terug  begin  verderprepost
[p. 1]

A.

Aalder,

pap. Zie MUGIL BRASILIENSIS en M. CEPHALUS.

Aalscholver.

Zie PHALACROCORAX.

Aap.

Zie SIMIAE.

Aardappelen.

In Suriname is de teelt, ten gevolge van de warmte, nooit gelukt; aardappelen worden voor het grootste gedeelte uit Nederland in de koloniën ingevoerd. Een enkelen keer uit Madera en andere oorden. De waarde van den invoer was in 1912 voor Suriname ƒ87343 en voor de kolonie Curaçao ƒ22807. Op het eiland Saba worden aardappelen geteeld; de totale uitvoer bedroeg in 1908, 1909, 1910 en 1911 resp. 4465, 33.259, 2365 en 31.250 K.G. Voor St. Martin vinden wij in 1908 een uitvoer van 1600 K.G. Saba heeft ieder jaar versche poot-aardappelen uit Canada noodig. De Saba-aardappelen, naar de omliggende eilanden en naar Curaçao verscheept, bedingen goede prijzen.

Aardbevingen.

Suriname en Guiana in het algemeen schijnen zoo goed als vrij te zijn van seismische storingen; de lichte aardbevingen, die er nu en dan voorkomen, hebben haar centrum in de naburige vulkanische streken van West-Indië en Centraal Amerika. In de geschiedenis van Suriname vindt men gewag gemaakt van de volgende aardbevingen: 21 Aug. 1763, 21, 25, en 27 Oct. 1766, 18 Jan. 1767, 22 Nov. 1784, 25 Mei 1785, 21 Juli 1787, 17 Sept., 9 en 23 Dec. 1818, 20 Sept. 1825, 19 Feb. 1826, 11 Jan. 1839, 29 Aug. 1844 en 8 Sept. 1885. Zeker zullen er wel meer geweest zijn, maar daar zij aan de houten woningen te Paramaribo - men heeft er slechts enkele steenen gebouwen - weinig of geen kwaad doen, wordt niet steeds aanteekening daarvan gehouden. Ook op Curaçao komen aardbevingen van eenige beteekenis weinig voor, hoewel dikwijls lichte bevingen worden bespeurd. Volgens M.D. Teenstra, De Nederlandsche West-Indische Eilanden in derzelver tegenwoordige toestand, Amst. 1837, 2e stuk, blz. 228, is de aardbeving welke in 1755 Lissabon teisterde, op de eilanden zeer sterk gevoeld. ‘Op St. Martin liep de baar in Groot-Baai geheel droog, en verhoogde tegelijkertijd aanmerkelijk, hetgeen zoo spoedig plaats had, dat de visschen op het zand bleven liggen. Eerst na een tusschen-poozing van omtrent 12 uren, kwam het water terug, met een verdubbelde snelheid on zoo een verschrikkelijk gedruisch, dat de verschrikte inwoners van Philipsburg, naar het gebergte vlugten, meenende dat het dorp overstroomd zoude worden.’ Over aardbevingen op St. Eustatius schrijft A.H. Bisschop Grevelink in zijn Beschrijving van het eiland Sint Eustatius, voorkomende in Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën’, Utrecht 1846, blz. 133 v. Hij zegt o.a.: ‘Hier echter, schoon er zeldzaam een jaar voorbijgaat, waarin men niet ten minste eenmaal eenige schokken bespeurt, zou men te vergeefs naar eenig spoor van derzelver uitwerkselen gezocht hebben, ware het niet dat die, welke op den 8en February 1843 te Guadeloupe de stad Point à Pitre verwoestte, ook in dit eiland elk gebouw op deszelfs grondvesten had doen wankelen.’ - Deze aardbeving richtte aanmerkelijke schade aan. Zie ook G.A.F. Molengraaff, De geologie van het eiland St. Eustatius, Leiden 1886, blz. 21-23.

Aarder,

n.e. Zie MUGIL CEPHALUS.

Aard-eten.

Een ziekteverschijnsel, dat zich uit in het eten van onverteerbare voorwerpen, w.o. aarde, pijpaarde, stukken lei, griffels, krijt, houtskolen, enz. en dat in Suriname veelvuldig voorkomt bij lijders aan anchylostomiasis of mijnwormziekte. Bij oudere schrijvers (Hartsinck, Beschrijving van Guiana of de Wilde Kust in Zuid-America. Amst. 1770, II, 907 en 919, Blom, Verhandeling over den landbouw in de Colonie Suriname. Haarlem 1786, blz. 376 en 418) vindt men medegedeeld, dat de negers somtijds uit wanhoop of mismoedigheid klei, aarde, pijpen, houtskool, enz. aten om zich van kant te maken. Dr. F.A. Kuhn, Beschouwing van den toestand der Surinaamsche Plantagie slaven. Amst. 1828, beschrijft het verschijnsel als ‘zwelziekte’, in Suriname ‘onder grondvreter bekend’. Hij beweert grondvreters gezien te hebben ‘die eene zoodanige woede op houtskolen hadden, dat zij dezelve gloeijend heet in den mond staken en kaauwden.’ F.W. Hostmann, ‘Over de beschaving van negers in Amerika door kolonisatie met Europeanen. Amst. 1850, II, 250, vermeldt dat de Doemakoekoe-negers veel meer dan andere uit Afrika aangevoerde negers aan deze ziekte leden. Op de plantages kregen deze grondvreters gedurende den arbeid ijzeren maskers voor den mond, om het grondeten tegen te gaan. (Zie Dr. W.R. van Hoëvell, Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche wet. Amst. 1864, 3e druk. I, 167 v., waar ook een artikel van Dr. Landré, Bijdragen tot de kennis der ziekten van de negers in de kolonie Suriname, 1852, wordt aangehaald). In zijn geschrift, La Guyane Néerlandaise (Surinam). Paris 1881, sprak Dr. van Leent de meening uit dat de ankylostoma duodenale hier, evenmin als elders, zou ontbreken in het duodneum der ongelukkigen, die zich aan deze heillooze gewoonte overgaven. Hij hield het voorkomen van de parasiet voor een gevolg van het aardeten.

Waarschijnlijk heeft men hier met een gecompliceerd verschijnsel te doen, d.i. zoowel met een ziekte-symptoom als met de algemeen verbreide geophagie. Humboldt verhaalt, dat in zijn tijd de negers van Guinea een geelachtige aardsoort aten, die ze Couac noemden. Werden ze als slaven naar West-Indië gebracht, dan zochten ze zich ook daar eetbare aarde te verschaffen. Wij vonden deze mede-

[p. 2]

deeling in eene bespreking van eene studie van Dr. Richard Lasch over geophagie, in de Mitth. der Anthrop. Ges. in Wien, voorkomende in het T.A.G., 2de serie, dl XVI, no. 1. 28 Feb. 1899. Aan dit artikel ontleenen wij nog deze opmerkingen: ‘Reeds in de vorige eeuw werd men opmerkzaam op eene ziekte, voorkomende bij de Negerslaven in West-Indië en Suriname, bekend als de Afrikaansche tering. Deze begon met psychische depressie en heim wee, bracht verder met zich een onnatuurlijken eetlust en het verslinden van hout, kalk en leem, en eindigde in waterzucht en dood. Door latere wetenschappelijke onderzoekingen is gebleken, dat pathologische geophagie verbonden is met sommige ziekten van bepaald karakter, vooral met de door zekeren darm-parasiet veroorzaakte anaemie (berg- en tunnelwerkers- anaemie). Dat ze veroorzaakt werd door malaria is wèl beweerd, maar later tegengesproken.’ (Zie ook onder ANCHYLOSTOMIASIS.) Ten slotte zij hier nog aangehaald J.J. Halfhide, Schadelijke Insecten en Dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen. Haarl. 1910. IVe gedeelte, blz. 78: ....‘Moge dus in het algemeen het aardeten maar een verschijnsel van de Anchylostomiasis zijn, zoo laat zich ook niet ontkennen, dat dit omgekeerd juist de oorzaak hiervan wezen kan en wel op zulke plaatsen, waar het aardeten als volkseigenaardigheid waargenomen wordt en waarmede dan de larven het organisme zouden kunnen worden binnengevoerd.’

Aard-kopal.

De stam van den Lokusboom (Hymenea courbaril) scheidt een barnsteenachtige hars uit, die dikwijls aan klompen tegen den stam zit, als kopal in den handel komt en als zoodanig gebruikt wordt. Aan den penwortel vindt men deze hars in groote massa en in zeer zuiveren toestand. Niet zelden levert één boom 15 Kilo van deze aard-kopal. C.J. Hering, Overzicht van de Cultuurgewassen en Boschproducten in verband met Nijverheid en Handel in de Kolonie Suriname. Paramaribo 1902, verzekert, dat er aan de Wajombo-rivier vele plaatsen zijn aangetroffen waar door uitdelving eenige vaten van deze gom werden verkregen en de Indianen aldaar hebben hem medegedeeld, dat men de gom in groote hoeveelheden kan vinden. Vermoedelijk hebben op heze plaatsen vroeger lokusboomen gestaan.

Aardkunde.

I. Suriname.

De oppervlaktegedaante van een land of zijn relief, is de getrouwe weêrspiegeling van zijne vorming, zijnen geologischen oorsprong. In weinig landen treedt dit verband zóó duidelijk aan het licht als in Suriname, omdat de geologische gesteldheid en mitsdien zijn topographisch karakter er zoo hoogst eenvormig is.

Waar in andere landen van gelijke grootte ten opzichte van de bodemformaties eene rijke afwisseling heerscht en verschillende uit zeer uiteenloopende tijdperken der aardgeschiedenis dagteekenende vormingen aan de samenstelling des bodems deelnemen, is het uitgestrekte bergland van Suriname met zekerheid slechts uit gesteenten van het alleroudste tijdperk, het archaeische tijdvak, opgebouwd, en zoekt men er dus vergeefs naar gesteenten uit de latere tijdperken, met sporen van dierlijk en plantaardig leven - met fossielen, die den geoloog bij de ouderdomsbepaling der bodemformaties den weg moeten wijzen.

Doch hoe eenvormig Suriname ook in geologisch opzicht is, ten opzichte van het gesteente-karakter biedt het op korte afstanden de grootste afwisseling aan, en voor den specialen kenner van gesteenten, voor den petrograaf, een onuitputtelijk terrein van studie.

Haast nergens ter wereld staan het bodemonderzoek zóó groote moeilijkheden in den weg als in Suriname en de aangrenzende Engelsche en Fransche koloniën. Bij de vele gevaren, waaraan in het ongezonde binnenland, het broeinest der zoo gevreesde malaria, de reizigers blootstaan, on bij de schier onoverkomelijke moeielijkheden, die hij er ondervindt, nu eens in kleine kano's, z.g. korjalen, de rivieren met met hare eindelooze watervallen en stroomversnellingen opvarend, dan wêer zich met kapmes een weg banend door dicht oerwoud, dat het land bijna onafgebroken bedekt en de gedaante van het bodemoppervlak verbergt - wordt hij in dit gebied, waarin het gesteente door een verweeringsdek van veelal aanzienlijke dikte aan het oog is onttrokken, zelden beloond door een goed bodemprofiel, dat hem de onderlinge gesteentebetrekkingen openbaart, en moet hij zijne gevolgtrekkingen maken uit fragmentarische waarnemingen op dikwijls ver van elkander verwijderde punten verricht.

Doch ook dan, wanneer het gesteente, hetzij in de bedding der tallooze rivieren, hetzij uit den verweeringsbodem van het oerwoud te voorschijn treedt, is de taak van den geoloog een uiterst moeilijke, omdat in dit, geologisch gesproken, zeer oude bergland zóó aanzienlijke drukwerkingen hebben plaats gehad, dat de gesteenten een diepgaande metamorphose hebben ondergaan en het op het terrein daardoor zelfs vaak moeilijk is, de oorspronkelijke sedimentgesteenten van de uit een gloeiende brei gestolde gesteenten - van de z.g. stollingsgesteenten - te onderscheiden.

Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zelfs daar, waar de vaste rots blootligt, de zoo rijke gesteente-verscheidenheid aan het oog onttrokken wordt door een doorgaans glanzend bruine of zwarte verweeringskorst, de z.g. tropenkorst, die in de bedding der rivieren en in de savannes - de voor geologisch onderzoek het best toegankelijke plaatsen in dit gebied - het donkerst getint is, omdat de gesteenten er, evenals in woestijngebieden, aan den directen invloed der zonnebestraling of de insolatie zijn blootgesteld, dan mag het duidelijk zijn geworden, dat den geoloog, die in de eerste plaats de stratigraphische betrekkingen der verschillende gesteenten, d.w.z. hunne ligging ten opzichte van elkander, heeft op te sporen, in dit land de grootste moeilijkheden in den weg staan. Daar onder de hier genoemde omstandigheden de studie op het terrein telkenmale naar den microscopiseertafel moet worden overgebracht; daar tal van nog onopgeloste vraagstukken door den specialist-petrograaf tot klaarheid zullen moeten worden gebracht en de uitkomsten der tot hiertoe verrichte onderzoekingen zonder een meer dan oppervlakkige kennis der gesteenteleer niet begrepen kunnen worden, zal in eene Encyclopedie aan den bouw en de samenstelling van het Surinaamsche bergland, hoe aanzienlijk de oppervlakte ook is, die het beslaat, slechts weinige bladzijden gewijd kunnen worden.

Reeds op grooten afstand neemt men het naderen van Suriname's kust gewaar door de kleursverandering van het zeewater. De diepblauwe tint van den oceaan verandert, nog eer men de kust in het gezicht heeft, gaandeweg in een geelbruine tot bruine tint, tengevolge van de fijne leem- en humusbestanddeelen, die de Amazonerivier zeewaarts voert en welke door een stroom langs Guiana's kust in westelijke richting verplaatst worden. Terwijl het dieplood bij de nadering van het land steeds geringere diepten aanwijst, verschijnt eindelijk in het verschiet de lage

[p. 3]

kust als een zeer dunne op het water rustende donkere streep. Is bij ingetreden vloed het opvaren der rivieren mogelijk geworden, en blikt het oog op de met lage mangrovebosschen of Rhizophoren begroeide modderige oevers, dan is reeds voor den eenvoudigen reiziger het beeld voltooid van een machtig, in staat van wording verkeerend zeealluvium.

Dit zeealluvium, uit een vetten, buitengemeen vruchtbaren kleibodem samengesteld, die evenals de Nederlandsche kleilanden voor de cultures moet ingepolderd worden, vormt een strook langs de kust, en kan tegenover de alluviale rivieraanslibbingen, gelijk begrijpelijk is, niet scherp begrensd worden, omdat in den strijd tusschen zout en zoet water verschillende factoren werkzaam zijn, waaronder de invloed der getijden en het verschil in waterstand gedurende de droge en de regenperioden de voornaamsten zijn.

De vloedgolf dringt met zóó groote kracht het land binnen, dat nog ter hoogte der Jodensavanne aan de Suriname-rivier kleine vaartuigen somtijds genoodzaakt zijn den wal op te zoeken Dit opwaarts stroomen zal niet op elk tijdstip van het jaar even ver plaats vinden, daar het zeewaarts stroomende rivierwater in den regentijd een grooteren tegenstand biedt aan het binnendringende zeewater dan in den drogen tijd. Dat in een zelfden tijd des jaars het punt, tot waar de vloedgolf nog bemerkbaar is, aan groote schommelingen onderhevig zal zijn, spreekt van zelf. In de Surinamerivier is de werking van den vloedgolf bij langdurige droogte nog tot Brokopondo, d.i. 13½ geogr. mijl het land in, te bespeuren, terwijl in de Para door het stijgen des bodems in het Savannegebied, waarin deze zijrivier ontspringt, de invloed van den vloedgolf reeds op 8 geogr. mijlen van de kust niet meer is waar te nemen. (14)*) In de Nickerierivier is in den drogen tijd nog ter hoogte der Zonnevisch-kreek de invloed van den vloedgolf door een terugschuiven van het rivierwater bemerkbaar.

