terug  begin  verderprepost

C.

Cabale.

Zie MAURICIUS.

Cabocëer.

Zwarte slavenhandelaar in den tijd van den slavenhandel. Zie Hartsinck II, 900 en ook Veth, Uit Oost en West. Arnhem 1889, blz. 137.

Cabomba aquatica

Aubl. Fam. Nymphaeaceae. Sarasara-wiwiri, n.e. Een waterplant met ronde drijvende en fijn-ingesneden ondergedoken bladeren. De kleine bloemen komen boven het water uit en zijn wit van kleur.

Cabriet.

Naam van de geit op Curaçao.

Cacao.

Botanische beschrijving.

Onder cacao verstaat men de zaden van den cacaoboom, die, nadat zij aan een meer of minder langdurig fermentatieproces zijn onderworpen, gedroogd zijn.

De cacaoboom (Theobroma cacao L.) behoort tot de familie der Sterculiaceae, waartoe ook de kolaboom (Cola vera L.). behoort. In Centraal-America wordt ook van de zaden van de aanverwante soort,

[p. 186]

Theobroma pentagona, cacao gemaakt. Het is niet zeker, waar de cacao oorspronkelijk thuis behoort. In vele landen van Zuid- en Centraal-Amerika wordt zij in het wild in de oerbosschen aangetroffen, maar het is altijd moeilijk te zeggen, of zij daar spontaan voorkomt of verwilderd is. Sedert eeuwen cultiveeren de Indianen de cacao en hebben haar over geheel tropisch Zuid-Amerika en Centraal-Amerika verspreid. Wellicht moeten het Orinoco-dal en het Amazone-dal als het oorspronkelijke moederland van de cacao worden beschouwd.

Men onderscheidt twee variëteiten, de Criollo- en de Forastero-variëteit; beide hebben weer onder-variëteiten, terwijl een bevruchting van Forastero door stuifmeel van Criollo gemakkelijk plaats vindt, waardoor hybriden ontstaan, die gewoonlijk eveneens tot de Forastero-groep worden gerekend. De Criollo-variëteiten hebben vruchten met diep gegroefde, bobbelige, doch zachte schil; de zaden zijn groot en rond in doorsnee, wit van kleur; zij bevatten weinig bitterstoffen, worden kort gefermenteerd en leveren een product van zeer fijne qualiteit. De Forastero-variëteiten hebben in 't algemeen een meer gladde, soms een zeer gladde schil; de zaden zijn kleiner en platter, lichtpaars of donkerpaars; zij bevatten meer bitterstoffen, worden langer gefermenteerd dan de Criollozaden en leveren in 't algemeen een product van minder fijne qualiteit. Zij zijn echter krachtiger groeiers en beter bestand tegen ongunstige bodemtoestanden en tegen ziekten. In Suriname worden slechts Forastero-variëteiten geteeld.

In Suriname is de meest voorkomende variëteit tamelijk kort en breed van vrucht, met een gladde en harde schil waarvan de overlangsche groeven ondiep zijn. Zij behoort tot het zoogenaamde Amelonado-type hetwelk weder behoort tot de Forastero-variëteit. De Surinaamsche Amelonado vertoont zich echter op de verschillende plantages in verschillende typen. Het meest voorkomende type is niet ingesnoerd bij den vruchtsteel en zeer afgerond aan de punt en bij den steel. Uit meting van een groot aantal vruchten bleek, dat de afmetingen schommelden om de volgende gemiddelden: lengte 160 cM., grootste doorsnee 85 cM., gewicht 559 gram, waarvan 438 gr. voor de schil en 121 gr. voor zaden en zaadstreng; gemiddeld aantal kiembare zaden 41. Echter komen ook op sommige plantages andere Amelonado-typen voor b.v. typen, die eenigszins ingesnoerd zijn bij den vruchtsteel, of die korterzijn en eenigszins toegespitst of waarvan de groeven op de schil tamelijk diep zijn. De gele kleur der vruchten komt wellicht het meest voor, doch ook boomen met roode vruchten zijn zeer talrijk. Behalve de bovengenoemde typen, die tot de Amelonado-variëteit behooren, komen ook, doch zeldzaam, nog andere varieteiten voor, eveneens behoorend tot de Forastero-groep. Hier mogen genoemd worden de vruchttypen, die in Suriname als ‘Caracas’ en ‘Alligator’ bekend staan, twee slecht gekozen en verwarrende namen, omdat in Venezuela als ‘Caracas’ en in Centraal-Amerika als ‘Alligatorcacao’ (‘Cacao lagarto’) twee geheel andere variëteiten bekend staan (de Venezuela Caracas is de echte Venezuela Criollo, de ‘cacao lagarto’ van Centraal Amerika is Theobroma pentagona). De ‘Caracas’- en ‘Alligator’-boomen zijn meest dochterboomen van moederboomen, waarvan het zaad in lateren tijd uit Venezuela of Trinidad is geimporteerd. De Surinaamsche ‘Caracas-cacao’ heeft vruchten die langer zijn dan de gewone Surinaamsche Amelonado ofschoon toch vrij kort, niet ingesnoerd bij den steel; de groeven van den vruchtwand zijn dieper, de oppervlakte iets meer wrattig, de kleur rood. De Surinaamsche ‘Alligator-cacao’ heeft een langwerpige, in een scherpe punt toeloopende vrucht, toegesnoerd bij den steel, met diepe groeven; de kleur is rood of geel.

De zaden van de Surinaamsche cacao zijn plat, donkerpaars van kleur, zeer bitter van smaak. Het gemiddeld gewicht der zaden van het bovengenoemde meest voorkomende type bedraagt 3.1 gram (in verschen toestand).

De cacaoboom bereikt een hoogte van 4 à 7 Meter. Op de Surinaamsche plantages worden de boomen in 't algemeen niet hooger dan omstreeks 5 Meter, in het eenigszins heuvelachtige binnenland zijn de afmetingen wat grooter, de vruchtdracht echter geringer. Onder normale omstandigheden, d.w.z. wanneer de boom in zijn jeugd niet te veel, doch ook niet te weinig schaduw heeft gekregen, vertakt hij zich op een hoogte van ongeveer 1.20 tot 1.50 Meter in drie tot vijf hoofdtakken, die de zijtakken en de bladerenkroon dragen. Daarnevens ontwikkelen zich nog van uit den stam en uit de hoofdtakken een meer of minder groot aantal waterloten, die, wanneer zij niet verwijderd worden, deelnemen aan de vorming van de kroon. Deze is van nature bij den cacaoboom zeer dicht.

De bladeren zijn enkelvoudig en leerachtig; zij zijn voorts gekarakterizeerd door twee duidelijke geledingen, één gezeten bij den overgang van bladschijf in bladsteel, en één bij de inplanting van den bladsteel aan den tak. De cacaoboom maakt in Suriname een oppervlakkig wortelstelsel, wat een gevolg is van den hoogen stand van het grondwater en de compactheid van den kleibodem. Een penwortel ontbreekt of gaat althans spoedig teloor. De bloesems ontwikkelen zich òf solitair òf in groepen van 2 tot 6 of meer aan den stam en aan de takken. Eigenaardig zijn de 5 bloembladeren, die bestaan uit twee gedeelten, een eenigzins komvormig basaal gedeelte, waaraan een lintvormig deel is bevestigd, dat aan 't uiteinde lepelvormig verbreed is. Ieder der 5 meeldraden draagt vier stuifmeelhokjes.

De bestuiving van de cacao is grootendeels zelfbestuiving; de bloemen hebben een hangenden stand en het lichte stuifmeel valt gemakkelijk uit de stuifmeelhokjes op den stempel. Bij boomen, die dicht op elkaar staan, zooals in de aanplantingen altijd het geval is, is ook bestuiving van bloemen van den eenen boom door stuifmeel uit bloemen van den anderen boom mogelijk. Medewerking van insecten vindt bij de bestuiving van de cacao niet plaats. De bloemsteel bestaat uit twee gedeelten, een meestal zeer kort basaal gedeelte en een langer distaal deel. Terwijl de vrucht zich ontwikkelt, ontwikkelt zich het distaal gedeelte tot de eigenlijke vruchtsteel, het basaal deel wordt tot het zoogenaamde ‘vruchtkussen.’. Hierop ontwikkelen zich later opnieuw bloemknoppen. De kleur van de vrucht is bij rijpheid rood of geel, maar dit kenmerk is van geen belang. Wel is waar hoort men vaak de bewering dat de boomen met roode vruchten productiever zijn, doch dit is een dwaling.

Geschiedenis.

Naar men zegt, bracht reeds in 1684 Ridder de Châtillon de eerste cacao-zaden uit Trinindad of uit het Orinoco-gebied naar Suriname. (Zie voor de geschiedenis van de Cacao en de cacaoplantages de Surinaamsche almanak voor 1909.)

Omstreeks 1700 werden de eerste aanplantingen van beteekenis aangelegd en volgens het Essai his-

[p. 187]

torique, Paramaribo 1788, deel II blz. 88 werd er in de jaren 1706, 1707, 1715, 1716, 1718 en 1725 uitgevoerd respectievelijk 900, 925, 400, 800, 1200 en 390 pond. Daarna begint de uitvoer geleidelijk te stijgen. In 1744 bedroeg hij 407021 en in 1745 reeds 674749 pond. Daarna had er een daling plaats die, met groote schommelingen, aanhield tot 1774, in welk jaar de uitvoer 516630 pond bedroeg. In 1787 werd 802724 pond uitgevoerd.

Het eerste gedeelte van de 19de eeuw was een ongelukkige tijd voor Suriname en evenals van vele andere voortbrengselen ging ook van cacao de uitvoer achteruit.

Volgens een tabel voorkomende in het 2e deel van Js. van den Bosch, Nederl. Bezittingen in Azia, Amerika en Afrika. 's-Grav. en Amst. 1818, werd naar Engeland uitgevoerd:

van 11 Mei 1804-11 Mei 1805 128,673 pond.
van 12 Mei 1805-12 Mei 1806 273,488 pond.
van 12 Mei 1806-12 Mei 1807 185,204 pond.
van 12 Mei 1807-12 Mei 1808 135,411 pond.
van 12 Mei 1808-12 Mei 1809 119,865 pond.
van 12 Mei 1809-12 Mei 1810 110,550 pond.
van 12 Mei 1810-12 Mei 1811 88,245 pond.
van 12 Mei 1811-12 Mei 1812 112,330 pond.
van 12 Mei 1812-12 Mei 1813 119,559 pond.

bovendien naar de Vereenigde Staten en elders

van 12 Mei 1807-12 Mei 1808 2,690 pond.
van 12 Mei 1809-12 Mei 1810 3,305 pond.

Zie ook Surinaamsche Almanak 1890 blz. 102 en volgende jaren.

In het midden van de 19de eeuw werd de cacao-cultuur echter weer belangrijker; gedeeltelijk was dit een gevolg van veel vraag uit Amerika, gedeeltelijk van den achteruitgang van de suiker-industrie, waardoor vele suikerplantages in cacaoplantages werden omgezet.

Van af dit tijdstip werd de oppervlakte waarop cacao werd verbouwd steeds uitgebreid en nam de uitvoer geregeld toe; hij bedroeg in 1870 500.000 K.G. in 1880 ongeveer een millioen K.G. en in 1895 bijna 4½ millioen K.G. (4.456.300 K.G.) Dit is het hoogste export-cijfer dat tot nu toe bereikt is. Van af dit jaar vond een belangrijke achteruitgang van den uitvoer plaats, een gevolg van de krullotenziekte, die omstreeks 1895 de cacao-cultuur merkbare schade begon toe te brengen en van jaar op jaar in hevigheid toenam. In 1904 bedroeg de uitvoer niet meer dan 854.600 K.G. Dit was het meest critieke jaar. Daarna is de productie weer geleidelijk gestegen.

De uitvoercijfers volgen hieronder; alleen voor die van de jaren 1893 e.v. is bekend welk aandeel de plantages (groote landbouw) en welk aandeel de kleine landbouwers gehad hebben aan dien uitvoer.

Zie de tabel in nevenstaande kolom.

De locale consumptie kan geschat worden op 500 balen van 100 K.G. De geheele productie bedraagt dus ongeveer den uitvoer vermeerderd met 500 balen.

Uitvoer. Kilogr.
1820 4.357½
1830 9.222½
1840 91.492
1850 82.510½
1860 271.867½
1870 582.154½
1880 1.052.428½
1890 2.207.841
1891 2.237.545½
1892 1.689.175

Omtrent de met cacao beplante oppervlakte zijn, wat de plantages betreft, eerst in 1908 betrouwbare gegevens verzameld. Daaruit bleek, dat de oppervlakte der cacaovelden op de gezamenlijke plantages bedroeg:

Balen van 100 K.G., geproduceerd door:

de plantages. den kleinen landbouw. Totaal.
1893 27.880 7.010 34.890
1894 26.456 6.035 32.491
1895 31.661 12.902 44.563
1896 24.405 8.620 33.025
1897 28.292 7.530 35.822
1898 22.187 6.117 28.304
1899 33.958 4.641 38.599
1900 18.639 10.633 29.272
1901 23.840 7.794 31.634
1902 16.833 6.718 23.551
1903 13.535 8.611 22.146
1904 4.875 3.665 8.540
1905 9.164 7.654 16.818
1906 7.925 6.780 14.705
1907 9.120 7.132 16.252
1908 9.320 7.672 16.992
1909 11.432 7.543 18.975
1910 12.481 5.349 17.830
1911 9.386 4.481 13.867
1912 5.864 2.776 8.640

akkers.
1893 12.700
1894 13.302
1895 13.632
1896 13.675
1897 14.435
1898 15.041
1899 15.370
1900 15.230
1901 15.598
1902 15.750
1903 15.828
1904 14.677
1905 14.091
1906 13.874
1907 13.781
1908 13.481

De vermindering in oppervlakte die sedert 1903 heeft plaats gevonden, is een gevolg van het feit, dat vele velden door groote sterfte onder de boomen verlaten moesten worden. Die sterfte werd grootendeels veroorzaakt door de instervingsziekte (zie hieronder) welke weer een gevolg was van de krullotenziekte.

