|
|
|
| |
| | | |
A.
| | | | | |
Aalscholver.
Zie PHALACROCORAX.
| | | |
Aardappelen.
In Suriname is de teelt, ten gevolge van de warmte, nooit gelukt; aardappelen worden voor het grootste gedeelte uit Nederland in de koloniën ingevoerd. Een enkelen keer uit Madera en andere oorden. De waarde van den invoer was in 1912 voor Suriname ƒ87343 en voor de kolonie Curaçao ƒ22807. Op het eiland Saba worden aardappelen geteeld; de totale uitvoer bedroeg in 1908, 1909, 1910 en 1911 resp. 4465, 33.259, 2365 en 31.250 K.G. Voor St. Martin vinden wij in 1908 een uitvoer van 1600 K.G. Saba heeft ieder jaar versche poot-aardappelen uit Canada noodig. De Saba-aardappelen, naar de omliggende eilanden en naar Curaçao verscheept, bedingen goede prijzen.
| |
Aardbevingen.
Suriname en Guiana in het algemeen schijnen zoo goed als vrij te zijn van seismische storingen; de lichte aardbevingen, die er nu en dan voorkomen, hebben haar centrum in de naburige vulkanische streken van West-Indië en Centraal Amerika. In de geschiedenis van Suriname vindt men gewag gemaakt van de volgende aardbevingen: 21 Aug. 1763, 21, 25, en 27 Oct. 1766, 18 Jan. 1767, 22 Nov. 1784, 25 Mei 1785, 21 Juli 1787, 17 Sept., 9 en 23 Dec. 1818, 20 Sept. 1825, 19 Feb. 1826, 11 Jan. 1839, 29 Aug. 1844 en 8 Sept. 1885. Zeker zullen er wel meer geweest zijn, maar daar zij aan de houten woningen te Paramaribo - men heeft er slechts enkele steenen gebouwen - weinig of geen kwaad doen, wordt niet steeds aanteekening daarvan gehouden. Ook op Curaçao komen aardbevingen van eenige beteekenis weinig voor, hoewel dikwijls lichte bevingen worden bespeurd. Volgens M.D. Teenstra, De Nederlandsche West-Indische Eilanden in derzelver tegenwoordige toestand, Amst. 1837, 2e stuk, blz. 228, is de aardbeving welke in 1755 Lissabon teisterde, op de eilanden zeer sterk gevoeld. ‘Op St. Martin liep de baar in Groot-Baai geheel droog, en verhoogde tegelijkertijd aanmerkelijk, hetgeen zoo spoedig plaats had, dat de visschen op het zand bleven liggen. Eerst na een tusschen-poozing van omtrent 12 uren, kwam het water terug, met een verdubbelde snelheid on zoo een verschrikkelijk gedruisch, dat de verschrikte inwoners van Philipsburg, naar het gebergte vlugten, meenende dat het dorp overstroomd zoude worden.’ Over aardbevingen op St. Eustatius schrijft A.H. Bisschop Grevelink in zijn Beschrijving van het eiland Sint Eustatius, voorkomende in Bijdragen tot de kennis der Nederlandsche en vreemde koloniën’, Utrecht 1846, blz. 133 v. Hij zegt o.a.: ‘Hier echter, schoon er zeldzaam een jaar voorbijgaat, waarin men niet ten minste eenmaal eenige schokken bespeurt, zou men te vergeefs naar eenig spoor van derzelver uitwerkselen gezocht hebben, ware het niet dat die, welke op den 8en February 1843 te Guadeloupe de stad Point à Pitre verwoestte, ook in dit eiland elk gebouw op deszelfs grondvesten had doen wankelen.’ - Deze aardbeving richtte aanmerkelijke schade aan. Zie ook G.A.F. Molengraaff, De geologie van het eiland St. Eustatius, Leiden 1886, blz. 21-23.
| |
Aarder,
n.e. Zie MUGIL CEPHALUS.
| |
Aard-eten.
Een ziekteverschijnsel, dat zich uit in het eten van onverteerbare voorwerpen, w.o. aarde, pijpaarde, stukken lei, griffels, krijt, houtskolen, enz. en dat in Suriname veelvuldig voorkomt bij lijders aan anchylostomiasis of mijnwormziekte. Bij oudere schrijvers (Hartsinck, Beschrijving van Guiana of de Wilde Kust in Zuid-America. Amst. 1770, II, 907 en 919, Blom, Verhandeling over den landbouw in de Colonie Suriname. Haarlem 1786, blz. 376 en 418) vindt men medegedeeld, dat de negers somtijds uit wanhoop of mismoedigheid klei, aarde, pijpen, houtskool, enz. aten om zich van kant te maken. Dr. F.A. Kuhn, Beschouwing van den toestand der Surinaamsche Plantagie slaven. Amst. 1828, beschrijft het verschijnsel als ‘zwelziekte’, in Suriname ‘onder grondvreter bekend’. Hij beweert grondvreters gezien te hebben ‘die eene zoodanige woede op houtskolen hadden, dat zij dezelve gloeijend heet in den mond staken en kaauwden.’ F.W. Hostmann, ‘Over de beschaving van negers in Amerika door kolonisatie met Europeanen. Amst. 1850, II, 250, vermeldt dat de Doemakoekoe-negers veel meer dan andere uit Afrika aangevoerde negers aan deze ziekte leden. Op de plantages kregen deze grondvreters gedurende den arbeid ijzeren maskers voor den mond, om het grondeten tegen te gaan. (Zie Dr. W.R. van Hoëvell, Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche wet. Amst. 1864, 3e druk. I, 167 v., waar ook een artikel van Dr. Landré, Bijdragen tot de kennis der ziekten van de negers in de kolonie Suriname, 1852, wordt aangehaald). In zijn geschrift, La Guyane Néerlandaise (Surinam). Paris 1881, sprak Dr. van Leent de meening uit dat de ankylostoma duodenale hier, evenmin als elders, zou ontbreken in het duodneum der ongelukkigen, die zich aan deze heillooze gewoonte overgaven. Hij hield het voorkomen van de parasiet voor een gevolg van het aardeten.
Waarschijnlijk heeft men hier met een gecompliceerd verschijnsel te doen, d.i. zoowel met een ziekte-symptoom als met de algemeen verbreide geophagie. Humboldt verhaalt, dat in zijn tijd de negers van Guinea een geelachtige aardsoort aten, die ze Couac noemden. Werden ze als slaven naar West-Indië gebracht, dan zochten ze zich ook daar eetbare aarde te verschaffen. Wij vonden deze mede- | | | | deeling in eene bespreking van eene studie van Dr. Richard Lasch over geophagie, in de Mitth. der Anthrop. Ges. in Wien, voorkomende in het T.A.G., 2de serie, dl XVI, no. 1. 28 Feb. 1899. Aan dit artikel ontleenen wij nog deze opmerkingen: ‘Reeds in de vorige eeuw werd men opmerkzaam op eene ziekte, voorkomende bij de Negerslaven in West-Indië en Suriname, bekend als de Afrikaansche tering. Deze begon met psychische depressie en heim wee, bracht verder met zich een onnatuurlijken eetlust en het verslinden van hout, kalk en leem, en eindigde in waterzucht en dood. Door latere wetenschappelijke onderzoekingen is gebleken, dat pathologische geophagie verbonden is met sommige ziekten van bepaald karakter, vooral met de door zekeren darm-parasiet veroorzaakte anaemie (berg- en tunnelwerkers- anaemie). Dat ze veroorzaakt werd door malaria is wèl beweerd, maar later tegengesproken.’ (Zie ook onder ANCHYLOSTOMIASIS.) Ten slotte zij hier nog aangehaald J.J. Halfhide, Schadelijke Insecten en Dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen. Haarl. 1910. IVe gedeelte, blz. 78: ....‘Moge dus in het algemeen het aardeten maar een verschijnsel van de Anchylostomiasis zijn, zoo laat zich ook niet ontkennen, dat dit omgekeerd juist de oorzaak hiervan wezen kan en wel op zulke plaatsen, waar het aardeten als volkseigenaardigheid waargenomen wordt en waarmede dan de larven het organisme zouden kunnen worden binnengevoerd.’
| |
Aard-kopal.
De stam van den Lokusboom (Hymenea courbaril) scheidt een barnsteenachtige hars uit, die dikwijls aan klompen tegen den stam zit, als kopal in den handel komt en als zoodanig gebruikt wordt. Aan den penwortel vindt men deze hars in groote massa en in zeer zuiveren toestand. Niet zelden levert één boom 15 Kilo van deze aard-kopal. C.J. Hering, Overzicht van de Cultuurgewassen en Boschproducten in verband met Nijverheid en Handel in de Kolonie Suriname. Paramaribo 1902, verzekert, dat er aan de Wajombo-rivier vele plaatsen zijn aangetroffen waar door uitdelving eenige vaten van deze gom werden verkregen en de Indianen aldaar hebben hem medegedeeld, dat men de gom in groote hoeveelheden kan vinden. Vermoedelijk hebben op heze plaatsen vroeger lokusboomen gestaan.
| | | |
I. Suriname.
De oppervlaktegedaante van een land of zijn relief, is de getrouwe weêrspiegeling van zijne vorming, zijnen geologischen oorsprong. In weinig landen treedt dit verband zóó duidelijk aan het licht als in Suriname, omdat de geologische gesteldheid en mitsdien zijn topographisch karakter er zoo hoogst eenvormig is.
Waar in andere landen van gelijke grootte ten opzichte van de bodemformaties eene rijke afwisseling heerscht en verschillende uit zeer uiteenloopende tijdperken der aardgeschiedenis dagteekenende vormingen aan de samenstelling des bodems deelnemen, is het uitgestrekte bergland van Suriname met zekerheid slechts uit gesteenten van het alleroudste tijdperk, het archaeische tijdvak, opgebouwd, en zoekt men er dus vergeefs naar gesteenten uit de latere tijdperken, met sporen van dierlijk en plantaardig leven - met fossielen, die den geoloog bij de ouderdomsbepaling der bodemformaties den weg moeten wijzen.
Doch hoe eenvormig Suriname ook in geologisch opzicht is, ten opzichte van het gesteente-karakter biedt het op korte afstanden de grootste afwisseling aan, en voor den specialen kenner van gesteenten, voor den petrograaf, een onuitputtelijk terrein van studie.
Haast nergens ter wereld staan het bodemonderzoek zóó groote moeilijkheden in den weg als in Suriname en de aangrenzende Engelsche en Fransche koloniën. Bij de vele gevaren, waaraan in het ongezonde binnenland, het broeinest der zoo gevreesde malaria, de reizigers blootstaan, on bij de schier onoverkomelijke moeielijkheden, die hij er ondervindt, nu eens in kleine kano's, z.g. korjalen, de rivieren met met hare eindelooze watervallen en stroomversnellingen opvarend, dan wêer zich met kapmes een weg banend door dicht oerwoud, dat het land bijna onafgebroken bedekt en de gedaante van het bodemoppervlak verbergt - wordt hij in dit gebied, waarin het gesteente door een verweeringsdek van veelal aanzienlijke dikte aan het oog is onttrokken, zelden beloond door een goed bodemprofiel, dat hem de onderlinge gesteentebetrekkingen openbaart, en moet hij zijne gevolgtrekkingen maken uit fragmentarische waarnemingen op dikwijls ver van elkander verwijderde punten verricht.
Doch ook dan, wanneer het gesteente, hetzij in de bedding der tallooze rivieren, hetzij uit den verweeringsbodem van het oerwoud te voorschijn treedt, is de taak van den geoloog een uiterst moeilijke, omdat in dit, geologisch gesproken, zeer oude bergland zóó aanzienlijke drukwerkingen hebben plaats gehad, dat de gesteenten een diepgaande metamorphose hebben ondergaan en het op het terrein daardoor zelfs vaak moeilijk is, de oorspronkelijke sedimentgesteenten van de uit een gloeiende brei gestolde gesteenten - van de z.g. stollingsgesteenten - te onderscheiden.
Wanneer ik hier nu nog bijvoeg, dat zelfs daar, waar de vaste rots blootligt, de zoo rijke gesteente-verscheidenheid aan het oog onttrokken wordt door een doorgaans glanzend bruine of zwarte verweeringskorst, de z.g. tropenkorst, die in de bedding der rivieren en in de savannes - de voor geologisch onderzoek het best toegankelijke plaatsen in dit gebied - het donkerst getint is, omdat de gesteenten er, evenals in woestijngebieden, aan den directen invloed der zonnebestraling of de insolatie zijn blootgesteld, dan mag het duidelijk zijn geworden, dat den geoloog, die in de eerste plaats de stratigraphische betrekkingen der verschillende gesteenten, d.w.z. hunne ligging ten opzichte van elkander, heeft op te sporen, in dit land de grootste moeilijkheden in den weg staan. Daar onder de hier genoemde omstandigheden de studie op het terrein telkenmale naar den microscopiseertafel moet worden overgebracht; daar tal van nog onopgeloste vraagstukken door den specialist-petrograaf tot klaarheid zullen moeten worden gebracht en de uitkomsten der tot hiertoe verrichte onderzoekingen zonder een meer dan oppervlakkige kennis der gesteenteleer niet begrepen kunnen worden, zal in eene Encyclopedie aan den bouw en de samenstelling van het Surinaamsche bergland, hoe aanzienlijk de oppervlakte ook is, die het beslaat, slechts weinige bladzijden gewijd kunnen worden.
Reeds op grooten afstand neemt men het naderen van Suriname's kust gewaar door de kleursverandering van het zeewater. De diepblauwe tint van den oceaan verandert, nog eer men de kust in het gezicht heeft, gaandeweg in een geelbruine tot bruine tint, tengevolge van de fijne leem- en humusbestanddeelen, die de Amazonerivier zeewaarts voert en welke door een stroom langs Guiana's kust in westelijke richting verplaatst worden. Terwijl het dieplood bij de nadering van het land steeds geringere diepten aanwijst, verschijnt eindelijk in het verschiet de lage
| | | |
kust als een zeer dunne op het water rustende donkere streep. Is bij ingetreden vloed het opvaren der rivieren mogelijk geworden, en blikt het oog op de met lage mangrovebosschen of Rhizophoren begroeide modderige oevers, dan is reeds voor den eenvoudigen reiziger het beeld voltooid van een machtig, in staat van wording verkeerend zeealluvium.
Dit zeealluvium, uit een vetten, buitengemeen vruchtbaren kleibodem samengesteld, die evenals de Nederlandsche kleilanden voor de cultures moet ingepolderd worden, vormt een strook langs de kust, en kan tegenover de alluviale rivieraanslibbingen, gelijk begrijpelijk is, niet scherp begrensd worden, omdat in den strijd tusschen zout en zoet water verschillende factoren werkzaam zijn, waaronder de invloed der getijden en het verschil in waterstand gedurende de droge en de regenperioden de voornaamsten zijn.
De vloedgolf dringt met zóó groote kracht het land binnen, dat nog ter hoogte der Jodensavanne aan de Suriname-rivier kleine vaartuigen somtijds genoodzaakt zijn den wal op te zoeken Dit opwaarts stroomen zal niet op elk tijdstip van het jaar even ver plaats vinden, daar het zeewaarts stroomende rivierwater in den regentijd een grooteren tegenstand biedt aan het binnendringende zeewater dan in den drogen tijd. Dat in een zelfden tijd des jaars het punt, tot waar de vloedgolf nog bemerkbaar is, aan groote schommelingen onderhevig zal zijn, spreekt van zelf. In de Surinamerivier is de werking van den vloedgolf bij langdurige droogte nog tot Brokopondo, d.i. 13½ geogr. mijl het land in, te bespeuren, terwijl in de Para door het stijgen des bodems in het Savannegebied, waarin deze zijrivier ontspringt, de invloed van den vloedgolf reeds op 8 geogr. mijlen van de kust niet meer is waar te nemen. (14)*) In de Nickerierivier is in den drogen tijd nog ter hoogte der Zonnevisch-kreek de invloed van den vloedgolf door een terugschuiven van het rivierwater bemerkbaar.
Tot hoever in de verschillende rivieren het zeewater binnendringen kan en op welk punt de invloed van de vloedgolf zich in de verschillende jaargetijden begint te bepalen tot een terugschuiven van het rivierwater, weten wij niet. Het voorkomen van sporadische mangroven langs de rivieroevers in de benedenrivieren, nog op grooten afstand van de kust, kan ons den onmiddellijken invloed van het zoute water leeren kennen (37 en 45).
Bij het intreden van den regentijd kan het niveau van den stroom reeds na enkele regendagen aanzienlijk stijgen, vooral waar hoog terrein langs de oevers de zijdelingsche uitbreiding van het water verhindert. Terwijl niveauverschillen van 4 M. voor den drogen en den regentijd niet zeldzaam zijn, komen ook plaatsen voor, waar de waterstand in den regentijd 9 M., ja zelfs 12 M. hooger ligt.
Deze niveauverschillen tusschen den drogen en den regentijd hebben tot de vorming van terrassen langs de oevers der benedenrivieren aanleiding gegeven, die doorgaans met een dicht plantenkleed, met hoog geboomte, bedekt zijn, dat de verschillen in stroomsnelheid grootendeels opheft en dat bij het uittreden van de rivier uit de bedding van den drogen tijd deafzetting van het slib in nagenoeg horizontale lagen doet plaats hebben. Zulke terrassen hebben een effen oppervlak en worden, wanneer de stroom zijne bedding steeds dieper insnijdt, eindelijk ook in den regentijd niet meer overstroomd. (14)
In den middenloop der rivieren, waar het verval aanvankelijk nog gering is, komt niet alleen het fijne slib tot afzetting, doch worden steeds grovere, door de verweering der gesteenten van het binnenland vrijgekomen producten door den stroom medegevoerd, en er in den regentijd langs de oevers in banken achtergelaten. In verband met verschillen in de stroomsnelheid is het nu eens leem, met meer of minder kleibestanddeelen gemengd, dan weder zand, dat zich tot een machtig rivier-alluvium opbouwt. Vooral zijn het de hooge, steile leemoevers, die meer en meer het karakter van het landschap gaan beheerschen. Eerst nog slechts 1 M., hoogstens 2 M., boven het niveau in den drogen tijd zich verheffende, treden hoogerop steeds steilere en hoogere leemoevers op, die niet zelden 5-10 M. boven den waterspiegel in den drogen tijd oprijzen en tot aan den oeverrand met hoog woud bedekt zijn. Het is vooral aan dit leemgebied, dat Suriname zijne kostbare houtsoorten te danken heeft. (37 en 45)
Doch ook de zandafzettingen, die haren oorsprong ontleenen aan de door verweering der kwarts houdende, kristallijne gesteenten vrijgekomen kwartsbestanddeelen, nemen hooger de rivieren op een steeds grooter aandeel aan de samenstelling van het rivier-alluvium. In het gebied der hooge leemoevers, karakteristiek voor den middenloop der rivieren, is het zand aan de hier veelvuldig optredende krommingen aan den bollen of convexen oever neergelegd, waar een geringere stroomsnelheid de grovere bestanddeelen tot afzetting heeft gebracht, terwijl aan den hollen of concaven oever een steile leemoever verrijst, die, naarmate de tegenovergestelde oever zich door grof materiaal ophoogt, door den sterken stroom meer en meer wordt uitgeschuurd. (14) Het verband tusschen bodemgesteldheid en plantenkleed valt hier zelfs den eenvoudigen reiziger onmiddellijk in het oog, wanneer hij zijn oog met welgevallen laat rusten nu eens op de bloemenpracht te midden der ijle vegetatie van den bollen zandoever, dan weêr op het statige woud, dat zich aan den rand van den hollen steilen leemoever verheft. (37 en 45)
Dat de rivierkrommingen in het gebied der hooge leemoevers, waar de door den stroom neergelegde aanslibbingen een aanzienlijke ontwikkeling bereiken, veelvuldiger voorkomen en de bochten er scherper en korter zijn, dan in het gebied, waar de getijden hunnen invloed laten gelden, is door de herhaaldelijk optredende verschillen in de samenstelling des bodems gemakkelijk te verklaren. Zulke verschillen gaven tot een eerst nog geringe kromming aanleiding, die bij steeds diepere insnijding toenam, wegens de ondermijning van den hollen oever en de afzetting van sedimenten aan den bollen oever. De rivieren kronkelen zich dientengevolge met eindelooze windingen door de machtige zoetwater-alluviën heen en ten slotte kunnen de windingen zóó scherp worden, dat de rivier tot niet ver van het beginpunt der bocht terugkeert en door hare neiging, steeds den kortsten weg te nemen, zich eene nieuwe bedding ingraaft, daardoor een hoefijzervormig gedeelte van haren loop afsnijdende (14). Eerst zijn zulke verbindingen slechts in den regentijd te bevaren, terwijl men in den drogen tijd, als het korte verbindingsstuk met waterplanten verstopt is, de langere bocht moet volgen. Eindelijk echter breekt de stroom voor goed door en verzandt de oorspronkelijke bocht.
Waar een groote oppervlakte door de zandformatie wordt ingenomen, treden z.g. zandsavannes op,
| | | |
die tengevolge van het doorlatend vermogen voor water een schaarsch plantenkleed dragen. Niet altijd worden deze savannes toegeschreven aan eene aanslibbing van de grovere verweeringsproducten; ook het achterblijven van de grovere verweeringsproducten der kwartsrijke gesteenten en het wegspoelen der fijnere uit de silikaten gevormde kleibestanddeelen schijnt tot het ontstaan van zandsavannes te hebben aanleiding gegeven, zooals voor de Jodensavanne aan de Surinamerivier wordt aangenomen. (14)
Zulke gronden, die hun ontstaan aan eene verweering van het gesteente op de plaats zelve te danken hebben, en die men als eluvium van de aangeslibde gronden of het alluvium onderscheidt, spelen in het Surinaamsche binnenland een zeer groote rol.
De schijnbaar buitengewoon groote eentonigheid in de bodemformaties, die den reiziger in deze eindelooze wildernissen dadelijk opvalt, is te danken aan de merkwaardigste aller eluviale vormingen, aan welke men wegens de gelijkenis, die zij dikwijls met rooden baksteen vertoont, den naam lateriet heeft gegeven. Dit merkwaardige product, in tegenstelling met gewone klei, niet plastisch en van korrelig uiterlijk en waaraan door de oudste reizigers in tropische landen een vulkanische oorsprong werd toegeschreven, heeft zijn ontstaan te danken aan allerlei sili-kaathoudende gesteenten, van welke de silikaten in secundaire silikaten, secundaire kiezelzuur en kleiaardehydraat en de ijzerverbindingen in meestal roodgekleurde ijzerverbindingen veranderd zijn.
Door den een werd de lateriet beschreven als een kiezelzuurrijk, door den ander als een aan kleiaardehydraatrijk verweeringsproduct, steeds met hoog ijzergehalte. Nauwkeuriger onderzoekingen, vooral aan Surinaamsche laterieten (40, 41, 44) hebben aan het licht gebracht, dat deze tegenstrijdigheden eene verklaring vinden door het niet altijd in aanmerking nemen van de ligplaats van het product. Terwijl toch de laterieten op primaire ligplaats, de eluviale laterieten dus, zich doorgaans door een hoog kiezelzuur-gehalte kenmerken, zijn de verplaatste of de alluviale laterieten daarentegen rijk aan kleiaardehydraat, en deze beide bodemtypen zijn, zooals zich begrijpen laat, door talrijke overgangsgronden verbonden.
De buitengewone verweeringsintensiteit in het Surinaamsche bergland berust aan den eenen kant op het vochtig heete klimaat, aan den anderen kant op den rijkdom van tal van kristallijne gesteenten aan pyriet. De zwavelzure oplossingen, die, behalve uit de door de snelle verrotting van plantenafval geboren zwavelwaterstof, ook door de oxydatie van pyriet ontstaan, werken op de silikaten energisch in en vermeerderen in hooge mate de oplosbaarheid der gesteentevormende mineralen.
Hoewel eene laterietvorming ook in regenarme tropenlanden, ja zelfs in gematigde streken kan plaats vinden, zijn de laterieten de voor de vochtige streken der tropengebieden karakteristieke verweeringsgronden.
De eluviale laterieten, dus die, welke op de plaats zelve ontstaan zijn door eene scheiding der chemisch gemakkelijk en moeilijker oplosbare gesteentebestanddeelen, vormen een over groote afstanden onafgebroken verweeringsdek van dikwijls aanzienlijke dikte (somtijds 10 M. en meer). Het ijzer, dat niet in iedere laterietsoort een even groote rol speelt, is door een sterk oxydatieproces als ijzeroxyd of ijzerhydroxyd afgescheiden, zoodat dikwijls ijzerertsen met een zeer hoog ijzergehalte ontstaan, die over groote oppervlakten den bodem in het oerwoud bedekken, doch die voor eene ontginning moeilijk in aanmerking kunnen komen. Het ijzer is voor het grootste gedeelte afkomstig van de in de gesteenten van het binnenland veelvuldig optredende accessorische mineralen pyriet, magneetijzer en titaanijzer, voor een ander deel van de verweering van ijzerhoudende kiezelzure mineralen, zooals augiet, hoornblende, biotiet enz. Voor de eluviale laterieten is eene concentratie van het kiezelzuur kenmerkend. Bij de verweering der silikaten worden hunne basische bestanddeelen door zwavelzure oplossingen uitgeloogd, doch kunnen in de zure vloeistof op de eluviale ligplaats niet tot afscheiding worden gebracht. Dit kan eerst op de secundaire ligplaats door rijkelijken toevoer van koolzuur geschieden. De eluviale laterieten laten met toenemende diepte alle mogelijke overgangen tot het onverweerde gesteente waarnemen, zoodat onderaan dikwijls nog de oorspronkelijke structuur duidelijk te herkennen is.
Goudhoudende kwartsaderen, die in laterietbanken van groote dikte nu en dan optreden, bleken in sommige gevallen zeer recente secundaire kiezelzuuruit-scheidingen te zijn, die zich naar beneden te midden der laterietmassa verloren, een verschijnsel, dat voor de goudexploitatie ten volle de aandacht verdient.
De alluviale of secundaire laterieten bedekken in Suriname uitgestrekte oppervlakten; zij zijn het, die de bovengenoemde hooge leemoevers samenstellen; mijlenver zeewaarts medegevoerde laterietbestanddeelen uit het stroomgebied der Amazone zijn het ook, die de geelroode tint van het zeewater langs de kust van Suriname te voorschijn roepen. Deze laterieten bestaan in hoofdzaak uit kleiaardehydraat en ijzeroxyd, terwijl de silikaten er op den achtergrond treden. In deze laterieten treedt de neiging zeer sterk op den voorgrond tot eene omzetting der in het oorspronkelijk gesteente aanwezige kleiaardesilikaten in kleiaardehydraten. Eene concentratie der kleiaarde is dus voor deze laterieten kenschetsend. Zooals reeds werd opgemerkt, maakte het hier in grootere hoeveelheid aanwezige koolzuur het mogelijk, de kleiaarde uit de zwavelzure oplossingen vrij te maken.
Terwijl bij de normale kleigronden, d.w.z. die, welke niet met kwartspoeder gemengd zijn, het kiezelzuur grootendeels chemisch gebonden is, is bij de alluviale laterieten het kiezelzuur bijna uitsluitend mechanisch er mede gemengd.
Het spreekt van zelf, dat bij de eindelooze verscheidenheid in mineralogische samenstelling der archaeische gesteenten de samenstelling en het uiterlijk der secundaire laterieten zeer uiteen zullen loopen. Nu eens zullen zij bij een donkere tint een gering kwartsgehalte bezitten, dan weder bij een lichtere tint rijk aan dit mineraal zijn. Herhaaldelijk komt het voor, dat zulke kwartsrijke en kwartsarme lagen met elkander afwisselen en dat banken van meer of minder zuiver zand zich daartusschen voegen, zooals langs de oevers der rivieren, vooral bij lagen waterstand op vele plaatsen kan worden waargenomen. (37, 45 en 49)
Onder de verweeringsproducten der silikaathoudende gesteenten in het Surinaamsche binnenland mag nog een andere bodemsoort genoemd worden, die, hoewel minder verspreid dan de alomtegenwoordige lateriet, toch plaatselijk belangrijk kan deelnemen aan den opbouw der hooge oevers.
Ik bedoel hier de kaolien of porceleinaarde, een zuivere klei, uit waterhoudend kleiaardesilikaat gevormd, nu en dan door ijzeroxyd verontreinigd en dientengevolge roodgekleurd of met roode aderen doorsneden. Op secundaire ligplaats treft men dikke
| | | |
kaolienbanken aan onder de alluviale laterietafzettingen van talrijke Surinaamsche stroomen, steeds op niet grooten afstand van de gesteenten, waaruit dit product gevormd werd. Een zeer fraaie bank van zuivere porceleinaarde, wordt o.a. aangetroffen aan den linkeroever van den Corantijn bij het Indianendorp Oreala, dat zijn naam ontleent aan het woord ‘Aureala’, waarmede de Arowakken de porceleinaarde plegen aan te duiden. Ook elders komen zulke kaolienbanken bij lagen waterstand langs de oevers te voorschijn, zooals in de Nickerierivier even boven de Zonnevischkreek, waar de leemoevers reeds een aanzienlijke hoogte bereiken (14, 37, 45 en 49)
Doch ook onder het zand der savannes wordt op talrijke plaatsen porceleinaarde waargenomen, die o.a. onder de Jodenavanne aan de Surinamerivier blijkbaar op primaire ligplaats door verweering van kristallijne schiefers ontstaan is, want de oorspronkelijke structuur van het gesteente is hier en daar nog duidelijk waar te nemen en door talrijke overgangen is het verweeringsproduct met het onverweerde gesteente verbonden, terwijl niet ver vandaar een schiefergesteente onder de hoogwaterlijn te voorschijn treedt, waarvan de veldspaat niet gelateriseerd, doch gekaoliniseerd is. (14) Ook elders, bijv. in de bedding der Nickerierivier en haar zijtak, de Fallawatra, komen gesteenten voor, in het bizonder grofkorrelige granieten of pegmatieten, waarvan de groote veldspaatkristallen aan de oppervlakte in zuiver witte kaolien veranderd zijn. (49)
Waarom nu in hetzelfde gebied, onder dezelfde klimaatsinvloeden het eene gesteente door totale uitlooging van het kiezelzuur uit de kleiaardesilikaten tot lateriet, het andere tot porceleinaarde of water-houdend kleiaardesilikaat verweert, op deze vraag kan nog geen voldoend antwoord gegeven worden. De verweeringsverschijnselen in het tropisch vochtige klimaat van Suriname zijn zóó buitengewoon ingewikkeld, de factoren, die bij de verweering werkzaam zijn, zijn van zóó uiteenloopenden aard, dat op dit onderwerp hier niet nader kan worden ingegaan.
Een gewichtige vraag, die ons hier nog moet bezighouden is de vraag naar den ouderdom van al de hier genoemde verweeringsproducten. Daar de laterieten kaolienvorming en de afspoeling dezer verweeringsproducten nog steeds voortgaan, behoort een groot deel der hier besproken gronden tot het hedendaagsche tijdvak. Doch mogen wij dezen ouderdom voor alle aanslibbingsproducten der Surinaamsche rivieren aannemen? De geologische samenstelling van het bergland doet reeds twijfel rijzen, want daar geen andere dan archaeische, hoogstens hier en daar enkele gesteenten, die tot het palaeozoische tijdvak worden gebracht, het gebergte samenstellen, hebben de verweerende krachten sedert een reeks van tijdperken aan de vernietiging en ontblooting van het gebergte gearbeid.
Dat de hooge oevers verder de rivieren op niet uitsluitend gevormd zijn onder omstandigheden, die in den tegen woordigen tijd in dit gebied heerschen, mag reeds hieruit blijken, dat onder het leem bij lagen waterstand eene vorming te voorschijn treedt, die stellig niet onder de hedendaagsche hydrologische omstandigheden tot afzetting gekomen is en die langs de Surinaamsche rivieren, voor zoover bekend is geworden, een algemeene verspreiding schijnt te hebben. Bedoeld worden hier de zandsteen- en conglomeraatbanken, die bij de nadering van den bovenloop onder de hooge leemoevers te voorschijn komen. Nu eens rusten deze banken, niet zelden ter dikte van ½ M., onmiddelijk op het onderliggende vaste gesteente, dan weder zijn zij er van gescheiden door een dunnere of dikkere laag blauw leem. Deze zandsteen- en conglomeraatformatie, die reeds langen tijd geleden door Schomburgk uit Engelsch Guiana beschreven is en door dezen schrijver met zandsteen uit de steenkoolperiode vergeleken is (1), - eene vergelijking, die, ook in onze kolonie, tot het geloof aan steenkoolbeddingen heeft aanleiding gegeven - is in hoofdzaak uit kleinere en grovere kwartsstukjes samengesteld, die veelal zeer weinig gerold zijn en dan in eene kwartsbreccie overgaan en op ieder punt in grootte zeer weinig verschillen.
De kwartsbestanddeelen, die door verweering van granieten en andere kwartshoudende gesteenten zijn vrijgekomen, zijn door een cement van limoniet tot een zóó vast gesteente samengebakken, dat bij het ondermijnen der concave oevers, groote brokken er van losraken en door den sterken stroom worden medegesleept.
Ook in Suriname was deze zandsteen reeds lang van de oevers der Surinamerivier bekend (14); zijne verspreiding was daar wegens den ongunstigen waterstand echter niet na te gaan, Langs de Nickerierivier en langs de oevers van een harer voornaamste zijtakken, de Fallawatra, bleek deze vorming, dank zij den lagen waterstand gedurende het onderzoek, een zeer groote verspreiding te hebben (37, 45, 49). Bij den toenmaligen waterstand trad de bank het eerst op tusschen de Toe-hédekreek en de Wittewaterkreek, om van dit punt af zich onafgebroken onder het leem voort te zetten en tusschen laatstgenoemde kreek en Droge kreek op 6 M. diepte onder het leem van den concaven oever te voorschijn te komen. Hooger de rivier op neemt de korrelgrootte dezer zandsteenen steeds toe, om gaandeweg in brecciën, resp. conglomeraten over te gaan.
Dat deze zandsteen, bedekt door de fijnere aanslibbingsproducten, zich nog ver beneden waarts uitstrekt, is in het minst niet twijfelachtig en het optreden dezer vorming, eveneens onder de hooge leemoevers van talrijke kreeken, wijst op een algemeen verbreid verschijnsel, dat in verband moet gebracht worden met een eertijds grootere stroomsnelheid der Surinaamsche rivieren (49) Daar, waar deze in latere tijden de uit de door verweering van silikaten gevormde fijnere kleibestanddeelen tot afzetting brachten, konden zij door het grooter transporteerend vermogen grovere produkten nederleggen, de fijnere verweeringsprodukten verder noordwaarts afzettende, waar het onder den invloed der getijden gevormd zeealluvium de bodem-oppervlakte samenstelt.
Maar nog duidelijker blijkt deze eertijds grootere stroomsnelheid van het Surinaamsche waternet door een onderzoek van de bedding der menigte kreken, die, naarmate het relief dit voorschrijft, zich nu eens in een algemeen westelijke, dan weer oostelijke richting door het oerwoud heenslingeren, om ten slotte een der hoofdstroomen te bereiken. Overal toch wordt de bodem er op een diepte van 2 M. of minder door eene afzetting gevormd, die bijna uitsluitend is samengesteld uit weinig gerolde kwartssteenen, en overdekt is met een roodgele of gele, doorgaans ook met steenfragmenten gemengde leemlaag. Onder dit gesteentepuin, dat in hoofdzaak uit allerlei kristallijne schiefers, granieten, diorieten enz. is samengesteld, is kwarts echter ver in de minderheid.
Dit overal optredend verschijnsel, dat, gelijk te begrijpen is, ook in de aangrenzende Engelsche en Fransche koloniën de aandacht heeft getrokken, leert, dat deze laag kwartsrolsteenen - in Engelsch
| | | |
Guiana ‘gravel’, in de Fransche kolonie, wegens de beperking van het hooge goudgehalte doorgaans tot deze laag ‘la couche’ genoemd, - door de kreek is neêrgelegd in een tijd, toen de kristallijne silikaat-houdende gesteenten door eene toenmaals veel krachtiger uitschurende en afslijpende werking van het stroomende water aan eene bijna algeheele vernietiging werden prijsgegeven, en de onverweerbare uit de kwartsaderen losgemaakte kwartsen achterbleven. Terwijl aldus in de toenmalige bedding der kreken de gravellaag ontstond, konden de veel verder medegevoerde verweeringsproducten der silikaat-gesteenten nog op grooten afstand van het bergterrein tot afzetting komen, aldus gaandeweg het leemterrein met de daarin optredende kaolienbanken opbouwende, waarin de stroomen van den tegenwoordigen tijd zich langzamerhand een bedding ingroeven.
Ook kwartsstukken konden tijdens de vorming der gravellaag in de kreekbeddingen ver noordwaarts door het water worden medegevoerd en zoo treft men deze laag ook in het gebied der savannes onder de aanslibbingsprodukten der tegenwoordige rivieren aan, waar zij, nog verder in noordwaartsche richting, eindelijk in kwartszand overgaat.
Doch niet alleen door het feit, dat iedere rivier, iedere kreek over een bedding van in hoofdzaak kwartsrolsteenen vloeit, die meestal door aanslibbingen van recenten datum aan het oog onttrokken is, ook door het optreden van de gravellaag soms op plaatsen, die buiten het bereik zijn van de wateren der hedendaagsche periode, (35) worden wij teruggevoerd naar eene periode, waarin andere toestanden hebben geheerscht dan tegenwoordig en die met het diluviale tijdvak in Europa mag hebben samengevallen. (49)
Het bovenbeschreven algemeene bodemprofiel dat een onderzoek der kreekbeddingen leert kennen, zal, zooals zich laat begrijpen, plaatselijke wijzigingen kunnen vertoonen, in verband met de veelvuldige stroomverleggingen, die door afdamming der kreekbedding herhaaldelijk moeten hebben plaats gehad, meer in het bizonder in het benedenste deel der kreek. (35)
Onder de bodemformaties, die, hoewel tot de recente vormingen behoorende, toch ouder zijn, dan de kleigronden van het lage alluviale kustgebied, spelen de z.g. zand- en schulpritsen een belangrijke rol. Met dezen naam bestempelt men rugvormige bodemverheffingen, die veelal door moerassen omgeven zijn, en uit zand of uit schelpen en schelpfragmenten zijn opgebouwd, welke tot een meer of minder harde breccie met elkander verbonden zijn.
Deze wallen, wier dikte zelden meer dan 4 M. bedraagt, verloopen, hier en daar met geringe afwijkingen, evenwijdig aan de kust en hebben op de richting van een aantal rivieren in het uitmondingsgebied een grooten invloed uitgeoefend. (14). Zoo vloeien de Commewyne, de Cottica, de Coesewijne, de Saramacca en de Nickerie in den benedenloop evenwijdig aan de kust, in plaats van, zooals verwacht mocht worden, onmiddellijk naar zee te stroomen.
Door geheel Suriname, van de Marowijne tot de Corantijn strekken deze banken zich uit en telkens worden er nieuwe ontdekt, zoodat wij, in verband met de groote bezwaren, aan het bodemonderzoek in de kolonie verbonden, stellig een grootere verspreiding mogen aannemen, dan tot nu toe bekend is. (14) De meest zuidelijke, tot hiertoe aangetroffen schelpbank treedt bij Onoribo aan de Para op (14).
De hoogere ligging (hoewel doorgaans niet meer dan 3 M. boven den zeespiegel, te Onoribo 6 M.) en de voor water gemakkelijk doorlaatbare bodem verklaren het karakter van den plantengroei op deze ruggen, afwijkend van dien van het omringende, uit alluviale klei opgebouwd terrein en zijn voor de vestiging op zulke plaatsen belangrijke factoren. (Paramaribo, dat voor een deel op een schulprits gebouwd is).
Alle weekdiersoorten, die uit deze schulpritsen bepaald zijn (14 en 16) behooren tot de hedendaagsche fauna van de Zuid-Amerikaansche kust, waarmede het frissche uiterlijk der schelpen, die somtijds zelfs de kleuren nog gedeeltelijk bewaard hebben, in overeenstemming is. De ontdekking van scherven Indiaansch aardewerk in den schelpbank te Paramaribo wijst zelfs op de vorming in een tijd, toen Suriname reeds door Indianenstammen bewoond was.
Het spreekt wel van zelf, dat vele der boven beschreven vormingen, hoewel op geringer schaal, nog steeds voortgaan zich te vormen. Zoo vinden wij in de rotsachtige bedding der kreken en rivieren nu en dan de door den stroom neergelegde kwartszandkorrels door limoniet tot een zandsteen samengebakken, volkomen overeenkomende met den zandsteen der banken onder het leem der hooge oevers, terwijl in den bovenloop der rivieren door samenbakking van rolsteenen hier en daar zich een grof conglomeraat in de bedding vormt, waaraan alle mogelijke hoogerop het gebergte samenstellende gesteenten deelnemen. (49)
Ook zandafzettingen gaan nog steeds voort met zich langs de oevers of in het stroombed uit het kwartsbijmengsel van tal van kristallijne gesteenten te vormen. Hoezeer deze recente zandafzettingen langs de rivieren, vooral bij krommingen, tot het karakter van het landschap bijdragen (zie boven), hoe groot ook haar invloed, vooral in den bovenloop der verschillende stroomgebieden op stroomverleggingen kan zijn, toch zijn deze zandalluviën niet te vergelijken met de bijna uitsluitend uit kwartszand opgebouwde zandsavannes, die nu eens te midden van het bergterrein, dan weder aan den overgang tot het alluviale kustgebied groote oppervlakten beslaan, en die ouder, vermoedelijk diluviaal zijn.
Zandbanken in de rivier spelen, zooals zich begrijpen laat, vooral een groote rol, waar in den bovenloop door herhaalde stroomsplitsingen eilanden optreden, aan wier benedenwaarts gekeerd einde onder beschutting der klippen het zand tot afzetting komt, dat door de medewerking van Mokko Mokko, die stilstaand water verkiest, en zich dus spoedig op de banken nederzet, langgestrekte dammen vormt, die mede bijdragen tot het landschapkarakter van het eilandengebied (14, 37, 45, 49).
Dat ook omgevallen boomen in hetstroomgedeelte, waar grovere verweeringsprodukten worden medegevoerd, tot de vorming van zandbanken kunnen aanleiding geven, spreekt na het voorafgaande vanzelf.
Van de hier besproken rivierafzettingen mogen wij geen afscheid nemen, zonder nog met een enkel woord te hebben melding gemaakt van een element, dat in deze vormingen, vooral in de grovere, een rol speelt en dat bij het onderzoek naar goud op den voorgrond treedt. Bedoeld wordt het zware, zwarte zand, dat bij het wasschen naar goud, met of zonder dit metaal in de baté achterblijft, in de kolonie kruitzand wordt genoemd, en aldaar algemeen beschouwd wordt als eene aanwijzing van alluviale goudligplaatsen.
| | | |
De Braziliaan Paoli, die het goud in Fransch Guyana ontdekte, werd op het spoor van het edel metaal gebracht, toen hij in de kreken, die de Approuage voeden, met de baté eenige wasschingen verrichtte, en volkomen hetzelfde zwarte zand overhield, dat hem van het ontginningsterrein in zijn vaderland bekend was.
In hoofdzaak bestaat het kruitzand van Suriname uit magneetijzerkorrels, die veelal met een dunne limonietkorst omgeven zijn, en waarmede meer of minder haematietffragmenten gemengd zijn. Het scheikundig onderzoek kon geen spoor van eenig silikaat ontdekken, doch toonde slechts een oxyd van ijzer aan. Kan nu het verband tusschen het kruitzand en het goud in de secundaire goudligplaatsen bevreemden, wanneer men weet dat magnetiet als accessorisch bestanddeel in de basische stollingsgesteenten van Suriname, zooals dioriet, diabaas, gabbro een groote rol speelt, en dat laatstgenoemde gegesteenten tot de belangrijkste primaire ligplaatsen van het goud in onze kolonie behooren? (49)
Terwijl het goud in de hier genoemde gesteenten óf in gedegen toestand zeer fijn ingesprenkeld voorkomt, óf er aan zwavelmetalen, zooals pyriet, verbonden is, treft men het dus in de aanslibbingen der kreken en rivieren (secundaire ligplaatsen) veelal in grootere of kleinere klompen (in het Engelsch ‘nuggets’, in het Fransch ‘pépites’ genoemd) aan, zoodat een eenvoudige mechanische verplaatsing van de primaire naar de secundaire ligplaats buitengesloten is. Scheikundige processen moeten bij deze verplaatsing en concentratie op de secundaire ligplaatsen in het spel zijn geweest. (35, 53)
De sterkste concentratie heeft plaats gevonden in de onderste deelen van de bovengenoemde gravellaag der kreekbeddingen en ook nog veelal in de bovenste deelen van de daaronder liggende kleiachtige bodemsoort, door de gouddelvers, evenals in de Engelsche kolonie, ‘bedrock’ genoemd. De onmerkbare overgang in het dieperliggende, onverweerde gesteente, alsook het ontbreken van een regelmatige rangschikking naar de grootte der goudfragmenten en hun plaatselijk optreden in den bedrock - al deze verschijnselen zijn in strijd met de meening, dat de bedrock zou zijn een afzetting der kreek, doch leeren ons veeleer, dat de bedrock een op de plaats zelve gevormd verweeringsproduct van het onderliggende gesteente, dus een echte bedrock is en dat het goud er in spleten en kloven is binnengedrongen, toen deze bedrock nog steen was en nog niet in het kleiachtig verweeringsproduct was overgegaan.
Het goud kan zich echter ook door verweering van goudhoudende gesteenten op de plaats zelve concentreeren, zoodat ontginbare ligplaatsen ontstaan, waartoe sommige boven besproken eluviale laterieten behooren, vooral die, welke aan basische stollingsgesteenten, als diorieten, gabbros, diabasen hunnen oorsprong danken.
In verband met het verloop van de noordgrens van het bergterrein beslaan de alluviale vormingen een gebied, dat van het Oosten naar het Westen belangrijk in breedte toeneemt. Aan de Marowijne bedraagt de afstand van de graniethoogten bij Albina tot aan de lichttoren bij Galibi slechts 26 kilometers; aan de Surinamerivier treedt het vaste gesteente (graniet) eerst op een afstand van 63 kilometers in rechte lijn van de kust gemeten op; aan de Saramacca liggen de eerste hoogten bij Maäbo in rechte lijn van de kust op 79 kilometers; aan de Nickerie worden de eerste rotsen, graniet en sillimannietgneiss, eerst op een afstand van 85 kilometers van de kust aangetroffen; terwijl aan de Maratakka, zoover deze is opgevaren, het vaste gesteente geheel ontbreekt, en de breedte van het alluviale gebied dus nog grooter is; de Corantijn eindelijk treedt reeds op 100 M. boven de monding der Matapi, waar de eerste rotsen (dioriet) optreden, in het gebied der jongere aanslibbingen, zoodat hier de grootste breedte van de alluviale kuststrook bereikt is. (14)
Zooals echter reeds werd uiteengezet, mag het overgangsgebied van het bergterrein tot het eigenlijke alluviale kustgebied, dat zijn oorsprong dankt aan de samenwerking van de zee en de rivieren, niet tot het alluvium gerekend worden, omdat het door de rivieren werd afgezet onder omstandigheden die belangrijk hebben afgeweken van die, welke tegenwoordig de heerschende zijn. Omdat nevens de aanzienlijke aanslibbingen van laterietbestanddeelen, met kaolienbanken en zandsteen afwisselende, zandsavannes in dit gebied een groote rol spelen, wordt dit overgangsgebied, waaraan zooeven een diluviale ouderdom werd toegekend, het savannegebied genoemd.
De onderstelling, dat een vroegere zeebedekking belangrijk heeft bijgedragen tot de eertijds sterkere verweering en vergruizing der kristallijne gesteenten, en aldus het savannegebied heeft doen ontstaan (14) mag hier niet onvermeld blijven, evenmin de daarmede in verband gebrachte terrasvormige bouw van Suriname, dat als geheel beschouwd, een geleidelijk zeewaarts neigende oppervlakte vertoont met nagenoeg evenwijdig aan de kust verloopende treden, voor welke geen tektonische oorzaak te vinden is en die tot ver in het binnenland reikende strandlijnen zouden vertegenwoordigen. (14 en 17)
Niet altijd hebben deze uitgestrekte, door oerwoud omringde open terreinen hun ontstaan aan de plaatselijke ontwikkeling eener zandformatie te danken. Ook op klei- of leembodem kan zich een savannevegetatie ontwikkelen, wanneer het terrein gedurende den ganschen regentijd onder water staat en in den drogen tijd uitdroogt. Zulke tijdelijk uitgedroogde moerassen noemt men overstroomingssavannes.
Dat savannes met haren eigendommelijken schaarschen plantengroei niet tot het eigenlijke savannegebied beperkt zijn, werd boven reeds vermeld. Niet altijd vormt zand den bodem dezer savannes. Nabij de zuidgrens van Suriname zijn door de Gonini-, de Tapanahoni- en de Toemoekhoemak-expedities uitgestrekte savannes aangetroffen, die nu eens met grijze aarde, hier en daar met zand afwisselend bedekt zijn, dan weêr op talrijke plaatsen een rotsachtigen bodem hebben. Eene overvloedige grasvegetatie met eenig laag boom- en struikgewas, enkele Mauritiapalmen, wilde ananassen treft men op deze savannes aan. Hoewel uitdrukkelijk verklaard wordt, dat deze savannes geen z.g. overstroomingssavannes zijn, geven de weinige gesteentemonsters, die door genoemde expedities op deze savannes verzameld zijn, geen aanleiding tot het vermoeden, dat de samenstelling van het gesteente de oorzaak is, dat het oerwoud zulke plekken niet verovert, want van deze plaatsen zijn slechts granietieten en granieten medegebracht, gesteenten dus, die door verweering een bodem van hooge voedingswaarde geven.
Evenmin als nu een scherpe grens kan getrokken worden tusschen het eigenlijke alluvium van Suriname's kustgebied en de meer landwaarts ontwikkelde oud-kwartaire vormingen, evenmin is een scherpe begrenzing van het bergterrein en de oudere aanslibbingsgronden mogelijk, want in laatstgenoemd gebied ontbreken hoogten, waar het vaste gesteente
| | | |
aan den dag treedt, niet geheel, terwijl tijdens groote droogte het uit het water verrijzend gesteente in het rivierbed bij het opvaren reeds moeilijkheden geeft, waar in het aangrenzend oeverland slechts jongere aanslib bingsgronden kunnen verzameld worden. (14, 35, 45, 49)
Zooals boven reeds werd opgemerkt, is het uitgestrekte bergland van Suriname opgebouwd uit gesteenten, die tot de oudste vormingen der aardgeschiedenis behooren en door de geologen Archaeische vormingen worden genoemd. De gesteenten uit het archaeische tijdvak rusten onmiddellijk op de stollingskorst der aarde, welke nergens met zekerheid is aangetoond en worden door de gesteenten uit de oudste formatie van het palaeozoisch tijdvak concordant of discordant overdekt, zoodat zij vóór laatstgenoemde gesteenten ontstaan moeten zijn.
Slechts op enkele plaatsen van het aardoppervlak treden de archaeische vormingen uit het machtige dek van in latere tijdvakken gevormde gesteenten te voorschijn en vertoonen zich dan als de voetstukken van een eertijds veel hooger bergterrein, waaraan de nivelleerende krachten gedurende een reeks van tijdperken, elk van zeer langen duur, onafgebroken hebben gearbeid. De kristallijne schiefers, d.z. die gesteenten van het archaeische tijdvak, welke aequivalent zijn met de sedimenten uit latere tijdvakken, hebben met deze den laagsgewijzen bouw en met de stollingsgesteenten de kristallijne natuur gemeen. De klastische natuur, die hen oorspronkelijk eigen was, is door een diepgaande metamorphose geheel verloren gegaan of is in enkele gevallen nog slechts door een nauwkeurig microscopisch onderzoek vast te stellen.
Het proces dezer metamorphose, waaraan de kristallijne schiefers hun eigenaardig karakter ontleenen, heeft bestaan in een omkristallisatie of ommineralisatie van klastische of verbrijzelingsgesteenten, zonder dat hunne chemische samenstelling belangrijke wijzigingen onderging. De groote beteekenis van aanzienlijke drukwerkingen bij de vorming der kristallijne schiefers heeft men reeds lang uit het bekende verschijnsel afgeleid, dat in streken, waar zeer groote storingen of dislocaties hebben plaats gegrepen, die uit den tektonischen bouw van het gebergte blijken, de metamorphose doorgaans den hoogsten graad bereikt.
De druk, die het archaeische terrein van Suriname heeft ondergaan, spreekt voor het geologisch niet geoefende oog reeds duidelijk uit de buigingen en plooiingen, die het door een duidelijke parallelstructuur gekenmerkt gesteente op talrijke plaatsen vertoont en uit de standvastige richting, die vele steenen dammen en geïsoleerde rotspartijen in de rivier, onafhankelijk van de richting, waarin deze stroomt, vertoonen. Daar nu ook de voortzetting van vele dezer dammen, n.l. de rugvormige bodemverheffingen aan de oevers en nog verder het oerwoud in, deze standvastige richting, n.l. de O.-W., resp. N.W. - Z.O. - richting blijven volgen, (35, 45, 49) zoo volgt hieruit, dat de plooiïng door een druk in het leven is geroeven, die in N. - Z.,- resp. N.O. - Z.W.-richting heeft gewerkt. (14, 35, 39, 45, 49) De eigenaardige topographische gesteldheid van het Surinaamsche bergland is dus, voor zoover de archaeische schiefers betreft, te voorschijn geroepen door herhaalde afwisseling van meer en van minder gemakkelijk verwoestbare, geplooide gesteenten, en door vernietiging en verwijdering, op de voetstukken na, van het geplooide massief. Deze resten van eertijds samenhangende plooien, niet zelden opgebouwd uit bijna vertikaal staande gesteentelagen, hebben zeer steile bergrugjes in het leven geroepen, die vooral in het noordelijk deel van het Surinaamsche bergterrein door hunne standvastige richting en de regelmatige opvolging reeds den niet-geoloog opvallen. (41) Bij het kappen van een pad door het oerwoud in zuidelijke richting, springt deze topographische gesteldheid het duidelijkst in het oog; bergrugjes, met evenzoovele valleien afwisselende, waardoorheen kreken een weg naar den hoofdstroom nemen, volgen in wanhopig aantal elkander op en hunne standvastige richting vergoedt de moeilijkheden, die de onafgebroken oerwoudbedekking den topograaf biedt.