Tot hoever in de verschillende rivieren het zeewater binnendringen kan en op welk punt de invloed van de vloedgolf zich in de verschillende jaargetijden begint te bepalen tot een terugschuiven van het rivierwater, weten wij niet. Het voorkomen van sporadische mangroven langs de rivieroevers in de benedenrivieren, nog op grooten afstand van de kust, kan ons den onmiddellijken invloed van het zoute water leeren kennen (37 en 45).

Bij het intreden van den regentijd kan het niveau van den stroom reeds na enkele regendagen aanzienlijk stijgen, vooral waar hoog terrein langs de oevers de zijdelingsche uitbreiding van het water verhindert. Terwijl niveauverschillen van 4 M. voor den drogen en den regentijd niet zeldzaam zijn, komen ook plaatsen voor, waar de waterstand in den regentijd 9 M., ja zelfs 12 M. hooger ligt.

Deze niveauverschillen tusschen den drogen en den regentijd hebben tot de vorming van terrassen langs de oevers der benedenrivieren aanleiding gegeven, die doorgaans met een dicht plantenkleed, met hoog geboomte, bedekt zijn, dat de verschillen in stroomsnelheid grootendeels opheft en dat bij het uittreden van de rivier uit de bedding van den drogen tijd deafzetting van het slib in nagenoeg horizontale lagen doet plaats hebben. Zulke terrassen hebben een effen oppervlak en worden, wanneer de stroom zijne bedding steeds dieper insnijdt, eindelijk ook in den regentijd niet meer overstroomd. (14)

In den middenloop der rivieren, waar het verval aanvankelijk nog gering is, komt niet alleen het fijne slib tot afzetting, doch worden steeds grovere, door de verweering der gesteenten van het binnenland vrijgekomen producten door den stroom medegevoerd, en er in den regentijd langs de oevers in banken achtergelaten. In verband met verschillen in de stroomsnelheid is het nu eens leem, met meer of minder kleibestanddeelen gemengd, dan weder zand, dat zich tot een machtig rivier-alluvium opbouwt. Vooral zijn het de hooge, steile leemoevers, die meer en meer het karakter van het landschap gaan beheerschen. Eerst nog slechts 1 M., hoogstens 2 M., boven het niveau in den drogen tijd zich verheffende, treden hoogerop steeds steilere en hoogere leemoevers op, die niet zelden 5-10 M. boven den waterspiegel in den drogen tijd oprijzen en tot aan den oeverrand met hoog woud bedekt zijn. Het is vooral aan dit leemgebied, dat Suriname zijne kostbare houtsoorten te danken heeft. (37 en 45)

Doch ook de zandafzettingen, die haren oorsprong ontleenen aan de door verweering der kwarts houdende, kristallijne gesteenten vrijgekomen kwartsbestanddeelen, nemen hooger de rivieren op een steeds grooter aandeel aan de samenstelling van het rivier-alluvium. In het gebied der hooge leemoevers, karakteristiek voor den middenloop der rivieren, is het zand aan de hier veelvuldig optredende krommingen aan den bollen of convexen oever neergelegd, waar een geringere stroomsnelheid de grovere bestanddeelen tot afzetting heeft gebracht, terwijl aan den hollen of concaven oever een steile leemoever verrijst, die, naarmate de tegenovergestelde oever zich door grof materiaal ophoogt, door den sterken stroom meer en meer wordt uitgeschuurd. (14) Het verband tusschen bodemgesteldheid en plantenkleed valt hier zelfs den eenvoudigen reiziger onmiddellijk in het oog, wanneer hij zijn oog met welgevallen laat rusten nu eens op de bloemenpracht te midden der ijle vegetatie van den bollen zandoever, dan weêr op het statige woud, dat zich aan den rand van den hollen steilen leemoever verheft. (37 en 45)

Dat de rivierkrommingen in het gebied der hooge leemoevers, waar de door den stroom neergelegde aanslibbingen een aanzienlijke ontwikkeling bereiken, veelvuldiger voorkomen en de bochten er scherper en korter zijn, dan in het gebied, waar de getijden hunnen invloed laten gelden, is door de herhaaldelijk optredende verschillen in de samenstelling des bodems gemakkelijk te verklaren. Zulke verschillen gaven tot een eerst nog geringe kromming aanleiding, die bij steeds diepere insnijding toenam, wegens de ondermijning van den hollen oever en de afzetting van sedimenten aan den bollen oever. De rivieren kronkelen zich dientengevolge met eindelooze windingen door de machtige zoetwater-alluviën heen en ten slotte kunnen de windingen zóó scherp worden, dat de rivier tot niet ver van het beginpunt der bocht terugkeert en door hare neiging, steeds den kortsten weg te nemen, zich eene nieuwe bedding ingraaft, daardoor een hoefijzervormig gedeelte van haren loop afsnijdende (14). Eerst zijn zulke verbindingen slechts in den regentijd te bevaren, terwijl men in den drogen tijd, als het korte verbindingsstuk met waterplanten verstopt is, de langere bocht moet volgen. Eindelijk echter breekt de stroom voor goed door en verzandt de oorspronkelijke bocht.

Waar een groote oppervlakte door de zandformatie wordt ingenomen, treden z.g. zandsavannes op,

[p. 4]

die tengevolge van het doorlatend vermogen voor water een schaarsch plantenkleed dragen. Niet altijd worden deze savannes toegeschreven aan eene aanslibbing van de grovere verweeringsproducten; ook het achterblijven van de grovere verweeringsproducten der kwartsrijke gesteenten en het wegspoelen der fijnere uit de silikaten gevormde kleibestanddeelen schijnt tot het ontstaan van zandsavannes te hebben aanleiding gegeven, zooals voor de Jodensavanne aan de Surinamerivier wordt aangenomen. (14)

Zulke gronden, die hun ontstaan aan eene verweering van het gesteente op de plaats zelve te danken hebben, en die men als eluvium van de aangeslibde gronden of het alluvium onderscheidt, spelen in het Surinaamsche binnenland een zeer groote rol.

De schijnbaar buitengewoon groote eentonigheid in de bodemformaties, die den reiziger in deze eindelooze wildernissen dadelijk opvalt, is te danken aan de merkwaardigste aller eluviale vormingen, aan welke men wegens de gelijkenis, die zij dikwijls met rooden baksteen vertoont, den naam lateriet heeft gegeven. Dit merkwaardige product, in tegenstelling met gewone klei, niet plastisch en van korrelig uiterlijk en waaraan door de oudste reizigers in tropische landen een vulkanische oorsprong werd toegeschreven, heeft zijn ontstaan te danken aan allerlei sili-kaathoudende gesteenten, van welke de silikaten in secundaire silikaten, secundaire kiezelzuur en kleiaardehydraat en de ijzerverbindingen in meestal roodgekleurde ijzerverbindingen veranderd zijn.

Door den een werd de lateriet beschreven als een kiezelzuurrijk, door den ander als een aan kleiaardehydraatrijk verweeringsproduct, steeds met hoog ijzergehalte. Nauwkeuriger onderzoekingen, vooral aan Surinaamsche laterieten (40, 41, 44) hebben aan het licht gebracht, dat deze tegenstrijdigheden eene verklaring vinden door het niet altijd in aanmerking nemen van de ligplaats van het product. Terwijl toch de laterieten op primaire ligplaats, de eluviale laterieten dus, zich doorgaans door een hoog kiezelzuur-gehalte kenmerken, zijn de verplaatste of de alluviale laterieten daarentegen rijk aan kleiaardehydraat, en deze beide bodemtypen zijn, zooals zich begrijpen laat, door talrijke overgangsgronden verbonden.

De buitengewone verweeringsintensiteit in het Surinaamsche bergland berust aan den eenen kant op het vochtig heete klimaat, aan den anderen kant op den rijkdom van tal van kristallijne gesteenten aan pyriet. De zwavelzure oplossingen, die, behalve uit de door de snelle verrotting van plantenafval geboren zwavelwaterstof, ook door de oxydatie van pyriet ontstaan, werken op de silikaten energisch in en vermeerderen in hooge mate de oplosbaarheid der gesteentevormende mineralen.

Hoewel eene laterietvorming ook in regenarme tropenlanden, ja zelfs in gematigde streken kan plaats vinden, zijn de laterieten de voor de vochtige streken der tropengebieden karakteristieke verweeringsgronden.

De eluviale laterieten, dus die, welke op de plaats zelve ontstaan zijn door eene scheiding der chemisch gemakkelijk en moeilijker oplosbare gesteentebestanddeelen, vormen een over groote afstanden onafgebroken verweeringsdek van dikwijls aanzienlijke dikte (somtijds 10 M. en meer). Het ijzer, dat niet in iedere laterietsoort een even groote rol speelt, is door een sterk oxydatieproces als ijzeroxyd of ijzerhydroxyd afgescheiden, zoodat dikwijls ijzerertsen met een zeer hoog ijzergehalte ontstaan, die over groote oppervlakten den bodem in het oerwoud bedekken, doch die voor eene ontginning moeilijk in aanmerking kunnen komen. Het ijzer is voor het grootste gedeelte afkomstig van de in de gesteenten van het binnenland veelvuldig optredende accessorische mineralen pyriet, magneetijzer en titaanijzer, voor een ander deel van de verweering van ijzerhoudende kiezelzure mineralen, zooals augiet, hoornblende, biotiet enz. Voor de eluviale laterieten is eene concentratie van het kiezelzuur kenmerkend. Bij de verweering der silikaten worden hunne basische bestanddeelen door zwavelzure oplossingen uitgeloogd, doch kunnen in de zure vloeistof op de eluviale ligplaats niet tot afscheiding worden gebracht. Dit kan eerst op de secundaire ligplaats door rijkelijken toevoer van koolzuur geschieden. De eluviale laterieten laten met toenemende diepte alle mogelijke overgangen tot het onverweerde gesteente waarnemen, zoodat onderaan dikwijls nog de oorspronkelijke structuur duidelijk te herkennen is.

Goudhoudende kwartsaderen, die in laterietbanken van groote dikte nu en dan optreden, bleken in sommige gevallen zeer recente secundaire kiezelzuuruit-scheidingen te zijn, die zich naar beneden te midden der laterietmassa verloren, een verschijnsel, dat voor de goudexploitatie ten volle de aandacht verdient.

De alluviale of secundaire laterieten bedekken in Suriname uitgestrekte oppervlakten; zij zijn het, die de bovengenoemde hooge leemoevers samenstellen; mijlenver zeewaarts medegevoerde laterietbestanddeelen uit het stroomgebied der Amazone zijn het ook, die de geelroode tint van het zeewater langs de kust van Suriname te voorschijn roepen. Deze laterieten bestaan in hoofdzaak uit kleiaardehydraat en ijzeroxyd, terwijl de silikaten er op den achtergrond treden. In deze laterieten treedt de neiging zeer sterk op den voorgrond tot eene omzetting der in het oorspronkelijk gesteente aanwezige kleiaardesilikaten in kleiaardehydraten. Eene concentratie der kleiaarde is dus voor deze laterieten kenschetsend. Zooals reeds werd opgemerkt, maakte het hier in grootere hoeveelheid aanwezige koolzuur het mogelijk, de kleiaarde uit de zwavelzure oplossingen vrij te maken.

Terwijl bij de normale kleigronden, d.w.z. die, welke niet met kwartspoeder gemengd zijn, het kiezelzuur grootendeels chemisch gebonden is, is bij de alluviale laterieten het kiezelzuur bijna uitsluitend mechanisch er mede gemengd.

Het spreekt van zelf, dat bij de eindelooze verscheidenheid in mineralogische samenstelling der archaeische gesteenten de samenstelling en het uiterlijk der secundaire laterieten zeer uiteen zullen loopen. Nu eens zullen zij bij een donkere tint een gering kwartsgehalte bezitten, dan weder bij een lichtere tint rijk aan dit mineraal zijn. Herhaaldelijk komt het voor, dat zulke kwartsrijke en kwartsarme lagen met elkander afwisselen en dat banken van meer of minder zuiver zand zich daartusschen voegen, zooals langs de oevers der rivieren, vooral bij lagen waterstand op vele plaatsen kan worden waargenomen. (37, 45 en 49)

Onder de verweeringsproducten der silikaathoudende gesteenten in het Surinaamsche binnenland mag nog een andere bodemsoort genoemd worden, die, hoewel minder verspreid dan de alomtegenwoordige lateriet, toch plaatselijk belangrijk kan deelnemen aan den opbouw der hooge oevers.

Ik bedoel hier de kaolien of porceleinaarde, een zuivere klei, uit waterhoudend kleiaardesilikaat gevormd, nu en dan door ijzeroxyd verontreinigd en dientengevolge roodgekleurd of met roode aderen doorsneden. Op secundaire ligplaats treft men dikke

[p. 5]

kaolienbanken aan onder de alluviale laterietafzettingen van talrijke Surinaamsche stroomen, steeds op niet grooten afstand van de gesteenten, waaruit dit product gevormd werd. Een zeer fraaie bank van zuivere porceleinaarde, wordt o.a. aangetroffen aan den linkeroever van den Corantijn bij het Indianendorp Oreala, dat zijn naam ontleent aan het woord ‘Aureala’, waarmede de Arowakken de porceleinaarde plegen aan te duiden. Ook elders komen zulke kaolienbanken bij lagen waterstand langs de oevers te voorschijn, zooals in de Nickerierivier even boven de Zonnevischkreek, waar de leemoevers reeds een aanzienlijke hoogte bereiken (14, 37, 45 en 49)

Doch ook onder het zand der savannes wordt op talrijke plaatsen porceleinaarde waargenomen, die o.a. onder de Jodenavanne aan de Surinamerivier blijkbaar op primaire ligplaats door verweering van kristallijne schiefers ontstaan is, want de oorspronkelijke structuur van het gesteente is hier en daar nog duidelijk waar te nemen en door talrijke overgangen is het verweeringsproduct met het onverweerde gesteente verbonden, terwijl niet ver vandaar een schiefergesteente onder de hoogwaterlijn te voorschijn treedt, waarvan de veldspaat niet gelateriseerd, doch gekaoliniseerd is. (14) Ook elders, bijv. in de bedding der Nickerierivier en haar zijtak, de Fallawatra, komen gesteenten voor, in het bizonder grofkorrelige granieten of pegmatieten, waarvan de groote veldspaatkristallen aan de oppervlakte in zuiver witte kaolien veranderd zijn. (49)

Waarom nu in hetzelfde gebied, onder dezelfde klimaatsinvloeden het eene gesteente door totale uitlooging van het kiezelzuur uit de kleiaardesilikaten tot lateriet, het andere tot porceleinaarde of water-houdend kleiaardesilikaat verweert, op deze vraag kan nog geen voldoend antwoord gegeven worden. De verweeringsverschijnselen in het tropisch vochtige klimaat van Suriname zijn zóó buitengewoon ingewikkeld, de factoren, die bij de verweering werkzaam zijn, zijn van zóó uiteenloopenden aard, dat op dit onderwerp hier niet nader kan worden ingegaan.