Omtrent de oppervlakte, die bij de kleine landbouwers in cacaocultuur is, bestaan geen betrouwbare gegevens; de officieele cijfers zijn geheel onbetrouwbaar. Bij ruwe schatting kan men zeggen dat bij de kleine landbouwers omstreeks 1908 een iets grootere oppervlakte dan bij den grooten landbouw, dus om en nabij de 15.000 akkers in cacaocultuur waren.

Ligging der plantages en grondjes.

De cacaoplantages zijn alle gelegen in de alluviale kuststrook, waar de zware doch rijke zeeklei een uitstekende bodem voor den cacaoboom is. Zij liggen bijna alle aan de oevers van de rivieren, en zijn als volgt over de kolonie verdeeld: 28 liggen langs de Commewyne-rivier, 26 langs de Suriname-rivier, 11 langs de Saramacca, 1 aan de Cottica, 3 aan de Nickerie-rivier, 1 aan de Pararivier. Slechts 3 cacaoplantages liggen niet langs de rivieren, doch in het district Coronie, aan de zeekust. Het geheel aantal cacao-plantages bedraagt dus thans 73. Op de cacaoplantages wordt vaak ook de bacovencultuur beoefend, terwijl op sommige een, meestal kleine, oppervlakte met Liberia-koffie is beplant.

De ligging aan de rivier is noodzakelijk met het oog op den afvoer van het regenwater ten behoeve waarvan, in verband met de vlakke ligging van het alluviale terrein, een uitgebreid systeem van drai-

[p. 188]

neergooten aanwezig is. (Zie verder onder PLANTAGE).

De ‘grondjes’ der kleine landbouwers liggen meerendeels ook aan de rivieren en zijn in hoofdzaak in het klein op dezelfde wijze aangelegd als de plantages.

Aard van den bodem.

De bodem der plantages bestaat uit zware maar rijke zeeklei. Hier en daar loopt door de klei een ‘zandrits’. Ook op deze zandgronden, die trouwens in den regel tamelijk veel klei bevatten, groeit de cacao in 't algemeen goed. Alleen wanneer die zandritsen veel schelpen bevatten, zijn zij gewoonlijk arm. Een bijzonder zandige, doch rijke grondsoort vinden wij in het district Coronie, waar behalve een drietal cacaoplantages ook vele cacaogrondjes voorkomen. De kleigrond is in den regentijd zeer glibberig; in den drogen tijd is hij zeer hard en krijgt dan groote scheuren. Van de vele analyses, die van de Surinaamsche kleigronden gemaakt zijn, moge er hier een vermeld worden, die indertijd door Prof. Harrison in Demerarij is gemaakt; deze bodem kan worden beschouwd te zijn van gemiddelde samenstelling.

Organische bestanddeelen en water 15.452
Phosphorzuuranhydride 0.139
Zwaveloxyd 0.358
Chloor sporen
Yzeroxyd 7.567
Aluminium 14.668
Mangaanoxyde 0.108
Calciumoxyde 0.495
Calciumcarbonaat nihil
Magnesiumoxyde 1.071
Kaliumoxyde 1.072
Natriumoxyde 0.258
Onoplosbare silicaten 59.438
  __________
  100.000
Stikstofgehalte 0.306

De samenstelling der Surinaamsche kleigronden is merkwaardig wegens het hooge kaliumgehalte en de geheele afwezigheid van calciumcarbonaat. Ook het hoog ijzergehalte is opvallend.

Wanneer men een stuk oerbosch of secundair bosch (‘kapoewerie’) in cultuur wil nemen, behoeft in Suriname gewoonlijk niet in bijzonderheden nagegaan te worden, of de grond geschikt is voor cacaocultuur; wel moet men nauwkeurig nagaan, of de ligging een goede drainage toelaat; men weet bij ervaring, dat de alluviale klei, zich steeds leent voor cacaocultuur, al wordt ook op verschillende plaatsen lang niet dezelfde hoeveelheid product verkregen. Er is dus op verschillende plaatsen in de alluviale kleizone wel verschil in vruchtbaarheid ten opzichte van de cacao. Sommige planters meenen dit op het oog eenigszins te kunnen nagaan; zij noemen dan de beste soort klei, die naar hun inzien, de mooie kleur der vruchtbaarheid vertoont, ‘boterland’. Al te veel waarde moet echter aan zulk een beoordeeling niet worden gehecht. Een betere aanwijzing omtrent de waarde en de vruchtbaarheid van het land vormt de flora die het bedekt. Het voorkomen van wilde planten uit de familie der Musaceën (vooral de palaloe, Heliconia Bihai L.) en van zekere palmsoorten, zooals de palissadepalm (Euterpe oleracea) en de koningspalm (Oreodoxa regia). wordt als een bewijs van vruchtbaarheid beschouwd.

Cultuur.

Wanneer het bosch gekapt is, wordt het hout in het midden van het bed in lengterichting gelegd, zoodat er aan iederen kant plaats overblijft voor één of twee rijen bananen of bacoven. Algemeen gebruikt men op de ondernemingen óf bananen óf bacoven als tydelijke hulpschaduw voor de jonge cacao. In vroeger tijden werd hiervoor overal de banaan gebruikt, omdat deze op de locale markt hooge prijzen opbracht; sinds de bacovencultuur tot stand kwam, werd meer de bacove gebruikt. Door de kleine landbouwers wordt echter gewoonlijk onmiddellijk na de ontbossching mais gezaaid en één oogst mais van het land gehaald. Somtijds wordt dit ook op de plantages gedaan. De kleine landbouwer plant dan tegelijk met of kort na 't uitzaaien van de mais bananen en bacoven.

Bacoven zijn in verschillende opzichten geschikter als hulpschaduw. Zij groeien gemakkelijker dan bananen en nemen ook minder goeden grond voor lief; zij kunnen ook verscheidene jaren achtereen op het veld blijven zonder noemenswaard achteruit tegaan. De banaan daarentegen gaat soms reeds na 1 of 2 oogsten merkbaar achteruit. Heeft men dan niet tijdig gezorgd, schaduwboomen voor blijvende schaduw te planten, dan staat de jonge cacao plotseling zonder voldoende schaduw. Dit is dikwijls de oorzaak geweest van het afsterven van jonge cacaoboomen, vooral op gronden van kleine landbouwers, wier zorgelooze cultuurwijze den spoedigen achteruitgang der bananen in de hand werkt, terwijl zij ook gewoonlijk te laat beginnen met het planten der schaduwboomen. Het is daarom op niet al te rijken grond altijd wenschelijk den kleinen landbouwer te bewegen, niet alleen bananen maar liever om en om een rij bananen en een rij bacoven te planten. Op zandgrond groeit de bananenbacove of ‘Gros Michel’ het beste, op kleigronden is de appelbacove de gemakkelijkste groeier.

De plantwijdte is voor bananen gewoonlijk 8 à 10 voet, voor bacoven 12 à 15 voet.

Behalve deze beide gewassen gebruikt de kleine landbouwer ook vaak kassave en tajer. Van de kassave worden dan dikwijls drie stekken op een afstand van 1 à 2 voet om de jonge cacao geplant. De kleine landbouwer is trouwens, wat betreft de tijdelijke schaduw voor de cacao, vrij zorgeloos. Gewoonlijk worden de bananen en bacoven te dicht geplant en de bijplanting van kassaven, tajers, vruchtboomen en andere gewassen, is niet zelden oorzaak, dat de cacao te veel schaduw krijgt en ijl en spichtig opgroeit.

Zijn eenmaal de bananen of bacoven opgegroeid, dan wordt de cacao ertusschen uitgeplant of uitgezaaid. Dit vindt soms reeds in het eerste jaar plaats, maar niet zelden wacht men totdat men meent, dat de opbrengst, die bananen of bacoven geven, begint te verminderen, of om een andere reden de cultuur niet meer voldoende rendabel wordt geacht. De uitzaaiing der cacao geschiedt in het veld, of men heeft eerst plantjes in pépiniéres opgekweekt en plant ze van hieruit op hun definitieve plaats.

Men maakt de pépinière op een goed plekje grond dat van te voren goed bewerkt wordt. Hier worden bedjes gemaakt van 4 à 6 voet breedte, gescheiden door paden van 1 of 1½ voet breedte. De zaden worden uitgelegd in rijen, de rijen op onderlingen afstand van ongeveer 1 voet, de zaden in de rij op denzelfden afstand. De pépinière wordt overdekt met een dak, gewoonlijk gemaakt van bladeren van de palissadepalm of eenige andere palmsoort. Tegen den tijd, dat de planten in het vrije veld moeten gebracht worden, wordt het dak geleidelijk uitgedund, ten einde de planten te harden en te gewennen aan het zonlicht. Wanneer de planten 1½ à 2 voet hoog

[p. 189]

zijn, worden zij verplant. Zij worden voorzichtig uitgestoken met een flinke kluit aarde, die door een bacove-blad vastgebonden en tegen uiteenvallen beschermd wordt.

Het voordeel van het pépinière-systeem is, dat men de jonge planten beter alles kan geven wat zij noodig hebben; zij worden begoten, wanneer het droog is, bespoten tegen insecten of schimmelziekten, beschermd zoo noodig tegen ratten of herten - maatregelen die bij uitzaaiing in het veld niet zoo gemakkelijk zijn toe te passen. In het veld uitgezaaide jonge planten hebben niet zelden te lijden door allerlei ongunstige omstandigheden; hun grootste vijand is zeker de veenmol of ‘koti-koti’ (Scapteriscus didactylus) die soms in een enkelen nacht honderden jonge plantjes bij den bodem afknaagt en doet omvallen.

De beste tijd voor uitzaaien en uitplanten is de ‘kleine regentijd’, die op den ‘grooten drogen tijd’ volgt, dus November tot Januari. De afstand, waarop de cacao in het veld wordt geplant, werd in vroeger jaren zeer dicht genomen, 12 voet en soms zelfs minder. Later meer algemeen 15 voet, nog later 18 voet. Een tijdlang heeft de neiging bestaan, den afstand nog te vergrooten. Tegenwoordig wordt de cacao meest geplant op onderlinge afstand van 15 bij 18, of 18 bij 18, of 15 bij 22 voet.

Voor blijvende schaduw wordt in Suriname algemeen gebruikt de Erythrina-soort, die ook reeds in de tijden van de koffiecultuur als schaduwboom voor de koffie werd gebruikt en toen den naam ontving, die hij ook nu nog op de cacaoplantages behouden heeft, nl. ‘koffimama’ (Erythrina glauca). Hier en daar vindt men ook enkele exemplaren van een zeer nauw verwante soort, Erythrina velutina, de in het laagland van Trinidad algemeen als schaduwboom gebruikte ‘bocare’. De koffimama beantwoordt uitstekend aan het doel. Zij groeit snel, zelfs op den meest compacten kleigrond, laat zich gemakkelijk door stekken voortplanten, geeft een uitstekende, niet te dichte schaduw en verschaft door den jaarlijkschen bladafval, die in den grooten drogen tijd plaats vindt (September-November), een mooie, niet te snel verweerende bladlaag op den grond.

De koffimama heeft om zoo te zeggen niet te lijden van ziekten en plagen. Wel is waar worden de boomen jaarlijks in de maanden Januari-Maart sterk afgevreten door een dikke bruine rups, maar die plaag duurt slechts betrekkelijk kort en de boomen maken spoedig daarop weer nieuw blad. De vlinder van deze rups (‘koffimama-vlinder’) is een dikke, logge bruine avondvlinder, die vaak op het lamplicht afkomt.

Het eenige bezwaar van dezen uitstekenden schaduwboom is, dat hij geregeld moet worden opgesnoeid. Ten behoeve van de cacao moeten de kroonen een dak vormen hoog boven den cacaoboom; de koffimama moet geen lage takken hebben, die dicht boven den cacaoboom hangen en een vrije luchtspeling hinderen; omdat nu de boomen altijd weer zulke takken vormen, is geregeld opsnoeien noodzakelijk. De scherpe doorns van den boom bemoeilijken wel eenigszins dit werk, doch vormen toch geen groot bezwaar.

Tegelijk met het uitplanten of uitzaaien van de cacao worden de stekken van de koffimama geplant. Men gebruikt hiervoor gewoonlijk stekken van 3 of 4 voet lengte. Deze worden gewoonlijk geplant in een rij op het midden van ieder bed. Zoodoende komen de rijen op een onderlingen afstand van ongeveer 30 voet; als afstand in de rijen wordt gewoonlijk 50 à 80 voet genomen.

De teelt op de ongeveer 30 voet breede bedden, welke gescheiden zijn door recht gegraven kleine trenzen, en die ieder beplant zijn met twee rijen goed gevormde cacoboomen en een rij koffimama's in het midden, geeft aan de cacaovelden op de Surinaamsche plantages een ordelijk aanzien. De cacaoboomen zelf maken ook een goed verzorgden indruk; nooit kweekt men den cacaoboom op meer stammen, zooals in Ecuador en San Thomé, en de waterloten worden geregeld verwijderd. De bekende cacaokenner Preuss zegt dan ook in zijn boek ‘Expedition nach Central und Süd Amerika’: ‘Terwijl de cacaoplantages, die ik in Suriname zag, vergeleken mogen worden met wel-verzorgde tuinen, moeten die in Trinidad echte plantages worden genoemd, terwijl die in Ecuador meer op bosch en soms zelfs op kreupelbosch gelijken’.

