terug  begin  verderprepost

D.

Daabaroeieda,

ar. Zie PITHECOLOBIUM PLATYLOBUM.

Daader,

ben. e. Zie PHOENIX.

Daalpeega,

ben. e. Zie MENTZELIA.

Daatoe,

ben. e. Zie CEREUS.

Dabrée,

sur. Zie BALATA.

Dactyloctenium aegyptium

Willd. Fam. Gramineae. Bosopaata, Haabriman, Maria bo kee beendeemi, Piea waara waara, ben. e. Gras met vier tot zeven schijn-aren, die 1-4 c.m. lang zijn; deze schijn-aren zijn aan den top van den stengel geplaatst en eindigen in een scherpe punt. Wordt om zijn voedingswaarde geroemd.

Dadoe-spel

heet men een door Javanen in Suriname gebracht spel, waarvoor noodig zijn: een matje, verdeeld in vakken, waarop oogen of cijfers, zoomede ‘groote kans’ en ‘kleine kans’; een zeskantige tol, met dezelfde oogen of cijfers; een bord, waarop deze draaien kan; een kom om den tol gedurende het draaien te bedekken; twee of meer spelers. De gang van het spel is zeer eenvoudig: inzetten, tollen, kijken hoeveel oogen de tol, tot rust gekomen aanwijst, afrekenen, soms politie, omdat de Javanen, hartstochtelijke spelers, anders alles verdobbelen. De naam is afkomstig van het Portug. dado, dobbelstein; Jav. adadoe, main dadoe; Mal. bermain dadoe. Bij uitbreiding heeten in den O.-I. Archipel ook andere dobbelspelen, waarbij geen dobbelsteenen of als dobbelsteenen gemerkte tollen te pas komen, main dadoe.

Dagnamen.

Zie NAAMGEVING.

Dagoe fisi,

n.e. Zie ACESTRORHYNCHUS.

Dagoe fowroe,

n.e. Zie MIMUS.

Dagoeston.

n.e. Zie TABERNAEMENTANA GRANDIFLORA.

Dagoewé-sneki,

n.e. Zie BOA.

Dahl of dhal.

Een peulvrucht, Cajanus indicus, ten gebruike der Br.-Ind. immigranten in Suriname aangevoerd.

Dalberg.

Zie BOTANISCH ONDERZOEK.

Dalechampia

scandens L. Fam. Euphorbiaceae. Treesdeedee, ben. e. Klimplant met hartvormige bladeren die bijna tot aan den voet ingesneden zijn, 3 deelig; de vruchten zijn 3 deelig en omgeven door een aantal groote schutbladen; stengels en bladeren behaard.

Dam maatsjoe,

bon. Zie CLUSIA ALBA.

Dammen.

Reeds van oudsher worden op Curaçao dammen gebouwd om het water tegen te houden. Vroeger, toen in den slaventijd de arbeid goedkoop was, maakte men steenen dammen en ook in grooten getale onderaardsche muren (moerdam, pap.), dwars op de richting van den waterloop (rooi). Tegenwoordig maakt men zooveel mogelijk aarden dammen: aarden damlichaam (custilla, pap.), gemetselde koppen (kabees, pap.) en twee uitlaten (labado, pap.) daarlangs. Ook komen gemetselde overlaten veel voor bij grootere dammen; bij kleine dammen veelal slechts 1 gemetselde kop, het andere einde verloopt in de heuvelhelling. Bij zeer kleine dammetjes worden de koppen wel van losse steenen gestapeld of van cactus gemaakt. Bij het bewerken van het veld worden de gevonden steenen bij elkaar gebracht en in rijen, dwars op de helling, gelegd, meest in de rooien. Ook aarde wordt daarop gebracht, dikwijls aloe er in geplant om ze blijvend te verzekeren. Zulke lange, lage, onregelmatige versperringen heeten fáha, pap., (gordel).

Zie over den damaanleg het rapport van D.H. Havelaar, in het Koloniaal Verslag 1903, ook de volgende verslagen, in het bijzonder de kaart in het verslag 1912. Voorts R.H. Rijkens. Curaçao, Tiel 1907, blz. 79 volg. en G. Duijfjes. De watervoorziening van de Benedenwindsche eilanden der kolonie Curaçao. De Ingenieur van 21 Maart 1914, blz. 225-228.

Dansen.

De dansen der negers in West-Indië zijn grootendeels van Afrikaanschen oorsprong en hebben met Europeesche dansen weinig gemeen. Zij gaan gepaard met zang, terwijl de dansen den elkaar niet omarmen als bij Europeesche dansen. Het zingen, begeleid door het geluid van snoeren rinkelende zaden (zie JORO-JORO) en van de sakká (zie aldaar), geschiedt voornamelijk door de vrouwen, die daarbij op haar mooist gekleed en versierd zijn; de mannen maken weinig werk van hun uiterlijk, zooals een voortreffelijke teekening ven Benoit, Voyage à Surinam, Bruxelles 1839, plaat XIX te zien geeft. In den slaventijd kwam het veel voor dat slavinnen, die in de gunst harer meesteressen stonden, van deze sieraden ter leen kregen.

De gewone negerdans is de banja, in de Surinaamsche politie-verordeningen als baljaar of baljaar-partijen bekend, welk woord van het Spaansche baylar of het Portugeesche bailar, dansen, is afgeleid. (Veth. Uit Oost en West, Arnhem 1889, blz. 58).

Hartsinck schrijft over de negerdansen: ‘Doch hunne Dansen bestaan meest in zodaanige Posturen en beweegingen te maaken die volstrekt tegen de Zedigheid en Eerbaarheid strijdig zijn. De Dansers bij voorbeeld, staan op twee rijen, de Mannen aan de eene de Vrouwen aan de andere zijde, houdende de Handen en Armen, als degeene die bij ons met Castignetten dansen. Dan scheidt een Danser zich van

[p. 261]

ieder Linie af, en naderd, al dansende, zoodaanig een Persoon, van de andere Linie, als hem of haar behaagt, op den afstand van twee of drie Voeten, en keert weder in cadans te rug, tot dat het geluid van de Trommels hen waarschouwd van elkander te naderen en zich samen te voegen, wanneer ze met de Dijen en Buiken tegen elkander stooten; te weeten de Mans tegen de Vrouwen. Daarop gaan zij terug, en hervatten wel dra die zelfde beweegingen, vlechtende hunne Armen door malkander, draayen op deeze wyze twee of driemaal om, maaken vele onkuische gebaarden, en kussen zich. Vervolgens naderen de twee Rijen elkander en speelen dus haare rol. Deze Dansen, gelijk men ziet, zijn zeer wulps en dartel; maar de andere beweegingen, die men niet, zonder in de zaak kundig te zijn, bespeurt zijn het nog ongelijk meerder’.

Fermin eindigt zijne beschrijving van den dans aldus: ‘In een woord, de Negers maaken geen passen in het danssen, of alle de leden en deelen van het ligchaam, zelfs het hoofd, maaken allen tegelijk eene onderscheidene beweeging en altijd volgens de maat, hoe schielijk de Muziek ook zij. In de naeuwkeurigheid van deze oneindige beweegingen bestaat bij hen de kunst van danssen. Om hen daar in na te kunnen volgen, diende men ook zoo gezwind en slap van leden te zijn als dit volk is.’ (Nieuwe algemeens beschrijving van de kolonie van Suriname, Harlingen 1770, I, 128.).

De opmerking van Fermin, geldt in het bijzonder de mannen. De bewegingen der danseressen zijn niet zoo overdreven en meerendeels bevallig.

In later jaren is het sensueele karakter van de banja op den achtergrond getreden, althans bij die in de hoofdplaats. Focke - de Surinaamsche Negermuzijk. Tijdschr. West Indie, II, blz. 101 - verklaart daarbij nooit eenige met de ‘zedigheid en eerbaarheid’ strijdige bewegingen te hebben opgemerkt; ‘wel koddig doch niet onvoegzaam’. Het godsdienstige karakter - vereering van voorouders - dat deze dans volgens Hartsinck (II, 909) had en dat alle dansen oorspronkelijk hadden, is in den loop der tijden geheel verloren gegaan.