Daar de richting der hoofdstroomen bepaald wordt door de algemeene helling van het gebergte en in het algemeen loodrecht staat op die van den hoofd kam, het Toemoek-Hoemak gebergte en zijne voortzetting: den Wilhelminaketen, zoo hebben de rivieren van Suriname zich dwars op de plooien van het gebergte een weg zeewaarts moeten banen, en van daar de groote verschillen in het karakter der Surinaamsche rivieren met dat van de groote stroomen van Zuid-Amerika. Terwijl de laatste, zooals de Orinoco, de Amazone en de la Plata, hunnen weg nemen door secundaire en tertiaire terreinen, hebben de rivieren der Guiana's smalle doorgangen ingegraven in de eindelooze versperringen van harde kristallijne gesteenten; van daar de vorming van tallooze watervallen en stroomversnellingen, die den reizigers op de rivieren bijna tot wanhoop brengen.
De watervallen zijn de plaatsen, waar een hard, moeilijk uitschuurbaar gesteente de versperring vormt en deze watervallen en stroomversnellingen wisselen met riviervakken af, die vrij van rotsen zijn. Voor het meerendeel hebben deze watervallen echter niet aan kristallijne schiefers hun ontstaan te danken, doch aan harde, moeilijk verweerbare, meer in het bizonder fijnkorrelige granieten (veelal hoornblende bevattend) en basische stollingsgesteenten, die op talrijke plaatsen door het archaeische terrein zijn heengebroken. en die in de kolonie boven de schiefers belangrijk de overhand hebben.
Terwijl eenige der oudere geologen, zooals Brown en Sawkins, zonder ernstige argumenten voor Engelsch Guiana aannemen (8), dat de archaeische schiefers op een oudere granietformatie rusten, is door talrijke waarnemingen in de drie Guiana's, die in geologisch opzicht één geheel vormen, genoegzaam vastgesteld, dat het archaeische terrein ouder is en later op talrijke plaatsen door graniet doorbroken is, dat, evenals elders, de bekende contactverschijnselen in de aangrenzende schiefers te voorschijn riep.
Beginnen wij dus met de archaeische schiefers als oudste vormingen. Daar de beperkte plaatsruimte verbiedt in te gaan op tal van bizonderheden, die slechts voor den geoloog en petrograaf van belang zijn en die te vinden zijn in de speciale in het litteratuuroverzicht vermelde werken, (14, 15, 35, 39, 47, 48, 49, 50, 54) mag hier met eenige der belangrijkste feiten volstaan worden.
Het archaeische terrein is opgebouwd uit talrijke schiefers, ook wel schisten of schalies genoemd, die de gneiss-, de glimmerschiefer- en de phyllietformatie vertegenwoordigen. De eindelooze verscheidenheid in de mineralogische samenstelling geven tot talrijke varieteiten aanleiding - te veel om hier zelfs te noemen. Het karakter der Surinaamsche schiefers, waaronder talrijke gneiss- en glimmerschiefervarieteiten een hoofdrol spelen, geven aanleiding, het archaeische complex van Suriname tot
| | | |
de jongste afdeeling van dit tijdvak te brengen, de kristallijne schieferformatie, ook wel de huronische schieferformatie genoemd. (14)
Het is onmogelijk, hier een overzicht te geven van de verspreiding der archaeische schiefers in de kolonie; want bij de boven reeds opgesomde moeilijkheden, die het geologisch onderzoek er ondervindt, komt nog een andere moeilijkheid zich voegen, die een grensbepaling op het terrein in den weg staat, nl. de drukwerking, waaraan ook de later door de schiefers heengedrongen stollingsgesteenten zijn blootgesteld geweest en die ook in deze gesteenten een zekere schiefering heeft teweeg gebracht, waardoor zij van de echte schiefers, de gemetamophoseerde oudste sedimenten, op het terrein veelal zeer moeilijk onderscheiden kunnen worden. (Zie later.)
Moet men in een land als Suriname, waar de vaste rots slechts plaatselijk aan den dag komt, zeer op zijn hoede zijn, om niet tot verkeerde opvattingen te komen omtrent de verhoudingen, waarin de waargenomen gesteenten optreden, nog grooter reserve dient men in acht te nemen, als men weet, dat het meerendeel der verzamelingen door niet-geologen is bijeengebracht.
Slechts de verzamelingen van de Suriname-expeditie in 1884, van de Nickerie-expeditie in 1900 en van de Gonini-expeditie in 1903 zijn van geologen afkomstig, terwijl op de overige expeditiën door Suriname's binnenland enkele gesteenten, op afstanden soms van 5-11 kilometers, ‘voor de hand weg’ verzameld werden door leeken in de geologische wetenschap, aan wien optredende verschillen in den bouw en de samenstelling van het gesteente wegens de onafgebroken donkergetinte verweeringskorst zeer gemakkelijk aan het oog konden ontsnappen.
In dit verband mag de vraag gesteld worden of het toeval is, dat juist in de drie bovengenoemde uitzonderingsgevallen de archaeische schieferformatie, telkens afgewisseld door stollingsgesteenten, een niet onbelangrijk aandeel bleek te hebben aan de samenstelling des bodems, terwijl op de lijst van gesteenten, op de overige expedities bijeengebracht, slechts enkele echte schiefers voorkomen? Wanneer men voor de vindplaatsen der gesteentemonsters de kaarten der verschillende expeditien raadpleegt, is het niet moeilijk voor dit aan ieder geoloog opvallend feit, nog een andere oorzaak aan te wijzen.
Het moet dan opvallen, dat zeer vele gesteentemonsters, zoo niet de meesten, geslagen werden op watervallen en stroomversnellingen en op uitstekende bergverheffingen in het oerwoud. Daar nu deze plaatsen, behoudens eenige uitzonderingen, aan stollingsgesteenten, de moeielijk verweerbare gesteenten, hun ontstaan te danken hebben, zijn de voor een leek onverklaarbare afwijkingen op eenvoudige wijze opgelost. Een blik op de geologische kaart van oostelijk Suriname (35) moet hem in de juistheid dezer verklaring nog meer versterken.
Op verschillende punten zien wij dan de archaeische schiefers over korte afstanden aan de oppervlakte treden, nu eens herhaaldelijk afgewisseld door stollingsgesteenten, om dan weêr over aanzienlijke oppervlakten door deze laatsten geheel verdrongen te worden. In het oerwoud treden de schiefers veelal in reeksen van in O. - W.- waarts, respect. Z.O - N.W.-waarts te vervolgen reuzenblokken op, die de aan basische mineraalbestanddeelen rijke, dus aan de verweering grooter weerstand biedende leden van de archaeische formatiereeks zijn, terwijl het eveneens de hardere schiefers zijn, die in gelijke richting het stroombed doorsnijden en dan op enkele punten stroomversnellingen en watervallen te voorschijn roepen, zooals bij Brokopondo in de Surinamerivier (14) en op Stondansi, de Lombokval en de Wilhelminavallen in de Nickerie. (49)
Uit den vertikalen of nagenoeg vertikalen stand dezer schiefers, in verband met een herhaalde afwisseling van open riviervakken - de plaatsen waar de stroom zachtere, gemakkelijk uitschuurbare gesteenten op zijn weg ontmoette - met breedere, met rotsen bezaaide stroomgedeelten, leeren wij het archaeische terrein als een stelsel van lagen kennen, die door sterke samendrukking geplooid zijn geworden, en waarvan de hardere leden alleen bewaard zijn gebleven. (14)
Daar, waar ons meerdere gegevens ten dienste staan, zooals in het oostelijk gedeelte der kolonie en in het Nickeriegebied, blijkt van een zekere regelmaat in de verspreiding aan de oppervlakte, zooals na het eerste meer volledig onderzoek van het stroombed der Surinamerivier aangenomen werd (14) weinig (vergelijk de kaarten in 14, 35, 49).
Wel kan in het algemeen gezegd worden, dat het bergland van Suriname mag onderscheiden worden in een noordelijk gedeelte of strook, waarin de archaeische schiefers met basische stollingsgesteenten een groote rol spelen, en in een zuidelijk gedeelte, waar graniet overheerscht; doch de gegevens, die de verzamelingen der Coppename-expeditie en de daarop gevolgde expeditiën door de binnenlanden ons hebben gebracht, (38, 42, 47, 48, 54) zijn verre van voldoende voor de voorstelling, welke is neergelegd in een der nieuwere kaarten der kolonie, die een algemeen beeld moet geven van hare bodemgesteldheid. (53) Aan den eenen kant komen immers in het op deze kaart aangenomen noordelijk gebied der basische gesteenten terreinen voor, waar het gesteente overwegend granietisch is, terwijl in het zuidelijk gebied der granieten volgens de gepubliceerde gesteentebepalingen op talrijke plaatsen archaeische schiefers en basische stollingsgesteenten optreden. (Hier mogen o.a. genoemd worden het uitgestrekte granietgebied tusschen den Blanche Marieval en de Koffiekreek in de Nickerie in het z.g. gebied der basische gesteenten en vooral de menigvuldige voorbeelden van archaeische schiefers en basische stollingsgesteenten die, in verhouding tot de verzamelde gesteentemonsters in het zuidelijk gebied der granie tische gesteenten zijn bijeengebracht: amphiboolbiotietschist in de linker-Coppename, biotietgneiss, amphibolbiotietgneiss en amphiboolschalie in de Itanie boven de monding der Oelemarie; gabbrodiabaas en biotietdiabaas in de rechter-Coppename, kwartshoudende gabbrodiabaas, schistachtige geüralitiseerde diabaas in de linker-Coppename; oliviendiabaas en hyperstheendioriet op de helling van den Hebiweri; diabaas in de Boven-Saramacca boven de Toekoemoetoe, in dezen zijtak en tusschen dezen en den Hendriktop, op den Ebbatop der van Aschvan Wijk-keten, in de Itanie boven de monding der Oelemarie enz. enz.).
Belangrijke feiten werden aan het licht gebracht door microscopisch onderzoek van een aantal schiefers uit het stroombed der Coppenamerivier (39), uit het Mindrinittidistrict, en over een vrij groote uitgestrektheid aan de Marowijne. Op het gebied der normale archaeische schiefers, vertegenwoordigd door korrelige gneissvarieteiten, de normale biotietgneiss en de sillimannietgneiss en in het noordelijk deel van het Coppenamedal ontwikkeld, volgt een 19 kil. breede strook, die uit z.g. contactmetamorphe gesteenten is opgebouwd, als hoornsteen en kristal- | | | | lijne grauwacke, die door later daarin doorgebroken graniet en dioriet uit leisteen, grauwackeschiefers en leisteenachtige phyllieten moeten ontstaan zijn. Op deze plaats werd dus de ontwikkeling van sedimentgesteenten aangetoond, wier oorspronkelijk klastische natuur - n.l. de opbouw uit brokstukjes van andere gesteenten - somtijds nog duidelijk was waar te nemen, en die, jammer genoeg, slechts door hunne contactmetamorphe omzettingsproducten vertegenwoordigd zijn. De argumenten, die voor een palaeozoischen ouderdom werden aangevoerd, kunnen hier onvermeld blijven, daar het ontbreken van fossielen den ouderdom dezer gesteenten wel altijd onbeslist zal laten.
Gelijksoortige verandering van eertijds klastische gesteenten door contact met een eertijds gloeiende brei, die graniet opleverde, werd aan de Marowijne op de hoogte van het Nassaugebergte aangetoond (35).
De graniet, die zooals boven reeds werd opgemerkt, door de schiefers is heengebroken en er zich hier en daar duidelijk dekvormig over heeft uitgebreid, is dus jonger. Nu eens vormt dit gesteente smallere of breedere gangen door het archaeische systeem heen, dan weer treedt het in grootere massiefs op, zooals aan de Surinamerivier tusschen Koffiekamp en Toledo, (14) en aan de Nickerierivier tusschen een punt, even bezuiden Franskreek en de Tom dédekreek, over welke uitgestrektheid slechts eenmaal een afwisseling door archaeische schiefers (Lombokval) werd waargenomen. (49)
Zijn de granieten in de kolonie gelijktijdig of na elkander tot uitbarsting gekomen? Waar zijn de voornaamste eruptiepunten gelegen en met welk dier centra moet elk optreden in verband worden gebracht?
De terreinstudie aldaar biedt zóó groote. moeielijkheden aan, het verband tusschen de verschillende gesteenten is zoozeeruitgewischt, dat het nu nog onmogelijk is, op deze vragen een stellig antwoord te geven. Slechts op enkele onderstellingen mag hier de aandacht gevestigd worden.
Eene petrographische studie der bovengenoemde contactmetamorphe sedimentgesteenten uit het Coppenamedal gaf, in verband met hunne ligging tegen de archaeische schiefers aan en wegens hunne overeenkomst met gelijksoortige gesteenten uit talrijke, nauwkeurig onderzochte streken, aanleiding, hen voorloopig een palaeozoischen ouderdom toe te kennen. Mocht deze bepaling de juiste blijken, dan zou voor een deel der granieten, omdat zij de bewerkers der contactmetamorphose zijn geweest, een palaeozoischen ouderdom moeten worden aangenomen. (39)
Een andere onderstelling, waaraan echter geene voldoende geologische feiten ten grondslag liggen, is deze, dat het zuidelijke granietgebied (zie boven), waarin dit gesteente, behalve in de vlakte en vlakgolvende gebieden, ook bergvormend optreedt (de Voltz- en van Stockumbergen, de Jan Basi Gado, de Hendriktop, de de Kockberg, de Kassi-Kassima enz.) jonger is dan de granietdoorbraken, die in het noordelijke gebied der basische gesteenten vlak golvende of vlakke terreinen vormen en hier een ondergeschikten rol spelen (46). De redeneeringen, die hieraan worden vastgeknoopt zijn te duister en te ingewikkeld, om op deze onderstelling verder in te gaan.
Belangwekkender zijn de feiten, die door het nauwkeurig petrographisch onderzoek der vele in verschillende deelen der kolonie verzamelde granieten aan het licht zijn gekomen. Het spreekt wel van zelf, dat waar meerdere gesteentemonsters uit een zelfde vindplaats of uit zeer nabijgelegen vindplaatsen voor dit onderzoek beschikbaar waren, zooals gezegd kan worden van de verzamelingen van de Surinamerivier (14, 35) en van het stroomgebied der Nickerie, (49) een helderder inzicht in de onderlinge gesteenteverhoudingen kon verkregen worden, dan wanneer de vindplaatsen meerdere kilometers van elkander verwijderd liggen.
Overal, waar in de bedding van eerstgenoemde rivier graniet optreedt (Worsteling Jacobs, Phaedra en verder tusschen Koffiekamp en Toledo), is het normale gesteentetype z.g. biotietgraniet, waarvan de hoofdbestanddeelen zijn: witte, gele, zeldzamer roode veldspaath, die voornamelijk orthoklaas, doch ook niet zelden plagioklaas is, bruine of zwarte biotiet en grijze kwarts. De structuur dezer biotietgranieten is doorgaans fijn- of middelkorrelig.
Uit dit gesteentetype zijn nu, het zij door wijzigingen in de structuur en in de samenstelling, hetzij door het optreden van nieuwe mineralen, tal van granietvariëteiten ontstaan, die geleidelijk in elkander overgaan, zoo zelfs, dat niet zelden een zelfde handstuk twee varietieten naast elkander laat zien.
Volkomen dezelfde verschijnselen leerde het onderzoek der gesteenten uit het stroomgebied der Nickerie kennen, ja, hier bleken, wellicht door het grooter aantal beschikbare monsters uit een zelfde plaats, zelfs de differentiaties nog verder te gaan, zoodat de graniet met gesteenten van de grootste basiciteit door tal van onmerkbare overgangen verbonden is.
Nu eens nemen op bepaalde plaatsen in den graniet hetzij de orthoklaas of de plagioklaas, die in de Surinaamsche granieten zelden ontbreekt, hetzij de kwarts toe, of er ontstaat door optreden of toename van pyroxeen augietbiotietgraniet, dan weêr treedt de glimmer terug. Zeer dikwijls ook neemt de hoornblende, die in vele granieten een nevenbestanddeel is, zoozeer de overhand, dat hoornblende-biotietgranieten ontstaan, welke op hunne beurt in diorieten overgaan.
Waren uit het stroomgebied der Surinamerivier reeds lang zulke gesteentemodificaties bekend (aan hoornblende rijke slieren in den graniet) (14), die aan uitscheidingsverschillen van een zelfde gloeiende brei of magma, meer bepaaldelijk aan stroomingen in het magma werden toegeschreven, nog duidelijker bracht het onderzoek der Nickerie-gesteenten aan het licht, dat magmadifferentiaties tot tal van over gangsgesteenten tusschen de meest zure granietvariëteit en de stollingsgesteenten van opeenvolgende graden van basiciteit hebben aanleiding gegeven, zooals dit o.a. in het granietmassief van den Brokken in het Hartsgebergte, in de granieten van het Schwarzwald en in andere streken het geval is geweest. Deze scheiding in basische of kalkrijke en zure of kalkarme gesteenten uit een zelfde magma komt hierop neer, dat een concentratie der ijzer- en magnesiasilicaten en der kalk-kleiaarde silicaten langs de randen, die het eerst afkoelen, pleegt plaats te vinden, terwijl de kiezelzuur (als kwarts) en de kiezelzuurrijke silikaten zich in het midden ophoopen. Loopt reeds het voor Suriname normale graniettype, de biotietgraniet, in het stroomgebied der Nickerie in allerlei richtingen uiteen - om aan den eenen kant in het meest zure lid der granietrij, in de grofkristallijne pegmatiet over te gaan, die zich onderscheidt door groote orthoklaaskristallen, door soms vuistgroote lichtgetinte kwartsuitscheidingen en zilverwitte glimmerbladen, om aan den anderen kant door langzame overgangen in apliet, een uiterst fijn- | | | | korrelig, zeer glimmerarm granietgesteente te veranderen, of door voortdurende toename van hoornblende tot het ontstaan van hoornblendegranieten aanleiding te geven - ook naar de diorietrij en naar de gabbrogesteenten komen in dit gebied, dikwijls over korte afstanden, allerlei overgangsgesteenten voor. Zoo ontstaan o.a. door op den voorgrond treden van plagioklaas granodiorieten, die een overgang vormen tot de biotiethoudende kwartsdiorieten, uit welke laatste weder door een hooger gehalte aan pyroxeen hyperstheendiorieten, met of zonder biotiet ontstaan, die op hun beurt door het optreden van diallaag in gabbrogesteenten, hetzij kwartsvrij of kwartshoudend hetzij met of zonder hoornblende over gaan, enz. enz. (49, 50).
Konden dus de tallooze in allerlei richtingen uiteenloopende verschillen, die de gesteenten van eruptieve natuur in het westen der kolonie dikwijls over korte afstanden in hunne samenstelling vertoonen, slechts door differentiaties verklaard worden, die de uitbarstingsproducten van een zelfde tijdvak der aardgeschiedenis bij hunne afkoeling hebben ondergaan, dan worden wij van zelf tot de vraag gevoerd, in welke betrekking de hier besproken stollingsgesteenten uit de westelijke deelen van Suriname tot de diabasen staan, welke uit de overige deelen der kolonie herhaaldelijk vermeld worden en het eerst uit het stroomgebied der Surinamerivier beschreven werden. (14).
Diabaas is eveneens een oud stollingsgesteente van basisch karakter, in hoofdzaak samengesteld uit een korrelig mengsel van plagioklaas en augiet, welk laatste mineraal er een groene tint aan geeft. Met diorieten en gabbro's vormt het den groensteen (‘Grünstein’) der oudere schrijvers (3), een collectiefnaam, die na de nauwkeurige gesteente (3) onderzoekingen van den lateren tijd geen zin meer heeft.
In het stroomgebied der Surinamerivier, in de bedding zoowel van den hoofdstroom, als van de Para, een zijner belangrijkste zijrivieren, treden op talrijke plaatsen basische stollingsgesteenten op, die nu eens als dioriet, doch in de meeste gevallen als diabaas bepaald werden (14). Deze diabasen hebben in dezelfde mate tot het tot standkomen van het bodemrelief bijgedragen als de hypersteendiorieten en de gabbro's van westelijk Suriname. In de rivier vormen zij moeilijk uitschuurbare dammen en dientengevolge watervallen en stroomversnellingen, terwijl reeksen van dicht aan elkander sluitende ronde koepels, die boven het omringende terrein uitsteken, en somwijlen een hoogte van 200 M. bereiken, de voortzetting dezer dammen vormen.
Deze diabaaskoepels zijn, evenals de dioriet- en gabbrokoepels, die in het gebied der Boven-Nickerie ter hoogte van den Blanche Marieval en van Agokiri-mi voorkomen, de door wateruitschuring gevormde overblijfselen van een ter plaatse doorgebroken basisch stollingsgesteente, dat grooter weêrstand bood aan de verweeringsinvloeden, dan de omringende gesteenten, hetzij archaeische schiefers, hetzij stollingsgesteenten van geringe basiciteit. (49)
Merkten wij zooeven reeds op, dat in de zuidelijke deelen der kolonie granieten veelvuldig bergvormend optreden, in de noordelijke deelen zien wij nu juist de bassiche stollingsgesteenten, als diorieten, gabbros en diabasen zeer belangrijk aan het bodemrelief deelnemen. (46, 49)
Ook in het stroomgebied der Saramacca zijn op enkele plaatsen gesteenten verzameld, die als diabaas bepaald werden, zooals bezuiden Asoenoebo, op den Dikkifakkaval boven Aterebota, en tusschen den Hendrik top en de Toekoemoetoe; nog meer naar het Westen, in het stroomgebied der Coppename, dus het stroomgebied der Nickerie naderend, treden met diabaasgesteenten ook gabbros op. Hyperstheengabbro wordt gemeld aan de monding der Kwarikreek (39), in verbinding optredend met een grofkorrelig gesteente, dat arm is aan donkergetinte mineraalbestanddeelen en als pegmatietische kwarts-hypersteengabbro werd bepaald. Waren niet toevalligerwijze door een niet-geoloog twee gesteentemonsters van dezelfde plaats geslagen, dan had de petrograaf, die ze onderzocht, niet de meening kunnen uitspreken, dat wij hier te doen hebben óf met een zure uitscheiding van het normale hypersteengabbromagma (dus met een magmadifferentiatie) óf met het stollingsproduct eener navloeing van een zuurdere brei.
Een merkwaardig punt in de Coppename vormen de Tonckensvallen met hunne voortzetting: de 450 M. hooge Hebi-weri. Hier komen verschillende basische stollingsgesteenten voor, die bepaald werden als hyperstheennoriet, oliviendiabaas en oliviengabbro. De val schijnt in hoofdzaak uit laatstgenoemd gesteente te zijn opgebouwd, terwijl beide eerstgenoemde gesteenten de helling van genoemden top samenstellen. Hoewel hier geen terreinstudiën door geologen gedaan zijn, mag wel met voldoende zekerheid worden aangenomen, dat de genoemde gesteenten, die ook in andere landstreken in elkanders gezelschap optreden, de stollingsproducten van eenzelfde magma zijn, ons dus wederom met magmadifferentiaties bekend maken, die in westelijk Suriname een zoo groote rol spelen. Wegens de nauwe verbinding van gabbro en diabaas is deze vindplaats van beteekenis, want zij geeft steun aan de meening, dat de diorieten, gabbros en diabasen de stollings gesteenten van een zelfde eruptieperiode zijn en zij doet verwachten, dat de gabbros niet alleen tot de westelijke deelen der kolonie beperkt zullen blijken. In verband hiermede mag gewezen op het vermoeden, dat vele gabbro's bij de diabasen zijn ondergebracht (39, 50).
In strijd met de hier in het kort uiteengezette denkbeeld omtrent het verband, waarin de basische stollingsgesteenten van Suriname tot de gesteenten van een zuur karakter, als graniet, staan, is de meening, die het eerst voor het stroomgebied der Suriname werd uitgesproken (14) en die we telkens in de geologische litteratuur betreffende de kolonie terugvinden, dat diabasen jonger zijn, dan de granieten, en door deze, doch vooral door de archaeische schiefers, die geringeren weerstand boden, zijn heengebroken. Herhaaldelijk wordt verzekerd, dat diabaas gangvormig optreedt, en zich als een dak over de schiefers of somwijlen over den graniet heeft uitgebreid, dus jonger dan deze is.
Dat gabbros en diorieten door den graniet zijn heengebroken, kon voor het Westen der kolonie nergens worden aangetoond; integendeel werd de aandacht gevestigd op een gangvormige uitscheiding van een pegmatietgraniet in een gabbrogesteente aan den voet van den Blanche Marieval. (49)
Daar in Venezuela de diabaas met een zandsteen afwisselt, die als krijtzandsteen bepaald werd, welke vorming zich, door Engelsch Guyana heen, nog tot aan de grens van Suriname (tot even boven de mon ding der Kabalebo) voortzet, is de meening uitgesproken, dat de diabasen stollingsgesteenten van het krijttijdvak zouden zijn (14).
Bij de zoo talrijke overeenkomsten in den bouw en in de samenstelling des bodems tusschen beide Guyanas moet het ontbreken der genoemde zandsteen- | | | | formatie (natuurlijk niet te verwarren met den reeds besproken zandsteen, die tot de oudere aanslibbingen der rivieren behoort, in onze kolonie bevreemden. Om deze moeilijkheid uit den weg te ruimen, is de hypothese uitgesproken (14) dat in Suriname de zandsteen met de daarmede afwisselende jongere diabasen door erosie verwijderd is, terwijl alleen het oudere diabaasdek, dat in Engelsch Guiana onmiddellijk op den graniet rust, bewaard is gebleven. In verband met deze meening wordt de aandacht gevestigd op de vermelding van de zandsteenformatie aan den Itaféval in de Kabalebo, op een zandsteen onder de gesteenten, die bij Nooitgedacht werden verzameld, op een kleischiefer van Victoria en op een fossielen bevattenden kalksteen van Carolina, gesteenten die ook in de krijtformatie van Venezuela optreden (14), en waarbij nog gevoegd kan worden een rolsteen, in de bedding der Nickerie nabij de monding der Paris Jacobkreek verzameld, en volkomen met den zandsteen in de Corantijn, boven de monding der Kabalebo, overeenkomende (49 en 50). Dit is alles, wat het voorkomen van krijtafzettingen in onze kolonie, hoewel in beperkte verspreiding, slechts doet vermoeden.
Uit het belangrijk aandeel, dat, meer in het bizonder in de noordelijke deelen van het Surinaamsche bergland, bij het tot standkomen van het bodemrelief aan de basische stollingsgesteenten toekomt, mogen wij verwachten, dat deze invloed ook in den loop der rivieren tot uitdrukking zal komen. Reeds door een blik op de kaart springt dit verband onmiddellijk in het oog, want de plaatsen waar, ten zuiden van de 5e breedtegraad, de hoofdrivieren (Corantijn, Nickerie, Coppename, Saramacca en Suriname) in oostelijke richting worden afgeleid, vallen samen met een van het westen naar het oosten de kolonie doorsnijdend overgangsgebied (volgens anderen contactgebied) van zure en basische gesteenten (43, 46).
Dat de plaatselijke geognostische gesteldheid van zeer grooten invloed is op den rivierloop en op het karakter harer bedding, zou voor Suriname nog door vele andere voorbeelden kunnen worden aangetoond.
Met enkele voorbeelden mogen wij volstaan:
In het algemeen is de bedding van den middenloop daar, waar de rivier door gemakkelijk uitschuurbare schiefers heenbreekt, smal, en zien wij het bed zich plotseling belangrijk verbreeden en watervallen optreden, waar een hard stollingsgesteente, meer in het bijzonder een basisch stollingsgesteente in den weg treedt, zoo zien wij de rivier in haren middenloop daar zich sterk en herhaaldelijk winden, waar gemakkelijk en moeielijk uitschuurbare gesteenten telkens met elkander afwisselen; een doorgaans O-W gerichte doorbraak van een basisch stollingsgesteente te midden van graniet doet de stroom een eindweegs loodrecht in de algemeene richting afwijken. In den bovenloop der Surinaamsche rivieren, waar graniet het overheerschend gesteente is, is de bedding over het algemeen breed, weinig diep ingesneden en bezaaid met ellipsvormige eilanden. Ook hier zijn de smalle riviervakken de plaatsen waar de rivier een schiefergebied doorsnijdt (zie vooral 17.)
Toch moeten wij ons er voor wachten, teveel te generaliseeren en overal graniet in te schetsen, waar wij op de kaart een breed, met eilanden bezaaid riviervak vinden aangegeven, want evengoed kunnen harde schiefers tot verbreeding van het bed en het ontstaan van stroomsplitsingen met watervallen aanleiding geven, zooals de Lombokval in de Nickerie geleerd heeft (49); en evengoed kan een binnentreden in den bovenloop van een telkens met dioriet of gabbro afwisselend granietgebied een verbreeding en een herhaalde stroomsplitsing met vorming van eilanden ten gevolge hebben - ja, ik zou haast geneigd zijn, én uit hetgeen het onderzoek der Nickeriegesteenten geleerd heeft (35) én uit eene studie van de kaarten der verschillende topographische expeditiën door het Surinaamsche binnenland - aan de diorieten en andere basische stollings-gesteenten bij het tot standkomen van breede, aan eilanden rijke gedeelten in den bovenloop der rivieren van Suriname een grootere rol toe te kennen dan aan de granieten.
Aan het slot van dit overzicht, dat ten doel heeft, een algemeen denkbeeld te geven omtrent den bouw en de samenstelling van Suriname's bodem, en dat uit den aard der zaak verre van volledig kan zijn, mogen nog enkele woorden gewijd zijn aan merkwaardige verschijnselen, die het onderzoek der Surinaamsche stollingsgesteenten aan het licht hebben gebracht, en de oorzaak zijn van de boven reeds aangestipte moeielijkheden, die zich bij eene begrenzing op het terrein van de archaeische schiefers en de door deze heen gebroken stollingsgesteenten voordoen.
De archaeische schiefers van Suriname vertoonen, zooals bij de behandeling van de gesteenten uit dit tijdvak werd opgemerkt, doorgaans een steilen, somtijds vertikalen stand, waaruit blijkt, dat algemeene, sterke storingen in de oorspronkelijke ligging hebben plaats gehad. Deze storingen werden niet minder duidelijk door het microscopisch gesteenteonderzoek aangetoond, dat vooral bij biotietgneiss en sillimannietgneiss (39, 59) de merkwaardigste dynamometamorphe verschijnselen aan het licht bracht.
Nog merkwaardiger zijn de veranderingen, die de stollingsgesteenten door drukwerkingen hebben ondergaan, daar zij zich niet slechts bepalen tot wijzigingen in structuur en samenstelling van het gesteente, die aan het bloote oog ontsnappen, doch dikwijls zoover gegaan zijn, dat uit een zuiver massaal gesteente een duidelijk geschieferd gesteente ontstond, dat bijv. uit een graniet met eene richtingslooze samenvoeging der mineraalbestanddeelen, een volkomen op gneiss gelijkend gesteente geboren werd. Rosenbusch heeft zulke massale gesteenten, die door dynamometamorphose eene geschieferde textuur hebben verkregen ‘orthoschiefers’ genoemd in tegenstelling van ‘paraschiefers’, die oorspronkelijk laagsgewijs zijn afgezet, doch door druk een secundaire schiefering hebben aangenomen, die men drukschiefering heeft genoemd.
In Engelsch Guyana werden door Brown en Sawkins herhaaldelijk geschieferde granieten, z.g. orthogneissen als echte gneissen bepaald, tengevolge waarvan eene scherpe begrenzing der granietformatie en de werkelijke archaeische terreinen op hunne kaart niet mogelijk is (14). Dezelfde moeilijkheden deden zich in het district Nickerie voor, zoodat gesteenten, die op het terrein als biotietgneiss bepaald werden, later gedrukte granieten bleken te zijn, of ook wel hoornblendegneissen tot de diorieten en pyroxeengneissen tot de gabbros bleken te behooren. (49, 50)
Doch ook in die gevallen, waarin de drukwerking of de kataklase niet tot een duidelijke schiefering voerde, is de oorspronkelijke structuur der stollingsgesteenten steeds meer of minder verloren gegaan. Zoo goed als geen enkele graniet, die miscroscopisch nauwkeurig werd onderzocht, bleek aan den invloed
| | | |
van den druk ontkomen te zijn. Het kwartsbestanddeel vortoonde dezen invloed het fraaist, ja zelfs kan men de mate, waarin het gesteente aan den daarop uitgeoefenden druk heeft toegegeven, uit de verschijnselen, die onder gepolariseerd licht bij dit mineraal optreden, afleiden. Gedeeltelijk vertoont de kwarts unduleuse uitdooving, veelal in den vorm van ‘Streifenquartz’, gekenmerkt door een verdeeling in smalle, langgerekte, bochtig begrensde, evenwijdige strooken, die in verschillende standen uitdooven. Vergruizing van de kwarts had plaats, wanneer de spanning een zeker hoogtepunt overschreed. Andere minerale bestanddeelen werden door den druk vervormd, - zooals glimmerplaatjes, die gebogen werden, veldspaathkristallen, die in enkele groote stukken werden gebroken - of de samenstellende elementen zijn gedeeltelijk in elkander gedrongen, gedeeltelijk zoodanig vergruisd, dat verwarde aggregaten zijn gevormd en de oorspronkelijke korrelgrootte van het gesteente er belangrijk door verminderd is geworden. In enkele gevallen zijn zelfs mineraalomzettingen van den druk het gevolg geweest, zooals de vorming van mikroklien uit orthoklaas of het ontstaan van chloriet uit vergruisde biotiet enz. (39, 47, 49, 50, 54).
De meeste diorieten en gabbros, die microscopisch werden onderzocht, vertoonen dezelfde veranderingen door drukwerking, hetgeen niet te verwonderen is na hetgeen boven werd gezegd over de betrekking dezer gesteenten tot de granieten van het Nickeriedistrict. In enkele gevallen, zooals bij een dioriet van den Blanche Marieval, is deze druk zóó hevig geweest, dat alle elementen totaal vergruisd zijn, en hunne omtrekken geheel zijn uitgewischt. Bij de gabbros en de diorieten is ook de hyperstheen niet aan den invloed der drukwerking ontkomen, evenmin bij de gabbros de diallaag, die in sommige gevallen in allerlei richtingen gebogen is, of in fijne deeltjes vermorzeld is, die strooken vormen om de uitgerekte veldspaathkristallen heen. Evenals bij sterkgedrukte granieten is de korrelgrootte van enkele onderzochte diorieten en gabbros door druk belangrijk kleiner geworden. (50)
Langer kan bij deze merkwaardige verschijnselen niet worden stilgestaan. Het voorafgaande moge voldoende zijn, om de overtuiging te vestigen, dat ook na de uitbarsting der granieten, diorieten en gabbros aanzienlijke samenschuivingen hebben plaats gehad, die evenals dit met de archaeische schiefers het geval is geweest, op de structuur en de samenstelling der genoemde stollingsgesteenten belangrijken invloed hebben uitgeoefend. Of deze drukwerkingen zich ook tot de diabaasgesteenten hebben uitgestrekt mogen nadere onderzoekingen leeren. Juist van de gesteenten, welke als diabaas werden bepaald, bezitten wij niet die uitvoerige petrographische beschrijvingen, welke van tal van granieten, diorieten en gabbros zijn gegeven, en die ons met tektonische veranderingen in het gebied dier stollingsgesteenten bekend hebben gemaakt. Wanneer het vermoeden, in strijd met de boven vermelde meening (14) mocht worden bevestigd, dat de diabasen tot dezelfde eruptieperiode behooren, zullen ook zij wel niet van den invloed der drukwerkingen zijn vrij gebleven.
Hoe groot de invloed van drukwerkingen op de Surinaamsche stollingsgesteenten is geweest, moge blijken uit eene meening, die in den laatsten tijd is uitgesproken en die nagenoeg alle geschieferde gesteenten in onze kolonie wil terugvoeren tot contactof dynamometamorphe werkingen, zoodat bijna het gansche bergterrein van Suriname tot de z.g. oergraniet-gneissformatie (53, 55) gebracht zou moeten worden. Onderzoekingen van competente petrographen (39, 50) hebben echter geleerd, dat al mogen vele schiefers blijken te behooren tot gedrukte stollings gesteenten en al mag voor ieder stollingsgesteente zijn geschieferde verwante in de kolonie terug te vinden zijn, niettemin de oudste vormingen in het Surinaamsche bergland blijven: de archaeische schiefers, en dan zal het wellicht uit nauwkeuriger en meerdere gegevens dan die, welke ons de vele expeditiën in de zuidelijke deelen onzer kolonie gebrachthebben, blijken, dat deze schiefers er op meer plaatsen de bodemoppervlakte samenstellen, dan we nu weten.
Wanneer wij, bij gebrek aan de noodige gegevens ten opzichte van Suriname, afgaan op hetgeen aangaande de archaeische terreinen van andere landen is vastgesteld kunnen worden, waar liggingsbetrekkingen met jongere, fossielen bevattende gesteenten niet gemist worden, dan heeft de oprichting van de archaeische lagen reeds vóór het begin van het palaeozoische tijdvak plaats gehad, en hebben zij ook in latere perioden nog den invloed ondervonden van de contractie van de zich voortdurend afkoelende aarde. De granieten, en zooals boven getracht is aan te toonen, ook de diorieten en de gabbros, zouden dan gedurende de steenkool- of carbonische periode tot uitbarsting zijn gekomen. De boven vermelde meening omtrent den vermoedelijken ouderdom van een aantal contactmorphe sedimentgesteenten in het Coppename- en het Marowijne-dal, die èn om hunne ligging ten opzichte van de archaeische gesteenten èn naar aanleiding eener overeenkomst met palaeozoische gesteenten van Europa en Zuid-Amerika, voor palaeozoisch werden verklaard (39), zou dus ook voor Suriname de genoemde ouderdomsbepaling der genoemde stollingsgesteenten helpen bevestigen.
Hebben nu in latere perioden ook nog uitbarstingen plaats gegrepen, zooals voor de diabaasgesteenten van Suriname door sommigen wordt aangenomen (14)? Onmogelijk is dit zeker niet, want ook na den palaeozoischen tijd moeten in het Surinaamsche bergland de tektonische storingen hebben voortgeduurd, die tot spleetvormingen en verglijdingen aanleiding gaven, en die tot het naar boven dringen van gloeiend vloeibaar materiaal kunnen hebben geleid.
Dat nog in de jongste perioden der aardgeschiedenis gloeiende magmas aan of nabij de oppervlakte van het door de erosie reeds sterk ontbloote oude bergterrein gestold moeten zijn, kunnen ons de weinige andesietgesteenten leeren, die de laatste onderzoekingen aan het licht hebben gebracht, en die, gelijk bekend, tot de jongvulkanische gesteentegroep behooren. Op den Lombokval in de Boven-Nickerie treedt andesiet als een door de merkwaardige verweering in kleine vierkante blokjes duidelijk te vervolgen gang in biotietgneiss op (49). Een ander andesietisch gesteente werd verzameld in de bedding der Tapanahoni, ten westen van Manlobbi, waar het door een kalkzandsteen schijnt te zijn heengebroken (47). Behoort deze zandsteen wellicht tot de krijtzandsteen van Venezuela en Britsch Guiana?
Hoe weinig wij nog aangaande de bodemgesteldheid van het uitgestrekte gebied, dat wij reeds meer dan 200 jaar onze kolonie noemen, weten, blijkt hieruit voor de zooveelste maal, en in hooge mate moet het zeker betreurd worden, dat gedurende de zeven expeditiën, die na 1900 de binnenlanden van Suriname hebben verkend, het onderzoek naar de bodemgesteldheid zoo schromelijk verwaarloosd is
| | | |
geworden en dat het eenige, wat in deze richting op de maandenlange tochten gedaan is, is geweest het bijeenbrengen door niet met de geologie vertrouwde personen van nog geen 500 gesteentemonsters, verzameld op doorgaans zeer ver uiteenliggende punten van een gebied, dat 4 maal zoo groot als Nederland is.
Het is een groote fout geweest, al deze expeditiën door een land, waarin zoo moeilijk kan worden doorgedrongen en dat wel vooreerst voor wetenschappelijk onderzoek zal gesloten blijven, als ouderwetsche ‘Messungsexpeditionen’ uit te rusten. Deze tochten mogen de geographische en topographische gesteldheid van het uitgestrekte binnenland in grove trekken hebben vastgelegd, niettemin hebben zij zoo goed als niets bijgedragen tot eene kennis van de geologische verschijnselen, die de oppervlaktegedaante des bodems in het door haar bereisde, uitgestrekte gebied in het leven hebben geroepen. Niet alleen uit zuiver wetenschappelijke overwegingen, doch ook in het belang der economische ontwikkeling der kolonie had iedere gelegenheid aangegrepen moeten zijn, om kennis te verzamelen aangaande de bodemgesteldheid, vooral daar, waar de overheerschende bodemformatie verwachtingen grondt op minerale voortbrengselen.
Het feit, dat de huronische schieferformatie de groote minerale schatkamer van Brazilië wordt genoemd en dat het algemeene gesteentekarakter der kristallijne schiefers van Brazilië en Suriname hetzelfde is (14), mag ons met meer dan gewone belangstelling voor de geologische gesteldheid onzer kolonie vervullen.
Het goud is sedert 1874, toen het in onze kolonie ontdekt werd, voor Suriname van groote beteekenis geworden. Het feit, dat de meeningen omtrent den geologischen oorsprong van dit metaal in onze kolonie nog zeer uiteenloopen, mag alleen reeds het groote belang van geologische waarnemingen in het Surinaamsche bergland in het licht stellen.
Doch wegens de overeenstemming met Brazilië mogen wij met grond ook een aantal andere nuttige mineralen in onze kolonie verwachten. Toch is deze verwachting tot hiertoe teleurgesteld geworden en wordt door mijnbouwkundigen het voorkomen van andere delfstoffen in ontginbare hoeveelheid betwijfeld (46). Wel werd in het alluvium bij Carolina aan de Surinamerivier loodglans gevonden, wel is het voorkomen van diamanten, die men in de kreekaanslibbingen reeds lang vermoedde, sedert eenige jaren een feit geworden, wel zijn er omtrent de aanwezigheid van kwikerts uit het gebied der Marowijne berichten tot ons gekomen - doch deze ontdekkingen schijnen geen hoop op toekomstige ontginningen te geven.
Wel spelen ijzerrijke laterieten, vooral in het gebied der basische stollingsgesteenten een groote rol, doch de verspreiding alleen aan de oppervlakte en de sterke en spoedige vermindering van het ijzergehalte naar de diepte doet van eene ontginning in de toekomst weinig verwachten. Tot nu toe kan men alleen van de veelvuldig voorkomende banken van de zuiverste porceleinaarde in het gebied der zure stollings gesteenten met zekerheid zeggen, dat zij eenmaal een rol zullen spelen in de economische ontwikkeling der kolonie.
Litt:
| 1. | Robert Hermann Schomburgk's Reisen in Guiana und am Orinoko während der Jahre 1835-1839. Herausg. von O.A. Schomburgk. Mit einem Vorworte von A. von Humboldt. Leipz. 1841. |
| 2. | Bemerkung über Gold und Gebirge von Guyana. Aus Amsterdamer Blättern. Neues Jahrb. f. Min. 1852. |
| 3. | F. Voltz. Briefe. Neues Jahrb. f. Min. 1853.
F. Sandberger. Mittheilung eines Briefes von Voltz in einem an Bronn gerichteten Schreiben. (Neues Jahrb. f. Min. Stuttgart 1853.) |
| 4. | C.A. van Sypestijn. Beschrijving van Suriname. 's Grav. 1854. |
| 5. | W.C.H. Staring. Iets over de geologische gesteldheid van Suriname. Alg. Konst- en Letterb. 1854 en 1855. |
| 6. | Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis. Verslag eener reis van het Nickerie-Punt (Nieuw Rotterdam) naar de Boven-Nickerie, enz. Tijds. v. Staathuish. en Stat. XII. 1855. |
| 7. | Bijdragen tot de bevordering der kennis der Nederlandsche W.-I. koloniën. Tijds. West-Indië. I 1855, blz. 153, 312, II, 1858, blz. 69. |
| 8. | Brown and Sawkins. Reports on the physical, descriptive and economical geology of British Guiana. London 1875. |
| 9. | G.P.H. Zimmermann. Beschrijving van de rivier ‘de Suriname’. T.A.G. II, 1877, 342. |
| 10. | Ch. Vélain. Notes géologiques sur la Haute - Guyane d'après les explorations du Dr. Crèvaux. Bull. Soc. géol. d. France. 1879. 3e serie VII, 1881.IX. |
| 11. | Prince Roland Bonaparte. Les Habitants de Suriname. Notes recueillies à l'expos. Colon. d'Amsterdam en 1883. Paris 1884. |
| 12. | W.L. Loth. Een weg van Brokopondo tot de Pedrosoengoe-vallen (T.A.G. III, 1879, 159, 332). Een weg van de Tempatiekreek naar de Suriname (ald. IV, 1880, 250). Opneming van de Boven-Saramacca enz. (ald. V. 1881, 10). |
| 13. | M. Ch. Vélain. Exquisse géologique de la Guyane Française et des bassins du Parou et du Yari. D'après les explor. du Dr. Crévaux. (extrait du Bull. d.l. Soc. d. Géogr.; 4e Trim. 1885.) Par. 1886. |
| 14. | K. Martin. Bericht über eine Reise nach Niederl. West-Indien und darauf gegründete Studien. Leiden 1888. II, 141-218. Met geologische kaart. |
| 15. | J.H. Kloos. Untersuchungen über Gesteine und Mineralien aus West-Indien. Samml. d. geol. Reichsmus. zu Leiden. Serie II, Band I. |
| 16. | M.M. Schepman. Bijdrage tot de kennis der Molluskenfauna van de schelpritsen van Suriname. Samml. des geol. Reichsmus. in Leiden. Serie II, Band I. |
| 17. | K. Martin. Aanteek. bij eene geognostische overzichtskaart van Suriname. T.A.G. Versl. en Aardr. Med. 2e Ser. V. 1888, 444; Neues Jahrb. f. Min.; 1889, II. |
| 18. | G.A.F. Molengraaff. Nationale belangen in West-Indië verwaarloosd. (Vr. v.d. dag. 1892.) |
| 19. | F.W. van Eeden. Een verwaarloosd erfdeel. (Bull. Kol. Mus. Maart 1896.) |
| 20. | L.C. van Panhuys. Iets over de Marowijnerivier en hare geschiedenis. (Bull. Kol. Mus., Maart 1896). |
| 21. | Granger. Gold in the Guyana's. Notes Trans. Amer. Inst. of M.E. 1896. |
| 22. | S.J.A. Churchill. Report on the goldindustry of Dutch Guyana. London. 1897. |
| 23. | R.W. Raymond. Note on limonite pseudomorphs from Dutch Guiana. Am. Inst. of M.E. 1898. |
| 24. | H.D. Benjamins. Bespr. van The Goldfields of Surinam. A journal of general information. Paramaribo 1897. en van Vosmaers' brochure ‘Suriname het goudland der toekomst’. (T.A.G. XIV. 1898, 299, 302.) |
| 25. | L. Hennecke. Goldwinning in Niederl. Guyana. Berg-Hütten und Salinenwezen. 1898. |
| 26. | E.E. Lungwitz. Ueber die regionalen Veränderungen der Goldlagerstätten. Dissert. Rostock 1899 |
| | | |
| 27. | C. van Drimmelen en H. van Cappelle. De Boven-Nickerie. T.A.G., XVI, 1899, I. |
| 28. | H. van Cappelle. De Bodem van West-Indië, in Cat. der Ned. W.-I. Tentoonst. te Haarlem in 1899. Amst. 1899. |
| 29. | K. Martin. Bref aperçu de la géologie des Indes occidentales Neerlandaises. Expos. univ. à Paris. 1900. Extr. du guide à travers la section des Indes Néerl. 1900. |
| 30. | E.E. Lungwitz. Die Goldseifen von British Guyana. Zeitschr. f. pract. geol. 1900. |
| 31. | H. van Cappelle. Bijdrage tot de kennis der Cultures in Suriname. Amsterdam. 1901. Hierin eenige mededeelingen over plantagegronden. |
| 32. | H. van Cappelle. Mededeel. over den tocht naar de Binnenlanden van het distr. Nickerie. Hand. v.h. Nat. en Geneesk. Congres in 1901. |
| 33. | G. Du Bois und A.P. Langenheim. Surinam und seine Goldfelder.(Süd-Afrik. Wochenschr., Jhrg. 7 en 8. Nos. 358, 372, 375, 378 en 379; 1901. |
| 34. | A. Rehwagen. Die Goldfelder von Surinam. Berg- und Hüttenm. Zeitung. 1901. |
| 35. | G.C. Du Bois. Geologisch-bergmännische Skizzen aus Surinam. Freiberg 1901. Mit geol. karte. |
| 36. | De expeditie van Cappelle naar Suriname's Binnenland. T.A.G. XVIII, 1901, 80; en Bericht in Geol. Centralblatt I, 1901. |
| 37. | H. van Cappelle. De Binnenlanden van het distr. Nickerie. Met een kaart, platen en afb. Baarn. Holl.-drukk. 1901. |
| 38. | G.A.F. Molengraaff. Korte determinatie der gesteenten, medegebracht door de Coppename-expeditie. (T.A.G. XIX, 1902). |
| 39. | W. Bergt. Zur Geologie des Coppename-und Nickerietales in Surinam. (Samml. d. geol. Reichsmus. zu Leiden. Serie 2, II, 2, Leiden 1902). |
| 40. | J.M. van Bemmelen. Onderzoek van eenige grondsoorten uit Suriname. Alluviale klei en lateriet. Landbouwk. Tijdschr. Groningen 1903. |
| 41. | G.C. Du Bois. Beitr. zur Kenntniss der Surinamischen Laterit- und Schutzrindenbildungen. (Tschermak's Miner. und petrogr. Mitt. XXII. Heft I. 1903.) |
| 42. | C. Moerman. Verslag van het voorloopig onderzoek van de gesteentemonsters der Saramacca-Expeditie. (T.A.G. XXI. 1904, 1059). |
| 43. | C.J. van Loon. Rapp. over de exploratie van het Lawagebied. 's Grav. Alg. Lansdr. 1904. |
| 44. | J.M. van Bemmelen. Beitr. zur kenntn. der Verwitterungsprodukte der Silikate in Ton-, Vulkanischen und Laterit-boden. Zeitschr. für Anorg. Chemie. Hamburg. XLII, 1904. |
| 45. | H. van Cappelle. Au travers des forêts vierges de la Guyane hollandaise, contenant 1 carte, 20 planches et 60 gravures. Baarn, Imprimerie Hollandia et Paris, Librairie polytechn. Ch. Béranger, Ed. 1905. |
| 46. | E. Middelberg. Rapport betreffende het kleinbedrijf in de goudindustrie in de kolonie Suriname. 's Grav. 1905. |
| 47. | A. Thie. Verslag van het voorloopig onderzoek van de gesteente-monsters der Tapanahoni-expeditie. T.A.G. XXII, 1905, 993. |
| 48. | H.N. Duyfjes. Verslag van het voorl. onderzoek van de gesteentemonsters der Gonini-expeditie. T.A.G. XXII. 1905, 1011. |
| 49. | H. van Cappelle. Essai sur la constitution géolog. de la Guyane holl. (Distr. occidental) Met een geognost. kaart. Baarn, Holl. drukk. en Parijs, Librairie polytechnique, Ch. Beranger. 1907. |
| 50. | E.H.M. Beekman. Description des roches de la Collection du Nickerie. Bijvoegsel van het vorige geschrift. |
| 51. | E. Middelberg. Verslag over het onderzoek naar goud in het Lawagebied. Bijlage van het Kol. Verslag. van Suriname, 1907. |
| 52. | J.A. Polak. Historisch overzicht van de goudindustrie in Suriname. 's Grav. 1908. |
| 53. | E. Middelberg. Geologische en technische aanteekeningen over de goudindustrie in Suriname. Amst. 1908. |
| 54. | J.A. Grutterink. Beschrijving der gesteenten, verzameld tijdens de Toemoek-Hoemak Expeditie. (T.A.G. XXV, 1908, 1130.) |
| 55. | J.B. Harrison. The geology of the Goldfields of British Guyana. Lond. 1908. |
| 56. | J.N. Verloop. Die Goldlagerstätten des Guyana Gold Placer's. Ein Beitr. zur Geologie von Surinam. Verh. d. naturf. Ges. in Basel. 1909. |
| 57. | G. Duyfjes. Onderzoek van gesteenten, verzameld bij den dienst der Mijnexploratie van Gouv. wege in Suriname, enz. Kol. versl. II Suriname (supplement). 1910. |
| 58. | L. Fraser. Origin of the placer gold of Guyana. Mining and Sc. Press. 1910. |
| 59. | J.H. Verloop. Gegevens over de goudindustrie in Suriname. Geologie, Techniek, Hygiène. Hilversum. 1910. |
H.v.C.
| |
II. Nederlandsche Antillen*).
De Antillen vormen een guirlande van hier divergeerende, daar convergeerende bogen. Zij sluiten aan bij de gebergten van Mexico, welke dit land in zijn volle lengte doorloopen om in Honduras en Nicaragua eerst een oostelijke en daarna een noordoostelijke richting aan te nemen. Hun onderzeesche voortzettingen werden door de diepzeeonderzoekingen van de Challenger, de Blake (1874-'78) en de Albatros (1884) onthuld. Deze omsluiten de Bartlett diepte (maximaal-6169 m.) en verloopen beiden in oostelijke richting, de een van de noordkust van Honduras naar Jamaica, de ander vanuit Britsch Honduras over Misteriosabank en de Kaaimaneilanden naar kaap Cruz op Cuba. De Antillen vormen het geologisch verband van Noord- met Zuid-Amerika, niet de landengte van Panama, die naast vulkanen en hunne tuffen slechts uit jonge tertiaire afzettingen bestaat. Vooral de zeekaart, die Spencer (6) toevoegde aan zijn artikel: ‘Drowned valleys of the antillean lands’ toont dit vroeger verband van de Caraïbische zee met den Grooten Oceaan. Blijkens deze kaart wortelen de Antillen in een onderzeesch plateau van c.a. - 1000 m. dat westelijk en oostelijk spoedig op diepten van 3000 en 4000 m. afvalt. Men vergelijke ook de kaart van de Montessus de Ballore (5). In deze voormalige landbrug nu, komen wel lagen voor die ouder zijn dan het tertiair. Vele Antillen vertoonen denzelfden bouw als de kustcordilleeres van Venezuela. Op een eruptiefkern, die wellicht actief aan de opheffing van de keten heeft deelgenomen, rusten zandsteen en conglomeralen, waar bij een kenmerkende breccie, de blue beache, die een groote verspreiding bezit en zich b.v. in het zuidelijk kustgebergte van Cuba vertoont als een breccie welker bindmiddel uit donkeren dioriet of diorietporfier bestaat (7). Hierop liggen marine cretaceïsche cedimenten; tijdens de krijtperiode waren de eilanden dus nog niet boven water verrezen. Er vormden zich kiezellei, zandsteen, mergel, conglomeraat en
| | | |
kalksteen (rudistenkrijt). Langzamerhand traden dus strandvormingen op. Men vergelijke de kaart van H. Karsten(3). Marine tertiaire sedimenten ontwikkelden zich op de toen nog ondergedompelde deelen en ook deze zijn thans over groote uitgestrektheid aan de oppervlakte verrezen. In aansluiting met deze tertiaire kalken vormden zich de quartaire koraalriffen welke thans hier en daar hoog boven den zeespiegel geheven zijn. Echter komen de petrefacten daarin allen met de meest gewone nog levende vormen overeen, waardoor een afscheiding van de jongste rifvormingen zeer bemoeilijkt wordt (4) p. 80).