Zijn de cacao en de koffimama eenmaal geplant, dan bestaat het veldwerk in wieden, onderhouden van het drainagestelsel, bestrijden van ziekten en plagen, snoeien en plukken.

Omwerken van den grond vindt zelden plaats. Soms echter, wanneer een veld zwak staat, vorkt men den grond om, en spaart daarbij om de boomen een kring van 3 tot 6 voet, al naar gelang van leeftijd en ontwikkeling. De boomen zijn hiervoor zeer dankbaar en ondervinden in het geheel geen nadeel van den wortelsnoei, die daarbij plaats vindt. De arbeiders zijn bij het omvorken voorzien van een houwer om de wortels glad af te snijden. Een geregelde omvorking van al de velden wordt echter niet toegepast wegens de hooge kosten (dure arbeid).

Twee à viermaal per jaar wordt er gewied (‘gewaaid’). In den regentijd, dus vooral in Mei en Juni, groeit het onkruid zeer snel, in den drogen tijd echter (September-November) behoeft men niet zoo spoedig het wieden te herhalen.

In het meest kritieke jaar van de cacaocultuur, 1904/1905, toen de opbrengst door de krullotenziekte zeer gering was, moesten de planters zeer zuinig zijn. In dien tijd werd het wieden zoowel als het andere werk tot het hoognoodige beperkt en de velden bleven dikwijls langer dan een half jaar onder onkruid (‘wied’, zegt de Surinaamsche planter). Wanneer op de velden zoogenaamd onschadelijk onkruid of ‘zacht wied’ stond - en dit onkruid is op goeden grond bij voldoende schaduw altijd overheerschend - dan leed de cacaoboom onder dit onvoldoende wieden veel minder dan men zou verwachten en dan bleek het, hoe weinig gevoelig de cacao (in vergelijking van koffie b.v.) voor onkruid is. Op gronden echter, waar schadelijk onkruid of ‘hard wied’ (voornamelijk grassoorten) overheerschend was, b.v. op plaatsen met weinig schaduw, was het gevolg van het onvoldoende wieden zeer duidelijk.

Het wieden geschiedt met behulp van den gewonen houwer.

De hevige regens spoelen aarde en gevallen bladederen van de bedden in de kleine trenzen; daarom moeten deze ieder jaar of althans iedere twee jaar uitgediept worden. Ook de hoofdtrens moet geregeld worden gezuiverd van waterplanten, die het doorstroomen van het water verhinderen en dus de drainage of ‘loozing’ bemoeielijken, en die ook bij het varen met booten en ponten hinderlijk zijn.

Snoeien wordt door sommige planters voor absoluut noodzakelijk gehouden; zij achten het voor een goede vruchtdracht noodig de kroon van binnen open te houden; anderen echter snijden geen andere takken weg dan de doode en de waterloten. Evenals

[p. 190]

in de andere landen zijn dus ook in Suriname de meeningen over het snoeien van de cacao zeer verdeeld. Nooit worden waterloten echter met opzet aan den boom gelaten; nooit wordt een waterloot gespaard tot vorming van een tweede kroon boven de eerste en zulk een ‘tweede étage’ zooals men die op Java vindt, wordt hier nooit toegelaten. Alleen wanneer de boom is beschadigd of zich in slechten toestand bevindt - wanneer hij b.v. sterk geleden heeft door boorders - laat men een waterloot aan den voet van den boom opgroeien om zoo den boom te verjongen.

Het plukken geschiedt met behulp van den houwer bij de vruchten, die aan den stam en de lagere takken gezeten zijn. De vruchten, die hooger in den boom zitten, worden geoogst met behulp van de zoogenaamde ‘cacaohaak’, een soort mes, bevestigd aan een langen stok. Het mes is zoo geplaatst dat men daarmee de vruchten van den boom kan stooten, terwijl het mes nog van een haak of liever haakvormig mes is voorzien, waarmee men de vruchtsteel met een trekbeweging kan doorsnijden.

Productie.

Omtrent de opbrengst per akker zijn eerst bij het bestudeeren van de krullotenziekte betrouwbare gegevens verzameld. Uit de cijfers van de totale oppervlakte in cacaocultuur op de plantages en de geproduceerde hoeveelheden cacao, bleek, dat in 1893-1899 de volgende gemiddelde opbrengst per akker werd verkregen:

1893: 219 K.G.
1894: 199 K.G.
1895: 232 K.G.
1896: 178 K.G.
1897: 196 K.G.
1898: 147 K.G.
1899: 221 K.G.

Gemiddeld voor de 7 jaren 199 K.G.

Bij het beoordeelen dezer cijfers moet men echter bedenken, dat in 1895-1899 de productie reeds bij een zeker aantal ondernemingen ten gevolge van de krullotenziekte verminderd was. Was deze ziekte niet opgetreden, dan zou dus ook de gemiddelde productie een weinig hooger geweest zijn.

Uit deze cijfers blijkt reeds, dat de productie in opvolgende jaren zeer verschilt en dat ‘goede cacaojaren’ (1893, 1895, 1899) met ‘slechte’ (1898) afwisselen.*) Dat is den cacaoplanters trouwens welbekend. Het blijkt nog duidelijker als men de productiecijfers van bepaalde plantages nagaat, b.v.:

Productie van een 4-tal plantages uitgedrukt in balen van 100 K.G.

Concordia. Johanna Catharina Sorgvliet Tourtonne.
1889 561 425 - -
1890 521 314 - -
1891 601 248 612 475
1892 272 186 352 507
1893 667 362 791 804
1894 673 308 672 662
1895 476 481 383 826
1896 605 461 629 311
1897 - - 1046 447
1898 - - 570 441
1899 - - 834 596

Uit de cijfers, hierboven opgegeven betreffende de gemiddelde productie per akker van alle plantages dooreengenomen, blijkt, dat de productie kan gezegd worden teschommelen om een gemiddelde van 2 balen (200 K.G.) per akker. Op goed onderhouden plantages, op rijken grond, wordt wel een hooger gemiddelde verkregen; er zijn exceptioneele jaren geweest waarin een plantage 3, misschien 3½ baal per akker maakte, maar indien in een opvolgende reeks van jaren op een plantage een gemiddelde oogst van 2½ baal (250 K.G.) per akker werd gemaakt, dan mocht dit reeds als hoog worden bescohuwd.

Intusschen zijn in de laatste 10 jaren ten gevolge van de krulloten-ziekte de opbrengstcijfers zeer gedaald, zooals hieronder nog nader zal worden uiteengezet.

Bloeitijd en oogsttijd.

Aan het einde van den grooten drogen tijd (omstreeks November) begint de hoofdbloei van de cacao en deze duurt gewoonlijk tot omstreeks Februari. De vruchtrijping duurt 4 maanden en de groote pluk vindt plaats van Maart tot Juli. Het eene jaar vindt deze wat eerder of later plaats dan het andere; ook op verschillende plantages is de tijd van den hoofdoogst eenigszins anders. De volgende cijfers geven een indruk van wat in de verschillende maanden geplukt wordt; zij geven in balen van 100 K.G. de hoeveelheden aan, die in de verschillende maanden door de opkoopers van de planters zijn opgekocht in 1909 en 1910; de oogst heeft in 't algemeen gesproken, omstreeks een maand eerder plaats gevonden:

1900 1910
Januari 121 124
Februari 249 156
Maart 614 368
April 1264 2958
Mei 6249 3360
Juni 5683 5009
Juli 2290 3543
Augustus 953 1654
September 592 760
October 366 827
November 325 891
December 236 774

Ziekten en plagen.

Van de in Suriname in de cacao voorkomende ziekten en plagen komen er twee op alle ondernemingen voor en eischen een voortdurende bestrijding; dit zijn de krullotenziekte en de boorderplaag. Daarnaast vertoonen zich somtijds de volgende belangrijke ziekten: de instervingsziekte, de kanker, het zwart worden der vruchten, en van de dierlijke vijanden; de thrips en de koti-koti. Van de grootere dieren zijn herten soms schadelijk. Van minder beteekenis zijn de spanrupsjes (of ‘landmeters’ zooals men in Suriname, zegt), die de jonge nog rosa-kleurige bladeren der zich pas ontplooiende twijgen afvreten, en vogels en apen, die de rijpe kolven openbreken en uitvreten.

De krullotenziekte, welke zich ook uit als ‘versteening der vruchten’, is de schadelijkste van alle cacao-ziekten in Suriname. Het is moeilijk te schatten, hoe groot het geldelijk verlies is, dat zij veroorzaakt heeft, maar in alle geval is dit verlies zeer groot. Men bedenke, dat de ziekte, die omstreeks 1895 in het Saramacca-district merkbare schade begon aan te richten en zich allengs verbreidde over de overige districten, in 1903 aan de totaal-productie reeds een achteruitgang had berokkend, die getaxeerd mag

[p. 191]

worden op 230.000 K.G., ter waarde van ongeveer ƒ140.000, en in 1904 - het meest kritieke jaar - op een verlies van 330.000 K.G., ter waarde van ongeveer ƒ198.000. Men mag nl. aannemen, dat in die jaren de productie slechts resp. 22.146 balen en 8.540 balen bedroeg, terwijl zij normaliter minstens 45.000 balen zou bedragen hebben (ongeveer 30.000 van den grooten landbouw en minstens 15.000 van den kleinen landbouw).

Uit de productiecijfers van de jaren na 1900 is trouwens te zien, hoezeer de productie door de ziekte verminderd is.

Hoe de plantages door de ziekte geleden hebben, springt nog meer in het oog, wanneer men van enkele plantages de productiecijfers nagaat. Als voorbeelden mogen de plantages Leliëndaal, Belwaarde en Berlijn gekozen worden, wier productiecijfers in 1898-1909 hieronder volgen.

Leliëndaal. Belwaarde Berlijn.
1898 562 315 470
1899 660 570 778
1900 505 237 436
1901 544 492 362
1902 377 309 235
1903 278 159 115
1904 26 19 49
1905 44 80 118
1906 41 53 134
1907 109 61 128
1908 144 97 122
1909 169 155 358

Ook uit deze cijfers is weer te zien, dat de productie door de krullotenziekte gedaald is, totdat in het meest kritieke jaar (voor bovengenoemde plantages was dit 1904) het minimum werd bereikt. Opmerkelijk is het dat daarna weer geleidelijk een stijging der productie heeft plaats gehad, ofschoon op deze plantages geen bijzondere bestrijdingsmaatregelen tegen de ziekte waren genomen, een gang van zaken die zich ook op andere plantages algemeen heeft voorgedaan. Het is echter duidelijk, dat ondanks die stijging de productie nog altijd ver ten achter is bij wat zij behoorde te zijn en dit zal zeker zoo blijven op de ondernemingen, die geen bestrijdings-middelen toepassen.

Wat de ziektesymptomen betreft, het meest in het oog vallend zijn de abnormaal dikke (hypertrophisch ontwikkelde) twijgen, die de thans algemeen gebruikte doch zeer weinig passende naam van ‘krulloten’ hebben gekregen. Krullen of omkrullen is nl. in het geheel geen karakteristieke eigenschap der krulloten, wel echter hun abnormale dikte; de Creolen kozen dan ook een veel karakteristieker benaming toen ze deze loten vergeleken met de opgezwollen beenen van patiënten, die aan filiariosis lijden, en ze ‘bigi foetoe loetoe’ (‘dikke beenen loten’) noemden. De ziekte tast ook vruchten en bloesems aan. Wanneer vruchten zijn aangetast toonen zij vaak een abnormaal dikke steel of een bult; of zij krijgen een zwarte plek, en op deze plaats blijkt dan het weefsel van de vruchtschil zeer hard te zijn geworden (‘versteening’). De zaden der aldus versteende vruchten zijn grootendeels waardeloos; terwijl vruchten, die in hun jeugd reeds een verdikte steel of bult vertoonen, spoedig afvallen. Als het vruchtkussen is aangetast, wat plaats kan vinden wanneer een vrucht werd aangetast en de besmetting door den vruchtsteel in het vruchtkussen drong, brengt dit geen normale bloesem voort doch een dicht opeengedrongen massa van bloemen met eenigszins verdikte stelen (‘sterbloesem’), die geen of slechts kleine, waardelooze vruchtjes voortbrengen. De oorzaak van de krullotenziekte’ is een schimmel (Colletotrichum luxificum). Behalve de gewone gekweekte cacao is ook een in het wild voorkomende cacaosoort (Theobroma speciosum), die in het zuiden van Suriname wordt aangetroffen, vatbaar voor de ziekte. Het lijdt geen twijfel, of de ziekte is van deze wilde cacao indertijd overgegaan op de gekweekte.

Tot nu toe is de ziekte alleen geconstateerd in Suriname en het naburige Britsch Guiana (Demerary). Vermoedelijk echter komt zij ook in Brazilië voor.

Een methode ter bestrijding der ziekte is door het Landbouwproefstation gevonden. Zij bestaat in het sterk insnoeien (‘inkappen’) der aangetaste boomen en het daarna bespuiten van stam en takken met kopersulfaat-oplossing. Wanneer de boomen weer zijn uitgeloopen en vrucht dragen moet voor een geregeld verwijderen der zich vertoonende krulloten en versteende vruchten gezorgd worden.