Een gloeiende beschrijving van een door hem, als gast van gouv. van Sypesteyn, op een plantage bijgewoonde banja, geeft W.G. Palgrave, Dutch Guiana, London 1876, blz. 195-200.

Een sensueel karakter heeft de in onbruik geraakte kroesou-dansi, een soort cancan, evenals de tamboer, die Martin op Aruba zag dansen en die daarom door de geestelijkheid op het eiland verboden is. (Westindische Skizzen, blz. 136). Waarschijnlijk is deze dans dezelfde als de Surinaamsche kroesou dansi, die blijkens den naam van Curaçao afkomstig is.

De soesà is meer een behendigheidsspel met de voeten, een wedstrijd in het maken van zekere passen in strenge maat dan een dans. Alleen mannen en jongens voeren die uit, twee aan twee tegenover elkaar staande, onder zang en handgeklap.

Een belangrijke rol in het slavenleven in Suriname hebben de doe's vervuld, gezelschappen, aan het hoofd waarvan niet zelden aanzienlijke dames (beschermsters of Sisi's genoemd) stonden en bij welker bijeenkomsten dikwijls groote weelde werd ten toon gespreid. De schrijvers van het Essai historique sur la colonie de Surinam, Paramaribo 1788, II. 38, hebben daar reeds op gewezen. Eenige namen van doe's door hen genoemd, waren Dou d'or, Bigie Dou (groote doe), Dou de diamant. Focke, l.c. blz. 100, noemt nog de Foto-doe, de Pranasidoe, de Sipi-doe en eenige andere, die een Neger-Engelsche spreuk tot naam hadden.

Mr. Focke geeft in zijn Neger-Engelsch Woordenboek van doe deze omschrijving: ‘Zang- en dansgenootschap onder negers en kleurlingen, hetwelk gewoonlijk eens in het jaar, onder eene daartoe ingerigte tent, zijne openbare bijeenkomst houdt, en dan met begeleiding van negerinstrumenten, negerliederen zingt en daarbij negerdansen uitvoert.’

Ook Teenstra, De Landbouw in de Kol. Suriname’, Gron. 1835, II 191, vlg., deelt het een en ander hierover mede. Maar de uitvoerigste beschrijving van deze zang- en dansgenootschappen, die elkaar veelal vijandig waren en allerlei, vaak bedenkelijke middelen aanwendden om elkaar de loef af te steken, heeft wijlen Pater Rikken gegeven in een van zorgvuldige studie van het volksleven getuigend verhaal, getiteld ‘Ma Kankantri, zedekundige schets uit den slaventijd’, als feuilleton verschenen in het blad De Surinamer van 1907. Jammer genoeg schijnt er weinig kans te bestaan dat dit verhaal in boekvorm zal verschijnen.

Van de oudste tijden waren de danspartijen der slaven, wegens de ongeregeldheden die daarbij niet zelden voorvielen, aan strenge voorschriften gebonden. Voor een banja in de hoofdplaats werd de vergunning der overheid vereischt en op de plantages die van den gezagvoerder. Te Paramaribo waren baljaarpartijen alleen in de maand Januari veroorloofd. (G.B. 1828 no. 17, art. 18 en 1833, no. 10, art. 20). Op de plantages werden zij bij feestelijke gelegenheden toegestaan.

Sommige dansen, zooals de watra-mama waren zelfs ten strengste verboden. Volgens Kunitz, Surinam und seine Bewohner, Erfurt 1805, blz. 351, zou deze een dans geweest zijn ‘bey dem fast immer der siebende Slav todt darnieder fällt, und wobey selbst die Uebrigen in eine Art van Raserey verfallen.’ Dat doodvallen zal wel niet juist zijn, maar ook Anthon Blom, Verhandeling over den landbouw in de colonie Suriname, Haarlem 1786, blz. 446, wist veel leelijks van dezen Afrikaanschen dans te vertellen. (Zie ook AFGODERIJDANS).

Wegens de oneenigheden tusschen de concurreerende gezelschappen verbood de Surinaamsche wetgeving ook de doe's met groote gestrengheid. Volgens art. 20 van de Publ. van 19 Nov. 1828 (G.B. no. 17) mochten de gezelschappen onder den naam van Does bekend nimmer binnen Paramaribo of in eenig ander deel der kolonie worden toegelaten, ‘zullende dezelve niet alleen de facto uit elkander worden gedreven, maar de aanleggers en hoofden derzelve daarenboven gemulcteerd worden in een geldboete van ƒ200, terwijl de slaven, welke aan dezelve gezelschappen deel hebben genomen, met eene kastijding van honderd slagen zullen worden gestraft, en niet dan tegen betaling der te dezer zake verschuldigde Justitiekosten, door derzelvers Meesters, weder in vrijheid zullen worden gesteld’. In art. 24 der instructie voor den Procureur-Generaal, vastgesteld bij Publi. van 21 Mei 1833 (G.B. no. 10), heet het dat hij de does, wanneer die in weerwil van het verbod mochten plaats hebben, desnoods met de sterke hand uiteen moest doen gaan.

Dit neemt niet weg dat, toen Prins Hendrik in 1835 als adelborst Suriname bezocht, een der merkwaardigheden, die men hem vertoonde, juist een doe was. ‘Prins Hendrik, door den Gouverneur begeleid, zag met belangstelling naar dit vreemde schouw-

[p. 262]

spel,’ zooals Dr. W.R. van Hoëvell in zijn Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet’, Amst. 1864, 3e druk II, 80, mededeelt.

Het gezang, dat bij de doe's den dans vergezelde was, volgens Focke, gewoonlijk van te voren bestudeerd en tallooze malen gerepeteerd. Een enkele maal was het improvisatie, waarbij allerlei, soms zeer zinrijke, toespelingen op voorvallen van den dag gemaakt werden. In den slaventijd werden ook klachten en wenschen al zingende kenbaar gemaakt.

Verdwenen is de doe geenszins. Onder het bestuur van Gouverneur van Sypesteyn had er nog een groote, ouderwetsche doe plaats, bijgewoond door den Gouverneur en vele autoriteiten en in De West van 8 Juli 1913 komt eene beschrijving voor van een bij gelegenheid van het gouden emancipatiefeest op 2 Juli te Paramaribo georganiseerde doe, waarbij de deelnemers gecostumeerd waren en bekende autoriteiten in de kolonie voorstelden. De vertooning had in de verte eenige gelijkenis met hetgeen hier in de variété-theaters onder den naam ‘revue’ wordt gegeven.

Of de doe oorspronkelijk verband hield met den minder onschuldigen Vodoedienst, zooals die op Haïti nog veel voorkomt, is moeilijk uit te maken.

De dansen der boschnegers verschillen in vele opzichten van die der overige negers. Op deze past in meerdere mate de beschrijving van Fermin hier voren. Beschrijvingen van boschnegerdansen geven o.m. Focke, l.c. blz. 101, Kappler, Surinam, blz. 260, Dr. H. van Cappelle, Bij de Indianen en Boschnegers van Suriname (Elzevier's Maandschrift 1902, no, 5, blz. 310 vlg.). Bakhuis, Verslag der Coppename-Expeditie, blz. 39 van den overdruk, van Stockum, Verslag van de Saramacca-Expeditie, blz. 53 en 54 van den overdruk en Charles Wellington Furlong, Through the Heart of the Surinam Jungle. Harper's Monthly Magazine. Febr. 1914, blz. 329 en 330. Zie ook het artikel Boschnegers. Terwijl Kappler ‘manchmal recht unzüchtige. Verdrehungen des Körpers’ zag, schrijft van Stockum: ‘Bij alle luidruchtigheid wordt het decorum steeds bewaard en de houding en gebaren van de dansenden blijven altijd even kiesch en ingetogen, zelfs al duurt het spel tot ver in den nacht.’ De verklaring van deze tegenstrijdigheid zal wel zijn dat beide schrijvers niet dezelfde dansen hebben gezien.

Voor de dansen der Indianen zij verwezen naar de artikelen Beneden-en Bovenlandsche Indianen (onder Ojana's) en voorts naar Kappler, Surinam, blz. 229-231, van Cappelle, Elsevier's Maandschrift 1902, no. 5, blz. 320 vlg. en van Coll, Gegevens over Land en Volk van Suriname, blz. 48 en 49.