Een gewichtige vraag, die ons hier nog moet bezighouden is de vraag naar den ouderdom van al de hier genoemde verweeringsproducten. Daar de laterieten kaolienvorming en de afspoeling dezer verweeringsproducten nog steeds voortgaan, behoort een groot deel der hier besproken gronden tot het hedendaagsche tijdvak. Doch mogen wij dezen ouderdom voor alle aanslibbingsproducten der Surinaamsche rivieren aannemen? De geologische samenstelling van het bergland doet reeds twijfel rijzen, want daar geen andere dan archaeische, hoogstens hier en daar enkele gesteenten, die tot het palaeozoische tijdvak worden gebracht, het gebergte samenstellen, hebben de verweerende krachten sedert een reeks van tijdperken aan de vernietiging en ontblooting van het gebergte gearbeid.

Dat de hooge oevers verder de rivieren op niet uitsluitend gevormd zijn onder omstandigheden, die in den tegen woordigen tijd in dit gebied heerschen, mag reeds hieruit blijken, dat onder het leem bij lagen waterstand eene vorming te voorschijn treedt, die stellig niet onder de hedendaagsche hydrologische omstandigheden tot afzetting gekomen is en die langs de Surinaamsche rivieren, voor zoover bekend is geworden, een algemeene verspreiding schijnt te hebben. Bedoeld worden hier de zandsteen- en conglomeraatbanken, die bij de nadering van den bovenloop onder de hooge leemoevers te voorschijn komen. Nu eens rusten deze banken, niet zelden ter dikte van ½ M., onmiddelijk op het onderliggende vaste gesteente, dan weder zijn zij er van gescheiden door een dunnere of dikkere laag blauw leem. Deze zandsteen- en conglomeraatformatie, die reeds langen tijd geleden door Schomburgk uit Engelsch Guiana beschreven is en door dezen schrijver met zandsteen uit de steenkoolperiode vergeleken is (1), - eene vergelijking, die, ook in onze kolonie, tot het geloof aan steenkoolbeddingen heeft aanleiding gegeven - is in hoofdzaak uit kleinere en grovere kwartsstukjes samengesteld, die veelal zeer weinig gerold zijn en dan in eene kwartsbreccie overgaan en op ieder punt in grootte zeer weinig verschillen.

De kwartsbestanddeelen, die door verweering van granieten en andere kwartshoudende gesteenten zijn vrijgekomen, zijn door een cement van limoniet tot een zóó vast gesteente samengebakken, dat bij het ondermijnen der concave oevers, groote brokken er van losraken en door den sterken stroom worden medegesleept.

Ook in Suriname was deze zandsteen reeds lang van de oevers der Surinamerivier bekend (14); zijne verspreiding was daar wegens den ongunstigen waterstand echter niet na te gaan, Langs de Nickerierivier en langs de oevers van een harer voornaamste zijtakken, de Fallawatra, bleek deze vorming, dank zij den lagen waterstand gedurende het onderzoek, een zeer groote verspreiding te hebben (37, 45, 49). Bij den toenmaligen waterstand trad de bank het eerst op tusschen de Toe-hédekreek en de Wittewaterkreek, om van dit punt af zich onafgebroken onder het leem voort te zetten en tusschen laatstgenoemde kreek en Droge kreek op 6 M. diepte onder het leem van den concaven oever te voorschijn te komen. Hooger de rivier op neemt de korrelgrootte dezer zandsteenen steeds toe, om gaandeweg in brecciën, resp. conglomeraten over te gaan.

Dat deze zandsteen, bedekt door de fijnere aanslibbingsproducten, zich nog ver beneden waarts uitstrekt, is in het minst niet twijfelachtig en het optreden dezer vorming, eveneens onder de hooge leemoevers van talrijke kreeken, wijst op een algemeen verbreid verschijnsel, dat in verband moet gebracht worden met een eertijds grootere stroomsnelheid der Surinaamsche rivieren (49) Daar, waar deze in latere tijden de uit de door verweering van silikaten gevormde fijnere kleibestanddeelen tot afzetting brachten, konden zij door het grooter transporteerend vermogen grovere produkten nederleggen, de fijnere verweeringsprodukten verder noordwaarts afzettende, waar het onder den invloed der getijden gevormd zeealluvium de bodem-oppervlakte samenstelt.

Maar nog duidelijker blijkt deze eertijds grootere stroomsnelheid van het Surinaamsche waternet door een onderzoek van de bedding der menigte kreken, die, naarmate het relief dit voorschrijft, zich nu eens in een algemeen westelijke, dan weer oostelijke richting door het oerwoud heenslingeren, om ten slotte een der hoofdstroomen te bereiken. Overal toch wordt de bodem er op een diepte van 2 M. of minder door eene afzetting gevormd, die bijna uitsluitend is samengesteld uit weinig gerolde kwartssteenen, en overdekt is met een roodgele of gele, doorgaans ook met steenfragmenten gemengde leemlaag. Onder dit gesteentepuin, dat in hoofdzaak uit allerlei kristallijne schiefers, granieten, diorieten enz. is samengesteld, is kwarts echter ver in de minderheid.

Dit overal optredend verschijnsel, dat, gelijk te begrijpen is, ook in de aangrenzende Engelsche en Fransche koloniën de aandacht heeft getrokken, leert, dat deze laag kwartsrolsteenen - in Engelsch

[p. 6]

Guiana ‘gravel’, in de Fransche kolonie, wegens de beperking van het hooge goudgehalte doorgaans tot deze laag ‘la couche’ genoemd, - door de kreek is neêrgelegd in een tijd, toen de kristallijne silikaat-houdende gesteenten door eene toenmaals veel krachtiger uitschurende en afslijpende werking van het stroomende water aan eene bijna algeheele vernietiging werden prijsgegeven, en de onverweerbare uit de kwartsaderen losgemaakte kwartsen achterbleven. Terwijl aldus in de toenmalige bedding der kreken de gravellaag ontstond, konden de veel verder medegevoerde verweeringsproducten der silikaat-gesteenten nog op grooten afstand van het bergterrein tot afzetting komen, aldus gaandeweg het leemterrein met de daarin optredende kaolienbanken opbouwende, waarin de stroomen van den tegenwoordigen tijd zich langzamerhand een bedding ingroeven.

Ook kwartsstukken konden tijdens de vorming der gravellaag in de kreekbeddingen ver noordwaarts door het water worden medegevoerd en zoo treft men deze laag ook in het gebied der savannes onder de aanslibbingsprodukten der tegenwoordige rivieren aan, waar zij, nog verder in noordwaartsche richting, eindelijk in kwartszand overgaat.

Doch niet alleen door het feit, dat iedere rivier, iedere kreek over een bedding van in hoofdzaak kwartsrolsteenen vloeit, die meestal door aanslibbingen van recenten datum aan het oog onttrokken is, ook door het optreden van de gravellaag soms op plaatsen, die buiten het bereik zijn van de wateren der hedendaagsche periode, (35) worden wij teruggevoerd naar eene periode, waarin andere toestanden hebben geheerscht dan tegenwoordig en die met het diluviale tijdvak in Europa mag hebben samengevallen. (49)

Het bovenbeschreven algemeene bodemprofiel dat een onderzoek der kreekbeddingen leert kennen, zal, zooals zich laat begrijpen, plaatselijke wijzigingen kunnen vertoonen, in verband met de veelvuldige stroomverleggingen, die door afdamming der kreekbedding herhaaldelijk moeten hebben plaats gehad, meer in het bizonder in het benedenste deel der kreek. (35)

Onder de bodemformaties, die, hoewel tot de recente vormingen behoorende, toch ouder zijn, dan de kleigronden van het lage alluviale kustgebied, spelen de z.g. zand- en schulpritsen een belangrijke rol. Met dezen naam bestempelt men rugvormige bodemverheffingen, die veelal door moerassen omgeven zijn, en uit zand of uit schelpen en schelpfragmenten zijn opgebouwd, welke tot een meer of minder harde breccie met elkander verbonden zijn.

Deze wallen, wier dikte zelden meer dan 4 M. bedraagt, verloopen, hier en daar met geringe afwijkingen, evenwijdig aan de kust en hebben op de richting van een aantal rivieren in het uitmondingsgebied een grooten invloed uitgeoefend. (14). Zoo vloeien de Commewyne, de Cottica, de Coesewijne, de Saramacca en de Nickerie in den benedenloop evenwijdig aan de kust, in plaats van, zooals verwacht mocht worden, onmiddellijk naar zee te stroomen.

Door geheel Suriname, van de Marowijne tot de Corantijn strekken deze banken zich uit en telkens worden er nieuwe ontdekt, zoodat wij, in verband met de groote bezwaren, aan het bodemonderzoek in de kolonie verbonden, stellig een grootere verspreiding mogen aannemen, dan tot nu toe bekend is. (14) De meest zuidelijke, tot hiertoe aangetroffen schelpbank treedt bij Onoribo aan de Para op (14).

De hoogere ligging (hoewel doorgaans niet meer dan 3 M. boven den zeespiegel, te Onoribo 6 M.) en de voor water gemakkelijk doorlaatbare bodem verklaren het karakter van den plantengroei op deze ruggen, afwijkend van dien van het omringende, uit alluviale klei opgebouwd terrein en zijn voor de vestiging op zulke plaatsen belangrijke factoren. (Paramaribo, dat voor een deel op een schulprits gebouwd is).

Alle weekdiersoorten, die uit deze schulpritsen bepaald zijn (14 en 16) behooren tot de hedendaagsche fauna van de Zuid-Amerikaansche kust, waarmede het frissche uiterlijk der schelpen, die somtijds zelfs de kleuren nog gedeeltelijk bewaard hebben, in overeenstemming is. De ontdekking van scherven Indiaansch aardewerk in den schelpbank te Paramaribo wijst zelfs op de vorming in een tijd, toen Suriname reeds door Indianenstammen bewoond was.

Het spreekt wel van zelf, dat vele der boven beschreven vormingen, hoewel op geringer schaal, nog steeds voortgaan zich te vormen. Zoo vinden wij in de rotsachtige bedding der kreken en rivieren nu en dan de door den stroom neergelegde kwartszandkorrels door limoniet tot een zandsteen samengebakken, volkomen overeenkomende met den zandsteen der banken onder het leem der hooge oevers, terwijl in den bovenloop der rivieren door samenbakking van rolsteenen hier en daar zich een grof conglomeraat in de bedding vormt, waaraan alle mogelijke hoogerop het gebergte samenstellende gesteenten deelnemen. (49)

Ook zandafzettingen gaan nog steeds voort met zich langs de oevers of in het stroombed uit het kwartsbijmengsel van tal van kristallijne gesteenten te vormen. Hoezeer deze recente zandafzettingen langs de rivieren, vooral bij krommingen, tot het karakter van het landschap bijdragen (zie boven), hoe groot ook haar invloed, vooral in den bovenloop der verschillende stroomgebieden op stroomverleggingen kan zijn, toch zijn deze zandalluviën niet te vergelijken met de bijna uitsluitend uit kwartszand opgebouwde zandsavannes, die nu eens te midden van het bergterrein, dan weder aan den overgang tot het alluviale kustgebied groote oppervlakten beslaan, en die ouder, vermoedelijk diluviaal zijn.

Zandbanken in de rivier spelen, zooals zich begrijpen laat, vooral een groote rol, waar in den bovenloop door herhaalde stroomsplitsingen eilanden optreden, aan wier benedenwaarts gekeerd einde onder beschutting der klippen het zand tot afzetting komt, dat door de medewerking van Mokko Mokko, die stilstaand water verkiest, en zich dus spoedig op de banken nederzet, langgestrekte dammen vormt, die mede bijdragen tot het landschapkarakter van het eilandengebied (14, 37, 45, 49).

Dat ook omgevallen boomen in hetstroomgedeelte, waar grovere verweeringsprodukten worden medegevoerd, tot de vorming van zandbanken kunnen aanleiding geven, spreekt na het voorafgaande vanzelf.

Van de hier besproken rivierafzettingen mogen wij geen afscheid nemen, zonder nog met een enkel woord te hebben melding gemaakt van een element, dat in deze vormingen, vooral in de grovere, een rol speelt en dat bij het onderzoek naar goud op den voorgrond treedt. Bedoeld wordt het zware, zwarte zand, dat bij het wasschen naar goud, met of zonder dit metaal in de baté achterblijft, in de kolonie kruitzand wordt genoemd, en aldaar algemeen beschouwd wordt als eene aanwijzing van alluviale goudligplaatsen.

[p. 7]

De Braziliaan Paoli, die het goud in Fransch Guyana ontdekte, werd op het spoor van het edel metaal gebracht, toen hij in de kreken, die de Approuage voeden, met de baté eenige wasschingen verrichtte, en volkomen hetzelfde zwarte zand overhield, dat hem van het ontginningsterrein in zijn vaderland bekend was.

In hoofdzaak bestaat het kruitzand van Suriname uit magneetijzerkorrels, die veelal met een dunne limonietkorst omgeven zijn, en waarmede meer of minder haematietffragmenten gemengd zijn. Het scheikundig onderzoek kon geen spoor van eenig silikaat ontdekken, doch toonde slechts een oxyd van ijzer aan. Kan nu het verband tusschen het kruitzand en het goud in de secundaire goudligplaatsen bevreemden, wanneer men weet dat magnetiet als accessorisch bestanddeel in de basische stollingsgesteenten van Suriname, zooals dioriet, diabaas, gabbro een groote rol speelt, en dat laatstgenoemde gegesteenten tot de belangrijkste primaire ligplaatsen van het goud in onze kolonie behooren? (49)

Terwijl het goud in de hier genoemde gesteenten óf in gedegen toestand zeer fijn ingesprenkeld voorkomt, óf er aan zwavelmetalen, zooals pyriet, verbonden is, treft men het dus in de aanslibbingen der kreken en rivieren (secundaire ligplaatsen) veelal in grootere of kleinere klompen (in het Engelsch ‘nuggets’, in het Fransch ‘pépites’ genoemd) aan, zoodat een eenvoudige mechanische verplaatsing van de primaire naar de secundaire ligplaats buitengesloten is. Scheikundige processen moeten bij deze verplaatsing en concentratie op de secundaire ligplaatsen in het spel zijn geweest. (35, 53)

De sterkste concentratie heeft plaats gevonden in de onderste deelen van de bovengenoemde gravellaag der kreekbeddingen en ook nog veelal in de bovenste deelen van de daaronder liggende kleiachtige bodemsoort, door de gouddelvers, evenals in de Engelsche kolonie, ‘bedrock’ genoemd. De onmerkbare overgang in het dieperliggende, onverweerde gesteente, alsook het ontbreken van een regelmatige rangschikking naar de grootte der goudfragmenten en hun plaatselijk optreden in den bedrock - al deze verschijnselen zijn in strijd met de meening, dat de bedrock zou zijn een afzetting der kreek, doch leeren ons veeleer, dat de bedrock een op de plaats zelve gevormd verweeringsproduct van het onderliggende gesteente, dus een echte bedrock is en dat het goud er in spleten en kloven is binnengedrongen, toen deze bedrock nog steen was en nog niet in het kleiachtig verweeringsproduct was overgegaan.

Het goud kan zich echter ook door verweering van goudhoudende gesteenten op de plaats zelve concentreeren, zoodat ontginbare ligplaatsen ontstaan, waartoe sommige boven besproken eluviale laterieten behooren, vooral die, welke aan basische stollingsgesteenten, als diorieten, gabbros, diabasen hunnen oorsprong danken.

