(n.e. bakoeba, pap. bacoba, Engelsch banana), is de naam voor verschillende Musa-soorten, waarvan de vruchten rauw gegeten worden. De naam schijnt te komen uit het Toepi, de taal van den grooten Indiaanschen volksstam, oorspronkelijk tehuis in Braziliaansch en Fransch Guiana, die zich vóór 1500 sterk naar het zuiden had uitgebreid. Zie Beschrijvinge ende historische verhael van het Gout Koninckrijck van Gunea anders de Gout-Custe deMina genaemt liggende in het deel van Africa, door P. de Marees, uitgegeven door S.P.C. Honoré Naber. (Uitgave der Linschoten-Vereeniging.) den Haag 1913, blz. 169 en 171. Zie ook het Koloniaal Weekblad, 19 September 1912, no. 38 en 6 Maart 1913, no. 10.
De volgende soorten worden reeds zeer lang in Suriname geteeld:
| 1o. | de dwergbacove (Musa Cavendishii) in de Engelsche kolonie vaak ‘Chinese-banana’ genoemd. De planten worden niet hooger dan 2 Meter. Deze is van de hier opgenoemde, de varieteit, die het kortst inheemsch is, waarschijnlijk is ze eerst in de 2de helft der 19de eeuw ingevoerd. |
| 2. | de Indiaansche bacove (n.e. Iengi bakoeba), evenals de volgende varieteiten behoorende tot de soort Musa paradisiaca L. met wijnroode vruchten, die soms gegeten worden en in zeer beperkte hoeveelheid uitgevoerd naar Amerika, waar ze ook als tafelversiering gebruikt worden. |
| 3. | de baana-bakoeba, een mooi gevormde, smakelijke vrucht leverend, die zeer veel gelijkt op de later te noemen ‘Gros-Michel’-bacove. |
| 4o. | de appelbacove (n.e. aprabakoeba), waarvan de smaak iets zuurder en daardoor zeer frisch is. De vrucht is wat korter en minder gebogen dan de onder 3 genoemde; deze is de meest voorkomende soort in Suriname. |
| 5o. | de ladies finger (n.e. pikien-misi-fienga), een korte, zoete zeer smakelijke vrucht. |
Voor de bacovencultuur voor export is eerst de Gros-Michel of Jamaica-bacove ingevoerd, bijna geheel overeenkomende met de baana-bakoeba, een tot 5 Meter hooge, zeer krachtige plant. Toen deze cultuur ernstig bedreigd werd door de z.g. Panamaziekte, is in 1909 door de United Fruit Company, de Congo-varieteit ingevoerd, een vorm, die een meer gedrongen groei heeft en daardoor meer nadert tot het type Musa Cavendishii, maar die toch nog stammen van 4 Meter hoogte vormt. Door de directie van den Landbouw en de United Fruit Company zijn nog vele andere varieteiten ingevoerd, die echter nog geen practische beteekenis hebben.
Vroeger werd vooral de appelbacove gebruikt als hulpschaduw in de cacao-aanplantingen. Een werkelijke cultuur is feitelijk eerst begonnen in het jaar 1906 toen met de bovengenoemde Amerikaansche Maatschappij een overeenkomst werd gesloten, waarbij deze maatschappij zich verplichtte de Gros-Michel bacoven tegen een bepaalden prijs op te koopen van het Gouvernement, waarbij zij het keuringsrecht had. Het Gouvernement moest zorgen, dat na drie jaar een oppervlakte van 3000 H.A. in behoorlijke cultuur was; het kocht de bacoven van de planters op en gaf voorschotten tegen een rente van 1% per kwartaal, om de cultuur mogelijk te maken; dit voorschot bedroeg voor aanleg ƒ360 per H.A. en daarna voor onderhoud eerst maximaal ƒ180 per H.A. per jaar, later verhoogd tot ƒ276, met dien verstande, dat de schuld per H.A. niet hooger dan ƒ700 mocht worden. De plantages kregen zoodoende een schuld bij het Gouvernement, die als hypotheek op hun bezit drukte; de opbrengst der geleverde bacoven werd door het Gouvernement geboekt in mindering op die schuld. De planters verplichtten zich tegonover het Gouvernement een bepaalde oppervlakte in cultuur te houden, en het product geheel aan het Gouvernement te leveren. De bacoven werden wekelijks naar New-York verscheept, met vruchtschepen voorzien van een koelinrichting, waardoor de ruimen op ± 54° F. gehouden werden. De prijzen waren bij contract geregeld, verschillend naar gelang van het aantal ‘handen’, dat een bos bevatte, terwijl ook de tijd van levering invloed had. Gedurende 5½ maand, de goede maanden, werd n.l. meer betaald.
Reeds in 1909 trad epidemisch een ernstige ziekte op in de Gros-Michel bacoven, de ‘Panamaziekte’, die de oorzaak was van den ondergang der geheele cultuur; slechts enkele plantages bleven voor deze zeikte gespaard.
Van af 1910 werd met de nieuw ingevoerde varie-
teit, de Congo-bacove, de cultuur voortgezet; deze soort blijkt vrijwel immuun tegen de Panamaziekte te zijn.
De plantages maakten echter in 1911 een crisis door, daar de Nederlandsche regeering tot liquidatie van de cultuur besloot en slechts een beperkt crediet toestond om deze liquidatie tot stand te brengen.
De verschepingen bedroegen in:
| bossen. | |
|---|---|
| 1908 | 219663 |
| 1909 | 648636 |
| 1910 | 654162 |
| 1911 | 384174 |
| 1912 | 211715 |
De laatste verscheping naar New York had op 15 Maart 1913 plaats. Sedert is men doonde in Europa een afzetgebied te vinden en middelen te beramen om de planters financieel te steunen. Zendingen naar Liverpool en Rotterdam zijn goed verkocht.
De bacoven worden vegetatief voortgeplant; om nieuwe planten te verkrijgen, plant men de uitloopers (suckers) der oude planten uit. Voor het uitplanten wordt slechts de knol gebruikt; de schijnstam, gevormd door de om elkaar sluitende bladscheeden wordt afgehakt. Groote knollen worden vaak gespleten; ieder stuk, mits een oog bevattend, kan een nieuwe plant leveren.
De bacove verlangt een goed omgewerkten kleigrond, met flinke drainage. De plantwijdte bedraagt van 12-18 voet, en wordt vooral beinvloed door het gewas, dat men tusschen de bacoven plant, nl. koffie, cacao of hevea. In de laatste jaren worden nl. de bacoven meer en meer als ‘catch crop’ beschouwd om aan de kosten van het eerste onderhoud van het hoofdproduct te gemoet te komen. Na een drietal jaren moeten de bacoven dan echter weggekapt worden.
Wanneer een stam een bos heeft voortgebracht sterft hij af; gemiddeld heeft dit na één jaar plaats. Nadat dus de hoofdstam een bos gegeven heeft, laat men eenige zijspruiten opgroeien voor den volgenden oogst; het aantal, dat daarvoor bestemd wordt, neemt toe, naarmate het plantverband wijder is, bv. 2 stammen bij 12 voet, 4 bij 18 voet. plantwijdte Een plant met zijspruiten wordt een ‘stoel’ genoemd. Behalve de ‘Panamaziekte’ veroorzaakt door een ‘schimmel’, komt de zg. dikkepooten(n.e. ‘bigi foetoe’) ziekte voor; deze laatste is veel minder schadelijk dan de eerste.
Behalve voor uitvoer in natura komt de bacove nog in aanmerking voor de vervaardiging van bacoven-vijgen en bacovenmeel. In 1910 is door de firma Dürninger daartoe een machinale drogerij ingericht. Begin 1913 verwerkte de drogerij 2500 bossen per week, maar deze hoeveelheid zou spoedig verdubbeld worden. Bacoven-vijgen worden zacht gedroogd en bevatten nog vrij veel water; voor bacovenmeel worden onrijpe bacoven van verschillende varieteiten zoo ver gedroogd dat ze hard en bros zijn; in dezen vorm worden ze naar Europa uitgevoerd en daar tot meel verwerkt. De uitvoer van gedroogde bacoven had in 1910 een waarde van ƒ14.180, in 1911 van ƒ15.837, en in 1912 van f 9040.
Bacoven-vijgen worden ook in het klein bereid voor inlandsch gebruik en uitvoer op kleine schaal. Men verpakt ze dan gewoonlijk in bananenbladeren.
Bacoven bevatten al naar de varieteit:
| eiwit | 1.12 | - | 2.00% |
| vet | 0.23 | - | 0.50% |
| zetmeel | 14.00 | - | 27.77% |
| asch | 0.91 | - | 1.36% |
| water | 69.00 | - | 83.00% |
Op Curaçao kweekt men thans meer bacoven dan vroeger, waardoor de invoer van Venezuela verminderd is. Men treft er een viertal soorten aan, waaronder de niet lang geleden ingevoerde Cavendish zich snel een goede plaats verworven heeft; de niet hoog groeiende plant is beter dan de andere soorten tegen den wind bestand.
Litt.: C.J. Hering, Verhandeling over de voedingsmiddelen der kolonie Suriname enz. Paramaribo 1901; Jaarverslagen van de Inspectie van den Landbouw in Suriname, 1907, 1908. 1909, 1910. en 1912; Bulletins van de Inspectie van den Landbouw in Suriname; (no. 1 v. Hall, no. 2 v. Hall, no. 3. v. Hall, no. 6 v. Hall, no. 13 Sack, no. 23 Sack, no. 26 Drost); Een praatje over de bacoven cultuur in Suriname. Paramaribo. 1909; Gegevens betreffende Suriname, Algemeene en internationale tentoonstelling van Brussel 1910; Nota van den waarnemend Administrateur van Financiën in de kolonie Suriname, C.A.J. Struycken de Roysancour betreffende de Bacovencultuur (d.d. 28 Oct. 1910); T.J. Cremer c.s., Advies betreffende de voortzetting van de Bacovencultuur in Suriname, 1910; Antwoord hierop van den wrn. Adm. v. Fin. in Suriname van 19 Januari 1911; Debatten in de Staten Generaal bij de behandeling van de Surin. begrooting voor 1911; De Economische en financieele toestand der Kol. Suriname. Rapport der Comm. benoemd bij besluit van den Min. v. Kol. van 11 Maart 1911, B. 56, 's Grav. 1911; Bacoven in Suriname, Uitg. v.d. Comm. v.d. Kol. Landb. Tentoonst. te Deventer, 1912; Mr. H.J. Smidt, Suriname en Nederland naar aanleiding van de bacoven-zaak. Haarlem 1913; Prof. D. van Blom, De Pisangs van de West. De Gids van 1 Juni 1913.
n.e. Bakjau. Opengespouwen, sterk gezouten en gedroogde, van den kop ontdane visch, die in groote hoeveelheden uit den Vereenigde Staten in alle West-Indische koloniën wordt ingevoerd en daar het hoofdvoedsel van een groot deel der bevolking uitmaakt. Het woord is afgeleid van het Portugeesch Bacalhao of het Spaansche Bacallao.
Ingevoerd worden twee soorten, beiden tot het geslacht Gadus (Kabeljauwen, Schelvisschen) behoorende, n.l. haddock (Melanogrammus aeglifinus, vroeger Gadus aeglifinus genoemd) en hake (Merluccius bilinearis). Haddock wordt door de keukenmeiden in Suriname fisi-bakjau genoemd, Boston hake barba-bakjau en de Halifax dry hake, die nu veel ingevoerd
wordt, Halifax bakjau. Dr. F.A. Kuhn, Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantageslaven, Amst. 1828, blz. 8 noemt nog een derde soort, de Bullock, die destijds werd ingevoerd. De jaarlijks ingevoerde hoeveelheid is zeer aanzienlijk. Zij bedroeg voor Suriname in 1910, 1911 en 1912 resp.648.998, 668.792 en 542.906 K.G., ter waarde van ƒ77.880, ƒ80.255 en ƒ65.148.
Op de eilanden, waar veel eigen visch gegeten wordt, is de invoer van bakkeljauw belangrijk minder.