Met de Javanen zijn ook Javaansche dansen met de daarbij behoorende muziekinstrumenten naar Suriname gekomen.

Dansmeestertje,

sur. Srio, n.e. Volatinia jacarini, een geheel zwart vogeltje met iets wit aan de vleugels, behoorende tot de Fringillidae.

Daphnopsis caribaea

Gris. Fam. Thymelaeaceae. Maho, bov. e. Boom met tot 13 c.m. lange naar basis en top spitstoeloopende eenigszins glimmende bladeren; de bloemen staan in saamgestelde bloeiwijzen opeengehoopt aan de uiteinden der zijtakken; komt in de bosschen voor.

Dasyatis gymnura

(Müll.) J. & Ev. (syn. TRYGON TUBERCULATA Gthr.) Stekelrog, sur. Fam. Dasyatidae. Verspreiding: Suriname tot Brazilië, ook bij Grenada. Het lichaam is een weinig breeder dan lang, de bek is puntig en steekt vooruit. De staart is dun en bijna driemaal zoo lang als de schijf, met eene geringe richel van boven en eene smalle huidplooi aan den onderkant. Nabij de basis is een sterk getande stekel, en verder is de staart ruw door kleine stekeltjes. Eene rij lange knobbeltjes bevindt zich op den rug en vooraan op den staart, ook een of meer op ieder schouder. De laatste knobbeltjes van de middenrij zijn zoo verlengd, dat zij op stekels gelijken. Jonge exemplaren hebben geen knobbeltjes, bij de ouderen vermeerderen deze. De kleur is geel tot olijfbruin en wordt donkerder met het ouder worden van den visch.

Dasyprocta.

De Familie der Dasyproctidae, waarvan D. een geslacht is, behoort tot de Knaagdieren (zie RODENTIA). De meest bekende soort is D. aguti, de Agoeti, Koni-koni, n.e., Koeleroe, arow. De kleur is roodbruin; haren, vooral van den rug, vrij lang. Staart zeer kort. Ooren klein; oogen groot, zwart. Pooten vrij hoog, slank als van een hertje. Voorpooten met 4, achterpooten met 3 vingers. De Agoeti huist in holle boomen en leeft van wortels en vruchten. Het vleesch wordt, ofschoon droog en niet bijzonder smakelijk, gegeten. Er komt in Suriname nog een tweede, veel kleinere soort voor, D. acouchy.

Dasypus.

Geslacht van Gordeldieren, behoorende tot de Xenarthra (zie aldaar). D. sexcinctus is van alle Gordeldieren in Suriname het veelvuldigst. Hij leeft in savanna's en zandige bosschen, waar er door de Indianen met honden jacht op wordt gemaakt. De kleur is blauwzwart. Tusschen voor- en achterpantser 6-7 bewegelijke ringen. In iedere kaakhelft, boven 8-9, onder 9-10 vrij groote tanden. Staart korter dan de rest van het lichaam. Zijn vleesch wordt, ook door Europeanen, gegeten.

Dattra,

n.e. Zie CRENICICHLA SAXATILIS en TEUTHIS HEPATUS.

Datura fastuosa

L. Fam. Solanaceae. Fire weed, bov. e. Kruid met groote, zeer scheeve bladeren, die ongeveer evenlang gesteeld zijn als de bladschijf lang is; groote witte trechtervormige bloemen; kelk tot 8 cm. lang; de vrucht is met korte wratvormige stekels bezet.

Datura metel

L. Fam. Solanaceae. Belladonna, Jeerba stinki, ben. e. Fire weed, bov. e. Deze onderscheidt zich van D. fastuosa door de smal trechtervormige bloemkroon en vooral door het meer viltig uiterlijk van de bladeren.

Datura stramonium

L. Fam. Solanaceae Fire weed, bov. e. Deze onderscheidt zich van D. fastuosa door de zeer grof en diep getande bladeren en door de veel kleinere bloemen met een kelk van tot 4 cm. lengte.

Davilla vaginata

Eich. Fam. Dilleniaceae. Asrika-tetei, Dialoppoe-tetei, n.e. Een liaan.

Deblai.

Term bij de goudzoekers in Fransch Guiana en in Suriname voor de oppervlakkig gelegen geel- en roodgevlekte, steriele leemlaag, die boven de goudvoerende laag, de bedrock ligt. Deblaieeren is het verwijderen van deze leemlaag en de daarboven liggende humuslaag. (Zie M.E.D. Levat, Guide pratique pour la recherche et l'exploitation de l'or en Guiane française. Paris 1898, blz. 76).

Debojo,

pap. Zie MYRIPRISTIS.

Decapterus

-soorten, Fam. Carangidae, worden in het Papiamentsch Maulo genoemd. Zeer algemeen in West-Indië is Decapterus punctatus (Ag.) Poey., Scad en Round Robbin, st. eust. Zeevisch. Verspreiding: kaap Cod tot Brazilië. De kop is kort en loopt puntig uit. De tweede rugvin en de aarsvin worden ieder gevolgd door een klein los vinnetje. Ongeveer 40 schildjes op het einde van de zijlijn. De kleur is op den bovenkant blauw, op den onderkant

[p. 263]

zilverachtig. Er is een donkere kieuwdekselplek. Deze visch wordt 12 duim lang.

Declinatie.

De lijn van 0° afwijking van de magneetnaald loopt langs het westelijk deel der kolonie Suriname, verder in N.W. richting over de Karaibische Zee. Beoosten deze lijn heeft men westelijke, bewesten deze lijn oostelijke afwijking. In 1911 was de miswijzing: vóór de Surinamerivier 3°-4° N.W. Curaçao 0,5° N.O. Bovenwindsche Eilanden 2°-3° N.W. (Volgens waarnemingen van H.M. Utrecht.).

Zie ook L.A. Bakhuis, Handleiding voor het bepalen van de correctie eener boussole en het bepalen van den tijd. 1902. - Verslag der Tapanahoni-expeditie, Leiden 1905, blz. 138 (overdruk) en T.A.G. 15 Jan. 1913, blz. 84.)

Dedem (mr. Willem Karel baron van).

Zie MINISTERIE VAN KOLONIËN.

Demerara groenhart,

sur. Zie NECTANDRA GUYANENSIS en BOSCH, blz. 147.

Dendrobates trivittatus

Spix. Een mooi geteekend kikvorschje, tot de familie der Dendrobatidae behoorende, is donker van kleur met 2 gele strepen op iedere zijde, één van de punt van den snuit over het oog loopende strekt zich uit tot aan de liesstreek, eene tweede van onder het oog tot aan den arm. De zijden van het lichaam, de buik en de onderzijde der ledematen met lichte vlekken. De rug is niet glad maar eenigszins ruw, met kleine oneffenheden; de eerste vinger iets langer dan de tweede.

Eene na verwante soort is D. tinctorius Schneid. met gladde huid op den rug, en de eerste vinger niet voorbij de tweede uitstekende. Ook deze soort is aan de bovenzijde donker gekleurd, met breede oranje-vlekken boven op den kop en boven de oogen, welke laatste vlekken zich naar achter toe tot gele strepen verlengen, welke strepen langs de zijden van het lichaam verloopen en midden op den rug samenkomen. Somtijds nog gele dwarsstrepen tusschen de langsstrepen verloopend. Onderzijde blauw geaderd. Zoowel deze soort als ook de vorige, die beide in Suriname voorkomen, varieert somtijds veel in kleur en teekening.

Het merkwaardigste van deze Dendrobates-soorten is de zorg voor de larven, die men bij deze dieren aantreft. Kappler vermeldt van D. trivittatus, door hem meerdere malen in het bosch aangetroffen, dat de larven uit de ondiepe waterplasjes waarin zij geboren werden, naar diepere meer water houdende plassen werden overgebracht door het volwassen dier. Hij schrijft: ‘tot dit doel zet zich de kikvorsch, zooals ik zelf meermalen heb gezien, in den plas, waarna alle larven om hem heenzwemmen en zich zoo aan het oude dier vastzuigen, dat het een gordel draagt van 12-18 jonge, 6 à 7 m.m. groote larven, met welke het dan de reis naar eene andere waterplas voortzet. Of het het mannetje of het wijfje is, dat dit transport bewerkstelligt, weet ik niet.’

