de achterkant, je foto door een Groot, zij het miskend, Photograaph. Je staat er niet gekleurd op, zoals Monets Olympia op ommezijde dezes, maar in zwart op wit. However, black is beautyful, zoals eveneens op ommezijde dezes is te zien. Ook de fotograaf die je vader heeft vastgelegd, was niet mis. De twee foto's vertonen, behalve een verbluffende gelijkenis van de personages, ook een scherp contrast: de vader afgebeeld met opzichtig hoofddeksel, de zoon, even opvallend van schedeldak ontdaan. Is dit symbolisch? Ik zou niet weten van wat? Jij? [...] (kaart gedateerd 22 dec. '81)