Dat de invoer in Suriname reeds zeer oud is blijkt uit G. Warrens, An impartial description of Surinam upon the continent of America, etc., London 1667, een der oudste geschriften over Suriname. Op blz. 9 van de Hollandsche vertaling, Amst. 1669, lezen wij: ‘Vleesch en Visch moet haar (de kolonie n.l.) geduyrigh toegebrocht worden uyt Nieuw Engeland (Virginia) ende andere plaatsen’. Bakkeljauw wordt in Suriname op verschillende wijzen gebruikt: in de zon gedroogd na met Cayenne peper te zijn ingewreven, gekookt, gebakken of in den vorm van gehakt, iets als croquettes, in Suriname oneigenlijk bakjaufrita genoemd. De bakkeljauw is volstrekt niet het minderwaardige voedingsmiddel waarvoor ze door nieuwkomers gewoonlijk wordt aangezien. (Zie over Bakkeljauw ook Veth, Uit Oost en West, blz. 65 v.).
n.e. In het neger-bijgeloof neemt de bakroe een zeer belangrijke plaats in. Het woord, dat waarschijnlijk met de negers uit Afrika gekomen is, heeft eigenlijk geen scherp omschreven beteekenis. De omschrijving die Mr. Focke, Neger-Engelsch woordenboek, geeft: dwergspook, dwerg, kabouterman, omvat niet het geheele begrip. Bakroe is een geest, die gedacht wordt te huizen in een dwerg, met onevenredig groot hoofd, maar de bakroe kan allerlei vormen aannemen, vooral van dieren, b.v. een pad of hagedis, maar de geest van de bakroe kan ook in levenlooze voorwerpen tijdelijk gaan huizen. Volgens F.P. en A.P. Penard zou de bakroe er uitzien als een dwerg, half hout, half vleesch. ‘Zoodra iemand nadert keert hij hem den houten kant toe, om de slagen die hij verwacht niet te voelen’. Bakroe heeft ook de beteekenis van kwelgeest, die door den invloed van den wisiman zich van iemand kan meestermaken en die dan ook alleen door den wisiman kan uitgedreven worden. Volgens H. Weiss, Ons Suriname, heet bij de boschnegers ook een korte in den grond geslagen stok waaraan een vlaggetje hangt om de booze geesten buiten het kamp te houden, bakroe. Allerlei ziekten, zenuwtoevallen, ook krankzinnigheid worden toegeschreven aan de bakroe, die zich in het lichaam genesteld heeft. De uitdrijving geschiedt door den wisiman met allerlei ceremonieel. In den regel wordt de zieke naakt uitgekleed en met een prasára-sisíbi (een bezem gemaakt van de bloeitros van Euterpe oleracea) afgeranseld tot bezwijkens toe. Bij jonge meisjes wordt defloratie door den wisiman soms als voorwaarde van de behandeling geëischt. Ook vruchtafdrijving heeft soms door den bakroe-uitdrijver plaats. Een der meest gevreesde bakroe's zou de Apoekoe of Kanta-masoe zijn, die in termieten-nesten, waarin een gistingsproces plaats heeft, woont. Geen neger durft zulk een nest naderen, veel minder vernielen. Voorts wonen bakroe's onder alle bruggen en sluizen, in kokers en ook in of onder kankantri's, den afgodsboom der negers. Soms nemen de bakroes bezit van een huis, waar zij hun aanwezigheid door kloppen verraden; zij bombardeeren een enkelen keer ook wel een huis met steenen. Zelfs te Paramaribo zijn deze malle vertooningen voorgekomen, zonder dat het de politie gelukte de daders te ontdekken, omdat het onderzoek slecht geleid werd. Kappler, Surinam, blz. 262, vertelt van een vermakelijke geschiedenis, in de vijftiger jaren van de vorige eeuw te Paramaribo gebeurd, dat n.l. een troep bakroes bezit van een huis hadden genomen en zich niet wilden laten verdrijven, hetgeen een geweldige opschudding in de stad teweegbracht. Waarschijnlijk heeft dit voorval C. van Schaick, destijds predikant te Paramaribo, er toe gebracht in zijn ‘Dichtbundeltje voor de Surinaamsche jeugd, Haarlem 1853, een samenspraak te wijden aan bakroe, die op buurmans negerpoort een schrikkelijk leven maakte.
Het geloof aan bakroe schijnt in den laatsten tijd te verminderen, maar bestaat zeker nog en volstrekt niet alleen bij de negerbevolking. Van uitdrijving van bakroe hoort men nog wel.
Bakroe noemt men, om den gedrongen vorm, ook de korte vijzels, die dienen om zware lasten op te vijzelen.
Ten slotte zij hier opgemerkt dat het woord bakroe niet schijnt voor te komen bij de oudere schrijvers over Suriname, met name die van de 17e en de 18e eeuw.
ZEEPOKKEN. Binnen een kalkschaal beslotene, ongesteelde, vastzittende, hermaphrodiete schaaldieren of Crustacea, tot de orde der Cirripedia onder de Entomostraca behoorend (zie onder CRUSTACEA). De schaal heeft gewoonlijk de gedaante van een afgeknotten kegel, met het breedste einde op allerlei voorwerpen vastgehecht. Evenals bij de tot dezelfde orde behoorende eendenmossels moeten we ons voorstellen, dat het dier binnen de schaal onderste boven is gekeerd, d.w.z. dat het met het voorste lichaamseinde, dat de schaal afscheidt, is vastgegroeid, en het achtereinde vertikaal omhoog gericht is. De wanden van de kegelvormige, soms cylindrisch uitgegroeide schaal bestaan uit dikwijls gescheiden kalkstukjes, die onderling weinig in grootte of gedaante verschillen; met de rugzijde van het dier overeenkomend vindt men de carina, diametraal daar tegenover, aan de andere zijde van den wand, het rostrum. Tusschen carina en rostrum bevinden zich aan weerszijden een, twee of drie andere kalkstukjes, de lateralia. Van boven is in den schaalkrans of testa een ronde of ovale opening, die door het operculum is afgesloten. Dit bestaat uit vier kalkstukjes, twee aan twee aan weerszijden van eene spleetvormige opening gelegen. Het meest schuin naar boven gericht en aan de carina vastgehecht vindt men aan weerskanten van de spleet de beide terga (die dus eveneens aan de rugzijde van het dier liggen); minder hellend zijn de daaraan aansluitende stukjes, de beide scuta, die het overige gedeelte van het operculum uitmaken. Uit de spleet komen bij het levende dier met regelmatige tusschenpoozen de zes paren achterlijfspooten, die elk in twee meer of minder lange cirren uitloopen, te voorschijn; de voorste drie paren zijn tamelijk kort en recht uitgestrekt, de achterste drie paren zijn spiraalvormig oprolbaar en veel langer.
Evenals bij de eendenmossels voert de gewoonte der zeepokken om zich aan scheepskielen, drijfhout, enz. vast te hechten er toe, dat vele soorten over de gansche aarde verspreid zijn of in ieder geval op zeer ver van elkander verwijderde plaatsen voorkomen. Bij voorkeur bewonen zij warme zeeën.
In West-Indië komen o.a. de volgende soorten voor: Balanus tintinnabulum, schaal rose of donkerpurper van kleur, wanden en basis van talrijke poriën voorzieen; Balanus stultus, schaal lichter van kleur, wit of lichtpurper, poriën in de schaal nagenoeg als boven, longitudinale groeve in de scuta zeer diep, van boven gezien bijna gesloten; Balanus galeatus, wanden niet poreus, basis poreus, topgedeelte derterga niet spits, maar recht afgeknot. Van dit wijdverspreide geslacht Balanus, dat aan den getanden rand der schaalkrans en aan het rechtlijnig verloop der schaalstukken licht kenbaar is, komen bovendien nog een 8- of 10-tal andere soorten in West-Indië voor. Acasta cyathus heeft van ter zijde gezien eene over het algemeen meer ronde gedaante dan Balanus, de schaal is nergens poreus; deze soort leeft aan sponzen vastgehecht. Tetraclita (porosa en radiata) heeft sterk de gedaante van een afgeknotten, zeer vlakken kegel; de verschillende kalkstukken, die den wand vormen (4 in getal, 6 bij Balanus en Acasta) zijn uitwendig gewoonlijk niet afzonderlijk te onderscheiden; de soorten zijn meest aan schepen en drijfhout vastgehecht. Bij Pyrgoma (stokesi) is van afzonderlijke schaalstukken in het geheel niets te zien; de soort leeft diep in koralen verborgen. Chenolobia (testudinaria en patula) heeft een schaal, die duidelijk uit 6 dikke kalkstukken bestaat, de terga zijn door eene hoornachtige gewrichtslijst onderling verbonden; de soorten leven op schildpadden, soms ook op Crustaceen en Mollusken. Bij Platylepas (bissexlobata) vindt men eveneens een uit 6 stukken bestaande schaalkrans, ieder stuk is door eene longitudinale groeve in tweeën gedeeld, scutum en tergum zijn onbewegelijk, zonder gewricht met elkander verbonden. Ook bij Chthamalus (stellatus en scabrosus) bestaat de schaalkrans uit 6 kalkstukken Catophragmus (imbricatus) daarentegen heeft 8 kalkstukken, waarop talrijke kleine schubjes. Bij Verruca (nexa) eindelijk bestaat de schaalkrans uit slechts 4 stukken, ieder met van den top uitstralende groeven voorzien,
Litt.: Darwin, A Monograph of the Cirripedia, Balanidae, Verrucidae etc., London, 1854.
J.J.T.
De balataboom, ook wel bolletrie genoemd, draagt den wetenschappelijken naam van Mimusops Balata Gärtn=Achras Balata Aubl=Sapota Mulleri Bl=Mimusops globosa Gärtn. f. De eerst vermelde wetenschappelijke naam is de ware. Er komen echter in Suriname nog twee andere soorten van M. voor, die eveneens goede balata leveren.
De boom behoort tot de familie der Sapotaceëen, waartoe ook gerekend werden de Palaquiumsoorten, die in den Ind. archipel de Getah pertja opleveren. De bolletrie is verspreid over geheel Guiana, Venezuela, Noord-Brazilië en komt ook op de Antillen voor. Het feitelijke gebied is Br. Ned. Fransch Guiana en Venezuela; de Antillen en Braz. Guiana kunnen als overgangsgebieden beschouwd worden.
Zuivere bosschen vormt hij niet, evenmin bepaalde groepen, zooals het geval is met den ijzerhoutboom op Sumatra en Borneo (Eusideroxylon Zwagerii), maar op sommige riffen is hij de overheerschende houtsoort.
De houtvester Plasschaert schrijft in zijne dissertatie op bladz. 154, dat een bolletrie-terrein rijk genoemd wordt, wanneer op elk 15 Meter een boom gevonden wordt. Men leidde daaruit evenwel niet af dat per H.A. aanwezig zijn 10.000 M2: 15 M. × 15 M. = 44 bolletrie stammen, want zooveel staan er m.i. niet.
In bijlage No. 29d van het balatarapport der heeren Struycken en Gonggrijp vindt men opgegeven dat het aantal boomen per H.A. op 17 H.A. proefvlakken varieert tusschen 3 en 17 stuks. Gemiddeld bedroeg het aantal tapbare boomen p. H.A. 7½. Over het geheele balata gebied wordt door Struycken en Gonggrijp 0,9 à 1,1 boom p. H.A. aangenomen.
Het hout van den balataboom moet in het midden van de 18de eeuw in vrij aanzienlijke hoeveelheheden naar Nederland zijn gezonden, waar het zeer gewild was en bekend stond onder den naam van paardenvleeschhout. Het bezit een donkerroode tint, laat zich goed politoeren en is zeer veerkrachtig. Met success heeft de Compagnie des chemins de fer de l'Ouest het gebruikt voor dwarsliggers, waarvoor het wegens de groote duurzaamheid zeer geschikt is.