Prof. K. Martin meldt in het verslag over zijne Surinaamsche reis: ‘eenige voeten boven het bijna geheel uitgedroogde bed van eene kleine beek ving ik een exemplaar van Dendrobates trivittatus Spix en met het volwassen dier tegelijk een aantal larven, die zich op hetzelfde vochtige blad bevonden, zonder dat ik ze echter had bemerkt, vóór ik het blad met het oude dier en de larven in de hand hield.’ Hoogstwaarschijnlijk was dit een Dendrobates die bezig was de larven van den eenen plas naar een anderen over te brengen.

Door de Corantijn-Expeditie kwam het Museum van Nat. Historie te Leiden in het bezit van een exemplaar van D. tinctorius Schneid, samen met eene larve dezer soort, waarbij de heer J.F. Hulk, de medicus en zoöloog der expeditie aanteekende: ‘het dier droeg bijgevoegde larve met zich op den rug. Den 2den dag was de larve afgevallen en dood.’ Dit exemplaar van D. tinctorius bleek bij nader onderzoek een mannetje te zijn. D. tinctorius is buitendien nog merkwaardig door het gebruik dat de inwoners van Brazilië van dit dier maken om groene papegaaien geel te verven (van daar de naam: tinctorius). Daartoe worden de vederen op de plaatsen, die men geel wil verven, uitgeplukt en de kale plaatsen met de kikvorsch bestreken; als de nieuwe vederen uitkomen wordt de operatie herhaald. Door de inwerking van de zeer giftige huidafscheiding van Dendrobates schijnen de vederen geel in plaats van groen te worden.

 

Th. W.v.L.d.J.

Departementen van algemeen bestuur.

Art. 29 van het Reg. Regl. van Suriname bepaalt, dat de Gouverneur, met inachtneming van de voorschriften van die wet, in naam en als vertegenwoordiger des Konings de kolonie bestuurt en aldaar met de uitvoerende macht is bekleed. In de uitvoering van zijne bestuurstaak wordt hij volgens de bedoeling van art. 19 van het Reg. Regl. bijgestaan door hoofdambtenaren, die met het beleid der afdeelingen van algemeen bestuur belast zijn. Men noemt hen gewoonlijk departements-chefs. Zij zijn: de Proc.-Generaal, de Adm. van Financiën, de Agent Generaal, de Insp. voor het Onderwijs, de Dir. van den Landbouw, de Geneesk. Insp. en de Dir. van het Dep. van Openbare Werken en Verkeer. Tot de departements-chefs worden ook gerekend de Gouv.-Secretaris, hoewel deze geen bepaalden tak van dienst beheert, en de Commandant der Troepen.

De meeste van deze departementen zijn ontstaan onder de werking van het vigeerende Reg. Regl., dus na 1865. Onder de werking van het Reg. Regl. van 1832 had men als departements-chefs slechts den Proc.-Gen., den Adm. v. Fin. en den Gouv.-Secr., benevens den Commandant der Troepen en sedert 1855 ook den Chef van het Bouwdepartement, welk departement thans deel uitmaakt van het Dep. van Openbare Werken en Verkeer.

Op Curaçao is de benaming departements-chef wel niet gebruikelijk, maar inderdaad zijn daar de Proc. Gen., de Adm. v. Fin., de Gouv.-Secr., de Dir. van het Dep. van Openbare Werken, (vroeger, van af 1870, Chef van het Bouwdepartements) de Stadsgeneesheer, de Schoolopziener en de Landbouwkundige aan te merken als departements-chefs, evenals de Commandant der Troepen. Die afdeelings-chefs hebben hun werkkring meer in het bijzonder op het hoofdeiland Curaçao, maar hunne bemoeiingen strekken zich, in meerdere of mindere mate, ook uit tot de andere, door Gezaghebbers (zie BESTUURSREGELING blz. 136) bestuurde eilanden der kolonie.

Gouvernements-Secretaire.

Suriname.

De gouv.-secretarie is het bureau van den Gouverneur, aan welks hoofd staat de gouvernements-secretaris, die door den Gouverneur wordt benoemd en ontslagen. Hij is de dagelijksche adviseur van den Gouverneur en ambtshalve secretaris van den Raad van Bestuur. Vroeger werden alle door den Gouverneur te arresteeren resoluties ter Gouv.-Secretarie opgemaakt, waarvoor de departementen de noodige adviezen leverden. Sedert 1 Jan. 1913 worden de concept-resoluties aan de betrokken de-

[p. 264]

partementen gereedgemaakt. Alvorens aan den Gouverneur ter vaststelling te worden aangeboden, moeten zij echter eerst de Secretarie passeeren, opdat aldaar gezorgd worde voor de noodige eenheid van behandeling in overeenkomstige gevallen.

Ter gouv.-secretarie wordt o.m. gezorgd voor de samenstelling van de koloniale huishoudelijke begrooting en van het Kol. Verslag. Aldaar wordt ook gezorgd voor de uitgifte van het Gouv.-blad, terwijl de Gouv. Secretaris voorts belast is met het toezicht op de uitgifte van het Gouvernements Advertentie-Blad.

Eene landsdrukkerij bestaat in Suriname niet. Het drukken van het Gouv.-blad en het Gouv. Advertentie-Blad wordt na openbare inschrijving bij particulieren aanbesteed.

Legaliseeren van stukken in de gevallen waarin de Gouverneur dat zou moeten doen, geschiedt door den Gouv.-Secr. namens den Gouverneur.

Onder den Gouv.-Secr. ressorteeren ook de kantoren van den burgerlijken stand te Paramaribo en van het ijkwezen over de geheele kolonie.

De Gouv.-Secr. is belast met het toezicht op de Boschnegers en Indianen.

De benoeming van de opperhoofden en kapiteins der Boschnegers en van de kapiteins der Indianen geschiedt op voordracht van den Gouv.-Secr. door den Gouverneur, zooveel mogelijk in overeenstemming met de verlangens van de betrokken stammen.

Curaçao.

In deze kolonie is de Gouv.-Secr. ook Griffier van den Kol. Raad. Als regel worden concept-resoluties niet door de betrokken departementen, zooals in Suriname, gereedgemaakt, terwijl de samenstelling van de begrooting niet ter Gouv. Secretarie, maar ter Adm. v. Fin. geschiedt.

Een Gouv.-advertentieblad bestaat op Curaçao niet; de officieele bekendmakingen worden bij abonnement in een particulier blad, sinds tal van jaren ‘de Curaçaosche Courant,’ opgenomen.

Het kantoor van het ijkwezen ressorteert niet onder de Gouv.-Secr.

Het ambt van Procureur Generaal in Suriname werd ingesteld bij het Reg. Regl. van 1828 (G.B. no. 3). Bij K.B. van 26 Febr. 1833 no. 104 (G.B. no. 10) werd zijne instructie vastgesteld, daarna bij K B. van 7 Oct. 1888 no. 30. De P.G. wordt door den Koning benoemd en ontslagen, is het hoofd van het openbaar ministerie en van de rechterlijke en administratieve politie in de gansche kolonie en vertegenwoordigt den Staat, de Regeering of de kolonie in rechten. Het openbaar ministerie bij het hof van justitie wordt uitgeoefend door of namens den P.G. Hij maakt niet enkel deel uit van de rechterlijke macht, maar is ook administratief ambtenaar. In zijne taak als hoofd van de politie wordt hij bijgestaan te Paramaribo door een commissaris van politie, onder wien een drietal inspecteurs van politie werkzaam zijn, en in de districten door de districts-commissarissen, hoofden van het gewestelijk bestuur. Als hoofd van het openbaar ministerie wordt hij bijgestaan door den Advocaat-Generaal. Als hoofd van de rechterlijke en administratieve politie heeft de P.G. te waken voor de naleving van alle in de kolonie geldende wettelijke regelingen, die de politie aangaan, hetzij deze betrekking hebben op de openbare rust en orde en de verzekering van de veiligheid van personen en goederen, of de openbare hygiene tot onderwerp hebben of met eenig ander onderwerp van algemeen nut in verband staan.