De opheffing verliep met verschillende schommelingen, welke Spencer (6) p. 131) getracht heeft graphisch weer te geven. Perioden van sterke verheffing noteert hij uit plioceenen en pleistoceenen tijd. Het was gedurende de laatste opheffingsperiode, dat een lang aanhoudende landverbinding ontstond tusschen Noord- en Zuid-Amerika, die velen diervormen vergunde van het eene continent naar het andere te komen. Zoo vond men in holen op Anguilla en waarschijnlijk ook op St. Martin resten van knaagdieren, Amblyrhiza(2), die te groot waren om op zulke kleine eilanden eenigszins bestendige te typen vormen. Deze weg werd het eerst zuidelijk van St. Barthélemy onderbroken, want de landslakkenfauna van de noordelijke Antillen tot en met dit eiland komt volgens Theod. Bland (1) met die van Centraal-Amerika overeen, terwijl op de zuidelijke Antillen vanaf Antigua, Zuid-Amerikaansche vormen huizen. Een diepe voor doorploegt thans het voormalig Antillenplateau zuidelijk van de Virginische eilanden, waar we diepten van 5000 m. aangegeven vinden. Deze vormt de hedendaagsche scheiding tusschen beide continenten, wat zich ook daarin weerspiegelt, dat de noordelijke eilanden thans rijzen en de bovenwindsche eilanden zuidelijk van deze grenslijn dalen.
Litt. 1. Th. Bland ‘On the geogr. distribution of the gen. and spec. of landshells of the W. Ind. Islands.’ Ann. Lyc. Nat. History New-York VII p. 355, X p. 311. - 2. E.D. Cope ‘On the contents of a bone cave in the island of Anguilla’. Smithsonian contributions to knowledge, Wien XXV Art. III. - 3. H. Karsten ‘Géologie de l'ancienne Colombie Bolivarienne: Vénézuéla, Nouvelle-Grenade et Ecuador’. Berlin 1886. - 4. K. Martin ‘Bericht über eine Reise nach Niederl. West Indiën und darauf gegründete Studiën.’ Leiden 1888. - 5. F. de Montessus de Ballore ‘Les tremblements de terre.’ Paris 1906. - 6. J.W. Spencer ‘Drowned valleys of the antillean lands.’ Bulletin of the geological society of America, Vol. 6. p. 103-140, 1895. - 7. E. Suess Antlitz der Erde. I p. 702. -
| |
De benedenwindsche eilanden.
Deze bezitten slechts uiterst zwak seismisch karakter, dat volgens deMontessus deBallore (10) p. 370 all. 4) grootendeels nog te wijten is aan bevingen die van het vaste land uitgaan. In bouw komen ze volgens Sievers (12) p. 41) overeen met het schiereiland Paraguana en den Sierra Nevada de Santa Marta, doch verschillen van Coro. (p. 44). Hij vermoedt (p. 43) dat er vroeger een landverbinding bestond tusschen den Sierra Nevada de Santa Marta, Goajira, Paraguana, de Curaçaogroep en de eilanden voor de kust van Venezuela over Orchila tot Blanquilla. In cretaceischen tijd werd deze rug gezamelijk met het noordelijk deel van Zuid-Amerika door de zee overstroomd en zetten zich marine sedimenten af evenals op de andere Antillen. Thans verkeert de Curaçaogroep in een periode van rijzing, zooals blijkt uit de brandingsterrassen die deze eilanden omgeven en vooral op Curaçao regelmatig ontwikkeld zijn. Het onderste terras 3-5 m. hoog omgeeft bijna ononderbroken alle drie eilanden. Of alle terrassen op Aruba, Curaçao en Bonaire met elkander correspondeeren, dus deze eilanden ook thans geologisch één geheel vormen is niet met zekerheid uitgemaakt. Elk der eilanden bezit een oude eruptiefkern aan welker opbouw, naast diverse varieerende gesteenten, diabaas een groot aandeel neemt. Terwijl op Bonaire steeds korrelige diabaas optreedt, heerscht op Curaçao en Aruba een dichte variëteit. Op deze stollingskernen rusten sedimentaire gesteenten, wier ouderdom Martin uit het daarin voorkomen van fragmenten van rudisten op Curaçao, als cretacëisch kon vaststellen. Gesteenten uit deze formatie werden ook op Bonaire met groote waarschijnlijkheid aangetoond, doch op Aruba slechts onzeker. Vaak echter rusten direct op de erosieproducten der stollingsgesteenten jongere rifkalken die anders discordant op het krijt volgen. Deze volgens Martin quartaire kalksteen wigt landwaarts uit, zooals in Rooi Cachoentie (Aruba) te rien is. De koraalkalk is aan de steile zeezijde van de S. Grandi (Bonaire) 15 m. dik, in de 24 m. hoog de Playa Frans gelegen heuvels 4,5 m. en in den 45 m. hoogen Wazal vaak slechts 1,5 m. Zij rust hier overal op een conglomeraat, dat aan de binnenzijde van den S. Grandi 1 m. en in den Wazal 2 m. dik is.
Zij werd dus tegen een hellenden bodem afgezet en niet door plooiing in dien stand gebracht. In overeenstemming daarmede vinden we de koraalstokken nog rechtstandig in de geheven riffen terug. Waar de groeiomstandigheden ongunstig waren, vormden de koralen slechts een mantel op den hellenden ondergrond en eerst bij gunstigen groei vereffenden zij zich aan den waterspiegel. Nergens worden levende koralen aangetroffen waar slik en afval het water verontreinigt. Hier wordt hun bestaan eerst voorbereid door conchylien en kalkalgen. Verder schenen de Astraceën volgens Martin meer aan de loefzijde te heerschen, terwijl aan de lijzijde naast Astraceën andere koralen en conchyliën optraden.
Phosphorzure ammoniak, -kali en -natron11), uitgeloogd uit de guano (8) die den kalksteen overdekte, drongen in dezen laatsten en veranderden hem in calciumphosphaat, denphosphoriet. Hier en daar werden de wanden van holten door het regenwater met deze zouten beladen, vaak op genoemde wijze veranderd. Op andere plaatsen traden oplossingen van phosphorzure zouten met opgelost calciumcarbonaat in wisselwerking, waarbij phosphoriet neersloeg, die dan te herkennen is aan een hoog phosphorzuurgehalte en een dichte structuur, terwijl hij gaarne holten in horizontale lagen vult. Ten slotte deden kleine zoogdieren, vleermuizen, ratten en konijnen in holen (thans als pockets bekend) eveneens phosphaat ontstaan.
De kalksteen is sterk gekliefd. Het regenwater dat niet direct (soms in woeste stroomen) naar zee gutst, zakt daardoor spoedig weg om tusschen eruptief- en sedimentairgesteente door langzamerhand toch naar zee te vloeien. Waar een brandingsterras genoemde grens aansnijdt, treedt een bron op. Ook gegraven putten ontleenen hun water aan deze grenslaag.
Litt: 1. M. Bauer, Ueber einige Diabasa von Curaçao. Neues Jahrbuch für Mineralogie etc. Band. II p. 140; 2. H. Karsten, Uber die geogn. verhältnisse des westlichen Columbien. Verh. d. Versamml. deutscher Naturforscher u. Aerzte Wien 1856, p. 83 en 85; 3. H. Karsten, Geologie de l'ancienne Columbie Bolivarienne, etc., Berlin 1886, p. 9 ff. en p. 48; 4. J. H-Kloos, Untersuchungen über Gesteine und Minera.
| | | |
lien aus West-Indien. Samml. d. geol. Reichs-Museums Leiden, Ser. II, Bd. 1, p. 1-110, 1886; 5. H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. Leiden 1904; 6. A.J. van Koolwijk, Bronnen v. mineraal-water op Aruba. T.A.G. Reeks, 2, deel I, p. 600, 1884; 7. A. Krämer. Curaçao, nebst einigen Bemerkungen über eine westindische Reise. Globus Bd. XC, Nr. 19, Brauwschweig, 22 Nov. 1906; 8. K. Martin. Bericht etc. Leiden 1888; 9. G.A.F. Molengraaff. Tijdschr. v. Ned.-Indië 1893, I p. 232; 10. F. de Montessus de Ballore. Les tremblements de terre. Paris 1906; 11. Sandberger, N. Jahrb. f. Min. etc. 1864, p. 631; 12. W. Sievers. Zweite Reise in Venesuela in den Jahren 1892/93. Mitt. d. geogr. Ges. in Hamburg, Bd. XII; 13. G.J. Simons, Beschrijving v.h. eil. Curaçao. Oosterwolde 1868; 14. G.P. Wall. On the geology of a part of Venezuela and of Trinidad’ Quart. Journ. Geol. Soc. London. Vol. XVI, p. 460, 1860; 15. Versl. Kon. inst. v. Ing. 1889-90, p. 62; 16. T.A.G. serie 2, 22, p. 808, 1905.
| |
Aruba.
Zien we voor een oogenblik van de jongste rifkalken af, dan kunnen we op Aruba drie gedeelten onderscheiden. Het hoogste, middengedeelte van het eiland, wordt ingenomen door een disbaasmassief van driehoekige gedaante, dat een hoekpunt naar het Spaansch lagoen keert en met een breede basis (van Matevidiro tot nabij Fontein) aan de noordkust eindigt, waar het op vele plaatsen in zee uitloopt of anders slechts door een smallen zoom van quartairvormingen is bedekt. Het noordwestelijke deel wordt geheel ingenomen door kwartsdioriet, waarop slechts hier en daar en wel vooral aan de noordwestpunt kleine stukjes quartairkalk rusten. Het zuidoostelijk deel toont hoofdzakelijk quartairkalk. Slechts hier en daar, vooral aan de zuidoost-punt, duiken kopjes van kwartsdioriet op en doen vermoeden dat deze ook voor dit gedeelte den ondergrond vormt.
De jonge rifkalken worden in een breeden zoom aan de zuidzijde van het eiland aangetroffen, welke band aan denoordkust slechts smal en over grooten afstand zelfs onderbroken is.
Het diabaasmassief vormt de eenige berggroep van Aruba. De hoogste toppen (Ariekok 176 m.) en Jamanota 188 m.) zijn in het zuidwesten daarvan gelegen. Van hieruit loopen eenige ruggen onregelmatig radiaal door het massief. Deze zijn door erosie ontstaan. De ingesneden dalen hellen noordwaarts flauwer dan zuidwaarts. De scheidende ruggen worden door nog ondieper dalen in afzonderlijke tot 30 m. hooge kopjes verdeeld. Aan de noordkust doorploegen de dalen het strand of eindigen blind, door duinen gesloten. Het voornaamste ravijn aan de zuidzijde is gericht naar het Spaansch lagoen, terwijl de andere hier slechts in flauwe puinkegels op het lage plateauvormige diorietmassief eindigen. Twee diepe kloven, Rooi Para boesté en Rooi Cachoentie zijn noordoostwaarts, Rooi Fluit noordwaarts gericht.
Deze diabaas is een kleinkorrelig tot dicht, zelden grofkorrelig (bij Fontein), donkergroen gesteente, dat volgens Kloos (4) geheel met dat van Curaçao overeenkomt. Onder het microscoop ziet men daarin fijne augietkorrels tusschen veldspaathlijsten liggen. Soms is de angiet geuralitiseerd. In dergelijke diabasen treft men nu en dan nog resten van augiet aan; nog zeldzamer onveranderde angietkorrels. Het uralitiseeren leverde geen extra erts. Dit laatste komt op dezelfde wijze voor als in den onveranderden diabaas. Het verschijnsel schijnt in verband te staan met de nabijheid van den kwartsdioriet, want men treft dergelijke uralitieten aan in den top van den Jamanota, bij Mira la Mar (ook als rolsteen in de kloof van Mira la Mar), bij Chetta aan den voet van den Arie Kok. Al verschillen deze uralitieten ook eenigszins in korrelgrootte en structuur, toch doen zij zich kennen als donkere dichte gesteenten zonder eenige parallestructuur. De dichte varieteiten kunnen makroscopisch niet van den gewonen diabaas onderscheiden worden. Mikroscopisch ziet men hoornblende zonder eigen vorm de ruimten tusschen de plagioklaaslijstjes vullen. Hij is duidelijk pleochroîtisch (geel tot blauwgroen). Plaatselijk komt ook epiodot voor en nu en dan een kwartskorrel (met vloeistof insluitingen). Door verkitting van diabaas-rolstukken is hier en daar een diabaas-conglomeraat ontstaan, zoo nabij Fontein (niet geuralitiseerd) en op den top van den Jamanota (geuralitiseerd in over-eenstemming met den diabaas van Mira la Mar). De brokstukken verweeren eerder dan het cement en doen secundaire holten ontstaan die zich vullen met kwarts en chabcedoon.
In Rooi Cachoentie, en evenzoo tusschen Pan Blanco en Para boesté aan den weg van Oranjestad naar Fontein zijn leien aangesneden. Deze zijn van west naar oost gericht en staan zeer steil. In den regel valt deze lei bij slaan in griffels uiteen, soms splijt hij als een daklei, zijn kleur is grijs op de versche breuk. De dagzoom is gewoonlijk groen of zelfs roestbruin getint. Aan het bloote oog doen ze zich voor als dichte homogene gesteenten. Zoo toont b.v. het gesteente uit Rooi Cachoentie volgens Kloos (4), p. 46), slechts enkele pyrietkristalletjes in een splinterig, dichte, homogene massa. Onder het microscoop herkent men lichter en donkerder deelen. De lichte bestaan waarschijnlijk uit veldspaath terwijl de donkere zijn opgebouwd uit hoornblendemikrolieten en epidootkorrels. De leien uit de andere ravijnen komen hiermede overeen, zijn echter soms sterker, soms minder sterk veranderd. Zoo vertoont de lei uit de kloof ten noorden van het Spaansch lagoen veldspaathsnoeren. Martin beschouwt ze als ouder dan de diabaas, (vermoedelijk werd dus de diabaas langs de voegvlakken van den lei opgeperst), en wijst erop dat ook op Orchilla schieferige kwartsiet met andere kristallijne leien voorkomt in dezelfde richting. Denzelfden ouderdom kent hij toe aan een schieferigen amfiboliet zuidoostelijk van St. Lucie. Hier liggen compacte hoornblendezuiltjes evenwijdig aan de drukgelaagdheid, in plagiohlaas met een weinig ertsstof.
Het kwartsdiorietmassief in het noordwesten wordt voornamelijk ingenomen door een plateau van 37-60 m. hoogte. Dit plateau is hier en daar door huis hoog opgestapelde blokken bedekt. Het was vroeger een baai en wordt noordelijk door een nagenoeg gesloten rug (vanaf den kristalberg over den Kalebas en den Alta Vista tot nabij Karamajeto) begrensd. Tusschen den kristalberg en den Matevidiro echter bleef een opening die toegang verleende tot het zwak glooiende noordstrand. Evenzoo aan de westzijde.
Een heuvelreeks (Hooiberg 175 m., Windberg en Carachito), in afzonderlijke koppen opgelost, vormt de gebrekkige zuidgrens van het plateau.
Volgens Martin (8) p. 133-134), is de dioriet jonger dan de diabaas, doch ouder dan krijt. Het gesteente is licht getint en gelijkt daardoor makroscopisch sterk op syeniet. Op sommige plaatsen (Adikoerarie) is het tot op groote diepte ontleed door zeewater, dat men hier reeds in putten van c.a. 15 m. diepte ziet indringen. Volgens Kloos bestaat het uit kwarts en veldspaath in gelijke hoeveelheid. Daarnaast hoornblende, soms glimmer of chloriet; verder magnetiet,
| | | |
kleine bruine titanietkorrels en enkele dikkere apatietnaalden. De structuur is middelmatig-, zelden grofkorrelig. De tweelingslamellen van den veldspaath zijn voor het bloote oog of onder de loupe reeds te herkennen. De hoornblende is in de grofkorrelige variëteiten soms 10 × 5 m.m. groot en bezit steeds scherpe kristalbegrenzing. De kwarts is stampvol van vloeistofinsluitsels, lichtgrijs van kleur, zelden geel of rood. Treedt de hoornblende meer op, dan worden ook diens kristallen grooter en zijn omgeven van een mantel van angietkorrels. Plaatselijk kunnen deze amfibool-angietmassa's zich tot knollen in den normalen kwartsdioriet vereenigen, wat o.a. nabij den Hooiberg te constateeren is. Evenzoo bij Westpunt. Zelfs wordt de top van den Hooiberg in hoofdzaak opgebouwd door een fijnkorrelig angietaggregaat met daarin liggende kort zuilvormige hoornblendekristallen van 2 c.m. grootte. De Hooiberg is dus een concentratiecentrum voor amfioobl en angiet. Ditzelfde verschijnsel doet zihc voor bij Arasjie, nabij Westpunt.
Op gelijke wijze treden gabbroachtige vormingen (b.v. kwartsvrije hyperstheengabbro) op als locaal-facies van den kwartsdioriet b.v. ten oosten van Busiribana (naast den normalen kwartsdioriet in hetzelfde handstuk). In deze massa vullen basische plagioklaas en kwarts de ruimten tusschen den aktinolietachtigen hoornblende, die uit angiet is ontstaan, gelijk resten van dit laatste mineraal in de meeste slijpplaatjes getuigen.
Het zuidoostleijk gedeelte van Aruba dat, zooals gezegd, met oudere quartairkalken is bedekt, helt langzaam af in noordoostelijke en zuidelijke richting en bereikt slechts een hoogte van 15 tot 30 M., met uitzondering van den S. Colorado, die zich tot een hoogte van 38 m. verheft. De kwartsdioriet, die ook hier den ondergrond schijnt te vormen, komt in den S. Culebra en den S. Colorado aan de oppervlakte.
De oudere quartairkalk die hier en daar den kwartsdioriet van het noordwestelijk Aruba bedekt S. Plat en het cement in de breccie die in Rooi Cachoentie den Grünschiefer overdekt) bezit gelijk karakter als de kalk van den Sint Hieronimo op Curaçao en is waarschijnlijk op gelijke wijze ontstaan.
De jongere quartairkalken aan de lijzijde van het eiland moeten beschouwd worden als een barrière die Aruba aan deze zijde omgaf, toen het kwartsdioriet-plateau nog den bodem uitmaakte van een groot lagoen. De kalken aan de loefzijde vormden toch een zoomrif.
Aan de zuidwestkust sluit een moerassig terrein, dat aan de landzijde door mangroven bedekt is, terwijl aan de zeezijde een zoomrif volgt dat zelve dooreen tweede strook zeewater gescheiden is van het eigenlijk barrière rif, dat thans de lijzijde van het eiland omgeeft. Dit recente rif verzekert in het Spaansch lagoen een veilige ligplaats voor schepen, terwijl de vaargeul van dit lagoen wordt opengehouden door de periodiech daarin ontlaste regen- sn slikstroomen, waardoor koralen hier niet gedijen.
De krijtformatie is op Aruba niet of hoogst onzeker vertegenwoordigd. In de phosphaten van den S. Colorado vond men een fragment van een ammoniet, waarschijnlijk nauw verwant met Ammonites Treffryanus Karst. uit het krijt van Bogota. Verder komen wellicht in aanmerking een donkergrijze mergellei aan het noordstrand bij de Boca van Welvaart, die microscopisch sterk gelijkt op de cretaceïsche mergel van den Hermanus op Curaçao. Misschien behooren hiertoe ook lichtgrijze en helgele zandsteenen met uiterst weinig kleiachtig cement, die rolsteenen bij St. Cruz vormen, daar zandsteenen op de drie eilanden alleen bekend zijn uit het krijt.
Water. Op de grens tusschen eruptiefgesteente en quartairkalk moet men naar bronnen zoeken. Zoo wordt in het zuidwestelijk deel op 4 à 5 voet diepte bijna steeds grondwater aangetroffen en sijpelt aan de helling van den S. Colorado eenig water uit den kalksteen naar zee. Ook aan de noordkust vindt men eenige bronnen, o.a. bij Antikoeri in een ravijn, dat in den regentijd overstroomd wordt. (6) p. 600.) Dit bevat per liter 11,16 gr. mineraalzout, waarvan 6,64 gr. chloor en 0,54 gr. magnesium, een soort bitterwater dus. Twee dergelijke bronnen komen nog voor, de eene bij berg Sjetti en de andere bij Paloe margue nabij Fontein. Eigenaardig is een warme bron die bij Oranjestad ten zuiden van Fort Zoutman onder de daar aanwezige kalkrotsen in zee mondt en slechts bij eb zichtbaar wordt.
Goud. Dit komt voor in goudkwarts-gangen en in de daaruit ontstane Seifen. Natuurlijk werd 't eerst in het alluvium goud gevonden, vooral in het leem van Rooy Fluit, een door zeewater omgewerkt materiaal. Het zakte natuurlijk zoovèr mogelijk en wordt nu vooral gevonden op de vaste rots, den z.g. vloer; vroeger in klompen von meerdere kilo's. In het diabaasgebied bestaan de seifen uit leem (c.a. 1 m. dik) in de dalen, terwijl dit alluvium in 't kwarts-diorietgebied wordt gevormd door een laag van 1-7 m. dikte, die grootendeels bestaat uit kwartszand, met veldspaath, hoornblende en glimmer. Ook hier komen echter leemlagen voor.
De goudkwartsgangen verloopen in alle richtingen, doch de west-oostelijke richting overheerscht, wat overeenkomt met de richting van het grond-gebergte (archaeïsch systeem), dat we in de leien van het diabaasgebied leerden kennen. Misschien wijst dit op een openrijten langs die vlakken. Zelden bezitten de gangen een laagstructuur door opvolgende vullingen. Hun dikte wisselt van weinige centimeters tot ongeveer 10 m. Ze verweeren minder snel dan 't omringend gesteente en steken daardoor uit. Bekend zijn o.a. de heuvelgangen: Fort George en Serro Blanco (bij Belasjie), beiden ten noorden van het Spaansch lagoen. Verder de thans afge-exploiteerde Sneeuwberg ten westen van den Kalebas. Evenzoo de gangen van den Kristalberg, den Kalebas, den Jamanota, en de mijnen Schaffenberg en Bruin ten zuiden van Adikoerarie.
Meestal dicht, vertoont de kwartsiet soms holten met kristallen bekleed (Kristalberg). In de gangen van Adikoerarie komt het goud voor als mosvormige belegging op sierlijke kwartskristallen. Ook de gang te Mira Lamar toont mikroskopisch goud. Volgens Molengraaff (9) bevat de bruine, vleeschkleurige, kwarts in den regel meer goud dan de witte, ofschoon op Westpunt ook goud in witte kwarts wordt aangetroffen. Overigens schijnt het goud behalve in de kwartsgangen ook in het nevengesteente en in Trümmer voor te komen.
De gangen schijnen genetisch verbonden te zijn met gangen van een diorietporfier, welke op sommige plaatsen (Alta Vista) zuilvormig is gedeeld. Zijn structuur wisselt vanaf porfierige dioriet (als rolsteenen nabij den Matevidiro) tot diorietporfier met een groengrauwe felsietische grondmassa, waarin enkele phenokristen (Kalebas en Alta Vista). Van de verdere vindplaatsen noemen we nog: de zuidoostoever van de Boca van Welvaart, in Rooy Para boesté (aan de noordzijde van den weg van Oranjestad naar Fontein) en bij Chetta.
Makroscopisch gelijkt het ges teente sterk op een
| | | |
syenietporfier, doordat lange glanzende zuilen van een donker getinten hoornblende rusten in een lichte witgrauwe grondmassa. Slechts bij Fontein ontbrak hoornblende en toonde het groen-grauwe gesteente troebele veldspathen en kleine kwarts-korrels in een granietisch korrelige grondmassa. Slechts op één plaats n.l. aan de noordoosthelling van den Serro Colorado zag Martin duidelijk den kwartsdioriet doordrongen door den diorietporfier. De doordrongen kwartsdioriet is daar donker getint en rijk aan magnetiet. Het ganggesteente toont phenokristen van plagioklaas, amfibool en eenige kwartstukjes in een mikrogranietische grondmassa van veldspaathlatjes, kwartskristallen, hoornblende-mikroliethen en magnetietkorrels. De kwarts toont vaak corrosie door de grondmassa.
Kopererts, etc. Uitsluitend in het diabaasmassief worden de kwartsgangen wel vergezeld van: koperkies, malachiet, azuriet, cupriet, arseenkies, zilver, goudhoudende pyriet, magnetiet en limoniet, b.v. ten noorden van de bij Daimarie in zee afvoerende kloof en ten zuidoosten van de baai van Antikoerie. Minder bij Belasjie (Spaansche haven).
Phosphaat. Dit wordt vooral aangetroffen over een deel van den S. Coelebra en den S. Colorado. Zuidoost Aruba vertoont van uit zee naakte, platte, zwarte uitgeholde rotsgronden aan den voet van een zeer hoogen maar zeer gelijkmatig afhellenden heuvel, den Serro Colorado. Aan land gekomen schijnt de oosthelling van den S. Colorado als met vulkanische slakken bedekt door de gespleten oppervlakte van de donkerbruine phosphaathoudende kalken. In de phosphaten vindt men, behalve de reeds vermelde ammoniet, ribben en wervels die Martin aan Sirenen toekent.
| |
Bonaire.
Dit eiland vertoont een hooger westelijk en een lager oostelijk deel. Het oostelijk deel bestaat voornamelijk uit jongere rifkalken met tusschenliggende lagunen, waarverschillende bekkens in en om het pekelmeer aanleiding hebben gegeven tot zou twinning. Het westelijk deel bezit den bouw van Curaçao een, centrale eruptiefkern met een mantel van krijt en andere quartaire rifkalk.
De eruptiefkern. Het westelijk centraalmassief van glimmerporfieriet, dat in zijn relief aan het Sieben-gebirge doet denken, bereikt in den Brandaris zijn grootste hoogte. Diens top wordt gevormd door rechtstaande zuilen, onregelmatig polygonaal en hier en daar kogelvormig gescheurd. Sommigen, 4 m. lang en mansdik zijn afbebroken en omgekanteld. Het gesteente is eenigszins poreus met ruwe breuk. In een roodbruine tot gele fijnsplinterige grondmassa vertoonen zich witte veldspathen, weinige millimeters groot. De grondmassa bestaat uit kleine veldspaathlijstjes en - bundels, kwarts, magnetietkorrels en glimmerblaadjes. Tuffen liggent hier en daarlangs den rand van het glimmerporfieriet-massief. Een tuf tusschen Brandaris en S. Grandi (aan de noodwestkust) toont onder het microscoop vele waterheldere scherven en stukken, sommigen met tweelingslamellen (veldspaath) naast glasdraad-fragmenten. Kwarts ontbreekt. Een tuf uit de nabijheid van Slachtbaai gelijkt op die van Brievengat (Curaçao). De obsidiaantuf oostelijk van Goto is een jongvulkanisch glazig eruptiefgesteente in tegenstelling met de andere. Volgens Kloos zijn de verschillende tuffen gebonden aan eruptiepunten die in hun onmiddelijke nabijheid lagen. Mogelijk zijn de porfierietkoppen de door erosie blootgelegde kernen van jongere vulkanen, volgens Martin jonger dan krijt. Is dit zoo, dan heeft de glimmerporfieriet het diabaasmassief doorbroken, waardoor het thans aan de zuidzijde omvat wordt en ook aan de oostzijde waar de diabaas den ondergrond vormt van de vlakte van Rincon. De diabaas van Bonaire is steeds korrelig in tegenstelling met de dichte variëteiten van Curaçao en Aruba. Hij verweert tot groote sphaeroïdische blokken. De enkele dichte stukken bezitten vaak holten, gevuld met kwarts en chalcedoon. De diabaas komt op de vlakte van Rincon in eenige heuveltoppen door de cretaceïsche lagen, waarvan hij dus den ondergrond schijnt te vormen en neemt in West-Bonaire een laag terein in, dat sterk verweerd is (eerst op 6 m. diepte, in een welput, trof Martin versch gesteente aan). Een korrelige diabaas tusschen Rincon en S. Grandi, die enkele grootere augiet- en veldspaathkristallen benevens weinige olivienkorrels voert, kan een overgang vormen tot den diabaasporfieriet tusschen Brandaris en S. Grandi, welk blauw, duidelijk porfierig gesteente, glasheldere veldspaathen toont in een harde fijnsplinterige grondmassa, doch er jonger uitziet. Ten slotte liggen nabij Fontein tot ½ m. groote ellipsoïsche blokken van kleinkorrelige kwartsdiabaas, die geheel overeenkomt met 't gesteente van Savonet (Curaçao), echter bleekgroene zwak pleochroïtische amfibool-prisma's en hoopjes bruine glimmer bevat en daardoor met den naam Proterobaas (Rosenbusch) te bestempelen is.
Krijtformatie. Kiezellei en radiolarietkalken (kalkkiezellei, doorregen met gekromde calcietlagen) heerschen op de vlakte van Rincon, terwijl men meer westelijk cretaceïsche Schotter aantreft, een conglomeraat van porfierietstukken verkit door kalk. Ook de kern van den Langeberg schijnt door dergelijke sedimenten opgebouwd, want ten Oosten van den Langeberg ligt een lage klip die uit lichtgele dunplatige zeer fijnkorrelige zandsteen is opgebouwd met een richting W. 32° N. en een helling 45° N.O. In hun verlengde liggen ook de S. Grandi, de Wamari en de Baradicarta, die waarschijnlijk eveneens bestaan uit zandsteen en kiezellei. Bij Fontein ziet men de quartairkalk rusten op roodachtige en groenachtige mergels. Deze zijn waarschijnlijk ook tot het krijt te brengen, want de quartairkalk erboven is bijna geheel opgebouwd uit fragmenten van orbitoïden, vergezeld van kalkalgen Eenige tandfragmenten daarin geleken bovendien sterk op die van: Caroharodon megalodon; Oxyrhina; een rog uit de familie der Myliobatiden en een visch uit de groep der Gymnodonten (8) p. 105).
Bonaire rijst en bloc, zooals blijkt: uit de strandterrassen die het regelmatig omgeven, uit de gedaante der vlakte van Rincon die vroeger een lagune vormde die door de bocht van Onima met de zee verbonden was, uit het Pekelmeer dat in een stadium van indampen verkeert, uit verschillende grotten o.a. die van die S. Grandi (8) p. 108).
Minerale producten. Wel is hier en daar de kalksteen door phosphorzure zouten gemetamorphoseerd, doch tot een exploitatie is het nergens gekomen. Aan den S. Grandi zijn typische holenphosphaten bekend (8) p. 100). De onderste lagen van deze vulmassa zijn het sterkst veranderd. Ze bevatten resten van haaien, sirenen en roggen, en danken dus waarschijnlijk aan deze dieren hun ontstaan.
Het eiland heeft met droogte te kampen. Bronnen zal men weder moeten zoeken op de grens der oudere en jongere lagen. De bron op het strandterras van Fontein geeft daarvan een voorbeeld.
| |
Curaçao.
Dit eiland is waarschijnlijk als twee afzonderlijke eilandjes aan den zeespiegel verschenen,
| | | |
want het vertoont in het midden een insnoering, slechts weinig breeder dan 3 km. Elk der knotsvormige deelen (de vroeger afzonderlijke eilandjes) bezit een diabaaskern van 20-40 m. hoogte. De Oostelijke kern wordt slechts langs haar noordrand, de westelijke geheel door cretaceïsche lagen omvat. Nu en dan wordt de diabaas als bestandeel van cretaceïsche lagen aangetroffen en is dus ouder dan deze. Een cyclus van quartairkalk omsluit beide deelen en verbindt ze, alhoewel in dit verbindingsstuk bij Grooteberg en tusschen Grooteberg en Klein Mal pays ook krijt wordt aangetroffen. Een derde krans vormt nu de jongere koraalkalk.
De eruptiefkernen vertoonen een relief als van ons diluvium. Zij werden eertijds door zeespoeling (A. Krämer) (7), vervormd tot vlakke schotels metranden die hellen onder 30-40°. Door de zeebedekking is 't gesteente op vele plaatsen, vooral in 't oostelijk gedeelte, zóó sterk verweerd, dat het in gruis uiteenvalt en ten slotte overgaat in een bruine, ijzerhoudende leem, die men kunstmatig belet weg te spoelen In Rooi Kibrahacha, een dal met steile wanden aan den noordwestvoet van den 100 m. hoogen Oost-Seinpost, is het gesteente nog versch. Onder deze diabasen kan men twee groepen onderscheiden n.l. korrelige en dichte diabaas. Wellicht komt bij Klein Mal pays de korrelige variëteit gangvormig in de dichte voor. De korrelige diabaas bij Savonet (¼ uur gaans westelijk van Savonet aan den straatweg naar Westpunt) onderscheidt zich van de overige door een niet onbeduidend kwartsgehalte. Bauer (1) beschreef eenige porfierige diabasen uit het achterland van Willemstad, waar hij meerdere 10-20 m. hooge koppen vormt. Het materiaal werd door Krämer (7) verzameld o.a. van de landtong, die de baai van Versali scheidt van het Schottegat. Naar hun samenstelling varieeren ze van Pikriekporfieriet (Olivien + augiet zonder plagioklaas) tot Oliviendia baasporfieriet (met plagioklaas), alhoewel het eerste extreem nooit bereikt wordt. Olivien kan soms ontbreken. De porfierige structuur wordt veroorzaakt door phenokristen van olivien (idiomorph), plagioklaas (zeer lange stengels die een centrale grondmassastreng van quadratische doorsnede, dus in den vorm van den veldspaath, insluiten) en augiet. Ilmeniet en andere ertsen spelen een geheel ondergeschikte rol. De grondmassa is sphaerolietisch (divergentstralig) of dendrietisch. Deze stralen gaan uit van een of meer punten der phenokristen, die ook geheel borstelvormig omgeven kunnen zijn. Vermoedelijk behooren de sphaerolieten tot het augiet- en de dendrieten tot het veldspaathgehalte der basis. Ook bestaat wel het centrum der sphaerolieten meer uit augiet en de buitenste schil meer uit plagioklaas. Een groen-grauw gesteente uit de nabijheid van Savonet, met veldspaathphenokristen in een dichte grondmassa, schijnt, naar bovenstaande beschrijving te oordeelen eveneens tot de diabaasporfierieten te behooren.
Ook Dioriet komt op Curaçao voor, want Martin rapporteert noordoostelijk van Westpunt, dus aan de naar Aruba gerichte zijde, over een geringe uitgestrektheid te midden van diabaas en verweerd tot groote ronde en ellipsoïdische blokken, een gesteente, dat volgens Kloos behoort tot een porfierigen dioriet die in structuur geheel overeenkomt met de porfierige diorieten van Matevidiro, Chetta en Boca van Welvaart (Aruba) en bestaat uit plagioklaas, amfibool en kwarts. Verder vond Martin bij St. Jan en in een welput bij Brievengat gesteenten, die petrografisch eenige overeenkomst vertoonen met de tuffen van Bonaire.
Krijtformatie. De ouderdomsbepaling der lagen berust vooral op een fraai profiel door deze formatie ten Zuiden van Savonet. De heerschende richting is hier W. 18° N. Het zijn fijnkorrelige, kristallijne tot dichte kalksteenen met vele calcietaders. De breuk is splinterig en de kleur wisselt tusschen vuil- tot blauwgrauw en geelwit. Zij bevatten rolstukjes van kiezellei en komen in zoo innig verband met dezen schiefer voor, dat men ertoe gebracht wordt aan te nemen dat beiden gedrongen zijn in eenzelfde systeem van evenwijdig aan de kust gerichte plooien. De kalksteen voert talrijke fragmenten van Rudisten (Radiolites Lam., 8) Taf. II), verder Textularia en Lithothamnium curasavicum (nov. spec.).
Cretaceïsche kiezelschiefer, dunplatige zandsteenen en roode of roodachtige hoornsteenen insluitend, bepalen ook den vorm van den St. Christoffel, welks scherpgekartelde spits (372,4 m. boven zee) zij opbouwen. De kleur der kiezellei is onverweerd blauwzwart tot vuilgroen, verweerd: grauw, vuil tot stroogeel of roodbruin. Makroscopisch schijnt 't gesteente homogeen, doch microscopisch vertoont het lensvormige en ronde volkomen heldere partijen in een troebele massa van verschillende kleur. Tusschen gekruiste nicols verwekken deze lichte partijen een mozaiek (kwarts) of een interferentiekruis (chalcedoon). Ronde lichaampjes in de handstukken van Savonet gevuld met kwartskorreltjes, zijn misschien radiolarien. De ouderdomsbepaling berust vooral op het concordant voorkomen met rudistenkrijt bij Savonet, doch ook op het feit, dat in Columbia en Venezuela kiezellei in verband met rudistenkrijt voorkomt [H. Karsten(2)en(3) G.P. Wall(14)] en met deze petrografisch een merkwaardige overeenkomst bezit. Kiezellei vinden we verder nog gerapporteerd ten westen van den St. Antonieberg waar ze roode en gele ijzerkiezel insluit, en bij Brievengat waar het huis op kiezelschiefer rust en zich in de onmiddellijke nabijheid een heuvel bevindt, die uit deze lei en uit zandsteen bestaat, met een richting west-oost en een helling 45- N.
Tusschen Brievengat en Ronde klip komt een blauwgroene breccie aan de oppervlakte, die beantwoordt aan de beschrijvingen van blue beache en volgens Wichmann evenals dit een diorietbreccie is.
Zuidelijk van Hato steken eveneens cretaceïsche lagen met een richting west-oost uit het alluvium. Deze bestaan uit zandsteen, mergel (Tutenmergel) en kalksteen. De zandsteenen der krijtformatie op Curaçao zijn zelden duiker dan ½ m. Het gesteente is fijn- tot grofkorrelig met blauwgrijze tint of, indien verweerd: vuil- tot stroogeel, zelden lichtgrijs. Het bestaat volgens kloos uit granietisch materiaal (hoekige fragmenten van veldspaath, glimmer enchloriet) en men kan 2 variëteiten onderscheiden: A. met kalkcement, overgaande in kalksteen (klein Mal pays, Groote berg, Hato). B. met kleicement, overgaande in mergel (Hermanus, St. Christoffel, Brievengat). De lichtgele, schieferige mergel van den Hermanus toont microscopisch veel overeenkomst met donkere mergels van de Boca dos Playos op Aruba, voert echter muscoriet in plaats van biotiet.
Deze zandsteenen bevatten volgens Martin globigerinen, rotalinen, textularien en fragmenten van lithothamnium (waarschijnlijk L. curasavicum uit de rudistenkalk).
Langzamerhand werd het terrein voorbereid voor het leven der koralen (8) p. 16 fig. 4). Een uitzondering vormt de Caracasbaai, waar de kalksteen direct op den diabaas rust ten teeken dat hier steeds rustig water was, evenals thans. Meestal echter rust de ko- | | | | raalkalk op conglomeraten, die bestaan uit diabaas of krijtfragmenten met kalkcement. Aan de Spaansche haven werd in dit conglomeraat een landslak aangetroffen (Pupa uva), die ook thans nog het eiland bewoont. Fragmenten van petrefacten treden op zoodra de grovere stukken verdwijnen en wel: steenkernen van gastropoden (strombus gigas.?), fragmenten van ostrea, Venus concellata en andere niet te bepalen Lamellibranchiaten. Aan de noordkust, bij Savonet, wordt 't gesteente gevormd door diabaasfragmenten en is ongemeen rijk aan steenkernen en huizen van Trochus pica L. Aan de oostkust van het binnenwater van Hermanus bevat het conglomeraat fragmenten van cretaceïschen zandsteen (die daar den ondergrond vormt) en kalkrolstukken. Het kalkgehalte van het conglomeraat nam langzamerhand toe, de fragmenten werden kleiner en eindelijk ontstond een zuivere kalksteen. Dit zijn koraalkalken met fraaie afdrukken der stokken juist in den stand waarin zij leefden. Madreporiden hebben verreweg de overhand. In holten tusschen de stokken vindt men groepen van astraëaceën, mollusken, wormbuizen etc. o.a. Strombus gigas, Pyrula melongena, Chama macrophylla, Lithodomus. Schelpbanken met zeeschelpen en ingespoelde landslakken (Pupa uva) bevinden zich aan de voet van Fort Nassau, aan den Beekenburg en ten osten van de Piscaderosbaaisteeds weinige meters boven zee. Bestijgen we nu de St. Hieronimo (229,9 m.) dan zien we den rand der diabaasschotels verhoogd door bijna loodrechte kalkwanden, de quartaire riffen. De St. Hieronimo en misschien ook Ronde klip zijn de eenige plaatsen waar quartairkalk binnen het voormalig atol werd afgezet of althans overbleef. Eerstgenoemde berg bestaat tot 207 m. uit diabaas. De daarop rustende kalksteen bevat geen koralen, doch zeer vele fragmenten van foraminiferen en Lithothamnium. Het eiland is dus en bloc gerezen, zooals we ook moeten besluiten uit de ruimten die tusschen de quartaire riffen vrijbleven en welke we thans terugvinden als holen en grotten. Die van Hato heeft zich in West-Indië bekendheid verworven. Haar ingang ligt 200 voet boven zee (13) en een der hoogste gewelven ontvangt bovenlicht door een door instorting ontstaan gat.
Bij Savonet bevindt zich een bekken, dat slechts in zijn buitenste deel (door een lagen wal van de zee gescheiden) nu en dan eens wordt overstroomd.
Thans schijnt het rijzen van het eiland voor een wijle wat langzamer te geschieden, want de Grenadiersmuts aan de Caracasbaai en de klip waarop de Beekenburg staat, die met de eerste rots vroeger één geheel uitmaakte, zijn deels onderwasschen, als waren ze aangesneden met een groote zaag. Na afkalven van de overhangende rotsen zal de zeebodem hier in een terras veranderen, zoodra het eiland wat sneller rijst. Curaçao bezit meer van deze terrassen. Bovon het onderste dat, zooals vroeger gezegd, de drie Benedenw.-eilanden omgeeft, vertoonen zich bij Hato vanaf Ascencion tot Brievengat nog 2 andere. Bij Kleine berg heeft het hoogste terras zijn front zelfs dichter bij de Zuid- dan bij de Noordkust en is hier dus uitermate breed. De kalkbrug tusschen Groote- en Keine berg vormde volgens Martin een vierde terras, daar waar zich vroeger beide zeeën vereenigden. Aan de noordwesthelling van den Grooteberg komen mergels voor, die rolstukken van koraalkalk bevatten welke petrografisch met de quartaire rifkalk overeenkomt. Ook de zuidkust vertoont drie terrassen, die echter bij Willemstad weinig duidelijk zijn. Oostelijk neemt dit aantal af; zoo aan den Tafelberg nog 3, bij Duivelsklip 2 en verder oostwaarts slechts het onderste terras. Binnen de Caracasbaai ontbreekt de branding en daarmede de terrassen. Thans wordt het eiland aan de loefzijde vernietigd, doch groeit aan de lijzijde, waar zelfs de mangrovenwortels met kalktuf geincrusteerd zijn. Toch doorbreken talrijke geulen het zuidelijk kustgebergte en verleenen toegang tot z.g. binnenwaters.
Water. Willemstad wordt van waschwater voorzien uit putten die te Plantersrust en Alabama liggen. Bronnen treden weer te voorschijn op de grens van diabaas en quartairkalk, b.v. bij Hato. Ook op de plantage ‘Knip’ bevinden zich 2 bronnen (16). De eene heet ‘Tuin van Louw’ en ontspringt uit een tamelijk hoogen berg; zij vormt een smal stroompje van een lengte van eenige tientallen meters en verdwijnt dan weder in den bodem. De andere, die iets lager ligt, heet ‘Poos van Cajoeda’. Het zand op den bodem dier beekjes is geheel zwart. gekleurd door zwavelijzer, waarschijnlijk veroorzaakt door zwavelafscheidende bacteriën. Verder bezitten vele plantages watergaten, soms met een windmolen b.v. Knip, Siberië, Klein St. Joris.
Phosphaten. Hier en daar is, evenals op Aruba, de quartairkalk omgezet in phosphaat. De voornaamste vindplaats is wel die langs de zuidhelling van den Tafelberg aan de Fuikbaai (Santa Barbara phosphaat mijn). Men onderscheidt rijke (witte of grauwwitte) met 80% en arme (roode) phosphaat met 45-50% calciumphosphaat.
Eigenaardig zijn hier pseudomorphosen die uitwendig de lenzen vertoonen van gips, dat waarschijnlijk in uitgedroogde strandbekkens werd afgezet, doch thans geheel bestaan uit kleine kristalletjes(R)vanMartiniet (4) p. 4). Vruchtelooze onderzoekingen naar phosphaat werden ingesteld bij Ascencion en Rondeklip (5) p.61).
Ertsen. Kwartsgangen van geringe dikte doordringen den diabaas in Rooi Kibrahacha. Deze komen ook op West-Curaçao hier en daar voor, doch staan verre ten achter bij de gangen van den Oost Seinpost. Een vergelijking met de gangen van Aruba kan den toets niet doorstaan.
Op de kloofvlakken van den kwartsdiabaas westelijk van Savonet (aan den weg naar Westpunt) en zuidoostelijk van den St. Christoffel komt aardachtige malachiet voor. In mindere mate daarnaast azuriet roodkopererts, derbe magnetiet en bruinijzer erts (uit magnetiet ontstaan). Nabij Savonet verder in den diabaas kalkspaathgangen, die eveneens koperertsen voeren n.l. roodkopererts, koperglans, malachiet en gedegen koper. Evenzoo op plantage Groot St. Martha. Geen dezer ertsmassa's loont een exploitatie.
Klein Curaçao is door de phosphaatexploitatie met de zee gelijk gemaakt.
| |
De bovenwindsche eilanden.
Deze laten zich in drie bogen groepeeren: 1- de vulkanische jongere Antillen: Saba, St. Eustatius, St. Christopher etc. etc., welke een zoom vormen direct om het zinkingsgebied der Caraïbische zee. 2-. de middenboog der oudere Antillen: Anguilla, St. Martin, St. Barthelemy, enz. 3- de buitenste (Atlantische) zone der Antillen, opgebouwd uit tertiaire en jongere rifkalken.
Litt. 1. Kaart No. 210 uitgeg. in Nov. 1903 doorhet ministerie van marine (afd hydrographie). 2. J. Boldingh The flora of St. Eustatius, Saba and St. Martin. Leiden 1909. - 3. P.F. Cleve, On the geology of the north-eastern West-Indian Islands.’ Kongl. Svenska Vetenkaps Akademiens Handlinger Bandet 9, No.
| | | |
12, 1871. - 4. Duncan, Quart. J. Geol.Surv. vol XIX, 1863. - 5. E.O. Hovey, Volcanoes of Martinique, Guadaloupe and Saba. Report 8th. Internat. Geogr. Congres London 1904 p. 447-451. - 6. E.O. Hovey Volcanoes of St. Vincent and Statia, ibid p. 452-454. 7. A.G. Högbom, Zur Petrographie der kleinen Antillen. Bull. of the geol. Inst. of the Univ. of Upsala. Vol. VI 1902-1903 p. 214. - 8. G. Lange, Ueber das Vorkommen von Schwefel auf der Insel Saba. Dingler's Polytechnisches Journ. 1886 259 p. 43. - 9. G.A.F. Molengraaff De geologie v.h. eil. St. Eustatius, Leiden 1886. - 10. G.A.F. Molengraaff über vulkanischen Schwefel aus Westindiën. Zeitschr. f. Kryst. XIV 1888 p. 1. - 11. K. Sapper. Ein Besuch von St. Eustatius and Saba. Centralbl. f. Min. 1903 p. 314. - 12. J.W. Spencer On the geological and physical development of Antigua. Quart. Journ. geol. soc. of London 57 1901 p. 490. - 13. J.W. Spencer, On the geol. and phys. dev. of St. Christopher chain and Saba banks. ibid. p. 534. - 14. J.W. Spencer, On the geol. and phys. dev. of Guadaloupe ibid. p. 506. - 15. J.W. Spencer, On the geol. and phys, dev. of Anguilla, St. Martin, St. Bartholomew and Sombrero ibid. p. 520. - 16. G.A.F. Molengraaff, Het geologisch verband tusschen de West-Indische Eilanden. Handelingen van het Eerste Nederl. Natuur- en Geneeskundig Congres, gehouden te Amsterdam op den 30en September en den 1sten October 1887.
| |
Saba.
Dit eiland bezit een zelfstandige ligging ten noordoosten van de Saba banks, een groot onderzeesch plateau op een gemiddelde diepte van 20 vademen, langs welks oostrand men bij - 10 vademen nog levend koraal aantreft. Spencer (13)p.540) meent daarom dat deze vulkaan later verrezen is aan den noordrand van dit plateau in de breuklijn, die door St. Eustatius, St. Kitts, Nevis enz. wordt aangeduid. Ook van St. Eustatius wordt het door een diepte van 460 vademen gescheiden. Thans nog slechts een vulkaanruine, verheft hij zich toch tot 850 m. boven zee. Zijn sterk geaccidenteerd oppervlak verijst hier en daar loodrecht uit de baren, waardoor het eiland bijna ongenaakbaar is. Het eenige vlakke deel, The Bottom, ligt 200-300 m. hoog. Dit bijna cirkelronde gedeelte zou, gelet op de steile tufwanden die het omvatten, de oude krater kunnen wezen, doch moet volgens Sapper (11) door erosie zijn ontstaan. Deze ruine nu bestaat uit lavastroomen van augiet- en hoornblendeaudesiet, met de bijbehoorende tuffen. De grootste stroom heeft zich in noordelijke richting ontlast en vormt het schiereiland Vlakke Hoek. Volgens Cleve(3)p.18) toont dit roodbruine gesteente witte, glazige plagioklaaskristallen en kleine zwarte hoornblendenaalden. Högbom (7) beschreef het als hoornblende-augietaudesiet met fraaie labradoroligoklaas kristallen.
Gaat men de steile helling bij Hell's Gate af dan ziet men de bruinroode augietaudesiet gaandeweg verbleken onvast worden en ten slotte plaats maken voor een gele strook, een met zwavel gevulde spleet, of liever complex van spleten. Het rendeerend gedeelte van dezen gang is 4-6 m. dik, doch de exploitatie gaat bozwaarlijk doordat de mijn ligt op een steile helling 110 m. boven zee aan een ongenaakbare kust.
In eenige spleten vormden zich kleine (1-3 m.m.), doch fraai gevormde zwavelkristallen (G.A.F. Molengraaff(10) p. 2.). Deze uitgedoofde solfataren waren de laatste uiting der vulkanische werkzaamheid Thans vindt men volgens Sapper (11) op het eiland nog slechts enkele warme bronnen.
| |
St. Eustatius (Statia)
rust met St. Kitts en Nevis op een onderzeesch plateau (-25 vademen). Men kan aan het eiland een jonger zuidelijk- en een ouder noordelijk gedeelte onderscheiden. Beiden bezitten een vulkanisch karakter, doch het noordelijk deel is slechts een ruïne, terwijl ook het zuidelijke sinds menschenheugenis geen uitbarsting toonde.
Noord-Statia. Uit den reliefvorm kan men nog duidelijk den ouden vulkaan reconstrueeren, waarschijnlijk in deze daarom jonger dan Saba, welks krater men niet nauwkeurig meer kan aanwijzen. Resten van den ouden kraterwal vinden we nog in Gilboohill en in den bergrug die, met bijna loodrechte buitenhelling, van ‘Boven’ op eenigen afstand de westkust volgt, om, alvorens Tumble Down Dickbaai te bereiken, oostelijk om te buigen en in Mary glory te eindigen. Hij werd door regen, aardbevingen en de branding der zee bij Venusbaai en Concordiabaai opgeruimd, waardoor de krater door het Venusdal en het Concordiadal een natuurlijke waterloozing kreeg. Van den top van North Hill of Boven (295 m.), baanden zich twee geweldige lavastroomen een weg, de een in noordelijke, de ander in oostelijke richting. Zij werden door de branding afgekalfd en maken door hun brokwerk het noordstrand ongenaakbaar. Langs de Heiligenbaai verrijzen reusachtige verticale zuilen van augietandesiet. De lavastroom, die zich in Noordkaap ontlastte is slechts weinige meters breed. Ook oostelijk van Gilboohill steken thans lavamassa's als voorgebergten in zee. Deze berg zelve bestaat deels uit puin, deels uit solied gesteente. De hoefijzervormige krater ten noordwesten van Oranjestad moet beschouwd worden als een parasiet op den ouden hoofdvulkaan. Hij toont aan de einden (Signalhill en Batterij Amsterdam) fraaie dwarsprofielen door zijn wand. De buitenzijde van den parasietkrater is tusschen Fort Amsterdam en Tumble Down Dick baai bijna overal, soms zelfs over een hoogte grooter dan 50 m., loodrecht afgekalfd. Tusschen Diamond Rock en Sugarhole ziet men duidelijk hoe vele apoplysen het tufcomplex doordrongen (K. Sapper (11). Zeker van jongen datum is de kleine kegel, het Bergje, dat een lavastroom in de richting van het Venusdal uitstortte en een kleinere naar het Concordiadal, want deze stroomrichtingen wijzen erop dat het eiland toen reeds in hoofdzaak het hedendaagsch relief vertoonde. Van vulkanische nawerking getuigt nog slechts het gesteente bij Jenkinsbaai, dat, waarschijnlijk door zwaveligzuur dampen, geelachtig tot witachtig van kleur is en tot 40 c.m. dikke gipsgangen bevat met groote heldere kristallen (∞ P ∞ ∞ P; - P, vaak tweelingen volgens ∞ P̄ ∞). Ook noordelijk van Jenkinsbaai is het gesteente aangetast en tot op meerdere meters diepte omgezet in een blauwachtige aarde, die vrij veel pyrietkristalletjes bevat.