In verband met het verloop van de noordgrens van het bergterrein beslaan de alluviale vormingen een gebied, dat van het Oosten naar het Westen belangrijk in breedte toeneemt. Aan de Marowijne bedraagt de afstand van de graniethoogten bij Albina tot aan de lichttoren bij Galibi slechts 26 kilometers; aan de Surinamerivier treedt het vaste gesteente (graniet) eerst op een afstand van 63 kilometers in rechte lijn van de kust gemeten op; aan de Saramacca liggen de eerste hoogten bij Maäbo in rechte lijn van de kust op 79 kilometers; aan de Nickerie worden de eerste rotsen, graniet en sillimannietgneiss, eerst op een afstand van 85 kilometers van de kust aangetroffen; terwijl aan de Maratakka, zoover deze is opgevaren, het vaste gesteente geheel ontbreekt, en de breedte van het alluviale gebied dus nog grooter is; de Corantijn eindelijk treedt reeds op 100 M. boven de monding der Matapi, waar de eerste rotsen (dioriet) optreden, in het gebied der jongere aanslibbingen, zoodat hier de grootste breedte van de alluviale kuststrook bereikt is. (14)

Zooals echter reeds werd uiteengezet, mag het overgangsgebied van het bergterrein tot het eigenlijke alluviale kustgebied, dat zijn oorsprong dankt aan de samenwerking van de zee en de rivieren, niet tot het alluvium gerekend worden, omdat het door de rivieren werd afgezet onder omstandigheden die belangrijk hebben afgeweken van die, welke tegenwoordig de heerschende zijn. Omdat nevens de aanzienlijke aanslibbingen van laterietbestanddeelen, met kaolienbanken en zandsteen afwisselende, zandsavannes in dit gebied een groote rol spelen, wordt dit overgangsgebied, waaraan zooeven een diluviale ouderdom werd toegekend, het savannegebied genoemd.

De onderstelling, dat een vroegere zeebedekking belangrijk heeft bijgedragen tot de eertijds sterkere verweering en vergruizing der kristallijne gesteenten, en aldus het savannegebied heeft doen ontstaan (14) mag hier niet onvermeld blijven, evenmin de daarmede in verband gebrachte terrasvormige bouw van Suriname, dat als geheel beschouwd, een geleidelijk zeewaarts neigende oppervlakte vertoont met nagenoeg evenwijdig aan de kust verloopende treden, voor welke geen tektonische oorzaak te vinden is en die tot ver in het binnenland reikende strandlijnen zouden vertegenwoordigen. (14 en 17)

Niet altijd hebben deze uitgestrekte, door oerwoud omringde open terreinen hun ontstaan aan de plaatselijke ontwikkeling eener zandformatie te danken. Ook op klei- of leembodem kan zich een savannevegetatie ontwikkelen, wanneer het terrein gedurende den ganschen regentijd onder water staat en in den drogen tijd uitdroogt. Zulke tijdelijk uitgedroogde moerassen noemt men overstroomingssavannes.

Dat savannes met haren eigendommelijken schaarschen plantengroei niet tot het eigenlijke savannegebied beperkt zijn, werd boven reeds vermeld. Niet altijd vormt zand den bodem dezer savannes. Nabij de zuidgrens van Suriname zijn door de Gonini-, de Tapanahoni- en de Toemoekhoemak-expedities uitgestrekte savannes aangetroffen, die nu eens met grijze aarde, hier en daar met zand afwisselend bedekt zijn, dan weêr op talrijke plaatsen een rotsachtigen bodem hebben. Eene overvloedige grasvegetatie met eenig laag boom- en struikgewas, enkele Mauritiapalmen, wilde ananassen treft men op deze savannes aan. Hoewel uitdrukkelijk verklaard wordt, dat deze savannes geen z.g. overstroomingssavannes zijn, geven de weinige gesteentemonsters, die door genoemde expedities op deze savannes verzameld zijn, geen aanleiding tot het vermoeden, dat de samenstelling van het gesteente de oorzaak is, dat het oerwoud zulke plekken niet verovert, want van deze plaatsen zijn slechts granietieten en granieten medegebracht, gesteenten dus, die door verweering een bodem van hooge voedingswaarde geven.

Evenmin als nu een scherpe grens kan getrokken worden tusschen het eigenlijke alluvium van Suriname's kustgebied en de meer landwaarts ontwikkelde oud-kwartaire vormingen, evenmin is een scherpe begrenzing van het bergterrein en de oudere aanslibbingsgronden mogelijk, want in laatstgenoemd gebied ontbreken hoogten, waar het vaste gesteente

[p. 8]

aan den dag treedt, niet geheel, terwijl tijdens groote droogte het uit het water verrijzend gesteente in het rivierbed bij het opvaren reeds moeilijkheden geeft, waar in het aangrenzend oeverland slechts jongere aanslib bingsgronden kunnen verzameld worden. (14, 35, 45, 49)

Zooals boven reeds werd opgemerkt, is het uitgestrekte bergland van Suriname opgebouwd uit gesteenten, die tot de oudste vormingen der aardgeschiedenis behooren en door de geologen Archaeische vormingen worden genoemd. De gesteenten uit het archaeische tijdvak rusten onmiddellijk op de stollingskorst der aarde, welke nergens met zekerheid is aangetoond en worden door de gesteenten uit de oudste formatie van het palaeozoisch tijdvak concordant of discordant overdekt, zoodat zij vóór laatstgenoemde gesteenten ontstaan moeten zijn.

Slechts op enkele plaatsen van het aardoppervlak treden de archaeische vormingen uit het machtige dek van in latere tijdvakken gevormde gesteenten te voorschijn en vertoonen zich dan als de voetstukken van een eertijds veel hooger bergterrein, waaraan de nivelleerende krachten gedurende een reeks van tijdperken, elk van zeer langen duur, onafgebroken hebben gearbeid. De kristallijne schiefers, d.z. die gesteenten van het archaeische tijdvak, welke aequivalent zijn met de sedimenten uit latere tijdvakken, hebben met deze den laagsgewijzen bouw en met de stollingsgesteenten de kristallijne natuur gemeen. De klastische natuur, die hen oorspronkelijk eigen was, is door een diepgaande metamorphose geheel verloren gegaan of is in enkele gevallen nog slechts door een nauwkeurig microscopisch onderzoek vast te stellen.

Het proces dezer metamorphose, waaraan de kristallijne schiefers hun eigenaardig karakter ontleenen, heeft bestaan in een omkristallisatie of ommineralisatie van klastische of verbrijzelingsgesteenten, zonder dat hunne chemische samenstelling belangrijke wijzigingen onderging. De groote beteekenis van aanzienlijke drukwerkingen bij de vorming der kristallijne schiefers heeft men reeds lang uit het bekende verschijnsel afgeleid, dat in streken, waar zeer groote storingen of dislocaties hebben plaats gegrepen, die uit den tektonischen bouw van het gebergte blijken, de metamorphose doorgaans den hoogsten graad bereikt.

De druk, die het archaeische terrein van Suriname heeft ondergaan, spreekt voor het geologisch niet geoefende oog reeds duidelijk uit de buigingen en plooiingen, die het door een duidelijke parallelstructuur gekenmerkt gesteente op talrijke plaatsen vertoont en uit de standvastige richting, die vele steenen dammen en geïsoleerde rotspartijen in de rivier, onafhankelijk van de richting, waarin deze stroomt, vertoonen. Daar nu ook de voortzetting van vele dezer dammen, n.l. de rugvormige bodemverheffingen aan de oevers en nog verder het oerwoud in, deze standvastige richting, n.l. de O.-W., resp. N.W. - Z.O. - richting blijven volgen, (35, 45, 49) zoo volgt hieruit, dat de plooiïng door een druk in het leven is geroeven, die in N. - Z.,- resp. N.O. - Z.W.-richting heeft gewerkt. (14, 35, 39, 45, 49) De eigenaardige topographische gesteldheid van het Surinaamsche bergland is dus, voor zoover de archaeische schiefers betreft, te voorschijn geroepen door herhaalde afwisseling van meer en van minder gemakkelijk verwoestbare, geplooide gesteenten, en door vernietiging en verwijdering, op de voetstukken na, van het geplooide massief. Deze resten van eertijds samenhangende plooien, niet zelden opgebouwd uit bijna vertikaal staande gesteentelagen, hebben zeer steile bergrugjes in het leven geroepen, die vooral in het noordelijk deel van het Surinaamsche bergterrein door hunne standvastige richting en de regelmatige opvolging reeds den niet-geoloog opvallen. (41) Bij het kappen van een pad door het oerwoud in zuidelijke richting, springt deze topographische gesteldheid het duidelijkst in het oog; bergrugjes, met evenzoovele valleien afwisselende, waardoorheen kreken een weg naar den hoofdstroom nemen, volgen in wanhopig aantal elkander op en hunne standvastige richting vergoedt de moeilijkheden, die de onafgebroken oerwoudbedekking den topograaf biedt.

Daar de richting der hoofdstroomen bepaald wordt door de algemeene helling van het gebergte en in het algemeen loodrecht staat op die van den hoofd kam, het Toemoek-Hoemak gebergte en zijne voortzetting: den Wilhelminaketen, zoo hebben de rivieren van Suriname zich dwars op de plooien van het gebergte een weg zeewaarts moeten banen, en van daar de groote verschillen in het karakter der Surinaamsche rivieren met dat van de groote stroomen van Zuid-Amerika. Terwijl de laatste, zooals de Orinoco, de Amazone en de la Plata, hunnen weg nemen door secundaire en tertiaire terreinen, hebben de rivieren der Guiana's smalle doorgangen ingegraven in de eindelooze versperringen van harde kristallijne gesteenten; van daar de vorming van tallooze watervallen en stroomversnellingen, die den reizigers op de rivieren bijna tot wanhoop brengen.

De watervallen zijn de plaatsen, waar een hard, moeilijk uitschuurbaar gesteente de versperring vormt en deze watervallen en stroomversnellingen wisselen met riviervakken af, die vrij van rotsen zijn. Voor het meerendeel hebben deze watervallen echter niet aan kristallijne schiefers hun ontstaan te danken, doch aan harde, moeilijk verweerbare, meer in het bizonder fijnkorrelige granieten (veelal hoornblende bevattend) en basische stollingsgesteenten, die op talrijke plaatsen door het archaeische terrein zijn heengebroken. en die in de kolonie boven de schiefers belangrijk de overhand hebben.

Terwijl eenige der oudere geologen, zooals Brown en Sawkins, zonder ernstige argumenten voor Engelsch Guiana aannemen (8), dat de archaeische schiefers op een oudere granietformatie rusten, is door talrijke waarnemingen in de drie Guiana's, die in geologisch opzicht één geheel vormen, genoegzaam vastgesteld, dat het archaeische terrein ouder is en later op talrijke plaatsen door graniet doorbroken is, dat, evenals elders, de bekende contactverschijnselen in de aangrenzende schiefers te voorschijn riep.

Beginnen wij dus met de archaeische schiefers als oudste vormingen. Daar de beperkte plaatsruimte verbiedt in te gaan op tal van bizonderheden, die slechts voor den geoloog en petrograaf van belang zijn en die te vinden zijn in de speciale in het litteratuuroverzicht vermelde werken, (14, 15, 35, 39, 47, 48, 49, 50, 54) mag hier met eenige der belangrijkste feiten volstaan worden.

Het archaeische terrein is opgebouwd uit talrijke schiefers, ook wel schisten of schalies genoemd, die de gneiss-, de glimmerschiefer- en de phyllietformatie vertegenwoordigen. De eindelooze verscheidenheid in de mineralogische samenstelling geven tot talrijke varieteiten aanleiding - te veel om hier zelfs te noemen. Het karakter der Surinaamsche schiefers, waaronder talrijke gneiss- en glimmerschiefervarieteiten een hoofdrol spelen, geven aanleiding, het archaeische complex van Suriname tot

[p. 9]

de jongste afdeeling van dit tijdvak te brengen, de kristallijne schieferformatie, ook wel de huronische schieferformatie genoemd. (14)

Het is onmogelijk, hier een overzicht te geven van de verspreiding der archaeische schiefers in de kolonie; want bij de boven reeds opgesomde moeilijkheden, die het geologisch onderzoek er ondervindt, komt nog een andere moeilijkheid zich voegen, die een grensbepaling op het terrein in den weg staat, nl. de drukwerking, waaraan ook de later door de schiefers heengedrongen stollingsgesteenten zijn blootgesteld geweest en die ook in deze gesteenten een zekere schiefering heeft teweeg gebracht, waardoor zij van de echte schiefers, de gemetamophoseerde oudste sedimenten, op het terrein veelal zeer moeilijk onderscheiden kunnen worden. (Zie later.)

Moet men in een land als Suriname, waar de vaste rots slechts plaatselijk aan den dag komt, zeer op zijn hoede zijn, om niet tot verkeerde opvattingen te komen omtrent de verhoudingen, waarin de waargenomen gesteenten optreden, nog grooter reserve dient men in acht te nemen, als men weet, dat het meerendeel der verzamelingen door niet-geologen is bijeengebracht.

Slechts de verzamelingen van de Suriname-expeditie in 1884, van de Nickerie-expeditie in 1900 en van de Gonini-expeditie in 1903 zijn van geologen afkomstig, terwijl op de overige expeditiën door Suriname's binnenland enkele gesteenten, op afstanden soms van 5-11 kilometers, ‘voor de hand weg’ verzameld werden door leeken in de geologische wetenschap, aan wien optredende verschillen in den bouw en de samenstelling van het gesteente wegens de onafgebroken donkergetinte verweeringskorst zeer gemakkelijk aan het oog konden ontsnappen.

In dit verband mag de vraag gesteld worden of het toeval is, dat juist in de drie bovengenoemde uitzonderingsgevallen de archaeische schieferformatie, telkens afgewisseld door stollingsgesteenten, een niet onbelangrijk aandeel bleek te hebben aan de samenstelling des bodems, terwijl op de lijst van gesteenten, op de overige expedities bijeengebracht, slechts enkele echte schiefers voorkomen? Wanneer men voor de vindplaatsen der gesteentemonsters de kaarten der verschillende expeditien raadpleegt, is het niet moeilijk voor dit aan ieder geoloog opvallend feit, nog een andere oorzaak aan te wijzen.

Het moet dan opvallen, dat zeer vele gesteentemonsters, zoo niet de meesten, geslagen werden op watervallen en stroomversnellingen en op uitstekende bergverheffingen in het oerwoud. Daar nu deze plaatsen, behoudens eenige uitzonderingen, aan stollingsgesteenten, de moeielijk verweerbare gesteenten, hun ontstaan te danken hebben, zijn de voor een leek onverklaarbare afwijkingen op eenvoudige wijze opgelost. Een blik op de geologische kaart van oostelijk Suriname (35) moet hem in de juistheid dezer verklaring nog meer versterken.