In Martius Flora brasiliensis komt eene uitvoerige beschrijving voor van de bloem, vrucht enz. Deze beschrijving werd overgenomen in Seeligmann's werk (India rubber and Gutta percha. Vertaling van Macintosh pag. 308).
Hier kan volstaan worden met de mededeeling, dat de balata een fraaie boom is van 35 Meter hoogte, die over een lengte van 20-25 Meter takvrij is. Hij kan een omvang bereiken van 3 Meter. De glanzende lederachtige bladeren zijn langwerpig ovaal 10-15 cM. lang en 5-7 cM. breed. Zij zijn toegespitst en staan afwisselend. De typische bast is van verre gemakkelijk te herkennen, terwijl bij zonneschijn ook het jonge blad door een goudachtigen glans van verre licht is te herkennen. De bloem is zesdeelig, de kroon wit en 1 cM. lang, van binnen donzig behaard. De vrucht is rond en ovaal. Zij is eetbaar en doet denken aan de sapotille.
Volgens Oudschans Dentz was het A. Wildeboer, Koloniaal ontvanger en betaalmeester, die in 1856 den balataboom in Suriname ontdekte op den houtgrond Bergendal, alwaar de melk bij gebrek aan koemelk werd gedronken. Ten onrechte hield Bleekrode, die in Nederland monsters balata onderzocht, den geneesheer Dr. Muller voor den ontdekker. Deze verwarring gaf aanleiding tot een heftigen strijd tusschen Wildeboer en Muller, welke eerst voor goed eindigde door den aftocht van eerstgenoemde naar Noord-Amerika.
In 1859 vroeg Abraham Verijn Stuart, fabrikant van Gutta Percha voorwerpen, het monopolie om gedurende 5 achtereenvolgende jaren de bolletrie, voorkomende op de domeingronden te mogen aftappen, en bepaaldelijk zonder derzelver vernietiging te veroorzaken zooals het woordelijk is het request luidde. Het advies van den Administrateur van Financien bevatte de volgende zeer juiste woorden: wanneer de boschnegers of andere vrije lieden er hun gemak of dadelijk voordeel in vinden, de boomen om te houwen, geloof ik niet, dat zij door de overredingsmiddelen van den adressant zich daarvan zullen laten terug houden; evenmin dat de posthouders daartegen met succes zullen kunnen waken.
Ondanks dat alle leden van den Kolonialen Raad zich tegen het verleenen van het monopolie verklaarden adviseerden zij Verijn sStuart toe te staan de boomen staande af te tappen en hem gedurende 5 jaren vrijstelling van uitvoerrechten van het door hem uit te voeren product toe te kennen. Later wilden zij hem ook nog een uitvoerpremie van 10% geven. Adressant stelde zich daar echter niet mede tevreden
en trok naar den Haag. Daar wist hij den Koning te overreden hem ƒ10000 renteloos voorschot ten laste van de Kolonie te verleenen. In 1861 kwam Stuart in Suriname terug, kocht de plantage Nooit Gedacht aan de Boven-Suriname, ten einde aldaar de gutta percha (bedoeld is balata) te exploiteeren.
Den 5 Mei 1874 overleed de ondernemende man te Paramaribo in armoede als dagbladschrijver. Voor den prijs van ƒ150.- ging Nooit Gedacht in andere handen over en door den Minister werd bepaald, dat de saldo schuld als verlies op hoofdstuk 12 der begrooting voor het dienstjaar 1866 zou worden afgeschreven.
En daarmede bleef de exploitatie der Balataboomen meerdere jaren rusten. In 1884 werden 1132 Kg. balata door den Heer Bunker uitgevoerd, maar ondanks de energieke wijze, waarop ook de heeren gebroeders Barnett, zich op de exploitatie toelegden, daalde de uitvoer in 1885 tot 53 Kg.
In 1888 benoemde de Gouverneur Smidt eene commissie, ten einde de mogelijkheid na te gaan van een Gouvernements-exploitatie van de Surinaamsche gutta percha.
In het zeer belangrijke verslag concludeert de commissie, dat de exploitatie van balata met voordeel te ondernemen is, maar meende terecht, dat deze nieuwe industrie aan partikulieren kon worden overgelaten en aanbevolen. In de Ind. Mercuur van 7 Dec. 1889 No. 49 vindt men het verslag in extenso afgedrukt.
Bij resolutie van 17 Sept. 1889 L.B. No. 5548 werd aan Garnett c.s. vergund op uitgestrekte terreinen voor den tijd van 3 jaar Surinaamsche G.P. te exploiteeren. Voor ieder door hen te gebruiken arbeider was jaarlijks ƒ2.50 te betalen en voorts 5 cent per Kg. verkregen product, dat in 's lands entrepot te Nickerie zou worden opgeslagen.
Het bleek later aan een commissie, dat de exploitatie zoodanig was geschied, dat ondanks de fraaie voorschriften betreffende de wijze van inkappen een zeer groot gedeelte der boomen was gestorven of beschadigd, terwijl bovendien getapt werd op terreinen, die niet tot de concessie behoorden. Na het expireeren der overeenkomst in 1892 werd deze niet verlengd. De firma Garnett en Winter schijnt ondanks het uitbetalen van hooge loonen, goede zaken te hebben gemaakt. Zij verklaarde zich bereid bij het verlengen van het contract 25 cent retributie per Kg. te betalen.
Bij verordening van 21 Jan. 1893 werden bepalingen in het leven geroepen omtrent het uitgeven van concessie's tot exploitatie van balata op domeingrond in Suriname. Deze verordening onderging herhaaldelijk wijzigingen en aanvullingen. Volgens den thans geldenden tekst van de balata-verordening, zooals deze is opgenomen in het Gouvernementsblad van de Kolonie Suriname 1905 No. 3, en de latere wijzigingen (zie Bal. rapp. Struycken en Gonggrijp blz. 21), mag niemand zonder vergunning van den Gouverneur onderzoek doen naar de aanwezigheid van balata op terreinen behoorende tot het domein. De aanvrager heeft ½ cent per H.A. te voldoen en binnen 8 dagen na een gunstige beschikking over te leggen eene door een beëedigd landmeter in duplo vervaardigde figuratieve kaart van het afgestane perceel. Binnen 4 weken moeten ten minste een opzichter en vijf man naar het perceel vertrekken. De Gouverneur is mede bevoegd concessie's voor de exploitatie van balata op domeingrond uit te geven. Deze worden verleend voor niet korter dan een en voor niet langer dan 5 jaar, noch voor eene oppervlakte van meer dan 50.000 H.A. en minder dan 5000 H.A. In het begin van 1912 zijn in de Kol. Staten wijzigingen in de balata verordening aangenomen de strekking hebbende om de aanwijzing van een maximum-grootte te doen vervallen (daar de praktijk had bewezen dat men, door middel van stroomannen, toch in het bezit kan komen van groote concessies) en om de minimum-grootte te verlagen tot 500 H.A. ten einde het kleinbedrijf te bevorderen. De verordening is evenwel (Maart 1914) door den Gouveneur nog niet vastgesteld.
Aan de Kol. kas wordt per jaar en per H.A. 10 cent betaald en voor elk Kg. verkregen product ƒ0.10. Den 19den April 1905 werd dit bedrag verminderd tot ƒ0.05. op 1 Januari 1907 weer teruggebracht op ƒ0.10 en sedert 1 Jan. 1911 moet per K.G. 15 cent worden betaald.
De concessionaris is verplicht te werk te stellen ten minste een arbeider per 1000 H.A. of gedeelte daarvan tot en met 5000 H.A. De arbeiders moeten staan onder toezicht van opzichters, die van hunne bekwaamheid ten genoegen van het Bestuur voldoende proeven hebben afgelegd.
Het is verboden op domeingrond de boomen verder te kerven dan tot op de helft van hunnen omtrek en deze op nieuw te tappen alvorens de vroeger gekorven bast geheel is hersteld. De insnijdingen moeten worden gemaakt of door één snee van het instrument of zoodanig, dat zij elkander niet kruisen, maar de eene in de andere valt, zoodat de melk zigzagswijze naar het beneden gedeelte van den boom wordt geleid.
De insijdingen of gootjes mogen niet breeder zijn dan vier centimeters aan de buitenzijde en ten hoogste ter volle dikte van den bast, ten einde het hout niet te beschadigen. Overtredingen van de bepalingen worden bestraft met geldboeten en soms ook met gevangenisstraf. Het vellen der levende boomen wordt bestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en geldboete van ƒ25 tot ƒ2000. Ontduiking of poging tot ontduiking van de betaling der retributie wordt gestraft met eene geldboete van ƒ100 tot ƒ2000.
In art. 44 van de verordening worden zelfs de commissarissen van vennootschappen met straf bedreigd, Veilig mag beweerd worden, dat men ruimschoots bedacht is geweest overtredingen door geldboeten en gevangenisstraf te weerhouden, maar de locale omstandigheden zijn van dien aard, dat de overtredingen bezwaarlijk geconstateerd kunnen worden. De bleeders zijn verspreid over uitgestrekte terreinen, waarop geen enkel politiebeambte woont. Wegens leemten in de bepalingen van juridischen aard, heeft geen der 10 processen-verbaal in 1911 ter zake van het overtreden der balatavoorschriften tot eene vervolging kunnen leiden. Er werden van uit Paramaribo kostbare expeditie's uitgezonden ten einde plaatselijke controle uit te oefenen, maar deze hadden vrijwel negatieve resultaten.*)
De kosten van het boschpersoneel in Ned.-Indië bedroegen van 1896-1910 gemiddeld 7 ton of per H.A. ± ƒ1.
Waar men nu in Suriname nagenoeg geen wegen heeft en de concessionaris slechts ƒ0.10 per jaar en per H.A. aan de schatkist afdraagt (rekent men per H.A. 1½ K.G. balata opbrengst dan komt er nog ƒ0.22½ bij), kan er bezwaarlijksprake zijn van een
in alle opzichten afdoend toezicht op de bleeders.
Doet men evenwel niets dan moet men er op bedacht zijn dat in de toekomst de uitvoer van balata en de daarmee gepaard gaande concessierechten zullen ophouden.
Men hoort meermalen beweren, dat de bosschen van Suriname onuitputtelijk zijn, wat betreft de levering van balata, maar die meening behoeft zeker wel eenig bewijs. De sterke stijging van den balataprijs, die in 1910 in Londen voor velbalata opliep van 2 sh. 5½ d. tot 4 sh. 10 d. per Eng. pond heeft natuurlijk de exploitatie der balata boomen sterk geprikkeld. Alleen door dieper de binnenlanden in te trekken heeft men product aan de kust kunnen brengen. Op een planters-vergadering, in 1911 te Georgetown gehouden, verklaarde men zich bereid de retributie van 2 tot 6 dollarcenten te verhoogen mits dan dan ook het Gouvernement zorgde voor een draadlooze telegraaf en voor goede wegen naar het achterland en wel speciaal van de hoofdplaats naar de Si paruni, zijnde een afstand van 145 eng. mijlen. Ook uit Venezuela komen klachten nl. dat men tegenwoordig 200-300 mijlen het product per muilezel of in een ossenkar moet vervoeren langs slechte wegen.
De productie in dat land steeg evenwel van 1638 ton in 1908/1909 tot 1.995 ton in 1909/10 en bedraagt dus meer dan in Br., Ned. en Fr. Guiana. Laatst genoemde kolonie beteekent niet veel voor den uitvoer van balata. Ondanks dat slechts 5 centimes per H.A. betaald behoeft te worden en er noch uitvoerrechten noch retributie geheven worden, was de export in 1910 slechts 30.637 Kg.)
De balataexploitatie levert aan het Surinaamsche Gouvernement belangrijke voordeelen op. Van groot belang is het daarom na te gaan of deze bron van inkomsten duurzaam belooft te vloeien.
Bij den Hevea rubberboom vindt wondresponsie plaats, d.w.z. de eenmaal geleegde melksapvaten kunnen met succes na 1 of 2 dagen weer op nieuw geleegd worden. Aan dit feit heeft de cultuur van genoemden boom haar opkomst te danken.