Sedert een paar jaar zijn op initiatief van den plantage-eigenaar ter Laag ook proeven genomen om te trachten door minder ingrijpende middelen dan de inkappingsmethode voorschrijft de krullotenziekte te bedwingen; deze methode (gewoonlijk methode-ter Laag genoemd) bestaat in het grondig reinigen der boomen, waarbij alle zieke en zwakke takken en twijgen worden afgesnoeid, doch op minder ingrijpende wijze dan bij de inkappingsmethode, gevolgd door het geregeld en herhaald bespuiten der boomen met Bordeaux'sche pap en, evenals bij de inkappingsmethode, het geregeld verwijderen van zieke twijgen en vruchten. Het voordeel dezer methode zou vooral zijn, dat men daarbij niet een geheele oogst verliest zooals bij de inkapping. Over de waarde der methode kan thans echter nog geen zeker oordeel geveld worden. Wel is reeds gebleken, dat ook door deze methode de infectie grootendeels wordt vernietigd en de boomen er na de behandeling als verjongd uitzien. Welke opbrengst de boomen opleveren, is nog niet vastgesteld. Voor oude boomen is de behandeling-ter Laag kostbaarder dan de inkapping, daar het reinigen en voortdurend bespuiten veel arbeid eischt; voor jonge boomen geldt dit bezwaar minder, Verdere proeven zullen echter over de kosten zoowel als over de resultaten meerdere gegevens moeten verschaffen.

De boorderplaag komt eveneens op alle plantages in meerdere of mindere mate voor. De larven van een boktor (Steirastoma depressum) boren in stam en takken hun gangen; zij verzwakken daardoor deze deelen en kunnen oorzaak zijn van het afsterven van takken of zelfs van den geheelen boom. Men bestrijdt de boorders door deze geregeld en zoo spoedig mogelijk uit den stam en de takken uit te snijden; een vaste ploeg van ‘wurmenzoekers’ is daarvoor in dienst. Ook de kevers zelve worden zooveel mogelijk gevangen en vernietigd. Als lokmiddel wordt hierbij gebruikt de schors van de kankantri (Ceiba pentandra).

Vooral in regenrijke tijden is de kankerziekte of roodrot-ziekte oorzaak van het afsterven van cacaoboomen. Zij is kenbaar aan de wijnroode kleur van de schors onder de kurklaag. Een onvoldoende waterafvoer werkt haar in de hand en in de zeer regenrijke maanden April en Mei van het jaar 1907 waren

[p. 192]

het vooral de plantages, welker draineering onvoldoende was, die vele boomen aan deze ziekte verloren. Zij wordt veroorzaakt door dezelfde schimmel, die het zwart worden der vruchten te weeg brengt. (Phytophthora Faberi.)

De instervingsziekte vertoont zich nu en dan en treedt vooral daar op, waar gelegenheid tot wond-infectie bestaat, b.v. wanneer in regenachtige tijden gesnoeid wordt of wanneer door bepaalde omstandigheden de cacaoboomen bladerloos komen te staan of de twijgen verzwakt worden, b.v. door aanvallen van Thrips of door de krullotenziekte, of ook wanneer de boomen plotseling aan zon of wind worden blootgesteld. Door deze oorzaken worden de takuiteinden verzwakt en krijgen licht zeer kleine wondjes, waardoor de schimmel, die de instervingsziekte veroorzaakt (Diplodia cacaoicola) in de takken kan dringen en haar verwoestingswerk beginnen. De ziekte begint aan den top der takken en schrijdt langzaam naar omlaag, waarbij de bladeren der aangetaste takken geel worden en afvallen. Door spoedig de aangetaste takken af te snijden, kan men vaak de ziekte stuiten. Ook in den Pararubberboom (Hevea brasiliensis) komt deze ziekte voor.

De schimmel tast ook cacaovruchten aan, doch schijnt tegenover deze geen groote infectieuze kracht te bezitten; het bederf dat hij teweegbrengt, wordt ‘bruinrot’ van de vruchten genoemd.

In regenachtige tijden met weinig zon worden de halfrijpe en bijna rijpe vruchten niet zelden op vrij groote schaal aangetast door het ‘zwartrot’, welke kwaal eveneens veroorzaakt wordt door de schimmel (Phytophthora Faberi), die den kanker veroorzaakt. De vrucht krijgt daarbij een bruine vlek, welke gewoonlijk begint bij de punt of bij de vruchtsteel; de zieke plek breidt zich spoedig uit en de kleur wordt daarbij donkerder en eindelijk zwart. Een luchtige, niet te dichte stand der boomen, niet te zware schaduw, gepaste snoeiing waar de kroon dicht is, en het begraven der vruchtschillen zijn de beste voorbehoedmiddelen. Door bespuiting met Bordeaux'sche pap kan men de kwaal, waar zij begint op te treden, in toom houden.

De thrips (Physopus rubrocincta) is een klein zwart insect, dat op de achterzijde der bladeren leeft en het sap uitzuigt. De bladeren worden geelachtig en vertoonen vele kleine, bruine vlekjes; spoedig vallen zij af. Zoo kunnen heele cacaovelden door de thrips ontbladerd worden; de boom maakt dan wel nieuw loof; maar niet zelden herhaalt de thrips zijn aanval; de boom tracht dan nog enkele kleine blaadjes te maken maar is vaak niet instaat, zich opnieuw te herstellen. De vatbaarheid van zulke boomen voor de bovengenoemde instervingsziekte verhaast vaak hun afsterven. Het beste voorbehoedmiddel tegen thrips is de boomen in krachtige cultuurconditie te houden.

De West-Indische veenmol of ‘koti-koti’ (Scapteriscus didactylus) kan groote verwoestingen aanrichten onder jonge cacaoplanten. De plantjes worden aan de wortelkraag (de plaats, waar stam in wortel overgaat) afgebeten; wanneer de dieren een plantje hebben aangeknaagd en doen omvallen en dit niet naar hun smaak is, laten zij het plantje liggen en zoeken een nieuw op. Zoodoende kunnen enkele koti-koti's in één nacht een groot aantal planten vernielen. In het veld laten deze vijanden zich moeielijk bestrijden; in de cacaoplantages doet men het best, met het oog op deze vijanden, een pépinière aan te houden, vanwaar uit men eventueel kan bijplanten (‘suppleeren’).

Fermenteeren.

Na den oogst worden de vruchten nog denzelfden of anders den volgenden dag ‘gebroken’, d.w.z. met behulp van den houwer worden de op hoopen gebrachte vruchten opengebroken en de zaden er uit genomen en op uitgespreide pisangbladen gelegd. Dit is meest het werk van vrouwen. De zaden worden in manden gedaan en in booten langs de hoofdtrens of langs de vaartrens naar het fermenteerhuis gebracht. Eerst wordt de hoeveelheid echter gemeten in voor dit doel gemaakte bakken, die 65 cM. lang, 45 cM. breed en 50 cM. hoog zijn. Iedere bak kan 8 K.G. versche zaden bevatten, leverende ongeveer 2½ K.G. markt-cacao.

In Suriname laat men de zaden lang fermenteeren, nl. van vijf tot acht dagen. Wanneer de zaden niet lang genoeg fermenteeren, blijven zij bij het drogen leerachtig en taai in plaats van bros te worden; de zaadhuid blijft dan kleven aan de zaadlobben en kan niet gemakkelijk verwijderd worden, terwijl de kleur paarsachtig blijft in plaats van bruin te worden, zooals de markt dat eischt.

Voor het fermenteeren is gewoonlijk een klein huisje aanwezig, waarin zes tot acht fermenteerbakken zijn. Het huis kan b.v. 10 à 15 M. lang en 5 à 4 M. breed zijn. Iedere bak is 4 à 5 voet breed, 6 à 7 voet lang en 4 à 5 voet diep en geheel van hout gemaakt; ook het huis is van hout, bij voorkeur van bolletrihout (Mimusops balata). De bakken zijn door dubbele wanden gescheiden, die gemakkelijk kunnen worden verwijderd, evenals de losse planken, die den voorkant van de bakken vormen; dit maakt, dat zij gemakkelijk kunnen worden schoon gemaakt. De bodem der bakken bevat gaten om de fermenteervloeistof te laten wegloopen en helt iets naar voren; ook de gecementeerde vloer van het huis, die ongeveer 10 à 20 cM. onder den bodem der bakken loopt, is hellend. Zoo vloeit de fermenteervloeistof in een open goot in de vloer en langs deze verder naar buiten weg.

De versche cacaoboonen worden allereerst in bak no. 1 gelegd en bedekt met frissche bacove-bladeren. Gewoonlijk worden de boonen niet hooger dan 3 voet opgestapeld. Den volgenden dag wordt de cacao in bak no. 2 overgebracht; de temperatuur is dan reeds vrij hoog geworden; bak no, 1 wordt dan schoongemaakt en is weer klaar om de boonen van de vruchten, die dien dag geplukt zijn, te ontvangen. Zoo wordt de cacao iederen dag in een volgenden bak overgeschept en kan het plukken steeds doorgaan wanneer een voldoend aantal bakken aanwezig is. Gewoonlijk is het fermenteeren klaar na vier dagen en vijf nachten. De versche boonen worden in den middag van den eersten dag in bak no. 1 gepakt; den tweeden dag 's morgens worden zij overgebracht in bak no. 2; den derden dag 's morgens in bak no. 3 en zoo voorts tot de fermenteering in den morgen van den vijfden dag is afgeloopen.

Onder ongunstige omstandigheden kan het echter langer, en wel ten hoogste zeven dagen en acht nachten, duren. Zulke omstandigheden zijn: een kleine pluk, waardoor er maar weinig cacao te fermenteeren is (in het begin en op het eind van den oogst komt dit wel voor), voorts: zware regens gedurende het oogsten, en ook: zeer droog weder gedurende het fermenteeren. Het is begrijpelijk, dat de temperatuur in kleine hoopen niet zoo snel stijgt als in grootere, immers de oppervlakte is dan, in verhouding tot den inhoud, groot; ook is het begrijpelijk dat het fermenteeren langzaam gaat als door veel regen in 't veld de pulp van de zaden verdund en gedeeltelijk uitgespoeld is; welke echter de reden is dat

[p. 193]

het fermenteeren langzaam gaat bij droog weder, is voorloopig onduidelijk.

Voor bijzonderheden betreffende het fermenteeren in het algemeen, de chemische omzettingen, die daarbij plaats vinden, en het doel der bewerking raadplege men de handboeken over cacaocultuur.

Drogen.

Het drogen geschiedde in vroeger tijd eenvoudig door middel van de zonnewarmte on hiervoor waren op elke plantage groote ‘droogvloeren’ van steen of steen met cement aanwezig. Op deze vloeren werd de cacao gedurende den dag uitgespreid totdat zij geheel droog was. Iederen dag werd bij zonsondergang de cacao voor den nacht op groote hoopen geschoffeld en met een zeil gedekt om haar tegen dauw te beschermen. Het grootste gedeelte wordt echter geoogst in den regentijd (April tot Juni) en dan was het dikwijls niet mogelijk de cacao droog te krijgen. In tijden dat het veel regende en er weinig zon was ging vroeger dan ook veel cacao verloren door beschimmeling.

Een vooruitgang was het in gebruik nemen van groote houten bakken, die op rails worden voortbewogen en die, als het begint te regenen, snel in de loodsen geschoven en, zoodra de regen ophoudt, weer naar buiten gebracht kunnen worden. Maar ook deze maatregel bleek soms onvoldoende; ofschoon het nat worden voorkomen werd, was er soms zoo weinig zon, dat het drogen te lang duurde en de cacao toch beschimmelde. Daarom nam men zijn toevlucht tot kunstmatige droging en tegenwoordig zijn vele groote plantages in het bezit van een droog-apparaat, waarin de cacao door heete lucht kunstmatig wordt gedroogd.

Het meest wordt gebruikt de ‘Guardiola’ van John Gordon & Cy (Londen); het nadeel waarover in andere landen soms wordt geklaagd, nl. dat de boonen onderhevig zijn aan brekage, wanneer de droger een groote hoeveelheid cacao bevat, werd in Suriname niet ondervonden en het product, dat in de ‘Guardiola’ gedroogd is, is van de beste kwaliteit. Een ander apparaat, het ‘Huizer apparaat’ (J.A. Ceulen & Co., den Haag) wordt op de plantage ‘Voorburg’ gebruikt. Het droogt snel en zeer goed, maar werkt niet zoo goedkoop als de ‘Guardiola’. Op enkele plantages is een klein apparaat van Ph. Mayfarth & Co. (Frankfurth a.M.) in gebruik. Het heeft echter een geringe capaciteit en leent zich minder goed voor het drogen van cacao.

Ofschoon verscheidene plantages in het bezit zijn van een kunstmatig droogapparaat, wordt toch steeds zooveel mogelijk in de zon gedroogd, op de bakken of op den droogvloer. Dit is goedkooper en het product is beter dan wanneer het met kunstmatige warmte gedroogd is. In den grooten regentijd achter moet nu en dan het droogapparaat worden gebruikt.

Veel plantages zijn in het bezit van een groote ‘cacaoloods’, die bestaat uit een benedenverdieping en dikwijls een tweede verdieping; in de benedenverdieping bevinden zich de rails en de droogwagens en hier is ook ruimte om de cacao in zakken te pakken; het wordt gewoonlijk als bergplaats van gereedschappen gebruikt en soms is een afgeschoten ruimte als fermentatiekamer in gebruik.

Verpakking.