Op verschillende punten zien wij dan de archaeische schiefers over korte afstanden aan de oppervlakte treden, nu eens herhaaldelijk afgewisseld door stollingsgesteenten, om dan weêr over aanzienlijke oppervlakten door deze laatsten geheel verdrongen te worden. In het oerwoud treden de schiefers veelal in reeksen van in O. - W.- waarts, respect. Z.O - N.W.-waarts te vervolgen reuzenblokken op, die de aan basische mineraalbestanddeelen rijke, dus aan de verweering grooter weerstand biedende leden van de archaeische formatiereeks zijn, terwijl het eveneens de hardere schiefers zijn, die in gelijke richting het stroombed doorsnijden en dan op enkele punten stroomversnellingen en watervallen te voorschijn roepen, zooals bij Brokopondo in de Surinamerivier (14) en op Stondansi, de Lombokval en de Wilhelminavallen in de Nickerie. (49)

Uit den vertikalen of nagenoeg vertikalen stand dezer schiefers, in verband met een herhaalde afwisseling van open riviervakken - de plaatsen waar de stroom zachtere, gemakkelijk uitschuurbare gesteenten op zijn weg ontmoette - met breedere, met rotsen bezaaide stroomgedeelten, leeren wij het archaeische terrein als een stelsel van lagen kennen, die door sterke samendrukking geplooid zijn geworden, en waarvan de hardere leden alleen bewaard zijn gebleven. (14)

Daar, waar ons meerdere gegevens ten dienste staan, zooals in het oostelijk gedeelte der kolonie en in het Nickeriegebied, blijkt van een zekere regelmaat in de verspreiding aan de oppervlakte, zooals na het eerste meer volledig onderzoek van het stroombed der Surinamerivier aangenomen werd (14) weinig (vergelijk de kaarten in 14, 35, 49).

Wel kan in het algemeen gezegd worden, dat het bergland van Suriname mag onderscheiden worden in een noordelijk gedeelte of strook, waarin de archaeische schiefers met basische stollingsgesteenten een groote rol spelen, en in een zuidelijk gedeelte, waar graniet overheerscht; doch de gegevens, die de verzamelingen der Coppename-expeditie en de daarop gevolgde expeditiën door de binnenlanden ons hebben gebracht, (38, 42, 47, 48, 54) zijn verre van voldoende voor de voorstelling, welke is neergelegd in een der nieuwere kaarten der kolonie, die een algemeen beeld moet geven van hare bodemgesteldheid. (53) Aan den eenen kant komen immers in het op deze kaart aangenomen noordelijk gebied der basische gesteenten terreinen voor, waar het gesteente overwegend granietisch is, terwijl in het zuidelijk gebied der granieten volgens de gepubliceerde gesteentebepalingen op talrijke plaatsen archaeische schiefers en basische stollingsgesteenten optreden. (Hier mogen o.a. genoemd worden het uitgestrekte granietgebied tusschen den Blanche Marieval en de Koffiekreek in de Nickerie in het z.g. gebied der basische gesteenten en vooral de menigvuldige voorbeelden van archaeische schiefers en basische stollingsgesteenten die, in verhouding tot de verzamelde gesteentemonsters in het zuidelijk gebied der granie tische gesteenten zijn bijeengebracht: amphiboolbiotietschist in de linker-Coppename, biotietgneiss, amphibolbiotietgneiss en amphiboolschalie in de Itanie boven de monding der Oelemarie; gabbrodiabaas en biotietdiabaas in de rechter-Coppename, kwartshoudende gabbrodiabaas, schistachtige geüralitiseerde diabaas in de linker-Coppename; oliviendiabaas en hyperstheendioriet op de helling van den Hebiweri; diabaas in de Boven-Saramacca boven de Toekoemoetoe, in dezen zijtak en tusschen dezen en den Hendriktop, op den Ebbatop der van Aschvan Wijk-keten, in de Itanie boven de monding der Oelemarie enz. enz.).

Belangrijke feiten werden aan het licht gebracht door microscopisch onderzoek van een aantal schiefers uit het stroombed der Coppenamerivier (39), uit het Mindrinittidistrict, en over een vrij groote uitgestrektheid aan de Marowijne. Op het gebied der normale archaeische schiefers, vertegenwoordigd door korrelige gneissvarieteiten, de normale biotietgneiss en de sillimannietgneiss en in het noordelijk deel van het Coppenamedal ontwikkeld, volgt een 19 kil. breede strook, die uit z.g. contactmetamorphe gesteenten is opgebouwd, als hoornsteen en kristal-

[p. 10]

lijne grauwacke, die door later daarin doorgebroken graniet en dioriet uit leisteen, grauwackeschiefers en leisteenachtige phyllieten moeten ontstaan zijn. Op deze plaats werd dus de ontwikkeling van sedimentgesteenten aangetoond, wier oorspronkelijk klastische natuur - n.l. de opbouw uit brokstukjes van andere gesteenten - somtijds nog duidelijk was waar te nemen, en die, jammer genoeg, slechts door hunne contactmetamorphe omzettingsproducten vertegenwoordigd zijn. De argumenten, die voor een palaeozoischen ouderdom werden aangevoerd, kunnen hier onvermeld blijven, daar het ontbreken van fossielen den ouderdom dezer gesteenten wel altijd onbeslist zal laten.

Gelijksoortige verandering van eertijds klastische gesteenten door contact met een eertijds gloeiende brei, die graniet opleverde, werd aan de Marowijne op de hoogte van het Nassaugebergte aangetoond (35).

De graniet, die zooals boven reeds werd opgemerkt, door de schiefers is heengebroken en er zich hier en daar duidelijk dekvormig over heeft uitgebreid, is dus jonger. Nu eens vormt dit gesteente smallere of breedere gangen door het archaeische systeem heen, dan weer treedt het in grootere massiefs op, zooals aan de Surinamerivier tusschen Koffiekamp en Toledo, (14) en aan de Nickerierivier tusschen een punt, even bezuiden Franskreek en de Tom dédekreek, over welke uitgestrektheid slechts eenmaal een afwisseling door archaeische schiefers (Lombokval) werd waargenomen. (49)

Zijn de granieten in de kolonie gelijktijdig of na elkander tot uitbarsting gekomen? Waar zijn de voornaamste eruptiepunten gelegen en met welk dier centra moet elk optreden in verband worden gebracht?

De terreinstudie aldaar biedt zóó groote. moeielijkheden aan, het verband tusschen de verschillende gesteenten is zoozeeruitgewischt, dat het nu nog onmogelijk is, op deze vragen een stellig antwoord te geven. Slechts op enkele onderstellingen mag hier de aandacht gevestigd worden.

Eene petrographische studie der bovengenoemde contactmetamorphe sedimentgesteenten uit het Coppenamedal gaf, in verband met hunne ligging tegen de archaeische schiefers aan en wegens hunne overeenkomst met gelijksoortige gesteenten uit talrijke, nauwkeurig onderzochte streken, aanleiding, hen voorloopig een palaeozoischen ouderdom toe te kennen. Mocht deze bepaling de juiste blijken, dan zou voor een deel der granieten, omdat zij de bewerkers der contactmetamorphose zijn geweest, een palaeozoischen ouderdom moeten worden aangenomen. (39)

Een andere onderstelling, waaraan echter geene voldoende geologische feiten ten grondslag liggen, is deze, dat het zuidelijke granietgebied (zie boven), waarin dit gesteente, behalve in de vlakte en vlakgolvende gebieden, ook bergvormend optreedt (de Voltz- en van Stockumbergen, de Jan Basi Gado, de Hendriktop, de de Kockberg, de Kassi-Kassima enz.) jonger is dan de granietdoorbraken, die in het noordelijke gebied der basische gesteenten vlak golvende of vlakke terreinen vormen en hier een ondergeschikten rol spelen (46). De redeneeringen, die hieraan worden vastgeknoopt zijn te duister en te ingewikkeld, om op deze onderstelling verder in te gaan.

Belangwekkender zijn de feiten, die door het nauwkeurig petrographisch onderzoek der vele in verschillende deelen der kolonie verzamelde granieten aan het licht zijn gekomen. Het spreekt wel van zelf, dat waar meerdere gesteentemonsters uit een zelfde vindplaats of uit zeer nabijgelegen vindplaatsen voor dit onderzoek beschikbaar waren, zooals gezegd kan worden van de verzamelingen van de Surinamerivier (14, 35) en van het stroomgebied der Nickerie, (49) een helderder inzicht in de onderlinge gesteenteverhoudingen kon verkregen worden, dan wanneer de vindplaatsen meerdere kilometers van elkander verwijderd liggen.

Overal, waar in de bedding van eerstgenoemde rivier graniet optreedt (Worsteling Jacobs, Phaedra en verder tusschen Koffiekamp en Toledo), is het normale gesteentetype z.g. biotietgraniet, waarvan de hoofdbestanddeelen zijn: witte, gele, zeldzamer roode veldspaath, die voornamelijk orthoklaas, doch ook niet zelden plagioklaas is, bruine of zwarte biotiet en grijze kwarts. De structuur dezer biotietgranieten is doorgaans fijn- of middelkorrelig.

Uit dit gesteentetype zijn nu, het zij door wijzigingen in de structuur en in de samenstelling, hetzij door het optreden van nieuwe mineralen, tal van granietvariëteiten ontstaan, die geleidelijk in elkander overgaan, zoo zelfs, dat niet zelden een zelfde handstuk twee varietieten naast elkander laat zien.

Volkomen dezelfde verschijnselen leerde het onderzoek der gesteenten uit het stroomgebied der Nickerie kennen, ja, hier bleken, wellicht door het grooter aantal beschikbare monsters uit een zelfde plaats, zelfs de differentiaties nog verder te gaan, zoodat de graniet met gesteenten van de grootste basiciteit door tal van onmerkbare overgangen verbonden is.

Nu eens nemen op bepaalde plaatsen in den graniet hetzij de orthoklaas of de plagioklaas, die in de Surinaamsche granieten zelden ontbreekt, hetzij de kwarts toe, of er ontstaat door optreden of toename van pyroxeen augietbiotietgraniet, dan weêr treedt de glimmer terug. Zeer dikwijls ook neemt de hoornblende, die in vele granieten een nevenbestanddeel is, zoozeer de overhand, dat hoornblende-biotietgranieten ontstaan, welke op hunne beurt in diorieten overgaan.

Waren uit het stroomgebied der Surinamerivier reeds lang zulke gesteentemodificaties bekend (aan hoornblende rijke slieren in den graniet) (14), die aan uitscheidingsverschillen van een zelfde gloeiende brei of magma, meer bepaaldelijk aan stroomingen in het magma werden toegeschreven, nog duidelijker bracht het onderzoek der Nickerie-gesteenten aan het licht, dat magmadifferentiaties tot tal van over gangsgesteenten tusschen de meest zure granietvariëteit en de stollingsgesteenten van opeenvolgende graden van basiciteit hebben aanleiding gegeven, zooals dit o.a. in het granietmassief van den Brokken in het Hartsgebergte, in de granieten van het Schwarzwald en in andere streken het geval is geweest. Deze scheiding in basische of kalkrijke en zure of kalkarme gesteenten uit een zelfde magma komt hierop neer, dat een concentratie der ijzer- en magnesiasilicaten en der kalk-kleiaarde silicaten langs de randen, die het eerst afkoelen, pleegt plaats te vinden, terwijl de kiezelzuur (als kwarts) en de kiezelzuurrijke silikaten zich in het midden ophoopen. Loopt reeds het voor Suriname normale graniettype, de biotietgraniet, in het stroomgebied der Nickerie in allerlei richtingen uiteen - om aan den eenen kant in het meest zure lid der granietrij, in de grofkristallijne pegmatiet over te gaan, die zich onderscheidt door groote orthoklaaskristallen, door soms vuistgroote lichtgetinte kwartsuitscheidingen en zilverwitte glimmerbladen, om aan den anderen kant door langzame overgangen in apliet, een uiterst fijn-

[p. 11]

korrelig, zeer glimmerarm granietgesteente te veranderen, of door voortdurende toename van hoornblende tot het ontstaan van hoornblendegranieten aanleiding te geven - ook naar de diorietrij en naar de gabbrogesteenten komen in dit gebied, dikwijls over korte afstanden, allerlei overgangsgesteenten voor. Zoo ontstaan o.a. door op den voorgrond treden van plagioklaas granodiorieten, die een overgang vormen tot de biotiethoudende kwartsdiorieten, uit welke laatste weder door een hooger gehalte aan pyroxeen hyperstheendiorieten, met of zonder biotiet ontstaan, die op hun beurt door het optreden van diallaag in gabbrogesteenten, hetzij kwartsvrij of kwartshoudend hetzij met of zonder hoornblende over gaan, enz. enz. (49, 50).

Konden dus de tallooze in allerlei richtingen uiteenloopende verschillen, die de gesteenten van eruptieve natuur in het westen der kolonie dikwijls over korte afstanden in hunne samenstelling vertoonen, slechts door differentiaties verklaard worden, die de uitbarstingsproducten van een zelfde tijdvak der aardgeschiedenis bij hunne afkoeling hebben ondergaan, dan worden wij van zelf tot de vraag gevoerd, in welke betrekking de hier besproken stollingsgesteenten uit de westelijke deelen van Suriname tot de diabasen staan, welke uit de overige deelen der kolonie herhaaldelijk vermeld worden en het eerst uit het stroomgebied der Surinamerivier beschreven werden. (14).

Diabaas is eveneens een oud stollingsgesteente van basisch karakter, in hoofdzaak samengesteld uit een korrelig mengsel van plagioklaas en augiet, welk laatste mineraal er een groene tint aan geeft. Met diorieten en gabbro's vormt het den groensteen (‘Grünstein’) der oudere schrijvers (3), een collectiefnaam, die na de nauwkeurige gesteente (3) onderzoekingen van den lateren tijd geen zin meer heeft.

In het stroomgebied der Surinamerivier, in de bedding zoowel van den hoofdstroom, als van de Para, een zijner belangrijkste zijrivieren, treden op talrijke plaatsen basische stollingsgesteenten op, die nu eens als dioriet, doch in de meeste gevallen als diabaas bepaald werden (14). Deze diabasen hebben in dezelfde mate tot het tot standkomen van het bodemrelief bijgedragen als de hypersteendiorieten en de gabbro's van westelijk Suriname. In de rivier vormen zij moeilijk uitschuurbare dammen en dientengevolge watervallen en stroomversnellingen, terwijl reeksen van dicht aan elkander sluitende ronde koepels, die boven het omringende terrein uitsteken, en somwijlen een hoogte van 200 M. bereiken, de voortzetting dezer dammen vormen.

Deze diabaaskoepels zijn, evenals de dioriet- en gabbrokoepels, die in het gebied der Boven-Nickerie ter hoogte van den Blanche Marieval en van Agokiri-mi voorkomen, de door wateruitschuring gevormde overblijfselen van een ter plaatse doorgebroken basisch stollingsgesteente, dat grooter weêrstand bood aan de verweeringsinvloeden, dan de omringende gesteenten, hetzij archaeische schiefers, hetzij stollingsgesteenten van geringe basiciteit. (49)

Merkten wij zooeven reeds op, dat in de zuidelijke deelen der kolonie granieten veelvuldig bergvormend optreden, in de noordelijke deelen zien wij nu juist de bassiche stollingsgesteenten, als diorieten, gabbros en diabasen zeer belangrijk aan het bodemrelief deelnemen. (46, 49)

Ook in het stroomgebied der Saramacca zijn op enkele plaatsen gesteenten verzameld, die als diabaas bepaald werden, zooals bezuiden Asoenoebo, op den Dikkifakkaval boven Aterebota, en tusschen den Hendrik top en de Toekoemoetoe; nog meer naar het Westen, in het stroomgebied der Coppename, dus het stroomgebied der Nickerie naderend, treden met diabaasgesteenten ook gabbros op. Hyperstheengabbro wordt gemeld aan de monding der Kwarikreek (39), in verbinding optredend met een grofkorrelig gesteente, dat arm is aan donkergetinte mineraalbestanddeelen en als pegmatietische kwarts-hypersteengabbro werd bepaald. Waren niet toevalligerwijze door een niet-geoloog twee gesteentemonsters van dezelfde plaats geslagen, dan had de petrograaf, die ze onderzocht, niet de meening kunnen uitspreken, dat wij hier te doen hebben óf met een zure uitscheiding van het normale hypersteengabbromagma (dus met een magmadifferentiatie) óf met het stollingsproduct eener navloeing van een zuurdere brei.