Zuid Statia. Ten Zuiden van de zooeven besproken vulkaangroep verrees later een groote kegel, the Quill. Zijn jong karakter blijkt reeds terstond uit het volmaakt vulkaanprofiel. Waar de helling van den afgeknotten kegel vrij plotseling van 30° op 20° vermindert, maken ook de grovere lapilli plaats voor een fijne tufbedekking. Slechts aan twee zijden wordt dit profiel gestoord n.l. in een richting N. 53° W., (gerekend vanuit het middelpunt van den berg) door een parasiet Roundhill, die zich tot 152 M. verheft en in 't zuiden, waar een aardschol (de z.g. White wall, uit afwisselende lagen kalksteen en tuf bestaande) onder een helling van 45° tegen den vulkaan rust. Volgens Spencer(13) zou de kalksteen v.
| | | |
White wall even oud zijn als de witte kalk v. Anguilla (plioceen) en zou de Quill verrezen zijn in de periode tijdens welke zich op St. Martin het rolsteendek vormde. (Zie St. Martin.) Molengraaff (9) meent dat de White wall werd opgericht door de actieve werking van den vulkaan, terwijl Sapper (11) aanneemt dat de koraalkalk zich ontwikkelde op een primair hellenden zeebodem.
De onderste banken van den White wall bestaan uit angietandesiettuf, die waarschijnlijk onder water werd afgezet. Daarop volgt een conglomeraatlaag zonder fossielen. Het organisch leven werd door schelpen ingeleid en daarna traden koralen op. De oppervlakte van deze koraalbank toont geen karstverschijnsel en rees dus nooit boven den waterspiegel. Zij werd overdekt door een puimsteenlava, die deels vergruisd werd tot een tuf, waarop een fossielvrij conglomeraat volgde en ten slotte weer kalksteen. Molengraaff vond in den kalksteen geen enkele uitgestorven soort en kent hem daarom een postpliocenen ouderdom toe. Het Sugar loaf is niets dan een deel van den White wall dat neergetuimeld is. Op den top van den vulkaan bevindt zich een gesloten keteldal met zeer steile, niet zelden loodrechte wanden. De bodem daarvan ligt 297 M. boven zee en beslaat slechts een oppervlakt van ½ km2. De overal slechts weinige meters breede bergkam, die den krater omgeeft, bezit een hoogte van 391-581 m.
Midden Statia. Hier is de bodem overdekt met de fijnste uitgeworpen massa's uit den hoofdvulkaan (the Quill), beslaat een nagenoeg horizontaal oppervlak van 5 km.2 en vertoont langs de randen bij Oranjebaai en tusschen Concordia- en Turtle baai, welke steil afvallen op een strand van 50 m. breedte, can̆onvormige kloven, die door den regen soms in één dag worden uitgewasschen, gelijk dit met de Para Mira, een 3 m. breede kloof van 50-100 m. lengte en 20-55 m. diepte bij Turtle-baai is geschied
Dalen van het land. De ongenaakbare kust en het nagenoeg ontbreken van koraalrotsen bewijzen reeds dat Statia daalt. Sapper (11) schat uit de verdronken overblijfselen van het op 't einde der 18e eeuw verlaten deel der havenstad dat sinds dien het eiland 2 m. gezonken is. Evenzoo was tot voor weinige tientallen jaren langs de noordkust een te paard begaanbaar strand aanwezig. De koraalriffen die we op Molengraaff's kaart (9) aangegeven vinden, groeien dan ook tegen de verdrukking in.
Behalve langs Oranjebaai en tusschen Concordiaen Turtlebaai vertoont nog slechts de zuid- en zuidoostkust een 10-12 m. breed strand dat met rolstukken bedekt is. Langs White wall is de kust ongenaakbaar en ook westelijk daarvan tot Gallows baai is ze zeer steil.
Vulkanisch leven van ‘The Quill’. Het profiel van den White wall toont dat tusschen twee opvolgende erupties van den hoofdvulkaan voldoende tijd verliep om een flinke koraalafzetting in het leven te roepen, dus eeuwen. Hoe geducht die uitbarstingen dan waren, bewijst het profiel, dat de kustwal langs de Oranjebaai tusschen boven- en benedenstad ons biedt. De tuflagen onderin bereiken een dikte van 1,5-2 m. In iedere laag is het materiaal geschikt naar de korrelgrootte; in de hoogere overheerscht een donkere puimsteen, in de lagere de witte puimsteen van den White wall. Gelukkig zijn de hoogere lagen slechts 60-80 cm. dik en schijnt de vulkaan dus gekalmeerd te zijn. Het voorbeeld van Martinique zij echter een waarschuwing. Hij zou wel eens kunnen ontwaken uit zijn rustige rust, al is de krater ook met een weelderig plantenkleed bedekt en al is ook niet de minste fumarolenwerking te bespeuren, want deze speelde nooit een groote rol. Misschien deden ze den gips tusschen de brokken van den kraterwand ontstaan, waardoor deze hier en daar gelijkt op een breuksteenmuur die door menschenhand werd opgetrokken. Mogelijk ook de gipskristallen die boven op den White wall in afmetingen van 4 × 15 cm. voorkomen.
Gesteenten. Gelijk op andere Antillen schenen ook op Statia erupties van zure gesteenten te volgen op meer basische, althans de onderste lagen van den White wall bestaan uit angietandesiet tuf terwijl bovenin een puimsteenlava van zuurder karakter voorkomt. Evenzoo ontlastte de oude noordkrater lavastroomen van angietandesiet, terwijl in den parasiet Signalhill, hoornblende-angiet- en hoornblende andesiet voorkomen.
Angielandesieten overheerschen echter en bouwen met hunne tuffen bijna het geheele eiland op. Het frissche gesteente bezit een s.gew. 2,62 en bevat 53% kiezelzuur. Het ruwe breukvlak ls lichtgrijs tot grauwzwart gekleurd. Deze kleur schijnt af te hangen van het gehalte aan ertsstof, want de lichte soort bezit een grondmassa die rijk is aan lijstvormige plagioklasen welke met eenige angiet- en ertskorrels verkit worden door een glasbasis die wemelt van mikrolieten en globulieten, terwijl de donkere variëteit een mikrofelsietische grondmassa vertoont die veel magnetiet bevat. De porfierigestructuur uit zich bij de lichte variëteiten door de donkere augieten en bij de donkere variëteiten door de glinsterende veldspathen. Als phenokristen treden op; Plagioklaas (oligoklaas tot anorthiet) in tot 7 m.m. groote individuen met duidelijke tweelingslamellen en vele glasinsluitsels; Augiet is tot 8 m.m. groote kristallen, wier vlakken ∞ P̄ ∞, ∞ P̆ ∞, P, - P, ∞ P. in de aangegeven volgorde in grootte afnemen. Vaak tweelingen volgens ∞ P̄ ∞, soms lamellair. Zij splijten volgens ∞ P, soms ook volgens ∞ P̄ ∞. Tusschen gekruiste nicols vertoonen ze een zonairen bouw. De kristallen zijn vaak door een rand van magnetietkorrels omgeven en men neemt overgangen in opaciet, veridiet en epidoot waar. Nevenbestanddeelen vormen: Magnetiet, Apatiet, Olivijn (?) en Tridymiet (tot 0,055 m.m. groote zeshoekige blaadjes). Chalcedoon vult als ontledingsproduct laagsgewijze met sphaerolietische structuur de fijne spleten in het gesteente. De puimsteenen die hiertoe behooren vertoonen overgangen in den normalen andesiet, zijn lichtbruin getint en bevatten vaak kristallen van augiet, plagioklaas en magnetiet.
Hypersteenaugietandesiet komt voor in losse blokken op de noordwesthelling van den hoofdvulkaan. Het gesteente valt terstond op door zijn roodbruine tint. De grondmassa bestaat uit stompe hypersteenzuiltjes, lijstvormige veldspathen en kleine magnetietkorrels, verkit door zeer licht glas. Daarin rusten als phenokristen: Hypersteen in zuilen van 1,2 × 0,3 m.m., vooral begrensd door ∞ P̄ ∞ en ∞ P̆ ∞(∞ P slechts ondergeschikt). Hij splijt volgens ∞ P (minder volgens ∞ P̆ ∞) en is duidelijk pleochroïtisch van bruingroen tot helderbruin. Plagioklaas in onduidelijk begrensde kristallen met vele insluitsels van glas, hypersteen, augiet en apatiet.
Hoornblende-augiet-andesiet, een donkergrijs ge steente, vormt breede gangen door den augietandesiet van Signalhill en wordt o.a. in losse blokken gevonden in den tuf op de oosthelling van den hoofdvulkaan. S.gew. 2,4. Kiezelzuur 56%. Hoewel een slijpplaatje toont dat het gesteente meer angiet be- | | | | vat, vallen makroskopisch de hoornblende zuiltjes bizonder in 't oog. Ze bereiken een grootte van 8 m.m. en zijn slechts in de prismazode (∞ P, ∞ P̄ ∞) goed begrensd. Kleur groen. Pleochroisme zwak. Zij schenen een attractie uit te oefenen op het ertsstof in het magma, want de kristallen zijn door een ertszoom omgeven. (G.A.F. Molengraaff, 9), p. 45).
Hoornblendeandesiet schijnt zeldzaam als bomben voor te komen aan de zuidoosthelling van Signalhill. Hoornblendezuilen (0,8-10 m.m., groen, sterk pleochroïtisch), plagioklaaskristallen (oligoklaas en een weinig albiet), magnetietkorrels (tot 2 m.m. groot) en enkele augietkorrels (meerendeels in den amfibool) worden verkit door smalle strookjes bruinachtig glas dat hier en daar talrijke mikrolieten en hoorn blendezuiltjes voert en waaraan een menigte dichtgedrongen gasbellen een schuimachtig aanzien verleenden.
Dacietpuimsteen met 69½% SiO2 vormt de helderwitte puimsteenlava van White Wall. Dit gesteente verkreeg een fijnvezelige structuur doordat alle luchtbellen in dezelfde richting gestrekt zijn. Veldspaath, hoornblende en augiet zijn ondergeschikte bestanddeelen. Het geheel toont slechts een begin van kristallisatie (globulieten).
De tuffen die een groot gedeelte van Statia bedekken komen in chemische samenstelling overeen met een augietandesiet. Zij bestaan in hoofdzaak uit glassplintertjes met fragmenten van veldspaath augiet, magnetiet en spaarzaam ook hoornblende en hypersteen. Langs de kust is het materiaal omgewerkt en bleef in hoofdzaak slechts het zware ijzererts op het strand liggen.
| |
St. Martin.
Tusschen de eilanden Dog, Anguilla, St. Martin en St. Barthélemy staat hoogstens 15 vademen water (1). Rondom hen daalt de zeebodem langzamerhand, om eerst bij 40 vademen diepte plotseling af te vallen. Dit onderzeesch plateau is te beschouwen als een top van een door de erosie uit het voormalig Antillencontinent afgezonderde berggroep. De ligging der eilanden op het westelijk derde deel toont hoezeer de zee vooral aan de loefzijde erin is geslaagd den bergtop af te schaven, ondersteund door de dalende beweging, waarin deze landschol verkeert.
St. Martin wordt slechts door een kanaal van 15 vademen van St. Barthélemy gescheiden, terwijl een rug van -10 vademen in het kanaal van Anguilla het met dit laatste eiland vereenigt.
Men onderscheidt een hooger oostelijk deel tot 386 m.), bergachtig met blijvende stroompjes, en een lager westelijk deel dat grootendeels door één lagune, de Simsons lagune, wordt ingenomen. Het oostelijk deel is tevens het oudste, gevormd door een eruptiefkern, waartegen andere sedimenten werden afgezet. Het sterk verweerde gesteente vertoont zich b.v. in verschillende koppen ten noorden van Philipsburg en evenzoo langs den weg noordelijk van deze stad die over een waterscheiding van 70 m. voert. Het zijn groensteenen of diorietporfieren met vele trikliene veldspathen, waarschijnlijk nauw verwant met de oude eruptiefgesteenten van Antigua(15) p. 523). Cleve (3) trof het ook aan in den Koolbaaiberg en het achterland hiervan.
Zuidoostelijk van Philipsburg aan den weg naar Witte kaap komt een afwijkend gesteente voor, dat Cleve beschouwde als een intrusie onder de overdekkende sedimenten (15) p. 523). Op de eruptiefkern n.l. rust als oudste sediment, een serie die deels uit tuffen deels uit kalksteen bestaat en wij daarom tuf en kalk serie zullen noemen. Het materiaal is sterk verkiezeld, waarom Spencer ze beschrijft als: Tuff series, with layers of marine cherty limestones and also fresh water cherty beds. De lagen zijn vaak verschoven en talrijke apophysen dringen daarin door. Zoo drong volgens Cleve (3) p. 22) tusschen Philipsburg en de zuidoostpunt een gang van lichtgekleurden (op syeniet gelijkenden) dioriet in deze serie en deed ze onder 40° zuidwaarts hellen met een west - oost richting. Evenzoo doordringt een diorietgang van 1 voet dikte de verharde tuffen op het hoog ste punt van den Marigot bovenweg.
Spencer kende aan analoge lagen op St. Barthélemy en Antigua een boven-cocenen tot onder-oligocenen ouderdom toe. [(15) p. 525, (12) p. 495.] Zij komen o.a. voor op de volgende plaatsen:
1o. Aan het zuidwesteinde van Witte kaap om zich, met een kleine onderbreking door schelpbreccie (westelijk van Chaudière du Diable) in den zuidoostelijken rug voort te zetten. Zij kronen den heuvel in nagenoeg horizontale lagen, die vaak sterk met kiezelzuur geimpregneerd zijn en dan in warc hoornsteenen overgaan. Afwijkend is de helling in het zuidwesteinde (40° Z.W.) en aan het noordoosteinde (40° N.W.).
2o;. Langs de zuidkust. De klippen langs de zuidkust ten westen van Philipsburg bestaan in hoofdzaak uit kwartslagen waarin en waartusschen vulkanisch zand of tuf. Kalk treedt hier meer op den achtergrond dan hij Witte Kaap. Dikke zwarte banken van psilomelaan liggen in deze serie, vooral nabij Pelikaan punt; in holton vond Cleve: Cronstedtiet, epidoot, chalcedoon, magnetietoctaëders en haematiet.
In de heuvels (Fort Willem enz.) ten westen van Philipsburg zijn de lagen N.O. gericht en hellen ze onder 20-30° Z.O. De kaap in het verlengde van deze heuvelreeks, waarop de vuurtoren staat, is uit dezelfde lagen opgebouwd, doch wordt door jongere schelpbreccie van het achterland gescheiden.
In het achterland van de Kay baal en het westelijk deel van de Kleine baal hellen de lagen onder 20-30° Z. doch bezitten een oostelijke richting.
3o. Langs de Simson's lagune, oostelijk van Roode heuvel.
Discordant op de tuf en kalk serie rust hier en daar een dichte kalksteen, welks gelaagdheid niet overal te zien is. De oppervlakte vertoont vele holten waarvan er één (Devil's hole) tot beneden den zeespiegel reikt. Alleen de oppervlakte is deels in phosphaat omgezet, zooals een onderzoekingsgalerij nabij Pelikaan punt aantoonde. Deze trof tevens vele verschuivingen die onder 75° stonden.
De discordantie tusschen de tuf en kalk serie en de kalkserie blijkt het best bij Pelikaan punt, waar de lagen noordoostelijk gericht zijn en hellen onder 15° Z.W. (volgens P.F. Cleve 15° N.W.) tegen de tuf en kalk serie 40° N.W. Even noordwestelijk rust de kalksteen direct op de eruptiefkern, welke rug aan de oostzijde een steilte van 42 m. boven Simson's lagune vertoont. Hier hellen de lagen flauw westwaarts. Vermeldt Spencer zelve deze discordantie, zoo beschouwt hij toch de tuf en kalk- en de kalkserie op alle noordoostelijke Antillen als één geologisch geheel (12) p. 498) en kent hen een eocenen-tot oligocenen ouderdom toe. De kalkserie beschouwt Duncan (4) p. 410) als mioceen, omdat de koralenerin geenerlei verwantschap bezitten met de thans daar levende vormen, terwijl Wayland Vaughan de koraal fauna door J.W. Spencer(12) p. 497)uit de witte kalkserie van Antigua verzameld, identifieerde met het opper oligoceen van Z.W. Georgia. Dit alles spreekt dus voor een marine transgressie in oligocenen tot
| | | |
niocenen tijd. De kalken werden gevormd als rifkalken tegen een hellenden bodem.
Men vermoedt dat in oligocenen tijd St. Martin kleine eilandjes vormde om welker rotsachtige kusten een mechanisch sediment werd afgezet dat we o.a. terugvinden in de Witte Kaap als een kap van 15-20 voet dikte (helling 35° Z.W.) op de tuf en kalkserie. Het is hier een fossielvrij verhard kalkzand (z.g. zandsteen) die als bouwsteen gebezigd wordt. Het noordoosteinde van Tintamarre biedt een profiel door deze lagen. Ze zijn sterk gestoord, hellen onder 20° Z.O. en bestaan uit licht getinten kalkzandsteen. die een dikke laag kalkconglomeraat omsluit. Anguilla was toen door water bedekt, waarin zich een koraalkalk ontwikkelde. Te oordeelen naar de koralen meende Spencer(15) p. 526)dezen (lageren) Anguillakalksteen te moeten parallelliseeren met den Antiguakalksteen van oligocenen ouderdom. Aan de noordkust van Tintamarre rusten op den kalkzandsteen wederom kalk en mergel, vrijwel horizontaal. Ze gelijken op de bovenste witte kalken van Anguilla. In de allerbovenste lagen vond Spencer enkele fossielen, waaronder twee recente koralen. Hij stelt zo daarom gelijk met den Pointe à Pitre usine limestone op Guadaloupe van laat pliocenen tot oudpleistocenen ouderdom (14) p. 512).
Ongeveer gelijken ouderdom, misschien iets jonger, bezitten breccies van den tuf en kalksteen aan Witte Kaap. Weer jonger (vermoedelijk pleistoceen en equivalent met de Cassade garden gravels van Antigua)zijn nog frissche rolsteenen van de eruptiefkern op de heuvels achter Pelikaan punt en het rolsteendek dat 50 m. boven zee ligt op de waterscheiding tusschen Philipsburg en Oesterput. Ten slotte wordt de Simson's lagune van zee afgesloten door recente schelpbreccies, die we ook aantreffen tusschen Kleine baai en Groote baai, rondom Groote zoutpan en in Witte kaap westelijk van Chaudière du diable.
| Gebezigde kunsttermen: |
| Aktinoliet: soort amfibool (hoornblende). |
| Ammonieten: met Nautilus ver verwante, uitgestorven weekdieren. |
| Apophysen: zie Stollingsgesteenten. |
| Astraeidae: soort koralen. |
| Breccie: zie Erosie. |
| Carcharodon: soort haai. |
| Chama: tweekleppige schelp. |
| Conglomeraat: zie Erosie. |
| Corrosie: zie Stollingsgesteenten. |
| Dendrieten: door te snellen groei boomvormig uitgeschoten kristallen. |
| Derb: heet een vaste korrelige ertsmassa, zonder kristalvorm. |
| Erosie: noemt men het afslijten van gesteenten door regen, wind enz. De meegevoerde producten zetten zich weer af als sedimenten, waarin men grovere stukken vaak door een cement verkit vindt en dan breccie heet indien de fragmenten hoekig of conglomeraat, indien de stukken afgerond zijn. Schotter is een verzameling van grovere en fijnere rolstukken. Seifen zijn sedimenten waaruit door het water de lichtere bestanddeelen voor een groot deel zijn weggevoerd, waardoor ertsen en edele metalen hierin rijker voorkomen. |
| Faciës noemt men de diverse ontwikkelingsvormen van een gelijktijdig afgezet gesteentencomplex. |
| Foraminifera. Eencellige diertjes die hoofdzakelijk uit protoplasma bestaan. Vaak scheiden zij een veelkamerig skelet af, dat meestal uit kalk bestaat. Het buitenoppervlak daarvan is hier en daar (soms op vele plaatsen) doorboord, ten einde het protoplasma in dunne strengen uit te laten. De voeding geschiedt door resorbtie van de spijs in het omhullend protoplasma. |
| Globigerina: een foraminifeer. |
| Karstlandschap: heet het ruwe oppervlak, vol holen en gaten, dat een kalksteengebergte aanneemt wanneer het door water wordt uitgeloogd. |
| Lithodomus: steenborende mossel |
| Lithothamnium: kalkalg. |
| Madrepora: een koraal. |
| Miliobatis: soort rog. |
| Oligoklaas: zie Plagioklaas. |
| Orbitoïdae: soort foraminiferen. |
| Oxyrhina: soort haai. |
| Phenokristen: zie Stollingsgesteenten. |
| Plagioklaas: scheef splijtende veldspaath, welks samenstelling wisselt vanaf Albiet (natronveldspaath met 69% kiezelzuur) door Andesien, Oligoklaas, Labradoor en Bytowniet (diverse natroncalciumveldspathen) tot Anorthiet (calcium veldspaath met 43% kiezelzuur). |
| Pleochroïtisch noemt men een kristalfragment dat, hoe klein het ook is, in verschillende richtingen verschillend gekleurd licht doorlaat. |
| Psilomelaan: een mangaanerts. |
| Pyrula: een landslak. |
| Rotalina: een foraminifeer. |
| Rudisten: zeer dikwandige schelpen, waarvan de eene schaal als een ventiel op de andere sluit. |
| Seifen: zie Erosie. |
| Sphaeroliet: kogel, die uit radiaal staande vezels is opgebouwd, b.v. sphaerolieten van veldspaath in de grondmassa van een gesteente. |
Stollingsgesteenten: komen deels in groote massa's (kernen) deels als vulling van spleten (z.g. gangen), deels in nog fijnere uitloopers (apophysen) voor. Hun structuur is des te gelijkmatiger naarmate het gesteente dieper stolde. Naar de oppervlakte toe ziet men een duidelijke tegenstelling tusschen grootere kristallen (phenokristen) en een fijnere grondmassa of basis. De structuur heet dan porfierig. Dit uit zich vooral bij het bezichtigen van uiterst dunne doorzichtige slijpplaatjes der gesteenten, door het microscoop. Soms zijn enkele phenokristen door de grondmassa ten deele opgelost (gecorrodeerd).
De bestanddeelen van een gesteente zijn vaak veranderd. Zoo kan augiet overgaan in opaciet (een mengsel van magnetiet en augiet), uraliet (een soort amfibool), chloriet (Grünstein) enz. |
| Strombus gigas: bekende Westindische landslak. |
| Textularia: een foraminifeer. |
| Trümmer: elkaar kruisende onregelmatige gangen |
| Tuf: gesteente, ontstaan door verkitten van vulkanisch materiaal (puimsteen, kristallen, asch). |
A.L.W.E.v.d.V.
| |
Aardnoot.aant.
Apennootjes. Curaçaosche amandel of mangel (n.e. en pap. Pienda, op de bov. eil. Peanut) is de vrucht van Arachis hypogea L., in Suriname in 't bijzonder door de Boschnegers gekweekt. Hoewel de groei op klei goed is vindt de kultuur bijna alleen op zand plaats, omdat het oogsten op stijven kleigrond vrijwel onmogelijk is, terwijl bovendien beweerd wordt, dat op zeer lossen zandgrond de kwaliteit het fijnst is. Na den bloei buigen de vruchtstelen zich naar beneden, de vruchtbeginselen dringen in den grond, en worden daar rijp. Pienda wordt in groote hoeveelheden gebruikt door de bevolking, want naast de inlandsche produktie is er een belangrijke invoer uit verschillende landen,
| | | |
o.a. Curaçao, Nederland, Fransch-Guiana. In 1910 werd 122.000 K.G. ter waarde van ƒ18.000 ingevoerd. Pienda wordt geroosterd gegeten, verder als ‘pienda blaf’, een soep van gestampte pienda, terwijl een groot gedeelte tot z.g. pienda-kaas (n.e. piandadokoen) verwerkt wordt. Hiertoe worden de zaden geroosterd, van de zaadhuid ontdaan en daarna gestampt met zout en een beetje cayenne peper. Verder bereidt men allerlei gebak met pienda.
De voedingswaarde van pienda is zeer hoog; de zaden bevatten:
| water |
5.7% |
| asch |
2.3% |
| vet |
50.4 |
| eiwit |
30.6% |
| cellulose |
7.1% |
| koolhydraat |
3.9% |
De prijzen op de lokale markt zijn hoog, zoodat de verkoop hier veel voordeeliger is dan de uitvoer; uit den grooten invoer blijkt dat de kultuur zich nog sterk kan uitbreiden De meest gevraagde variëteit heeft een korte vrucht, die één of twee zaden bevat; de bevolking zegt, dat de langere vruchten eenigszins grondig smaken. Voor de Europeesche oliefa-brieken is de Surinaamsche pienda, blijkens de beoordeeling van opgezonden monsters, minder goed, daar de olie eenigszins gekleurd is.
De beste planttijd is November; men kan bij gunstig weder dan na 3 maanden oogsten en in den kleinen drogen tijd opnieuw planten. Men zaait soms de geheele vrucht, soms de zaden alleen. Wanneer de stengels zich beginnen te verspreiden wordt de grond vaak om de plantjes aangestampt, zoodat er een klein heuveltje ontstaat. Op zeer zanderigen grond plant men gewoonlijk op 2 bij 2 voet, bij iets beteren zandgrond of op lichte klei op 3 bij 3 voet. Soms worden op de plantages kleinere stukken met pienda beplant. De opbrengst per H.A. is te schatten op 1500-2000 K.G.
Op Curaçao wordt de pienda wel algemeen verbouwd, maar overal in kleine hoeveelheden, het meest nog in het 5de district, met name op Westpunt, waar men de zoogen. Yaw-grond aantreft. Kultuur in betaalden arbeid loont zich niet, omdat men niet tegen Aruba kan concurreeren. In het klein-bedrijf echter wordt steeds een stukje land met pienda beplant, voornamelijk voor eigen gebruik. De pienda toch heeft voor den zeer armen, kleinen landbouwer het groote voordeel van reeds zeer vroeg in het seizoen een deel van den oogst uit te leveren, juist in den tijd, dat de magazijntjes leeg zijn. De neger bewerkt zijn piendaveld veel beter dan zijn maisland, zorgt tijdig voor behakken en aanaarden, plant echter veel te dicht opeen. Vaak reeds in Dec. kan hij zijne piendaplanten keeren (bira pinda, pap.), d.i. de helft van elke plant lichten om de daar gerijpte nootjes er af te halen, en daarna weer met aarde te dekken. Iets later kan hetzelfde gedaan worden met de andere helft der planten, steeds zorgende dat de hoofdwortel niet beschadigd wordt. In dezen tijd hebben versche pienda's een vrij hooge waarde: 20 cents, soms meer, per kan. De hoofdopbrengst krijgt men eerst later, als de planten beginnen te verdorren.
Op Curaçao wordt weinig, op Aruba veel pienda aangeplant, hetgeen aan het verschil in bodem dezer eilanden is toe te schrijven. De hoofdoogst is op Aruba steeds vroeger dan op Curaçao. Op Aruba liggen de voor kultuur geschikte gronden in de Noord, bij Kristalberg en bij Hooiberg. De oogst mislukt er zelden, hoewel in droge jaren veel leege nootjes voorkomen; ook op Curaçao is de pienda niet zeer onzeker. In het vroege voorjaar komen dus groote hoeveelheden pienda's bij de opkoopers, tevens winkeliers, in Oranjestad, die er dikwijls niet meer dan ƒ1.50 per schepel (= 28,8 L.) voor betalen en dit nog lang niet altijd in geld. Gedwongen winkelnering toch is op Aruba zoowel als op Bonaire algemeen, wordt mogelijk door het voorschotsysteem. Deze groote hoeveelheden pienda gaan bij scheepsladingen naar Curaçao, waar er 10 à 12½ cents per kan voor gemaakt wordt. Enkele malen gaat een lading naar Paramaribo.
Ook op St. Eustatius wordt een weinig pienda verbouwd.
Door het landbouwdepartement zijn op Curaçao proefvelden aangelegd van uitheemsche varieteiten, n.l. de Early Longpod en de Improved ground pea. De eerste geeft lange peulen met 3 à 4 flinke pitten, de tweede geeft zeer groote pitten. (Kol. Versl. 1913. Bijl. X).
De pienda wordt algemeen als versnapering genuttigd, wordt overal gevent onder den uitroep: ‘pienda berde y hasà’ (= versche en gerooste aardnoten). Ook wordt pienda met bruine, Venezolaansche suiker (soekoe papilón, pap.) gebakken tot allerlei zoetigheid onder verschillende benamingen.
Zie over Aardnoten, Bulletin v.h. Kol. Museum te Haarlem, Maart 1896. 2e druk 1908.
| |
Aardvruchten.aant.
Met aardvruchten in engeren zin worden in Suriname bedoeld: napi, jams, switi pataten, kassave en tajer. Feitelijk werden er die producten onder verstaan, welke, met de bananen, tot voedsel voor de slaven dienden, vandaar de naam kostproducten, waarmee ze ook wel aangeduid worden. Ook kan men er nog toe rekenen de arrowroot, daar van deze eveneens de in den grond gevormde deelen als voedsel gebruikt worden. De verschillende aardvruchten worden bijna uitsluitend gekweekt op de zoogenaamde grondjes, kleine stukken land, die in hoofdzaak bebouwd worden met de bedoeling om, tenminste voor een deel, in het levensonderhoud van den bebouwer te voorzien. Dergelijke stukken worden dan ook wel kost-gronden genoemd. De Boschnegers en Indianen leggen vaak dergelijke gronden aan te midden van het bosch; in den drogen tijd wordt dit geveld en gebrand en daarna worden de gronden beplant. Bij de meeste gewassen zijn maar enkele oogsten van hetzelfde stuk grond te verkrijgen, daar deze gewassen een bodem die niet bemest wordt snel uitputten, en men bovendien gewoonlijk op zandgrond kweekt. Daarom worden dergelijke gronden spoedig weer verlaten.
napi is de stengelknol van Dioscorea trifida L. (Fam. Dioscoreaceae); er worden twee groepen-soor ten in onderscheiden, n.l. een met roode knollen en een met witte. Verder vindt men in elke groep, evenals bij de andere aardvruchten, vaak lokale verscheidenheden. Napi wordt bij voorkeur op zandgrond of lichte klei gekweekt; het Paradistrict is voor al de aardvruchten het eigenlijke terrein. Men plant meest omstreeks October; als plantmateriaal worden stukken knollen met een oog, of kleine knollen, vaak met een stuk stengel, gebruikt. Het duurt dan een jaar tot de knollen rijp zijn, maar liefst oogst men in Januari. Men kan in elke maand planten; maar de natste maanden zijn ongunstig. Elke plant brengt vele knollen voort ter grootte van een flinken aardappel en grooter. Napi wordt gegeten als aardappel of ook tot soep gekookt.
Blijkens zijne samenstelling heeft napi een vrij groote voedingswaarde:
| water |
64.0% |
| asch |
1.1% |
| vet |
0.3% |
| eiwit |
1.8% |
| | | |
| cellulose |
0.9% |
| koolhydraat (als zetmeel ber.) |
27.4% |
In het Paradistrict vervangt Napi bijna geheel de bananen, die daar slecht groeien.
jams zijn afkomstig van Dioscorea Cayennensis Lam. (Fam. Dioscoreaceae). De stengelknollen zijn handvormig, gewoonlijk 30-50 cM. lang; er komen buitengewoon zware exemplaren voor, zelfs von 50 KG. De smaak is ongeveer die der Hollandsche aardappelen, alleen wat grondiger; het zet-meelgehalte is minder dan bij napi, gemiddeld nl. 20%. Jams zijn meer een voedsel voor de mindere klassen der bevolking; ze worden ongeveer op gelijke wijze als napi gebruikt. Men plant ze zoowel op klei als op zand; op klei zijn de knollen grooter, maar de smaak is minder fijn. Men laat de van klei geoogste knollen dikwijls eenigen tijd liggen; ze worden dan droger en de smaak verbetert.
Als plantmateriaal gebruikt men kleine knollen of het kopeinde van den knol met een stuk stengel. Er wordt een plantgat gemaakt van 2 voet in het vierkant on 1 voet diep; men vult dit met lossen grond plant de jams zoo mogelijk dicht bij een boom, waaromheen de stengels zich kunnen slingeren. De beste planttijd is October; na één jaar kunnen de knollen geoogst worden, maar meest wacht men tot Januari of Februari.
Wat de West-Indische eilanden betreft zij hier medegedeeld dat jams (yammen) vooral op St. Eustatius gekweekt en ook uitgevoerd worden, hoewel tegen lage prijzen, zelden meer dan ƒ2 per 100 K.G.
De uitgevoerde hoeveelheid wisselt sterk af:
| in 1903 |
132 450 K.G. |
| in 1906 |
26 400 K.G. |
| in 1909 |
39 460 K.G. |
| in 1911 |
24 300 K.G. |
| in 1912 |
20 030 K.G. |
switi patata. De wortelknol van Ipomaea Batatas (Linn.) Lam. (fam. Convolvulaceae) wordt gekookt of geroosterd gegeten, maar ook als veevoer gebruikt. Zandgrond is het geschiktst; de pataten worden meestal op heuveltjes of walletjes geplant. Men plant stukken stengels uit, die eenige geledingen lang zijn; de plant vormt vele kruipende stengels, waarvan het loof een goed veevoer is. Hoewel Augustus de geschiktste tijd is, kan ze vrijwel het geheele jaar door uitgeplant worden; ze is na ongeveer 4 maanden volwassen. De knollen zijn bolvormig of eenigszins lang gerekt, iets grooter dan de gewone aardappel.
In tegenstelling met napi en jams kan men bij patata van een geregelde kultuur in Suriname spreken, al is zij ook van kleinen omvang. Naar de kleur onderscheidt men twee groepen, n.l. roode en witte; de roode knollen hebben alleen een roode schil, terwijl bij de roode napi's daarentegen de heele knol rood gekleurd is. Verder zijn er in elke kleur meerdere variëteiten, waarvan de ‘blauwkop’ en de ouderwetsche ‘gele’ tot de beste behooren. De verschillende soorten hebben vrijwel dezelfde samenstelling, n.l.
| water |
± 70% |
| asch |
0.6-1.0% |
| vet |
0.3% |
| eiwit |
1.2- 1.7% |
| cellulosel |
2-1.8% |
| zetmeel |
25.0-25.6% |
Op Curaçao wordt de zoete patatte (Batata doesji pap.) slechts hier en daar geplant, n.l. waar men over losse aarde beschikt.
Op St. Eustatius is deze knol het voornaamste volksvoedsel; hij wordt ook uitgevoerd, maar bedingt slechts lage prijzen, zelden meer dan ƒ1,50 à ƒ2 de 100 K.G.
| Uitvoer 1908 |
198.640 K.G. |
| Uitvoer 1909 |
72.700 K.G. |
| Uitvoer 1910 |
27.820 K.G. |
| Uitvoer 1911 |
111.735 K.G. |
| Uitvoer 1912 |
11.860 K.G. |
tajers zijn varieteiten van Xanthosoma sagittifolium en Colocasia antiquorum Schott., waarvan de verdikte onder- of bovenaardsche stengel-gedeelten gegeten worden. De cultuur vindt weer het best plaats op zand of lichte klei; als plantmateriaal gebruikt men stukken schil, bepaaldelijk de kopeinden der knollen, die in den drogen tijd, September en October, in den grond gebracht worden. De planten hebben een jaar noodig voor volledige ontwikkeling, maar liefst oogst men wat later n.l. Februari. Er zijn vele variëteiten, o.a. gewone, bergi, hindoe, famirie of abo, witti of fienga, redi, geri, blaka, hagoe, kraasi, groote, chinesi en iksi tajer, waarvan het meerendeel tot het geslacht Xanthosoma behoort; slechts enkele o.a. chinesi en iksi zijn zeker Colocasia- soorten.
Krassi tajer is niet te gebruiken als voedsel wegens de groote hooveelheid raphiden en scherp melksap ze wordt wel als varkensvoer gebruikt.
De groote tajer, waarvan de stengel half boven den grond groeit, wordt geraspt en met het sap van zure oranjes behandeld, daarna met kip of visch tot een pastei gemaakt, welk gerecht bekend staat als ‘pom’.
De groote tajer kan zelfs een halve meter en meer lang worden, de andere soorten blijven gewoonlijk kleiner, vaak zijn de knollen bijna bolvormig.
Iksi en chinesi tajer zijn de meest gebruikte soor ten met kleinere in den grond groeiende knollen, die ongeveer 2% eiwit en 20-30% zetmeel bevatten. Van één soort worden de bladeren als groente gegeten (zie GROENTEN). Op de W.I. Eilanden noemt men de tajers Eddoc, Tanjer, Tannia en Taro.
kassave. (n.e. kassaba), Mahinot utilissima Pohl en Manihot palmata Müll. var. Aïpi Müll, familie Euphorbiaceae.
Deze uit tropisch Amerika stammende plant wordt algemeen in Suriname verbouwd; zij levert een zeer belangrijk voedsel voor den inlander, maar ook de onontbeerlijke gomma, die in groote hoeveelheden als stijfsel gebruikt wordt voor het stijven en glanzen van kleederen.
Van de genoemde twee soorten is de Manihot Aïpi de zoete, de Manihot utilissima de bittere kassave. Het onderscheid tusschen beide soorten bestaat in den smaak en in het percentage blauwzuur; bij de bittere is dit grooter en komt in alle deelen der plant voor; bij de zoete variëteiten daarentegen hoofdzakelijk in de schil, welke daarom vóór het gebruik wordt weggesneden. De bittere kassave bevat 0.024%, de zoete 0.0168 waarvan de schil 0.030% en het binnenste 0.007%. Bij het koken vervluchtigt het blauwzuur en verliezen de wortels hunne giftige eigenschap.
Van beide soorten worden variëteiten gekweekt; het zijn struikachtige planten met houtachtige stengels, welke een op vlierpit gelijkend merg bevatten; de bladeren zijn handdeelig met drie tot zeven lobben, de wortels dik en vleezig, van buiten geelwit, donkerpaars of zwartbruin, van binnen wit, en 30 tot 60 cM. lang.
De opbrengst der variëteiten is zeer verschillend en wisselt af van 6000-15000 K.G. wortel per Surinaamschen akker = 15000 tot 35000 K.G. per H.A.
Volgens proeven door het Departement van Land- | | | | bouw in Suriname genomen zijn de volgende inlandsche bittere en zoete variëteiten de meest vruchtdragende.
Opbrengst per jaar en per akker in kilogr. van:
| Bittere kassaven. |
|
Zoete kassaven. |
|
| Alonsoe |
15000 |
Poma |
7000 |
| Boeroe-tiki} |
14000 |
Kraka-tiki |
4000 |
| Rédi-bita} |
14000 |
Rédi-tiki |
4000 |
| Kaboegroe-oeman |
11000 |
Rédi-hédé |
3300 |
| Kankantri-tiki |
10000 |
|
|
| Koffi-tiki |
10000 |
|
|
| Bita-kassaba |
9500 |
|
|
De kassave-cultuur wordt hoofdzakelijk door de kleine landbouwers voor eigen gebruik en voor de inlandsche markt gedreven. Vóór 1911 vond geen uitvoer van uit kassavewortel bereid produkt plaats. In 1910 werd de eerste groote onderneming voor de teelt van kassave in de Boven-Commewijne gevestigd en in 1911 de eerste 25 ton machinaal bereide tapioca uitgevoerd.
De cultuur der kassave is eenvoudig; bij voorkeur groeien deze planten op goeden, lossen humusrijken zandgrond. De beste planttijd is eind Augustus of begin September, na het einde van den grooten regentijd, of in November als de kleine regentijd begint. De grond wordt eerst een voet omgespit, en in bedden van 12 à 15 voet breedte verdeeld; een goede drainage van den grond is een der voornaamste cultuurvoorwaarden der kassave; voor plantmateriaal gebruikt men stekken van ongeveer 15 cM. lengte welke 4 à 5 oogen bezitten. Op zandgrond is het gewoonte ze vlak in den grond te leggen op 10 cM. diepte; twee stekken in een plantgat; de plantwijdte is 3 à 4 voet in 't vierkant.
Op kleigrond wordt de kassave alleen gebruikt voor hulpschaduw bij jonge cacao- en koffieplantjes; de stekken worden dan gesneden op 30 à 40 cM. lengte en schuin in den grond gestoken, drie stekken om elke jonge cacao- of koffieplant.
Het oogsten der wortels vindt plaats na negen of twaalf maanden, naar gelang van de plaatselijke markt. Het rijkst aan zetmeel zijn de van 12 tot 14 maanden oude planten; na dien tijd gaat het gehalte achteruit.
Kassavewortels bevatten gemiddeld:
| water |
64.0% |
| asch |
0.7% |
| vet |
0.4% |
| eiwit |
1-4% |
| cellulose |
0-7% |
| koolhydraat (berekend als zetmeel) |
30.4% |
Uit de kassave-wortels worden de volgende produkten bereid: koeak (Fransch couac), kassave-brood, kasripo (of casripo), tapana, gomma en tapioca; bovendien worden ze gekookt gegeten.
Koeak of Kassavemeel. Voor de bereiding daarvan worden de wortels geschild, daarna geraspt en het geraspte in de kassave-pers, d.i. een vijf à zes voet lange worstvormige van Warimbo gevlochten zak (matapi genoemd) uitgeperst. (Zie verder onder BENEDENL. INDIANEN.)
De uitgeperste massa, die in groote brokken uit den zak komt, wordt fijn gewreven af gezeefd en nog eenigszins vochtig in ijzeren pannen op het vuur onder gestadig omroeren zacht gedroogd of geroosterd. De koeak is in drogen toestand langen tijd houdbaar en wordt daarom veel gebruikt als voedsel bij tochten in het binnenland, in Suriname echter minder dan in Fransch Guiana en Brazilië.
Kassavebrood. Het bereiden van kassave-brood geschiedt op ongeveer dezelfde wijze; inplaats echter van het meel gedurende het roosteren om te roeren, waardoor het fijn verdeeld blijft, laat men het liggen en bakt het tot een koek of brood tezamen. De kassave-brooden gelijken in grootte en vorm veel op Joden-paaschbrooden; men bereidt ze ter dikte van 1cM. of dunner. Zoowel koeak als kassavebrood blijft langen tijd goed en is zeer voedzaam; het bevat ruim 80% zetmeel en 1.3% eiwit; het wordt door de bevolking gebruikt met vleesch- of vischbouillon of peperwater. De kassave-brooden worden bij het roosteren soms met een weinig Cayenne-peper behandeld.
Kasripo. Het afloopvocht, bij het uitpersen der geraspte kassavewortels verkregen, dat uiterst giftig is, zoodat huisdieren na het gebruik ervan binnen weinige minuten sterven, wordt langdurig gekookt, tot een bruine, stroop-dikke vloeistof; het wordt gebruikt bij het braden van vleesch en het maken van sauzen; het heeft bovendien bederfweerende eigen-schappen. (Zie ook onder KOKOSNOOT.) In vroeger tijd had elke plantage-directeur een pot met dit vocht gevuld, waarin restanten van gebraden vleesch of visch bewaard werden; zulke potten werden dagelijks vóór het gebruik opgewarmd.
Tapana. Deze door de Indianen zeer geliefde geestrijke drank, wordt bereid van kassavebrood, dat speciaal voor dit doel gebakken wordt; de brooden worden n.l. veel dikker gemaakt en zoolang geroosterd tot ze bruin worden. Dit brood wordt eerst geweekt in kasripo, en na een paar dagen gisten aan een groot aantal menschen, bij voorkeur vrouwen, uitgedeeld, die het kauwen en het weer als een weeke brei uitspuwen en verzamelen. De brei blijft daarna in een ten deele met water gevuld vat, gewoonlijk een korjaal, nog een paar dagen gisten en is dan voor gebruik geschikt. Hoewel de bereidingswijze van dezen drank niet smakelijk kan genoemd worden, is hij toch aangenaam en verfrisschend (vgl. de bereiding der Kava in Melanesië en Polynesië).
Gomma en Tapioca. Voor de bereiding van gomma of stijfsel worden de kassave-wortels fijner geraspt dan voor de bereiding van koeak, daarna wordt de fijn gemaakte kassave in een zeef (manari) gedaan on onder gestadigen toevoer van water boven een tobbe uitgewasschen, waarin dan het zetmeel met het water verzameld wordt. Men laat het meel bezinken, giet het water af, laat het zetmeel in de zon drogen, dat als gomma voor het stijven van kleederen gebruikt wordt.
Tapioca wordt op gelijke wijze bereid, doch meerdere malen uitgewasschen, waardoor het in zuiverheid en helderheid van kleur belangrijk wint.
Van plantaardige of dierlijke vijanden heeft de kassave-plant niet te lijden.
Op Curaçao wordt de kassave (pap. Yucca) nagenoeg niet geplant, is daarentegen een der voornaamste cultuurgewassen van Saba en komt ook op St. Eustatius en St. Martin voor, zoowel de bittere als de zoete. Op Saba maakt men uit het kassavemeel groote, dunne koeken, welke op het dak in de zon te drogen gelegd worden.
arrowroot. Wordt bereid uit den wortelstok van Maranta arundinacea L. (Fam. Marantaceae). Het wordt in Suriname slechts in zeer kleine hoeveelheden bereid; op grondjes en enkele plantages vindt men nog wel eens kleine aanplantingen. Vroeger werd het onregelmatig uitgevoerd, doch ook alleen in zeer kleine hoeveelheden.
Nu wordt het slechts voor kleine kinderen of zieken gebruikt. De wortels worden geraspt en daarna in water het zetmeel uitgewasschen; er komt ongeveer 80% koolhydraat in voor.
| | | |
Litt. D.W. Rost van Tonningen. De Westindische kassave en scheikundig onderzoek van 3 kassaven-soorten. Natuurk. Tijdschr. van Ned. Indie. Batavia 1854. Kappler, Surinam, Stuttgart, 1887; C.J. Hering, Verhandeling over de voedingsmiddelen der kolonie Suriname, Paramaribo, 1901; J. Boonacker, Verslag over 1907, v.h. Landbouw-departement in West-Indië; Idem, Verslag over 1908; A.W. Drost, Verslag over 1909; Dr. J. Sack, Bulletin No. 23, van hetzelfde departement, Paramaribo 1910; Henri Jumelle, Les plantes à tubercules alimentaires des climats tempérés et des pays chauds, Paris 1910. Paul Hubert et Emile Dupré, Le Manioc, Paris 1910.
| | | |
Aasgier.
Zie CATHARTIDAE.
| | | |
Abauw,
pap. beteekent onder of beneden; wordt ook gebruikt bij het aangeven van de windrichting; banda abauw = beneden districten, d.i. het westelijk deel van Curaçao. (Zie ook ARIBA.)
| |
Abeni of abeniba.
Zie NAAMGEVING.
| | | | | |
Aboma,
n.e. (WATERBOA.) Zie EUNECTES.
| |
Abongra,
n.e. Zie SESAMUM.
| | | |
Abrus precatorius
L. Fam. Leguminosae. Weesboontje, sur. Kokriki, n.e. Jumbybeans, Liquorice plant, bov. e. Makoeraa, ben. e. Slingerplant met veervormig saamgestelde bladeren, waarvan de blaadjes ½ c.m. lang zijn en opgeblazen peulen, waarin helroode zaadjes met een zwart vlekje. De zaden, die een sterk vergift - Abrin, een eiwitlichaam, dat in water oplosbaar is - bevatten, worden veel als sieraad gebruikt; de blaadjes, die niet giftig zijn, dienen tot geneesmiddel (Folia Abri); in zout water gekookt als gorgeldrank bij keelpijn.
| |
Abudefduf saxatilis
(L.) J. en Ev., Katabalie, pap. Fam. Pomacentridae. Zeevisch. Verspreiding: beide kusten van tropisch Amerika, overvloedig bij koraalriffen. Het lichaam zijdelings gedrukt en hoog. De wangen en de kieuwdeksels hebben schubben, doch de bek niet. De rugvin heeft 13 stekels, gevolgd door 12 of 13 stralen. De aarsvin heeft 2 stekels en 11-13 stralen. De staartvin is gevorkt. De kleur is bleek geelgroen, de zijkanten met 5 of 6 indigo-kleurige banden. Iedere schub aan den onderkant van het lichaam heeft een bleek-blauwe vlek; deze vormen lengtestrepen. Goudkleurige vlekken op den bovenkant van het lichaam. Een zwarte vlek boven aan den voet van de borstvin. De vinnen violet-blauw. Lengte 6 duim.
| |
Acacia farnesiana
Willd. Fam. Leguminosae. Casha, bov. e. Boom met dubbelveervormig samengestelde bladeren waarvan de blaadjes 0,1 c.m. breed zijn; bloemen in kogelvormige bloeiwijze, geel; de vruchten zijn dikke rolronde peulen; aan den voet van den bladsteel zijn stevige doornen geplaatst.
| |
Acacia macracantha
Humb. et Bonpl. Fam. Leguminosae. Oebaada, Waabi, ben. e. French casha Creole casha, Spanish casha, bov. e. Deze gelijkt veel op de A. Farnesiana, is er door den habitus en de veel langere bladeren van onderscheiden. De waabi is een der meest algemeene struiken van de wildernis (Moondi, pap.). Het hout is hard en duurzaam, maar slechts in kleine afmetingen te krijgen. De lange, dunne en taaie wortels dienen als touw, o.m. voor het binden van bossen brandhout. De doornige takken voor het versterken van omheiningen. Peulen en bladeren zijn in den drogen tijd het voornaamste voer voor de geiten. De boom bevat gom, maar in geringe hoeveelheid.
| |
Acacia paniculata
Willd. Fam. Leguminosae. Legoeana téré, n.e. Een liaan, waarvan de takken bezet zijn met tallooze gekromde stekels.
| |
Acacia tortuosa
Willd. Fam. Leguminosae. Dutch casha, bov. e. Gelijkt veel op A. Farnesiana maar is door de veel dikkere doornen en het uiterlijk der plant daarvan onderscheiden.
| |
Acacia villosa
Willd. Fam. Leguminosae. Matagalienja, Nigieta di Malpais, Watapaana sjimarón, Wild divi divi, cur. Heester met dubbel samengestelde bladeren, die zich van de andere Acacia's onderscheidt door de platte, bruine peulen en het gemis van doornen.
| |
Acalypha chamaedrifolia
Müll. Arg. Fam. Euphorbiaceae. Bastard nettle, bov. e. Kruipend plantje met eivormige, dichtbehaarde blaadjes; de bloeiwijzen bestaan uit eenslachtige in aren geplaatste bloemen, die buiten de bladeren uitsteken.
| |
Acanthocybium solandri
(Cuv. & Val.) J.; Moelat, pap. Fam. Scombridae. Zeevisch. Verspreiding: tropische zeeën, niet zeldzaam bij Cuba, waar de kuit gelegd wordt. De kop is lang, de kaken vormen een soort bek, waarvan de onderkaak langer is dan de bovenkaak. De rugvin is lang. De staartlobben kort. De schubben klein. De kleur is staalblauw, donker van boven, bleeker van onder. De jongen hebben zwakke dwarsstrepen. Deze visch kan zes voet lang en 100 pond zwaar worden en is als voedsel gezocht.
| |
Acarina,
mijten, teken, eene orde van spinachtige dieren, wier ongeleed achterlijf met het kopborststuk is versmolten. Het zijn meerendeels zeer kleine dieren, die vier paar pooten bezitten en in den regel door luchtbuizen ademhalen; onder de laagst-ontwikkelde parasitisch levende zijn ook huidademhalers. De monddeelen zijn verschillend; in den regel bestaan zij uit een zuigbuis, waarin een paar draden, die dikwijls van weerhaken zijn voorzien, als stiletten kunnen worden bewogen. Zij ondergaan in zooverre eene gedaanteverwisseling, dat zij bij de geboorte nog slechts drie paren pooten bezitten; bij andere soorten is deze gedaanteverwisseling veel volkomener. Vele soorten leven parasitisch, hetzij alleen als larve, hetzij gedurende hun geheele leven, andere gebruiken levend of dood plantaardig voedsel.
De grootste vormen, tot 9 m.m. vindt men onder de teken (n.e. Koepari, krapa; arow. wajoeroe; pap. Karpata) of ixodidae. Niet alleen voor menschen, vee en honden, maar ook voor vele in het wild levende dieren, zooals herten, miereneters en pakira's zijn deze teken een lastige plaag. De wijfjes leven van bloed; zij boren zich daartoe met den zuiger in de huid hunner slachtoffers en zuigen zich zoo vol bloed, dat zij meer dan tienmaal hun oorspronkelijken lichaamsomvang kunnen bereiken, en dan als blauwe, bruine of geelachtige bessen, al naar de soort, aan de huid blijven hangen. Ook op koudbloedige dieren komen er voor, in Suriname vooral op landschildpadden. De meest bekende soort in Suriname, die voor reizigers in de bosschen een ware plaag mag worden genoemd, is de Amerikaansche boschluis, Amblyomma americanum. Om deze teken te dwingen zich los te laten, gebruikt men tabakswater, benzine, petroleum en carbol- of sublimaatoplossingen. Gewelddadige verwijdering van het dier worde vermeden, daar dan de kop in de huid blijft zitten, hetgeen verzweringen ten gevolge kan hebben.
| | | |
Eene andere groep is die der gamasidae, die op verschillende kevers en bijen als uitwendige parasieten worden gevonden. Enkele soorten leven op hoogere dieren, vooral op vogels; de algemeen bekende bij hoenders en kooivogels levende mijten behooren hiertoe.
De in Suriname zoo hoogst lastige kleine roode mijten, bekend onder de namen ‘bêtes rouges’ en ‘gras- of patatteluizen’ (arow. Koereme) zijn de larven van Microthrombidium batatas. Zij leven in het gras en komen van daar op de huid, waar zij zich door middel harer haakvormige kaken inboren. Vooral aan de beenen kunnen zij een verbazend jeuken te weeg brengen. Behalve de bovengenoemde middelen tegen de teken, worden ook inwrijvingen met lemmetjessap en jodiumtinctuur tegen deze mijten aanbevolen. Tot deze familie, die der thrombididae, behooren ook de in Nederland algemeen voorkomende fraaie roode mijten, bekend onder den naam van ‘gelukspinnetjes.’
De galmijten of phytoptidae veroorzaken galachtige uitwassen aan allerlei planten.