De P.G. houdt toezicht over de notarissen en de ambtenaren van den Burgerlijken Stand, is voorzitter van de commissiën, belast met het beheer van de gevangenissen, heeft toezicht op het krankzinnigenwezen, waarom het krankzinnigengesticht te Paramaribo onder hem ressorteert, legaliseert de handteekeningen van alle te Paramaribo wonende particulieren. (G.B. 1888 no. 15), is hoofd van het hulpbureau van den industrieelen eigendom in de kolonie, zoomede de rechtskundige adviseur van den Gouverneur, en belast met het ontwerpen van verordeningen van juridischen aard.

Vóór de wijziging van het Reg.-Regl. bij de wet van 2 Febr. 1901 (Stbl. 55 en G.B. 16) was de P.G. ambtshalve ondervoorzitter van den Raad van Bestuur en als zoodanig vervanger van den Gouverneur, indien geen vervanger door de Kroon was aangewezen. Sedert de bedoelde wijziging is de bekleeder van het ambt van procureur-generaal, hoewel niet ex officio, steeds lid van den Raad geweest en met eene interruptie ook ondervoorzitter. (Zie ook FISCAAL.)

Op Curaçao wordt de P.G. als hoofd der politie bijgestaan door den commandant der brigade marechaussee, welke functie vervallen zal, wanneer de nieuwe organisatie van de politiemacht geheel in werking zal zijn getreden. Als detachements-commandant van het politiekorps, dat dan geheel uit militairen zal bestaan, zal een luitenant optreden. In de districten op het eiland Curaçao wordt de P.G. als Hoofd der Politie door twee district-meesters bijgestaan.

Als hoofd van het Openbaar Ministerie wordt hij bijgestaan: op het eiland Curaçao door den Advocaat-Generaal, op de overige eilanden door den ambtenaar van het Openbaar Ministerie (op St. Martin en St. Eustatius tevens Officier van Justitie).

De legalisatie van handteekeningen geschiedt door den Gouverneur, tenzij in de gevallen bij algemeene verordering aan anderen opgedragen.

Ook na de wijziging in 1901 van het Reg. Regl. is de bekleeder van het ambt van P.G. steeds lid en ondervoorzitter van den Raad van Bestuur geweest.

Administratie van Financiën, ook wel genoemd Departement van Financiën.

Suriname.

Aan het hoofd hiervan staat de Administrateur van Financiën, die ingevolge art. 146 van het Reg. Regl. onder het oppertoezicht van den Gouverneur belast is met het beleid der koloniale geldmiddelen en het beheer der domeinen. Hij wordt door den Koning benoemd en ontslagen. Onder de werking van het Reg. Regl. van 1832 was o.m. aan den A.v.F. opgedragen het ontwerpen van de Koloniale huishoudelijke begrooting, die met de opmerkingen van den Kol. Raad en van den Gouverneur aan den Min. van Koloniën werd opgezonden, om door de Kroon te worden vastgesteld. Het vigeerende Reg.-Regl. bepaalt dat de begrooting jaarlijks door den Gouverneur, den Raad van Bestuur gehoord, ontworpen wordt (art. 109). Dit geschiedt ter Gouv.-Secretarie met gebruikmaking van de door de departementen geleverde bijdragen; het voornemen bestaat echter om de samenstelling der begrooting over te brengen naar de Adm. van Financiën.

De A.v.F. ontwerpt alle belasting-verordeningen en die welke het domein raken. In Suriname is op enkele bebouwde rivieroevers na, al het land

[p. 265]

domein. Tot de taak van den A.v.F. behoort het toezicht op de heffing en de inning der middelen en het beheer der ontvangen gelden. Met de inning der belastingen en retributiën zijn onder den A.v.F. belast: te Paramaribo: de Koloniale Ontvanger en Betaalmeester, de Ontv. der Invoer-rechten en Accijnzen en de Hypotheekbewaarder; deze laatste ontvangt de zegelgelden. Het district Nickerie heeft een specialen ontvanger; in de overige districten doen de districts-commissarissen als zoodanig dienst.

De Controleur der belastingen, onder den A.v.F. de rechtstreeksche Chef van den dienst der invoerrechten en accijnzen, is verder belast met de verificatie der kassen van de ontvangers en verdere rekenplichtige ambtenaren, ook van die in de districten gevestigd. Hij heeft ook bemoeienis met de inning van de inkomstenbelasting en van eenige andere belastingen en wordt bijgestaan door een adjunct-controleur.

Eene afzonderlijke afdeeling genaamd domein-kantoor, aan het hoofd waarvan de Gouvernements-Landmeter staat, is onder den A.v.F. belast met alle zaken betreffende de domaniale aangelegenheden (landuitgifte zoowel voor den landbouw als voor onderzoek naar en exploitatie van delfstoffen, van balata, hout, enz.). Sedert eenige jaren is er ook een afdeeling onder den naam van ‘Boschwezen’ belast met hetgeen de domeinbosschen aangaat (exploitatie van hout, verzamelen van boschproducten enz., terwijl ook op enkele complexen proef-aanplantingen plaats hebben tot het verzamelen van wetenschappelijke gegevens).

Onder den A.v.F. en onder de directe leiding (thans) van een gep. majoor van den Ind. Topogr. dienst is nog een afdeeling ingesteld, met het doel verbetering te brengen in de domaniale aangelegenheden, in het bijzonder om eene betere karteering der kolonie en een kadaster voor Paramaribo te verkrijgen.

Onder den A.v.F. ressorteert het postwezen (zie aldaar). De A.v.F. is de adviseur van den Gouverneur in financieele aangelegenheden. In den regel is hij, hoewel niet ambtshalve, lid van den Raad van Bestuur, tevens ambtshalve lid en voorzitter van den Raad van Toezicht op de kol. postspaarbank en van de Raden van Beroep voor de inkomsten- en huurwaardebelasting, de invoerrechten, enz.

De verevening en betaalbaarstelling van de vorderingen ten laste van de koloniale huishoudelijke begrooting geschiedt in de kolonie door den A.v.F. namens den Gouverneur (G.B. 1910, no. 86). (Zie COMPTABELEN, COMPTABILITEIT).

Ter Adm. v. Fin. worden gereedgemaakt het ontwerp met de Mem. van Toel. van de jaarlijksche zoogenaamde regularisatiewet (zie BEGROOTING), de Kol. Rekening van Inkomsten en Uitgaven, en de belasting-kohieren, voorzoover deze op Paramaribo betrekking hebben. (zie verder art. 14 van G.B. 1906 no. 52).

De A.v.F. is tevens Beheerder van het Immigratiefonds (zie G.B. 1880 No. 3), waaruit betaald worden de in verband met den aanvoer van immigranten ten behoeve van den landbouw en hun terugvoer staande kosten, voorzoover deze ten laste van den Lande komen.

Hij is ook belast met de controle over de adminisstratie van het militair hospitaal te Paramaribo.

Curaçao.

Zooals onder het hoofd ‘Gouv.-Secretaris’ is opgemerkt, wordt de begrooting ter Adm. v. Fin. opgemaakt.

Met de inning van de belastingen en andere ontvangsten is op Curaçao en elk der overige eilanden met uitzondering van Saba, waar de Gezaghebber ook deze functies bekleedt, een ontvanger, die tevens betaalmeester is, belast. Invoerrechten en accijnzen worden op het hoofdeiland door een sub-ontvanger ten bureele van den Insp. der belastingen geïnd. De Insp. is rechtstreeks belast met den dienst der invoerrechten en accijnzen. De inning van huurpenningen van domaniale gronden op het eiland Curaçao geschiedt door de district-meesters.

Speciale afdeelingen van het domein bestaan ter administratie van financiën op Curaçao niet.

Ook in deze kolonie ressorteert het postwezen onder den A.v.F. die tevens ambtshalve Voorzitter van den Raad van toezicht op de Kol. postspaarbank is.

De verevening en betaalbaarstelling van vorderingen ten laste van de Kol. kas geschieden op Curaçao door den A.v.F. en op de andere eilanden door de Gezaghebbers.

Belastingkohieren worden opgemaakt door den Inspecteur der belastingen.

De contrôle over de administratie van het militair hospitaal geschiedt door den garnizoenscommandant.

Immigratie-departement.

Suriname.