Bij den bolletrie kan dezelfde bast slechts eenmaal worden afgetapt en moet 5-7 jaar gewacht worden tot zich ter plaatse een nieuwe bast gevormd heeft, alvorens weer op de zelfde plek kan worden getapt. De balata, die bij de eerste aftapping niet geoogst werd, gaat verloren. Vooral in den drogen tijd is dit quantum niet gering.
Bij de eerste inkerving van een Paraboom wordt de teeltweefsellaag veelal verwond, maar de volgende dagen kan men dit voorkomen omdat dan zichtbaar is, wat men weg snijdt. Hakt men de balataboomen te diep in, dan krijgt men product van mindere qualiteit. Die wetenschap beschermt de boom eenigermate.
Waar men vroeger met zwakke ladders de bolletrie niet hooger den 5 Meter exploiteerde, konden deze het aftappen vrij goed verdragen. Sedert 1909 maakt men gebruik van klimsporen, waardoor de boom veel hooger beklommen wordt.
Aan het voorschrift om de boomen slechts over de helft af te tappen, wordt zelden de hand gehouden en is het daaraan en aan het hooger tappen toe te schrijven, dat vele boomen dood gaan. Na 3 jaar is ⅓ der boomen dood of kwijnend en van de rest alleen nog het bovenste ⅓ deel van den stam voor aftapping vatbaar.
De heeren Struycken en Gonggrijp komen tot de conclusie dat van af 1889 tot 1908 verkregen zijn 3822 ton balata, maar dat dit quantum, wanneer men de stammen over den geheelen omvang tot aan de kronen had afgetapt, 10 maal hooger had kunnen zijn. Gaat men er toe over de boomen te kappen, dan kunnen de takken ook nog geëxploiteerd worden en daarvan nog 12000 ton worden verkregen. Blijft men in het vervolg voortgaan de boomen staande af te tappen, dan kan met de eerste zone groot 6.000.000 H.A. (maximum afstand tot aan de kust 150 K.M.) nog 33.000 ton balata worden geoogst. Gaat men er toe over de Venezolaansche methode toe te passen, laat men dus toe dat de boomen worden omgekapt dan becijferen bovengenoemde deskundigen) dat 41.000 ton verkregen kunnen worden. Zeer groot is dit verschil niet, maar het heet, dat de exploitatiekosten bij deze methode op den duur veel lager zullen zijn. Heeft het hout der gevelde boomen waarde dan kan het uitgesleept worden. De geïsoleerde boomen, die ten gevolge van het staande aftappen niet dood gaan (nu de klimsporen gebruikt worden sterven meer stammen) hebben in de toekomst qua balataproducenten weinig waarde, daar hun exploitatie te kostbaar zal zijn. Velt men de boomen dan kan mot de exploitatie nog 32 jaar op de tegenwoordige schaal worden voortgegaan.
Aan de thans gebruikelijke Surinaamsche methode wordt geen langer leven dan 5 à 6 jaar voorspeld.
Bij de toepassing van de Demarara methode, waarbij de boomen ook staande worden afgetapt, maar slechts over de helft en het gebruik van klimsporen is verboden, zou de exploitatie zich nog 40 jaren kunnen staande houden, maar aangezien omstreeks het dubbele aantal arbeiders dan tegenwoordig gebezigd wordt, noodig zou zijn, is toepassing niet aanbevelenswaardig. Ongetwijfeld hebben de heeren Struycken een Gonggrijp en nuttig werk verricht met het in studie nemen van het balatavraagstuk. Opvallend is, dat Suriname Br. Guiana wat uitvoer van balata betreft in de laatste jaren sterk heeft overvleugeld. Terwijl gedurende de periode 1903/08 de uitvoeren waren resp. 1493 ton en 1436 bedroegen deze cijfers in de jaren 1908/12 resp. 3121 en 1976.
Hoe dieper men in de binnenlanden moet doordringen des te minder wordt de prestatie per bleeder. Terwijl in Suriname in de jaren 1909, 1910 en 1911 respectievelijk per arbeider geoogst werd 241, 255 en 204 K.G. rekent men in Br. Guiana op niet meer dan 100 K.G. per man.
Nu men het klein balatabedrijf wil gaan bevorderen wordt het gevaar van het dooden der boomen nog belangrijk grooter, daar het moeilijker wordt de talrijke kleine concessie's te controleeren.
Waar de uitkomsten van de balata industrie voor de kolonie van groote beteekenis zijn, loont het zeker afdoende maatregelen te beramen om het uitroeien tegen te gaan. Gemakkelijk valt dat echter niet.
In de eerste plaats (meenen de genoemde heeren) verdient het overweging mede te werken, dat de concessie's in handen komen van enkele groote vennootschappen, die men bepaalde stroomgebieden aanwijst, maar deze dan ook geheel verantwoordelijk stelt voor alle overtredingen, onverschillig of ze geschied zijn door hun eigen bleeders of door stroopers. Door hunne collector's kunnen de maatschappijen, als zij willen, controle uitoefenen over de tappers. Bovendien hebben zij er belang bij stroopers te weren.
Groote maatschappijen kunnen het goedkoopst aan bedrijfskapitaal komen. De kosten van beheer zijn veelal per eenheid product geringer dan bij kleine maatschappijen. Het een en ander leidt er toe, dat de groote maatschappijen de grootste winsten
kunnen maken en dus ook het meest aan het gouvernement kunnen betalen. Bevondien worden hunne balansen c.a. veelal gepubliceerd en zou het Gouvernement een evenredig deel van de netto-winst als zijn aandeel kunnen bedingen.
De commissie benoemd om van advies te dienen over de vraag in hoeverre wijziging van de balata-verordening gewenscht is te achten voor de ontwikkeling van het kleinbedrijf in de balata-industrie, concludeerde, dat het kleinbedrijf niet in het belang van den kleinen man is. Het balata-bedrijf levert te veel risico op voor den kleinen man, van wien bovendien bij overtreding weinig te halen valt. De enkele overtreder, die men kan veroordeelen kan men niet laten boeten voor zijn collega's. Bij groote maatschappijen is dit systeem wel degelijk door te voeren, want daar staan vele bleeders in dienst bij dezelfde maatschappij. En waar het constateeren van overtredingen een kostbare zaak is, moet door hooge boete de schrik er onder gebracht worden. Een tweede middel om de uitroeiïng tegen te gaan, zou daarin kunnen bestaan dat tijdelijk bepaalde stroomgebieden geheel voor aftappen gesloten worden, zoo dat de boomen gelegenheid krijgen zich te herstellen en de jonge balata-boomen rustig kunnen uitgroeien. Waar de groei van den bolletrie zeer langzaam is zou die sluiting zich over eenige tientallen van jaren moeten uitstrekken. Een derde middel is de natuurlijke verjonging der balataboomen te bevorderen. Door doeltreffende maatregelen is het mogelijk de opslag onder de oude balataboomen te vermeerderen en den groei der jonge boompjes te bevorderen. Men late zich niet terugschrikken door de weinig bevredigende resultaten in den beginne verkregen. Ook in Frankrijk heeft men niet aanstonds op succes met de natuurlijke verjonging kunnen bogen. Komt men thans echter b.v. in het bosch Bercé bij Le Mans, dan staat men verstomd over de prachtige eiken opstanden, die uitblinken door grooten rijkdom van gave, kaarsrechte stammen. Deze zijn niet geplant, maar door natuurlijke verjonging van het bosch ontstaan. De methode daarbij gevolgd kan echter helaas maar niet eenvoudig in Suriname na gevolgd worden, want men moet rekening houden met een geheel ander klimaat en boomsoort.
Belangrijke verhooging van retributie op de verkregen balata zou uit den aard der zaak de animo om concessie's aan te vragen temperen en daardoor de vernieling der boomen tegenhouden. Afdoende is het middel evenwel niet, omdat daardoor niet ontzien worden de boomen op gunstige terreinen voorkomende en wier bescherming dus van de meeste beteekenis is, maar wel de boomen, die staan op terreinen dieper in de binnenlanden gelegen.
In het algemeen zijn uitvoerrechten te veroordeelen, daar zij de ontwikkeling van de industrie tegenhouden, maar de balata wordt niet geproduceerd, slechts geëxploiteerd en vertraging dier exploitatie bevordert juist de duurzaamheid der productie. Het volgende staatje, ontleend aan: ‘Het Balata-vraagstuk’, bijlage No. 14, geeft een overzicht van de beteekenis van de balata-industrie voor de kolonie.
Ontvangsten in de kolonie Suriname wegens concessie-, vergunningsrecht en retributie tot het ontginnen van balata op domeingrond, sedert 1893:
| Jaar. | Concessierecht. | Vergunningsr. | Retributie op de verkregen balata. | Totaal. | Gemiddeld betaald | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| per K.G. verkregen balata. | per H.A. | |||||
| 1893 | ƒ12.043.63 | ƒ12.043.63 | ƒ0.37 | ƒ0.15 | ||
| 1894 | ƒ15.597.87 | ƒ15.597.87 | ƒ0.145 | ƒ0.075 | ||
| 1895 | ƒ34.227.15 | ƒ34.227.15 | ƒ0.255 | ƒ0.095 | ||
| 1896 | ƒ28.479.275 | ƒ28.479.275 | ƒ0.135 | ƒ0.075 | ||
| 1897 | ƒ19.330.945 | ƒ19.330.945 | ƒ0.12 | ƒ0.08 | ||
| 1898 | ƒ9.124.325 | ƒ9.124.325 | ƒ0.08 | ƒ0.095 | ||
| 1899 | ƒ7.970.935 | ƒ7.970.935 | ƒ0.065 | ƒ0.09 | ||
| 1900 | ƒ18.849.60 | ƒ18.849.605 | ƒ0.09 | ƒ0.115 | ||
| 1901 | ƒ24.028.74 | ƒ24.028.74 | ƒ0.10 | ƒ0.095 | ||
| 1902 | ƒ38.873.70 | ƒ38.873.70 | ƒ0.12 | ƒ0.115 | ||
| 1903 | ƒ58.157.50 | ƒ58.175.50 | ƒ0.155 | ƒ0.09 | ||
| 1904 | ƒ50.109.40 | ƒ4.725.- | ƒ54.834.40 | ƒ0.21 | ƒ0.10 | |
| 1905 | ƒ20.637.40 | ƒ1.375.- | ƒ11.296.225 | ƒ33.308.625 | ƒ0.135 | ƒ0.16 |
| 1906 | ƒ23.619.10 | ƒ6.510.50 | ƒ13.487.615 | ƒ43.617.215 | ƒ0.16 | ƒ0.18 |
| 1907 | ƒ52.112.- | ƒ10.540.- | ƒ34.062.20 | ƒ96.714.20 | ƒ0.28 | ƒ0.185 |
| 1908 | ƒ71.030.64 | ƒ3.510.- | ƒ44.922.05 | ƒ119.462.69 | ƒ0.26 | ƒ0.20 |
| 1909 | ƒ64.888.44 | ƒ5.325.- | ƒ61.366.85 | ƒ131.580.29 | ƒ0.21 | ƒ0.23 |
| 1910 | ƒ106.244.14 | ƒ8.280.- | ƒ86.063.45 | ƒ200.588.89 | ƒ0.22 | ƒ0.19 |
| 1911 | ƒ183.787.20 | ƒ21.615.- | ƒ167.276.125 | ƒ372.678.325 | ƒ0.325 | ƒ0.21 |
Een deel dezer inkomsten kan gevoegelijk besteed worden om het duurzaam vloeien van de bron te verzekeren. Onder leiding van den houtvester kunnen speciale personen belast worden met de controle op deconcessies. Deze lieden moeten in staat zijn niet alleen te constateeren of er volgens de voorschriften getapt is, maar ook of de bleeders niet de grenzen hunner terreinen overschrijden. Waar de kaart van Cateau van Rosevelt aan nauwkeurigheid te wenschen overlaat zal zulks evenwel geen gemakkelijk werk zijn, De personen, die aangesteld worden voor de controle belaste men tevens met het opnemen van
bosch-monstervlakten groot 1 H.A. en kenne hun een gratificatie toe, zoo het hun gelukt rijke timmerhout boschgebieden te ontdekken. Natuurlijk zullen deze voordat de gratificatie wordt toegekend eerst persoonlijk door den houtvester zijn op te nemen. Met niet al te groote kosten krijgt men zoodoende meer kennis van den houtrijkdom der Surinaamsche bosschen.