Terwijl al de tot hiertoe genoemde mijten door luchtbuizen ademhalen, geschiedt dit bij de overigen door de huid. Kleine, nauwelijks met het bloote oog te onderscheiden mijten zijn de schurftmijten of sarcoptidae, die de bekende schurftziekte bij menschen en andere zoogdieren veroorzaken. Deze diertjes hebben een gedrongen lichaamsvorm en zijn aan lichaam en pooten met borstelharen voorzien. De wijfjes graven gangen in de huid, terwijl de kleinere en naar het schijnt veel zeldzamere mannetjes evenals de larven vrij op de huid leven. Eene verwante soort veroorzaakt de ziekelijke misvormingen aan de pooten van hoenderachtige vogels. Ook de bekende kaasmijt en andere, dikwijls in groot aantal in handelswaren levende soorten, behooren tot deze groep. Verwant zijn eveneens de haarzakmijten, waarvan de meest bekende soort in de smeerklieren der haren van het menschelijk aangezicht wordt aangetroffen, waardoor de zoogenaamde medeëters (n.e. pioko) ontstaan.
H.J.V.
| |
Accawau's.
Zie BOVENL. INDIANEN.
| |
Accijnzen.
Zie BELASTINGEN.
| |
Acestrorhynchus falcatus
(Bl.) Eigenm.a. Ogl., (syn. SALMO FALCATUS Bl.) Dagoe fisi, n.e. Fam. Characidae. Zoetwatervisch. Verspreiding Brazilië, Guiana. Deze langwerpige visch heeft een korte rugvin, en een vetvin, een sikkelvormige, groote aarsvin, de staartvin gevorkt, de buikvinnen midden onder het lichaam. In de kaken zijn kegelvormige tanden met eenige hondstanden. Een groote donkere vlek bevindt zich op den schouder en een kleine ronde vlek op de basis van de staartvin.
| |
Achetaria ocymoides
Wettst. Fam. Scrophulariaceae. Sabana smeri-wiwiri, n.e. Een veel op savannen en langs wegen voorkomend onkruid, dat wel wat op smeri-wiwiri gelijkt.
| |
Achirus achirus
J. en G., (syn. SOLEA GRONOVII Gthr.) Bot, sur. Fam. Soleidae. Zeevisch. Verspreiding: de kusten van Suriname. Het lichaam is vlak, de rechterzijde gekleurd. De oogen zitten aan de rechterzijde. Alleen aan de blinde zijde is de mond voorzien van tanden. De borstvinnen zijn aan beide kanten rudimentair. De rechter buikvin loopt met de aarsvin samen. De rugvin begint reeds op den bek. De staartvin is vrij en eindigt rond. De gekleurde zijde is bruin, onregelmatig, donker gevlekt; er zijn ongeveer tien zwarte dwarslijnen. Volgens Kappler vindt men dezen visch op de modderbanken aan de kust; hij wordt zelden een voet lang en komt weinig voor.
| |
Achirus lineatus
(L.) d'Orb. Bot, sur. Fam. Soleidae. Een platte visch. Verspreiding: Curaçao; Florida Keys en West-Indië tot aan Uraguay; al de rivieren van Cayenne tot La Plata, de Amazone. Aan de rechterzijde alleen is eene borstvin ontwikkeld. De linkerzijde is ongekleurd. De grondkleur der rechterzijde is bij sommigen effen zwart, bij anderen licht, gewoonlijk met smalle donkere dwarsbanden, maar soms over het geheel dicht gestippeld. De staartvin is soms effen donker, bij anderen licht gekleurd en gewoonlijk sterk gestippeld. Deze visch komt algemeen voor; hij is veranderlijk in zijne kenmerken. Er zijn drie variëteiten.
| |
Achras sapota
L. Fam. Sapotaceae. Sapotille, sur. Sapatía, n.e. Mispoe, ben. e. Mispel, Sapodille, bov. e. Van de W.-I. Eilanden afkomstige boom met langwerpige, leerachtige bladeren met duidelijke middennerf; de bladeren staan aan de einden der takken dichtopeen en daartusschen bevinden zich de tot 2 c.m. lang gesteelde bloemen. Een afkooksel van den bast wordt gebruikt bij koorts. Aan de geschilde zaden wordt urineloozende kracht toegeschreven. Zie verder VRUCHTEN EN VRUCHTBOOMEN.
| |
Achyranthes obtusifolia
Lam. Fam. Amarantaceae. Man better man, bov. e. Kruidachtige plant met tegenoverstaande spatelvormige, zachtbehaarde bladeren; bloemen in een zeer lange, aarvormige bloeiwijze, na den bloei naar beneden gebogen. A. obtusifolia is een algemeen onkruid langs de wegen.
| |
Acnodon oligocanthus
(Müller en Troschel) Eigenm.(syn. MYLETUS OLIGOCANTHUS Müll. en Trosch). Koemaroe, kar. en n.e. Fam. Characinidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Guiana en Brazilië. De schubben zijn zeer klein. De rugvin is van voren hoog, de vetvin klein, de aarsvin lang, tweelobbig. Deze visch is effen gekleurd. Zijn vleesch is smakelijk. Hij wordt met den hengel gevangen met de vrucht van de koemaroeplant of met de pijl geschoten. (Verslag Tocm. Hoem. Exp. blz. 70 van den overdruk.)
| |
Acrocomia sclerocarpa
Mart. Fam. Palmae. Kau-maka, n.e. Een groote palm met zwart gestekelden stam en eveneens gestekelde geveerde bladeren. De zaden zijn zeer vetrijk en worden gegeten. Ze bevatten 24-25 perc. vet.
| |
Acrodiclidium canella
Mez. Fam. Lauraceae. Kaneelhout, sur. Een hooge boom met plankwortels en lichtbruine schors. Het hout riekt naar kaneel.
| |
Adams needle,
bov. e. Zie YUCCA.
| |
Adansonia digitata
L. Fam. Bombacaceae. Guinea tamarind, bov. e. Groote boom met 5 of meertallige handvormige samengestelde bladeren, waarvan de blaadjes naar den top toe duidelijk breeder zijn dan aan den basis en puntig eindigen. Gekweekt.
| |
Additioneele rechten.
Zie DIFFERENTIEELE RECHTEN.
| |
Adenanthera pavonina
L. Fam. Leguminosae. Redi- siri, n.e. Een hooge boom met kleine groene bloemen en peulen waarin platte paarsroode zaden, welke laatste als sieraad gebruikt worden.
| |
Adi,
n.e. (Rhagade). Zeer pijnlijke en dikwijls tot infectie aanleiding gevende scheuren, meestal door de geheele dikte van de huid der voetzolen, hoofdzakelijk en veelvuldig voorkomende bij negers, nadat deze aan jaws (Framboesia tropica) geleden hebben.
| |
Adiantum tenerum
Sw. Fam. Filices, Maiden
| | | |
hair. sur. en bov. e. Een varentje van het uiterlijk van de bekende Venushaar-varen met donkere, gladde stengels en zeer scheeve wigvormige, aan den top ingesneden blaadjes die in groot aantal aan het samengestelde blad voorkomen.
| |
Adjidja,
n.e. Zie COENDU.
| |
Adjira,
n.e. Zie GALICTIS.
| | | |
Administrateurs (van plantages).
Toen in de tweede helft der 18e eeuw het grootste deel der Surinaamsche plantages was overgegaan in handen van Amsterdamsche fondshouders (Zie NEGOTIATIËN) ontstond er te Paramaribo een stand van menschen, die in de geschiedenis van Suriname een belangrijke, maar voor de kolonie in vele opzichten nadeelige rol gespeeld hebben: de administrateurs, d.w.z. de te Paramaribo gevestigde kantoorhouders, vertegenwoordigers der buiten de kolonie wonende eigenaars. Aan hun gezag waren de directeurs of gezagvoerders der plantages onderworpen. Volgens de schrijvers van ‘Essai historique sur la Colonie de Surinam’, Paramaribo 1788, blz. 146, woonden er toen slechts 80 à 90 eigenaren van plantages in Suriname, terwijl het getal plantages meer dan 500 bedroeg. Het kan dan ook geenszins verwonderen dat er administrateurs waren aan wien het beheer van 50 of meer plantages was opgedragen en evenmin dat velen hunner spoedig tot grooten rijkdom geraakten, daar zij zonder zelf veel kans op schade te hebben, met hun beheer veel geld verdienden. Hun macht en aanzien namen snel toe. Zij vormden wat men in de Surinaamsche geschiedenis de ‘planterspartij’ heeft genoemd, wier groote invloed op den gang van zaken tot na het midden der 19de eeuw heeft geduurd. (Zie ook BESTUURSREGELING.)
Een moeilijken tijd doorleefden de administrateurs toen, gedurende het Engelsche tusschenbestuur, de Britsche Regeering, op aandrang van gouv. Bonham, in Mei 1813 zekeren John Bent naar Suriname zond, met uitgebreide volmacht om toezicht te houden over het beheer der administrateurs. Het beheer van Bent, waartegen, zooals te verwachten was, van de zijde der administrateurs hevige oppositie was gevoerd, eindigde reeds in Juni 1814.
Litt. G.B. 1816 No 10; Teenstra, de Negerslaven in de kol. Suriname, Dordr. 1842, blz. 11-17; Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861, blz. 312, 573 v., 768; Kappler, Surinam, Stuttg. 1887, blz. 276.
| |
Adoebé,
n.e. van Afrikaanschen oorsprong. Vallende ziekte, stuipen, ook bij dieren.
| |
Adompri,
n.e. Knoedelsoep van bananen, kassave of maïs gemaakt. Geliefde volksspijs.
| |
Adonis,
ben. en bov. e. Zie DURANTA.
| |
Adonis abbot.
bov. e. Zie LEONOTIS.
| |
Adriaenssen (tobias),
Zie GOUVERNEURS.
| |
Adroe,
n.e. Zie CYPERUS ROTUNDUS.
| | | |
Aegiphila martinicensis
Jacq. Fam. Verbenaceae. Bastard white root, bov. e. Boom met tegenoverstaande, langwerpige, geheel gaafrandige, dunne bladeren zonder steunblaadjes.
| |
Aequidens geayi
(Pellegr. Eigenm)., (syn. ACARA GEAYI Pellegr.)Crobia en Owroe wiffi, n.e. Fam. Cichlidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Guyana. De rugvin van dit ovale vischje beslaat bijna de heele rug, de rug- en aarsvin reiken tot halfweg de staartvin of nog verder. De borstvinnen zijn ongeveer zoo lang als de kop, de buikvinnen nog langer- De kleur is olijf bruin met twee zwarte dwarsbanden. de voorste loopt van de nek door het oog naar de onderrand van het kieuwdeksel, de achterste gaat dwars midden over het lichaam. Op de einden van rug- en aarsvin en op de staartvin zijn heldere plekjes.
| |
Aerssen (Cornelis van)
Heer van Sommelsdijk, Plaat, Bommel en Spijk, Sire en Marquis van Châtillon, Baron van Besnière in Basois, zoon van Cornelis van A. en Lucia of Lutz van Waltha of Welta, werd in 1637 uit een oud adelijk geslacht geboren. Zijn vader was een der bevelhebbers van de troepen, die in 1650 onder den stadhouder Willem II den aanslag op Amsterdam ondernamen. Zijn grootvader was de beroemde staatsman François van Aerssen, die na het sluiten van het twaalfjarig bestand, de Republiek der Vereenigde Nederlanden aan het Hof te Parijs vertegenwoordigde.
Hij werd als page aan het hof van prins Willem II geplaatst, waar zijn vader een man van grooten invloed was, en stond aanvankelijk ook met den jon gen Willem III in nauwe betrekking, ofschoon zijn openhartige ruwheid hom voor het hofleven weinig geschikt maakte. Hij diende in den zomer van 1666 op het schip van den vurig prinsgezinden Cornelis Tromp, o. a, in den Vierdaagschen Zeeslag, on werd verdacht invloed gehad te hebben op diens door De Ruyter hoogelijk misprezen gedrag in dien zeeslag. In het volgende jaar echter bood hij, blijkbaar om persoonlijke redenen van ontevredenheid, zijn diensten aan De Witt en verloochende de belangen van den jongen Prins. Hij trad Maart 1671 als ritmeester in dienst van Holland, maar schijnt, hoewel bekend als ruw maar eerlijk, als overlooper door de Statenpartij niet vertrouwd te zijn (vgl. Fruin, Aant. op Droste, II, blz. 456 vlg; Droste, 5245 vlg.) Na de verheffing van den Prins bleef hij lang bij dezen in volstrekte ongenade, maar wist hem door middel van den graaf Van Waldeck eindelijk te verbidden, zoodat Willem III er zelfs aan gedacht heeft hem na den vrede van Nijmegen (1678) als gezant naar Frankrijk te zenden, wat v.A. evenwel afsloeg, omdat de Hollandsche ridderschap hem niet als haar beschreven lid wilde aannemen. Hij kocht 21 Mei 1683 van de W.-I.C. ⅓ van de kolonie Suriname, werd door de andere deelhebbers in die kolonie - de W.-I.C. zelve on Amsterdam - tot gouverneur aldaar verkozen. Hij verklaarde zich bereid naar de kolonie te gaan ‘buijten belastinge van de gemelde Societeijt (nl. de ‘Geoctroyeerde Societeit van Suriname’) ende uijt liefde, sonder daar voor eenige ver-‘geldinge te ontfangen’. De Societeit nam alleen te haren laste hem jaarlijks toetezenden ‘sodanige quantiteijt Rijnce en France wijnen, mitsgaders Specerijen, als de Societeijt honestement oordelen sal te behoren’.
Zijne echtgenoote, Margaretha du Puy de St. André Montbrun (dochter van den markies van dien naam, bekend om zijne roemrijke verdediging van Candia tegen de Turken), die hem niet naar Suriname volgde, zoowel als Prins Willem III, trachtten hem van het voornemen om als Gouverneur naar Suriname te gaan, terug te brengen, doch zonder eenig gevoig. Hij scheepte zich in aan boord van de St. Pieter, den 2en September 1683 en bereikte den 27en November d.a.v. Paramaribo.
Hij aanvaardde den volgenden dag het bestuur over de kolonie. Zijn teugellooze energie, zijn groote strengheid, zijn onkreukbare rechtvaardigheid tegenover Indianen en Negers, zoowel als tegenover Europeanen, zijn groote maar tuchtelooze bekwaamheid kwamen in de verwaarloosde kolonie wel te pas. Bij zijn komst vond hij haar ‘sonder middelen, son der credit, sonder cruydt oft geweer, sonder mond- | | | | kost’. Het fort Zelandia was ‘totaliter vervallen’, geen geschut op het affuit, de magazijnen ledig en vervallen, ‘finalijk een desolaten boedel’, schrijft hij, die, hoewel zonder beding van traktement, zich ‘voordeel’ uit zijne reis had voorgesteld.
Dit alles ontmoedigde hem niet: hij verzekert reeds in een zijner eerste brieven aan de Directeuren der Societeit spoedig de zaken in orde te zullen brengen, mits hem de noodige steun tot aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande plantages worde verleend.
Hij bedwong aanstonds de reeds van nabij dreigende Indianen aan de Coppename en de Corantijn, die aan het slot van zijn bestuur in vrede met het gouvernement leefden en zelfs hunne kinderen naar Paramaribo zonden.
Een deel der Indiaansche bevolking nam de wijk naar de Orinoco, en de nog vijandig geblevenen sloten in 1686 definitief vrede. Merkwaardig mag het heeten dat Van Aerssen in 1687 3 vrije en 4 onvrije Indianen, jongelingen en meisjes, ten behoeve hunner opvoeding, met zijn zoon naar Nederland heeft gezonden.
Tot wering van eventueele aanvallen der Indianen deed hij in 1685, naar het plan van den ingenieur in dienst der Algemeene Staten Robert Pauw, het fort Sommelsdijk aan de samenvloeiing der Commewyne en Cottica bouwen. Verder was door hem aan de Parakreek een versterkt huis opgericht, met vier halve bolwerken, twee verdiepingen hoog, met behoorlijke schietgaten ‘zo voor musquetterij, als voor vier stukken geschut’ hetwelk na den vrede met de Indianen tot verval geraakte. Kort daarna sloot hij ook vrede met de Boschnegers van de Coppename.
Voorts herstelde hij de maatschappelijke orde in het verwilderde Paramaribo door strenge strafwetten, regeling van het verwarde muntwezen, invoering van de Rijnlandsche maat en het Amsterdamsche gewicht, krachtige handhaving van de bepalingen omtrent den in- en uitvoer, opruiming van misbruiken, bevordering van den onvoldoenden slaven-invoer. Hij voerde allerlei gewassen in, o.a. moerbeziën, perziken, cocosnoten, cacao*) enz. en moedigde den verbouw van suiker, rijst, indigo, tabak en agave aan; hij bevorderde ook de immigratie van familiën uit de Fransche Antillen en van Nederlandsche landbouwers-familiën. Zijne verdraagzaamheid ook tegenover de Katholieken, wier godsdienst hij niet wilde belemmeren, werd geroemd. Natuurlijk regende het klachten over zijn willekeur, maar hij ging onvervaard zijn gang, gesteund door den 1 Mei 1684 door hem gereorganiseerden Raad van Politie uit de kolonisten. ‘Ick en ben hier niet gecomen om bij een ondeugenden hoop ondeugent te worden maar te trachten door goede exempelen, vermaeningen, ordonnantiën ende straffen de deugt levendig te maecken ende te doen verrijsen.’ Toch moest hij zich herhaaldelijk bij Directeuren der W.-I.C. en ook bij de Staten-Generaal verdedigen en verantwoorden. Dit met name tegenover de klachten der van de ongeregelde toestanden onwettig gebruik makende Zeeuwsche schippers, die den handel op Suriname beheerschten, van de fraudeerende planters en van de onverdraagzame Gereformeerden, die zoowel Katholieken als Joden (‘onze beste coloniërs’) wilden belemmeren. 20 Mei 1685 vroeg hij, ontmoedigd, zelfs ontslag, na de handhaving eener Resolutie van de Staten-Generaal, die hem bevallen alleen uitvoerrechten te heffen en blijkbaar geloof sloegen aan de ingebrachte klachten.
Eenigen tijd voor deze aanvraag om ontslag had hij geschreven, dat het hem aangenaam zou zijn, indien Directeuren en H.H. M.M. ieder een commissaris wilden zenden naar Suriname, ten einde aldaar de verschillende klachten te onderzoeken. In dit schrijven zegt hij daarvan o.m.: ‘Laet haer de grootste Fielten zijn die in het Vaederlandt kunnen werden becomen, sal ik haer nogthans door Rapporten en getuigenissen hier overtuygen, dogh te ondernemen deze calomnieuse guijten de moude te stoppen, can ick nog en wil ick niet ondernemen te doen, guyten en vuijlicken willen van haers gelijken worden geregeert, elck een beminnende sijns gelijk.’
Ten slotte echter kwam hij op die aanvraag terug, nadat H.H.M.M. 5 Oct. 1686 tegen den zin van Zeeland de ‘geoctroyeerde Sociteit van Suriname’ hadden erkend. Op het bevel om toegelaten katholieke priesters terug te zenden antwoordde hij ruw door het zenden hunnerin een kistgepaktedoodsbeenderen, daar zij reeds overleden waren. De ongepaste brief, dien hij daarbij voegde (Sept. 1687), veroorzaakte evenwel een nieuwe scherpe resolutie der Staten-Generaal tegen hem, tegelijk met een ernstige vermaning van Directeuren, die hem gewoonlijk de hand boven het hoofd hielden.
Eenige maanden voor laatstgenoemden datum, op 30 Juni 1687, had hij, ten einde aan alle praatjes den kop in te drukken, eene publicatie uitgevaardigd, waarbij hij een ieder, die zich te beklagen had over het door hem gevoerde bestuur der kolonie, op riep in de eerste zittingen van het Hof van Politie te verschijnen om hun beklag te doen, als wanneer hij bereid zou zijn ten overstaan van het Hof een ieder ‘volkomen contentement ende satisfactie te doen’ en in welke vergadering hij verzocht als een particulier en niet als Gouverneur te worden ‘geconsidereerd en sullende van de andere sijde alle swijgens die haer naermaals naar ons vertrek in eenige lasteringen zouden mogen komen te openbaeren, houden voor quaetspreecker en lasteraer, die haer uit vreze om van ons overtuygt te werden, op de gestelden tyde, niet hebben durven vertoonen’. Niemand verscheen op deze zittingen.
Een groote zorg waren hem de ‘droncken verckens’, die men hem als soldaten voor het omstreeks 300 man tellende garnizoen toezond en die telkens oproerig werden. Den 18den Juli 1688 brak opnieuw zulk een oproer uit wegens het niet verhoogen van hun rantsoen en het niet tevens verminderen van hun arbeid. Een twintigtal hunner ging gewapend los op de woning van den gouverneur, die met zijn degen op hen aanstormde, maar door een salvo der muitelingen gedood werd. Zijn door 46 geweerkogels zwaar verminkt lijk werd met militaire eer door de muiters in het fort Zeelandia denzelfden dag begraven.
De commandeur Verboom, die de muiters had willen bedaren, werd zwaar gewond en overleed negen dagen later.
Bij zijn dood liet Van Aerssen de kolonie in zeer bevredigenden staat achter, zoodat hij, ondanks zijn ruwe onbesuisdheid, de grondvester van den lateren bloei der kolonie mag heeten.
De bevolking steeg onder zijn bestuur aanzienlijk. Alleen in 1684 werden 52 nieuwe plantages aangelegd met eene gezamenlijke oppervlakte van 29530 akkers (= ± 11800 hectaren).
De uitvoer van suiker, indertijd het eenige export-artikel, die in 1684 3.485.917 Amsterdamsche pon- | | | | den bedroeg, steeg in 1687 tot 5.190.600 en in 1688 tot 7.018.525 ponden.
Vestiging niet alleen van landgenooten maar ook van vreemdelingen, werd, als boven reeds gezegd, door hem krachtig bevorderd. Verscheidene honderden Fransche uitgewekenen gingen met hem naar Suriname, kort daarop gevolgd door anderen, deel uitmakende van de secte der Labadisten, tot welke secte de drie ongehuwde zusters van v.A. behoorden. Velen dezer legden plantages aan de Boven-Suriname en de Orleanskreek aan, waarvan de Fransche namen nog herinneren aan de vroegere bezitters. Belangrijke posten in de kolonie, de hoogste niet uitgezonderd, werden door hen of hunne afstammelingen vervuld. (De Gouverneurs Courtier, de beide De Cheusses, waren afstammelingen dezer réfugiés).
Voor de komst van v.A. werd slechts op de hooger gelegen gronden geplant; v.A. was de eerste, die door sloten en sluizen het water afvoerde en door dammen het buitenwater keerde. Voor het eerst bracht hij dat stelsel in toepassing op eene suikerplantage nabij de stad, waartoe de bestaande kreek (later v. Sommelsdijkkreek genoemd) verdiept en nabij het fort Zeelandia van een steenen sluis voorzien werd.
Spoedig werd dit systeem algemeen gevolgd, waarbij belangrijke voordeelen werden verkregen, welke nog verhoogd werden, toen zekere Aries, een Joodsche godsdienstleeraar, tevens planter, met goed gevolg in toepassing bracht het stelsel om het door de slooten afgevoerde water als drijfkracht voor de suikermolens te gebruiken.
Tot kenschetsing van v.A. 's persoonlijkheid kan deze levensbeschrijving niet beter besloten worden dan met aanhaling van het volgende, voorkomende in een zijner laatste brieven aan de Directeuren der Societeit: ‘de tijd is costelijck, ick ben buyten mijn landt en ‘vyftigh jaren gepasseert; ick ben genegen blijcken te laeten, dat ick aen deese Colonie gearbeyt hebbe en dat ick mijn werck hebbe verstaan’.
Litt. Uitreksels uit zijn brieven bij Rouffaer, in Bijdr. tot de taal-, land- en volkenkunde van N.-I., 7de reeks, IV, blz. 465 vlg., en de studie van H. van Breen in Tijdschrift voor gesch., land- en volkenkunde, XVI, blz. 1 vlg.; Vgl. verder de algemeene werken over de de geschiedenis van Suriname, met name die van Van Sypesteyn en Wolbers. Ook Pistorius Korte en zakelijke beschrijvinge van de colonie van Suriname, Amst. 1763; Van Sypesteyn in het Tijdschr. West-Indië, Haarlem 1855, I, 197; C. Busket Huet, Het Land van Rembrand, Amst. 1883; S. Kalff, Een Surinaamsche gouverneur uit de 17de eeuw in Eigen Haard van 29 October en 5 November 1904.
| |
Aeschynomene sensitiva
Sw. Fam. Leguminosae. Watra-sjin-sjin, n.e. Een houtachtige plant of halfheester, die in of nabij het water groeit. De fijne, gevinde blaadjes toonen zich, evenals het kruidje- roer-me-niet, bij aanraking gevoelig, ofschoon in minder sterke mate dan Mimosa pudica.
| |
Affi of Affiba.
Zie NAAMGEVING.
| |
Afgoderijdans.aant.
De zoogenaamde afgoderij-bezwerings- of winti-dans is met de negers uit Afrika gekomen, en omdat de naar de koloniën overgebrachte slaven uit de meest verschillende deelen van Afrika afkomstig waren, ligt het vermoeden voor de hand dat onderscheidene Afrikaansche godsdienstige dansen in die koloniën zijn samengesmolten, waardoor het zeer samengestelde karakter van den winti-dans zou verklaard zijn.
Op den voorgrond worde gesteld, dat allen die den gang van zaken bij dezen dans hebben beschreven hunne kennis uit de tweede hand hebben, en dat hier geen sprake is van eigen aanschouwing. Men moet dan ook de foto's door de gebroeders Penard bij hunne belangrijke studie ‘Surinaamsch bijgeloof. Iets over Wintie en andere natuurbegrippen’, gevoegd, niet opvatten als afbeeldingen van den werkelijken dans.
Bij deze dansen wordt n.l. de grootst mogelijke geheimzinnigheid betracht en worden alle voorzorgen in acht genomen om niet door oningewijden of door de politie overrompeld te worden. Te recht zegt dan ook Van Coll dat geen neger, ook de beste, ooit het geheim dezer dansen zal verklaren. Reeds bij Blom, Verhandeling over den landbouw in de Colonie Suriname, Haarlem 1786, vinden wij omtrent een zekeren dans, ‘de Water-mama’ de opmerking: ‘men weet niet recht, waarin die bestaat, vermits het eene van die geheimen is welke de blanken nooit doorgronden kunnen’.
Onze kennis ten deze danken wij voor het grootste deel aan de zendelingen, die door bekeerlingen zijn ingelicht. Omtrent deze bron nu merkt Schneider op: ‘De zendeling kan zich niet inlaten met een diep-indringend, objectief-critisch onderzoek van de feiten, waarom het hier te doen is: reeds door zijne betrekking en zijn eigenaardigen werkkring kan hij dat niet. Wel is waar hebben wij veel van hetgeen wij omtrent de afgoderij onder heidenvolken weten, voornamelijk aan hen te danken. Maar hier tegenover staat, dat juist zijn beroep en overtuiging er hem toe drijven de afgoderij uit te roeien en dat hij, hoe ijveriger hij in zijn ambt is, ook des te meer tot den edelen hartstocht van een heiligen strijdlust wordt aangespoord, en dat hij, dientengevolge, misschien niet altijd rustig, onpartijdig en onbevangen genoeg is, om, wat hij bestrijdt, anders dan in de allerdonkerste kleuren te zien’.
Eén ding schijnt vast te staan, n.l. dat men in den winti-dans niet heeft te zien een eenvoudigen negerdans, waaraan men zich overgeeft om zich te vermaken.
Het doel van den winti-dans schijnt in den regel te zijn het zoeken naar een medicijn om een zieke te genezen of een poging om booze geesten te verzoenen of uit te drijven.
Winti beteekent wind, adem of geest. In hem, die de winti krijgt, vaart een onzichtbaar wezen, een bovenaardsche macht, die hem zijn zelfbewustzijn en de heerschappij over zijn eigen- ik ontrooft. Aan zulke bezetenen moet als aan een hoogere macht eerbied worden bewezen. Winti - schrijven de Penards - ‘wordt zinnebeeldig voorgesteld als een onzichtbare suizing, een geestelijke draaikolk, die spiraalsgewijze hare werking uitoefent, gelijk een wiel om zijn as draait en gelijk de wind het stof spiraalsgewijze omhoog trekt, of de waterhoos het water uit de zee drinkt’, een voorstelling die de zaak zeker niet duidelijker maakt. Zulk een bezetene is ziener en zijne uitspraken worden opgevolgd als een godsspraak. Daarin zit het gevaar van den winti-dans voor de maatschappij.
Voor de Boschnegers is de winti-dans een indruk-wekkende en schrikaanjagende openbaring uit de geestenwereld en voor een groot deel van de overige bevolking omvat het woord winti vreeselijke voorstellingen van afgoderij, geheimzinnige machten, onzedelijkheid en bedriegerij.
Bij den winti-dans worden verschillende muziek-instrumenten gebruikt, n.l. trommen (de poedja, de mandron en de apinti), een rammelaar van de kalebasvrucht gemaakt, de joro-joro (trossen van ge- | | | | droogde zaden), de kwakwa-banji (een bank waarop met twee stokjes geslagen wordt) en de banta (een instrument dat dienst doet voor snaar-instrument).
Andere voorwerpen bij dezen dans gebezigd, maar niet tot de muziekinstrumenten behoorende, vindt men beschreven en afgebeeld in Dr. H. ten Kate's Beitrag zur Ethnographie von Surinam. Intern. Arch. f. Ethn. I 223 v.
Zijn al de toebereidselen voor den dans gereed, waarbij het besmeren van het lichaam met witte klei of pimba een groote rol speelt, dan begint een der dansers op eentonige wijze te zingen; spoedig volgen anderen en het duurt niet langt, of, onder den invloed van de helsche muziek en van den drank, die natuurlijk niet ontbreekt, beginnen de dansers de vreemdste bewegingen te maken met hoofd en ledematen. Steeds woester wordt de muziek, steeds meer geraken de dansers in geestvervoering, totdat er een, al of niet in stuiptrekkingen, over den grond rolt, door den winti bezeten. ‘Meerderen volgen en weldra zijn allen ‘in vervoering geraakt; sommigen dansen, anderen springen, weer anderen zitten en schudden slechts op stijve wijze met hunne hoofden. Hier danst een man midden in een vuur, ginds zwaait er een woest met een houwer, als hakte hij in onzichtbare boomen. Een derde rolt en kruipt, een vierde sist en brult, stampt met de voeten of rent in een cirkel rond. Weer anderen klimmen in boomen of storten in het water. Een reusachtige neger krijgt een baby-begeestering en handelt in alle opzichten als een wicht, terwijl een knaap zoodanig in vervoering geraakt door een papa-wintie, dat hij als een groot mensch handelt en in zich zelf zijn eigen vader meent te zien. Zelfs de muzikanten komen onder den invloed van geesten en maken de vreemdste bewegingen. Zijn de dansers eindelijk uitgeput van vermoeidheid, dan springen ze op, uitroepende: a broko, a broko! (het is gebroken).’ (Gebr. Penard).
De gehallucineerden met al hun volgelingen, verklaart Van Coll, ‘worden fanatiek in eene mate die aan het ongeloofelijke grenst. Sommigen hunner wanen zich kogelvrij, anderen meenen dat de vuurwapenen op hen slechts water kunnen werpen. Anderen hebben zekerheid dat geen staal, maar hout alleen hen treffen kan.’
Voor de verschillende soorten van winti, waarvan sommige de namen dragen van negerstammen, vroeger als slaven ingevoerd, zie WINTI.
Het winti-dansen is te allen tijde verboden geweest, al waren de planters op afgelegen plantages dikwijls verplicht oogluikend toe te laten dat de negers diep in het bosch, in den regel onder hun heiligen boom, de kankantri, zich aan zulke dansen overgaven.
De Surinaamsche wetgever heeft de ‘afgoderij’ strafbaar gesteld. De beteekenis is niet nader omschreven; men verstaat er dus onder al wat in de kolonie daarvoor algemeen bekend staat. Bij menig vonnis van het Hof zijn deelnemers aan ‘afgoderij’ gestraft en nog steeds treft men in de locale bladen berichten aan van ‘afgoderij-partijen’, die door de politie zijn gesnapt.
Bij de behandeling van de Surinaamsche begrooting in de Tweede Kamer (vergadering van 18 Nov. 1907) besprak de heer Van Deventer art. 172 der Herziene Strafverordening van 1874, waarbij het ‘plegen van afgoderij’ strafbaar is gesteld. ‘In Suriname, zeide hij, is dus iemand strafbaar die den invloed van booze geesten, van demonen tracht te bestrijden. Nu zou ik willen vragen, is dit een opvatting, die thuis behoort in het strafrecht van een Nederlandsche kolonie? Ook hier te lande tracht men wel eens booze geesten, demonen, te bezweren, al doet men dat dan niet met behulp van dansen’. De heer Van Deventer kwam tot de conclusie, dat de afgoderij als delictum sui generis uit de Surinaamsche strafwet moest verdwijnen en drong er bij den minister met klem op aan, dat hij het noodige doen zou om die strafrechtelijke curiositeit, tevens monstruositeit, ten spoedigste een eerlijke begrafenis te bezorgen. Tegen deze opvatting kwamen de heer Van Kol en de minister van koloniën, Mr. Fock, op. De heer Van Kol wees er op dat hier geen sprake was van belemmering der vrijheid van godsdienst, doch het alleen te doen is om misdaden den kop in te drukken en excessen tegen te gaan. Al kon men de uitdrukking in het strafwetboek verbeteren, de feiten moeten worden bestreden. De minister merkte op dat het algemeene nut van de strafbepaling wordt erkend en dat zij door den rechter op verstandige wijze wordt toegepast.
Litt.: A. Blom, Verhandeling over den landbouw in de Colonie Suriname, Haarlem 1786, blz. 446; Missionsblatt der Brüdergemeine, 1885, blz. 11; H.G. Schneider, Die Buschneger Surinams, Herrnhut, 1893; L.C. van Panhuys, Catalogus der Nederl. West-Indische Tentoonstelling te Haarlem, 1899, blz. 75; C. van Coll, Gegevens over Land- en Volk van Suriname, in Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. van Ned.-Indlë, 2e Volgr. I; Hand. Staten Generaal, Tweede Kamer, 1907-1908, blz. 477-480; H. Weiss, Ons Suriname, uitgegeven door den Nederl. Studenten-zendingsbond, 1911, F.P. en A.P. Penard, Surinaamsch Bijgeloof, Iets over Wintie en andere natuurbegrippen, met afb., in Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. van Ned.-Indië, dl. 67, 1912.;
Voor de muziekinstrumenten zie L.C. van Panbuys, Les chansons et la musique de la Guyane néerlandaise. Journ. de la Soc. des Américanistes de Paris. Nouv. série, tome IX, 1912, pp. 27-39.
| |
Afgodsslang.
Papa sneki, n.e. Zie BOA CONSTRICTOR.
| | | |
Afkatti,
n.e. Zie PERSEA.
| |
Aframomum melegueta
K. Sch. Fam. Zingiberaceae. Ningré-Kondré-pépré, n.e. Een plant, die eenige overeenkomst met de Masoesa heeft en waarvan de zaden aromatisch zijn. De plant is uit Afrika afkomstig. De gestampte zaden, die veel aetherische olie bevatten, worden met spiritus uitgetrokken en uitwendig gebruikt bij rheumatiek. Met het sap van een lemmetje gestampt worden de bladeren aangewend bij klieraandoening.
| |
Afrikaan,
sur. Zie TAGETES.
| |
Afrikaansche aardnoten,
sur. Zie VOANDZEIA.
| |
Agamà,
n.e. voor POLYCHRUS MARMORATUS, eene hagedis die in Suriname ook Kameleon wordt genoemd.
| |
Agandoe,
n.e. Zie SWARTZIA.
| |
Ageneiosus axillaris
Günther, Praprali of Prari-prari, n.e. Fam. Siluridae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname. De bek is zeer stomp, de bovenkaak is de langste. Aan beide kanten aan de bovenkaak is een zeer kleine voeldraad in eene groef verborgen. De oogen zijn groot. De okselporie is wijder dan het voorste neusgat en dicht bij een vlies, waarin verscheidene kleine openingen zijn. De rugvinstekel is tenger, van voren fijn getand. De rugvin is kort, de vetvin zeer kort, de aarsvin lang. De staartvin is scheef uitgerand. De borstvin-stekel is
| | | |
buigbaar. De visch is van boven en op zijde bruinachtig, van onderen wit. Er zijn verscheidene onduidelijke witte banden langs de zijden. De rugvin en de bovenkant der borstvin hebben onregelmatige, donkere vlekken; de voorhelft van de staartvin is zwart, de eindhelft wit. Volgens Kappler wordt deze visch anderhalven voet lang, leeft in helder boschwater en smaakt voortreffelijk.
| |
Agent-generaal.
Zie IMMIGRATIE.
| |
Ageratum conyzoides
L. Fam. Compositae. Boko-boko-wiwiri of Witti-hédé, n.e. White cap, bov. e. Kruid met tegenoverstaande langgesteelde hartvormige, onregelmatig gekartelde bladeren; de witte bloemhoofdjes zijn in eindelingsche, pluimvormige trossen geplaatst. Wordt als volksgeneesmiddel gebruikt; de bladeren bevatten veel vluchtige olie en cumarine.
| | | |
Agina.
Naam bij de Aucaner-boschnegers voor ingevoerde rijst, in tegenstelling van eigen geteelde die zij aleisi noemen, de algemeene naam in de kolonie.
| |
Agnatha,
haften, eene orde van insecten, die zich onderscheiden door eene onvolkomene gedaanteverwisseling, vier vliezige vleugels, waarvan de voorste vrij groot, de achterste daarentegen klein zijn en zelfs somtijds ontbreken, en bijtende, doch onvolkomen ontwikkelde monddeelen. Aan het uiteinde van het achterlijf bevinden zich twee of drie lange gelede draden. De sprieten zijn zeer kort en bestaan uit een aantal leedjes. De larven leven in het water, het volkomen insect is zeer teer van bouw en heeft veelal slechts een kort bestaan, bij sommige soorten slechts enkele uren. In overeenstemming daarmede zijn de monddeelen onvolkomen ontwikkeld, daar het in dezen toestand geen voedsel meer tot zich neemt. Bij de haften komt nog eene bijzonderheid voor, die bij geen andere insecten wordt aangetroffen, n.l. dat vele soorten nog eenmaal vervellen, nadat zij reeds van geheel ontwikkelde vleugels zijn voorzien. Ook in Suriname komen haften soms in groot aantal op de rivieren voor; omtrent de soorten is echter nog weinig bekend.
H.J.V.
| |
Agoema,
n.e. Zie SOLANUM OLERACEUM.
| | | |
Agraboe toriman,
n.e. Zie PAVONIA TYPHALAEA.
| | | | | | | |
Akaja,
n.e. Zie GYNANDROPSIS.
| |
Akansá,
n.e. Tot een koek geknede maïsmeel, gewoonlijk in een bananenblad gewikkeld ten verkoop aangeboden. De akansà speelt bij de obia (zie aldaar) een groote rol.
| |
Akarai-gebergte.
Dit gebergte zou gelegen zijn tusschen 56 en 58° W.L. Gr. en iets bezuiden 2° N.B. en het brongebergte zijn van de rivieren die de Corantijn vormen. De naam Sierra do Acaray komt reeds voor bij A.H. Brué, Carte physique et politique de l'Amérique méridionale, Paris 1821 en vermoedelijk ook op oudere kaarten. Onjuist is dus Elisée Reclus' opmerking in een noot op blz. 12 zijner Nouvelle géographie universelle, deel XIX, Paris 1894 - bij de vermelding van de ‘Caïrrit’, Caïrrit Dekenou’ of ‘Mont de la Lune’ - ‘nom déformé par Brown en Acarai.’
Omtrent den naam Akarai zegt C.H. de Goeje in zijne toelichtingen bij de kaart, gevoegd bij het Verslag der Toemoekhoemak-Expeditie. 1908, blz. 179 en 180, dat hij feitelijk behoort aan het brongebergte van de Essequebo; voorts dat Robert H. Schomburgk en H. Coudreau het plaatsten ten westen van den meridiaan van 58° W.L. Gr. Dan vervolgt hij: ‘De opvatting, als zoude de Corantijn ontspringen op het Akarai-gebergte, vindt men alleen op de kaarten van Schomburgk, die vervaardigd zijn vóór 1843. in welk jaar hij voor het eerst de boven-Corantijn opnam. De loop van de rivier op die kaarten berust op inlichtingen van de Indianen, en de na 1843 verschenen kaart geeft de onderlinge ligging van Akarai en Corantijn geheel anders aan. Toch vindt men op sommige Nederlandsche kaarten wederom bij het brongebied van de Koetari den naam ‘Acaraigebergte’, zonder dat eenige nieuwe opmeting of inlichtingen daartoe rechtigden. Ware hier nu eene terreinverheffing aanwezig, hoog genoeg om van een ‘gebergte’ te spreken, dan zou men nog in overweging kunnen nemen, dit den naam ‘Akarai’ te laten behouden Nu echter is gebleken, dat zoowel de naam ‘Akarai’, als het woord ‘gebergte’ niet behoort op die plek van de kaart, meen ik dat er geen reden bestaat, om deze dwaling, die tot niets nut is, te bestendigen. Een voudigheidshalve is de naam Toemoekhoemak nu aangenomen voor het geheele gebergte, dat de wateren van de rivieren van Fransch- en Nederlandsch-Guiana scheidt van het stroomgebied der Amazone. In het betwiste gebied tusschen Koetari en Nieuwe Rivier, waarvan ongeveer niets bekend is, is geen gebergte of waterscheiding geteekend, en ook geen naam daarvoor gegeven.’ - (Zie ook C.C. Käyser Verslag der Corantijn-Expeditie, 1912, blz. 66 van den overdruk).
Niettemin vindt men op de kaart gevoegd bij The British Guiana Handbook 1913, edited bij Alleyne Leechman, den driehoek gevormd door de Koetari en de Nieuwe Rivier, ten Zuiden afgesloten door de ‘Sierra Akarai’. Volgens een aanteekening op de kaart is het gedeelte tusschen 1° en 4° 50′ ‘with slight correction’, overgenomen van de kaart van Schomburgk en die van Brown van 1875.
| |
Aki,
sur. Zie BLIGHIA SAPIDA.
| |
Akka,
n.e. Zie FALCONIDAE.
| | | |
Akkergelden.
Zie BELASTINGEN (suriname).
| | | |
Akoeri.
Zie BOVENL. INDIANEN (onder Trio).
| |
Akrá of Kra,aant.
n.e. Spook. Astraal lichaam, Perisprit. Ook ziel, of geest, soms ook beschermgeest. Bij de Boschnegers is algemeen het geloof verspreid dat de geest der afgestorvenen als akra rondwaart en onder bepaalde omstandigheden het lichaam van een levende in bezit kan nemen. Ook heeft elk mensch zijn akra, die in den slaap het lichaam tijdelijk kan verlaten, als men droomt b.v. Daarom moet men een slapende voorzichtig wekken; zijn akrá zou n.l. op reis en niet tijdig terug kunnen wezen. Een Boschneger laat zich niet gaarne fotografeeren, omdat hij daardoor een deel van zijn akrá verliest en de bezitter van het portret den afgebeelde zou kunnen kwaad doen.
Volgens de gebroeders Penard is de kra van elk mensch verdeeld in een vader- en moeder-kra of sisa, ‘samen vormende de draad der herinnering, de rede, die den mensch met het Hoogere verbindt. Iemand die van zijn kra beroofd is, m.a.w. wiens herinneringsdraad afgesneden of geheel afgebroken is, spreekt wartaal, wordt lusteloos en ziek en sterft dikwijls.’ Verder zeggen zij dat een mensch naar willekeur zijn kra van zich kan scheiden of oproepen. Van
| | | |
Coll verzekert, dat volgens de winti-dansers de akrá ‘willekeurig door henzelve onder de voetzolen kan verborgen worden, zoodat ze, hoe ook gewond, nooit sterven kunnen, wanneer de voetzool maar gespaard blijft.’ Ook de loekoeman of waarzegger kan de kra van een verwijderd persoon oproepen. De ceremonien, voor een en andernoodig, vindt men in de studie der Penards beschreven. ‘De kra vertoont zich soms aan zijn eigenaar als een zichtbaar evenbeeld en wordt dan een dobru geheeten. Dikwijls gedraagt zulk een dubbel zich zeer verkeerd en brengt daardoor zijn eigenaar in ongelegenheid.’
Dr. E. Henrici, Lenhrbuch der Ephe-Sprache, Stuttgart und Berlin 1891, geeft voor klà, scheiden, abscheiden en aklà en klàma, abgeschiedene Seele.
Litt. Martin, Westindische Skizzen, Leiden 1887, blz. 61 en 62; Van Coll, Gegevens over Land en Volk van Suriname, blz. 115 en 117; De Goeje, Verslag der Toemoekhoemak-expeditie, 1908, blz. 57; F.P. en A.P. Penard, Surinaamsch bijgeloof, Bijdr. Taal-Land- en Volkenk. Ned. Indië. deel 67, 2e afl. 1913, blz. 159-161.
| | | |
Albacora.
Inl. naam op Saba. Zie THUNNUS.
| | | |
Albina.
Een plaatsje op een hooge, zandige plek, aan de Marowijne, door Kappler gesticht, (zie KAPPLER) hoofdplaats van het distr. Marowijne, zetel van den districts-commissaris (waarvoor in den regel wordt aangewezen de commandant van het detachement troepen, bestaande uit een luitenant en 27 onder-officieren en minderen). Men vindt er een goed hospitaal, onder leiding van een off. van gez., een kerk der Evang. Broedergemeente, een van de R. Kath. en twee door deze gemeenten onderhouden scholen, met resp. ± 30 en 40 leerlingen.
Het plaatsje is geheel van den handel afhankelijk; de landbouw beteekent er weinig. Het is door stoomgemeenschap met Paramaribo en met het Fransche plaatsje St. Laurent, aan de overzijde der rivier, verbonden. Volgens het Kol. Versl. van 1913 bedroeg de bevolking 349 mannen en 266 vrouwen.
Zie het Tijdschr. West-Indië, I, 55-69, de werken Kappler en L.C. van Panhuys, de Marowijne-rivier en hare geschiedenis, in Bulletin 12 (1896) Kol. Mus. Haarlem (herdruk van 1908, blz. 15-57).
| |
Albino's
noemt men menschen en dieren in welker huidbedekking, haren en oogen de min of meer donkere kleurstof, het pigment, ontbreekt, als aangeboren gebrek. De oogen zijn rood. Albino's zijn niet in staat het volle daglicht te verdragen. Bij menschelijke albino's ziet men dan ook dat zij het hoofd gebogen houden of de oogen met de handen beschaduwen. Bij de negers komt het verschijnsel nog al eens voor; men noemt ze dan ‘witte negers’. In zijne Westindische Skizzen, Leiden 1887, beschrijft Martin twee albino's (broeder en zuster) op een boschnegerdorp aan de Boven Suriname. De vrouw had een kind dat geheel zwart was. Zooals gewoonlijk genoten ook deze albino's in het dorp groote eer. Niet zelden wordt hun door de boschnegers een bovennatuurlijke afkomst toegeschreven. Ook bij Philip Fermin, Nieuwe algemeene beschrijving van de Colonie van Suriname, Harlingen 1770, I, 140, wordt een beschrijving gegeven van twee albino's, een man Jan de Wit genoemd en zijn zuster, die in 1734 naar Parijs gezonden werd. (Fermin verwijst hier naar l'Histoire de l'Académie des sciences van hetzelfde jaar.) Van den man wordt o.m. gezegd.... ‘zijne oogen, vooral, waren zeer bijzonder. Het maaksel van den oogbal had niets merkwaardigs; maar het zamenvoegsel was doorzaaid met kleine roodachtige vezeltjes; de boog was gemarmerd, grijs en wit, en de oogappel, die in helderheid de schoonste diamant evenaarde, was vuurkléurig, doch zag men de straalen, welke hij schoot, niet op den helderen dag, maar zeer klaar en duidelijk bij nacht in de duisternisse’. En verder: ‘De Neger was een onnoozele hals; hij verzekerde mij, dat hij tot op dat uur, wanneer ik hem onderzogt, nog geen vrouwspersoon bekend hadde, om dat geen eene Negerin hem ooit wilde vergunnen, haar te genaaken, om het onderscheid van zijn kleur.’
Zijn moeder had 8 kinderen gehad, het eerste en vierde waren kleurlingen, het tweede, zesde, zevende en achtste negers; het derde was de ‘blanke negerin’ die naar Parijs werd gezonden en het vijfde was bovengenoemde albino Jan de Wit.
| |
Albizzia lebbek
Benth. Fam. Leguminosae. Barba di jonkeman, ben. e. Hooge boom met dubbelveervormig samengestelde bladeren; de bloemen hebben lange, buiten de bloemkroon uitstekende meeldraden; de vruchten zijn lang en plat en worden door den wind gemakkelijk heen en weer bewogen, waarbij ze een klapperend geluid maken. Gekweekt.
| |
Albula vulpes (L.) J.G.,
Armantje, Banana, Tienponder, pap. Fam. Albulidae. Zeevisch. Verspreiding: aan zandige kusten van de warme zeeën; aan de Amerikaansche kusten noordelijk tot San Diego en Long Island. De bek is kegelvormig met de mondspleet aan den onderkant. De oogen zijn groot, van boven met een beenigen rand. De rugvin is meer naar voren dan de buikvinnen, de aarsvin klein, de staartvin gevorkt. Langs de middenlijn van den rug een breede band van eigenaardige schubben. Deze visch is mooi zilverachtig, van boven olijfkleurig, de rug en de zijkanten hebben zwakke strepen langs de rijen schubben. Zij worden drie voet lang, zijn vlug in hun bewegingen, en zijn op sommige plaatsen weinig, op andere paatsen veel gezocht als voedsel. De jonge vischjes ondergaan eene vormverandering, zij zijn eerst bandvormig, met zeer kleinen kop en doorschijnend, krimpen, dan in van drie duim tot twee duim, daarbij steviger wordend, en groeien daarna verder.
| | | |
Alcedinidae.
IJSVOGEL. Fisiman, n.e. De in Suriname voorkomende Ijsvogels behooren tot het genus ceryle. De grootste soort is Ceryle torquata, van boven blauwgrijs met zwarte strepen, van onderen bruin.
| |
Alectis ciliaris
(Bl.) J. en E., (syn. ZEUS CILIARIS Bl.) Cobbler, naam op St. Eust. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: beide kusten van tropisch Amerika, West-Indië. Heb lichaam is rhombisch, hoog, zijdelingsch afgeplat. De rugvin en de aarsvin hebben eenige stralen draadvormig verlengd; bij de jonge individuen zijn deze draden veel langer dan het lichaam, bij de ouderen worden ze korter. De staartsteel is smal, de staartvin wijd gevorkt. De borstvinnen zijn lang en sikkelvormig. De mondspleet loopt bij de jongen zeer schuin, bij de volwassenen bijna horizontaal. De voorste helft van de zijlijn vormt een wijde boog. Het is een voedselvisch van eenig belang.
| |
Aletria,
pap. Vermicelli; wordt op Curaçao gemaakt. door de ‘Coöperatieve Vereeniging en Nijverheid’.
| |
Aleurites moluccana
Willd. Fam. Euphorbiaceae. Wild date, bov. e. Boom met vijfpuntige hartvormige bladeren, die aan de onderzijde licht
| | | |
gekleurd zijn; de geheele plant ruw door schubben; vruchten ter grootte van een flinke noot. Gekweekt.
| |
Alfalfa,
ben. e. Zie MEDICAGO.
| |
Algae
of wieren zijn zoet- of zoutwaterplanten. In zee zijn zij op enkele uitzonderingen na de eenige plantaardige bewoners en daardoor van groot belang voor het dierlijk leven. In zoet water vormen zij de groene, draderige massa's, die zoo dikwijls stilstaande wateren vullen, maar ook in rivieren en beken ontbreken zij niet.
De wieren vormen zoo goed als Fungi of zwammen en Musci of mossen een goed kenbare groep der lagere planten. Evenals bij deze beiden ontbreken eigenlijke bloemen. De voortplanting geschiedt door ongeslachtelijke sporen, die in sporangien of sporenzakjes ontstaan of door bevruchte eicellen, die hetzij vrijzwemmend in zee met de spermacellen in aanraking komen, hetzij in carpogonien of vruchtlichamen besloten zijn. Dikwijls komt geslachtelijke zoowel als ongeslachtelijke voortplanting bij een soort voor. De vegetatieve deelen zijn zeer uiteenloopend in vorm en grootte. Zoowel de ééncellige, microscopisch kleine planktonvormen als de vele meters lange, boomvormig vertakte Laminariasoorten en de op koraal gelijkende Lithothamnien rekenen we tot dezen groep. Bladgroen is altijd aanwezig, hoewel soms overdekt door een blauwe, bruine of roode kleurstof. De hoofdverdeeling in de systematiek der wieren is die in: Blauw-, Groen-, Bruin-, en Roodwieren, die ieder voor zich een karakteristieke bouw en wijze van voortplanting hebben.
Omtrent de zeewieren, voorkomende op het kustgebied onzer koloniën in West-Indië, is weinig bekend. Slechts enkele malen werden belangrijke verzamelingen naar Holland gebracht. De namen van Prof. Suringar, Prof. Boeke en Kapt.luit.t/z. Schoonhoven mogen hier niet verzwegen worden. Het best bekend is Curaçao, waar aan de Z.-kust zoowel als aan de N.-kust verzameld werd. Ook van Bonaire, Aruba, St. Martin, St. Eustatius en Saba ontbreekt materiaal niet. Daarentegen verkeeren we in groote onwetendheid omtrent de vormen aan de kust van Suriname, die weliswaar voor algengroei ongeschikt lijkt, daar ze een echte modderkust is. Toch zou men juist daar, waar verscheidene groote rivieren in zee monden, merkwaardige verschijnselen op wetenschappelijk gebied kunnen verwachten.
De W.I. regioon, van welke onze eilanden plantengeografisch een deel uitmaken, is een goed omschreven gebied. Het omvat de Groote en Kleine Antillen, de kust rondom de Karaïbische zee en de Golf van Mexico tot Florida, de Bahama en tevens de Bermuda eilanden. Deze laatste zijn volgens de geografische ligging ver van het centrum verwijderd. De Algenflora dezer eilanden bestaat echter voor een groot deel uit soorten, die uitsluitend in genoemde regioon voorkomen, zoodat de aanvankelijke twijfel nu geweken is en de Bermuda-eilanden de N. grens van ons gebied in den golfstroom vormen. De grootste overeenkomst heeft de W.I. Algenflora met die van de Midden-Atlantiek, waaronder verstaan wordt, het gedeelte der Atlantische zee tusschen de twee keerkringen gelegen, dus de N.- en O.-kust van Zuid-Amerika voor zoover die onder invloed van den Brazilienstroom staat en de Westkust van Afrika speciaal daar waar de Guineastroom haar bespoelt. 20% van de soorten komen zoowel hier als daar voor. Dat we echter gerechtigd zijn op het oogenblik het W.I. als een op zichzelf staand gebied op te vatten, vindt zijn grond hierin, dat 45% der soorten endemisch zijn. De mogelijkheid, dat deze verhoudingen veranderen met de toeneming van het aantal bekende soorten, is niet uitgesloten.