Bij de opheffing van de slavernij in 1863 werd getracht om met staatshulp den aanvoer van vrije arbeiders ten behoeve van den grooten landbouw aan te moedigen. Voor het toekennen van premiën voor aangevoerde arbeiders werd bij de wet van 8 Aug. 1862 (Stbl. 164. G.B. 6), waarbij de slavernij werd afgeschaft, de som van 1 millioen gulden beschikbaar gesteld; het uitloven van premiën bleek echter niet voldoende om de noodige arbeidskrachten voor de plantages te verkrijgen. Voor het verkrijgen van immigranten uit Britsch-Indië zeide de Engelsche Regeering hare medewerking toe, mits de zaak bij verdrag geregeld werd en de Nederl. Reg. hare tusschenkomst verleende bij de werving, de verscheping en den terugvoer der immigranten. Alzoo kwam tot stand de overeenkomst van 8 Sept. 1870 (Stbl. 1872 No. 16 en G.B. 1874 No. 14).

Bij K.B. van 22 Maart 1872 No. 27 (G.B. No. 8), werd met het algemeen toezicht en de controle over alle immigranten die zich in de kolonie bevinden belast een ambtenaar met den titel van Agent-Generaal.

Zoo ontstond het Immigratiedepartement, dat van de beheerders der landbouw-ondernemingen de aanvragen om immigranten ontvangt en zorgt voor den aanvoer van deze door tusschenkomst van de in Britsch-Indië en op Java gevestigde wervingsagentschappen, Na aankomst in de kolonie worden de immigranten door den A.G. uit de depôts te Paramaribo toebedeeld aan de plantages. Het departement zorgt eveneens voor den terugvoer der immigranten, die dit wenschen, naar hun land van herkomst, na verstrijking van den termijn, waarvoor zij zich verbonden hebben. Gedurende den contract-tijd treedt de A.G. op als beschermer der immigranten. Bij hunne bezoeken aan de plantages gaan de A.G. en de distr.-commissarissen die hem bijstaan in de werkregisters na of de immigranten een voldoend loon krijgen en of zij behoorlijk behandeld worden zooals het contract voorschrijft.

De immigranten, wenden zich gewoonlijk met

[p. 266]

hunne verlangens en grieven tot het Immigratie-departement, dat, op hun verzoek, hunne spaarpenningen in de Kol. Postspaarbank belegt en voor het kosteloos overzenden van brieven en geld zorgt.

Ook na afloop van het werkcontract blijft het departement voor de belangen der immigranten waken; het kan hen, wier werk-overeenkomsten verstreken zijn, kosteloos een stuk domeinland ter bebouwing doen krijgen zoomede een voorschot uit de koloniale kas. (zie CREDIETINSTELLINGEN onder landbouwersleenbanken.).

Immigranten, die afstand doen van hun recht op terugvoer naar hun land, kunnen door tusschenkomst van het departement eene premie van ƒ100 uit de kol. kas krijgen.

Departement van onderwijs.

Het toezicht op het onderwijs en al wat verder op het onderwijs en de onderwijzers betrekking had (zooals het afnemen van examens, het plaatsen van onvermogende leerlingen op de scholen) was in Suriname tot 1877 opgedragen aan eene commissie met den naam commissie van onderwijs. In dat jaar trad in werking de verordening van 8 Dec. 1876 (G.B. 1877, no. 10) waarbij het ambt van Inspecteur voor het Onderwijs werd ingesteld. Deze hoofdambtenaar werd, onder het oppertoezicht van den Gouverneur, belast met het toezicht op het onderwijs, waarbij hij wordt bijgestaan: te Paramaribo door eene commissie van onderwijs, in het district Nickerie door eene subcommissie van onderwijs en in de overige districten door de distr. commissarissen.

De I.v.h.O. de Comm. v.O. te Paramaribo, de sub-Comm. v.O. in Nickerie en de distr. commissarissen zorgen dat de wettelijke bepalingen op het lager onderwijs binnen de kolonie nagekomen worden.

De I.v.h.O. heeft alzoo te zorgen voor de naleving van den leerplicht, die bij de aangehaalde verordening in Suriname werd ingevoerd voor kinderen van 7 tot 12 jaar.

Het afnemen der onderwijzers-examens is opgedragen aan de Comm. v.O. te Paramaribo, maar alsdan gepresideerd door den I.v.h.O. De benoeming van het onderwijzend personeel geschiedt op voordracht van den Insp. door den Gouverneur.

De bemoeiingen van den I.v.h.O. ten opzichte van de bijzondere scholen bepalen zich tot het toezicht op de naleving der wettelijke voorschriften.

Op Curaçao is het algemeen toezicht op het onderwijs zoomede de zorg voor de naleving van de verordening op het onderwijs onder oppertoezicht van den Gouverneur, opgedragen aan den schoolopziener; bovendien op Curaçao aan eene schoolcommissie en op elk der overige eilanden aan den Raad van Politie, als plaatselijke schoolcommissie.

Het afnemen van de onderwijzersexamens geschiedt door eene commissie, die telken jare door den Gouverneur benoemd wordt.

Departement van den Landbouw.

Het ambt van Inspecteur van den Landbouw voor Suriname en Curaçao werd in 1903 ingesteld. (Zie CULTUURTUIN EN LANDBOUWDEPARTEMENT.) Benoeming en ontslag van dezen ambtenaar werden aan de Kroon voorbehouden.

Tot de voortdurende zorg van den I.v.d.L. behoorde het zooveel mogelijk verbeteren van de landbouw-toestanden in Suriname en Curaçao, het beheer van het landbouwproef-station te Paramaribo, het toezicht op het beheer van den Cultuur-tuin en op den meteorologischen dienst.

Voorzoover de belangen van den dienst in Suriname het gedoogden, doch tenminste eenmaal en ten hoogste driemaal's jaars, zou de Insp. Curaçao bezoeken. Na eenige jaren bleek dat hij door de werkzaamheden in Suriname zoozeer werd in beslag genomen, dat hij niet meer dan eenmaal per jaar en nog wel voor slechts korten tijd de kolonie Curaçao kon bezoeken, en dus van Suriname uit niet zoodanige leiding kon geven aan den landbouw van Curaçao als gewenscht werd. In 1908 werd daarom besloten de verhouding van den Insp. tot Curaçao te wijzigen; in Suriname kreeg hij nu den titel van Directeur van den Landbouw, terwijl hij ten opzichte van Curaçao voortaan zou zijn de Adviseur in landbouwzaken. Door deze wijziging kreeg de landbouwkundige op Curaçao een meer zelfstandige positie.

Onder het beheer van het landbouw-departement staat de gouvernements-rubberonderneming Slootwijk, terwijl dit departement ook toezicht houdt op de gouvernements-vestigingsplaatsen voor kleine landbouwers (pachters).

Bevordering van de veeteelt, door middel van een gouv. -veearts, behoort ook tot de taak van het departement.

Een der ambtenaren van het departement met den titel van landbouw-assistent bezoekt geregeld de groote landbouw-ondernemingen als adviseur voor den grooten landbouw. Adviseur van den kleinen landbouw is een andere ambtenaar van het departement met den titel van landbouwleeraar.

De landbouwkundige van Curaçao heeft in het algemeen tot taak: de voortdurende zorg om zooveel mogelijk verbetering te brengen in de landbouwtoestanden. Hij dient den Gouverneur van advies, verstrekt inlichtingen aan land- en tuinbouwers, is belast met het toezicht op proefvelden, met het houden van voordrachten, het uitvoeren van wetenschappelijke proefnemingen en zoo noodig met de leiding van cursussen voor hen, die de akte lager onderwijs voor land- en tuinbouw-kunde wenschen te verkrijgen.

Geneeskundig Departement.

Suriname

De zorg en het toezicht over al wat de uitoefening der geneeskunde betreft was tot 1879 opgedragen aan eene honorifieke commissie onder den naam van ‘commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzicht’

De zorg voor de geneeskundige behandeling der Br. Ind. immigranten, die het Gouvernement tegenover de Britsche Regeering op zich nam, deed ontstaan de verordening van 21 Jan. 1879 (G.B. No. 8) regelende de geneeskundige behandeling en verpleging op plantages en gronden. Van dien tijd dagteekent het ambt van geneeskundig inspecteur. In de districten werden districts-geneesheeren aangesteld. De armenpraktijk te Paramaribo was reeds vroeger opgedragen aan twee stadsgeneesheeren, die hun hoofdbestaan vonden in particuliere praktijk. Na in handen van meerdere particuliere geneesheeren te zijn geweest, is de armenpraktijk in 1914 weder gebracht in handen van één enkelen geneesheer in dienst van het Gouvernement, aan wien slechts vergund is in consult en op zijn spreekuur particuliere praktijk uit te oefenen.