Een merkwaardig punt in de Coppename vormen de Tonckensvallen met hunne voortzetting: de 450 M. hooge Hebi-weri. Hier komen verschillende basische stollingsgesteenten voor, die bepaald werden als hyperstheennoriet, oliviendiabaas en oliviengabbro. De val schijnt in hoofdzaak uit laatstgenoemd gesteente te zijn opgebouwd, terwijl beide eerstgenoemde gesteenten de helling van genoemden top samenstellen. Hoewel hier geen terreinstudiën door geologen gedaan zijn, mag wel met voldoende zekerheid worden aangenomen, dat de genoemde gesteenten, die ook in andere landstreken in elkanders gezelschap optreden, de stollingsproducten van eenzelfde magma zijn, ons dus wederom met magmadifferentiaties bekend maken, die in westelijk Suriname een zoo groote rol spelen. Wegens de nauwe verbinding van gabbro en diabaas is deze vindplaats van beteekenis, want zij geeft steun aan de meening, dat de diorieten, gabbros en diabasen de stollings gesteenten van een zelfde eruptieperiode zijn en zij doet verwachten, dat de gabbros niet alleen tot de westelijke deelen der kolonie beperkt zullen blijken. In verband hiermede mag gewezen op het vermoeden, dat vele gabbro's bij de diabasen zijn ondergebracht (39, 50).

In strijd met de hier in het kort uiteengezette denkbeeld omtrent het verband, waarin de basische stollingsgesteenten van Suriname tot de gesteenten van een zuur karakter, als graniet, staan, is de meening, die het eerst voor het stroomgebied der Suriname werd uitgesproken (14) en die we telkens in de geologische litteratuur betreffende de kolonie terugvinden, dat diabasen jonger zijn, dan de granieten, en door deze, doch vooral door de archaeische schiefers, die geringeren weerstand boden, zijn heengebroken. Herhaaldelijk wordt verzekerd, dat diabaas gangvormig optreedt, en zich als een dak over de schiefers of somwijlen over den graniet heeft uitgebreid, dus jonger dan deze is.

Dat gabbros en diorieten door den graniet zijn heengebroken, kon voor het Westen der kolonie nergens worden aangetoond; integendeel werd de aandacht gevestigd op een gangvormige uitscheiding van een pegmatietgraniet in een gabbrogesteente aan den voet van den Blanche Marieval. (49)

Daar in Venezuela de diabaas met een zandsteen afwisselt, die als krijtzandsteen bepaald werd, welke vorming zich, door Engelsch Guyana heen, nog tot aan de grens van Suriname (tot even boven de mon ding der Kabalebo) voortzet, is de meening uitgesproken, dat de diabasen stollingsgesteenten van het krijttijdvak zouden zijn (14).

Bij de zoo talrijke overeenkomsten in den bouw en in de samenstelling des bodems tusschen beide Guyanas moet het ontbreken der genoemde zandsteen-

[p. 12]

formatie (natuurlijk niet te verwarren met den reeds besproken zandsteen, die tot de oudere aanslibbingen der rivieren behoort, in onze kolonie bevreemden. Om deze moeilijkheid uit den weg te ruimen, is de hypothese uitgesproken (14) dat in Suriname de zandsteen met de daarmede afwisselende jongere diabasen door erosie verwijderd is, terwijl alleen het oudere diabaasdek, dat in Engelsch Guiana onmiddellijk op den graniet rust, bewaard is gebleven. In verband met deze meening wordt de aandacht gevestigd op de vermelding van de zandsteenformatie aan den Itaféval in de Kabalebo, op een zandsteen onder de gesteenten, die bij Nooitgedacht werden verzameld, op een kleischiefer van Victoria en op een fossielen bevattenden kalksteen van Carolina, gesteenten die ook in de krijtformatie van Venezuela optreden (14), en waarbij nog gevoegd kan worden een rolsteen, in de bedding der Nickerie nabij de monding der Paris Jacobkreek verzameld, en volkomen met den zandsteen in de Corantijn, boven de monding der Kabalebo, overeenkomende (49 en 50). Dit is alles, wat het voorkomen van krijtafzettingen in onze kolonie, hoewel in beperkte verspreiding, slechts doet vermoeden.

Uit het belangrijk aandeel, dat, meer in het bizonder in de noordelijke deelen van het Surinaamsche bergland, bij het tot standkomen van het bodemrelief aan de basische stollingsgesteenten toekomt, mogen wij verwachten, dat deze invloed ook in den loop der rivieren tot uitdrukking zal komen. Reeds door een blik op de kaart springt dit verband onmiddellijk in het oog, want de plaatsen waar, ten zuiden van de 5e breedtegraad, de hoofdrivieren (Corantijn, Nickerie, Coppename, Saramacca en Suriname) in oostelijke richting worden afgeleid, vallen samen met een van het westen naar het oosten de kolonie doorsnijdend overgangsgebied (volgens anderen contactgebied) van zure en basische gesteenten (43, 46).

Dat de plaatselijke geognostische gesteldheid van zeer grooten invloed is op den rivierloop en op het karakter harer bedding, zou voor Suriname nog door vele andere voorbeelden kunnen worden aangetoond.

Met enkele voorbeelden mogen wij volstaan:

In het algemeen is de bedding van den middenloop daar, waar de rivier door gemakkelijk uitschuurbare schiefers heenbreekt, smal, en zien wij het bed zich plotseling belangrijk verbreeden en watervallen optreden, waar een hard stollingsgesteente, meer in het bijzonder een basisch stollingsgesteente in den weg treedt, zoo zien wij de rivier in haren middenloop daar zich sterk en herhaaldelijk winden, waar gemakkelijk en moeielijk uitschuurbare gesteenten telkens met elkander afwisselen; een doorgaans O-W gerichte doorbraak van een basisch stollingsgesteente te midden van graniet doet de stroom een eindweegs loodrecht in de algemeene richting afwijken. In den bovenloop der Surinaamsche rivieren, waar graniet het overheerschend gesteente is, is de bedding over het algemeen breed, weinig diep ingesneden en bezaaid met ellipsvormige eilanden. Ook hier zijn de smalle riviervakken de plaatsen waar de rivier een schiefergebied doorsnijdt (zie vooral 17.)

Toch moeten wij ons er voor wachten, teveel te generaliseeren en overal graniet in te schetsen, waar wij op de kaart een breed, met eilanden bezaaid riviervak vinden aangegeven, want evengoed kunnen harde schiefers tot verbreeding van het bed en het ontstaan van stroomsplitsingen met watervallen aanleiding geven, zooals de Lombokval in de Nickerie geleerd heeft (49); en evengoed kan een binnentreden in den bovenloop van een telkens met dioriet of gabbro afwisselend granietgebied een verbreeding en een herhaalde stroomsplitsing met vorming van eilanden ten gevolge hebben - ja, ik zou haast geneigd zijn, én uit hetgeen het onderzoek der Nickeriegesteenten geleerd heeft (35) én uit eene studie van de kaarten der verschillende topographische expeditiën door het Surinaamsche binnenland - aan de diorieten en andere basische stollings-gesteenten bij het tot standkomen van breede, aan eilanden rijke gedeelten in den bovenloop der rivieren van Suriname een grootere rol toe te kennen dan aan de granieten.

Aan het slot van dit overzicht, dat ten doel heeft, een algemeen denkbeeld te geven omtrent den bouw en de samenstelling van Suriname's bodem, en dat uit den aard der zaak verre van volledig kan zijn, mogen nog enkele woorden gewijd zijn aan merkwaardige verschijnselen, die het onderzoek der Surinaamsche stollingsgesteenten aan het licht hebben gebracht, en de oorzaak zijn van de boven reeds aangestipte moeielijkheden, die zich bij eene begrenzing op het terrein van de archaeische schiefers en de door deze heen gebroken stollingsgesteenten voordoen.

De archaeische schiefers van Suriname vertoonen, zooals bij de behandeling van de gesteenten uit dit tijdvak werd opgemerkt, doorgaans een steilen, somtijds vertikalen stand, waaruit blijkt, dat algemeene, sterke storingen in de oorspronkelijke ligging hebben plaats gehad. Deze storingen werden niet minder duidelijk door het microscopisch gesteenteonderzoek aangetoond, dat vooral bij biotietgneiss en sillimannietgneiss (39, 59) de merkwaardigste dynamometamorphe verschijnselen aan het licht bracht.

Nog merkwaardiger zijn de veranderingen, die de stollingsgesteenten door drukwerkingen hebben ondergaan, daar zij zich niet slechts bepalen tot wijzigingen in structuur en samenstelling van het gesteente, die aan het bloote oog ontsnappen, doch dikwijls zoover gegaan zijn, dat uit een zuiver massaal gesteente een duidelijk geschieferd gesteente ontstond, dat bijv. uit een graniet met eene richtingslooze samenvoeging der mineraalbestanddeelen, een volkomen op gneiss gelijkend gesteente geboren werd. Rosenbusch heeft zulke massale gesteenten, die door dynamometamorphose eene geschieferde textuur hebben verkregen ‘orthoschiefers’ genoemd in tegenstelling van ‘paraschiefers’, die oorspronkelijk laagsgewijs zijn afgezet, doch door druk een secundaire schiefering hebben aangenomen, die men drukschiefering heeft genoemd.

In Engelsch Guyana werden door Brown en Sawkins herhaaldelijk geschieferde granieten, z.g. orthogneissen als echte gneissen bepaald, tengevolge waarvan eene scherpe begrenzing der granietformatie en de werkelijke archaeische terreinen op hunne kaart niet mogelijk is (14). Dezelfde moeilijkheden deden zich in het district Nickerie voor, zoodat gesteenten, die op het terrein als biotietgneiss bepaald werden, later gedrukte granieten bleken te zijn, of ook wel hoornblendegneissen tot de diorieten en pyroxeengneissen tot de gabbros bleken te behooren. (49, 50)

Doch ook in die gevallen, waarin de drukwerking of de kataklase niet tot een duidelijke schiefering voerde, is de oorspronkelijke structuur der stollingsgesteenten steeds meer of minder verloren gegaan. Zoo goed als geen enkele graniet, die miscroscopisch nauwkeurig werd onderzocht, bleek aan den invloed

[p. 13]

van den druk ontkomen te zijn. Het kwartsbestanddeel vortoonde dezen invloed het fraaist, ja zelfs kan men de mate, waarin het gesteente aan den daarop uitgeoefenden druk heeft toegegeven, uit de verschijnselen, die onder gepolariseerd licht bij dit mineraal optreden, afleiden. Gedeeltelijk vertoont de kwarts unduleuse uitdooving, veelal in den vorm van ‘Streifenquartz’, gekenmerkt door een verdeeling in smalle, langgerekte, bochtig begrensde, evenwijdige strooken, die in verschillende standen uitdooven. Vergruizing van de kwarts had plaats, wanneer de spanning een zeker hoogtepunt overschreed. Andere minerale bestanddeelen werden door den druk vervormd, - zooals glimmerplaatjes, die gebogen werden, veldspaathkristallen, die in enkele groote stukken werden gebroken - of de samenstellende elementen zijn gedeeltelijk in elkander gedrongen, gedeeltelijk zoodanig vergruisd, dat verwarde aggregaten zijn gevormd en de oorspronkelijke korrelgrootte van het gesteente er belangrijk door verminderd is geworden. In enkele gevallen zijn zelfs mineraalomzettingen van den druk het gevolg geweest, zooals de vorming van mikroklien uit orthoklaas of het ontstaan van chloriet uit vergruisde biotiet enz. (39, 47, 49, 50, 54).

De meeste diorieten en gabbros, die microscopisch werden onderzocht, vertoonen dezelfde veranderingen door drukwerking, hetgeen niet te verwonderen is na hetgeen boven werd gezegd over de betrekking dezer gesteenten tot de granieten van het Nickeriedistrict. In enkele gevallen, zooals bij een dioriet van den Blanche Marieval, is deze druk zóó hevig geweest, dat alle elementen totaal vergruisd zijn, en hunne omtrekken geheel zijn uitgewischt. Bij de gabbros en de diorieten is ook de hyperstheen niet aan den invloed der drukwerking ontkomen, evenmin bij de gabbros de diallaag, die in sommige gevallen in allerlei richtingen gebogen is, of in fijne deeltjes vermorzeld is, die strooken vormen om de uitgerekte veldspaathkristallen heen. Evenals bij sterkgedrukte granieten is de korrelgrootte van enkele onderzochte diorieten en gabbros door druk belangrijk kleiner geworden. (50)

Langer kan bij deze merkwaardige verschijnselen niet worden stilgestaan. Het voorafgaande moge voldoende zijn, om de overtuiging te vestigen, dat ook na de uitbarsting der granieten, diorieten en gabbros aanzienlijke samenschuivingen hebben plaats gehad, die evenals dit met de archaeische schiefers het geval is geweest, op de structuur en de samenstelling der genoemde stollingsgesteenten belangrijken invloed hebben uitgeoefend. Of deze drukwerkingen zich ook tot de diabaasgesteenten hebben uitgestrekt mogen nadere onderzoekingen leeren. Juist van de gesteenten, welke als diabaas werden bepaald, bezitten wij niet die uitvoerige petrographische beschrijvingen, welke van tal van granieten, diorieten en gabbros zijn gegeven, en die ons met tektonische veranderingen in het gebied dier stollingsgesteenten bekend hebben gemaakt. Wanneer het vermoeden, in strijd met de boven vermelde meening (14) mocht worden bevestigd, dat de diabasen tot dezelfde eruptieperiode behooren, zullen ook zij wel niet van den invloed der drukwerkingen zijn vrij gebleven.

Hoe groot de invloed van drukwerkingen op de Surinaamsche stollingsgesteenten is geweest, moge blijken uit eene meening, die in den laatsten tijd is uitgesproken en die nagenoeg alle geschieferde gesteenten in onze kolonie wil terugvoeren tot contactof dynamometamorphe werkingen, zoodat bijna het gansche bergterrein van Suriname tot de z.g. oergraniet-gneissformatie (53, 55) gebracht zou moeten worden. Onderzoekingen van competente petrographen (39, 50) hebben echter geleerd, dat al mogen vele schiefers blijken te behooren tot gedrukte stollings gesteenten en al mag voor ieder stollingsgesteente zijn geschieferde verwante in de kolonie terug te vinden zijn, niettemin de oudste vormingen in het Surinaamsche bergland blijven: de archaeische schiefers, en dan zal het wellicht uit nauwkeuriger en meerdere gegevens dan die, welke ons de vele expeditiën in de zuidelijke deelen onzer kolonie gebrachthebben, blijken, dat deze schiefers er op meer plaatsen de bodemoppervlakte samenstellen, dan we nu weten.