Behalve dit ligt nog een ander terrein voor belangrijke waarnemingen open, n.l. dat omtrent de verspreiding in het gebied zelf. Het zoutgehalte en de stroomrichtingen zijn sterk wisselend en ingewikkeld, tengevolge van den rijken toevoor van zoetwater door de groote riviermondingen op de N.-kust van Zuid-Amerika en die van Mexico. Zoo kunnen zelfs zoetwaterwieren tot ver in zee worden aangetroffen. Murray zegt in zijn ‘Catalogue of Marine Algae of the W.I. region’, hoe hij even ten Z. van Grenada Spirogyra tropica, een zoetwatervorm van de Amazonestroom, ophaalde, waarschijnlijk afkomstig uit de Orinocorivier. Bovendien voegt hij er aan toe, dat op het eiland Grenada de groenwieren overheerschen, terwijl volgens Mazé en Schramm op Guadeloupe Roodwieren den hoofdtoon voeren. Op onze eilanden St. Eustatius en St. Martin zijn weer hoofdzakelijk Groenwieren verzameld. Daar deze laatste collecties nog geen aanspraak op volledigheid kunnen maken, mag men daaruit geen gevolgen trekken.
Hier volgt een opsomming der tot nu toe in onze koloniën verzamelde vormen:
| |
Groen wieren:
Ulva fasciata. f. taeniata Setchell en f. lobata Setchell; Chaetomorpha linum Müll.; Cladophora glaucescens Griff.; Cl. gracilis Griff.; Caulerpa verticillata I. Ag.; C. racémosa var. laete-virens Weber v. Bosse; var. uvifera W.v.B.; var. uvifera f. intermedia W.v.B.; C. sertularioïdes f. typica Gmelin, f. brevipes W.v.B., f. longiseta Ag.; C. cupressoides f. typica W.v.B.; C. sedoïdes Ag.; Penicillus elongata Gepp.; P. capitatus Lamarck; P. pyriformis Gepp.; P. Lamourouxü Decaisne; Codium tomentosum (Hud.) Stackh.; Udothea conglutinata Soland.; Halimeda Opuntia Lamx. f. typica Barton, f. cordata Barton; H. Tuna f. typica Barton; H. incrassata f. typica Barton, f. Lamourouxii Barton; Dyctiosphaeria favulosa Ag.; Cladophoropsis membranaceus Börg.; Valonia verticillata? Kütz., Acetabularia crenulata Lamour.; A. caraïbica Kütz.; Botryophora occidentalis I. Ag.
| |
Bruin wieren:
Padina gymnospora; P. Commersonii Bory; Dictyota dentata Lamx.; D. pardalis Kütz.; D. linearis (Ag.) Greville; D. Mertensii Mart.; Sphacelaria furcigera Kütz.; Gymnosorus variegatus Lamour; Haliseris delicatula Lamour; H. Justii Lamour; Hydroclathrus cancellatus Bory; Turbinaria trialata Kütz.; Sargassum platycarpum Mont.; S. vulgare Ag.
| |
Rood wieren:
Bangia ceramicola (Lyngb.) Chauv. Goniotrichum spec.?; Chantransia spec.?; Liagora viscida Forsk. f. coarctata Kützing; Galaxaura comans Kjellm.; G. moniliformis Kjellm; Wrangelia plebeia Ag.; Eucheuma isiforme I. Ag.; Hypoglossum tenuïfolium (Harv.) I. Ag. f. Schoonhoveni Sluiter; Zellera Boekeï Sluiter; Gracilaria lichenoïdes L.; Laurencia papillosa (Forsk) Grev. L. obtusa Lam.; Herposiphonia secunda Ag.; Acanthophora Thierii Lam.; Polysiphonia variegata Ag.; Bryothamnion triangulare Kütz.; Griffithsia corallina Lightf.; Centroceras clavulatum Mont.; Ceramium tenuissimum Lyngb. f. arachnoïdea Ag.; Spyridia filamentosa (Wulf.) Harv.; Amphiroa fragilissima (Linn.) Lamx.; Melobesia farinosa Lam.
In het leven van de bewoners der W.I. eilanden spelen zeewieren een weinig belangrijke rol. Tot het gebruik van zeewier als voedsel gaat men niet dan in den uitersten nood over. Eigenaardig mag dan ge- | | | | noemd worden de keuze van Padina soorten met membraneuse thalli, die nadat ze, meest in zoutwater, afgekookt zijn, genuttigd worden. De inboorlingen kennen dit geslacht onder den naam van Kolo di lamán (zeekool). Meer toepassing vinden Algen, waar ze als voedsel voor schildpadden of als lokmiddel in de vischvallen gebruikt worden. Ook dit vinden we in de inlandsche naam uitgedrukt: Jeerba di tortoeka (schildpadplant) voor Dictyota en Ulvasoorten. Van de sterk kalkhoudende Halimeda planten wordt een practisch gebruik gemaakt bij het reinigen van schepen. De door dunne geledingen verbonden kalkschijfjes dezer soort leveren een uitstekend materiaal voor het schrobben van hout. Veelzeggend zijn weer de inlandsche namen: Jeerba kratschja-kratschja, Jeerba krab, Jeerba di freega (van fregat af te leiden?). Hiermede zijn echter alle opgaven over het gebruik van wiersoorten uitgeput. Wel zijn nog eenige inlandsche namen bekend: Jeerba karanga. biema, Pieterselie di lamán, Jeerba di garnaaltsje, Jeerba di sieringa, Jeerba di ploenia, Pompoena di aawa, (voor verdere beschrijving zie onder de beginletter).
Geen van deze namen duiden echter aan, dat de soorten, die in Japan zulk een groote rol spelen bij de agarbereiding, hier populair zijn. Toch ontbreken deze wieren niet en in Massachusetts is reeds het verwerken en prepareeren van het ‘Iersche mos’ (Chondrus crispus.) tot een loonende industrie geworden. In onze koloniën zouden, daar Chondrus niet voorkomt, andere vormen: Eucheuma isiforme, Gracilaria soorten of Gigartinia mamillosa dienst kunnen doen, indien ze in voldoende hoeveelheden voorkomen.
Niet te onderschatten is de waarde van zeewier als meststof. Door het hooge gehalte aan kalizouten in den vorm van potasch voornamelijk, is zee wier een goede meststof voor aardappelvelden en klaverweiden. In Californië en andere streken langs de W.-kust van N.-Amerika worden groote hoeveelheden van de reusachtige wieren uit de groep der Laminariaceae geregeld verzameld en naar het binnenland als mest vervoerd. Dit gebruik bepaalt zich niet uitsluitend tot Amerika. Ook in Frankrijk, Engeland en Schotland is het van oudsher bekend. Ja, men is zelfs zoover gegaan, dat in bepaalde districten politieverordeningen zijn, die den tijd en de wijze van verzamelen bepalen, teneinde een uitroeien te voorkomen. Nadere inlichtingen hierover zijn te vinden in de beide Amerikaansche Bulletins in de Litteratuur-opgave genoemd.
Litt: Mazé e. Schramm Essai de classification des Algues de la Guadeloupe. 1870-1877. Murray. G. Catalogue of the marine Algae of the West-Indian region. Journ. of Botany 1888-1889. Sluiter, C.P. List of Algae collected by the Fischery-Inspection Curaçao Recueil d. Trav. Bot. Néerl. Vol. IV 1907. Smith Hugh M. The Seaweed Industries of Japan. The utilization of seaweeds in the United States. Bull. o. th. Bureau of Fisheries 1904. Vol. XXIV. 133. Cameron, Frank K.A preliminary report on the Fertilizer Resources of the United States. Doc. 190. 62d Congress. Departm. of Agriculture Bureau of Soils. Washington 1912.
C.P.S.
| |
Algemeen Nederlandsch Verbond.
Zie VERBOND (ALGEMEEN NEDERLANDSCH).
| |
Alin-akka,
n.e. Zie FALCONIDAE.
| |
Allamanda cathartica
L. Fam. Apocynaceae. Jasbita of Wilkens bita, n.e. Yellow bell, bov. e. Heester of liaan met veelal kransstandige dik-lederachtige bladeren, waarvan de hoofdnerf aan de onderzijde van het blad dicht behaard is, groote, gele, trompetvormige bloemen; gestekelde ronde vruchten, die veel op die van den Europeeschen doornappel gelijken. Bekende medicinale plant. Een aftreksel der wortels en bloemen wordt gebruikt tegen miltaandoening.
| |
Allataman,
n.e. (Ratteman) Zie DRYMOBIUS. (Tapanahoni Expeditie.)
| |
Allium ascalonicum
L. Fam. Liliaceae. Charlotten, bov. e. Stengels en bladeren van deze bolplant zijn buisvormig; de bloemen staan aan het eind van den stengel in een kogelvormige bloeiwijze. Gekweekt; op Saba ook voor uitvoer.
| |
Allodiaal eigendom en erfelijk bezit.
Zie GRONDPOLITIEK.
| |
Almond tree.
bov. e. Zie TERMINALIA.
| |
Aloekoe.
Zie BOVENL. INDIANEN (onder Ojana).
| |
Aloekoejana.
Zie BOVENL. INDIANEN (onder Ojana).
| |
Aloekoe- of Aroekoe-negers.
Zie BOSCHNEGERS.
| |
Aloema,
n.e. Zie CESTRUM.
| |
Aloë vera
L. Fam. Liliaccae. Alseveera, Sinte biebo. ben. e. Aloë, bov. e. Dikke vleezige bladeren met scherpe tanden aan de randen; bloeiwijze uit een aantal dikke aarvormige takken bestaande, met oranje-gele naar beneden gebogen buisvormige bloemen.
De Aloë, herkomstig uit Arabië en Abessinië, is omstreeks 1836 uit Afrika ingevoerd op Aruba, maar eerst omstreeks 1880 heeft de cultuur aldaar een vlucht genomen, en zich weten staande te houden, ondanks de volgende lage prijzen. Een zeer groot gedeelte van Aruba is thans met aloë beplant. Kalkgrond schijnt, bij een droog klimaat, de meest geschikte bodem te zijn. Sedert 1907 vindt men op Bonaire wegens de hoogere prijzen belangrijke aanplantingen. In 1909 begonnen op Curaçao enkele kleine landbouwers ermede, op aandrang van ambtelijke zijde.
Voor plantmateriaal neemt men jeugdige planten, semiña en siboys, pap.; deze worden van de pol afgescheurd, en schoongemaakt (péla pap.), d.w.z. van de bladscheden en wortels ontdaan. Plantmateriaal kost gewoonlijk 20 à 30 cents per ezelkar; al het arbeidsloon is voor rekening van den kooper.
Het uitplanten geschiedt meestal van Juni tot Augustus. Bij de eerste regens schieten de planten dadelijk wortel en vormen weldra nieuwe spruiten, zoodat na een paar jaren geheele pollen ontstaan zijn.
Om de 15 of 20 jaren hernieuwt men den aanplant: de oude planten worden uitgeroeid en op hoopen geworpen, nadatmen daaruit plantmateriaal heeft genomen; maar het schijnt beter om den aanplant reeds na 12 jaren te vernieuwen. Na meer dan 20 jaren gaat het veld hard achteruit en brengt bijna niets meer op.
De geheele jaarlijksche uitvoer van Aruba bedraagt ongeveer 9500 kistjes van 57.5 kilo, dus totaal 546.250 kilo.
Binnen 3 jaren, soms reeds binnen 2 jaren, zijn de planten, welker bloeiwijze bestaat uit dikke aarvormige takken met oranje-gele buisvormige bloemen, zoodanig uitgedijd, dat zij met voordeel afgeoogst kunnen worden. Dit oogsten bestaat in het afsnijden van alle bladeren, waarbij de groeitoppen niet mogen geraakt worden.
In de maanden Maart tot Juni oogst men (men spreekt van ‘lekken’, omdat dan het blad het meeste harssap (azéta, pap.) bevat, dat in dien tijd
| | | |
goed uitvloeit. De afgesneden dikke vleezige bladeren met scherpe tanden aan de randen, worden in een lekbak gelegd, d.i. een uit 2 planken bestaande hellende goot. De betaling van dit zware werk geschiedt per gallon, vandaar dat er nogal eens bedrog gepleegd wordt door kunstmatige verdunning; het sap wordt nu in kleine, gedekte, houten vaten (galeivat, pap.), twee aan twee op een ezel, naar de kookpotten gebracht om ingedampt te worden; dit indampen van het sap tot hars heeft plaats in open koperen potten van ongeveer 200 liters inhoud; men schept vervolgens de dikke vloeistof in petroleumkisten waarin zij bekoelt en stolt tot een zich belangrijk samentrekkende massa. Zulk een kist bevat ± 57.5 kilo's hars. Soms wordt de hars in kalebassen gegoten in welke verpakking zij iets hoogere prijzen bedingt.
Daar op Aruba gebrek aan brandhout te voorzien is heeft men uitstekend geslaagde proeven genomen met indampen boven steenkoolvuur; de kosten zouden dezelfde zijn, indien niet de ovens door hunne meer ingewikkelde samenstelling duurder waren.
De aloë-hars wordt in de geneeskunde gebruikt; Dodonaeus beschrijft de plant bij de ‘Cruyden die purgeren oft den buyck weeck maken’.
Op Aruba wordt ruwe aloë medicinaal gebruikt.
De aloëhars wordt naar het buitenland verzonden, verreweg het meest naar New-York, ook naar Hamburg en naar Londen.
Omstreeks 1890 begon de prijs te dalen, en in 1900 bedroeg hij niet meer dan 3 Am. centen per Am. pond. Alleen op Aruba is men toen blijven doorwerken; al werd er geen winst gemaakt, de velden bleven toch in goeden toestand. In 1906 verbeterde de markt en weldra steeg de prijs tot 7 à 8 Am. c. en tot begin 1911 is hij vrij vast op of boven 6½ Am. c. gebleven.
Naar Londen gaan vooral de betere soorten, die daar tot 60 sh. per 100 lbs. opbrengen. Steeds is op de Londensche markt de ‘Curaçaosche’ aloë (d.i. die van Aruba, Bonaire en Curaçao) ook de ordinaire soorten, iets hooger geprijsd dan de Kaapsche: 31 tot 36 sh. voor Curaçao-aloë, 29 tot 32 sh. voor de Kaapsche.
Uitvoer van Aloëhars.
|
Curaçao. K.G. |
Aruba. K.G. |
Bonaire. K.G. |
Totaal. K.G. |
| 1903 |
- |
192.363 |
24.014 |
116.377 |
| 1904 |
18.000 |
171.669 |
44.751 |
234.420 |
| 1905 |
- |
212.215 |
24.815 |
237.030 |
| 1906 |
2.144 |
282.510 |
33.273 |
317.927 |
| 1907 |
- |
1121.224 |
30.447 |
1151.661 |
| 1908 |
- |
362.407 |
19.299 |
371.706 |
| 1909 |
500 |
414.268 |
36.099 |
450.867 |
| 1910 |
2.022 |
396.499 |
45.433 |
443.954 |
| 1911 |
3.798 |
395.922 |
70.155 |
469.875 |
| 1912 |
920 |
375.142 |
31.827 |
407.889 |
Deze opgaven zijn ontleend aan de Koloniale Verslagen; de uitvoer van Aruba over 1907 komt ons zeer hoog voor; waarschijnlijk is hier een drukfout ingeslopen.
(Zie ook G.B. Dussel, kort overzicht over den landbouw op Curaçao. Uitg. v.d. Commissie voor de Kol. Landb. tentoonst. te Deventer 1912.)
| |
Alpargata
pap. Eenvoudig Spaansch schoeisel, bestaande uit een stevige leeren zool met bovenwerk van grove vezelstof; eigenaardig is een kleine opening aan de punt. Alpargata's worden op Curaçao gemaakt en algemeen gedragen, niet echter door de zeer arme buitenbevolking. De prijs van een paar der grootste soort is 75 cents. In 1912 voerde de Coöperatieve vereeniging op Curaçao 1547 dozijn paren uit ter waarde van ƒ9509, tegen 451 dozijn ter waarde van ƒ3100 in 1911.
| |
Alseveera.
ben. e. Zie ALOË VERA.
| |
Alternanthera sessilis
R- Br. Fam. Amarantaceae. Witti hédé, n.e Een klein onkruid met groepjes van witte bloemen in de bladoksels.
| |
Alysicarpus nummularifolius
P.D.C. Fam. Leguminosae. Anansi-pienda, n.e. Sistern pea nut, bov. e. Kruipend plantje met enkelvoudige lang gesteelde lang-eivormige blaadjes, voorzien van steunblaadjes, die bijna evenlang als de bladsteel zijn.
| |
Amandelboom,
sur. Zie TERMINALIA.
| |
Amandra,
n.e. Zie TERMINALIA.
| |
Amarantus blitum
L. Fam. Amarantaceae. Klaroen, sur. Kraroen, n.e. Een kruidachtige plant met dichte trossen van groene bloempjes. De bladeren worden gestoofd als groente gegeten.
| |
Amarantus caudatus.
L. Fam. Amarantaceae. Dia-kraroen, n.e. Een kruidachtige plant veel gelijkende op A. Blitum.
| |
Amarantus paniculatus
L. Fam. Amarantaceae. Prince plum, bov. e. Kruid met zeer langgesteelde, eivormige bladeren en een dichte pluim van zeer kleine bloemen. Gekweekt.
| |
Amarantus polygonoides
L. Fam. Amarantaceae. Kalaloe di poorko, ben. e. White polly, bov. e. Laag kruid met bladeren van 1,5 cm. lengte lang gesteeld, bloemen in kluwens in de bladoksels.
| |
Amarantus spinosus
L. Fam. Amarantaceae. Maka-kraroen, n.e. Kruidachtige plant, veel op de gewone klaroen gelijkend, doch ervan te onderscheiden doordat in de bladoksels doornen zitten. De bladeren van deze soort worden niet gegeten.
| |
Amarantus tristis
L. Fam. Amarantaceae. Kalaloe, ben. e., Calaloe, bov. e. Kruid veel gelijkend op A. paniculatus, maar met dunne, aarvormige, saamgestelde bloeiwijzen.
| |
Amasonia erecta
L.f. var. punicea. Briq. Fam. Verbenaceae. Savannebloem, sur., een kruidachtige plant, ongeveer 30-40 cm. hoog, die vooral op droge plaatsen o.a. in savannen soms zeer talrijk voorkomt, en opvalt door de trossen van gele bloemen tusschen de vuurroode schutbladeren. (Zie Dr. J. Kuyper. De Nederl. hoogveenflora in de tropen. De levende Natuur, 15 Dec. 1912, jaarg. XVII, afl. 16.)
| |
Amazona.
Zuid-Amerikaansche Papegaaien. De hoofdkleur van het gevederte is groen, afgewisseld met rood, geel, blauw, wit en zwart. Van de 7 of 8 soorten, die in Suriname voorkomen, is de meest bekende soort de gewone Amazone (Mazon, n.e.), Amazona amazonica, groen met blauw voorhoofd, geel op den bovenkop, op de wangen en aan den voorrand van de vleugels en met een roode vlek op de vleugels; de grootte is ongeveer als van een duif. De vogels worden in Suriname zoowel geschoten voor de consumptie, als jong uit het nest gehaald om als kooivogel gehouden te worden. Zij leeren gemakkelijk praten en zijn daar, zoowel als in Europa gewilde kooivogels. Van de Amazone-papegaaien bezit Curaçao geen vertegenwoordiger, terwijl op Aruba en Bonaire twee nauwverwante soorten voorkomen, resp. A. achroptera en A. rothschildi, hoofdzakelijk groen met gelen kop en iets rood aan vleugels en staart.
| |
| | | |
Amazonen-sage.
In een bericht van den geestelijke Carvajal, die in 1541 Francisco de Orellana op diens ontdekkingstocht vergezelde, vindt men melding gemaakt van een alleen door vrouwen bewoond dorp. Hieraan dankt de Amazonen-stroom zijn naam. Oviedo gaf in een in Januari 1543 aan kardinaal Bembo gerichten brief eene beschrijving van een door Orellana geleverd gevecht, waarbij de vijanden door krijgshaftige vrouwen werden aangevoerd, die daarom door de Spanjaarden Amazonen werden genoemd. Deze vrouwen beheerschten vele provinciën en volken en leefden zonder mannen, die zij slechts op een bepaalden tijd van het jaar tot zich toelieten om hen weer te verjagen zoodra zij zich zwanger wisten. Kregen zij zonen, dan werden deze gedood of aan de vaders toegezonden. De dochters werden opgevoed om den staat uit te breiden. Al deze vrouwen waren onderdanen van een rijke koningin, die, met hare voorname vrouwen zich alleen van gouden huisraad bediende.
Sedert dien tijd heeft deze vrouwenstaat de reizigers en schrijvers niet meer losgelaten. Door velen naar het rijk der fabelen verwezen is het werkelijk bestaan daarvan door anderen verdedigd en op allerlei wijzen verklaard. Pater d'Acuna, de metgezel van Pedro Terxeira op diens onderzoekingstocht (1637-1639), verhaalt uitvoerig hetgeen hij overal op zijn reis heeft vernomen omtrent deze strijdbare vrouwen en hare woonplaats. La Condamine deed bij verschillende Indianenstammen onderzoek naar het al of niet bestaan van eene vrouwen-natie; in de getuigenissen heerschte in hoofdzaak volkomen overeenstemming en de verschillende richtingen, waarin men de woonplaats te zoeken had, hem door onderscheidene stammen aangewezen, kwamen in één punt te zamen, n.l. in de in het midden van Guiana gelegen bergen. La Condamine trok het in twijfel of de Amazonen nog in die streek woonden; hij achtte het mogelijk dat zij van woonplaats veranderd waren, maar het kwam hem waarschijnlijker voor, dat zij door een anderen stam onderworpen waren of de levenswijze harer moeders verlaten hadden en weer tot de mannen waren teruggekeerd. Al zou men, meende hij, geen sporen van deze vrouwen-republiek meer vinden, dan zou dit niet bewijzen dat zij nooit bestaan had. De Jezuiten-pater Philip Salvator Gilii, die 18 jaren als zendeling aan de Orinoco- rivier heeft gearbeid, verklaarde, in een in 1782 te Rome uitgegeven werk, te gelooven dat de Amazonen niet alleen bestaan hadden, maar dat ze nog bestonden. Alle door hem ondervraagde Indianen wezen hem dezelfde landstreek als woonplaats aan, die ook aan La Condamine was aangewezen. Hij verklaarde het ontstaan van deze vrouwen-republiek uit het harde lot dat het deel was van de Indiaansche vrouwen. Het ondragelijke juk moede, konden zij allicht op den inval komen zich onafhankelijk te maken.
Humboldt, Wallace en andere schrijvers meenden de geheele geschiedenis te kunnen verklaren uit het feit dat in sommige stammen de mannen het haar lang dragen, met een scheiding in het midden, zooals in andere stammen alleen de vrouwen doen.
Volgens Robert Schomburgk geloofden de Karaïben in Britsch Guiana aan het bestaan van een vrouwen-republiek boven de groote vallen in de Corantijn.
Crevaux ontdekte in 1878 aan den oorsprong van de Paroe een Indianendorp uitsluitend door vrouwen bewoond. Zijne ondervraging der vrouwen leidde hem tot de gevolgtrekking dat de legendarische Amazonen niet anders waren geweest dan verstooten vrouwen.
Ook bij de Surinaamsche Indianen is de legende van eene natie van vrouwen bekend. Pater Van Coll vernam die meermalen zoowel van de Karaïben als van de Arowakken. Een oude Karaïb zeide hem: ‘die Amazonen zijn vrouwen van Surinaamsche Karaïben. In oude tijden mishandelden wij onze vrouwen. Deze werden dit moede, maakten afspraak met elkaar, verschaften zich groote booten en voeren, met eene vrouw, die uit het zuiden gekomen was, als wegwijster aan het hoofd, naar de Amazone.’ De oude Karaïb beweerde zelfs, dat zijn vader daar geweest was.
Zie ook olisiana, onder BOVENLANDSCHE INDIANEN. Een overzicht van de Amazonenvraag met uitvoerige litteratuur geeft dr. Georg Friederici in zijn geschrift Die Amazonen Amerikas. Leipzig 1910. Friederici's conclusie is dat het ontstaan der sage nog niet verklaard is.
Litt.: Chr. de Acuna, Relation de la rivière des Amazones, Paris, 1682 (vertaling van een Spaansch boek in 1641 te Madrid verschenen); de la Condamine Relation abrégée d'un voyage fait dans l'intérieurde l'Amérique Méridionale, Paris 1745; Philip Salvator Gilii, Nachrichten vom Lande Guiana, dem Oronocoflusz und den dortigen Wilden, Hamburg, 1785; (Een verkorte vertaling van een in 1782 te Rome verschenen boek); Catalogue des produits exposés par la Guyane Anglaise, Exposition universelle de Paris, 1867; Frédéric Bouyer, La Guyane française, Paris 1867, blz. 50 en 51; J. Crevaux, Voyages dans l'Amérique du Sud, Paris 1883; Van Coll, Gegevens over Land en Volk van Suriname, 1903; F.P. en A.P. Penard. De menschetende Aanbidders der Zonneslang, Paramaribo 1907. I, 140 vlg.
| |
Amazone-papegaai.
Zie AMAZONA.
| |
Amba of amimba.
Zie NAAMGEVING.
| |
Ambachten.
suriname. Ook na het verschijnen in 1912 van ‘Het ambacht in Suriname’, zijnde het rapport van eene in Jan. 1910 benoemde commissie, blijft het bezwaarlijk, een juist beeld te geven van het ambachtswezen in de kolonie. De bouwambachten schijnen in de laatste honderd jaar er niet op vooruitgegaan te zijn. De timmerlieden, die op de oude suikerplantages de ‘waterwerken’ aanlegden, de metselaars, die de oude plantage-sluizen bouwden, behoefden in geen opzicht onder te doen voor hunne collega's van heden. Te Paramaribo kan men huizen aanwijzen uit het eerste vierde deel van de vorige eeuw, die in elk opzicht beter gebouwd zijn dan de tegenwoordige. Wij vinden aangeteekend dat, omstreeks het midden van de 18de eeuw, jongens uit het Diakoniehuis van Paramaribo naar het Aalmoezeniershuis te Amsterdam werden gezonden om een goede christelijke opvoeding te ontvangen, een ambacht te leeren en later, zoo zij daartoe genegen waren, naar Suriname terug te gaan. Hieronder waren zelfszonen van Boschnegers. (Wolbers, blz. 272 en 281).
Van vooruitgang schijnt alleen sprake te zijn bij de meubelmakers en de metaalbewerkers in het algemeen.
De commissie, door den Min. van Kol. bij besluit van 11 Maart 1911 benoemd, zegt in haar rapport ‘De economische en financieele toestand der kolonie Suriname’, den Haag 1911: ....‘De vakkennis wordt in het algemeen bij den baas op het werk verkregen. Leerlingcontracten bestaan niet; eenige verplichting om de jongelieden wat te leeren wordt niet gevoeld. Bij de laatsten is niet het besef aanwezig, dat zij hun vak grondig moeten leeren en zich daarom in de eerste jaren met een geringe bezoldiging tevreden moeten stellen. Zij zijn veeleischend op het punt van loon’....
| | | |
‘Algemeen wordt over dit gebrek aan vakkennis geklaagd. Goed verfwerk ziet men in Paramaribo niet. In dit land van houten huizen zou men voorts beter timmerwerk verwachten dan men gemeenlijk ziet.’....
Zonder de schilders en timmerlieden in bescherming te willen nemen, willen wij toch de opmerking niet terughouden, dat zij die laten bouwen, in den regel op goedkoop werk uit zijn en geen geld over hebben voor goede afwerking. Er wordt bovendien veelal met niet voldoende droog hout gewerkt, waardoor spoedig allerlei gebreken ontstaan. Dit laatste geldt ook tot zekere hoogte de meeste meubelmakers.
Verder wijst de commissie op het gebrek aan kapitaal en behoorlijke gereedschappen bij hen die zich, zoo als de gewoonte is, op te jeugdigen leeftijd als baas vestigen.
Gelegenheid tot theoretische en praktische opleiding bestaat slechts voor timmerlieden en meubelmakers en voor metaalwerkers, vooral aanstaande machinisten, aan de inrichtingen der Koloniale Vaartuigen. (Zie MACHINISTEN-CURSUS).
Verder doet de commissie opmerken, dat men naast de vele gebrekkige bazen evenwel andere vindt, die met overleg hun zaken besturen. In den regel zijn deze niet gebleven ambachtslieden, die alleen in opdracht werk verrichten, maar werden zij tevens winkeliers van de producten, in hun werkplaatsen vervaardigd, naast andere, welke van elders worden aangevoerd.
In het algemeen kan men zeggen dat de ambachten niet bloeien. Van alle categorieën van ambachtslieden zijn er te veel, zoodat er niet voor allen geregeld werk te vinden is. Het Kol. Versl. van 1912 meldt, om maar eenige ambachten te noemen, dat er waren 262 kleermakers, 232 schoenmakers, 369 smeden, 1066 timmerlieden, waaronder waarschijnlijk ook de meubelmakers, die niet afzonderlijk zijn opgegeven, geteld zijn. Kleermakers, schoenmakers, blikslagers en meubelmakers ondervinden een zware concurrentie van uit Europa en de Ver. Staten ingevoerde goederen. En hoe wenschelijk verbeterde vakopleiding ook moge zijn, moet men daarvan geen hooge verwachtingen koesteren voor de verbetering van den economischen toestand der ambachtslieden.
curaçao. Wat boven gezegd is van het ambachtswezen in Suriname geldt over het algemeen ook voor Curaçao. Ook daar dezelfde gebreken, voortvloeiende uit gelijksoortige oorzaken en omstandigheden. In sommige ambachten een te veel aan vooral slecht geschoolde krachten.
In een verslag door den Vice-Admiraal A. Kikkert, Gouv.-Gen. van Curaçao en onderhoorigheden nagenoeg een eeuw geleden (n.l. op 2 Juli 1817) ingediend, in 1913 door dr. J. de Hullu in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.-Indië, deel 67, geplubiceerd, wordt gezegd: ‘Aan ambachtslieden hebben wij geen gebrek. Er zijn hier een aantal goede schrijnwerkers, huis- en scheepstimmerlieden, kunstdraaijers en metselaars, die, indien zij werk genoeg hadden, een zeer goed bestaan zouden hebben. ....“Men heeft hier ook veel schoen- en kleermakers eenige kuipers, looijers, blikslagers, goud-, zilver- en ijzer-smeden, doch, onder deze hier opgenoemde ambachtslieden zijn er maar weinig, die in hun handwerk zoo ver gevorderd zijn als de eersten, van welke de schrijnwerkers vooral het zeer ver gebracht hebben, daar zij hier even zo goed bijna als in Europa arbeiden’....
Een halve eeuw later schreef G.J. Simons, Beschrijving van het eiland Curaçou, Oosterwolde 1868, dat men op het eiland vele ambachtslieden vond, zooals schoenmakers, timmerlieden, schrijnwerkers en metselaars, ‘die over het algemeen hun werk niet alleen zeer goed verstaan, maar zelfs menig Europeesch werkman tot leermeester konden verstrekken, vooral wat het laatste ambacht betreft.’
Vergeleken met de toestanden van weleer is er thans dus achteruitgang op te merken.
Een goeden naam hebben nog de zeer soliede Curaçaosche meubelen, gemaakt van mahoniehout, uit de Dominicaansche republiek aangevoerd. De meubelmakers beschikken over zeer weinig gereedschappen, waardoor de afwerking doorgaans te wenschen overlaat.
Eenige gelegenheid tot opleiding geeft de ambachtsschool in het jongens-weeshuis te Santa Rosa, waar de schaaf-, zaag- en draaimachines door een windmolen in beweging gebracht worden; daar gemaakte meubels werden op de Brusselsche tentoonstelling in 1910 bekroond.
Goede scheepstimmerlieden worden nog gevonden; de op Curaçao gebouwde, snelzeilende schoeners zijn in de West-Indiën zeer bekend. Ook de op Saba gebouwde booten mogen hier genoemd worden. Dit eiland schijnt eenmaal een bloeiende schoenenindustrie gehad te hebben en het schoenen-emporium van geheel West-Indië geweest te zijn. Hiervan is niets meer overgebleven. (Zie J.H.J. Hamelberg, Historische schets van de Nederl. Bovenw. Antillen tot op het einde der 17e eeuw, in Tweede Jaarl. Versl. v.h. Gesch., Taal-, Land- en Volkenk. Genootsch. te Willemstad, 1898, blz. 115 en Dr. D. van Blom, Niederländisch West-Indien in Schriften des Vereins für Sozialpolitiek, Band CXLVII, zweiter Teil, München und Leipzig, 1912, blz. 150 en 154.)
Volgens het Kol. Versl. van 1912 waren er op Curaçao en de overige eilanden 70 grofsmeden, 354 kleermakers, 419 metselaars, 85 scheepstimmerlieden, 410 schoenmakers, 57 schrijnwerkers, 651 timmerlieden.
| | | |
Suriname.
Op 27 Januari 1899 had de eerste-comité vergadering plaats, samen geroepen door Gouverneur W. Tonckens, welke leidde tot de stichting van de op 21 Juli 1899 geopende ambachtsschool.
In dit comité hadden zitting de chef v.h. Bouwdepartement, de heer D.H. Havelaar, de Gouvernements Secretaris Mr. Dr. C.F. Schoch, de heer R.A.P.C. O'Ferrall, leider van een door hem opgerichte avondschool en een leerschool voor timmerlieden, alsmede 3 andere heeren, vormende de commissie van toezicht op de beide voornoemde inrichtingen, die een Gouvernements Subsidie van ƒ1000.- ieder genoten, doch zich niet staande konden houden, door den geringensteun, welke haarzijdens het publiek ten deel viel. In deze vergadering werd besloten tot oprichting eener ambachtsschool, welke tot opgave had, het brengen van het ambachtsonderwijs op hechteren grondslag en daarin onder te brengen de hierboven genoemde inrichtingen, t.w. de avondschool voor ambachtslieden (opgericht 1 Jan. 1888) en den ‘Werk- en Constructie-winkel’ (opgericht 1 Juli 1893).
Eenige maanden later was voor deze nieuwe inrichting door den Gouverneur een bestuur benoemd, waarin met het oog op de te verleenen subsidie, ambtshalve zitting hebben, de chef v.h. Bouwdepartement, de Beheerder der Koloniale Vaartuigen en de Inspecteur v.h. Onderwijs.
Dit bestuur deed een beroep op het publiek, om een jaarlijksche bijdrage, welk beroep de
| | | |
verwachtingen niet teleurstelde, zoodat reeds binnen korten tijd kon worden overgegaan tot de aanstelling van onderwijzers en tot de opening der school met een 3-jarigen cursus. Was aanvankelijk de meening, dat de leiding kon worden overgelaten aan de verschillende subcommissies uit het bestuur, binnen niet al te langen tijd bleek, dat dit systeem verlaten en overgegaan moest worden, tot de aanstelling van een directeur. Als eerste directeur trad op de secretaris van het dagelijksch bestuur, Mr. Dr. A.J. van der Houven van Oordt, die vol bezieling deze jonge inrichting de eerste schreden deed zetten naar het doel, waarvoor zij was opgericht.
Door den heer H.D. Havelaar, die gedurende de eerste 7 jaren als voorzitter van het bestuur de inrichting met zijne kunde en werkkracht voorthielp, was intusschen een loterij tot stand gebracht, waarvan de opbrengst was bestemd tot verkrijging van een eigen schoolgebouw en tot delging van den schuldenlast, welke nog rustte op de oude ondernemingen. Ofschoon niet volteekend, was het mogelijk om het eerste gedeelte van dit program geheel te verwezenlijken, ook al moest daarvoor nog eene leening gesloten worden van ƒ2800. Het was voor het toenmalig bestuur eene voldoening, dat dit bedrag zonder moeite geplaatst kon worden bij de firma C. Kersten en Co., die deze inrichting aan zich verplichtte door dit blijk van vertrouwen in hare toekomst.
|
|
Ontvangsten. |
|
|
Uitgaven |
|
|
Subsidie. |
Bijdragen van particulieren. |
Schoolgelden. |
Uitgevoerde werken. |
Totaal waarin sal. onderw. |
Salaris onderwijzers. |
| ½ jaar 1899 |
1000.- |
1678.25 |
168.50 |
- |
3364.10 |
1174.98 |
| 1900 |
3000.- |
1598.50 |
282.90 |
486.25 |
4681.07 |
2626.71 |
| ¾ jaar 1901 |
3000.- |
1409.70 |
268.- |
1163.64 |
5751.75 |
2447.80 |
| 1901/2 |
3000.- |
1390.50 |
294.50 |
1410.18 |
5527.83 |
2914.46 |
| 1902/3 |
4000.- |
1359.50 |
317.50 |
603.26 |
6070.13 |
3412.50 |
| 1903/4 |
4000.- |
1205.- |
478.50 |
1712.25 |
7087.48 |
4472.48 |
| 1904/5 |
4000.- |
1022.50 |
625.- |
1368.55 |
6767.26 |
4422.46 |
| 1905/6 |
4000.- |
1009.50 |
601.- |
386.- |
6689.15 |
4519.96 |
| 1906/7 |
4000.- |
946.- |
583.- |
434.80 |
5805.85 |
4514.96 |
| 1907/8 |
4000.- |
873.99 |
466.50 |
1614.50 |
5830.68 |
4544.99 |
| 1908/9 |
4000.- |
916.49 |
437.- |
799.25 |
7829.65 |
4514.99 |
| 1909/10 |
4000.- |
885.50 |
356.- |
407.50 |
6372.10 |
4599.59 |
| 1910/11 |
4000.- |
844.50 |
347.50 |
506.57 |
5798.78 |
4784.59 |
Aantal ingeschreven leerlingen voor den timmercursus.
|
Klasse |
|
|
Gediplomeerd. |
|
I |
II |
III |
|
| Juli 1899-Nov. 1899 |
15 |
3 |
- |
- |
| Nov. 1899-Nov. 1900 |
23 |
3 |
- |
- |
| Nov. 1900-Nov. 1901 |
11 |
11 |
3 |
3 |
| Nov. 1901-Nov. 1902 |
12 |
10 |
6 |
- |
| Nov. 1902-Nov. 1903 |
11 |
8 |
6 |
3 |
| Nov. 1903-Nov. 1904 |
14 |
2 |
7 |
2 |
| Nov. 1904-Nov. 1905 |
30 |
5 |
4 |
4 |
| Nov. 1905-Nov. 1906 |
24 |
11 |
6 |
3 |
| Nov. 1906-Nov. 1907 |
11 |
18 |
11 |
7 |
| Nov. 1907-Nov. 1908 |
10 |
6 |
15 |
6 |
| Nov. 1908-Nov. 1909 |
3 |
6 |
7 |
6 |
| Nov. 1909-Nov. 1910 |
15 |
8 |
4 |
4 |
Aantal ingeschreven leerlingen voor herhalingsonderwijs en teekenen.
|
Klasse |
|
|
Gediplomeerd. |
|
I |
II |
III |
|
| Juli 1899-Nov. 1899 |
25 |
10 |
- |
- |
| Nov. 1899-Nov. 1900 |
18 |
8 |
- |
- |
| Nov. 1900-Nov. 1901 |
15 |
12 |
2 |
1 |
| Nov. 1901-Nov. 1902 |
17 |
8 |
4 |
1 |
| Nov. 1902-Nov. 1903 |
20 |
8 |
4 |
2 |
| Nov. 1903-Nov. 1904 |
35 |
4 |
2 |
1 |
| Nov. 1904-Nov. 1905 |
59 |
15 |
5 |
2 |
| Nov. 1905-Nov. 1906 |
18 |
24 |
6 |
2 |
| Nov. 1906-Nov. 1907 |
9 |
10 |
12 |
8 |
| Nov. 1907-Nov. 1908 |
18 |
13 |
15 |
2 |
| Nov. 1908-Nov. 1909 |
33 |
8 |
14 |
2 |
| Nov. 1909-Nov. 1910 |
17 |
12 |
9 |
4 |
Op 25 Januari 1902 werd het nieuwe locaal, waarvoor het Koloniaal Gouvernement het terrein afstond, in gebruik genomen.
Finantieël ging de ambachtsschool hiermede eveneens vooruit, omdat de huur der timmerloods, daarmede verviel, terwijl de Gouvernements-subsidie, nog verhoogd werd, eerst tot ƒ3000.- later tot ƒ4000. -. Toch was het niet dan met veel overleg, dat het bestuur kon overgaan tot de aanstelling van een gesalarieerd directeur, hetgeen in 1903 geschiedde.
De geleidelijk afnemende steun van het publiek is oorzaak, dat de school nog niet in meer vakken onderwijs kan geven, dan die welke in hoofdzaak op het bouwvak betrekking hebben.
In het houtrijke Suriname kwamen natuurlijk het timmeren en meubelmaken het meest op den voorgrond. Bij wijze van cursussen werd eveneens les gegeven in metselen en schilderen. In verband hiermede wordt op de avondlessen behalve in Nederl. taal en rekenen, beginselen van algebra, meet- en natuurkunde, alsook een cursus voor de meestgevorderden in boekhouden, les gegeven in teekenen, zoowel rechtlijnig- en bouwkundig- als handteekenen. Ter onderscheiding worden degenen, die de avondklassen alleen bezoeken toehoorders genoemd. Op de dagschool worden ten behoeve van derden tegen betaling werken uitgevoerd. De leer- | | | | lingen genieten hiervan het voordeel, dat zij wat grooter werk onderhanden krijgen, terwijl zij daarin tevens een verdienste vinden. Van deze verdiensten wordt een gedeelte in de Kol. Postspaarbank belegd, waarvan het totaal hun bij het verlaten der school ingeschreven in een spaarbankboekje wordt ter hand gesteld.
Blijkens eene mededeeling van den Gouverneur aan de Koloniale Staten bestaan er thans plannen om de school in eene gouvernements-inrichting om te zetten.
Een andere gelegenheid tot het ontvangen van ambachtsonderwijs is het op 1 April 1913 door de firma C. Kersten & Co. geopende ‘tehuis voor leerlingen’, een soort internaat voor vakopleiding, bestemd voor jongens die de lagere school verlaten hebben. De jongens zullen te werk gesteld worden in de winkels der firma, in de bakkerij, de smederij, de timmerij, enz. De geheele opleiding zal vier jaren duren. Op de begrooting voor 1914 is een subsidie van ƒ2000 voor deze inrichting uitgetrokken.
| |
Curaçao.
Aan het door Pater H. Frie gestichte jongens-weeshuis te Santa Rosa is een ambachtsschool verbonden. waarop ook anderen dan de weezen worden toegelaten. (Zie AMBACHTEN). De jongens leeren hier allerlei ambachten, zooals schoenen kleermaken, schilderen, timmeren en smeden en vooral meubelmaken.
H.S.
| |
Ambelania acida
Aubl. Fam. Apocynaceae. Mampa of Bati-bati, n.e. Een groote boom met welks melksap de balata vervalscht wordt. De vruchten worden door de boschnegers gegeten. (Zie A.H. Berkhout, Rapport over de Surinaamsche Bosschen, 's-Grav. 1903, blz. 48, waar als Indiaansche naam nog wordt opgegeven Ambrari. Mr. Focke geeft Ambrari op als n.e.)
| |
Ambrari,aant.
n.e. Zie AMBELANIA.
| |
Ameiva surinamensis.
Hagedis. n.e. Lagadiesja. Deze hagedissen, die onze gewone europeesche hagedissen in vorm en uiterlijk het meest nabijkomen, leven volgens Kappler op hooggelegen zandige plaatsen en worden veelvuldig bij de woningen aangetroffen; zij doorsnuffelen het zand naar insekten, maar verjagen soms ook de jonge kuikens. Zij kunnen tot ½ Meter lang worden, van welke lengte de staart ⅓ inneemt. Daar zij dikwijls vechten, komt het meermalen voor dat hun staart wordt afgebeten, die dan later weder aangroeit; somtijds treft men Ameiva's aan, waar in plaats van één staart, door regeneratie twee staarten zijn ontstaan. De kleur is groen en blauw met geelachtigen buik. De jonge exemplaren hebben altijd aan beide zijden een breede donkere streep, die van het oog over het lichaam tot aan den staart loopt, en zoowel onder als boven door eene lichte streep wordt begrensd. In oudere exemplaren verdwijnt deze streep, maar wordt evenwel somtijds bij enkele vrouwelijke exemplaren nog aangetroffen. Volwassen exemplaren zijn van boven groen met worm vormige, donkere vlekjes, die somtijds een netwerk vormen; de mannetjes hebben lichtgekleurde ronde vlekken, die donker omrand zijn, op de zijden. Somtijds vloeien deze vlekken samen tot verticale streepen.
| |
Ammannia coccinea
Rottb. Fam. Lythraceae Mata Komblees, ben. e. Kruid met tegenoverstaande lijnvormige, zittende, aan den voet verbreede bladeren; de bloeiwijzen steken niet buiten de bladeren uit; als de plant in vrucht is bestaat ze uit een dorren stengel met ronde vruchten.
| |
Amoetoetoe,
n.e. Zie PORPHYRIOLA.
| |
Amomis caryophyllata
Kr. et Urb. Fam. Myrtaceae. Bayboom, sur. Beirum, n.e. Bayberry, Cinnamontree, bov. e. (Syn. PIMENTA ACRIS Lindl.) Inheemsch in Venezuela en de West-Indische eilanden; in Suriname gekweekt. Boom met dikke, leerachtige tot 10 cm. lange, aan den top stompe, tegenoverstaande, naar den voet afloopende bladeren. Bloemen met vele meeldraden; de vruchten hebben de grootte van een kleine druif. Door distillatie verkrijgt men uit de bladeren een welriekende olie; een alcoholische oplossing dezer olie heet bayrum, die ook volksgeneesmiddel is.
| |
Amoreuxia palmatifida,
Moç. et Sessé. Fam. Cochlospermaceae. Manoeweeri, cur. Een heel laag plantje met onderaardsche, verdikte knol van de grootte van een aardappel; de bladeren zijn zeer lang gesteeld, diep vijflobbig; de vruchten ter grootte van een kleine appel, zeer opgeblazen.
| |
Amoro falso,
ben. e. Zie MENTZELIA.
| | | |
Amphisbaena.
Ringhagedis. Toehede sneki, n.e. Een geslacht van pootlooze hagedissen, die uiterlijk veel overeenkomst met regenwormen vertoonen. Het lichaam is cylindrisch, overal even dik en bedekt door eene stevige lederachtige huid, die door ringvormige verdiepingen en overlangsche plooien in een groot aantal kleine langwerpige vierhoekjes is verdeeld. Alleen de kop is met grootere schilden bedekt, eene uitwendige gehooropening ontbreekt, en de oogen liggen onder de huid. De staart is kort en dik, zoodat, bij eene oppervlakkige beschouwing, weinig verschil tusschen kop en staart wordt waargenomen, vandaar de Negerengelsche benaming: toehede sneki (tweekoppige slang) en de Portugeesche naam: cobra de dues cabeças.
Zij leven onder den grond en graven daar even als de regenwormen; hun geringde huid stelt hen in staat bijna peristaltische bewegingen uit te voeren, waardoor zij zich even goed vóóruit als achterwaarts kunnen bewegen. Ten gevolge van hunne kleine mondopening kunnen zij geene grootere dieren buitmaken, en voeden zij zich met wormen en insecten.
De inboorlingen in Zuid-Amerika beweren dat zij vele malen in mierennesten worden aangetroffen, en gelooven dat de Amphisbaena de mierenkoning is.
In Suriname komen 2 soorten voor; de eene, Amphisbaena alba, kan eene lengte van ½ Meter bereiken en is geel gekleurd met geelwitte onderzijde; de tweede soort, Amphisbaena fuliginosa, wordt niet zoo groot (tot 39 cm.) is zwart met vierkante witte vlekken of wit met vierkante zwarte vlekken. Verder onderscheiden deze twee soorten zich daardoor van elkaar, dat terwijl bij Amphisbaena alba een ring, op het midden van het lichaam gelegen, uit minstens 60 vierkante vakjes bestaat, bij Amphisbaena fuliginosa altijd minder dan 60 vierkantjes voorkomen, en dat terwijl bij de eerste soort de vierkantjes aan de buitenzijde langer dan breed zijn, deze vakjes bij Amphisbaena fuliginosa niet langer zijn dan breed.
| |
Ampt (Anna Adriana Everdina Henriette)
geb. te Nijmegen 3 Jan. 1832 en aldaar overl. 5 Mrt. 1885, was de dochter van den kapt. luit. ter zee Frederik Henderik Ampt en Everdina Snoek. Zij huwde in 1854 met J.W. Steens Zijnen, fabrikant te Nijmegen. Onder het pseudoniem Anna schreef zij verscheidene romantische werken, novellen en gedichten. Geïnspireerd door Dr. W.R. van Hoëvell's ‘Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche wet’ schreef zij ‘Schaduwbeelden uit Suriname’, Amst. 1858, nieuwe uitgave Dordr. 1862. De bundel bevat drie gedichten: ‘Banco de vluchteling’, ‘Moeder en Christin’, (dramatisch gedicht) en ‘Leila, het
| | | |
Bloemenmeisje.’ (Zie ook S. Kalff, Surinaamsche poëzie, in de Ind. Gids van 1 April 1913, blz. 557-559).
| |
Amuletten.
Het geloof in de kracht van voorbehoedmiddelen tegen ziekte, ongevallen, booze geesten, enz. is in Suriname, en niet alleen bij de nog heidensche bevolking, zeer verspreid. Bij de Boschnegers dragen ze gewoonlijk den naam obia. Alle mogelijke voorwerpen kunnen daartoe dienen, stukjes hout, vederen van vogels, glasscherven, nagels, tanden en beenderen van dieren, metalen ringen met katoendraden omwoeld, kaurischelpen, enz., in één woord alles wat door den obiaman tot obia bestemd wordt en daardoor tooverkracht heeft verkregen, niet alleen als voorbehoedmiddel, maar ook om den drager in zijne ondernemingen, bij de jacht, maar vooral in de liefde geluk te brengen. Al naar den aard worden deze amuletten aan het voorhoofd, om den hals, de armen, het handgewricht, de knieën, soms ook om de heupen gedragen. Ook huisdieren dragen obia's, in het bijzonder de honden om een goede jacht te bevorderen. Aan vruchtboomen vindt men soms de vreemdsoortigste amuletten, stukken van schildpadschalen, verdroogde hagedissen, bosjes veeren, die de vruchtbaarheid van den boom moeten verhoogen. Een obia van bijzondere kracht, die den drager kogelvrij maakt, vermeldt Van Coll: een tétéi (stuk van een liaan) in rood katoen gewikkeld, zwart gemaakt, van de lengte van een vinger en de dikte van den hals eener wijnflesch; het vormt een zakje, dat aan een koord als bandelier bevestigd, op het hart wordt gedragen. Slechts 10 geboren Afrikanen verstonden de kunst het te maken, een kunst welke zij tot geen prijs aan iemand wilden leeren.
Als amulet worden ook vereerd de steenen bijlen der Indianen, de zoogenaamde donder- of onweersteenen. Ook heeft men obia's om in den grond te begraven ter bescherming of wel om een vijand kwaad te doen, een ziekte te bezorgen, enz. Genoemd moeten nog worden de geschreven amuletten, die vooral dienen om de gevolgen van ogri-ai (het booze oog) af te wenden. (Zie voorts BOOZE OOG).
Hier worde nog aangeteekend dat de Indianen niets weten van de amuletten die in het negergeloof zulk een groote rol spelen. Hunne bekoringsmiddelen hebben een ander karakter.
Litt. A. Kappler, Surinam, 1887, pp. 242 en 263. - J.H. Spitzly, Zeitschr. für Ethnologie, 1889, p. 213. - Prof. Dr. W. Joest, Ethnographisches und Verwantes aus Guyana. Intern. Archiv. für Ethnographie, Suppl. zu Band V, 1893, p. 61. - L.A. Bakhuis, Versl. der Coppename-Expeditie, 1902, p. 59. - Van Coll, Gegevens, 1903, p. 103 en 127. - E. Nunes, Het toekomstig Leven, 1 Mei 1906. - C.H. de Goeje, Versl. der Toemoekhoemak-Expeditie, 1908, p. 52. - F.P. en A.P. Pénard, Surinaamsch bijgeloof, 1912, p. 169.
| |
Anaatje,
sur. Zie ANATIDAE.
| |
Anablebs anablebs
(L.) Eigenm. (syn. ANABLEPS TETROPHTHALMUS Bloch.) Hoogkijker, Slijkspringer, Vieroog, sur. Koetai, kar. en n.e. Fam. Poeciliidae. Rivier- en strandvisch. Verspreiding: Orinoco, de Guiana's, Amazone. Zijn oogen zijn horizontaal in tweeën verdeeld; met de onderste helft ziet hij in het water, met de bovenste helft in de lucht. Deze visch leeft in troepjes in riviermondingen en aan het strand, op modderbanken en zwemt aan de oppervlakte van het water. Hij wordt nog geen voet lang. Het wijfje is levendbarend. Hoewel het vleesch zeer goed smaakt wordt de visch weinig gegeten.
| |
Anablebs microlepis
M. en Tr. Koetai, kar. en n.e. Fam. Poeciliidae. Riviervisch. Verspreiding: Guiana tot Para in Brazilië. De kop is breed, zijn lengte is twee negende van de lichaamslengte zonder staartvin. De oogen zijn verdeeld in een bovenhelft en een onderhelft. De oogen zijn dicht bij elkaar geplaatst, de tusschen-oogruimte is smal. De rugvin is meer naar achteren geplaatst dan de aarsvin; beide zijn kort. De zijkanten van het lichaam en van den staart zijn effen zilverachtig of op de zijkanten zijn twee zwakke gele banden met rijen bruine vlekjes of twee smalle bruine banden met geel er tusschen. An dere hebben een grijzen rug en zijn geel aan den onderkant.
| |
Anacardium occidentale
L. Fam. Anacardiaceae. Kasjoe, n.e. Kaasjoe, ben. e. Cashew, Cherry, bov. e. Een in alle tropische streken gekweekte, lage boom met leerachtige bladeren, die tot 15 cm. lang en 9 cm. breed zijn en waarvan de hoofd- en zijnerven zeer duidelijk aan den onderkant te zien zijn; bloemen in een dichte pluim. De vruchten bestaan uit een zwart niervormig deel, gezeten op een roode, sappige, eetbare vruchtsteel, die veel dikker en grooter is dan de vrucht. Uit dit sappige deel wordt op Curaçao een gelei gekookt, doesji di kaasjoe. De vrucht zelf kan alleen geroost gegeten worden. Uit verwondingen aan den stam vloeit een heldere gom, die slechts gedeeltelijk oplosbaar is en weinig handelswaarde bezit. De bladeren zijn in de Nederl. Pharmacopee opgenomen. (Folia anacardiae.) De schors bevat looistof. In Suriname wordt de vrucht tegen keelpijn gebruikt. (Zie ook West-Indië, II, 285.)
| |
Anaemia tropica.