De cacao wordt verpakt in balen van 100 K.G. In groote roeibooten worden de balen naar Paramaribo gebracht en hier gewoonlijk verkocht aan de opkoopers, die de cacao verschepen, meestal naar New-York.

Kostprijs.

Hier moge een globaal overzicht volgen van de bedrijfskosten op een plantage van normale afmetingen, 300 akkers, waarvan verondersteld wordt dat er geen nieuwe aanleg plaats vindt en alleen onderhoud van de bestaande volwassen aanplanting van 300 akker.

A. Veldwerk.  
1. wieden (ƒ5 per akker) ƒ1500
2. suppleeren, snoeien en bestrijden van ziekten en plagen (ƒ10 per akker) ƒ3000
3. onderhoud van het draineerstelsel ƒ900
4. plukken, fermenteeren, drogen enz. (van 600 balen) ƒ2400
5. onderhoud van de schaduwboomen ƒ300
6. loonen van hoofdlieden en wachters ƒ1200
  __________
  ƒ9300
B. Immigratiekosten.  
7. Hospitaal-onkosten ƒ900
8. Contracteeringsgelden (de kosten van het repareeren der immigranten-woningen zijn in post 11 begrepen.) ƒ2184
  __________
  ƒ3084
C. Algemeene kosten.  
9. Salarissen van directeuren en opzichters ƒ4500
10. belasting ƒ1000
11. repareeren van gebouwen, booten, sluizen en aanschaffen en repareeren van werktuigen ƒ1500
12. Afschrijving op gebouwen enz. ƒ2000
13. Diversa ƒ616
  __________
  ƒ9616
  _______________
Totaal jaarlijksche uitgaven ƒ22000

Stelt men de opbrengst op 600 balen, dan bedraagt de kostprijs van 1 K.G. cacao 37 cents.

Verkoop.

De cacao wordt, zooals reeds gezegd, meestal verkocht aan opkoopers in Paramaribo, die hem grootendeels naar New-York zenden; een klein gedeelte wordt naar Europa gezonden en in Amsterdam verkocht.

De prijzen, die de kooplieden aan de planters betaalden, waren van 1901 tot 1910 per K.G. in centen als volgt:

Jaar. Jan. April. Juli. Oct. Gem.
1901 74 75 75 72 74
1902 72.5 70 68 68 69
1903 67.5 62.5 60 64 65
1904 63 63 63 63 63
1905 63 61 60.5 57 60
1906 55.5 54.5 55 72.5 56
1907 90 87 93.5 85.5 89
1908 92 80 65 60 72
1909 60 60 60 60 60
1910 54 54 54 54 54

Het gemiddeld bedrag is opgemaakt over alle plantagecacao, die de kooplieden in de genoemde jaren hebben opgekocht. Voor de cacao van de kleine landbouwers wordt een paar cent per K.G. minder betaald.

Plaats van de Surinaamsche cacao op de wereldmarkt.

Verdeelt men de cacaosoorten van alle cacaolanden in twee groepen, bevattende respectievelijk de meer superieure en de meer ordinaire soorten (of

[p. 194]

zooals het bekende vaktijdschrift de ‘Gordian’ ze noemt ‘Edelkakao’ en ‘Consumkakao’) dan behoort de Suriname-cacao nog tot de groep der meer superieure soorten, doch staat hierbij vrijwel onderaan. In volgorde naar qualiteit komen de cacaosoorten, zooveel mogelijk aangeduid door hun handelsnamen, aldus te staan (tusschen haakjes is, waar noodig, het land van afkomst vermeld):

1. Meer superieure soorten: Porto Cabello en Caracas (Venezuela, kuststreek); Guyaquil (Ecuador); Java en Ceylon; Trinidad; Suriname, Grenada en de overige Antillen; Carupano (Venezuela, Orinoco vallei);.

2. Meer ordinaire soorten: Bahia (Brazilië); Kameroen; San Thomé; Samana (San Domingo); Accra (Goudkust); Haiti.

Deze vrij gunstige plaats heeft de Suriname cacao niet zoozeer te danken aan de gunstige eigenschappen van bodem, klimaat of gekweekte variëteit; de boon is nl. klein, zeer donker van kleur en bitter, met een vrij sterk doch niet fijn aroma. De bereiding is echter uitstekend. Zoowel fermenteering als droging der plantagecacao laten niets te wenschen over. Zoodoende wordt een goed bereid en ook een uniform product verkregen.

Litt.: Anthony Blom. Verhandeling over den landbouw in de Colonie Suriname. Haarlem 1786; M.D. Teenstra. De landbouw in de Kolonie Suriname. Gron. 1835, Ie deel; E.J. Bartelink. Handleiding voor kakaoplanters. Amst. 1885 (ook in het Engelsch vertaald); F.A.F.C. Went. De ziekteverschijnselen van de cacaoplant in Suriname. 's Grav. 1903. (Bijlage van het Kol. Verslag 1903.); Idem. Krulloten en versteende vruchten van de cacao in Suriname. (Verhandelingen der Kon. Akad. v. Wetensch. te Amst. Tweede Sectie, Deel X, No. 3). Amst. 1904; Fauchère. Culture pratique du cacaoyer Paris 1906; Van Hall. Cacao-culture (Series of Handbooks on tropical Agriculture, edited by Mac Millan & Co. Ltd. London); Van Hall en Drost. De krullotenziekte der cacaoboomen in Suriname (Bull. No. 16 van het Dep. van Landbouw in Suriname, Mei 1909); A.E. van Hall-de Jonge. Kanker of Roodrot van den Cacaoboom (Bull. No. 20 van het Dep. van Landbouw in Suriname, Nov. 1909), (zie ook Recueil des Travaux botaniques Neerlandais. Vol. VI. 1909); A.E. van Hall-de Jonge en Drost. De instervingsziekte der cacaoboomen en het bruinrot der cacaovruchten. (Bull. No. 21 van het Dep. van Landbouw in Suriname, Dec. 1909), (zie ook Recueil der Travaux botaniques Néerlandais. Vol. VI. 1909); Van Hall. The ‘Krulloten’-disease in a wild growing Cacao-species (Theobroma speciosum), (Society Paper No. 435 of the Agricultural Society of Trinidad and Tobago. 1910); Loth. Overzicht van den Landbouw in Suriname (Bijlage van het Kol. Verslag 1905 en 1906); Preuss. Expedition nach Central und Süd-Amerika (Kolonial Wirthschaftl. Komitee Berlin 1901); Gordian. Zeitschrift für die Kakao-, Schokoladen- und Zuckerwaaren-Industrie etc. (Rieck, Hamburg); Geschiedenis van den Cacao. Surinaamsche Almanak 1909, blz. 110-116; Onze West, onder redactie van W. Kraan, tot September 1909; Cacao in Suriname. Uitgave van de Commissie voor de Kol. Landbouw-tentoonst. te Deventer. 1912; De West, onder redactie van W. Kraan, opgericht October 1909; Surinaamsche Almanak. 1913, blz. 117-121.

 

C.J.J.v.H.

Cacoucia coccinea

Aubl. Fam. Combretaceae. Julimano, n.e. (?) Een liaan met roode bloemtrossen, die veel langs de rivieroevers groeit.

Caesalpinia bonducella

Flem. Fam. Leguminosae. Awari-siri, n.e. Een in alle tropische streken voorkomende, groote klimmende heester, waarvan de takken rechte en gekromde harde, gele stekels dragen. De gevinde bladeren hebben een gestekelde bladsteel met groote steunbladeren aan den voet. De gele bloemen zitten in trossen. De 5-8 cm. lange peul draagt op de kleppen lange stekels. In elke peul zitten 1-2 eironde, loodkleurige zaden.

Caesalpinia ciliata

Urb. Fam. Leguminosae. Djoekoe, ben. e. Heester met dubbel samengestelde bladeren waarvan de blaadjes 1 cm. lang, eivormig zijn; de geheele plant is voorzien van zeer sterk gebogen saamgedrukte stekels, die dikwijls in kransen van drie op den stengel en de bladstelen geplaatst zijn.

Caesalpinia coriaria

Willd. Fam. Leguminosae. Divi divi, Watapaana, ben. e. Divi-divi, bov. e. Boom met dubbel saamgestelde bladeren, waarvan de blaadjes 0,7 cm. lang zijn, bloemen in trossen. De peulen zijn leerachtig, dik, omgekruld en worden gebruikt als looistof. (Zie verder het artikel DIVI-DIVI.)

Caesalpinia pulcherrima

Sw. Fam. Leguminosae. Sabinabloem, sur. Kréré-kréré, n.e. Toetoeroetoe, ben. e. Pride of Barbados, bov. e. Veel gekweekte heester met dubbel samengestelde bladeren en langgesteelde roode of gele bloemen in trossen.

Caiman,

KAAIMAN.

Een geslacht tot de familie der Crocodilidae behoorende. Kaikoetsji, arow. Akare. kar. De in Suriname voorkomende krokodillen behooren allen tot het geslacht caiman, dat zich van de andere krokodillen onderscheidt door het bezit van 18-20 tanden in de bovenkaak, en 17-22 in de benedenkaak. De tanden van de benedenkaak vallen bij gesloten mondopening allen binnen den rand der breedere bovenkaak, terwijl de 4e tand, die de grootste is, past in eene holte van de bovenkaak. De neusbeenderen raken aan de neusopening, zonder evenwel een tusschenschot te vormen. De rug is bekleed met een pantser, dat uit 6 of meer langsrijen van beenachtige, gekielde schubben bestaat; de buikzijde is ook bedekt met beenplaten, die dakpansgewijze over elkaar heengrijpen en die elk voor zich uit 2 naast elkaar gelegen stukken bestaan.

In Suriname komen 3 soorten van het geslacht Caiman voor, nl.: Caiman sclerops Schneid., C. trigonatus Schneid. en C. palpebrosus Cuv. Caiman sclerops heeft het bovenste ooglid gedeeltelijk verbeend, gedeeltelijk vleezig, van boven met verhevenheden en verdiepingen, dikwijls met eene kleine verhevenheid als een soort van horentje. Vlak vóór de oogen draagt deze soort eene verheven lijst, die dwars over den snuit van het eene oog naar het andere verloopt, als de brug van een bril of lorgnet; vandaar de Duitsche naam: Brillenkaaiman. Bij C. trigonatus en C. palpebrosus is het bovenste ooglid geheel verbeend en glad aan de bovenoppervlakte, zonder verhevenheid of horentje; ook ontbreekt bij deze soorten de verheven lijst vóór en tusschen de oogen. Bij C. palpebrosus zijn de rugschilden tusschen de achterste ledematen in 4 rijen gerangschikt, bij C. trigonatus daarentegen in 2 of 3 langsrijen; bij beiden loopt over den staartwortel een dubbele kam, bij C. palpebrosus vereenigen zich deze 2 tot één enkelen kam op den 11den of 12den staartring, bij C. trigonatus geschiedt dit reeds op den 9den of 10den ring. Zij zijn allen bruin of groenachtig gekleurd met donkere vlekken en dwarsbanden, en worden niet buitengewoon groot. C. sclerops bereikt eene lengte

[p. 195]

van 2.60 M., C. trigonatus van 1.40 M., C. palpebrosus van 1.20 M. Zij zijn dan ook voor den mensch niet gevaarlijk en voeden zich vooral met visschen, vogels en kleine zoogdieren, hoewel zij ook de weekdieren niet versmaden, zooals blijkt uit de menigte slakkenhuizen die somtijds in hunne maag worden aangetroffen. Zij komen voor in de rivieren, vooral de bovenrivieren, en drijven, met alleen de oogen en neusgaten boven water. Zij leggen een 20-tal eieren met harde poreuse schaal, ongeveer zoo groot als ganzen-eieren. Deze eieren worden in een' kuil in het oeverzand gelegd en, met dorre bladeren overdekt, aan de zonnewarmte overgelaten. De jongen gaan zoodra zij uitkomen dadelijk te water.

Door de Indianen wordt het vleesch, dat echter, tengevolge van de bij den staart gelegen klieren, een muskus-smaak heeft, gaarne gegeten.

Eene grootere kaaiman-soort: Caiman niger Spix, die eene lengte van 4 Meter en daarboven kan bereiken, en ook in 't bezit is van de verheven lijst vóór en tusschen de oogen, komt in Engelsch Guiana voor, doch werd in Suriname nog niet waargenomen.

 

v.L.d.J.

Cajanus indicus

Spreng. Fam. Leguminosae. Wandoe, sur. en bov. e. Een uit Oost-Indië afkomstige heester met drietallige bladeren, waarvan de tot 8 cm. lange blaadjes aan top en basis zeer spits toeloopen. De kleine peulen vertoonen scheefloopende insnoeringen en eindigen in een lange, naaldvormige punt. De bruine zaden worden zoowel rijp als onrijp gegeten.

Calabash.

bov. e. Zie CRESCENTIA.

Caladium bicolor

Vent. Fam. Araceae. Jabafoetoe, n.e. Een op den grond groeiende Aronskelk met rood-gevlekte bladeren; de plant speelt een groote rol bij de bereiding van bekoringsmiddelen bij de Indianen. (Zie BENEDENL. INDIANEN.)

Calaloe,

bov. e. Zie AMARANTUS TRISTIS.