Wanneer wij, bij gebrek aan de noodige gegevens ten opzichte van Suriname, afgaan op hetgeen aangaande de archaeische terreinen van andere landen is vastgesteld kunnen worden, waar liggingsbetrekkingen met jongere, fossielen bevattende gesteenten niet gemist worden, dan heeft de oprichting van de archaeische lagen reeds vóór het begin van het palaeozoische tijdvak plaats gehad, en hebben zij ook in latere perioden nog den invloed ondervonden van de contractie van de zich voortdurend afkoelende aarde. De granieten, en zooals boven getracht is aan te toonen, ook de diorieten en de gabbros, zouden dan gedurende de steenkool- of carbonische periode tot uitbarsting zijn gekomen. De boven vermelde meening omtrent den vermoedelijken ouderdom van een aantal contactmorphe sedimentgesteenten in het Coppename- en het Marowijne-dal, die èn om hunne ligging ten opzichte van de archaeische gesteenten èn naar aanleiding eener overeenkomst met palaeozoische gesteenten van Europa en Zuid-Amerika, voor palaeozoisch werden verklaard (39), zou dus ook voor Suriname de genoemde ouderdomsbepaling der genoemde stollingsgesteenten helpen bevestigen.

Hebben nu in latere perioden ook nog uitbarstingen plaats gegrepen, zooals voor de diabaasgesteenten van Suriname door sommigen wordt aangenomen (14)? Onmogelijk is dit zeker niet, want ook na den palaeozoischen tijd moeten in het Surinaamsche bergland de tektonische storingen hebben voortgeduurd, die tot spleetvormingen en verglijdingen aanleiding gaven, en die tot het naar boven dringen van gloeiend vloeibaar materiaal kunnen hebben geleid.

Dat nog in de jongste perioden der aardgeschiedenis gloeiende magmas aan of nabij de oppervlakte van het door de erosie reeds sterk ontbloote oude bergterrein gestold moeten zijn, kunnen ons de weinige andesietgesteenten leeren, die de laatste onderzoekingen aan het licht hebben gebracht, en die, gelijk bekend, tot de jongvulkanische gesteentegroep behooren. Op den Lombokval in de Boven-Nickerie treedt andesiet als een door de merkwaardige verweering in kleine vierkante blokjes duidelijk te vervolgen gang in biotietgneiss op (49). Een ander andesietisch gesteente werd verzameld in de bedding der Tapanahoni, ten westen van Manlobbi, waar het door een kalkzandsteen schijnt te zijn heengebroken (47). Behoort deze zandsteen wellicht tot de krijtzandsteen van Venezuela en Britsch Guiana?

Hoe weinig wij nog aangaande de bodemgesteldheid van het uitgestrekte gebied, dat wij reeds meer dan 200 jaar onze kolonie noemen, weten, blijkt hieruit voor de zooveelste maal, en in hooge mate moet het zeker betreurd worden, dat gedurende de zeven expeditiën, die na 1900 de binnenlanden van Suriname hebben verkend, het onderzoek naar de bodemgesteldheid zoo schromelijk verwaarloosd is

[p. 14]

geworden en dat het eenige, wat in deze richting op de maandenlange tochten gedaan is, is geweest het bijeenbrengen door niet met de geologie vertrouwde personen van nog geen 500 gesteentemonsters, verzameld op doorgaans zeer ver uiteenliggende punten van een gebied, dat 4 maal zoo groot als Nederland is.

Het is een groote fout geweest, al deze expeditiën door een land, waarin zoo moeilijk kan worden doorgedrongen en dat wel vooreerst voor wetenschappelijk onderzoek zal gesloten blijven, als ouderwetsche ‘Messungsexpeditionen’ uit te rusten. Deze tochten mogen de geographische en topographische gesteldheid van het uitgestrekte binnenland in grove trekken hebben vastgelegd, niettemin hebben zij zoo goed als niets bijgedragen tot eene kennis van de geologische verschijnselen, die de oppervlaktegedaante des bodems in het door haar bereisde, uitgestrekte gebied in het leven hebben geroepen. Niet alleen uit zuiver wetenschappelijke overwegingen, doch ook in het belang der economische ontwikkeling der kolonie had iedere gelegenheid aangegrepen moeten zijn, om kennis te verzamelen aangaande de bodemgesteldheid, vooral daar, waar de overheerschende bodemformatie verwachtingen grondt op minerale voortbrengselen.

Het feit, dat de huronische schieferformatie de groote minerale schatkamer van Brazilië wordt genoemd en dat het algemeene gesteentekarakter der kristallijne schiefers van Brazilië en Suriname hetzelfde is (14), mag ons met meer dan gewone belangstelling voor de geologische gesteldheid onzer kolonie vervullen.

Het goud is sedert 1874, toen het in onze kolonie ontdekt werd, voor Suriname van groote beteekenis geworden. Het feit, dat de meeningen omtrent den geologischen oorsprong van dit metaal in onze kolonie nog zeer uiteenloopen, mag alleen reeds het groote belang van geologische waarnemingen in het Surinaamsche bergland in het licht stellen.

Doch wegens de overeenstemming met Brazilië mogen wij met grond ook een aantal andere nuttige mineralen in onze kolonie verwachten. Toch is deze verwachting tot hiertoe teleurgesteld geworden en wordt door mijnbouwkundigen het voorkomen van andere delfstoffen in ontginbare hoeveelheid betwijfeld (46). Wel werd in het alluvium bij Carolina aan de Surinamerivier loodglans gevonden, wel is het voorkomen van diamanten, die men in de kreekaanslibbingen reeds lang vermoedde, sedert eenige jaren een feit geworden, wel zijn er omtrent de aanwezigheid van kwikerts uit het gebied der Marowijne berichten tot ons gekomen - doch deze ontdekkingen schijnen geen hoop op toekomstige ontginningen te geven.

Wel spelen ijzerrijke laterieten, vooral in het gebied der basische stollingsgesteenten een groote rol, doch de verspreiding alleen aan de oppervlakte en de sterke en spoedige vermindering van het ijzergehalte naar de diepte doet van eene ontginning in de toekomst weinig verwachten. Tot nu toe kan men alleen van de veelvuldig voorkomende banken van de zuiverste porceleinaarde in het gebied der zure stollings gesteenten met zekerheid zeggen, dat zij eenmaal een rol zullen spelen in de economische ontwikkeling der kolonie.

Litt:

1.Robert Hermann Schomburgk's Reisen in Guiana und am Orinoko während der Jahre 1835-1839. Herausg. von O.A. Schomburgk. Mit einem Vorworte von A. von Humboldt. Leipz. 1841.
2.Bemerkung über Gold und Gebirge von Guyana. Aus Amsterdamer Blättern. Neues Jahrb. f. Min. 1852.
3.F. Voltz. Briefe. Neues Jahrb. f. Min. 1853.
F. Sandberger. Mittheilung eines Briefes von Voltz in einem an Bronn gerichteten Schreiben. (Neues Jahrb. f. Min. Stuttgart 1853.)
4.C.A. van Sypestijn. Beschrijving van Suriname. 's Grav. 1854.
5.W.C.H. Staring. Iets over de geologische gesteldheid van Suriname. Alg. Konst- en Letterb. 1854 en 1855.
6.Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis. Verslag eener reis van het Nickerie-Punt (Nieuw Rotterdam) naar de Boven-Nickerie, enz. Tijds. v. Staathuish. en Stat. XII. 1855.
7.Bijdragen tot de bevordering der kennis der Nederlandsche W.-I. koloniën. Tijds. West-Indië. I 1855, blz. 153, 312, II, 1858, blz. 69.
8.Brown and Sawkins. Reports on the physical, descriptive and economical geology of British Guiana. London 1875.
9.G.P.H. Zimmermann. Beschrijving van de rivier ‘de Suriname’. T.A.G. II, 1877, 342.
10.Ch. Vélain. Notes géologiques sur la Haute - Guyane d'après les explorations du Dr. Crèvaux. Bull. Soc. géol. d. France. 1879. 3e serie VII, 1881.IX.
11.Prince Roland Bonaparte. Les Habitants de Suriname. Notes recueillies à l'expos. Colon. d'Amsterdam en 1883. Paris 1884.
12.W.L. Loth. Een weg van Brokopondo tot de Pedrosoengoe-vallen (T.A.G. III, 1879, 159, 332). Een weg van de Tempatiekreek naar de Suriname (ald. IV, 1880, 250). Opneming van de Boven-Saramacca enz. (ald. V. 1881, 10).
13.M. Ch. Vélain. Exquisse géologique de la Guyane Française et des bassins du Parou et du Yari. D'après les explor. du Dr. Crévaux. (extrait du Bull. d.l. Soc. d. Géogr.; 4e Trim. 1885.) Par. 1886.
14.K. Martin. Bericht über eine Reise nach Niederl. West-Indien und darauf gegründete Studien. Leiden 1888. II, 141-218. Met geologische kaart.
15.J.H. Kloos. Untersuchungen über Gesteine und Mineralien aus West-Indien. Samml. d. geol. Reichsmus. zu Leiden. Serie II, Band I.
16.M.M. Schepman. Bijdrage tot de kennis der Molluskenfauna van de schelpritsen van Suriname. Samml. des geol. Reichsmus. in Leiden. Serie II, Band I.
17.K. Martin. Aanteek. bij eene geognostische overzichtskaart van Suriname. T.A.G. Versl. en Aardr. Med. 2e Ser. V. 1888, 444; Neues Jahrb. f. Min.; 1889, II.
18.G.A.F. Molengraaff. Nationale belangen in West-Indië verwaarloosd. (Vr. v.d. dag. 1892.)
19.F.W. van Eeden. Een verwaarloosd erfdeel. (Bull. Kol. Mus. Maart 1896.)
20.L.C. van Panhuys. Iets over de Marowijnerivier en hare geschiedenis. (Bull. Kol. Mus., Maart 1896).
21.Granger. Gold in the Guyana's. Notes Trans. Amer. Inst. of M.E. 1896.
22.S.J.A. Churchill. Report on the goldindustry of Dutch Guyana. London. 1897.
23.R.W. Raymond. Note on limonite pseudomorphs from Dutch Guiana. Am. Inst. of M.E. 1898.
24.H.D. Benjamins. Bespr. van The Goldfields of Surinam. A journal of general information. Paramaribo 1897. en van Vosmaers' brochure ‘Suriname het goudland der toekomst’. (T.A.G. XIV. 1898, 299, 302.)
25.L. Hennecke. Goldwinning in Niederl. Guyana. Berg-Hütten und Salinenwezen. 1898.
26.E.E. Lungwitz. Ueber die regionalen Veränderungen der Goldlagerstätten. Dissert. Rostock 1899
[p. 15]
27.C. van Drimmelen en H. van Cappelle. De Boven-Nickerie. T.A.G., XVI, 1899, I.
28.H. van Cappelle. De Bodem van West-Indië, in Cat. der Ned. W.-I. Tentoonst. te Haarlem in 1899. Amst. 1899.
29.K. Martin. Bref aperçu de la géologie des Indes occidentales Neerlandaises. Expos. univ. à Paris. 1900. Extr. du guide à travers la section des Indes Néerl. 1900.
30.E.E. Lungwitz. Die Goldseifen von British Guyana. Zeitschr. f. pract. geol. 1900.
31.H. van Cappelle. Bijdrage tot de kennis der Cultures in Suriname. Amsterdam. 1901. Hierin eenige mededeelingen over plantagegronden.
32.H. van Cappelle. Mededeel. over den tocht naar de Binnenlanden van het distr. Nickerie. Hand. v.h. Nat. en Geneesk. Congres in 1901.
33.G. Du Bois und A.P. Langenheim. Surinam und seine Goldfelder.(Süd-Afrik. Wochenschr., Jhrg. 7 en 8. Nos. 358, 372, 375, 378 en 379; 1901.
34.A. Rehwagen. Die Goldfelder von Surinam. Berg- und Hüttenm. Zeitung. 1901.
35.G.C. Du Bois. Geologisch-bergmännische Skizzen aus Surinam. Freiberg 1901. Mit geol. karte.
36.De expeditie van Cappelle naar Suriname's Binnenland. T.A.G. XVIII, 1901, 80; en Bericht in Geol. Centralblatt I, 1901.
37.H. van Cappelle. De Binnenlanden van het distr. Nickerie. Met een kaart, platen en afb. Baarn. Holl.-drukk. 1901.
38.G.A.F. Molengraaff. Korte determinatie der gesteenten, medegebracht door de Coppename-expeditie. (T.A.G. XIX, 1902).
39.W. Bergt. Zur Geologie des Coppename-und Nickerietales in Surinam. (Samml. d. geol. Reichsmus. zu Leiden. Serie 2, II, 2, Leiden 1902).
40.J.M. van Bemmelen. Onderzoek van eenige grondsoorten uit Suriname. Alluviale klei en lateriet. Landbouwk. Tijdschr. Groningen 1903.
41.G.C. Du Bois. Beitr. zur Kenntniss der Surinamischen Laterit- und Schutzrindenbildungen. (Tschermak's Miner. und petrogr. Mitt. XXII. Heft I. 1903.)
42.C. Moerman. Verslag van het voorloopig onderzoek van de gesteentemonsters der Saramacca-Expeditie. (T.A.G. XXI. 1904, 1059).
43.C.J. van Loon. Rapp. over de exploratie van het Lawagebied. 's Grav. Alg. Lansdr. 1904.
44.J.M. van Bemmelen. Beitr. zur kenntn. der Verwitterungsprodukte der Silikate in Ton-, Vulkanischen und Laterit-boden. Zeitschr. für Anorg. Chemie. Hamburg. XLII, 1904.
45.H. van Cappelle. Au travers des forêts vierges de la Guyane hollandaise, contenant 1 carte, 20 planches et 60 gravures. Baarn, Imprimerie Hollandia et Paris, Librairie polytechn. Ch. Béranger, Ed. 1905.
46.E. Middelberg. Rapport betreffende het kleinbedrijf in de goudindustrie in de kolonie Suriname. 's Grav. 1905.
47.A. Thie. Verslag van het voorloopig onderzoek van de gesteente-monsters der Tapanahoni-expeditie. T.A.G. XXII, 1905, 993.
48.H.N. Duyfjes. Verslag van het voorl. onderzoek van de gesteentemonsters der Gonini-expeditie. T.A.G. XXII. 1905, 1011.
49.H. van Cappelle. Essai sur la constitution géolog. de la Guyane holl. (Distr. occidental) Met een geognost. kaart. Baarn, Holl. drukk. en Parijs, Librairie polytechnique, Ch. Beranger. 1907.
50.E.H.M. Beekman. Description des roches de la Collection du Nickerie. Bijvoegsel van het vorige geschrift.
51.E. Middelberg. Verslag over het onderzoek naar goud in het Lawagebied. Bijlage van het Kol. Verslag. van Suriname, 1907.
52.J.A. Polak. Historisch overzicht van de goudindustrie in Suriname. 's Grav. 1908.
53.E. Middelberg. Geologische en technische aanteekeningen over de goudindustrie in Suriname. Amst. 1908.
54.J.A. Grutterink. Beschrijving der gesteenten, verzameld tijdens de Toemoek-Hoemak Expeditie. (T.A.G. XXV, 1908, 1130.)
55.J.B. Harrison. The geology of the Goldfields of British Guyana. Lond. 1908.
56.J.N. Verloop. Die Goldlagerstätten des Guyana Gold Placer's. Ein Beitr. zur Geologie von Surinam. Verh. d. naturf. Ges. in Basel. 1909.
57.G. Duyfjes. Onderzoek van gesteenten, verzameld bij den dienst der Mijnexploratie van Gouv. wege in Suriname, enz. Kol. versl. II Suriname (supplement). 1910.
58.L. Fraser. Origin of the placer gold of Guyana. Mining and Sc. Press. 1910.
59.J.H. Verloop. Gegevens over de goudindustrie in Suriname. Geologie, Techniek, Hygiène. Hilversum. 1910.