Het geneeskundig toezicht werd nader geregeld bij de verord. van 8 Mei 1896 (G.B. No. 23).

Het omvat het onderzoek naar den staat der volksgezondheid, de aanwijziging en bevordering der middelen ter verbetering en de handhaving der verordeningen in het belang der volksgezondheid vastgesteld.

[p. 267]

De G.I. bezoekt geregeld de plantages en doet aan den Gouv. voorstellen, die hem in het belang van de gezondheid geraden voorkomen. Tot zijn taak behoort voorts het bezoeken van apotheken, het toezicht op de Geneeskundige School te Paramaribo, en op den keuringsdienst van levensmiddelen.

In de laatste jaren wordt het ambt van G.I. door den offic. van gezondheid, Chef van den Mil. Geneesk. Dienst, tevens Chef van het Mil. Hospitaal te Paramaribo nevens zijn eigen betrekking waargenomen.

In aangelegenheden betreffende quarantaine adviseert de Geneesk. Commissie. Zoowel deze Commissie als de Geneesk. Insp. afzonderlijk zorgen voor de naleving van de voorschriften betreffende quarantaine.

De G.I. oefent toezicht uit op het slachthuis te Paramaribo, is Voorzitter der Comm. van Toezicht over de gouv.-inrichting ter verpleging van melaatschen Groot-Chatillon, en heeft het toezicht over de particuliere lepra-inrichtingen in de kolonie.

Op Curaçao is het van overheidswege te houden toezicht over den toestand der openbare gezondheid opgedragen: 1e. voor de kolonie in het algemeen, onder den Gouverneur, aan den Geneesk. Raad; 2e. voor het eiland Curaçao in het bijzonder, onder den Gouverneur aan een geneeskundig ambtenaar met den titel van Stadsgeneesheer en aan den Geneesk. Raad, 3e. voor elk der overige eilanden, onder den Gezaghebber, aan den Gouv. geneeskundige en aan een gezondheidsraad.

De Stadsgeneesheer is inzonderheid belast met het toezicht over den staat der openbare gezondheid. Hij doet dienaangaande voorstellen aan den Gouverneur.

De gouv. geneeskundigen zijn correspondeerende leden van den Geneesk Raad. Zij zijn belast met de armenpraktijk en met den quarantaine-dienst. Deze diensten zijn op Curaçao aan speciaal daartoe aangewezen geneesheeren opgedragen.

Departement van openbare Werken en verkeer.

Suriname.

In de eerste helft der 19de eeuw zorgde voor de gebouwen voor den civielen dienst en de werken van waterstaatkundigen aard een stadsarchitect; voor de militaire gebouwen en de forten de officier van het departement van genie. Beide afdeelingen werden in 1855 vereenigd tot een ‘Bouwdepartement’ aan het hoofd waarvan een civiel ambtenaar geplaatst werd met den titel van Chef van het Bouwdepartement.

Teneinde de verkeersbelangen in de kolonie te bevorderen werden omstreeks 1850 2 schoeners door het Gouv. van Suriname beheerd; aanvankelijk zorgde daarvoor de Adm. v. Fin. later de Havenmeester. Geleidelijk breidde de vloot zich uit, zoodat een Dep. van de Kol. Vaartuigen noodig werd en een hoofdambtenaar met den titel ‘Beheerder der Koloniale Vaartuigen’.

In 1903 werd een aanvang gemaakt met den aanleg van een spoorweg van Paramaribo naar de binnenlanden. Hij werd voltooid tot aan Dam aan de Sarakreek, een zijtak van de Suriname. De aanleg vormde een zelfstandigen diensttak onder den naam van Dep. der Kol. Spoorwegen, aan het hoofd waarvan een voor dit werk uitgezonden civiel-ingenieur stond met den titel van Directeur.

Toen de aanleg in 1912 afliep, was de exploitatie van dezen eenigen spoorweg in de kolonie niet van genoegzaam belang om daarvoor een afzonderlijk spoorwegdepartement in stand te houden. Besloten werd toen het Bouwdepartement, het Dep. der Kol. Vaartuigen en dat der Kol. Spoorwegen te vereenigen tot een Dep. van Openbare Werken en Verkeer met een directeur aan het hoofd.

De onder-afd. Openbare Werken heeft de zorg voor oprichten, onderhoud en verbetering der landsgebouwen, aanleg, onderhoud en verbetering der wegen, waterstaatswerken, enz.

De onder-afd. Verkeer te Water onderhoudt den zee- en rivierdienst. (Zie VERKEERSMIDDELEN).

Verder wordt door de onder-afdeeling gezorgd voor de betonning, bebakening en kustverlichting; voor den mond van de Suriname ligt een lichtschip.

De Directeur van het Departement is tevens Chef van het loodswezen.

De onder-afdeeling Verkeer te Land is belast met de exploitatie van den spoorweg van Paramaribo naar Dam.

Curaçao.

Aan het Dep. van Openb. Werken, voorheen bouwdepartement, is de uitvoering opgedragen van alle werken, die door het Gouvernement in het belang van het algemeen en ten behoeve van 's lands dienst worden ondernomen, en verder het toezicht op alle gouvernements-gebouwen, de herstelling en het onderhoud daarvan en van de openbare straten, wegen, aanlegplaatsen en kaden, de verbetering van openbare wateren, en het toezicht op het seinwezen en de kustverlichting.

De Commandant der Troepen in Suriname, vroeger een majoor of luitenant-kolonel, maar sedert de inkrimping van het militair detachement tot ééne compagnie in 1907, een kapitein der infanterie, is behalve met het militair commando en het toezicht op het militair hospitaal ook belast met de brandweer, met den titel van Opperbrandmeester. Deze bestaat uit een aantal militairen die een soort staande brandweer vormen en afgewisseld worden, en voorts uit dienstplichtige burgers van Paramaribo, die niet bij de Schutterij zijn ingelijfd.

Districtsbestuur. Suriname. Aan het hoofd van een of soms van meer districten staat een districts-commissaris, die, belast met het administratief beheer, ambtenaar van politie en hulpambtenaar van justitie is, zoomede ambtenaar van den burgerlijken stand. (Zie ook DISTRICTEN en DIVISIËN).

De distr. comm., hoewel, onder de onmiddellijke bevelen van den Gouverneur, met het burgerlijk bestuur in de districten belast, moeten als boven hen gesteld erkennen de hoofden van zoodanige departementen, ieder voorzooveel zijnen werkkring aangaat, met wie zij in dienstbetrekking staan.

Zij moeten trachten welvaart en bloei van hunne districten te bevorderen.

Curaçao, het hoofdeiland heeft twee districtenmeesters, Aruba en Bonaire elk één; op Curaçao zijn zij hulp-ambtenaar van politie en van den burgerlijken stand en voorts rust op hen: de zorg voor de bevordering der stoffelijke en zedelijke belangen der bevolking van hun district;

het administratief bestuur hiervan overeenkomstig bijzondere verordeningen of algemeene voorschriften;

het toezicht op het domein en de wegen, dammen en putten en

den dienst der koloniale postspaarbank.

Bovendien zijn zij belast met de uitvoering van voorschriften betreffende den land- tuin- en boschbouw, den veestapel en de watervoorziening.

De districtmeester op Aruba en die op Bonaire zijn ook hulp-ambtenaren van den burgerlijken stand en zijn in het algemeen belast met de zorg

[p. 268]

voor de belangen van de bevolking van de onder hun toezicht staande districten.

Departement van koloniën.

Zie MINISTERIE VAN KOLONIËN.

Déportés.