Callichthys callichthys l.,

(syn. CALLICHTHYS ASPER Q.G.) Surinaamsche pantserval. Kwikwi, n.e. Fam. Callichthyidae. Zoetwatervisch. Verspreiding Suriname, La Plata tot aan Trinidad. De kop is plat; aan beide mondhoeken bevinden zich twee voeldraden. De romp is vooraan rond, en verderop, evenals de staart, zijdelings gedrukt. Zijdelings heeft hij twee rijen platen, 28 in de bovenste, 26 tot 27 in de onderste rij. De borstzijde is onbedekt. Op de rugzijde is tusschen de platen eene open streep, die echter ten deele door schubben bedekt is. De eerste rugvin heeft een korten stekel en 7 stralen, de tweede rugvin is eene vetvin met aan den voorrand een puntigen stekel. De niet door platen bedekte deelen zijn donker violet. Hij wordt 6-8 duim. Als in den drogen tijd het water, waarin hij leeft, opdroogt, zoekt hij over land eene andere beek en wanneer hij in een meer opgesloten is, doorgraaft hij den grond tot hij stroomend water bereikt. In vochtige weilanden wordt hij gevangen door een gat in het gras te maken of de modder er onder uit te scheppen. Een zeer gezochte voedselvisch.

Callinectes.

Srika, n.e. Haraloebata. arow. Van deze in zee en in de riviermonden levende krab komt C. danae Smith in Suriname voor; C. ornatus Ordway. C. larvatus, Ordway, C. tumidus Ordway, C. bocounti A. Milne Edw., C. Ornatus Ordway en C. toxote Ordway komen waarschijnlijk alle bij de W.-I. eilanden voor. Een verwante soort van groot economisch belang, C. sapidus of blue crab, vindt men in de Zuidelijke Vereenigde Staten en bij de Groote Antillen. (Zie de beschrijving van Callinectes onder CRUSTACEA).

In Suriname wordt deze krab in de zomermaanden of in het voorjaar, wanneer de vervelling juist is afgeloopen en het nieuwe pantser nog zacht en week is, in ondiep water langs de kust met de hand gevangen, en tegen 2 of 3 cent per stuk van de hand gedaan. In andere streken evenwel vormt zij het voorwerp van een zekere industrie; in Virginië in de Vereenigde Staten wordt zij niet slechts versch gegeten, maar ook in bussen geconserveerd en naar de groote steden aan de Oostkust der Vereenigde Staten verzonden.

Door Amerikaansche onderzoekingen weten we thans iets van de levenswijze dezer soort. speciaal van Callinectes sapidus. Zij leeft meest in ondiep water aan de kust en komt in het voorjaar en later in den zomer op de ondiepste plaatsen azen op allerlei afval, jonge vischjes, vischbroed, enz. In dien tijd heeft ook de vervelling plaats. Men heeft bevonden, dat de wijfjes in het 3e levensjaar geslachtsrijp worden. Bij de paring, of liever het voorspel daarvan, gaat het mannetje zoo hoog mogelijk op zijne pooten voor het wijfje staan, spreidt de scharen zoo ver mogelijk uit en schuift zich statig en langzaam heen en weer. De paring duurt 3-6 uur. Eene afwijkende voorstelling van de voorgaande, welke afkomstig is van Mary J. Rathbun, geeft Hay, die mededeelt dat het mannetje eenvoudig het wijfje vastgrijpt, even voor zij begint te vervellen, en haar zoo lang met zich mededraagt, tot de vervelling begint. Zoodra deze is afgeloopen heeft onmiddellijk de copulatie plaats, waarna de seksen nog een of twee dagen vereenigd blijven, tot het pantser hard geworden is, Zoo worden in het voorjaar een groot aantal mannetjes, ieder een wijfje dragend, door de visschers gevangen. Hay vermoedt, dat het wijfje slechts eens paart, en nadat de jongen uit de eieren, welke aan de onderzijde van het achterlijf zijn vastgekleefd, uitgekomen zijn, sterft. Dit is volgens Verrill zeer onwaarschijnlijk, daar hij eierdragende wijfjes vond van tenminste twee verschillende grootten, zoodat verondersteld kan worden, dat de grootere exemplaren meer dan 3 jaren oud waren. Misschien zijn het de grootere wijfjes, waarvoor de mannetjes hunnen door Rathbun beschreven liefdedans uitvoeren.

Belangwekkend is nog, wat Verrill mededeelt over een zeer eenvoudige manier om deze zeer weerbare en behendige krab geheel hulpeloos en gemakkelijk hanteerbaar te maken: door haar namelijk zacht en voortdurend over de hartstreek, ongeveer in het midden van het borststuk, te wrijven. Op deze wijze kan in een paar minuten tijds de meest vechtlustige krab volkomen weerloos gemaakt worden.

Litt.: Hay, the Life History of the Blue Crab, Appendix to Annual Report of the Comm. of Fisheries for 1904; Rich. Rathbun, the Crab Fisheries, Prt. XXI van: the Fisheries and Fisheries Industries of the United States, N.S. Comm. of Fish and Fisheries Sect. V, vol. II, 1887; Mary J. Rathbun, the Genus Callinectes, Proc. U.S. Nat. Mus., vol. XVIII, 1895; Verill, Decapod Crustacea of Bermuda. I. Brachyura and Anomura, Transact. Connect. Ac. of Arts and Sciences, vol. XIII, 1908.

 

J.J.T.

Calotropis procera

R. Br. Fam. Aselepiadaceae. Katoena di seeda, Zijkatoen, ben. e. Liberty tree, Sprain leaf, bov. e. Boom met tot 20 cm. lange, zeer breede eenigszins spatelvormige stengelomvattende bladeren; de bloemen staan in schermvormige, korte bloeiwijzen en hebben een vlakken stervorm; de vruchten zijn meer dan vuist groot; de plant bevat veel melksap.

Campesji,

ben. e. Zie HAEMATOXYLON.

[p. 196]

Canarium commune

L. Fam. Burseraceae. Kanarieboom. Een uit O. Indië in Suriname ingevoerde boom, die hier en daar, o.a. in den Cultuurtuin, langs de wegen geplant wordt.

Canavalia obtusifolia

P.D.C. Fam. Leguminosae. Sea peas, bov. e. Klimplant met drietallige bladeren en dikke leerachtige peulen, die tot 3 cm. breed en meer dan 19 cm. lang zijn.

Canckerberry,

bov. e. Zie SOLANUM RACEMOSUM.

Candle wood,

bov. e. Zie GUETTARDA SCABRA.

Canegrass,

bov. e. Zie PANICUM DIVARICATUM.

Canella alba

Murr. Fam. Canellaceae. Pepper cinnamon, st. m. Boom of hooge heester met lange leerachtige licht groene, spatelvormige, van doorschijnende puntjes voorziene bladeren; de bloemen in eindstandige, bloeiwijzen 3 kelkbladeren, 5 groote bloemkroonbladeren, 10 meeldraden tot een buis vergroeid. De niet openspringende besvrucht heeft een vleezigen wand.

Cannabis sativa

L. Fam. Moraceae. Bhang, Ganjah. De stamplant van de hennep-vezels; de naam Ganjah is in Suriname ingevoerd door de Br. Indische immigranten.

Canna coccinea

Ait. Fam. Cannaceae. Sakkasiri, n.e. Een kruidachtige plant met groote roode bloemen. De plant heeft stomp-gestekelde vruchten met vele zaden.

Canna indica

L. Fam. Cannaceae. Canna, ben. e. Cannon, Indian shot, bov. e. Rechtopstaande kruidachtige plant met breede spitstoeloopende bladeren en eindelingsche bloeiwijzen van zeer onregelmatig gevormde bloemen. Gekweekt. Ook in Suriname.

Cannon,

bov. e. Zie CANNA INDICA.

Cantz'laar (Paulus Roelof),

geb. 22 Nov. 1771 te Amsterdam, begaf zich in 1790 als adelborst in 's lands zeedienst en werd in 1793 bevorderd tot Luit.-ter-zee. In 1795 met het geheele corps zee-officieren afgedankt, trad hij in 1799 weder in dienst en werd 23 Aug. 1800 bevorderd tot Luit. t. zee 1e kl. en 23 Nov. 1804 tot kapt.-Luit. In 1808 verkreeg hij den titel van Luit.-Kol. Na een zeegevecht op 21 Oct. 1813 werd hij als krijgsgevangene naar Engeland gebracht, waar hij tot na de omwenteling van 1813 bleef. In 1814 werd hij benoemd tot kapt. t. zee en tot kommandant van het door hem in dat jaar opgerichte bataillon mariniers. In 1815 volgde zijne benoeming tot gouv. van St. Martin en Saba, waarvan hij 6 Jan. 1816 het bestuur overnam. Hij bleef hier tot 1820, toen hij tot Schout-bij-nacht werd bevorderd en benoemd tot gouv. van Curaçao en onderhoorige eilanden. In 1828 vertrok hij als eerste Gouv.-Generaal over de gezamenlijke Ned. W.-I.bezittingen naar Paramaribo, waar hij 15 Dec. 1831 overleed.

Zie v.d. Aa. Biogr. Woordenboek. - Wolbers. Geschied. van Suriname, Amst. 1861. - A. Halberstadt. Een standbeeld voor den graaf van den Bosch. Leiden 1862. - Simons. Besch. v.h. eiland Curaçao, Oosterwolde 1868.

Caperonia palustris

St. Hil. Fam. Euphorbiaceae. Toriman, n.e. Een onkruid met kleine groene bloemen en stekelige vruchten.

Capito niger.

Papaja fowroe, n.e. Een in Suriname voorkomende baardvogel, tot de familie der capitonidae behoorende. Voorhoofd en keel scharlakenrood, het achterhoofd geelachtig; rug, vleugels en staart zwart met eenige geelachtige strepen op den rug; onderzijde geel-wit met zwarte vlekjes. De vogel leeft in moerassige streken. Eigenaardig is het geluid dat hij voortbrengt. De kop wordt naar boven en de staart naar onderen bewogen vergezeld van een geluid als boeng, boeng. Plotseling springt de vogel snel vooruit, daarbij een luid schetterend, lang gerekt k-r-r-r-r uitstootende vermoedelijk om vrees aan te jagen.

Capparis breynia

Jacq. Fam. Capparidaceae-Jeerba mosterd, Oliba maatsjoe, Paaloe freetoe, Raaba, ben. e. Boom met eenigszins ruwe bladeren, aan den onderkant bedekt met schubben; bloemen in dichte bloeiwijzen; vruchten zeer langgerekt.

Capparis coccolobifolia

Mart. Fam. Capparidaceae. Hoerikoeri, Jeerba mosterd, Paaloe di loora, Raaba, Stokki, ben. e. Boom of klimmende heester met groote witte bloemen met vele meeldraden; bladeren langwerpig, kaal, vruchten zeer lang gerekt, soms rozenkransvormig verdikt.

Capparis cynophallophora

L. Gris. Fam. Capparidaceae. Stokki, ben. e., Mustard tree, Man of war bush, bov. e. Onderscheidt zich van C. coccolobifolia door de aan den top niet spitse bladeren.

Capparis frondosa

Jacq. Fam. Capparidaceae. Churchblossom, bov. e. Boom met groote langwerpige bladeren en bloemen in een korte gedrongen bloeiwijze; de vruchten zijn in een schermachtig complex bijeen geplaatst en lang gerekt op duidelijke stelen.

Capparis jamaicensis

Jacq. Fam. Capparidaceae. Olieba ben. e. Boom met aan den bovenkant zeer sterk glimmende bladeren, die aan den onderkant geheel bedekt zijn met schubben; vruchten langgerekt, rozenkransvormig ingesnoerd.

Capparis linearis

Jacq. Fam. Capparidaceae. Keedebessji, ben. e. Boom met lijnvormige aan de randen omgekrulde bladeren van 9 cm. lengte vruchten lang gerekt op duidelijke stelen geplaatst.

Capraria biflora

L. Fam. Scrophulariaceae. Tantsji, ben. e., Wild tea, bov. e. Heesterachtig plantje met spatelvormige, aan den top duidelijk verbreede en zeer grof gezaagde bladeren, die niet tegenoverstaand zijn; de bloemen zijn in duidelijk gesteelde, arme bloeiwijzen geplaatst, meestal 2 of 3 bloemen bij elkander.

Caprimulgidae.

Geitenmelkers of Nachtzwaluwen; Spookvogels, sur. Boeta boeta, Jorokafowroe en Miendri passi, n.e. Komen in Suriname in tamelijk aantal voor. Een gewone soort is Nyctidromus albicollis; Kappler, Surinam, blz. 87. beweert dat, wanneer men dezen vogel schiet, men soms in de krop de vuurvliegen, waarmede het dier zich onder meer voedt, kan zien lichten. Een reus der familie is Nyctibius grandis. De negers hebben een bijgeloovige vrees voor de Nachtzwaluwen. (Zie BIJGELOOF.)

Capsicum dulce

Hort. Fam. Solanaceae. Birdpepper, bov. e. Heester met kortgesteelde naar basis en top spits toeloopende tot 12 cm. lange gaafrandige bladeren; de vruchten zijn opgeblazen, ter grootte van een noot. Gekweekt.

Capsicum frutescens

L. Fam. Solanaceae. Aratta-kaka-pépré, n.e. Een kleine halfheester, die de bekende kleine roode Spaansche peper levert. Veel aangeplant, zoowel in tropisch Amerika als in Azië. In Suriname worden nog tal van andere capsicum-soorten gekweekt, bekend onder de inlandsche namen A-gi-oeman-nin, Dagoe-pépré, Misi moonki, Sika pepré, enz. De Arow. naam voor Capsicumsoorten in het algemeen is Hatti.

[p. 197]

Caraïben.

Zie BENEDENL. INDIANEN.

Caraipa richardiana

Camb. Fam. Guttiferae. Matakki, n.e. Een boom waarvan het hout weinig voor timmerhout wordt gebruikt; in vroeger jaren wel voor duigen voor suikervaten.