Secundaire ziekte van het bloed, die na uitputtende ziekte, in hoofdzaak anchylostomiasis en malaria, optreedt.
| |
Anamoe,aant.
n.e. Met dezen naam worden in Suriname zoowel Rallen als Tinamoes aangeduid. Anamoe is in Suriname ook de naam van het staartlooze hoen.
| |
Ananas sativus
Schult. Fam. Bromeliaceae. Nanassi, n.e., Nanne, arow. Het eten van veel onrijpe ananassen geldt in Suriname als middel om abortus te verwekken. Zie verder VRUCHTEN EN VRUCHTBOOMEN.
| |
Anansi,
n.e. Zie ARANEINA.
| |
Anansi-pienda,
n.e. Zie ALYSICARPUS.
| |
Anansitori,aant.
n.e. Van het waarschijnlijk Afrikaansche woord anansi, spin. Op Curaçao Cuenta di nansi. Negersprookjes, veelal dierverhalen, waarin de spin gewoonlijk de hoofdrol vervult en door sluwheid, en niet met eerlijke middelen overwint. De held anansi wordt door de negers zeer bewonderd; tot zekere hoogte geven de sprookjes de denkwijze en de moraal der negers in den slaventijd weder. Volgens Hartsinck II, 902 werd door sommige Afrikaansche stammen de Anansié als de schepper der menschen beschouwd. Vooral de oude néné's (oude vrouwen, kindermeiden) waren zeer sterk in het vertellen van anansitories. In vroeger jaren waren er beroepsvertellers, die in sterfhuizen de treurenden bezighielden met deze sprookjes, een gewoonte die schijnt uit te sterven. Op Curaçao heeten de vertellers Hinchado di cuenta. Van Coll vertelt van een boschnegerdorp het volgende: ‘Was de gestorvene een man, dan kwam men drie achtereenvolgende Zaterdagen bij elkaar om sprookjes (anansitori) te vertellen; voor eene vrouw twee Zaterdagen.’ - In de kampen der goudzoekers is het vertellen van anansitories nog een gewone tijdkorting. Anansitories mogen niet bij daglicht verteld worden. (Ook op Haïti volgens Aubin. En Haïti. Planteurs d'autrefois, nègres d'au- | | | | jourd'hui. Paris 1910, blz. 39: ‘Il ne convient pas de tirer contes grand'jour’.) De meeste anansitories zijn van Afrikaanschen oorsprong, maar er zijn er ook onder, waarvan de opzet overeenkomt met die van Europeesche sprookjes.
Litt. J. Crevaux, Voyages dans l'Amérique du Sud. Paris 1883, blz. 190. - Henry M. Stanley. My dark companions and their strange stories. London 1893, (ook vertaald door mevr. Johs. Dyserinck, Mijne zwarte metgezellen en hunne zonderlinge verhalen. Haarlem 1894). - Ellis, The Yoruba-speaking peoples, London 1895, blz. 258. - Cuenta di nansi, in het papiamentsch en in Nederlandsche vertaling medegedeeld in het Derde jaarl. Verslag v.h. Geschied,- Taal,- Land-, en Volkenkundig Genootschap te Willemstad, Curaçao, Amst. 1899. - C. van Coll, Gegevens over Land en Volk van Suriname, 1903, blz. 109 en 128. - Dr. H. van Cappelle, Surinaamsche Negervertellingen, Elsevier's geïll. Maandschrift, Nov. 1904 en Maart 1905 en ‘Het Nederlandsche Zeewezen, 15 Juli 1905 blz. 213 en 214. - W. Jekyl, Jamaican Song and Story, Publ. of the Folklore Soc. London 1907. - C.H. de Goeje, Verslag der Toemoekhoemak-Expeditie, Leiden 1908 blz. 58 van den overdruk. - Op de Hoogte, Maart 1911. - Gisela Etzel, Aus Jurte und Kraal, Geschichten der Eingeborenen aus Asien und Afrika, München 1911.
| |
Anatidae.
EENDEN. Slechts een gering getal soorten van eenden komt in Suriname voor, het aantal individuen van enkele soorten echter is zeer groot. Zij komen voornamelijk in de lagere streken voor. De Muskuseend, Doks of Boschdoks, Cairina moschata is een van de grootste. Een van de gewoonste eenden langs de zeekust is Poecilonitta bahamensis, bekend onder den naam van Anaatje. Van het geslacht Boomeend, Dendrocygna, komen twee soorten voor, waarvan een, Dendrocygna discolor, eveneens gewoon is en bekend onder den naam van Skroerki of Wisi-wisi.
| |
Anaura,
n.e. (?). Zie LICANIA.
| |
Anaxagorea.
Fam. Anonaceae. Vermoedelijk de Krabita-kakà, n.e., waarvan de Indianen hengelstokken maken.
| |
Anchylostomiasisaant.
of mijnwormziekte wordt veroorzaakt door een tot de nematoden behoorenden worm, de Anchylostoma duodenale. (Zie VERMES). De lijders krijgen een bleeke kleur en ook de slijmvliezen verbleeken; ze zijn spoedig vermoeid en klagen over hartkloppingen en ademhalingsstoornissen. Bij onderzoek vindt men dan ook de hartwerking soms verhoogd. De eetlust is vaak gestoord, aanvankelijk veelal verhoogd, later verminderd. Ook worden soms geheel onverteerbare stoffen gegeten. (zie AARD-ETEN). Bij vrouwen houden niet zelden de menses op of volgt bij zwangerschap vroegtijdige afbreking daarvan. Mannen worden in ernstige gevallen meer of minder impotent.
‘Het zou - schrijft Flu - een zeer interessant en zeker zeer nuttig werk wezen na te gaan of onder de luiaards op de plantages zich niet veel lieden bevonden, die vroeger misschien tot de werkzaamsten behoord hadden en eerst nadat zij aan de malaria en anchylostomiasis begonnen te lijden aan het luieren gingen.’ (Zie ook AARD-ETEN).
De parasieten kunnen in het organisme komen door dat de uit de eieren zich ontwikkelende larven met slecht drinkwater of op andere wijze in het darmkanaal geraken; maar ook door de huid kunnen de larven, na eerst hunne scheede te hebben afgeworpen, binnendringen.
De ziekte komt bij Br.-Ind. en Javaansche immagranten in Suriname veel voor. Alleen door zeer doortastende maatregelen, ingaande tegen de onhygienische gewoonten dezer immigranten, zal de ziekte bestreden kunnen worden.
Litt. J.J. Halfhide, Schadelijke insecten en dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen. Haarlem 1910, Vierde gedeelte. - P.C. Flu, Rapp. omtrent Malaria-onderzoek in de Binnenlanden van Suriname, 's-Grav. 1912, blz. 101.
| | | |
Andira coriacea
Pulle. Fam. Legu minosae. Freimoesoe-hoedoe, n.e. Groote boom met violette bloemen; levert een bouwhout.
| |
Andira retusa
H.B.k. Fam. Leguminosae, Kabbes of Wormbast, sur. (Syn. GEOFFRAYA SURINAMENSIS Bond.) Een boom met paarsche vlinderbloemen; de bast wordt als wormdrijvend middel gebruikt. Het werkzaam bestanddeel is het alkaloïd andirin. Over de ontdekking van dezen wormbast zie de dissertatie van N. Bondt: Verhandeling over de uitmuntende eigenschappen van den bast der Surinaamsche Geoffraya enz. Uit het Latijn vertaald door H.A. Bake. Leijden 1790.
| |
Andropogon bicornis
L. Fam. Gramineae. Mosonjo, n.e. Een veel in de savannen voorkomend gras.
| |
Andropogon schoenanthus
L. Fam. Gramineae. Citroengras, sur. Jeerba di lamoen, Lamoengras, Malohie., ben. e. Lemon grass, bov. e. Een duidelijk bruingroen gekleurd gras met lange bloeiwijze; de bladeren geven bij destillatie een welriekende olie; een afkooksel der bladeren dient als zweetmiddel bij koorts. De welriekende plant wordt ook gebruikt om insecten te weren.
| |
Andropogon sorghum
Brot. Fam. Gramineae. Curaçao'sche Mais, sur. Maisji raaboe, ar. Maisji sjeete, Siman Maisji sjikitoe, ben. e. Creole corn, Guinea corn, bov. e. (Syn, SORGHUM VULGARE Pers). Een uit Afrika afkomstige graansoort, meer dan manshoog, met dichtgedrongen knodsvormige bloeiwijze of met meer wijd uitstaande pluim, al naar de varieteit. Behalve voor broodbereiding worden uit de vruchten alcoholische dranken gemaakt.
| |
Andropogon sorghum
var. HALEPENSIS Hack. Fam. Gramineae. Johnson gras, ben. e. Een gras met ijle bloeiwijze; het is te herkennen aan de twee soorten bloemaartjes die in de bloeiwijze voor komen. A. sorghum halepensis wordt als veevoedsel gekweekt, komt niet in 't wild voor.
| |
Andropogon squarrosus.
Linn. f. Fam. Gramineae. Vetivert, sur. (?) een grassoort met een sterk riekenden wortelstok, die een aromatische olie bevat. Deze wordt vooral in de parfumerie gebruikt.
| |
Aneisi-wiwiri,
n.e. Zie PIPER.
| |
Anga lampoe,
n.e. Zie HIBISCUS SCHIZOPETALUS.
| |
Angelonia angustifolia
Benth. Fam. Scrophulariaceae. Snapdragon, bov. e. Sierplant met lancetvormige, aan den top zeer onduidelijk ge zaagde bladeren; de bloemen staan in lange trossen waarvan de schutbladen naar den top toe steeds kleiner worden; de bloemkroon heeft een eigenaardige onderlip met ondiepe spoorvormige uitzakking. Gekweekt.
| |
Angelvisch,
pap. Zie CHAETODIPTERUS.
| |
Angglo,
ben. e. Zie TRIBULUS.
| |
Angglo bobo,
ben. e. Zie KALLSTROEMIA.
| |
Angoe,
n.e. Stijve pap of koek van maismeel. In Brazilie Angu genoemd.
| |
| | | |
Anhinga
of SLANGHALSVOGEL, Plotus anhinga, een tot de steganopodes behoorende vogel, die gekenmerkt is door het bezit van een langen in verhouding tot den vogel zeer dunnen hals. Houdt zich aan kreken en rivieren op, waar hij zijne prooi, bestaande uit kleine visschen, duikend bemachtigt. In Suriname wordt hij duikelaar genoemd.
| |
Anijsblad,
sur. Zie HECKERIA en PIPER.
| |
Animé-hars.
Men heeft vroeger de Hymenaea Coubaril voor de stamplant van deze harssoort gehouden. Tegenwoordig houdt men daarvoor een Icicasoort (fam. Burseraceae), een boom die veel voorkomt in de Guiana's, Brazilie en West-Indië en die ook de Elemihars oplevert. Animé-hars komt in den handel voor in onregelmatige, witachtig bestoven, gemakkelijk breekbare en fijn te maken stukken, die een zwakken wierookgeur hebben als ze brandt. Animé wordt door verhitting week en lost gemakkelijk op in kokenden alcohol; door deze eigenschap onderscheidt het zich van de moeilijk oplosbare kopalharsen. Het wordt in de fabrikatie van zegellak en vernissen gebruikt.
| |
Animisme.
Hieronder verstaat de nieuwere anthropologie de bij primitieve natuurvolken algemeen heerschende voorstelling dat alle natuurverschijnselen uitingen zijn van persoonlijke, denkende, willende wezens. Uitvloeisels hiervan zijn: ten eerste het geloof, dat alle bewerktuigde of onbewerktuigde en levenlooze voorwerpen een eigen ziel of geest hebben, ten tweede het geloof dat die zielen of geesten het vermogen hebben het dier, de plant of het voorwerp waarin zij huizen te verlaten en vrij rond te gaan. Dit leidt weer tot de vereering van allerlei voorwerpen (dieren, planten, steenen, enz.) als bezield door hoogere wezens (fetisisme) of van sommige personen, die men door hoogere wezens bezield denkt, tot de vereering van geesten, met name van dierbare afgestorvenen, enz. (sjamanisme).
Zie voorts AFGODERIJ-DANS, AKRA en de daar vermelde litteratuur.
| | | | | |
Anolis lineatus
eene op Curaçao voorkomende hagedis tot de familie der Iguanidae behoorende. De tot het geslacht anolis behoorende hagedissen zijn meestal slank gebouwde, groen of bruin met metaalglans gekleurde diertjes, die dikwijls zijn voorzien van eenen kam op den staart en over een gedeelte van den rug. De mannetjes zijn voorzien van een keelzak, die dikwijls fraai gekleurd is. De lange pooten, waarvan de achterpooten altijd grooter zijn dan de voorpooten, dragen teenen en vingers van zeer ongelijke lengte, die, meestal schijfvormig verbreed, van onderen van dwarsplaatjes zijn voorzien. Zij zijn uitstekende klimmers, die huizen op boomen, in heggen, op muren en op den grond, en zich voeden met insekten.
Het geslacht anolis, dat eene goede honderd soorten omvat, komt in de warme streken van Amerika veelvuldig voor. Op de Antillen zijn zij zeer verspreid en komen vele soorten voor; op Curaçao Anolis lineatus, eene grijsachtig gekleurde soort met een witte streep, onder en boven zwart begrensd, loopende van de voorpooten tot aan de achterpooten.
Ook in Suriname worden verschillende soorten van het geslacht anolis gevonden, waarvan wij vermelden A. nitens, A. chrysolepis, A. lentiginosus en de verwante vorm: Norops auratus.
| |
Anona.
Fam. Anonaceae. Bosch-zuurzak, Sur. Verschillende wilde soorten van anona dragen dien naam, o.a. A. sphaerocarpa Splitg. Het zijn kleine boomen met nogal groote bloemen en vruchten, die veel kleiner en minder sappig zijn dan de echte zuurzak, maar er uiterlijk wel eenige overeenkomst mee vertoonen.
| |
Anona muricata
L. Fam. Anonaceae. kassima, arow. Zuurzak, sur. Sroesakka, n.e. Sorsaaka, ben. e. Sour sap, bov. e. Kleine boom met glimmende, leerachtige bladeren en groote, van stekelachtige wratten voorziene zeer saprijke vruchten. De bladeren zijn een volksgeneesmiddel tegen verhitting.
| |
Anona palustris
L. Fam. Anonaceae. Kajoeda, ben. e. Boom met eenigszins leerachtige bladeren; de vruchten ter grootte van een flinke citroen worden gegeten. Gekweekt.
| |
Anona reticulata
L. Fam. Anonaceae. Custard apple. bov. e. Heester met bladeren van 2,5 c.m. breedte en duidelijk voorzien van zijnerven; de vruchten zijn bijna glad ter grootte van een appel en worden gegeten.
| |
Anona squamosa
L. Fam. Anonaceae. Kaneelappel, sur. Skop appel, ben. e. Heester met eenigszins blauwachtig groene bladeren van 3 c.m. breedte; de vruchten, geheel bedekt met ronde wratvormige uitsteeksels, zijn aangenaam van smaak. In Suriname worden de bladeren, die aromatisch ruiken, bij slapeloosheid onder het hoofd gelegd.
| |
Anopheles.
Makoe en Kopro-prien, n.e. Araka hanijoe, arow., de malaria-muskiet, ook door den leek gemakkelijk te onderscheiden van andere muskieten (Culex) soorten. In rust liggen, bij de volwassen dieren, hoofd, borst en achterlijf in één lijn, die een hoek van 45-80° vormt met het vlak waartegen de mug zit, een gevolg van het toenemen in lengte der pooten van het eerste tot het derde paar; de pooten zijn langer dan het lichaam. Bij andere muggensoorten is minstens het achterlijf evenwijdig met dat vlak; de pooten zijn alle onderling even lang en van dezelfde lengte als het lichaam. Andere in het oog vallende verschillen bij de volwassen insecten zijn:
Anopheles: Tasters, voelers en steektoestel even lang, bij de wijfjes. Vleugels gevlekt.
Culex: Tasters korter dan de steektoestel. Vleugels ongevlekt.
De eieren van anopheles drijven steeds op het water, hetzij afzonderlijk of in kleine groepjes en niet tot schuitjes of vlotjes vereenigd als die van Culexsoorten. Anopheles-larven liggen evenwijdig aan de oppervlakte van het water omdat zij door twee luchtopeningen aan de rugzijde ademen. Culex-larven drijven met den kop naar beneden. Zij ademen door een buis aan het achtereind van het lichaam. Alleen de wijfjes zijn bloedzuigend.
Er zijn thans meer dan 100 verschillende anophelinen bekend. Volgens de onderzoekingen van Flu zijn de anophelessoorten, die in Suriname als overbrengsters der malaria een rol spelen: A. argirotar-sis, A. argyrotarsis, var. albipes en A. Lutzii. Van deze zou A. Lutzii van zeer ondergeschikte beteekenis zijn. Zie ook DIPTERA.
Litt. Van de zeer uitgebreide litteratuur noemen wij hier slechts de geschriften van twee Surinaamsche geneesheeren: J.J. Halfhide. Schadelijke insecten en dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen. Haarlem 1911. Zesde gedeelte. - P.C. Flu, Rapport omtrent malaria onderzoek in de binnenlanden van Suriname, 's-Grav. 1912.
| | | |
Ansjovis,
pap. Zie SARDINELLA ANCHOVIA.
| |
| | | | | |
Anthurium cordatum
G. Don. Fam. Araceae. Monkeytail, bov. e. Aronskelkachtige plant met bloemen geplaatst in een tot 0,6 c.m. breede en tot 2 d.m. lange bloeikolf, die voorzien is van een smal, in een punt eindigend schutblad; bladeren diep hartvormig; komt voor in de boschen.
| |
Antigonon leptopus
Hook. et Arn. Fam. Polygonaceae. Queens creeper, sur. Begissima, ben. e. Coralita, bov. e. Een veel gekweekte en hier en daar verwilderde klimplant met roze bloemen; de bladeren zijn hartvormig en loopen in een spitsen top uit.
| |
Antigua balsam,
bov. e. Zie RAUWOLFIA.
| |
Antillen.
Dr Karaïbische Zee wordt in het oosten en noorden afgesloten door een deel der W.-I.-eilanden, n.l. in het oosten door den boog der Kleine Antillen en in het noorden door drie der Groote Antillen: Puerto Rico, Haïti en Jamaica. Van de Kleine Antillen behooren aan Nederland de eilandjes St. Eustatius en Saba, half zoo groot als Wieringen, en het zuidelijk deel van St. Martin, in zijn geheel iets kleiner dan Vlieland, liggende in het gedeelte van de eilanden-groep dat men de bovenwindsche eilanden of eilanden boven den wind heet; in het deel van deze groep dat als benedenwindsche eilanden of eilanden beneden den wind bekend is liggen de tot Nederland behoorende eilanden Aruba, iets kleiner dan Texel, Curaçao, nog niet een derde van de grootte van Zeeland, en Bonaire, zoomede de eertijds Nederlandsche thans Britsche Aves-eilanden. De Nederlandsche kleine Antillen liggen in het gebied van den noordoostpassaat en ten noordoosten van de groep van Curaçao, vandaar dat zij behooren tot de zoogenaamde eilanden boven den wind, in de beteekenis van: aan de zijde vanwaar de wind komt. De eilanden voor de kust van Venezuala behooren uit dien hoofde tot de benedenwindsche eilanden. Zie verder op de namen der eilanden en bij AARDKUNDE.
| |
Antirrhoea acutata
D C. Fam. Rubiaceae. Koetsjaara, Plaaka sjikietoe, ben. e. Heestertje met sterk glimmende tot 3 c.m. lange langwerpige bladeren; deze staan in dichte bundels aan de einden der takken en de bloemen steken in schermachtige trossen iets boven de bladeren uit.
| |
Antonetti,
bon. Zie BIDENS.
| |
Antroea,
n.e. Zie SOLANUM MELONGENA.
| |
Anura.
VORSCHACHTIGE DIEREN of VORSCHEN. Orde van staartlooze Batrachia, gekenmerkt door een kort en dik lichaam van schijfvormigen of vierkant-elliptischen vorm, en vier pooten, van welke de voorste in de meeste gevallen veel korter zijn dan de achterste. De kop gaat zonder hals geleidelijk in het lichaam over.
Van de in den tegenwoordigen tijd levende Batrachia telt de orde der anura verreweg de meeste vertegenwoordigers; ongeveer 1200 soorten zijn over den aardbol verspreid. Door hun bewonderenswaardig aanpassingsvermogen aan veranderde levensomstandigheden vindt men de Anura op allerlei plaatsen: zoowel in het water, als levende op de boomen, of gravende in den grond. Ten behoeve van de voortplanting begeven bijna alle vorschachtige dieren zich in het water, waar de paring plaats vindt, en de eieren worden gelegd, die zich later tot de algemeen bekende vorschlarven (Duitsch: Kaulquappen, Fransch: Têtards) ontwikkelen. Enkele anura maken op dezen regel eene uitzondering, en begeven zich gedurende de paring niet in het water, maar paren op het land, in welke gevallen de ontwikkeling van de eieren ook eene geheel afwijkende kan zijn. Hoewel over 't algemeen de vorschen, nadat de eieren zijn gelegd, zich het verdere lot dier eieren weinig aantrekken, vindt men nu juist bij de niet in het water parende vorschen voorbeelden van zorg voor de nakomelingschap. Onder de in Suriname voorkomende Anura vindt men voorbeelden van dien ouderzorg bij soorten uit de geslachten: Phyllomedusa, Dendrobates en Pipa. (Zie de betreffende artikelen.)
Terwijl in Suriname de Anura in vele soorten en grooten getale voorkomen, is dit op de eilanden Curaçao, Aruba en Bonaire niet het geval. Van Curaçao is mij geen vorsch bekend, terwijl op Aruba Palidicula brachyops (Dori, pap.) voorkomt en Leptodactylus albilabris in één exemplaar door Prof. Martin werd meegebracht.
De eerste groep der Anura, in Suriname slechts door één soort vertegenwoordigd, is de groep der Aglossa. De tot deze groep behoorende vorschen onderscheiden zich door de afwezigheid van eene tong, doordat de Eustachiaansche buizen van de linker- en de rechterzijde zich vereenigen en samen in ééne opening achter in de mondholte uitkomen, en doordat de larven twee en niet één ademhalingsbuis (spiraculum) hebben. Tot deze groep behoort de Pipa(Pipa americana, n.e. Swampoe-todo). Deze soort, reeds in 1705 door Marie Sibylle Merian beschreven en afgebeeld, heeft ten allen tijde de aandacht getrokken, zoowel door haren zonderlingen vorm als door de eigenaardige wijze waarop de jongen zich ontwikkelen, nl. op den rug van het vrouwelijke dier (Zie PIPA AMERICANA).
De tweede groep der Anura, waartoe behalve de Pipa alle andere in Suriname voorkomende vorschen behooren, is de groep der Phaneroglossa welke zich onderscheiden door het bezit van eene tong, welke tong, bij vele vormen vóór in den mond vastgehecht, plotseling uitgeworpen kan worden en zoo als vangapparaat dienst doet. De Eustachiaansche buizen openen zich bij de Phaneroglossa op 2 plaatsen in de mondholte aan beide zijden van het gehemelte, en de ontwikkelde larven hebben slechts één adembuis (spiraculum), bij de meeste soorten aan de linkerzijde gelegen. Tot deze groep behooren de kikvorschen, boomvorschen en padden. Al naarmate den aard van het borstbeen worden deze vorschen in 2 onderafdeelingen verdeeld: bij de eerste afdeeling, die der Firmisternia is het borstbeen met de sleutelbeenderen onbewegelijk vergroeid; bij de tweede afdeeling, die der Arcifera, bestaat het borstbeen uit 2 helften, die gedeeltelijk over elkaar heen kunnen schuiven. Tot de eerste afdeeling behooren de familiën der Dendrobatidae en Engystomatidae; tot de tweede afdeeling de familien der Cystignathidae, Bufonidae en Hylidae.
De Dendrobatidae zijn kleine, op boomen levende kikvorschen, die zich onderscheiden door het volstrekte gemis van tanden en door de cylindervormige gedaante van de dwarsuitsteeksels van de heiligbeenwervels waar de beenderen van het bekken zijn bevestigd. In Suriname komen 2 soorten tot deze familie behoorende voor, nl. Dendrobates trivittatus en Dendrobatis tinctorius. (Zie DENDROBATES).
De Engystomatidae verschillen van de vorschen der vorige familie door den vorm van de dwarsuitsteeksels der heiligbeenwervels die niet cylindervormig maar verbreed zijn. Ook hier ontbreken de tanden zoowel in de bovenkaak als in de onderkaak. Tot deze familie behoort Phryniscus flavescens, een
| | | |
vrij slank kikkertje met kegelvormig toeloopenden kop en een vooruitstekenden snuit; het trommelvlies is niet zichtbaar. Voorpooten en achterpooten vrij slank, teenen voor een derde van de lengte met zwemvliezen voorzien, toppen van de teenen eenigszins verdikt, zonder dat er echter werkelijke zuignapjes gevormd worden. Huid glad. Helder geel met onregelmatige zwarte vlekken; op de buikzijde zijn deze donkere vlekken klein, en spaarzaam aanwezig.
De Cystignatidae hebben tanden in de bovenkaak en de dwarsuitsteeksels van het heiligbeen cylindrisch of zeer weinig verbreed. Onder de soorten, die in deze familie behooren, vindt men vormen die ook met onze Europeesche kikvorschen groote overeenkomst bezitten, maar er zich door den bouw van het borstbeen, dat hier bewegelijk en eenigszins verschuifbaar is, van onderscheiden. Het zijn de soorten van het geslacht Leptodactylus waarvan Leptodactylus pentadactylus eene in Suriname veel voorkomende soort is: bruin gekleurd met donkere vlekken, die op den rug dikwijls den vorm van dwarsbanden aannemen, en met een donkere streep voor en achter het oog. De vrij lange achterpooten met donkere dwarsbanden.
Eene andere tot deze familie behoorende soort is de todo djaki, n.e. of Pseudis paradoxa, welk dier voornamelijk bekend is door de reusachtige larven die 2 tot 2½ decimeter lang kunnen worden, en welke soort volgens Kappler jarenlang als larve in poelen leeft. (Zie PSEUDIS PARADOXA).
Ceratophrys cornuta is een prachtig gekleurd dier dat uiterlijk, door de korte achterpooten en den breeden kop eenige overeenkomst met eene pad heeft. Het leeft in vochtige bosschen op den bodem en wordt tot 1 decimeter lang. Het dier is op den rug prachtig groen, zwart en oranje gekleurd, met scherpe grenslijnen tusschen deze kleuren, en onderscheidt zich verder nog door de aanwezigheid van een vleezig, driehoekig aanhangsel aan het bovenste ooglid dat als een hoorntje boven het oog uitsteekt. Van daar de engelsche naam: horned toad.
De familie der Bufonidae, zonder tanden in de bovenkaak en met verbreede dwarsuitsteeksels aan het heiligbeen, is in Suriname alleen door soorten van het geslacht Bufo vertegenwoordigd; men treft er aan: Bufo granulosus, Bufo marinus, Bufo guttatus en Bufo typhonius. De laatstgenoemde soort is gekenmerkt: door eenen scherpen opstaanden kant boven en achter het oog naar de oorklier loopende, doordat de mondhoeken een meer of minder duidelijk uitstekende punt vormen en door een plooi aan beide zijden, doorloopende tot aan de korte achterpooten. Bufo marinus is de reuzenvorm onder alle padden. Zij is bruin gekleurd met roetkleurige vlekken, onderzijde witachtig met zwartachtige vlekjes. In 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden worden enkele reuzenexemplaren van deze soort bewaard, die door de verschillende Suriname-expedities werden buitgemaakt; het grootste exemplaar meet in rechte lijn van de punt van den snuit tot den anus: 24 centimeter.
De laatste familie is die der Hylidae, de echte boomvorschen, die zich onderscheiden door de aanwezigheid van tanden in de bovenkaak, door het bezit van verbreede dwarsuitsteeksels aan het heiligbeen, en doordat de uiterste vingerkootjes eindigen in een gebogen klauwtje, dat aan de onderzijde een vlak uitgebreid kussentje, het zuignapje, draagt. Deze zuignapjes stellen het dier in staat zich aan verticale, gladde oppervlakten vast te houden, en zoodoende tegen boomstammen en op bladeren te klimmen. Zij leven dan ook voornamelijk op boomen, en kunnen zich, hoewel vele soorten prachtig groen, blauw, geel, ja zelfs rood gekleurd zijn, door kleurwisseling zóó aan hunne omgeving aanpassen, dat het somtijds veel moeite kost de boomvorsch te midden van hare omgeving te ontdekken. Prof. Martin, die op zijne reis in Suriname Hyla-soorten in groot aantal, vooral op de klippen en de eilanden in de rivier waarnam, vermeldt als voorbeeld van mimicry bij deze dieren: ‘het oog moest er zich eerst aan gewennen hen te zien, zoo zeer bootsten zij de kleur na van de struiken of het mos waarop zij zaten. Tusschen de stammen, juist op de plaats waar die zich vertakken, zaten dikwijls grijsachtige, heldergroen gevlekte soorten, b.v. Hyla maxima Laur., en geleken dan met ingetrokken beenen opvallend veel op eene mosplant; anderen weer waren donkerbruin en hielden zich op tusschen bruingekleurde mossen op den grond.’
Veel meer dan met het oog ontdekt men de aanwezigheid der boomvorschen met het oor; want het lawaai dat deze dieren vooral 's nachts kunnen maken is verbazend. Kappler vermeldt van Hyla crepitans, dat dit dier in den regentijd, vooral als er velen samenzijn, een onuitstaanbaar rumoer kan maken, zóó zelfs dat men genoodzaakt was een gesprek af te breken, omdat men zijne eigene stem niet meer kon hooren. Het dier heeft eene onaangename knarsende stem, die zeer weinig overeenkomst heeft met de stemmen van de europeesche boom- of waterkikvorschen. De tot de Hylidae behoorende, in Suriname voorkomende vorschen, worden gerangschikt in de geslachten Hyla en Phyllomedusa die zich o.a. van elkaar onderscheiden doordat Hyla een horizontalen, Phyllomedusa een verticalen pupil heeft, terwijl bij Phyllomedusa zoowel de binnenste vinger, als de binnenste teen zich als een soort duim tegenover de andere vingers of teenen kan plaatsen. Het aantal soorten van Hyla in Suriname waargenomen is ongeveer een tiental, boomvorschen van verschillende grootte en van de meest verschillende kleur en teekening. Van Phyllomedusa komen in Suriname 2 soorten voor P. bicolor en P. hypochrondrialis. (Zie PHYLLOMEDUSA).
Litt. A. Kappler, Surinam, Stuttgart 1887. K. Martin, Bericht über eine Reise nach Niederländisch West-Indiën 1886. Th. W. van Lidth de Jeude, On a collection of Reptiles and Fishes from the West-Indies. Notes Leyden Museum, vol. IX 1887. Th. W. van Lidht de Jeude, Reptiles and Batrachians from Surinam. Notes Leyden Museum. vol XXV 1905. E.D. Cope, Contributions on the herpetology of TropicalAmerica. (Aruba, Leeward Islands). Proceedings American Philosophical Society, Vol. XXII 1885.
V.L.d.J.
| | | |
Apatoe.
Zie COUDREAU en CREVAUX.
| |
Apennootjes.
Zie AARDNOOT.
| |
Apinti,
n.e. Zie MUZIEKINSTRUMENTEN.
| |
Apiti,
n.e. Meelknoedels; een spijs.
| |
Apoda,
COECILIA'S. Tot de orde der Apoda, pootlooze Amphibien, behooren die Amphibien of Batrachia, die zich kenmerken dooreen worm vormig lichaam, bijna geheel zonder staart, daar de aarsopening bij deze dieren bijna aan het uiteinde van het lichaam is geplaatst, en door het gemis van ledematen. De huid is glad en slijmerig, met ringvormige plooien; bij vele soorten komen in die dwarsplooien dunne schubben voor, die echter onder de opperhuid verborgen zijn. De tong is rondom vastgegroeid, tanden komen voor in beide kaken en op het gehemelte.
| | | |
De oogen zijn klein en onder de huid verborgen.
Deze dieren, die oppervlakkig bezien veel op groote regenwormen gelijken, leven in vochtigen grond, waarin zij zich evenals de regenwormen ingraven; zij voeden zich met wormen, jonge slangen en andere kleine dieren. Alle Coecilia's hebben tusschen het oog en de neusopening eene holte of groef, waarin een eigenaardig tastorgaan is gelegen dat in- en uitgestulpt kan worden.
Bij de coecilia's vindt eene paring met in wendige bevruchting plaats; enkele soorten zijne ierleggend, andere levendbarend. De in O.-Indië en op Ceylon voorkomende Ichthyophis glutiosus legt, zooals de gebroeders Sarasin waarnamen, groote eieren in eene holte in de nabijheid van het water, terwijl het wijfje de eieren beschermt door er zich in ringen omheen te leggen. De jongen komen uit vóór zij hunne uitwendige kieuwen hebben verloren en leven dan in het water als larven, voorzien van een spiraculum of ademhalingsopening, aan beide zijden van den nek.
In Suriname komt eene soort zonder schubben in de huid voor: Typhlonectes compressicauda, een dier dat evenals de meeste Coecilia's een olijfbruine tot zwarte kleur heeft en tot 45 c.m. lang en 18 à 19 m.m. dik kan worden. Prof. Peters vond in een exemplaar van deze soort 6 zeer groote embryonen (één van 157 m.m. lang); waarschijnlijk is deze soort levendbarend en gaan de jonge dieren niet in het water, maar dadelijk op het land leven. Verder worden in Suriname nog 2 soorten van het geslacht Coecilia aangetroffen, die echter wel schubben onder de opperhuid bezitten; het zijn Caecilia tentaculata en Coecilia gracilis. De eerste soort is een vrij krachtig gebouwd dier, dat tot 590 m.m. lang en 20 m.m. dik kan worden en 135 tot 150 ringvormige plooien vertoont, die echter aan de rug- en de buikzijde onderbroken zijn; de tweede soort is veel slanker, kan tot 700 m.m. lang worden, maar heeft dan slechts eene dikte van 8 m.m. en onderscheidt zich verder door het bezit van 210-255 ringvormige, aan rug- en buikzijde onderbroken plooien. Van de voortplanting en de ontwikkelingsgeschiedenis van deze 2 soorten is niets bekend.
V.L.d.J.
| |
Apoekoe,
n.e. Zie BAKROE en WINTI.
| |
Apoetoe-hoedoe,
n.e. Zie SWARTZIA.
| |
Appelsina,
sur. Zie CITRUS AURANTIUM.
| |
Apprisina,
n.e. Zie CITRUS AURANTIUM.
| |
April-bloem,
sur. Zie JONOPSIS.
| |
Ara.
Aldus noemt men groote, langgestaarte, van een zwaren bek voorziene papegaaien. Twee groote soorten A. ararauna en A. macao, waarvan de eerste van boven blauw van onderen geel en de tweede grootendeels rood met geel, blauw en groen op de vleugels is, komen algemeen voor en zijn in Suriname bekend als Raaf (resp. Tjamba-raaf en Bok-raaf.) Zij voeden zich met harde zaden van hooge boomen, in welker kruinen zij zich buiten den broedtijd in troepen ophouden. Een kleinere, meer groene soort met rood aan het voorhoofd, aan de onderzijde van vleugels en staart, A. severa, wordt Raafparkiet genoemd. (Zie ook PSITTACIDAE.)
| |
Araceae.
Zie PLANTENGROEI (Suriname).
| |
Arachis hypogea
L. Fam. Leguminosae. Pienda, sur., n.e. en ben. e. Pea nut, bov. e. Kruidachtige plant met gele bloemen en 4-tallige bladeren. De vruchten, korte peulen, worden in den grond rijp; van daar de naam aardnoot. Zie verder AARDNOOT.
| |
Arakakka,
n.e. Eene zwarte zwampschildpad, waarschijnlijk Cinosternum scorpioides.
| |
Aramides cayanea.
Kriko, n.e., Kotaka, arow. en kar. Een tot de Rallidae of Ralachtigen behoorende vogel, over het algemeen olijfachtig bruin van kleur. Het vleesch is smakelijk en de vogel, die zeer schuw is, wordt gewoonlijk in vallen (krafanga's, zie aldaar) gevangen. De naam kriko is afgeleid van het geluid dat de vogels maken.
| |
Aramus scolopaceus.
Aves. Aramidae. Kraanral; Kraukrau, n.e. Bruine vogels, met ronde, witte vlekken op den hals. Zij voeden zich met schelpdieren, houden daarbij de schalen met de pooten vast, terwijl zij met den snavel het dier er uithalen, waarbij de punt van den snavel dikwijls verdraaid wordt, Om hun smakelijk vleesch wordt er veel jacht op gemaakt. De naam Kraukau is een nabootsing van het stemgeluid dezer vogels.
| |
Araneina,
eene orde der spinachtige dieren, waartoe alle eigenlijke spinnen (n.e. anansi) behooren. Zij onderscheiden zich doordat het ongelede achterlijf slechts door een steeltje met het kopborststuk is verbonden en door het bezit van gifklieren in de bovenkaken, waaraan zich een klauwvormig bewegelijk eindlid bevindt. De onderkaken zijn meer pootvormig, vooral bij het wijfje; bij het mannetje eindigen deze in een lepelvormig orgaan, dat van een blaasvormig aanhangsel is voorzien, hetgeen vóór de paring met sperma wordt gevuld. Aan het uiteinde van het achterlijf bevinden zich vier of zes spintepels, uit talrijke buisjes bestaande, waaruit een kleverig vocht wordt afgescheiden, dat aan de lucht tot de bekende spindraden verhardt. Zij ademen door longen, die met luchtbuizen verbonden zijn. De spinnen zijn echte roofdieren; zij slaan de bovenkaken in de kleine dieren, die zij tot voedsel gebruiken, vergiftigen deze en zuigen ze dan uit. Grootere soorten kunnen den menschen pijnlijke beten toebrengen; slechts in hoogst zeldzame gevallen zijn de gevolgen noodlottig.
Echte spinnen vindt men overal in groot aantal. Eenige der meest bekende in West-Indië voorkomende soorten mogen hier worden genoemd. Van de groote tropische vogelspinnen of Mygalidae komen hier o.a. voor Mygale Blondii en Mygale avicularia. De eerste, in Suriname krabspin of jager genoemd, is de grootste. Zij is bruin van kleur en gemakkelijk te herkennen aan de gele strepen op de pooten. Zij leeft in den grond, waar zij gangen bewoont, welke tot ruim 60 cm. lang kunnen zijn. Deze gangen zijn met een dicht zijdeachtig spinsel bekleed; tegen den avond ligt de spin aan den ingang op de loer naar buit. Door hare onderaardsche levenswijze is zij niet gemakkelijk in gaven toestand te bekomen, daar zij zich bij de minste beweging van den bodem in hare gang terugtrekt en dan moet worden uitgegraven. Meer bekend is de tweede soort, de overal voorkomende boschspin. Zij is kleiner en donkerder van kleur en maakt overal, op boomen, in huizen, tusschen de bladeren der ananas, haar spinsel, dat uit een langen zak bestaat, welke 25 tot 30 cm. lang is. Het gewone voedsel dezer vogelspinnen bestaat uit insecten en niet uit vogels. Toch kunnen zij deze wel bemachtigen en doen dit ook bij uitzondering; door vele natuuronderzoekers werd dit ontkend, maar door de waarnemingen van Bates en anderen is het feit niet meer aan twijfel onderhevig. Nog andere soorten dezer zeer moeilijk van elkander te onderscheiden spinnen worden in Suriname aangetroffen. De lange haren der vogelspinnen laten gemakkelijk los en brengen op de menschelijke huid hoogst onaangename gewaarwordingen te weeg.
Zeer fraaie spinnen vindt men onder de spring- | | | | spinnen of Saltigradae, met korte pooten en dikke dijen, die eene springende beweging veroorloven, waardoor zij zich van hunne prooi meester maken. Ook de zeer snel loopende wolfspinnen of Citigradae maken geen netten. Zij zijn in Suriname o.a. vertegenwoordigd door de geslachten lycosa en ctenus. Tot het geslacht lycosa behoort de bekende Zuid-Italiaansche tarantula, wier beet wel pijnlijk is, maar volstrekt niet de verdere ziekteverschijnselen ten gevolge heeft die er aan worden toegeschreven.
Tot de trechterspinnen of Tubitelariae, die zakof buisvormige spinsels vervaardigen, behoort het merkwaardige tweeoogige - de overige spinnen hebben zes of gewoonlijk acht oogen -, tot het tropisch Amerika beperkte genus nops, waarvan onze Nederlandsche araneoloog Van Hasselt eene soort van het eiland Bonaire beschreef.
De Retitelariae of kruisnetspinnen maken zeer onregelmatige webben, waarvan de draden zich in allerlei richtingen kruisen. Vertegenwoordigd zijn hiervan o.a, de geslachten pholcus en latrodectus. Tot dit laatste genus behoort de bekende Curaçaosche oranje-spin, Latrodectus curaçaviensis. Deze kleine zwarte spin met oranje vlekjes op het achterlijf komt algemeen voor op Curaçao, Aruba en Bonaire en wordt aldaar om zijne giftige beten zeer gevreesd. Vermoedelijk isook hier weder overdrijving in het spel.
De bekende langpootige spin, die algemeen in de huizen wordt aangetroffen en welke men er gaarne ziet, daar zij de kamers van kakkerlakken en andere lastige insecten bevrijdt, is de Heteropoda venatoria. Zij behoort tot de Laterigradae of krabspinnen, zoo genoemd om hun zijwaartschen gang. Zij spinnen slechts enkele draden. Het mannetje dezer soort is veel kleiner dan het wijfje, hetgeen trouwens bij vele spinnen het geval is.
Zeer talrijk, gelijk overal, zijn de vertegen woordigers der radspinnen of Orbitelariae, welke de bekende loodrecht hangende radvormige webben vervaardigen. Hiertoe behoort eene groote donker-groene Nephila-soort met bruine pooten, die zeer groote netten maakt, waarin zich een aanzienlijk aantal spinnen bevinden, die elk een gedeelte van het web tot hun vangterrein gebruiken, althans volgens de mededeeling van Kappler. Verder talrijke soorten van epeira, waartoe ook de gewone Europeesche kruisspin behoort en van gasteracantha, bontgekleurde spinnen met eene harde chitinehuid, plat, hoekig lichaam, waarvan de hoeken veelal in kortere of langere stekels uitloopen.
Litt.: Dr. A.W.M. van Hasselt, Studiën over de zoogenaamde Curaçaosche oranjespin, Tijdschrift voor Entomologie, Deel III, 1860; idem, Études sur le genre Nops, T.v. Ent., Deel XXX, 1887; idem, Araneae exoticae, quas collegit, pro Museo Lugdunensi, J.R.H. Neervoort van de Poll, insulis Curaçao, Bonaire et Aruba, T.v. Ent., Deel XXX, 1887; idem, Araneae exoticae, quas collegit, pro Museo Lugdunensi, Dr. H. ten Kate Jr. in Guayana Hollandica (Suriname), T.v. Ent., Deel XXXI, 1888.
H.J.V.
| |
Aranja,
n.e. Zie CITRUS VULGORIS.
| |
Aransa,
n.e. Zie PSIDIUM POLYCARPON.
| |
Arapappa,
kar. en n.e. Zie ARDEIDAE.
| |
Araroetoe,
n.e. Zie MARANTA ARUNDINACEA.
| |
Aratta hoedoe,
n.e. Zie MINQUARTIA.
| |
Aratta kaka pepré,
n.e. Zie CAPSICUM FRUTESCENS.
| |
Archieven.aant.
In het Rijksarchief te 's Gravenhage berust een rijke verzameling van archivalia betreffende Suriname en de Nederlandsche Antillen Ons bestek laat niet toe daarvan een uitvoerigen inventaris mede te deelen. Het zij genoeg hier een opgaaf te verstrekken van de belangrijkste documenten.
| |
I. Suriname.
Resolutiën van besturen en commissiën in Nederland
van de Directeuren der Societeit van Suriname (1683-1795), het West Indisch Comitté (1795-1800), de Commissie betrekkelijk de middelen van defensie der West Indische koloniën (1796-1798) den Amerikaanschen Raad (1801-1806).
Resolutien van bestuurscolleges in Suriname:
van Gouverneurs en Raden (1669-1796, 1798-1801), van dezelfden over de verdediging der kolonie (1790-1795, 1798-1801), het Provisioneel gouvernement en de Raden van politie en crimineele justitie (1802-1803), Gouverneur en Raden van politie crimineele en civiele justitie (1776), Gouverneur en Raden van politie en crimineele justitie (1795), het Hof van civiele justitie (1737-1794, 1803), den Kleinen of Conferentieraad (1778-1795), de Commissarissen van kleine zaken (1768-1794), de Houtvesters en Commissarissen van de gemeene weide (1773-1794), de Commissarissen der nieuwe Wees-, curateele- en onbeheerde boedelkamer (1788-1794), den Grooten gecombineerden krijgsraad (1799).
Uitgaande brieven naar Suriname:
van de Directeuren der Societeit (1683-1785), den Stadhouder en de Prinses Gouvernante (1750-1752), het West-Indisch Commité (1795-1798), den Amerikaanschen Raad (1801-1802).
Ingekomen brieven uit Suriname:
bij de Directeuren der Societeit (1683-1794), het West Indisch Committé (1795-1799), den Amerikaanschen Raad (1802-1804).
Brieven van en aan de Commissie tot de defensie der West-Indische koloniën (1796-1798).
Brieven uitgegaan van en ingekomen bij den Gouverneur Bloys van Treslong (1802-1804).
Dagregisters gehouden in Suriname: van het voorgevallene op het fort Zelandia en in het stedeken Paramaribo (1688), van de gouverneurs 1728-1738, 1742-1779, 1802-1811.
Dagregisters van het kommandement over 's lands schepen in de Surinamerivier onder Pieter Hartsinck (1796-1799), en stukken betreffende die schepen, wekelijksche rapporten, krijgsraadzaken enz. (1797-1799).
Rapporten omtrent Suriname (omstreeks 1796).
Monsterrollen (1696-1790), en soldijboeken van Suriname (1760-1795, 1797), en militaire soldijboek van Nederlandsch West-Indië (1802 vlg. jaren).
Surinaamsche plakkaten (1683-1794).
Requesten aan het West-Indisch Commité en den Amerikaanschen Raad om gronden in Suriname, gedeeltelijk met beslissingen dienaangaande (1799-1800, 1802 en vlg. jaren).
Stukken betreffende de plantages Gelre en Sinabo (1702-1785) en over aflossingen en interestbetalingen van plantages enz. in de kolonie (1808-1809).
Stukken aangaande de troepen in de West-Indische koloniën (1802-1804).
Rekening-courant-boeken van de in 1802 naar Suriname uitgezonden troepen.
Hospitaal-grootboek van Suriname en Leeningsboek van de artillerietransporten aldaar (1796).
Rekeningen en maandstaten van ontvangsten en uitgaven (1795-1800), alsmede cassaboeken en balansen van Suriname (1797).
| | | |
Facturen en cargalijsten van Suriname (1795-1803).
| |
II. De Nederlandsche Antillen.
Resolutiën van besturen in Nederland:
van de Vergadering van Negentien der Oude West-Indische Compagnie (1623-1624, 1629-1645, 1647, 1648, 1653, 1654, 1660-1665), de Kamers Amsterdam (1635, 1636, 1668-1674) en Zeeland (1626-1646, 1658-1674), de Vergadering van Tien van de Nieuwe West-Indische Compagnie (1674-1791), de Kamers Amsterdam (1674-1791) en Zeeland (1674-1791), de Directie ad interim der West Indische Koloniën en den Raad der Koloniën in de West Indiën (1791-1795), en de Departementen Amsterdam en Zeeland van genoemden Raad (1792-1795), het West-Indisch Committé (1795-1800), den Amerikaanschen Raad (1801-1806), de Ministeriën van Koloniën onder koning Lodewijk Napoleon (1806-1810).
Resolutiën van bestuurscolleges in de Nederlandsche Antillen:
resolutiën en sententien (1704-1743), benevens sententiën van Curaçao (1748-1758), resolutiën van politie van Gouverneur en Raden aldaar (Juni-October 1794, 1796-1799, 1800-1803);
van het Hof van justitie en politie te St. Eustatius (Juli-December 1792).
Uitgaande brieven naar de Nederlandsche Antillen:
van de Vergadering van Negentien (1629-1657); de Vergadering van Tien o.a. naar Curaçao (1722-1784), en naar Amerika, waarin stukken en brieven betreffende Curaçao (1687-1791); de kamer Amsterdam naar Amerika (1675-1791) en naar Curaçao (1687-1690, 1773-1786); den Minister naar Curaçao (1806-1807);
van de Vergadering van Tien naar Amerika o.a. naar St. Eustatius en Saba (1687-1690) en naar Amerika, waarin brieven betreffende St. Eustatius en St. Martin (1691-1791); de kamer Amsterdam naar St. Eustatius (1687-1690) en naar Amerika, waarin brieven betreffende St. Eustatius en St. Martin (1675-1791); de kamer Zeeland naar St. Eustatius en Saba (1675-1789); de kamers Amsterdam en de Maze naar St. Eustatius en St. Martin (1773-1791); den Raad der Koloniën naar St. Eustatius en St. Martin (1792-1795); het West Indisch Committé naar St. Eustatius en St. Martin (1795-1800); den Minister naar St. Eustatius en St. Martin (1806-1810) en naar Saba (1809-1810).
Ingekomen brieven uit de Nederlandsche Antillen:
uit Curaçao bij de Vergadering van Tien (1700-1778, 1783, 1784, 1786, 1788), bij dezelfde, de kamer Amsterdam en den Raad van Koloniën (1732-1740, 1742-1754, 1759-1771, 1776-1794); bij de Kamer Amsterdam (1700-1733, 1735-1788, 1791) en secreete brieven (1680-1689); bij de Kamer Zeeland (1700-1791); bij de kamer de Maze (18de eeuw); bij den Raad der Koloniën (1792-1795) en het Departement Zeeland van genoemden Raad (1792); bij het West Indisch Committé (1796-1802 en 1776-1799); bij den Amerikaanschen Raad (1800-1807);
uit St. Eustatius en St. Martin bij de Vergadering van Tien (1697-1778), bij dezelfde en de Kamer Amsterdam en gedeeltelijk aan de Kamers Zeeland en de Maze (1723, 1733-1761, 1772-1775, 1777-1779); bij de Kamer Amsterdam (1722-1791); bij de kamer Zeeland (1688-1715; 1717-1770, 1780-1791); bij de Kamer de Maze (1774-1791); bij den Raad der Koloniën (1792-1794) en (uit St. Eustatius) bij de Departementen Amsterdam en Rotterdam van genoemden Raad (1790-1794); bij het West Indisch Committé (1796-1800); bij den Amerikaanschen Raad (uit St. Eustatius,) (1802-1805,) (uit St. Martin) (1800-1806).
Register van uitgaande en ingekomen brieven van Curacao (September 1804-December 1805).
Register vau uitgaande brieven naar Curacao (1806).
Journalen gehouden in de Nederlandsche Antillen:
te Curaçao (1795-1798, 1804-1806), te St. Eustatius (1802-1803).
Soldijboeken van de Nederlandsche Antillen:
van Curacao (1675-1794, 1802), van St. Eustatius (1726-1752, 1754-1779, 1802-1810).
Lijsten van de familie- en hoofdgelden te Curacao (1786-1791).
Wekelijksche rantsoenlijsten van Curacao (1757-1758, 1766-1777, 1785-1791).
Negotie-grootboeken en journalen van St. Eustatius (1777, 1789).
Rekening van St. Martin (1741-1742).
Zie verder het opstel van Mr. A. Telting, ‘Bronnen voor de geschiedenis van de Nederlandsche Antillen in het Rijksarchief te 's Gravenhage’, in het Eerste en Vierde Jaarlijksch Verslag van het Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap, gevestigd te Willemstad, Curaçao. Amst. 1897 en 1900.
| |
Archieven in Suriname.
In 1899 werden de archieven van Suriname, welke in die kolonie zelve worden bewaard, door wijlen Mr. A. Telting in opdracht van den Minister van Koloniën geordend en beschreven.*) De heer Telting heeft daarbij als grens tusschen oud- en nieuw archief aangenomen het jaar 1828, wijl toen Suriname met onze West-Indische eilanden tot één kolonie onder één Gouverneur-Generaal werd vereenigd, hetwelk gewichtige veranderingen in het bestuur ten gevolge had. Aan den inventaris, door Mr. Telting opgemaakt van hun inhoud en als bijlage bij zijn verslag aan den Minister van Koloniën in Mei 1900 overgelegd (zie Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven, 1900, blz. 907) is het volgende overzicht ontleend:
Politieke notulen van Gouverneur en Raden (1696-1711, 1719-1826), alsmede Defensie-notulen (1790-1816) en Resolutiën en Instructiën van dezelfden (1684-1811).
Boek van aanstellingen en commissiën (1812-1828) en Poinctenboeken (1768-1804) van Gouverneur en Raden; alsmede copieboeken van publicatiën en plakkaten van dezelfden en van den Gouverneur (1688-1699, 1748-1763, 1774-1793).
Resolutiën van den Gouverneur (1816-1819, 1821-1828).
Dagregisters gehouden door den Gouverneur (1728 | | | | -1738, 1742-1799, 1802-1816) en op de Gouvernementssecretarie (1786-1800).
Uitgaande brieven van Gouverneur en Raden aan de Staten-Generaal, de Directeuren der Societeit van Suriname, het West Indisch Committé en anderen (1688-1756, 1759-1764, 1771-1800, 1821-1828); alsmede van den Gouverneur aan de Directeuren der Societeit, het West Indisch Committé en den Minister (1756-1768, 1771, 1773-1799, 1816-1828) den Raad-controleur van finantiën (1818-1822) en aan diversen (1780-1783, 1809-1816, 1828).
Bijlagen van de uitgaande brieven van den Gouverneur aan de Directeuren der Societeit en het West Indische Committé (1745-1753, 1755-1799) en als bijlagen door hem overgezonden militaire stukken, monsterrollen, betaallijsten en weeklijsten (1775-1793, 1795-1799).