H.v.C.

II. Nederlandsche Antillen*).

De Antillen vormen een guirlande van hier divergeerende, daar convergeerende bogen. Zij sluiten aan bij de gebergten van Mexico, welke dit land in zijn volle lengte doorloopen om in Honduras en Nicaragua eerst een oostelijke en daarna een noordoostelijke richting aan te nemen. Hun onderzeesche voortzettingen werden door de diepzeeonderzoekingen van de Challenger, de Blake (1874-'78) en de Albatros (1884) onthuld. Deze omsluiten de Bartlett diepte (maximaal-6169 m.) en verloopen beiden in oostelijke richting, de een van de noordkust van Honduras naar Jamaica, de ander vanuit Britsch Honduras over Misteriosabank en de Kaaimaneilanden naar kaap Cruz op Cuba. De Antillen vormen het geologisch verband van Noord- met Zuid-Amerika, niet de landengte van Panama, die naast vulkanen en hunne tuffen slechts uit jonge tertiaire afzettingen bestaat. Vooral de zeekaart, die Spencer (6) toevoegde aan zijn artikel: ‘Drowned valleys of the antillean lands’ toont dit vroeger verband van de Caraïbische zee met den Grooten Oceaan. Blijkens deze kaart wortelen de Antillen in een onderzeesch plateau van c.a. - 1000 m. dat westelijk en oostelijk spoedig op diepten van 3000 en 4000 m. afvalt. Men vergelijke ook de kaart van de Montessus de Ballore (5). In deze voormalige landbrug nu, komen wel lagen voor die ouder zijn dan het tertiair. Vele Antillen vertoonen denzelfden bouw als de kustcordilleeres van Venezuela. Op een eruptiefkern, die wellicht actief aan de opheffing van de keten heeft deelgenomen, rusten zandsteen en conglomeralen, waar bij een kenmerkende breccie, de blue beache, die een groote verspreiding bezit en zich b.v. in het zuidelijk kustgebergte van Cuba vertoont als een breccie welker bindmiddel uit donkeren dioriet of diorietporfier bestaat (7). Hierop liggen marine cretaceïsche cedimenten; tijdens de krijtperiode waren de eilanden dus nog niet boven water verrezen. Er vormden zich kiezellei, zandsteen, mergel, conglomeraat en

[p. 16]

kalksteen (rudistenkrijt). Langzamerhand traden dus strandvormingen op. Men vergelijke de kaart van H. Karsten(3). Marine tertiaire sedimenten ontwikkelden zich op de toen nog ondergedompelde deelen en ook deze zijn thans over groote uitgestrektheid aan de oppervlakte verrezen. In aansluiting met deze tertiaire kalken vormden zich de quartaire koraalriffen welke thans hier en daar hoog boven den zeespiegel geheven zijn. Echter komen de petrefacten daarin allen met de meest gewone nog levende vormen overeen, waardoor een afscheiding van de jongste rifvormingen zeer bemoeilijkt wordt (4) p. 80).

De opheffing verliep met verschillende schommelingen, welke Spencer (6) p. 131) getracht heeft graphisch weer te geven. Perioden van sterke verheffing noteert hij uit plioceenen en pleistoceenen tijd. Het was gedurende de laatste opheffingsperiode, dat een lang aanhoudende landverbinding ontstond tusschen Noord- en Zuid-Amerika, die velen diervormen vergunde van het eene continent naar het andere te komen. Zoo vond men in holen op Anguilla en waarschijnlijk ook op St. Martin resten van knaagdieren, Amblyrhiza(2), die te groot waren om op zulke kleine eilanden eenigszins bestendige te typen vormen. Deze weg werd het eerst zuidelijk van St. Barthélemy onderbroken, want de landslakkenfauna van de noordelijke Antillen tot en met dit eiland komt volgens Theod. Bland (1) met die van Centraal-Amerika overeen, terwijl op de zuidelijke Antillen vanaf Antigua, Zuid-Amerikaansche vormen huizen. Een diepe voor doorploegt thans het voormalig Antillenplateau zuidelijk van de Virginische eilanden, waar we diepten van 5000 m. aangegeven vinden. Deze vormt de hedendaagsche scheiding tusschen beide continenten, wat zich ook daarin weerspiegelt, dat de noordelijke eilanden thans rijzen en de bovenwindsche eilanden zuidelijk van deze grenslijn dalen.

Litt. 1. Th. Bland ‘On the geogr. distribution of the gen. and spec. of landshells of the W. Ind. Islands.’ Ann. Lyc. Nat. History New-York VII p. 355, X p. 311. - 2. E.D. Cope ‘On the contents of a bone cave in the island of Anguilla’. Smithsonian contributions to knowledge, Wien XXV Art. III. - 3. H. Karsten ‘Géologie de l'ancienne Colombie Bolivarienne: Vénézuéla, Nouvelle-Grenade et Ecuador’. Berlin 1886. - 4. K. Martin ‘Bericht über eine Reise nach Niederl. West Indiën und darauf gegründete Studiën.’ Leiden 1888. - 5. F. de Montessus de Ballore ‘Les tremblements de terre.’ Paris 1906. - 6. J.W. Spencer ‘Drowned valleys of the antillean lands.’ Bulletin of the geological society of America, Vol. 6. p. 103-140, 1895. - 7. E. Suess Antlitz der Erde. I p. 702. -

De benedenwindsche eilanden.

Deze bezitten slechts uiterst zwak seismisch karakter, dat volgens deMontessus deBallore (10) p. 370 all. 4) grootendeels nog te wijten is aan bevingen die van het vaste land uitgaan. In bouw komen ze volgens Sievers (12) p. 41) overeen met het schiereiland Paraguana en den Sierra Nevada de Santa Marta, doch verschillen van Coro. (p. 44). Hij vermoedt (p. 43) dat er vroeger een landverbinding bestond tusschen den Sierra Nevada de Santa Marta, Goajira, Paraguana, de Curaçaogroep en de eilanden voor de kust van Venezuela over Orchila tot Blanquilla. In cretaceischen tijd werd deze rug gezamelijk met het noordelijk deel van Zuid-Amerika door de zee overstroomd en zetten zich marine sedimenten af evenals op de andere Antillen. Thans verkeert de Curaçaogroep in een periode van rijzing, zooals blijkt uit de brandingsterrassen die deze eilanden omgeven en vooral op Curaçao regelmatig ontwikkeld zijn. Het onderste terras 3-5 m. hoog omgeeft bijna ononderbroken alle drie eilanden. Of alle terrassen op Aruba, Curaçao en Bonaire met elkander correspondeeren, dus deze eilanden ook thans geologisch één geheel vormen is niet met zekerheid uitgemaakt. Elk der eilanden bezit een oude eruptiefkern aan welker opbouw, naast diverse varieerende gesteenten, diabaas een groot aandeel neemt. Terwijl op Bonaire steeds korrelige diabaas optreedt, heerscht op Curaçao en Aruba een dichte variëteit. Op deze stollingskernen rusten sedimentaire gesteenten, wier ouderdom Martin uit het daarin voorkomen van fragmenten van rudisten op Curaçao, als cretacëisch kon vaststellen. Gesteenten uit deze formatie werden ook op Bonaire met groote waarschijnlijkheid aangetoond, doch op Aruba slechts onzeker. Vaak echter rusten direct op de erosieproducten der stollingsgesteenten jongere rifkalken die anders discordant op het krijt volgen. Deze volgens Martin quartaire kalksteen wigt landwaarts uit, zooals in Rooi Cachoentie (Aruba) te rien is. De koraalkalk is aan de steile zeezijde van de S. Grandi (Bonaire) 15 m. dik, in de 24 m. hoog de Playa Frans gelegen heuvels 4,5 m. en in den 45 m. hoogen Wazal vaak slechts 1,5 m. Zij rust hier overal op een conglomeraat, dat aan de binnenzijde van den S. Grandi 1 m. en in den Wazal 2 m. dik is.

Zij werd dus tegen een hellenden bodem afgezet en niet door plooiing in dien stand gebracht. In overeenstemming daarmede vinden we de koraalstokken nog rechtstandig in de geheven riffen terug. Waar de groeiomstandigheden ongunstig waren, vormden de koralen slechts een mantel op den hellenden ondergrond en eerst bij gunstigen groei vereffenden zij zich aan den waterspiegel. Nergens worden levende koralen aangetroffen waar slik en afval het water verontreinigt. Hier wordt hun bestaan eerst voorbereid door conchylien en kalkalgen. Verder schenen de Astraceën volgens Martin meer aan de loefzijde te heerschen, terwijl aan de lijzijde naast Astraceën andere koralen en conchyliën optraden.

Phosphorzure ammoniak, -kali en -natron11), uitgeloogd uit de guano (8) die den kalksteen overdekte, drongen in dezen laatsten en veranderden hem in calciumphosphaat, denphosphoriet. Hier en daar werden de wanden van holten door het regenwater met deze zouten beladen, vaak op genoemde wijze veranderd. Op andere plaatsen traden oplossingen van phosphorzure zouten met opgelost calciumcarbonaat in wisselwerking, waarbij phosphoriet neersloeg, die dan te herkennen is aan een hoog phosphorzuurgehalte en een dichte structuur, terwijl hij gaarne holten in horizontale lagen vult. Ten slotte deden kleine zoogdieren, vleermuizen, ratten en konijnen in holen (thans als pockets bekend) eveneens phosphaat ontstaan.

De kalksteen is sterk gekliefd. Het regenwater dat niet direct (soms in woeste stroomen) naar zee gutst, zakt daardoor spoedig weg om tusschen eruptief- en sedimentairgesteente door langzamerhand toch naar zee te vloeien. Waar een brandingsterras genoemde grens aansnijdt, treedt een bron op. Ook gegraven putten ontleenen hun water aan deze grenslaag.

Litt: 1. M. Bauer, Ueber einige Diabasa von Curaçao. Neues Jahrbuch für Mineralogie etc. Band. II p. 140; 2. H. Karsten, Uber die geogn. verhältnisse des westlichen Columbien. Verh. d. Versamml. deutscher Naturforscher u. Aerzte Wien 1856, p. 83 en 85; 3. H. Karsten, Geologie de l'ancienne Columbie Bolivarienne, etc., Berlin 1886, p. 9 ff. en p. 48; 4. J. H-Kloos, Untersuchungen über Gesteine und Minera.

[p. 17]

lien aus West-Indien. Samml. d. geol. Reichs-Museums Leiden, Ser. II, Bd. 1, p. 1-110, 1886; 5. H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. Leiden 1904; 6. A.J. van Koolwijk, Bronnen v. mineraal-water op Aruba. T.A.G. Reeks, 2, deel I, p. 600, 1884; 7. A. Krämer. Curaçao, nebst einigen Bemerkungen über eine westindische Reise. Globus Bd. XC, Nr. 19, Brauwschweig, 22 Nov. 1906; 8. K. Martin. Bericht etc. Leiden 1888; 9. G.A.F. Molengraaff. Tijdschr. v. Ned.-Indië 1893, I p. 232; 10. F. de Montessus de Ballore. Les tremblements de terre. Paris 1906; 11. Sandberger, N. Jahrb. f. Min. etc. 1864, p. 631; 12. W. Sievers. Zweite Reise in Venesuela in den Jahren 1892/93. Mitt. d. geogr. Ges. in Hamburg, Bd. XII; 13. G.J. Simons, Beschrijving v.h. eil. Curaçao. Oosterwolde 1868; 14. G.P. Wall. On the geology of a part of Venezuela and of Trinidad’ Quart. Journ. Geol. Soc. London. Vol. XVI, p. 460, 1860; 15. Versl. Kon. inst. v. Ing. 1889-90, p. 62; 16. T.A.G. serie 2, 22, p. 808, 1905.

Aruba.

Zien we voor een oogenblik van de jongste rifkalken af, dan kunnen we op Aruba drie gedeelten onderscheiden. Het hoogste, middengedeelte van het eiland, wordt ingenomen door een disbaasmassief van driehoekige gedaante, dat een hoekpunt naar het Spaansch lagoen keert en met een breede basis (van Matevidiro tot nabij Fontein) aan de noordkust eindigt, waar het op vele plaatsen in zee uitloopt of anders slechts door een smallen zoom van quartairvormingen is bedekt. Het noordwestelijke deel wordt geheel ingenomen door kwartsdioriet, waarop slechts hier en daar en wel vooral aan de noordwestpunt kleine stukjes quartairkalk rusten. Het zuidoostelijk deel toont hoofdzakelijk quartairkalk. Slechts hier en daar, vooral aan de zuidoost-punt, duiken kopjes van kwartsdioriet op en doen vermoeden dat deze ook voor dit gedeelte den ondergrond vormt.

De jonge rifkalken worden in een breeden zoom aan de zuidzijde van het eiland aangetroffen, welke band aan denoordkust slechts smal en over grooten afstand zelfs onderbroken is.

Het diabaasmassief vormt de eenige berggroep van Aruba. De hoogste toppen (Ariekok 176 m.) en Jamanota 188 m.) zijn in het zuidwesten daarvan gelegen. Van hieruit loopen eenige ruggen onregelmatig radiaal door het massief. Deze zijn door erosie ontstaan. De ingesneden dalen hellen noordwaarts flauwer dan zuidwaarts. De scheidende ruggen worden door nog ondieper dalen in afzonderlijke tot 30 m. hooge kopjes verdeeld. Aan de noordkust doorploegen de dalen het strand of eindigen blind, door duinen gesloten. Het voornaamste ravijn aan de zuidzijde is gericht naar het Spaansch lagoen, terwijl de andere hier slechts in flauwe puinkegels op het lage plateauvormige diorietmassief eindigen. Twee diepe kloven, Rooi Para boesté en Rooi Cachoentie zijn noordoostwaarts, Rooi Fluit noordwaarts gericht.

Deze diabaas is een kleinkorrelig tot dicht, zelden grofkorrelig (bij Fontein), donkergroen gesteente, dat volgens Kloos (4) geheel met dat van Curaçao overeenkomt. Onder het microscoop ziet men daarin fijne augietkorrels tusschen veldspaathlijsten liggen. Soms is de angiet geuralitiseerd. In dergelijke diabasen treft men nu en dan nog resten van augiet aan; nog zeldzamer onveranderde angietkorrels. Het uralitiseeren leverde geen extra erts. Dit laatste komt op dezelfde wijze voor als in den onveranderden diabaas. Het verschijnsel schijnt in verband te staan met de nabijheid van den kwartsdioriet, want men treft dergelijke uralitieten aan in den top van den Jamanota, bij Mira la Mar (ook als rolsteen in de kloof van Mira la Mar), bij Chetta aan den voet van den Arie Kok. Al verschillen deze uralitieten ook eenigszins in korrelgrootte en structuur, toch doen zij zich kennen als donkere dichte gesteenten zonder eenige parallestructuur. De dichte varieteiten kunnen makroscopisch niet van den gewonen diabaas onderscheiden worden. Mikroscopisch ziet men hoornblende zonder eigen vorm de ruimten tusschen de plagioklaaslijstjes vullen. Hij is duidelijk pleochroîtisch (geel tot blauwgroen). Plaatselijk komt ook epiodot voor en nu en dan een kwartskorrel (met vloeistof insluitingen). Door verkitting van diabaas-rolstukken is hier en daar een diabaas-conglomeraat ontstaan, zoo nabij Fontein (niet geuralitiseerd) en op den top van den Jamanota (geuralitiseerd in over-eenstemming met den diabaas van Mira la Mar). De brokstukken verweeren eerder dan