Behalve directe voordeelen geniet het Gouvernement ook indirecte baten van de balataindustrie.
Voor het tappen en vervoeren zijn immers veel arbeiders noodig, die hunne levensmiddelen mede nemen naar het bosch en heft de kolonie invoerrechten op die levensmiddelen, voorzooverre ze worden ingevoerd. Het aantal bleeders in Suriname bedroeg in 1909 2600, in 1910 3500 en in 1911 5600 man.
| Jaar. | Uitv. in ton. | |
|---|---|---|
| Suriname. | Br. Guiana. | |
| 1893 | 33 | 92 |
| 1894 | 108 | 24 |
| 1895 | 134 | 72 |
| 1896 | 210 | 147 |
| 1897 | 159 | 221 |
| 1898 | 113 | 211 |
| 1899 | 119 | 107 |
| 1900 | 209 | 191 |
| 1901 | 237 | 174 |
| 1902 | 321 | 243 |
| 1903 | 371 | 239 |
| 1904 | 260 | 226 |
| 1905 | 244 | 248 |
| 1906 | 270 | 285 |
| 1907 | 348 | 438 |
| 1908 | 454 | 491 |
| 1909 | 628 | 465 |
| 1910 | 893 | 523 |
| 1911 | 1145 | 496 |
| ______ | ______ | |
| Totaal 1893/1911 | 6266 | 4893 |
Alvorens tot tappen over te gaan wordt een onderzoek ingesteld naar het al of niet veelvuldig voorkomen van balataboomen. Dit geschiedt door een opziener met zes man. Ik schat in mijn rapport over de Surinaamsche bosschen het aantal tapbare boomen op 4 à 5 per H.A. De landmeter Samson, die veel balatabosschen bezocht, noemt een terrein, waarop 40 boomen per H.A. staan een rijke balata-streek. Op pagina 75 geeft Dr. Sack op, dat men in doorsnede in Suriname aanneemt, dat 8 boomen bij gewoon tappen opleveren 18 liter melk, = 9 Kg. balata, dus ± 1 Kg. per boom. Bezigt men de klimmethode dan kan man rekenen op 2 Kg. per boom. Jenman beweert dat uit een gevelde boom, van 40 cM. dikte, wanneer deze over eene lengte van 30 Meter wordt afgetapt, 9 L. melk kan worden verkregen. Waar in doorsnede geen Kg. per H.A. verkregen wordt, is dus als gemiddeld voor de geheele concessie aan te nemen, dat per H.A. niet meer dan 2 boomen staan. Gewoonlijk vertrekken in het midden van Januari de arbeiders naar de terreinen. Te voren hebben zij een voorschot genoten, dat vroeger tusschen ƒ40 en ƒ100 varieerde maar bij de scherpe concurrentie der concessionarissen, met inbegrip van levensmiddelen enz., wel tot ƒ600 stijgt. Ja in 1911 zijn voorschotten gegeven tot ƒ1200 (met inbegrip van saldo schuld bij andere exploitanten).
Een deel der bleeders komt uit de naburige Engelsche kolonie. In de booten, waarmede zij de reis naar de binnenlanden ondernemen, voeren zij de noodige levensmiddelen mede, want hoewel in de concessievoorwaarden is bepaald, dat de arbeiders de voor hun eigen levensonderhoud benoodigde levensmiddelen op het terrein mogen cultiveeren, komt daar niet veel van, omdat hun verblijf van te korten duur is. Bovendien zou het telen van groenten hen aan hun eigenlijken arbeid onttrekken en dus nopen langer uit te blijven. Groot is de animo voor een langdurig verblijf in de binnenlanden niet en alleen tegen flinke betaling vindt men liefhebbers.
Zijn de booten in de nabijheid der concessie gekomen dan wordt aan de kreek het magazijn gebouwd, waarin men de levensmiddelan en de gereedschappen opbergt. De opzichter begint met 4 man een pad open te kappen, dat als arbeidsbasis moet dienst doen. Per dag kan niet meer dan 1500 Meter gebaand worden. De bleeders overnachten in zeer primitieve hutten op het terrein en keeren eerst tegen het einde van April naar de hoofdplaats terug. Tegen het midden van Juni vertrekken zij wederom naar het terrein en zijn in het midden van Augustus weer thuis. Gemiddeld zijn zij dus voor de balata exploitatie 5½ maand in het jaar werkzaam. Als maximum-afwezigheid mag aangenomen worden 30 weken. Een balataboom van 15 cM. dikte is reeds tapbaar, maar de meeste stammen, die bewerkt worden, zijn veel zwaarder. Nadat eerst de boomen zijn schoongemaakt, waarbij de kortmossen, die anders de melk zouden verontreinigen, zijn verwijderd, worden met kapmessen, die gewoonlijk houwers genoemd worden, inkappingen gemaakt. Men maakt de insnijdingen 2½ cM. breed. Ze gaan ondanks het verbod veelal rondom den stam tot op een hoogte van 5-6 Meter. Het gebruik van een ladder is natuurlijk in het bosch zeer bezwaarlijk en werd dan ook, als een groote ‘invention’, de methode, in Demarary in gebruik, ingevoerd, waarbij men pinnen in den boom slaat en met een strik naar boven klimt. In de laatste jaren bezigt men ook klimsporen, waardoor het mogelijk wordt hooger dan 6 Meter in te kappen. Het uitvloeiende sap wordt beneden in een kalebas opgevangen.
Het bleek mij in loco, dat de bast van den balataboom gemeenlijk een 11 m.M. dik is en dat de melk voorkomt in den 8 m.M. dikken buitenbast, die gedekt is met een schorslaag van 3 m.M., welke uit kurk bestaat. De binnenbast is 2 m.M. dik en onderscheidt zich door zijn witte kleur van den buitenbast, welke karmijnrood getint is. De binnenbast levert veel sap op, dat rijk aan water en tannine is, maar weinig balata bevat. Dit schijnen de bleeders zeer goed te weten. Vandaar dat ervaren arbeiders er voor zorgen, de insnijdingen niet tot aan het cambium te maken. Zij sparen daardoor arbeid uit, krijgen een melk, die rijker is aan vaste stoffen en het product loopt later minder gevaar door de aanwezigheid van looistof zwart te worden. Goed afgetapt zal een boom, doordien de cambiumlaag niet gekwetst wordt, zich betrekkelijk makkelijk kunnen herstellen, maar doordat op vele plaatsen de beschermende schors is verwijderd, krijgen de termieten gelegenheid den bast te vernielen.
De meeningen aangaande de gevolgen van het aftappen loopen zeer uiteen. Aan de Corantijn zag Plasschaert boomen door de Garnett-Company, van 1889 tot en met 1891 getapt. De boomen vertoonden zeer mooi herstelde wonden; op een boom was eigenlijk slechts nog de tapfiguur te zien. Hoewel alle bolletries reeds eenmaal afgetapt waren konden wij in Augustus op het door ons aan de Friderici-
kreek, een zijriviertje van de Commewijne, geen enkel dood exemplaar constateeren. De groote vraag is hoe houden die boomen zich, wanneer zij voor de 2de maal getapt worden. Zeer verdacht is de mededeeling van Dr. Harris, voorkomende in het Rapport of the W. India Royal Commission, waarin het heet, dat in Br. Guiana veel balataboomen omgekapt worden. Waar Jenman vroeger constateerde, dat in Demerary, toen voor de eerste maal de boomen getapt werden, deze niet geveld werden, bevreemdt het wel dat zulks thans wel geschiedt. De houtvester Gonggrijp, die ervaring van lateren datum bezit, is de meening toegedaan, dat Mimusops balata het tappen slecht verdraagt.
Direct na het aansnijden der boomen begint het melksap met een zekere snelheid uit de wonden te vloeien. Ja het komt voor, schrijft Plasschaert, dat de kalabas aan den voet van den boom uitgegoten moet worden als zijnde vol, voordat men tot de hoogere insnijdingen overgaat. Ook worden somtijds aan een boom meerdere kalebassen opgehangen. Het melksap blijft 1 à 2 uur vloeien. Zonder ladder krijgt men van een boom van 50 c.M. middellijn niet meer dan 1.7 liter melk. Tapt men hem evenwel af tot een hoogte van 6 Meter dan kan het dubbele verkregen worden.
Een bleeder kan per dag 6 à 8 boomen aftappen en produceert 20-35 liter melk, waaruit 11 à 20 Kg. balata wordt verkregen. In het geheel wordt in de 150 dagen, die het tapseizoen duurt, volgens den heer Douglas door één bleeder niet meer dan 300 Kg. gemiddeld geleverd. Dit komt omdat een groot deel van den tijd verloren gaat met het heen en weer reizen en het opsporen der boomen. In het ‘Balatavraagstuk’ wordt op blz. 50 vermeld dat bleeders, die minder dan 400 Kg. inleveren als slechte werklieden worden beschouwd; in bijlage No. 13 heet het evenwel dat gemiddeld per arbeider verkregen werd:
| 1909 | 241 K.G. |
| 1910 | 255 K.G. |
| 1911 | 204 K.G. |
Een gallon melk, = 4,5 Kg., levert in den natten, tijd minder balata dan in den drogen en wel respectievelijk 1,8-2,2 en 2,3-2,7 Kg.
Om 6 uur 's morgens verlaten de bleeders hunne huttten en keeren om 1 uur met de geoogste melk naar het kamp terug. Het product wordt eerst uitgestort in de zoogenaamde koelbak, die gemaakt is van den stam van den palissade-palm, eenigszins op dezelfde wijze als waarop, men in Amerika en Noorwegen van klossen blokhuizen bouwt. De bak wordt van binnen met modder bepleisterd en daarna bestreken met zand en bolletriemelk. De bakken zijn 2 meter in het vierkant en 40 cM. diep; soms wordt de bodem met zeep besmeerd om het vastkleven van de balata te verhinderen Een beweegbaar dak van palissadepalmbladeren vervaardigd, belet het regenwater zich met de melk te vermengen. Twee à drie dagen vertoeft het sap in den koelbak en ondergaat daar gisting. Vervolgens wordt de melk overgegoten in evenbreede bakken, dabree's genoemd, die echter slechts 15 à 20 cM. diep zijn. Men laat de zon daar op schijnen, zoodat in 1 à 2 dagen de bovenste laag gestold is en als een vel kan worden afgenomen. Nadat dit afgedropen is, hangt men het op een schaduwrijke plek in het bosch ter droging. In Br. Guiana legt men dikwijls de vellen op den grond, waardoor ze met aarde verontreinigd worden en waardoor de regen vrij spel krijgt en het product zwart maakt. Na een week is het voldoende hard om getransporteerd te worden. Vooraf wordt het echter samengevouwen, daar het op het hoofd van den arbeider naar de kreek moet worden gedragen. Een vel weegt gemiddeld 30 Kg., terwijl de dikte varieert tusschen ½ en 1 cM. Oorspronkelijk is de kleur lichtbruin maar bij het drogen wordt deze donkerder. Onder weg wordt de balata tegen regen beschermd maar veelal is op de hoofdplaats nog nadrogen noodig. Bij de verzending naar Europa worden de licht gekleurde als prima, de donkere als secundo-waar verscheept. In het bosch wordt de melk somtijds vervalscht met die van Tabernaemontana longifolia Bth., Battaballi door de inlanders genoemd en die van andere Apocynaceae, zooals Mampa = Ambelania acida Aubl. en Couma guyanensis Aubl. = Pera. In Venezuela voegt men de melk van de koeboom toe.