Ingekomen brieven bij Gouverneur en Raden van de Staten-Generaal, de Directeuren der Societeit, het West Indisch Committé en anderen (1688-1698, 1700-1709, 1712-1717, 1724-1733, 1735-1798); bij den Gouverneur van de Directeuren der Societeit, het West-Indisch Committé en den Minister (1753-1754, 1756-1757, 1764-1798, 1815-1828).
Bijlagen van de bij den Gouverneur ingekomen brieven van de Directeuren der Societeit en den Minister (1729, 1742-1763, 1768-1795, 1812-1828).
Brieven van en aan het Hof (1733-1749).
Politieke requesten aan Gouverneur en Raden (1707-1710, 1712, 1729-1815), requesten aan den Gouverneur (1723-1725, 1734, 1736-1738, 1740-1741, 1743-1816, 1820-1821) alsmede requesten aan den Gouverneur van de Joodsche natie (1722, 1755-1770, 1772-1802).
Memoriën, rapporten, berichten enz. aan Gouverneur en Raden (1719-1795).
Lijsten van de opgaven van het getal blanken en slaven, roosterwerken enz. (1729-1740, 1770-1801) en van de weggeloopen slaven (1766-1778).
Recueil van de privilegiën aan de Portugeesche Israelieten van Suriname verleend (1746).
Blijkens een lijst, omstreeks 1899 door den heer B.H. Juda te Paramaribo opgemaakt en in handschrift berustende op het Rijksarchief te 's Gravenhage, bevat het archief der Nieuwe Wees-, Curateele- en Onbeheerde boedelkamer aldaar in hoofdzaak de volgende bescheiden:
Notulen van de kamer (1788-1794, 1796-1799, 1802-1814, 1816-1820, 1822?-1836) en kladnotulen (1799-1814, 1830) alsmede notulen van het Departement der onbeheerde boedels (1836-1860).*)
Dagregister van de vergaderingen der Kamer (1790-1793).
Poinctenboeken van de Kamer (1794-1796, 1805-1811, 1828), van het Departement der Onbeheerde boedels (1836-1848, 1861-1865) en van den Pupillairen Raad of het Weesdepartement (1836-1839, 1841-1848).
Dictums van het Hof waarin ook dictums van de kamer (1791-1809, 1820-1860), van het College wegens de zaken der Nieuwe Wees-, Curateele- en Onbeheerde boedelskamer (1802-1809, 1811, 1813, 1814, 1816-1819).
Expeditieboek (1840-1860).
Copieboeken van uitgaande brieven (1789-1849, 1852-1873), het Departement der onbeheerde boedels (1833-1852) en het Weesdepartement (1839-1871).
Uitgaande stukken van de kamer (1833-1836), het Departement der onbeheerde boedels (1836-1843, 1852-1860) en het Weesdepartement (1839-1847, 1855-1857).
Advertentieboeken (1817-1869).
Ingekomen stukken bij het College van commissarissen (1836-1840, 1844-1850, 1853-1860).
Memoriën (1801-1832).
Request-, rapport- en berichtboeken (1791, 1819-1836).
Registers van boedels welke aan het civiele departement zijn aangegeven (1789-1829).
Register van overledenen wier boedels aan de kamer zijn gedevolveerd (1788-1855).
Registers van overledenen voor aangiften bij de boedelkamers (1840-1843, 1861-1873) en voor opgaven aan dezelfde (1843-1866).
Aanteekeningboek van de doodgravers (1840-1845).
Rapport- of notulenboeken van de ambtenaren omtrent hun verrichtingen ten sterfhuize (1788-1826, 1831-1834, 1836-1842).
Journalen van kladnotulen (1788-1823, 1823-?)
Weesregisters van de kerkelijke gemeenten: Hervormd (1837-1869), Luthersch (1839-1868), Moravische broeders (1846-1870), Roomsch Katholiek (1839-1865), Nederlandsch Israëlietisch (1839-1865) en algemeen (1857-1877).
Nominatieve staat van opgaven van de weezen der verschillende gemeenten (1857, 1869-1874).
Register van notulen en resolutiën van het Hof van Politie en Crimineele Justitie in zaken de Weeskamer aangaande (1789-1814).
Finantieele journalen van het Departement der onbeheerde boedels (1797-1806, 1811-1837, 1841-1876), het Weesdepartement (1821-1828, 1833-1878) en de Nederlandsch Israëlietische weeskamer (1778-1838).
Journalen van ontvangsten en uitgaven van het Departement der onbeheerde boedels en het Weesdepartement (1857-1861).
Kasboeken van de kamer (1788-1809, 1812-1813, 1815-1833), het Oude departement (1796?, 1801-1844), de tot liquiditeit gebrachte boedels (1825), de Weglooperskassa (1798-1799, 1815-1820), het Departement der onbeheerde boedels (1836-1851, 1854), het Weesdepartement (1814-1815, 1820-1860), de Nederlandsch Hoogduitsch Israëlietische gemeente (1839-1857), de Portugeesch Israëlietische gemeente (1839-1858).
Klad-kasrekeningen van welk departement blijkt niet, (1806, 1808-1809, 1834-1841, 1843-1851).
Verantwoordingsrekeningen van de Nederl. en Portugeesch Israëlietische Weeskamer (1817-1839).
Kasrekeningboek der kerkgerechtigheden en 's lands gasthuis (ongedateerd).
Grootboeken van de kamer (1788-1830, 1836-1879), van het Oude departement (1794-1814) en het Weesdepartement (1831-1878).
Inventarisatieboeken (1816-1818, 1829-1836).
Venduboek (1821-1824).
Boeken van uitstaande pretensiën (1795-?, 1818-1821, 1822-?, 1843-1851, enkele ongedateerd).
Loopersboeken bevattende opgaven van rekeningen aan loopers medegegeven ter incasseering (1834-1877).
Annotatiën wegens verhuring van vaste effecten (1858-1868).
| | | |
Verkoopings-, verhurings- en annotatieboeken (1816-1828, 1847-1858).
Lastboeken bevattende opgaven door de crediteuren van de bedragen hunner vorderingen (1836-1871).
Roosterboek van hypothecaire schuldvorderingen (ongedateerd).
Arrestboek (1813-1820).
Recepissenboeken van notarissen (1870-1877) en practizijns (1827-1838, 1845-1876).
Repartitieboeken van de kamer (1791-1828, 1832-1865) en het Departement der onbeheerde boedels (1838-1876).
Verder wordt blijkens een globale lijst, omstreeks 1899 opgemaakt door den heer J.L.J. Wolff, ambtenaar bij het kantongerecht te Paramaribo en in handschrift berustende op het Rijksarchief te 's Gravenhage, in het gerechtsgebouw te Paramaribo bewaard een groote hoeveelheid rechterlijke archieven.
Zij loopen vrij geregeld van de eerste helft der 18de eeuw tot ongeveer 1868, in welk jaar een nieuw reglement op de rechterlijke organisatie werd vastgesteld. In hoofdzaak bestaan zij uit de volgende bescheiden:
Notulen (1746-1814, 1816-1867), met aparte bijlagen over 1829-1855.
Diverse missives (1718-1739).
Brievenboeken (1783, 1820-1832), van het Gerechtshof (1833-1859), van den Griffier (1853-1859).
Uitgaande brieven (1816-1820).
Civiele rollen (1745-1752, 1754-1773).
Ordinaris rol (1773-1817, 1819-1866).
Gepriviligieerde rollen (1773-1796, 1798-1803, 1805-1816, 1818-1819, 1822-1825, 1827-1862).
Concurrentierollen (1753-1773, 1776-1782, 1784-1821, 1823-1863).
Collegerol (1744-1747, 1754-1755, 1763-1813).
Politieke rol (1743-1744, 1768-1785, 1787-1801).
Politieke en crimineele rol (1809-1811, 1814-1828).
Fiscaalsrol (1801-1807, 1809-1812, 1815-1818, 1824-1828).
Attestatiën en interrogatoria (1716, 1737-1744, 1746, 1748, 1750-1751, 1753, 1760-1768, 1770-1806, 1808-1868).
Verbalen (1816-1848).
Civiele processen (1734, 1737-1739, 1745-1821).
Civiele vonnissen (1821-1869).
Requesten (1721, 1724-1725, 1729, 1731-1734, 1777-1798, 1806, 1809-1812, 1814-1817, 1819-1869).
Requesten om mandamenten van executie (1816, 1819-1841, 1843-1868) en om strikte gijzeling (1816-1858).
Dicta (1819-1852, 1854-1866).
Willige condemnatiën (1766-1793, 1796, 1800-1807, 1820-1866).
Presentatiën (1775-1787, 1789-1793, 1795-1802, 1806-1807, 1816-1827).
Vonnissen en verstekken (1793-1828).
Crimineele procedures (1719-1793, 1795, 1798-1809, 1811-1815, 1818-1869).
Protocol van adressen der curators en sequesters (1782-1797).
Sequestratie-notulen (1852-1860, 1863).
Journaals (1757-1758, 1789-1799, 1802-1853).
Notulen van het Militair gerechtshof (1821-1822, 1824, 1832-1847, 1854-1858, 1864-1868).
Vonnissen (1832-1850, 1853), alsmede appelboeken) 1839-1857), brievenboek (1840), requisitieboek (1849-1859) en transportrollen (1853-1864) van het Militair Gerechtshof.
| |
Archieven op Curaçao.
De oude archieven van Curaçao van vóór 1816 bleken bij het onderzoek, aldaar in 1899 door wijlen Mr. A. Telting ingesteld, in hoofdzaak te bestaan uit:
Registers van resolutiën en sententiën van Gouverneur en Raden (1727, 1739 en volgende jaren),
Plakkaatboeken (1722, 1737-1801) gevolgd door de publicatiën van Gouverneurs en Raden,
Requesten (1771 vlg. j.),
Protocollen van transporten enz. (1722 vlg. j.),
Registers van hypothecatie (1729, 1737 vlg. j.),
Venduboeken (1779-1780, 1798-1799, 1803 vlg. j.). Zie het Verslag van Mr. A. Telting aan den Minister van Koloniën van 10 Mei 1900, in de Verslagen omtrent 's Rijks oude archieven over 1900 ('s Gravenhage 1901. blz. 905).
Van de archieven van St. Eustatius, St. Martin en Saba, die n.l. welke daar ter plaatse berusten, zijn zulke opgaven of inventarissen hier niet bekend.
Wat die van St. Eustatius betreft, vindt men in het Eerste jaarl. Verslag v.h. Geschied-, Taal-, Land- en Volkenkundig Genootschap te Willemstad op Curaçao. Amst. 1897. Bijlagen M en N, een paar verklaringen van 1781 en 1784 omtrent de vernieling en verwoesting daaraan toegebracht door den orkaan van 1772 en de Engelschen in 1781.
J.d.H.
| |
Ardeidae.
REIGERS. Omstreeks een 20 soorten reigers komen in Suriname voor. De grootere soorten van de geslachten ardea en herodias zijn bekend onder den naam van Koemawari; gewoon zijn Ardea cocoi en Herodias egretta. De kleinere soorten noemt men sabakoe of tjon-tjon (arow. Saoemaroe); algemeen zijn de blauwe Sabakoe, Florida coerulea en de witte Sabakoe, Leucophoyx candidissima, welke laatste de zoog. aigrettes levert en door de vele vervolgingen in aantal vermindert. Een reigersoort met breeden, schuitvormigen snavel is de arapapa, Cancroma cochlearia, de schuitbekreiger, die langs de kust niet zeldzaam is. Een fraaie soort met opvallend dunnen snavel is Agamia agami. Een veel voorkomende nachtreiger is Nycticorax naevius. Een gelijk onze roerdomp een brullend geluid makende vorm is Tigrisoma lineatum, onder den naam van tijgervogel (n.e. Tigri fowroe, arow. Hanalli) bekend. Een interessante en zeldzame kleine roerdomp is Zebrilus pumilus.
| |
Ardisia coriacea
Sw. Fam. Myrsinaceae. Bastard cinnamon, bov. e. Heester met tot 15 c.m. lange langwerpige leerachtige bladeren; de bloemen staan in dichte pluimvormige trossen, de vruchten hebben de grootte van peperkorrels. Groeit in de bosschen.
| |
Areisi,
n.e. Zie ORYZA en RIJST.
| |
Arepa,
pap. Van kleine maïs (Sorghum) gebakken koeken, het hoofdvoedingsmiddel van de bevolking op Aruba. (Martin, Westindische Skizzen, blz. 131)
| |
Argemone mexicana
L. Fam. Papaveraceae. Duivelsvijg, sur. Polber sjimaron, Tjimi tjimi, ben. e. Thistle, bov. e. Halfheester met veervormig gelobde bladeren, voorzien van scherpe stekelpunten; groote gele bloemen; zeer stekelige vruchten. De zaden bevatten veel olie. Het gele melksap wordt wel tegen huidziekten gebruikt. De plant staat als zeer giftig bekend.
| |
Ariba,
pap. beteekent op of boven; wordt gebruikt bij het aangeven van de windrichting; banda ariba = boven districten. (zie ook ABAUW).
| |
Aristida americana
L. Fam. Gramineae.
| | | |
Mulegrass, bov. e. Gras met zeer lange samengestelde bloeiwijze; de aartjes voorzien van driedeelige naalden; de bladeren zijn smal en dikwijls opgerold. Een zeer algemeen gras, dat op alle Ned. W.I. eilanden voorkomt.
| |
Aristolochia surinamensis
Willd. Fam. Aristolochiaceae. Koni- koni-bita of Loangoe-tetei, n.e. Een slingerplant of liaan met gelobde bladeren en eigenaardig-gevormde donkerbruine bloemen. Kooksel der gedroogde stengels wordt wel aan kraamvrouwen gegeven; een alcoholisch aftreksel tegen malaria.
| | | |
Armantje,
pap. Zie ALBULA.
| |
Armenzorg en weezenverpleging.
suriname. In Suriname heeft de armoede, na 1900 grootere afmetingen aangenomen door de ziekte in de cultures, en daardoor is er voor de kolonie een tijd van malaise aangebroken. Daar de landbouw de voornaamste bron van bestaan is, heeft de groote achteruitgang van dit bedrijf natuurlijk een zeer nadeeligen invloed op de stoffelijke welvaart van het geheele volk, zoodat het aantal armen tegenwoordig grooter is dan vroeger. Neemt men hierbij in aanmerking, dat elk land ten allen tijde zijn behoeftigen en gebrekkigen heeft gehad, verder dat de inlander, die niet spaarzaam van aard is, er langs den weg der opvoeding geleidelijk toe gebracht moet worden om wat meer te denken aan den ouden dag, en eindelijk, dat verschillende maatschappelijke verhoudingen en toestanden, zooals de menigvuldig voorkomende ongehuwde staat van moeders, die alleen voor de kinderen moeten zorgen, de armoede in de hand werken, dan is het duidelijk, dat er in Suriname tegenwoordig veel te doen is op het gebied der armenzorg. (Armoede on Armenzorg in Suriname door H. Buiskool, Paramaribo 1911).
Ook hier geldt de meer gebruikelijke verdeeling der armenzorg in drieën, n.l. in particuliere, kerkelijke en staats- of burgerlijke armenzorg. De eerste heeft door de afschaffing der slavernij in 1863 een groot deel van hare beteekenis verloren. Vóór de emancipatie werden oude slaven beschouwd als familieleden, die, zoodra ze niet meer konden werken, door hun meester verzorgd werden. Ook na 1863, gedurende de jaren van het staatstoezicht en later, werkte dit nog na, doch langzamerhand stierf het uit. Wel bestaat nog eenigszins het gevoel, dat voor trouwe bedienden in hun oude dagen gezorgd moet worden, maar de families, die zich van deze taak kwijten, behooren tegenwoordig tot de uitzonderingen. Door de afschaffing der slavernij verminderde de particuliere armenzorg alzoo belangrijk, aangezien de meester ontheven werd van de verplichting om in de behoeften van zijn oude en gebrekkige slaven, die thans vrije mannen en vrouwen waren geworden, te voorzien. De zorg voor behoeftige lieden uit de laagste lagen der bevolking kwam voortaan meer voor rekening van de verschillende kerkgenootschappen en van het burgerlijk bestuur. De particuliere armenzorg van onzen tijd bestaat slechts in het in stilte steunen van behoeftige familieleden en vrienden, het geven van aalmoezen aan de deur en het teekenen op lijsten. Particuliere gestichten of inrichtingen, waarin armen onder dak worden gebracht en verpleegd, bestaan in Suriname niet. Evenmin particuliere vereenigingen van armenzorg.
De kerkelijke armenzorg is van beteekenis. De verschillende gemeenten, de Hervormde, de Evangelisch-Luthersche, de Nederlandsch Israelietische, de Portugeesch Israelietische, de Roomsch-Katholieke en de Evangelische Broedergemeente hebben alle hare diaconieën en doen wat in haar vermogen is. De fondsen zijn echter volstrekt niet voldoende voor eene behoorlijke zorg. Alleen de Nederlandsch Israelitische gemeente, die maar klein is en een armenfonds met ruim 60.000 gld. kapitaal bezit, kan afdoede in de behoeften harer armen voorzien. Ook de diaconie der Hervormde gemeente heeft eenige bezittingen, doch de opbrengst hiervan is verre van toereikend. De overige gemeenten bezitten hoegenaamd geen fondsen. Alle armbesturen trachten door het houden van collecten in de godsdienstoefeningen en langs de huizen, door het innen van vaste jaarlijksche contributiën en door het geven van liefdadigheidsconcerten zooveel mogelijk geld te krijgen voor hunne armen. De Hervormde en de Ev. Luthersche gemeente bezitten naast hare diaconieën nog diaconessen-vereenigingen, welke vooral werken voor stille armen. Bovendien is de Hervormde gemeente in 1905 begonnen met het bouwen van de zoogenaamde Diaconie-stichting, waarin behoeftige gemeenteleden een vrije kamer krijgen en eenige verdere ondersteuning. Kerkelijke gestichten voor armenzorg zijn er overigens in de kolonie niet. De zorg van kerkwege bestaat in het verschaffen van eene geldelijke ondersteuning, welke niet meer dan 5 gulden per maand bedraagt - alleen bij de Israëlietische gemeenten is ze beduidend hooger; verder in het verstrekken van naturalia, doch gewoonlijk tot een gering bedrag. In 1910 zijn de beide Israëlietische gemeenten begonnen om door het houden van geldloterijen hare inkomsten voor de armen te vermeerderen. Misschien zal dit voorbeeld door een of meer der Christelijke armbesturen worden gevolgd. -
De burgerlijke of staatsarmenzorg is tot nu toe bedoeld als, en ook geweest, de aanvulling van de particuliere en kerkelijke zorg. Na 1863 is haar arbeidsveld echter aanmerkelijk grooter geworden, niet alleen doordat, zooals boven gezegd, door de emancipatie de particuliere armenzorg sterk verminderde, maar ook doordat als gevolg dier emancipatie weldra vreemde werkkrachten uit China, Engelsch Indië en later ook uit Ned. Indië moesten worden ingevoerd. De zorg voor zieke, gebrekkige of oude immigranten is geheel voor rekening van het Gouvernement van Suriname.
De burgerlijke armenzorg der kolonie heeft tegenwoordig tot taak ondersteuning te verleenen aan:
| 1. | degenen, die door hunne respectieve gemeenten wegens gebrek aan middelen niet voldoende geholpen kunnen worden, |
| 2. | degenen, die, omdat ze niet willen voldoen aan de zedelijke eischen, door hunne gemeenten gesteld, door deze niet geholpen mogen worden, |
| 3. | degenen, die tot geen enkel kerkgenootschap behooren, |
| 4. | de behoeftige immigranten en de weezen van immigranten. |
Bovendien betaalt het gouvernement de zorg voor de behoeftige weezen der inboorlingen, doch de verzorging en opvoeding van dezen is opgedragen aan de verschillende kerkgenootschappen tegen vaste jaarlijksche subsidies. Voor de Ev. Broedergemeente, de Roomsch-Katholieke, de Hervormde en de Ev. Luthersche gemeente bedragen deze subsidies respectievelijk 10.000 gld; 10,000 gld., 7100 gld. en 3500 gld. per jaar. Bij de weezenzorg huldigen de gemeenten over 't algemeen het systeem der gezinsverple- | | | | ging; alleen de R. Katholieke gemeente heeft naast de gezinsverpleging ook twee weeshuizen, een voor jongens en een voor meisjes.
De burgerlijke armenzorg werkt op de volgende wijze:
| a. | door opneming in het Weldadigheidsgesticht 's Landsgrond Boniface, een gesticht voor ouden en invaliden, |
| b. | door buitenvoeding, verstrekt door bovengenoemd gesticht, |
| c. | door buitenbedeeling, eene alimentatie in geld, verstrekt door bovengenoemd gesticht; deze buitenbedeeling wordt slechts aan enkele personen gegeven, |
| d. | door vrije geneeskundige hulp aan behoeftige zieken zoowel in de stad als in de districten, |
| e. | door subsidie aan de erkende kergenootschappen voor de verzorging hunner weezen (zie boven sub. 4), |
| f. | door verpleging van krankzinnigen en lepreuzen in de gouvernementsgestichten Wolfenbuttel en Groot-Châtillon, en door het subsidieeren der particuliere (kerkelijke) lepreuzengestichten Gerardus Majella (R.K.) en Bethesda (Prot.) |
| g. | het alimenteeren en plaatsen van weezen van immigranten door den Agent-Generaal, |
| h. | door begrafenissen van landswege. |
Het waarschijnlijk reeds vóór het midden van de 18e eeuw in het leven geroepen Weldadigheidsgesticht 's Landsgrond Boniface, dat verreweg de grootste plaats inneemt in de burgerlijke of staatsarmenzorg, biedt huisvesting en verpleging aan oude en gebrekkige lieden, zoowel inboorlingen als immigranten, die niet meer in eigen onderhoud kunnen voorzien. Aan het hoofd staat een Directeur-Armenverzorger, die door den Gouverneur wordt benoemd op voordracht van het College van Regenten, aan welk college het toezicht op en de behartiging der burgerlijke armenzorg onder a, b, c, en e genoemd is opgedragen. Het College bestaat uit 8 leden en werkt overeenkomstig een huishoudelijk reglement, dat echter verouderd is en noodzakelijk spoedige wijziging behoeft. De regenten worden ook benoemd door den Gouverneur uit een voordracht van drie, door het College zelf gedaan.
Het gesticht 's Landsgrond Boniface is in de laatste jaren wel aanmerkelijk verbeterd, doch voldoet nog niet aan de eischen, die tegenwoordig aan een dergelijk gesticht gesteld mogen worden. Voeding en verzorging laten niets te wenschen over, maar de huisvesting is van dien aard, dat het zonder belangrijke verandering wel een gesticht zal blijven alleen voor behoeftigen uit de allerlaagste volksklassen. De verpleegden moeten met hun drieën wonen in een kamertje, dat tevens voor slaapplaats dient, óf ze verblijven, zooals de Chineezen, in zalen, die met haar houten britsen en haar berging van allerlei goederen niet aantrekkelijk zijn. In de laatste jaren bedroeg het aantal bewoners dezer inrichting vrij geregeld tusschen 250 en 300.
Armen van meer burgerlijke afkomst en opvoeding, waardoor ze in dit gesticht niet thuis behooren, of gezinnen, die niet kunnen worden opgenomen, ontvangen ondersteuning in den vorm van buitenvoeding, sub. b genoemd. Deze buitenvoeding bestaat in een wekelijksch rantsoen eetwaren, welk rantsoen ongeveer de waarde van 1,25 gld. heeft. In den laatsten tijd varieerde het aantal uitgereikte rantsoenen tusschen 100 en 125 per week.
Vrije geneeskundige hulp kan worden verkregen op een bewijs van onvermogen, afgegeven door den commissaris van politie of door het districtsbestuur. In de stad Paramaribo wordt de hulp verleend door de wijk-geneesheeren, buiten de stad door de districts-geneesheeren. Onder vrije geneeskundige hulp is ook begrepen kostelooze opneming in het Militair Hospitaal te Paramaribo.
De Roomsch Katholieke Gemeente en de Protestantsche Vereeniging tot verpleging van lepralijders in de kolonie Suriname ontvangen voor de verpleging der zieken, die in de gestichten Gerardus Majella en Bethesda worden opgenomen, van het Gouvernement eene jaarlijksche tegemoetkoming van 250 gld. per verpleegde. Zoowel de gouvernementsinrichtingen Wolfenbuttel (krankzinnigen) en Groot-Châtillon (lepralijders) als de beide kerkelijke lepreuzengestichten nemen kosteloos op. In 1912 werden in de Gerardus Majella 115 en in Bethesda 51 zieken verpleegd.
De kolonie Suriname bezit nog geen armen wet. Wat tot nu toe op het gebied der armenzorg te regelen viel, werd telkens bij besluit of resolutie van den Gouverneur geregeld. In 1910 is echter door gouverneur Fock aan het College van Regenten opgedragen om de grondbeginselen eener armenwet te willen aangeven en zoo mogelijk een ontwerp van wet te maken.
(Over armenzorg in vroeger tijden zie Essai historique, Param. 1887, II, 29. - J.D. Kunitz. Surinam und seine Bewohner, Erfurt 1805, blz. 174-188.- Wolbers, Geschiedenis van Suriname, Amst. 1861, blz. 446-448.).
curaçao. De directe staats- of burgerlijke armenzorg op de W.I. Eilanden heeft den vorm van geneeskundige hulp aan onvermogenden, verpleging van ‘hulpbehoevende vrijgemaakten’ - wier aantal jaarlijks minder wordt - en onderstand aan behoeftigen door bemiddeling van de districtsmeesters en de politie. Daartoe worden op de begrooting van de verschillende eilanden jaarlijks de noodige sommen uitgetrokken.
De kerkelijke armenzorg wordt bestreden uit de kerkelijke fondsen der verschillende kerkgenootschappen.
De weezenverpleging is toevertrouwd aan de kerkgenootschappen, die daartoe jaarlijksche subsidiën van het gouvernement ontvangen, bedragende voor de Vereenigde Prot. Gemeente ƒ1500.- voor de R.K. Gemeente ƒ4700., voor de Ned. Prot. Isr. Gemeente ƒ500. De R.K. Gemeente heeft twee weeshuizen, dat van Santa Rosa voor jongens en dat van Welgelegen voor meisjes.
H. B.
| |
Armina.
De noordelijkste waterval in de Marowijne. In de nabijheid van dien val lag in vroegere jaren de militaire post Armina.
| |
Aroewepi,aant.
n.e. Oeroeëbe, arow. Kleine, platte kralen door de Boschnegers in den handel gebracht, door hen of - hetgeen waarschijnlijker is - door de Indianen vervaardigd uit een plantenzaad of ook uit schelpen. De kraaltjes worden met een centerboor, die door een draad in snel wentelende beweging wordt gebracht, uit den zaadwand of de schelp gesneden; de boor maakt tevens het gaatje voor den draad. Aroewepi-snoeren worden in Suriname duur betaald.
Volgens dr. Van Cappelle, De Binnenlanden van het District Nickerie, Baarn 1903, blz. 181 zou ook een niet nader aangeduid plantje, waarvan de tegen boomstammen opkruipende stengel zoo taai en buigzaam is dat de Indianen er kralen voor halssnoeren aan rijgen, aroewepi genoemd worden.
| |
| | | | | |
Arrabidaea inaequalis
Baill. Fam. Bignoniaceae. Oeman barklak, n.e. (Syn. BIGNONIA INAEQUALIS P.D.C.) Een boom waarvan de Indianen de binnenste schorslaag gebruiken als cigaretten papier. Een aftreksel van de schors is volksgeneesmiddel tegen dysenterie.
| |
Arrawarra-kreek,
vereenigt de Wajombo met de Nickerie, waardoor de vaart binnendoor van Paramaribo naar Nickerie mogelijk is. Daar de reis gewoonlijk over zee gemaakt en deze rivierverbinding weinig gebruikt wordt heeft men in de Arrawarra-kreek, die niet breed is, veel last van omgevallen en niet opgeruimde boomen.
| |
Arrowroot,
sur. en bov. e. Zie MARANTA en AARDVRUCHTEN.
| |
Arthrogastra,
eene orde van spinachtige dieren, waartoe wij al die vormen brengen, welke achter het kopborststuk een duidelijk geleed achterlijf vertoonen. Zij ademen of door longen of door luchtbuizen.
De meest bekende der tot deze orde behoorende dieren zijn de van groote scharen voorziene schorpioenen (n.e.: kroektoe téré. arow.: ananaka), welke zich hoofdzakelijk daardoor van hunne verwanten onderscheiden, dat bij hen het achterlijf duidelijk uit twee deelen bestaat, n.l. het eigenlijke achterlijf, dat uit zeven breedere en de staart, welke uit zes smallere geledingen gevormd is. Het laatste staartlid is aan het uiteinde van een krommen stekel voorzien, en bevat een groote gifklier. Met dezen stekel brengen zij zeer pijnlijke wonden toe. Hoewel het gevaar, dat deze steken opleveren, veelal zeer overdreven wordt voorgesteld, kunnen de groote tropische soorten onder bijzondere omstandigheden zelfs voor menschen doodelijk zijn. De Surinaamsche soorten schijnen echter niet tot de gevaarlijkste te behooren, trouwens ook niet tot de grootste. Kappler zegt dat de steek lang niet zoo boosaardig is als die van wespen, mieren en stekelige rupsen en ook bij een paar gevallen, gedurende de jongste expedities (Saramacca en Toemoekhoemac) bleek het weinig gevaarlijke der door schorpioenen veroorzaakte wonden. Hunne prooi, uit allerlei insecten en spinnen bestaande, wordt door een steek onmiddellijk gedood. Voornamelijk drie soorten schijnen in Suriname voor te komen; de grootste, Brotheas maurus, is zwartbruin met gelen buik en heeft dikke scharen. Deze soort komt zeer veelvuldig voor onder spanen van in het bosch gezaagd wanehout. De beide andere, tot het geslacht tithyus behoorend, zijn lichter van kleur; eene daarvan, de kleinste, wordt veel in huizen aangetroffen, terwijl de andere ook een bosch bewoner is. Bij den steek dezer minder gevaarlijke soorten is inwrijving van warme olijfolie met laudanum vermengd een zeer aan te bevelen middel.
Eene tweede familie vormen de schorpioenspinnen of Phrynidae die in zooverre meer tot de spinnen naderen, dat hier het smallere staartgedeelte van het achterlijf ontbreekt. Ook deze zijn vergiftig, maar bij hen staat de gifklier met de monddeelen in verband. Slechts drie der vier pootenparen dienen tot de voortbeweging, het eerste paar is van een lang en dun zweepvormig aanhangsel voorzien. In de Surinaamsche bosschen is Phrynus lunatus geene zeldzaamheid.
Ook de bekende van zeer lange pooten voorziene hooiwagens of Phalangidae en de kleine op schorpioenen gelijkende bastaardschorpioenen of Chernetidae (beide groepen zonder het smalle staartgedeelte) behooren tot deze orde. Bij deze laatste valt de scheiding tusschen kopborststuk en achterlijf minder duidelijk in het oog. Volgens Kappler komt een tot laatstgenoemde groep behoorend diertje voor onder de dekschilden van den bekenden tapijtboktor (Zie COLEOPTERA).
H.J.V.
| |
Artocarpus incisa
L. Fam. Moraceae. Broodboom, Otaheite broodboom, sur. Njamsi-brédébon, n.e. Breadfruittree, bov. e. Boom met groote, tot bijna de helft van het blad ingesneden bladeren. De groote verzamelvrucht wordt in alle tropische streken gegeten. Van het kleverig melksap wordt vogellijm gemaakt. De plant werd in 1792 door Bligh uit Tahiti naar Jamaica overgebracht en is van daar verspreid.
| |
Artocarpus integrifolia.
Fam. Moraceae. Kastanje broodboom, sur. Siri-brédébon, n.e. De zeer groote vrucht is met stekels bezet. De op kastanjes gelijkende pitten worden gekookt of geroosterd gegeten.
| | | |
I. Aardrijkskundig overzicht.
| |
Naam, Ligging, Vorm en Grootte.
Evenals bij Bonaire en Curaçao, bestaat omtrent oorsprong en beteekenis van den naam geen zekerheid. Naar Prof. Ernst te Caracas aan Prof. Martin mededeelde, is de naam van Indiaanschen oorsprong. Op oude kaarten en in oude werken wordt het eiland ook wel Oruba en Orua genoemd, hetgeen wellicht is afgeleid van Oirubae en zooveel als metgezel (n.l. van Curaçao) zou beteekenen. Deze afleiding klinkt in elk geval waarschijnlijker dan die van de Spaansche woorden Oro hubo (= Er was eens goud), daar de aanwezigheid van dit metaal noch aan de oudste, Indiaansche, bewoners, noch aan de eerste ontdekkers, de Spanjaarden, bekend is geweest. De naam is dus zeer waarschijnlijk overgenomen van de oorspronkelijke Indiaansche bowoners, wier taal wel is waar ook de afleiding ora (schelp) en oubao (eiland), dus schelpen-eiland toelaat.
Tot voor korten tijd ontbrak een nauwkeurige kaart op wetenschappelijken grondslag, zoodat die bij het artikel van C.G.C. Reinwardt, op de schaal 1:72000, uit het jaar 1820 dagteekenend, als de beste gold. Sedert 1913 bezitten wij ook van Aruba een topografische kaart, op de schaal 1:20000.
Aruba behoort, evenals Curaçao (zie aldaar), tot de Eilanden onder den Wind en is het meest westelijke van de rij eilanden, welke zich ten N. der kust van Z.-Amerika tegenover de republiek Venezuela uitstrekt. Het ligt met zijn Z.O. punt vrij wel op dezelfde breedte als de N. punt van Curaçao. Volgens de nieuwe topografische kaart strekt zich het eiland uit tusschen 12° 37′ 26″ (iets ten N. van Kudarebe) en 12° 24′ 35″ N. Br. en tusschen 70° 4′ 13″ (Manchebo) en 69° 52′ 12″ (ten N. van Punt Basora) W.L. v. Gr. Van Curaçao is het ongeveer 60 K.M. verwijderd, van het dichtst bijgelegen punt van Venezuela, n.l. Kaap St. Roman, ruim 25 K.M. In de ligging van Aruba bestaat nochtans een groot verschil met die van Bonaire en Curaçao. Deze beide laatste eilanden liggen op den smallen onderzeeschen rug, die zich, ongeveer evenwijdig met de kust van Venezuela, van Orchilla in het O. tot de W. punt van Curaçao in het W. uitstrekt en waarvan behalve deze twee eilanden, de nog verder westwaarts gelegen Aves- en Roqueseilanden de eenige deelen zijn, die boven den zeespiegel uitsteken. Deze rug daalt zoowel naar het N., als naar het Z. steil tot grootezeediepten af, zoodat tusschen hem en de kust van Venezuela diepten van 1000-2000 M. gepeild worden. De genoemde kust heeft een veel minder steile helling, daar zij in een hoogstens 200 M. diepe vastelandsbank overgaat,
| | | |
aan wier rand eerst groote diepten optreden. Aruba nu is gelegen op een naar het N. vooruitspringend gedeelte van die bank, vlak bij haar rand langs de diepe zee. Dientengevolge is Aruba door een diepe geul van Curaçao, doch slechts door een ondiepe zee van het vasteland gescheiden, waarvan o.a. een groote vischrijkdom in laatstgenoemd water het gevolg is.
Aruba heeft een massieven vorm, strekt zich, evenals Curaçao, van het N.W. naar het Z.O. uit en komt, afgezien van de vele insnijdingen bij laatstgenoemd eiland, daarmede in gedaante vrijwel overeen; alleen de aanzienlijke versmalling in het midden van Curaçao komt bij Aruba niet voor. Naar het Z.O. wordt dit laatste geleidelijk smaller en eindigt in Punt Basora. In het W. eindigt de Z. kust bij Zandpunt (Marchebo der Topogr. kaart) en buigt hier vrij plotseling naar het N.W. om. Van Poos di Noord af is de breedte van het eiland zeer gering.
De lengte van het eiland bedraagt ruim 30, de grootste breedte nauwelijks 9 K.M., de oppervlakte volgens W.L. Loth (Kaart van Suriname) 165, volgens Nijman ongeveer 200 v. K.M.
| |
Kustgesteldheid.
Een meer nauwkeurige beschrijving der kust is eerst mogelijk geworden na het verschijnen der topografische kaart van dit eiland in 1913.
Het westelijk gedeelte der N. kust is zeer steil en door de hevige branding, onder den invloed van een krachtig waaienden Passaatwind, gevaarlijk voor de scheepvaart. Dit steile karakter behoudt zij tot vlak bij Rincon. Alleen waar waterloopen de kust bereiken, treden kleine zandige vlakten (zandvelden) op. Op sommige plaatsen is het kalkgesteente, dat overigens hier de kust omzoomt, door de kracht der golven geheel ondermijnd en ziet men het schuimende water binnen het land opspatten. Zelfs stijgt even voorbij Daimane (Daimari) bij ruw weer op eenige honderden meters van de kust af het zeewater als een witte damp uit een ronde opening in den rotsbodem omhoog, terwijl men in de nabijheid dier opening de branding in de diepte hoort bulderen. Hier en elders heeft de zee grotten in het weeke gesteente uitgeschuurd en wandelt men over een natuurlijke brug van kalksteen, waaronder de brandingsgolven, die men reeds van uit de verte kan zien naderen, de een na de ander verdwijnen, zonder dat men ze weer ziet terugkeeren. Een geheel ander karakter vertoont het oostelijk gedeelte der N. kust van Rincon af tot voorbij de Boca Grandi, waar de wind duinen heeft opgeworpen en men zich in een Hollandsch duinlandschap verplaatst kan denken. Verder naar het Z. is de kust weer steil. De Z. kust is laag tot Kaas di paloma, van hier tot Oranjestad steil en bijna over hare geheele lengte, ongeveer van Oranjestad tot San Nicolas, door een rij smalle, lang gerekte koraalriffen vergezeld, ongeveer een kilometer van de kust verwijderd en slechts enkele meters breed. Vroeger waren deze riffen met een dichte vegetatie van rhizophoren (hier mangelboomen geheeten) begroeid, thans zijn deze grootendeels uitgeroeid. Tusschen de riffen geven eenige openingen toegang tot het daarachter gelegen, ondiepe water alsmede tot de weinige inhammen, welke deze kust vertoont, zooals de Paardenbaai bij Oranjestad, het Spaansch lagoen bij Balashi, die het verst in het land opdringt, de Kommandeursbaai bij Sabaneta en de Baai van San Nicolas. Van Oranjestad af is de kust weer overwegend laag en zandig, behalve in het uiterste N., waarnogmaals eens teil gedeelte optreedt. Aan het steile gedeelte der N. kust treft men een aantal kleine inhammen aan, zooals de Boca Cura, de Poos di Noord, de Boca Chitikoe, Boedoei, Boca Mahos, die van Andicouri, Daimari, Boca Ketoe, de Baai dos Playos en de Boca Prins. Evenmin als aan het stcile gedeelte, komen aan het lage belangrijke insnijdingen voor; als de grootste kunnen die van Rincon en de Boca Grandi genoemd worden. Vooral de Baai van Andicouri wordt geprezen wegens haar natuurschoon. Overigens vertoonen de baaien der N. kust alle vrijwel hetzelfde karakter. Zij vormen steeds het uiteinde van een W.-O. of N.O. gerichte kloof, die gedurende het grootste deel des jaars droog ligt en alleen in den regentijd water afvoert, zijn aan de zeezijde door een duin afgesloten en bezitten op den achtergrond een zandige vlakte, waarin ondiepe plassen liggen, bewoond door talrijke krabben. De kloven zelf zijn begroeid met een zeer weelderige, maar lage mangrove-vegetatie. Verder landwaarts in rijst het bergland van Aruba met steile helling omhoog.
| |
Bodemvorm.
Naar de hoogte kan Aruba in drie deelen gesplitst worden, n.l. een berg- of juister heuvellandin het midden met een plateau-landschap ter weerszijden daarvan. Het eerstgenoemde begint in het N. vlak bij de kust, welke daardoor haar steil karakter vertoont, en strekt zich hier uit van den Matividiri tot Fontein, van waar de grens tegen het oostelijke plateau in Z.W. richting tot het Spaansch lagoen loopt, terwijl de grens tegen het westelijke plateau wordt aangeduid door een lijn van deze lagune naar den Matividiri getrokken. Het heuvelland bezit derhalve een driehoekige gedaante en bereikt zijn grootste hoogte in het Z.W., vlak bij de westgrens ervan, waar de Jamanota (188 M.), de Ariekok (176M), de Seroe Boonchi (146 M.) ten Z.O. en N.O. van het plaatsje Santa Cruz, als geïsoleerde toppen omhoog rijzen. Van deze hoogten helt de bodem steil naar het W. en Z., geleidelijk naar het O. en N. af. Door langere, O. of N.O. loopende, en kortere, W. en Z.W. gerichte insnijdingen wordt de oppervlakte in een groot aantal lage ruggen en kopjes verdeeld, die zich gemiddeld niet hooger dan 30 M. boven den bodem der insnijdingen verheffen. Door de geringe diepte dezer dalen valt de geleding van het landschap slechts weinig in het oog. De dalen zetten zich ten deele voort tot de N. kust en vormen er de genoemde kleine inhammen, ten deele worden zij door duinvorming van de kust gescheiden, zoodat zij doodloopen.
Het westelijke plateau heeft een zeer weinig ingesneden oppervlakte, helt langzaam van het N.O. naar het Z.W. af en bezit nergens meer dan 60 M. absolute hoogte. In het midden van het eiland is het bezet met een aantal heuvels, evenwel niet hooger dan 20-30 M. Op andere plaatsen is het bedekt met reusachtige rotsblokken, hier huizenhoog opgestapeld, elders aan de Drentsche hunebedden herinnerende. Zij zijn het resultaat der erosie en moeten beschouwd worden als de laatste overblijfselen van vroegere heuvels. Eenmaal was dit plateau door de zee bedekt, en niet alleen is volgens Martin de oude strandlijn duidelijk te volgen, maar de rotsblokken vertoonen ook nog de werking der branding in den vorm van uithollingen, die alle naar het W. gekeerd zijn, zoodat de vorm der blokken dikwijls aanstrandstoelen doet denken. Aan den Z.W. rand van dit plateau ligt de kegelvormige Hooiberg (175 M.), van waaruit een lage heuvelrug in Z.O. richting naar het Spaansch lagoen loopt. Deze heuvelrug is feitelijk opgelost in een aantal toppen, zooals de Seroe Bientoe en de Canashito, welke een boog vormen,
| | | |
waarvan de bolle zijde naar de zee is gekeerd en die hier het plateau begrenst. Een soortgelijke rug, echter niet zoo sterk opgelost in afzonderlijke deelen, vormt de grens van het plateau in het N. Hij begint bij den Kristalberg (94 M.), loopt eerst naar het N.W. en wel langs de N. kust, neemt vervolgens een westelijke richting aan en eindigt bij Karamajeta, niet ver van de W.-kust. Als afzonderlijke, hoewel weinig in het oog vallende toppen kunnen in dezen rug de Calabasa, de Poos di Noord en de Alto Vista (71 M.) genoemd worden. In het W. ontbreekt een scherpe grens en gaat het plateau geleidelijk in een lage kustvlakte over, evenals aan de N. kust tusschen den Kristalberg en Matividiri. Geheel in het N. vindt men, als laatste uitloopers van het heuvelland, de Annaboli (28 M.) en de Hudishibana (25 M.).
Een geheel ander karakter vertoont het oostelijke plateau, dat zich tot het uiterste Z.O. van het eiland uitstrekt en van het midden naar de randen regelmatig in hoogte afneemt. Deze bedraagt gemiddeld 30 M., ten N. van den Seroe Colorado echter slechts 15 M., terwijl deze heuvel zelf, de eenige zelfstandige verheffing in dit gedeelte van het eiland, 41 M. absolute hoogte bezit en steil in het O. en Z.O. naar de zee afdaalt. Aan de N. zijde rijst de rand van het plateau steil op boven een lage, doch zeer smalle kustvlakte; aan de Z. zijde is de helling veel minder steil en de kustvlakte aanmerkelijk breeder. Zij strekt zich hier langs de geheele Z. en W. kust uit tot Westpunt en beslaat bij Oranjestad de grootste oppervlakte.
| |
Wateren.
De geringe oppervlakte van het eiland en het droge klimaat hebben groote waterarmoede tengevolge. Permanente rivieren komen er niet voor, afgezien van een onbeduidend beekje bij Fontein aan de N. kust, wel talrijke kloofvormige dalen, rooien geheeten (van het Spaansche arroyo = beek), die alleen in den regentijd water afvoeren, overigens, soms jaren achtereen, droog liggen. De wanden dezer dalen vertoonen doorgaans zachte hellingen; alleen hier en daar, zooals in de Rooi Fluit en vooral in de Rooi van Cachoentie, zijn deze steil. Nochtans bewijzen de aanzienlijke puinmassa's en de somtijds groote rotsblokken in het bovenste gedeelte, alsook de geweldige zandmassa's aan het uiteinde der dalen, dat in den regentijd groote hoeveelheden water er door naar zee stroomen. In de behoefte aan water moet dus voorzien worden door putten en regenbakken, evenals op Curaçao (zie aldaar). Dat door het graven van diepe putten het watergebrek, althans ten deele, verholpen zou kunnen worden, bleek in 1911, toen door de bevolking van het 4de distrikt een put van ongeveer 40 M. diepte werd gegraven, die goed drinkwater leverde. Minder diepe putten werden in de laatste jaren door de Regeering, zoowel als door particulieren, in vrij groot aantal aangelegd. Afzonderlijke vermelding verdienen nog een drietal bronnen van bitterwater, n.l. te Andicouri, Paloe Marque (bij Fontein) en bij den berg Sjetti. Achter Fort Zoutman loopt een warme bron in zee uit, waarvan het water tegen rheumatische aandoeningen wordt aanbevolen.
| |
Bevolking.
De oorspronkelijke bewoners van het eiland waren Indianen. Terwijl volgens Martin de thans nog in gering aantal aldaar levende Indianen van den vasten wal afkomstig zijn, de oorspronkelijbevolking van het eiland zelf daarentegen uitgestorven is, zou deze volgens Nijman nog niet geheel verdwenen zijn en Indianen ‘van zuiver ras’ nog op Aruba voorkomen. Omstreeks 1816 woonden er nog 564 echteIndianen. Overblijfselen van deze bewoners en hunne oude beschaving worden er in elk geval nog vrij talrijk aangetroffen, veel talrijker dan op Bonaire en Curaçao (zie OUDHEDEN II). Zuivere Negers, op Aruba geboren, treft men er niet meer aan, en ook onder de kleurlingen speelt het negerelement geen overwegende rol. Het aantal zuivere nakomelingen van Blanken is eveneens gering, bedroeg volgens van der Gon Netscher in 1868 slechts 1½% der bevolking; want ook onder de aanzienlijkste familiën hebben vele Indiaansch bloed opgenomen. In veel hoogere mate is zulks het geval geweest bij de lagere volksklassen, en zoo vertoont dan ook verreweg het grootste gedeelte der bevolking een Indiaansch type, n.l. een kleinen, doch elastischen lichaamsbouw, sluik, blauwzwart haar en regelmatige, somtijds werkelijk mooie gelaatstrekken. Opvallend is vooral de lichte huidskleur van vele kinderen. Daarnaast treft men ook individuen aan, die meer aan het negertype herinneren, met krachtigen lichaamsbouw, dikke lippen en grove jukbeenderen benevens kroes haar.
In zeden en gewoonten valt weinig of geen verschil waar te nemen tusschen de verschillende elementen der bevolking. De gezondheidstoestand is gunstig te noemen. Tering komt er nagenoeg niet voor, lepralijders worden er niet gevonden, venerische ziekten zijn er zeldzaam en gele koorts treedt slechts een enkele maal op. Alleen slecht voedsel en ongezond drinkwater doen in sommige jaren het sterftecijfer abnormaal hoog stijgen. Overwegend belijdt de bevolking den R. Katholieken godsdienst. De algemeene omgangstaal is het Papiamento, dat hier echter meer Indiaansche woorden bevat dan op Curaçao; slechts de aanrienlijken spreken door hunne verbindingen met dit eiland het Curaçaosche Papiamento, terwijl slechts bij uitzondering iemand behoorlijk Nederlandsch verstaat of zelfs spreekt. De oude Indiaansche taal is volgens Gatchet reeds sedert 1800 uitgestorven.
De bevolking bedroeg in:
| 1816 |
1732 |
| 1833 |
2746 |
| 1850 |
3045 |
| 1860 |
2849 |
| 1870 |
3726 |
| 1888 |
7365 |
| 1892 |
7888 |
| 1896 |
8955 |
| 1900 |
9702 |
| 1904 |
9337 |
| 1908 |
8815 |
| 1909 |
9049 |
| 1910 |
9357 |
| 1911 |
9616 |
| 1912 |
9441 |
In laatst genoemd jaar bestond de bevolking uit 4490 mannen en 4951 vrouwen. Het aantal geboorten bedroeg slechts 299, tegen 447 in 1911, waarvan iu laatstgenoemd jaar 111, in 1912: 62 buiten echt; dat der sterfgevallen 133 in 1911 en 252 in 1912. Naar de geboorteplaats was de bevolking in 1911 als volgt verdeeld: in de kolonie geboren 9391, elders in W.-Indië 21, in Nederland 22, elders 182. Naar den godsdienst telde men: 9265 R. Katholieken, 349 Protestanten en 2 Israëlieten. De voornaamste beroepen, bedrijven en ambachten der bevolking zijn:
| Hoedenvlechters en -vlechsters |
723 personen. |
| Landbouwers |
1337 personen. |
| Mijnwerkers |
233 personen. |
| Naaisters |
212 personen. |
| Visschers |
151 personen. |
| Waschvrouwen |
139 personen. |
| Zeelieden |
168 personen. |
Uit deze cijfers blijkt, dat, evenals op Curaçao, het vlechten van stroohoeden aan vele ingezetenen een bestaan verschaft, terwijl landbouw, mijnbouw en vischvangst er een grootere beteekenis hebben dan op eerstgenoemd eiland. Het feit, dat in
| | | |
de Koloniale Verslagen 6021 personen, d.i. bijna ⅔ der totale bevolking, als zonder beroep wordt opgegeven, ontneemt aan deze statistiek een groot gedeelte van hare waarde, aangezien de meeste van deze personen ongetwijfeld niet zonder beroep zijn, maar dit niet behoorlijk vastgesteld kon worden.
| |
Staatkundige indeeling en plaatsen.
Het eiland Aruba wordt in vier distrikten verdeeld, n.l. het 1ste distrikt, ook Playa geheeten, dat de hoofdplaats omvat, het 2de distrikt met Noord, het 3de met Santa Cruz en het 4de met Sabaneta als bevolkingscentrum. Naast deze plaatsjes vallen nog te noemen: Balashi aan het Spaansch lagoen en San Nicolas aan de gelijknamige baai, de haven voor de phosfaatgroeven van Cerro Colorado, welke door de Maatschappij, die het phosfaat (zie aldaar) ontgint, aanmerkelijk verbeterd en door een veldspoorweg met de Cerro Colorado verbonden is. De overige bewoners zijn over het geheele eiland, vooral over de westhelft, verstrooid en in kleine, armoedige huizen en hutten gevestigd; want plantages, zooals op Curaçao, treft men op Aruba niet aan, uitgezonderd Fontein aan de N.-kust, waar de betrekkelijke vruchtbaarheid van den grond het gevolg is van een permanent beekje, dat hier naar zee stroomt.
De hoofdplaats heet Oranjestad en ligt aan de Paardenbaai, aldus genoemd, omdat er weleer de paarden gemakkelijk konden over geladen worden op hun transport van de kust van het vasteland naar Jamaica. De plaats ontving haar naam eerst in 1820 en is feitelijk een dorp met ongeveer 200 woningen, grootendeels kleine, onaanzienlijke huizen uit steen opgetrokken, ten deele ook armoedige hutten met stroo gedekt. Het voornaamste huis is er het wit gekalkte regeeringsgebouw; daarnaast moeten nog de R.-Katholieke kerk en het kleine Protestantsche kerkje genoemd worden, benevens de gouvernementsschool en de R.-Katholieke school. Het fort Zoutman is reeds lang aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrokken en huisvest thans den landraad, het kantongerecht, de politiewacht, de gevangenis enz. Een afzonderlijke wijk vormt de buurt Rancho in het N.W., waar het grootste gedeelte der visschersbevolking van het eiland woont.
Litt. Zie de opgave bij Curaçao en verder: Een bezoek aan Aruba en Bonaire in het jaar 1823, door een in laatstgenoemd gewest gevestigd Nederlander, Vaderlandsche Letteroefeningen 1823-24. A.D. van der Gon Netscher, Korte beschrijving van de Nederl.-West-Indische eilanden, Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederl.-Indië, 1869 blz. 487, 501, 521 en 522. - A.J. van Koolwijk, De Indianen-Caraïben van het eiland Aruba, T.A.G., dl. VI, Versl. blz. 222 en dl. VII, Meded. blz. 80. - id. Verschillende mededeelingen aangaande het eiland Aruba, reeks 2, dl. I, Versl. en Meded. blz. 134, 369, 595, 600 en 601. - Gatchet, The Aruba and the Papiamento Jargon, American Philosophical Society Philadelphia, 1884. - Aruba-nummer van Neerlandia, December 1911. - Topographische Kaart van Aruba in 8 bladen, schaal 1.20000, den Haag 1913.
H.Z.
| |
II. Aardkunde.
Zie aldaar.
| |
III. Nautische aanteekeningen.
Aan de N.-kust rijzen de rotsen steil uit zee op en wordt geen ankergrond gevonden. Langs de geheele Z.-kust strekt zich een koraalrif uit, terwijl zich aan de N.W.-zijde eenzandbank bevindt met hieren daar koraal plekken.
Het rif aan de Z.-zijde heeft tal van openingen; een dezer geeft toegang tot de eenige baai van beteekenis, de Paardenbaai, die de binnenreede vormt van de hoofdplaats, Oranjestad. Deze baai is toegankelijk voor kleine schepen; een schip met 54 dec. diepgang kan met de noodige behoedzaamheid de baai binnenstoomen; de ruimte in de kom van de baai is zeer klein en alleen te gebruiken in de maanden, waarin geen verandering van windrichting te verwachten is.
Aan de W.-zijde van het eiland is goede ankergrond te vinden in 5 tot 15 vadem water, verder is er ten W.N.W. van Oranjestad in 7 vadem water eene kleine ankerplaats op het merk: de Hooiberg in één met de R.K. kerk van Oranjestad.
Om de Paardebaai in te varen
| |