Caranjito,

pap. Zie NEOMAENIS GRISEUS.

Caranx crysos

(Mitch.) De K. Juril en Pampanos, pap. op St. Eust. Runner. Fam. Carangidae, Zeevisch. Verspreiding: van Kaap Cod tot Brazilië aan de atlantische kusten. Een welbekende voedselvisch, die zelden langer dan een voet wordt. Deze heeft geen hondstanden, de kaken en de borst zijn beschubd. Het gebogen voorste deel van de zijlijn is ongeveer de helft van het rechte deel der zijlijn; dit rechte deel is geheel met stekelige plaatjes bedekt. De kleur is olijfgroen, goudachtig geel of zilverachtig aan den onderkant, een zwarte plek op het kieuwdeksel, de vinnen licht getint.

Caranx hippos

(L.) J. & G., Pampanos, pap. Op St. Eust. Cavally, Jack, en Toro. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: aan beide kusten van tropisch Amerika; ook in Oost-Indië. Deze visch heeft twee rugvinnen, de eerste bestaat uit stekels, de tweede uit een grooter aantal stralen; de eerste hoogere stralen worden gevolgd door lagere, beide vinnen kunnen in een groef neergeplooid worden. De staartvin is gespleten, de aarsvin wordt voorafgegaan door twee stekels, en gelijkt op de tweede rugvin. De borstvinnen zyn sikkelvormig. Het voorste deel van de zijlijn is gebogen; het achterste deel loopt recht en is ten deele met stekelige plaatjes bedekt. Deze visch is van boven olijfkleurig, aan de zijkanten en beneden goudachtig getint. Er is een zwarte plek op het kieuwdeksel, en op de onderste borstvinstralen; deze laatste ontbreekt soms bij jonge exemplaren; er is een zwarte plek in de oksel van de borstvin; de bovenrand van de tweede rugvin is zwart en de bovenrand van de staartsteel is donker getint. Hij kenmerkt zich door zijn hondstanden, zijn onbeschubde borst en zijn kleurteekening.

Caranx latus

Agassiz. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië en alle warme zeeën. De bovenkaak reikt tot den achtersten rand van den oogappel. Het lichaam met schubben bedekt, deze ook op de borst, op de wangen en op de bovendeelen der kieuwdeksels. Kleine schildjes op heel het rechte deel van de zijlijn, het gebogen deel van de zijlijn is 1⅓ maal in het rechte deel begrepen. De kleur is blauwachtig, de zijkanten goud of zilverachtig. Eene zeer kleine zwarte kieuwdekselvlek; jonge vischjes soms met onduidelijke donkere dwarsbanden; de vinnen meest grijsachtig. Het voorste deel van de zachte rugvin donker, de staartvin geel zonder zwart. Het vleesch is in de tropen soms vergiftig en veroorzaakt dan de ongesteldheid ‘Ciguatera’ genoemd.

De Caranx-soorten worden in het Papiamentsch Corcoba, Jager, Juril en Waranawa genoemd, op St. Eust. Jack; de meesten zijn goed voedsel.

Carapa procera

D.C. Fam. Meliaccae. Krapà, n.e. Groote boom met groote, zwartbruine nier-vormige vrucht met vele zaden, die olie bevatten. Het roodachtige hout is een zeer goed bouw- en meubelhout; het wordt soms Surinaamsche Mahonie genoemd. Een aftreksel van den bast, die ongeveer 5 pct. looistof bevat, wordt gebruikt tegen diarrhee; de bittere olie der zaden tegen huiduitslag en tegen jicht. De bast zou ook koortswerende eigenschappen hebben.

Carcharhinus oxyrhynchus

(M. & H.) J. & E. (syn. CARCHARIAS OXYRHYNCHUS. M & H.) Fam. Galeidae, requiem-haaien; volksnaam haai Sarki, n.e. Verspreiding: kust van Suriname. Deze haai heeft twee rugvinnen; de eerste, korten hoog, ligt meer naar voren op het lichaam dan de buikvinnen, de tweede is betrekkelijk klein en ligt tegenover de aarsvin; de borstvinnen zijn groot en breed, sikkel-vormig, de staart is van af de staartvin min of meer naat boven gebogen. Er zijn vijf uitwendige kieuwspleten. De bek steekt in de lengte lijn vooruit met de mondspleet aan de onderzijde. Behalve deze soort, die bepaaldelijk van de kust van Suriname vermeld wordt, leeft b.v. Carcharhinus Henlei (Val.) J. & E. aan de kusten van Brazilië en Guiana; deze is eenvormig grijs. Carcharhinus lamia (Raf.) J. & E., de menschetende haai, komt o.a. voor in de tropische gedeelten van den atlantischen oceaan en wordt dikwijls gezien bij kaden en steigers. Bij de West-Indische eilanden wordt daarenboven vermeld Ch. falciformis (Bibr.), Ch. acronotus (Poey), Ch. Perezi (Poey), Ch. remotus (Val.).

Cardiospermum halicacabum

L. Fam. Sapindaceae. Kerstmisbloem, sur. Njanja(?) n.e. Kaboeja makoeto, ben. e., Sprainbush wine, bov. e. Een kruidachtige met ranken klimmende plant met dubbelveervomig samengestelde bladeren. De bloemen klein en groenachtig; de vruchten sterk opgeblazen, vleezig en min of meer driehoekig.

Caretta,

pap. Zie CHELONIA.

Cargasoen

(van cargaison), noemde men in vroeger tijd de lading van een naar de koloniën vertrekkend schip, welke gedeeltelijk bestemd was om verhandeld te worden met de inboorlingen (in Afrika de negers, in Amerika de Indianen) en welke gedeeltelijk bestond uit oorlogs-ammunitie en leeftocht voor de kolonisten, die deze op verrekening van de Compagnie of van de reederij ontvingen. Zie over de artikelen die ingevoerd werden P.M. Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, 's Grav. 1888, blz. 358 en J.D. Herlin, Beschrijvinge van de Volk-plantinge Zuriname, Leeuwarden, 1718, blz. 242-248.

Zie ook de brieven van van Aerssen v. Sommelsdijk, medegedeeld door G.P. Rouffaer in de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde v. Ned.-Indië, 7de Volgr. IV, n.l. de Bijlagen IX en X.

De producten van het land, die door de schepen op hunne terugreis naar Europa medegevoerd werden, waren de ‘retour-ladingen’.

Caribania,

oude naam van Guiana of de Wilde Kust.

Carica papaya

L. Fam. Caricaceae. Papaja, sur. en n.e. Papaai, ben. e., Papao, bov. e. Hoogopgroeiende plant met zeer weeken, kalen stam en een dichte kroon van groote, sterk ingesneden bladeren. De bloemen zijn eenslachtig; het bloemdek van de beide bloemen is verschillend van vorm. In Suriname onderscheidt men de plant in man- en oeman-(vrouwelijke) papaja. De groote oranjekleurige vruchten zijn gemakkelijk verteerbaar. De bladeren worden door de keukenmeiden gebruikt om taai vleesch malsch te maken. Het melksap bevat een als pepsine werkende stof, papayine. De jonge bladeren bevatten het alkaloïd carpaïne.

Carludovica palmata.

Zie HOEDEN-VLECHTERIJ.

Carnivora.

Onder den naam van Carnivora of Roofdieren brengt men een aantal Zoogdieren te zamen, die wel in den regel, maar niet, zoaals de Latijnsche naam zou doen vermoeden, altijd ‘carnivoor’ (uitsluitend vleeschetend) zijn. Beeren bijv. eten behalve vleesch ook honig en vruchten. Het

[p. 198]

meest kenmerkend is hun gebit; het bestaat uit (in iedere kaakhelft) 3 snijtanden, 1 meestal grooten en uitstekenden hoektand en in den regel 7 kiezen, waarvan de vierde in de bovenkaak en de vijfde in de onderkaak in het oog vallend groot zijn en voorzien van krachtige punten (scheurkies). In het algemeen kan men zeggen, dat deze scheurkies het sterkst ontwikkeld is bij de meest verscheurende Roofdieren. De pooten eindigen in 4 of 5 sterke, gekromde klauwen, die bij sommige Carnivora bij het loopen kunnen worden teruggetrokken. Verreweg de meeste loopen op de teenen; enkele, zooals de Beeren, op de voetzoolen. Over het algemeen zijn de hemispherae van de groote hersenen goed ontwikkeld en zijn de Carnivora in het bezit van voortreffelijke zintuigen. Vooral geldt dit voor het reukzintuig. Bij vele Roofdieren komen nabij den anus klieren voor, die een buitengewoon doordringende, afschuwelijk stinkende stof afscheiden. Zij leven meestal in monogamie en gaan, behoudens enkele uitzonderingen (bijv. wolven) nooit in troepen op roof uit. Zij zijn over de geheele aarde verspreid, doch gedijen toch klaarblijkelijk het best in warme streken. Men verdeelt de Carnivora tegenwoordig in twee groepen: Fissipedia en Pinnipedia. De eerste of eigenlijke Verscheurende dieren leven grootendeels op het land, de tweede uitsluitend in het water. Tot de Fissipedia behooren o.a. de volgende families. Felidae, de meest typische vertegenwoordigers der Carnivora: Leeuw, Tijger, Jagoear (zie Felis), Kat, Panter, enz. Viverridae, meestal betrekkelijk klein, beperkt tot de Oude Wereld: Civetkat, Ichneumon. Canidae, meestal gezellig levend: Hond, Wolf, Vos, Icticyon (zie aldaar). In overeenstemming met hun omnivore levenswijze hebben de Ursidae, waartoe de Beeren behooren, en de Procyonidae betrekkelijk kleine scheurkiezen. De laatste leven met één uitzondering in de Nieuwe Wereld: Waschbeer (zie PROCYON), Neusbeer (zie NASUA), Kinkajoe (zie CERCOLEPTES). Mustelidae, over bijkans de geheele wereld verspreid; vele leveren voortreffelijk bont; Marter, Hermelijn, Bunzing, Das, Otter (zie LUTRA, PUTORIUS en GALICTIS).

De Pinnipedia hebben zich in bouw geheel en al aan het leven in water aangepast. Zoo zijn bijv. de pooten kort en eindigen in breede, vinvormige organen, met rudimentaire nagels. De meest bekende families zijn de volgende: Trichechidae, met groote stoottanden in de bovenkaak; Walrus. Phocidae: Zeehond of Rob, Zeeleeuw.

 

G.C.J.V.

Carolinea princeps

L. Zie PACHIRA AQUATICA.

Carpitan,

pap. Zie NEOMAENIS ANALIS.

Caryocar glabrum

Pers. var. EDULE Wittm. Fam. Caryocaraceae. Aloekoemali, Kar. Bokkenoot, sur. Ningré-noto, n.e. Kleine boom met 3 tallige bladeren. De zaden bevatten veel vet en worden gegeten. De bast bevat saponine en wordt als zeep gebruikt; van daar dat men den boom ook wel Sopo-hoedoe, n.e. (Zeephout) noemt. De harde vruchtschalen worden met mais en bananenschillen gebrand, daarna met anijs en kaneel fijngestampt en in water ingenomen tegen diarrhee.

Casearia.

Fam. Flacourtiaceae. Boesi-koffi, n.e. Kleine boomen of heesters met kleine, groene bloemen, die groepsgewijs in de bladoksels zitten. Gebruik onbekend.

Casearia decandra

Willd. Fam. Flacourtiaceae. Crack open, bov. e. Boompje met dunne bladeren, die naar top en basis spits toeloopen, onduidelijk gezaagd en tot 7 cm. lang zijn; vruchten ter grootte van een kleine druif.

Casearia bonairensis

Bold. Fam. Flacourtiaceae. Geelhout, Paaloe di Bonaire, ben. e. Boompje met glimmende tot 10 cm. lange bladeren en vleezige, openspringende vruchten; de bladeren doen eenigszins aan perenbladeren denken.

Casha,

bov. e. Zie ACACIA FARNESIANA.

Cashew,

bov. e. Zie ANACARDIUM.

Casripo,

n.e. Zie AARDVRUCHTEN (onder Kassave) en KOKOSNOOT.

Cassave

sur. en bov. e. Zie MAHINOT UTILISSIMA en AARDVRUCHTEN.

Cassave di moondi

ben. e. Zie MANIHOT CARTHAGINIENSIS en AARDVRUCHTEN.

Cassia alata

L. Fam. Leguminosae. Slabriki, n.e. Kleine boom met gele bloemen en lange gevleugelde peulen. De bladeren zijn een middel tegen huidziekten; andere deelen van de plant worden tegen koorts gebruikt. Cassia reticulata Willd. wordt onder denzelfden naam voor hetzelfde doel gebruikt.

Cassia bacillaris.

Linn. f. Fam. Leguminosae. Gado-boom, n.e. Kleine boom met sterk gevinde bladeren en groote geele bloemen.

Cassia bicapsularis

L. Fam. Leguminosae. Broeska doesji, Tamarijn sjimarón, Wild trommelstok, ben. e. Blydog, bov. e. Kruid met zestallige veervormig samengestelde bladeren; bloemen geplaatst in armbloemige trossen; peulen rolrond, hangend.

Cassia fistula

L. Fam. Leguminosae. Trommelstokboom, sur. Liquorice plant, bov. e. Boom met veervormig samengestelde bladeren, die in het voorjaar afvallen en groote, gele, in lange trossen hangende bloemen; de meer dan 3 dm. lange peulen zijn rolrond en zwart, de zaden door tusschenschotten gescheiden. Om de zaden ligt een zwart moes dat een volksgeneesmiddel is.