De betaling geschiedt als volgt. De concessieonaris werkt gewoonlijk met een collector, die voor elk Kg., in de stad in het magazijn geleverd, ƒ1.75 à ƒ2 - ontvangt. Alle kosten van de exploitatie en van de concessie komen voor rekening van den collector, die aan de bleeders ƒ1.- à ƒ1,25 per Kg. in Paramaribo geleverde balata uitbetaalt. Meermalen gebeurt het, dat het geleverde product niet voldoende is om alle voorschotten in geld en levensmiddelen gedaan, te bestrijden. Het saldo schuld wordt dan op een volgend jaar overgeschreven. Er zijn collectors, die valsche rapporten uitbrengen omtrent de hoeveelheid der aanwezige boomen, zoodat later bij de exploitatie het grootste gedeelte van de arbeiders terugkeert naar de stad, omdat er voor hen op de concessie geen werk blijkt te zijn.
Zooals reeds gezegd krijgt men per H.A. in doorsnede geen Kg. product. Vermoedelijk is dit daaraan toe te schrijven, dat op een belangrijk deel van de concessie geen bolletrie's voorkomen. Hoe ongunstig steekt dit cijfer af bij de oogstcijfers van 6 jarige Hevea-tuinen, die per H.A. 400 Kg. kunnen produceeren. Vooral is het resultaat bedroevend te noemen, wanneer men bedenkt, dat er 5 en meer jaren moeten verloopen alvorens men weer de zelfde balataboomen kan aftappen en zoodra dit 2 à 3 maal is geschied, de boomen te gronde gaan. Bij de cultuur van Hevea's stijgen daartentegen de jaarlijksche oogsten en kunnen in het 12de jaar 1200 Kg. bedragen. Waarlijk, verbetering van den boschtoestand in Suriname is een taak van groot gewicht en men mag daarvan niet afgeschrikt worden, ook al is deze taak uiterst moeilijk.
De bladeren van den balataboom bevatten volgens C. Mannich (Chem. Unters. d. Blätter des Balatabaumes Jahresber. d. Pharm 1901 S. 21) 5,1% balata. Ook Jumelle geeft, op gezag van Prof. Wijsman te Leiden, 5% op. Dr. Sack vond in versche bladeren slechts ongeveer, 0,3% d.i. dus in droge bladeren ongeveer 1,2%. Van het fabriceeren van balata uit de bladeren kan uit een finantieel oogpunt geen sprake zijn, daar de boomen te geïsoleerd in de bosschen worden aangetroffen en de afstand tot Paramaribo te groot is. (Wat men in den handel bladbalata of sheet-balata noemt, is beter velbalata te noemen. Het is niet afkomstig van de bladeren.) Wegens den langzamen groei van den boom kan van cultuur, waarbij een deel der bladeren voor het extraheeren wordt bestemd, geen sprake zijn.
De balata bestaat voor de grootste helft uit gutta en voor de kleinste helft uit hars. Deze hars is volgens Tschirch samengesteld uit 4 stoffen. Wordt het product, wat de verhouding tusschen hars en gutta aangaat, vergeleken met getha pertja dan moet het in de 4de en 5de klassen van Obach gerangschikt worden.
De in de balata aanwezige gutta is volgens denzelfden, in deze gezaghebbenden persoon, zeer sterk en taai. Van 1885 t/m 1896 schommelde de prijs in Londen tusschen 9 en 13½ d. per pond d.i. dus ongeveer ƒ1.- à ƒ1.70 per Kg.
Volgens het India Rubber Journal 2 Sept. 1911 waren de prijzen:
| Blockbalata. | gemiddeld. | Sheetbalata. | gemiddeld. | |
|---|---|---|---|---|
| 1909 | 1/9-2/6 | 2/1½ | 2/3-2/7 | 2/5 |
| 1910 | 2/5-4/- | 3/2½ | 2/5½-4/10 | 3/8 |
| 1911 | 2/4-2/10 | 2/7 | 3/2-3/8 | 3/5 |
De Londensche noteering van 13 Febr. 1914 bedroeg voor vel-balata 3 s. en voor block 2 s. 2 d.d.i. dus respectievelijk per Kg. ƒ4.01 en ƒ2,89. De balata is een stof, die wat eigenschappen aangaat, het midden houdt tusschen caoutchouc en getah pertja. Verwarmd wordt het niet zoo week als laatstgenoemd product en kan daarom niet zoo goed als isoleeringsmateriaal voor onderzeesche telegraafkabels worden gebezigd. Een mengsel van beide stoffen wordt evenwel tegenwoordig wel voor dat doel veelvuldig gebruikt. Ook in de rubberindustrie kan men balata voor menging zeer goed bezigen, b.v. bij het maken van solide banden, schoenhakken enz.
Wegens zijn groote stevigheid en daar het product weinig elastisch is wordt balata veelvuldig gebruikt voor de vervaardiging van drijfriemen. Voor dat doel wordt met hulp van de kalander op een stevigen katoenen weefsel boven- en onderlagen balata gebracht. De beide uiteinden worden warm aan elkaar geperst. Daardoor krijgt men een drijfriem, die voor dynamo's zeer geschikt is, daar de laschplaats geen schokken veroorzaakt en aan de machine dus een rustige gang wordt verzekerd. Tegenwoordig wordt veel reclame gemaakt voor Lanco-riemen. Geregeld treft men in het India Rubber Journal eene annonce van Irwell and Eastern Rubber co Ltd. Ordsall Lane, Salford, Manchester. Deze maatschappij vervaardigde een balatariem van 710 voet lengte en 42 inches breedte met een gewicht van 2 tons 14 cwt. Balata alleen is niet als surrogaat voor caoutchouc te benutten, maar wel gemengd met Afrikaansche caoutchouc, Guayule en reclaimed rubber. Dick, die schatten verdiend heeft met het vervaardigen van getah pertja-waren, heeft ook veel balata gebruikt voor het maken van schoenzolen. Men kan de stof mede bezigen voor de fabricatie van sous-bras en matrijzen. Nadat de hars uit de balata is verwijderd kan men het produkt uitstekend gebruiken voor golfballen. Stagneri, een Amerikaan, noemt balata de beste rubber van de wereld. Bestempelden vroeger de Europeesche fabrikanten balata als een 2de qualiteits getah pertja, tegenwoordig weten zij het product beter te waardeeren.
Terpentijn, benzine en zwavelkoolstof lossen in kouden toestand balata volledig op. Tegen caustische kali en zoutzuur is het bestand, zwavel en salpeterzuur tasten het aan. Balata is veel beter dan getah pertja bestand tegen de inwerking van licht en lucht. Seeligman deelt in zijn boek over caoutchouc en getah pertja mede, dat een balata monster, 17 jaar in een kouden kelder bewaard zonder dat bepaalde maatregelen getroffen waren om het voor bederf te vrijwaren, absoluut niets geleden had.
Litt. Dr. J. Sack, De balata-industrie in Suriname, Paramaribo 1909; met uitvoerig geschiedkundig overzicht door Fr. Oudschans Dentz. - S. Bleekroode. De Sur. G.P. in de Volksvlijt, Amst. 1857 No. 6 en 7. - A.H. de Balbian Verster. Eene Balata concessie in Suriname, Eigen Haard 19 Dec. 1896. - Dr. E.F.A. Obach, Getah Pertja. 3 Lezingen als cantorlectures gehouden in de Society of Arts te Londen. Vertaald en uitgegeven door het Kol. Museum, Amst. 1898. - Dr. A.H. Berkhout, Rapport over de Surinaamsche bosschen, 1903. - Dr. E.K. Plasschaert, Der Forstbetrieb in Surinam. München, 1910. - De balata-industrie in Suriname, in Gegevens betreffende Suriname, gepubliceerd bij gelegenheid van de Intern. Tentoonst. te Brussel in 1910. - E. Schereschewski, Ueber balata und chicle 1905. - Prof. A. Tschirch, Archif der Pharmacie 1905. - B.S. Jenman, Government Botanist Demerara, Balata and the balata industry, Timehri. Vol. IV Part. II Dec. 1885. - A. Charlier, Contribution a l'étude anatomique des plantes à G.P. et d 'autres sapotacées, Paris 1905. Dit geschrift geeft teekeningen betreffenden den anatomischen bouw van het balatablad. - A.G.W. Swart, Verslag over de Intern. Rubber Tentoonst. geh. van 26 Juni tot 14 Juli 1911 in de Royal Agricult. Hall. Islington, London, 's-Grav. 1911. - W.A.Br.v. Asbeck. Ind. Mercuur 15 Febr. 1912. Noodzakelijkheid en mogelijkheid van de bescherming der balataindustrie in Suriname. - C.A.J. Struycken de Roysancour en J.W. Gonggrijp, Het Balata-vraagstuk in Surniname, Paramaribo 1912. - Rapport omtrent het ‘Balatavraagstuk’ aan den Min. v. Kol. uitgebracht door D. Bos, P. van Romburgh en Salverda, alsook de antwoorden hierop van Struycken de Roysancour en Gonggrijp, (1913). - A glimpse of the existing conditions in the Balata industry in Dutch Guiana, India Rubber World New-York Aug. 1, 1913, blz. 597. J.W. Gonggrijp, Een en ander over de Balataindustrie in Suriname, Cultura Oct. 1913, No. 302, blz. 374-384.-
A.H.B.
Piesjie porco, pap. Oldwife, st. eust. Fam. Balastidae. Kustvisch. Verspreiding: West-Indië, soms in den Golfstroom tot Woods Hol. Volgens Day ook aan de kust van Indië, deze heeft echter meer vinstralen. De mond is klein, de kaken kort, deze met een rij snijtandachtige tanden. De kieuwopeningen zijn klein, spleetvormig. Op de plaats van de buikvinnen een enkele dikke stekel. De staartvin is wijd gevorkt. Twee gebogen, blauwe, donker berande banden op de zijden van den kop, de onderste van den mondhoek naar de keel, de bovenste van boven den bek naar de voet van de borstvin. Onder de oogen een zwarte licht berande lijn. Verscheidene van dergelijke lijnen stralen van het oog uit. De staartvin is van boven en van onderen met blauw berand, en met een intramarginale blauwe band. De rugvin en de aarsvin met dwarse blauwe banden. De jonge exemplaren hebben eenige onregelmatige schuine zwarte lijnen langs de rijen schubben. Balistes soorten worden in het Papiamentsch Piesjie porco genoemd.
Fam. Gramineae. Bamboes, sur., de bekende gekweekte grassoort, in O.-Indië thuis-behoorend, met hollen, door tusschenschotten verdeelden metershoogen halm. Vermoedelijk worden verschillende soorten gekweekt. De in Suriname wildgroeiende bamboe is veel dunner en behoort tot het geslacht guadua. De bamboe wordt in Suriname weinig gebruikt. Indianen maken er soms pijlpunten van. Over het in het wild voorkomen van bamboe in Suriname zie Martin. W.I. Skizzen blz. 62. - Verslag Coppename exp. blz. 142 (overdruk) en Verslag Corantijn exp. blz. 44 (overdruk).
sur. Baäna, n.e. Banana, pap. Prattana, Arow., door de Engelschen plantain genoemd, is een varieteit van de soort Musa paradisiaca, welker vruchten niet rauw gebruikt worden. Ze vormden het hoofdvoedsel der slaven, en zijn nu nog het volksvoedsel bij uitnemendheid. Onjuist is dan ook de bewering van Prof. P.J. Veth op blz. 244 van zijn ‘Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden’. Arnhem, 1899: ‘Zegt men dus, gelijk men zoo dikwijls leest, dat in Westindië de banaan nevens de bakkeljauw het hoofdvoedsel van de negerslaven placht te wezen, dan is daarmede niet beslist of men Musa sapientum of Musa paradisiaca bedoelt; het was zelfs doorgaans de bakkove, die aan de negers verstrekt werd.’ Het was nooit de bakkove, die alleen als fruit gebruikt wordt.