Cassia glandulosa

L. Fam. Leguminosae. Wild peas, bov. e. Laag heestertje met veervormig saamgestelde bladeren en alleenstaande gele bloemen; de peulen zijn platgedrukt.

Cassia obovata

Collad. Fam. Leguminosae. Senneblaar, ben. e. Laag heestertje met veervormig saamgestelde bladeren; de peulen gebogen, plat en voorzien van breede vleugels.

Cassia occidentalis

L. Fam. Leguminosae. Jorokapési, n.e. Broeska, ben. e. Bitterroot, bov. e. Heester met 6- tot 8- tallige veervormig-samengestelde bladeren. De gele bloemen 2 of 3 bijeengeplaatst; de bruine peulen springen met een knal open en slingeren de zaden ver weg. Verschillende deelen van de plant worden als volksgeneesmiddelen gebruikt. De ontbaste wortels worden gekauwd tegen zeere keel en de gebakken vruchten met warm suikerwater gedronken tegen verkoudheid.

Castilloa elastica.

Zie PLANTAGE RUBBER.

Castor oil plant.

bov. e. Zie RICINUS.

Castor-olie-plant,

sur. Zie RICINUS.

Casuarina equisetifolia

L. Fam. Casuarinaceae. Casuarine, bov. e. Boom met kleine, schubvormige blaadjes en dunne stengels; de vruchten doen in vorm wat aan dennekegels denken. Gekweekt.

Casuarine

bov. e. Zie CASUARINA.

Catclaw,

bov. e. Zie BIGNONIA UNGUISCATI.

Catharina Sophia.

Voormalige suikerplantage aan de Saramacce rivier, in 1833 eigendom geworden van de Particuliere West-Indische bank en in 1845 gouvernements-plantage. Hoewel de fabriek

[p. 199]

in 1844 van geheel nieuwe machines was voorzien en in 1850 een slavenmacht van 640 koppen telde, had de onderneming geen bijzonder financieel geluk. In 1864 werd de plantage verkocht. Sedert vele jaren is ze omgezet in een cacao- en koffieplantage. Op de plantage bevindt zich sedert 1855 een etablissement der Evangelische Broedergemeente. Zie A. Halberstadt, Vrijmaking der slaven in Suriname en de opheffing van het meesterschap, volgens de Staatscommissie. Amst. 1856. - Idem, Een standbeeld voor den Graaf van den Bosch. Leiden 1862. Wolbers. Geschiedenis van Suriname, Amst. 1861, blz. 715. - Een Halve Eeuw 1848-1849. Eerste deel. De Koloniën, door Mr. H. van der Wijck, blz. 131. - J.J. Reesse. De suikerhandel van Amsterdam van 1813 tot 1894. 's Grav. 1911, blz. 130.

Cathartidae.

GIEREN DER NIEUWE WERELD. Deze vogels zijn uitsluitend tot Amerika beperkt. De meest gewone vertegenwoordiger in Suriname is de Stinkvogel, Aasgier, Catharista atrata (n.e. Djankro, Opété en Tiengi fowroe, Arow. Anowane), die nuttig is door het opruimen van krengen en vuil en daarom de bescherming der regeering geniet. De Stinkvogel leeft niet alleen van aas maar rooft, als hij die krijgen kan, ook kuikens weg. Een aardige kijk op de levenswijze dezer gieren geeft J.M.F. Dubois in ‘Tingiefouroe, de Gier’ in De Levende Natuur van 1 Sept. 1911. Deze vogel is geheel zwart, behalve de basis en de schachten der groote slagpennen, die wit zijn. Minder algemeen zijn Cathartes burrovianus, C. aura en C. pernigra, wier gevederte ook zwart, maar wier naakte kophuid met helder roode, gele of blauwviolette kleuren versierd is. De Koningsgier (n.e. Tiengi-fowroe gramman) Gypagus papa, komt niet in de nabijheid van bewoonde plaatsen voor. De in Suriname algemeen verspreide meening, dat de stinkvogels zich nimmer aan een cadaver zullen vergasten, zoolang de koningsgier daaraan bezig is, werd reeds door Kappler, Surinam, blz. 84, bestreden. Ook van Stockum zag den koningsgier in gezelschap van vele stinkvogels zich te goed doen aan een cadaver. (Verslag der Coppename-Expeditie, blz. 109 en 110.)

Catnip,

bov. e. Zie SALVIA.

Cavally,

st. eust. Zie CARANX HIPPOS.

Cavia.

Geslacht van Knaagdieren (Zie RODENTIA), behoorende tot de Fam. Hystricoideae, welke bijna uitsluitend in de N. Wereld te huis zijn. Het is onzeker welke van de talrijke soorten eigenlijk bedoeld wordt met den n.e. naam Makà-aratta; gewoonlijk wordt aangenomen C. aperea.

Cayenne peper.

Hoewel er in de Guiana's vele Capsicum-soorten gekweekt worden, heeft er van daar geen uitvoer plaats. Een onderzoek door Prof. W. Joest - Ethnographisches und Verwandtes aus Guayana, Intern. Arch. für Ethnogr., Suppl. zu Band V. 1893, blz. 14 - ingesteld bij de firma Crosse & Blackwell te Londen, die bijna de geheele wereld van ‘Cayenne peper’ voorziet, naar de herkomst van deze specerij, leerde dat er twee soorten van roode peper in den handel zijn, de lange, niet-scherpe, uit Frankrijk en de korte, scherpe uit Zanzibar. Beide worden vermengd en gestampt tot ‘Cayenne peper’.

Cebus.

Dit apengeslacht behoort tot de groote Z.-Amerikaansche Familie der Cebidae (zie SIMIAE) Zij gelden voor zeer bevattelijk, en hebben dan ook omvangrijke groote hersenen. Er komen in Suriname twee soorten voor: C. capucinus en C. apella, die wegens hun zwart kophaar, dat als een capuchon afsteekt tegen het geelachtige gezicht, Kapucijner-apen genoemd worden. In Suriname zijn zij bekend als Kis-kissi; in Cayenne worden zij macaques genoemd; kar. Mekoe; arow. Foedi. Volgens A. Vosmaer dragen zij ook den naam Fluiter (Beschr. Amerik. Slinger-aap-soort, genaamd de Fluiter. Amst. 1770). Nu eens treft men hen aan in troepen van hoogstens een dertigtal, dan weder als afzonderlijke paartjes. Zij zijn ongeveer zoo groot als een kat en door hun schuwheid moeielijk te benaderen. Zij leven van vruchten, vogeleieren, volgens sommigen ook van vogels. Als zij jong gevangen worden, kan men hen gemakkelijk temmen.

Cecropia peltata

L. Fam. Moraceae. Bosch-papaja, sur. Wild papaw, bov. e. Boomen met kalen stam en een kroon van groote handvormig ingesneden bladeren, die 7- en meer-lobbig en aan den onderkant wit zijn. Opmerkelijk zijn de holle, door dwarse tusschenschotten in kamers verdeelde stammetjes, welke kamers vaak verblijfplaatsen van mieren zijn. Volgens Schimper voeden de mieren zich van de klieren, die onder de basis der bladstelen voorkomen terwijl, zij als wederdienst den boom tegen de aanvallen van bladsnijdende mieren zouden beschermen. Latere onderzoekers (von Ihering, Ule, Fiebrig) ontkennen het bestaan van deze symbiose. In Suriname komen verschillende soorten zeer algemeen langs de rivieren voor; dieper in het bosch uiterst zelden. Een aftreksel der gedroogde bladeren wordt als thee gedronken ter bevordering der urineloozing en tegen malaria. De ruwe bladeren worden door de Indianen als schuurpapier gebruikt. (Zie over dezen boom A.J. van Stockum. Verslag van de Saramacca-Expeditie, Leiden 1904, blz. 141 en 142 van den overdruk.)

Ceder,

sur. Zie CEDRELA.

Cedrela odorata

L. Fam. Meliaceae. Ceder. sur. Sedré, n.e. Een groote boom, waarvan de stam een zeer gezochte houtsoort levert. Het hout wordt in Suriname veel voor meubelhout, inzonderheid voor kleerekasten gebruikt, omdat het insectenwerend is, in Europa vooral voor sigarenkistjes. Het bevat een sterk riekende olie.

Ceiba pentándra

Gärtn. (Syn. BOMBAX CEIBA, ERIODENDRON ANFRACTUOSUM D.C.) Fam. Bombacaceae. Kankantri, n.e. Koemaka, arow. Katoenboon, ben. e., Silk cotton tree, bov. e. Een majestueuze boom, de hoogste, breedst vertakte en mooiste van het Surinaamsche woud. De handvormig samengestelde bladeren vallen af als de vruchten rijp zijn. De vruchten zijn aan de binnenzijde sterk behaard. Dit zaadpluis wordt in Suriname niet gebruikt. De boom bloeit, naar men zegt eens in de drie jaar, met purperkleurige bloemen. De reusachtige, met stekels bezette stam vertoont stutten, in Suriname sporen genoemd, (als de beeren van een kerk) die den boom schragen en kamers vormen waarin wel voor een dozijn menschen plaats is.

De naam kankantri is zonder twijfel een verbastering van cottontree. Bij oudere schrijvers (A. Blom. Verhandeling van den landb. in de col. Suriname, Haarlem 1786 (blz. 422)) vindt men den naam Kattentrie.

Deze prachtige woudreus, de heilige boom der negers, (waarschijnlijk wegens eenige gelijkenis met de Afrikaansche Adansonia digitata) is door reizigers dikwijls afgebeeld; zie o.a. Benoit, Voyage à Surinam, Brux. 1839, Pareau, Onze West, 's Grav. 1898 en Dr. H. van Cappelle in ‘Elseviers geïll. Maandschrift’, Maart 1905, blz. 182. Hoogtecijfers van gemeten boomen geven o.a.: Lefroy, Outalissi; a tale of Dutch Guiana, London 1826, 125 voet; Pareau,

[p. 200]

l.c., 45 M. Als diameter van de kroon geeft Lefroy 150 voet, terwijl Pareau als middellijn van het grondvlak van den stam, wanneer men de tegenover elkaar staande sporen meerekent, 12 M. vermeldt.

Celtis iguanacea

Sarg. Fam. Ulmaceae. Bessji igoeaana, Jeerba igoeaana, Raambessji, ben. e. Snaky, bov. e. Boom met kortgesteelde eenigszins hartvormige bladeren; aan den voet van den bladsteel een rechte en een gekromde doorn; vruchtjes kogelvormig, iets grooter dan een erwt.

Cenchrus echinatus

L. Fam. Gramineae. Peega saaja mohee, ben. e. Een gras met dichte rolronde schijn-aar, schutbladeren van de aartjes geheel bedekt met bruinachtige borstels, waartusschen geen teruggebogen stekels.

Cenchrus carolinianus

Walt. Fam. Gramineae. Peega saaja boobo, ben. e. Burrgrass, bov. e. Grassen met schijn-aar; de aartjes voorzien van schutbladen, die behalve een aantal borstels ook teruggebogen stekels dragen. De aartjes blijven gemakkelijk aan de kleeren hangen.

Centepeeplant,

bov. e. Zie COMOCLADIA.

Centraalfabriek Marienburg.

Zie HANDELMAATSCHAPPIJ (NEDERLANDSCHE).

Centropogon surinamense

Presl. Fam. Campanulaceae. Dia-Kraroen of Popokai-kraroen, n.e. Een kruidachtige in het oerwoud groeiende plant met roode buisvormige bloemen. De bladeren zijn een volksgeneesmiddel.

Centropomus ensiferus

Poey. Fam. Centropomidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, algemeen van Cuba tot Suriname. De bovenkaak strekt zich bijna tot onder het midden van het oog uit. De tweede aarsvinstekel is veel grooter dan de derde. De kleur is zilverachtig; de rugvin, eene vlek op het kieuwdeksel en het vlies tusschen de aarsvinstekels zijn zwartachtig. De zwemblaas is eenvoudig. Deze visch kan een voet lang worden. Centropomus-soorten worden op de Benedenw. Eilanden binnensnoek on rondsnoek genoemd.

Centropomus undecimalis

(BL.) C.V. Snoek, sur. Snoekoe., n.e. Fam. Centropomidae. Kustvisch. Verspreiding: algemeen aan zandige kusten van West-Indië, van de kust van Texas tot Suriname en verder zuidelijk. De kop is plat en snoekachtig, de onderkaak steekt vooruit. De eerste rugvin heeft acht stekels, de tweede heeft een stekel en tien stralen; de aarsvin heeft drie stekels en zes stralen. De staartvin is gevorkt, de buikvinnen zijn groot, de borstvinnen smal. De zwemblaas heeft van voren een paar korte aanhangsels. De kleur is olijfgroen, de zijden zijn dof zilverachtig, de rugvin is zwartachtig, de zijlijn zwart, de buikvinnen zijn bleek geel, zelden met zwart gevlekt. Er is eene zwartachtige schaduw achter den tweeden rugstekel. Het is de meest algemeen voorkomende soort van dit geslacht. Deze visch kan vier voet lang worden, en is een uitmuntend voedsel; het vleesch is smakelijk en blank.

Ceraasji maatsjoe,

ben e. Zie TRICHILIA TRIFOLIATA.

Ceratosanthes corniculata

Cogn. Fam. Cucurbitaceae. Bataata djoekoe, Fantasiea, Leengga di tsjoetsjoebi, ben. e. Slingerplant met ranken en langgesteelde drielobbige bladeren, waarvan de basis der lobben veel smaller is dan het midden; de twee zijlobben zijn weder gelobd; bloemen aan het eind van een langen steel in schermvormige bloeiwijzen.