Uit hunne samenstelling blijkt, dat de voedingswaarde tamelijk groot is:
| eiwit | 1,25% |
| vet | 0,25% |
| zetmeel | 18,06% |
| vezel | 0,19% |
| asch | 0,64% |
| water | 75,00% |
Bananen worden op allerlei wijzen gegeten: gekookt, goroosterd, gebakken (vooral worden hiervoor overrijpe vruchten gebruikt), als gongotee en als tom-tom. Gongotee wordt speciaal als kindervoedsel gebruikt en zelfs aan heel jonge kinderen, (soms na 3 weken reeds) gegeven. Ook het bacovenmeel schijnt in Europa grootendeels tot kindervoedsel verwerkt te worden. Voor de bereiding van gongotee worden onrijpe bananen in schijven gesneden, in de zon gedroogd en daarna zeer fijn gestampt. Het zetmeel gehalte van dit praeparaat is hoog, n.l. 69%, eiwit 2½%. Om tom-tom (in Britsch Guiana foofoo genaamd) te bereiden worden niet geheel gaar gekookte groene bananen tot een taai deeg gestampt; het is een algemeen gebruikt voedsel. Bananen zijn het product, dat allereerst in aanmerking komt bij aanleg van een grondje door den creool, Britsch-Indiër of Javaan. Het meerendeel der op de markt aangebrachte bossen komt dan ook van grondjes. Slechts weinige plantages kweeken nu bananen als hulpschaduw voor koffie of cacao. Vroeger was het gebruik als zoodanig zeer algemeen; de meeste ondernemingen hadden echter ook een aparte aanplant voor de slaven. Om goed te groeien hebben de bananen een zwaren kleigrond noodig; men kan slechts een beperkt aantal oogsten van eenzelfde stuk land krijgen; als uiterste stelt men 4 kroppen, als regel drie. Er wordt dan echter geen grondbewerking toegepast.
Wanneer nieuw land in cultuur gebracht wordt, oogst men dikwijls eerst 2-maal bananen, daarna plant men het hoofdproduct met appelbacoven als hulpschaduw. Het duurt ongeveer 10 maanden voor de bos rijp is; bij een geregelde cultuur is de plantafstand gewoonlijk 10 bij 10 voet, als tusschencultuur varieert zij natuurlijk naar het hoofdproduct. De voortplanting geschiedt door suckers; liefst kiest men er van 5 à 6 maanden oud. Men maakt kleine gaten, b.v. van één voet kubiek, en stampt den grond flink aan rondom den knol.
De banaan onderscheidt zich van de bacovensoorten, doordat ze meer gebogen en hoekiger is. De prijs der bossen op de locale markt loopt zeer uiteen, van ƒ0.25-ƒ0.80 per bos; dergelijke groote schommelingen zijn trouwens zeer algemeen bij de meeste inlandsche marktproducten. Er wordt beweerd, dat er een varieteit is, die zeer groote bossen levert; ook vindt men de z.g. manbaäna, die kleine bossen met groote gekromde vruchten levert, welke zeer onregelmatig aan den steel zitten. Zeer waarschijnlijk heeft men hier niet met een constante varieteit te doen,
Ook op Curaçao worden veel bananen gegeten, van de Venezuelaansche havens met schoeners aangevoerd. Op Curacao brengt de banaan meestal geen vruchten voort.
Litt: Hering, Verhandeling over de voedingsmiddelen der kol. Suriname. A. Kappler, Surinam. Stuttg. 1887; Dr. J. Sack, Bulletin No. 23 Inspectie van den Landbouw in Suriname, Een ouder geschrift is G.J. Mulder, De voeding van den neger in Suriname, Rotterdam. 1847.
sur. Brabakóto, n.e. Houten rooster of stellage om voorwerpen op te leggen; meer in het bijzonder noemt men zoo een rooster waarop vleesch en vooral visch boven het vuur wordt gedroogd en gerookt ter betere conservatie, welke bewerking barbakotten wordt genoemd. Wanneer men het vleesch elken avond op nieuw weder barbakot, kan men het geruimen tijd goed houden. Het woord, dat ook in Brazillië bekend is - in Britsch Guiana zegt men babracot - zou volgens Brinton ontleend zijn aan de taal van de oorspronkelijke bewoners der Antillen.
Barbakot noemde men in Suriname ook de vloeren, waarop in de suikermolens de vaten suiker werden neergezet om de melasse te laten uitlekken of ‘laxeeren’. Volgens de beschrijving van Blom, Verhandeling over den Landbouw in de Colonie Suriname, bestond de barbakot uit planken van twee duim dikte, die een weinig uitgehold en zwak hellend opgesteld
waren, opdat de melasse kon afloopen en opgevangen worden. Men legde de planken op zoodanigen afstand van elkaar, dat op de kanten van twee planken een derde plank, die rond geschaafd was, gelegd kon worden.
Naam in Suriname gegeven aan minderwaardige houtsoorten, die eenige gelijkenis hebben met goede, algemeen gebruikte soorten. Zoo spreekt men van basterdbruinhart, basterd-lokus, enz. Een dergelijke beteekenis heeft het woord op de W.-I. Eilanden, en niet alleen bij houtsoorten, maar ook bij kruidachtige planten.
Amphibia. De Batrachia vormen eene klasse der gewervelde dieren, die zich onderscheiden door dat het aderlijke bloedvaatstelsel niet volkomen van het slagaderlijke bloedvaatstelsel is gescheiden; daar het hart wel 2 voorkamers maar slechts één kamer heeft is het in de slagaderen stroomende bloed een mengsel van aderlijk en slagaderlijk bloed. De lichaamstemperatuur is bij deze dieren dan ook maar weinig hooger dan die der omgeving. Zij hebben eene naakte, lederachtige huid, maarin talrijke huidklieren, die door hunne afscheiding de huid vochtig en kleverig maken. Bij enkele Batrachia komen schubben voor, doch deze schubben zijn klein en in plooien van de huid ingesloten. Bij de Batrachia komen geene eigenlijke ribben voor, zij kunnen dus niet zoo als de hoogere gewervelde dieren door verwijding en vernauwing van de borstkas de buitenlucht inzuigen en later weder uitpersen, maar slikken de lucht in. De lucht komt door de neusgaten naar binnen en wordt dan door pompbewegingen van den keel terwijl de mond gesloten wordt en de neusgaten door neuskleppen zijn afgesloten in de longen geperst. Bij de Salamanders vindt men in verschillende groepen soorten waar de longen geheel ontbreken; bij die dieren neemt de huid, die altijd een groote factor voor de ademhaling is, deze functie geheel over. Van de Visschen onderscheiden de Batrachia zich door den bouw van de ledematen, die even als dit bij de hoogere gewervelde dieren het geval is, bestaan uit 3 op elkander volgende gedeelten, nl.: 1o. een proximaal gedeelte (het opperarmbeen of het dijbeen); 2o. de 2 daaropvolgende naast elkaar gelegen beenderen (ellepijp en spaakbeen of scheenen kuitbeen), en 3o. de eigenlijke hand- of voetwortelbeenderen met de vingers of de teenen.
Van de Reptilia verschillen de Batrachia door dat de schedel door middel van 2 achterhoofdsknobbels met den wervelkolom samenhangt, en door de afwezigheid van amnion of allantois in het embryo.
Met zeer enkele uitzonderingen maken alle Batra-
chia na het verlaten van het ei eene gedaanteverwisseling of metamorfose door, en leven als jonge dieren gedurende het larvenstadium in het water, waar zij door kieuwen ademen. Daar vele Batrachia ook gedurende den volwassen staat nu eens op het land, dan weder, en vooral gedurende den paartijd, in het water leven, werden deze dieren door de oude schrijvers, ook wel met den naam van tweeslachtige dieren bestempeld.
Wat den lichaamsvorm betreft vindt men onder de dieren dezer klasse eene groote verscheidenheid; men treft er onder aan:
| 1o. | dieren met een wormvormig, geringd lichaam, zonder pooten. |
| 2o. | dieren met een vischachtig lichaam met zijdelings samengedrukten staart en zeer korte pooten; |
| 3o. | dieren met een hagedis-achtig lichaam met rolronden staart en vrij stevige pooten. |
| 4o. | dieren met een gedrongen, eenigzins schijfvormig lichaam, zonder staart en met sterk ontwikkelde pooten. |
De Batrachia, die tot de eerste afdeeling behooren zijn de apoda of coecilia's, die zich behalve doorhun lichaamsvorm van alle andere Batrachia onderscheiden, door dat zij somtijds in de huid ingesloten schubben bezitten. De coecilia's worden ook in Suriname aangetroffen (zie art. APODA). Tot de 2e en 3e groep, de urodela, behooren Batrachia, die gewoonlijk met den naam van Salamanders worden aangeduid. Zij werden tot nu toe in Suriname niet waargenomen. Daar echter Salamanders tot het geslacht spelerpes behoorende, in Columbia, in het gebied van de Boven Amazonenrivier, en op Haîti werden aangetroffen, is het volstrekt niet uitgesloten dat ook in Suriname of op de Benedenwindsche eilanden te eenigertijd vertegenwoordigers van de Salamanders worden gevonden. De Batrachia, die tot de 4e groep behooren, de anura, zijn de meest bekende vertegenwoordigers van deze klasse der Gewervelde dieren; het zijn de kikvorschen, boomvorschen en padden, die ook in Suriname in grooten getale voorkomen. (Zie art. ANURA).
v.L.d.J.
(Bl. en Schn.) J. en Ev. (Syn. BATRACHIS SURINAMENSIS). Lomp, sur. Pakoema n.e. (?)Fam. Batrachoididae. Kustvisch. Verspreiding: de kusten van Suriname, uiana, Brazilië. Niet zeldzaam op zandige kusten. De voor hoofdstreek is breed, een weinig plat, met midden richel. Het kieuwdeksel als twee uiteenwijkende stekels ontwikkeld, het onderkieuwdeksel sterk ontwikkeld, de takken van de onderkieuwdekselstekel ongelijk en uiteenwijkend. Het lichaam is bedekt met kleine getande schubben. De kleur is grijs, donkerder aan de zijkanten en op den kop. De voet van de zachte rugvin is bleek, met eene donkere, onregelmatige lijn er boven; de bovenkant der vin lichter. De staartvin is bijna zwart, de aarsvin licht met wat donkere teekens. De Lomp wordt 1½ voet lang, 2-3 pond zwaar en wordt gaarne gegeten. Om ze te vangen moet men ze met de hand tusschen het hout en de steenen der beschoeiïngen uitjagen.
Fam. Leguminosae. Sekrepatoe-trapoe, n.e. Meest lianen, kenbaar aan de aan den top diep ingesneden bladeren. De stam is bij voldoenden leeftijd plat en in het midden afwisselend voorzien van een instulping en een uitstulping. Er komen in Suriname talrijke Bauhinia-soorten in het wild voor. Een afbeelding van de Sekrepatoe-trapoe geeft het Verslag der Corantijn-Expeditie in afb. 4.
Term in gebruik bij de ontginners van alluviaal goud voor het onder de ertslaag (gravel) liggende, meestal tot een geelwitte klei verweerde, bodemgesteente. Zie AARDKUNDE bl. 7; voorts M.E.D. Levat, Guide pratique pour la recherche et l'exploitation de l'or en Guyane française. Paris 1898, blz. 74. - C.J. van Loon, Rapport over de exploitatie van het Lawagebied. 's-Grav. 1904 blr. 72.
Naam van de vroegere suikermolens die door ossen, muilezels of paarden gedreven werden. Beschrijving en afbeelding daarvan zijn in vele oudere werken over Suriname te vinden. Ook Rodway, Guiana: British, Dutch and French, London 1912, blz. 101, geeft een afbeelding van een beestenwerk. De behoefte aan paarden voor deze molens was aanleiding tot de bepaling volgens placaat van 1704, dat Engelsche schepen verplicht waren om bij iedere reis ten minste zes paarden aan te voeren, terwijl de koppen der op reis gestorven paarden moesten worden vertoond. (Hartsinck II, blz. 740). Aan deze bepaling werd streng de hand gehouden. In een artikel van C.A. van Sypesteyn, Tijdschrift West Indië II, 114-116, vindt men het getal paarden door Engelsche schippers jaarlijks aangevoerd op gemiddeld 400 geschat. Door het zware werk in de suikermolens schijnt de sterfte onder de paarden zeer groot te zijn geweest. Een ‘spel’ paarden, muilezels of ossen heette in dien tijd een bij elkaar behoorende ploeg van 7 à 8 stuks, waaronder 1 of 2 plaatsvervangers, in geval van ziekte. In den molen liepen er 6 tegelijk.
Onder de werking van het bij Koninklijk besluit van 9 Augustus 1832, No. 89 vastgestelde regeeringsreglement (Gouvernementsblad van Suriname 1832, No. 13) werd de begrooting van inkomsten en uitgaven der kolonie door den Administrateur van Financiën in de kolonie ontworpen en aan den Gouverneur ten fine van onderzoek aangeboden. De Gouverneur deelde deze begrooting met zijne aanmerkingen mede aan den Kolonialen Raad en zond haar daarna met die aanmerkingen en de bedenkingen van den Kolonialen raad aan het Departement van Koloniën ‘teneinde 's Konings approbatie en executoirverklaring daarop te erlangen’.
De begrooting werd in de Koloniën niet afgekondigd.
Sedert de invoering van het thans nog vigeerende
Regeeringsreglement van 18651) (wet van 31 Mei 1865, Staatsblad No. 65, G.B. No. 12) dat het Regeeringsreglement van 1832 heeft vervangen, wordt de koloniale huishoudelijke begrooting van Suriname óf bij koloniale verordening óf bij de wet vastgesteld. Ingevolge art. 109 van het Regeeringsreglement wordt de begrooting door den Gouverneur, na den Raad van Bestuur te hebben gehoord, ontworpen en uiterlijk op den eersten Dinsdag der maand Maart aan de Koloniale Staten aangeboden.
Daarop worden gebracht de uitgaven ten behoeve van den openbaren dienst in de kolonie, welke niet ten last van 's Rijks schatkist komen, terwijl eveneens in die begrooting de middelen worden aangewezen ter dekking der uitgaven (dus geen afzonderlijke middelenwet).
De uitgaven, die ten laste van 's Rijks schatkist komen, zijn: a. de wedde en de verblijfkosten van den Gouverneur; b. de kosten van de Rijks zee- en landmacht, tot bescherming der kolonie gevorderd.
De begrooting wordt, zoodanig als zij door de Koloniale Staten goedgekeurd is, door den Gouverneur voorloopig, vastgesteld en afgekondigd. Zij wordt definitief vastgesteld door de wet:
| 1. | indien tot aanvulling der koloniale middelen gevorderd wordt eene bijdrage uit 's Rijks schatkist. |
| 2. | indien de Koning de begrooting, zoodanig als zij door de Koloniale Staten aangenomen is, niet goedkeurt; |
| 3. | indien de Koloniale Staten de begrooting niet hebben vastgesteld vóór den 2den Dinsdag der maand Mei van het jaar, waarin zij wordt aangeboden. |
Indien geen dezer gevallen aanwezig is, geldt de voorloopige vaststelling als definitieve.
Daar sedert het in werking treden van het Regeeringsreglement het geval sub 1 vermeld, zich steeds heeft voorgedaan, is de begrooting sedert ook steeds definitief bij de wet vastgesteld.
Het geval sub 3 vermeld, deed zich slechts twee malen voor, en wel met de begrootingen voor de dienstjaren 1872 en 1886, die door de Koloniale Staten verworpen werden.
Indien de wet houdende definitieve vaststelling der begrooting in de kolonie niet is afgekondiad en in werking getreden vóór den aanvang van het dienstjaar, waarover de begrooting werken moet, dan kunnen met machtiging des Konings uitgaven en heffingen gedaan worden uit kracht der voorloopig vastgestelde begrooting. Dit kan ook geschieden indien van den Koning geen bericht is ontvangen. In den regel wordt geen machtiging verleend tot het doen van de nieuwe uitgaven, op de begrooting gebracht.
Indien de Koloniale Staten de begrooting niet binnen den voorgeschreven termijn, d.i. vóór den 2en Dinsdag der maand Mei hebben aangenomen, strekt voorloopig de begrooting van het vorige dienstjaar tot grondslag van den dienst, behoudens de daarin door den Koning bevolen wijzigingen.
Ingevolge art. 1 van de Surinaamsche Comptabiliteitswet (wet van 7 November 1910, St.bl. No. 315, Gouv. blad van Suriname No. 86), wordt de koloniale huishoudelijke begrooting gesplitst:
| a. | voor de Uitgaven: in afdeelingen en artikelen; |
| b. | voor de Ontvangsten: in afdeelingen en onderdeelen. |
De begrooting voor het dienstjaar 1913 is, voorzooveel de uitgaven betreft, gesplitst in de volgende twaalf afdeelingen, die geraamd zijn op de daarbij vermelde bedragen:
| Ie | Afd. | Gouvernements-Secretarie, Koloniale Staten en algemeene dienst | ƒ196.007.- |
| IIe | Afd. | Justitie en Politie | ƒ431.234.- |
| IIIe | Afd. | Schutterij te Paramaribo | ƒ6.935.- |
| IVe | Afd. | Administratie van Financiën | ƒ4213.808.- |
| Ve | Afd. | Immigratie en Kolonisatie | ƒ79.343.- |
| VIe | Afd. | Eeredienst, onderwijs en armenzorg | ƒ556.522.- |
| VIIe | Afd. | Departement van den Landbouw | ƒ152.556.- |
| VIIIe | Afd. | Burgerlijke Geneeskundige Dienst | ƒ327.808.- |
| IXe | Afd. | Departement van Openbare Werken en Verkeer | ƒ947.237.- |
| Xe | Afd. | Brandweer | ƒ23.148.- |
| XIe | Afd. | Pensioenen, wachtgelden, onderstanden en toelage, zoomede uitgaven voor de waarneming van tijdelijk opengevallen betrekkingen | ƒ309.501.- |
| XIIe | - | Onvoorziene uitgaven | ƒ50.000.- |
| __________ | |||
| Totaal | ƒ7294.099.- |
| De opbrengst van de middelen en inkomsten der kolonie is voor het dienstjaar 1913 geraamd op | ƒ3315 167.- |
| terwijl gerekend is op eene bijdrage van het Moederland van | ƒ869.137.- |
| __________ | |
| Totaal | ƒ4184.304.- |
| zoodat er een met te leenen gelden te dekken te kort is van | ƒ3109.795.- |
| __________ | |
| ƒ7294.099.- |
Het zooeven bedoelde tekort, uit leening te betalen, is daarom zóó hoog, omdat daarin begrepen zijn in vorige jaren gedane uitgaven, welke uit leening moesten betaald worden, maar die wegens het opschorten van de uitgifte van de betrekkelijke leeningen (Immigratieleening, leening voor buitengewone Productieve Werken, en leening op korten termijn), overgeschreven worden op een volgend dienstjaar (1913). Die uitgaven zijn en worden voorloopig betaald uit kasgelden, waarvan eene belangrijke verruiming verkregen is door art. 18 van de Surinaamsche Comptabiliteitswet, die de bevoegdheid geeft om ten bate van de kolonie voorschotten uit 's Rijks schatkist te verkrijgen tot een bedrag van 2 millioen. Dit bedrag is voor de jaren 1912 en 1913 bij de wet van den 29sten Juni 1912 (Staatsblad No. 209) verhoogd tot 4 millioen. Voor deze voorschotten betaalt de Kolonie aan het Rijk 3½% rente.
Moet de begrooting definitief door de wet worden vastgesteld, dan wordt (ingevolge art. 2 van de Su-
rinaamsche Comptabiliteitswet), het daartoe strekkend ontwerp uiterlijk op het tijdstip voor de indiening van de Staatsbegrooting, bij art. 124 der grondwet bepaald, aan de Staten-Generaal aangeboden. De wet, houdende definitieve vaststelling der begrooting, wordt door den Gouverneur zoo spoedig mogelijk afgekondigd.
Behalve uit den post voor onvoorziene uitgaven op de daarvoor in de begrootingswet aangewezen artikelen en memorieposten, mogen overschrijvingen van het eene begrootingsartikel op het andere niet plaats vinden dan krachtens algemeene verordening, uitgegaan van de macht, die de begrooting heeft vastgesteld.
Elke begrooting wordt vastgesteld voor een tijdvak van een jaar, loopende van en met 1 Januari tot en met 31 December.
De dienst blijft open: tot en met 31 Maart van het jaar, volgende op het dienstjaar om de werken of gedeelten daarvan en de leverantiën te volbrengen en de goederen te verzenden, waarvan de volbrenging of verzending volgens de verklaring van het hoofd der betrokken administratie, tengevolge van omstandigheden, in die verklaring te vermelden, niet vóór of op den laatsten December van het dienstjaar heeft plaats gehad; tot en met den 31sten December daaraan volgende om alles ten einde te brengen wat het bewerkstelligen van de ontvangsten en het verevenen en ordonnanceeren van de uitgaven betreft.
Zoolang de begrooting niet bij de wet definitief is vastgesteld, kan de koloniale wetgever in de voorloopig vastgestelde begrooting wijzigingen aanbrengen. Is echter de begrooting eenmaal definitief bij de wet vastgesteld, dan mist de koloniale wetgever de bevoegdheid om daarin veranderingen aan te brengen. Om aan deze moeilijkheid tegemoet te komen wordt, wanneer na de definitieve vaststelling wijziging der begrooting noodig is, het volgende middel toegepast. De koloniale wetgever verklaart in eene verordening de wenschelijkheid dat in de definitieve begrooting deze of gene wijziging(en) wordt aangebracht. Daarna wordt door den Minister van Koloniën, wanneer deze met de wenschelijkheidsverklaring instemt, een wetsontwerp aanhangig gemaakt tot wijziging van de definitief vastgestelde begrooting.
Het komt natuurlijk ook wel voor dat de Minister van Koloniën zonder zulk eene wenschelijkheids-verordening een voorstel aanhangig maakt tot wijziging (verhooging) van de definitief vastgestelde begrooting.
Daar, zooals uit het bovenstaande blijkt, de weg om eene eenmaal bij de wet definitief vastgestelde koloniale begrooting gewijzigd te krijgen, een lange is, wordt voor verhooging van de begrooting ten behoeve van de gewone uitgaven zeer zelden eene suppletoire begrooting aanhangig gemaakt, ook al blijken de toegestane credieten onvoldoende en al laat de raming van den post voor Onvoorziene uitgaven niet toe om al de daarvoor bij de begrootingswet vatbaar verklaarde artikelen uit dien post aan te vullen. De weg, dien men gewoonlijk bewandelt, is de volgende:
Zoodra na afloop van het dienstjaar de uitgaven zoo nauwkeurig mogelijk kunnen worden vastgesteld, d.i. ongeveer in de maand Augustus, worden de gezamenlijke artikelen, die niet uit den post voor onvoorziene uitgaven konden worden aangevuld, voorgedragen voor verhooging bij de wet (de zoogenaamde regularisatiewet). Verlaging van artikelen, waarop een overschot is gebleven, wordt tevens alleen dan voorgesteld, wanneer de voorgestelde verhoogingen zouden moeten leiden tot verhooging van de rijksbijdrage. Deze verhooging is echter niet altijd noodig, daar de opbrengst der middelen vaak de raming overtreft met een grooter bedrag dan het totaal der gezamenlijke voorgestelde verhoogingen van de uitgaven.
Hetgeen hiervoren gezegd is over de tot stand koming van de begrooting geldt ook de kolonie Curaçao met dien verstande dat de begrootingen voor de eilanden buiten Curaçao in eerste instantie worden ontworpen door het bestuur dier eilanden en ingediend bij den Gouverneur.
De begrooting voor 1913 voor de kolonie Curaçao, is voorzooveel de uitgaven betreft, gesplitst in de volgende zes afdeelingen, die geraamd zijn op de daarbij vermelde bedragen:
| Curaçao. | Aru |
|---|