De in Frankrijk tot ballingschap veroordeelden worden, bij aankomst te Cayenne, geklassificeerd en over de établissementen verdeeld. Déportés heet men daar de bannelingen in 't algemeen; transportés zijn de roovers en moordenaars, die tot tijdelijken of levenslangen dwangarbeid veroordeeld zijn; rélégués de onverbeterlijke recidivisten uit de Fransche gevangenissen. De politieke bannelingen gaan naar de Iles du Salut (Royale, Ile Joseph en Ile du Diable, waar Dreyfus gevangen gezeten heeft); de transportés naar Kourou, Cayenne en St. Laurent; de rélégués naar St. Jean, evenals St. Laurent aan de Marowijne gelegen. Libérés zijn zij, die na een zekeren straftijd voorwaardelijk vrijgelaten worden, maar steeds onder politietoezicht blijven. Da vluchtelingen, die in Suriname komen, zijn of van St. Laurent of van St. Jean en worden in het algemeen déportés genoemd. Zij gaan op vlotten van moko-moko (Montrichardia arborescens) of licht hout - een enkelen keer in gestolen of zelf gemaakte booten - de Marowijne over, en trekken, voor zooveel zij niet door de Indianen of Boschnegers worden opgevangen, door het bosch naar den bovenloop van de Cottica, die ze op vlotten afzakken. Velen komen in het bosch om, hoewel ze niet zelden van terrein-kaarten voorzien zijn, die op de straf-etablissementen in het geheim vervaardigd en zorgvuldig verborgen worden. Een enkelen keer heeft de ontvluchting over zee plaats.

Dat het getal ontvluchtingen niet gering is blijkt uit de volgende aan de Kol. Verslagen ontleende cijfers: in 1910, 1911 en 1912 werden respectievelijk in Suriname aangehouden 152, 230 en 210 déportés, uitgezet 113, 199 en 195, in vrijheid gesteld 38, 29 en 11. In het cijfer der aangehoudenen zijn niet begrepen de vluchtelingen die aan de Marowijne waren aangehouden en dadelijk naar den Franschen oever teruggeleid. In 1911 en 1912 verkeerden 129 en 145 in dit geval. In 1910 stierf er 1, en in 1911 2, behalve de velen die in de bosschen omkwamen.

In den regel zendt het Surinaamsche bestuur de vluchtelingen terug naar het tegenover Albina gelegen etablissement St. Laurent, maar menigmaal wordt hun 't verblijf oogluikend toegestaan. Verscheidenen zijn te Paramaribo gevestigd, anderen werken op de plantages, enkelen in de goudvelden. De etablissementen in de Marowijne zijn uit de vijftiger jaren der vorige eeuw.

Gedurende de Fransche revolutie verbande men op groote schaal naar Cayenne. Ontvluchtingen naar Suriname kwamen ook toen reeds voor. Zoo bereikten 29 Juni 1798 Pichegru, Barthélemy, Aubry, Villot, La Rue, Ramel, Dossonville en Tellier, die den 18n Fructidor (4 Sept.) 1797 door het Directoire gevangen genomen en naar Cayenne verbannen waren, de Motkreek, van waar zij naar Paramaribo vertrokken. In het Journal ou témoignage de l'Adjudant général Ramel, Leipz. 1799, (in hetzelfde jaar Holl. vertaling te Utrecht), vindt men hun gastvrije ontvangst door gouverneur Friderici en de Surinaamsche bevolking uitvoerig beschreven. ‘Toute la ville était illuminée, la garnison et les milices coloniales étaient sous les armes, nous débarquâmes au bruit de la mousqueterie et de l'artillerie de la place et de la flotte’, etc. (blz. 235). Zij werden in de gelegenheid gesteld de kolonie te verlaten.

Over de deportatie naar Cayenne bestaat een omvangrijke litteratuur. Men zie, om slechts enkele geschriften te noemen: G. Verschuur. Voyage aux trois Guyanes et aux Antilles. Paris 1894, blz. 176-205; Th. B. van Lelyveld. Het bagno in Fransch Guijana, in de Gids van Juli 1904 en Aug. 1905; J. Tripot. La Guyane. Au pays de l'or, des forçats et des peaux rouges. Paris 1910. Laffon- Ladebat. Journal de ma déportation à la Guyane française. Publié d' après les manuscrits inédits, avec une introduction par Frédéric Masson. Paris 1912; Charles Wellington Furlong. Cayenne the Dry Guillotine, in Harper's Monthly Magazine van Juni 1913.

Dermatoptera,

oorwormen, eene orde van insecten, die zich onderscheiden door bijtende monddeelen, eene onvolkomen gedaanteverwisseling en vier vleugels, waarvan de voorste zeer kort zijn (dekschilden) en bij het vliegen geen dienst doen, terwijl de achterste in rust waaiervormig geplooid en dwars toegevouwen onder de voorste liggen. Het einde van het achterlijf draagt een paar ongelede beweegbare organen, die te zamen een soort van tang vormen. De oorwormen zijn meestal lichtschuwe dieren, die zich van bloemen en vruchtensappen voeden. Zij zijn over de geheele aarde verspreid en verbergen zich niet bij voorkeur in onze ooren, zooals het algemeen volksgeloof is en waaraan ook hun naam zijn oorsprong ontleent.

Desmanthus depressus

Humb. et Bonpl. Fam. Leguminosae. Montánja, ben. e. Lage heester met dubbelsaamgestelde bladeren; de peulen staan ten getale van 3-6 bijeen aan het eind van de bloeistengels en zijn lijnvormig; de zaden zijn in de lengterichting der peulen geplaatst.

Desmanthus virgatus

Willd. Fam. Leguminosae. Wild tantan, bov. e. Gelijkt veel op D. depressus maar is wat forscher; de zaden in de peulen zijn duidelijk scheef geplaatst.

Desmodium barbatum.

Btl. Fam. Leguminosae. Oeman-pienda, n.e. Een kleine kruidachtige plant waarvan de bladeren eenige overeenkomst hebben met die van de Pienda.

Desmodium molle

P.D.C. Fam. Leguminosae. Boontsji kabaai, Foengfoeng, Goorda kapaa, ben. e. Een vrij hoog opgroeiend kruid met drietallige bladeren waarvan het eindblaadje veel grooter is dan de zijblaadjes en driehoekig met wigvormige voet; bloemen in lange trossen; de peul bestaat uit een plat breed uitgegroeid lid waaronder een spiraalvormig deel der peul, dat veel maller is.

Desmodium supinum

P.D.C. Fam. Leguminosae. Wild peas, bov. e. Kruid met drietallige bladeren; bloemen in trossen; de peul bestaat uit een aantal geledingen en is aan de eene zijde bochtig ingesneden.

Desmodium triflorum

P.D.C. Fam. Leguminosae. Sisternweed, bov. e. Klein kluipend plantje met drietallige bladeren waarvan de blaadjes omgekeerd hartvormig en 0.5 cm. lang zijn.

Desmoncus polyacanthos

Mart. Fam. Palmae. Bamba-makà, n.e. Een palm met langen dunnen stam en bladeren waarvan de middennerf (gemeenschappelijke bladsteel) in een aanhangsel verlengd is dat teruggebogen stekels (vervormde bladsegmenten) draagt en daardoor eenige overeenkomst vertoont met de O.-Indische rottans.

Desmoncus riparius

Spruce. Fam. Palmae. Bamboesi-makà, n.e. Zie de vorige. Vermoedelijk worden de inlandsche namen voor meerdere soorten van desmoncus door elkaar gebruikt.

Devils bit,

bov. e. Zie RUELLIA.

Dia,

n.e. voor hert in het algemeen.

[p. 269]

Dia-kraroen,

n.e. Zie AMARANTUS CAUDATUS en CENTROPOGON.

Dialoppoe-tetei.

n.e. Zie DAVILLA.

Diamaliki.

n.e. (?) Zie JACARANDA FILICIFOLIA.

Diamant.

Er zijn in Suriname diamantjes gevonden in de Savanna-mijn, het Guyana-Goud-Placer en in 1913 ook aan de Marowijne. Tot ontginning is het evenwel tot nog toe niet gekomen.

In Engelsch-Guiana zijn eveneens diamanten gevonden, en daar worden zij reeds sinds jaren geregeld gewonnen. Een zeer winstgevend bedrijf levert deze ontginning evenwel tot nog toe niet op. (J.B. Harrison. The Geology of the Goldfields of British Guiana. London 1908. Chapter XXVI, pag. 212).

De edelgesteenten komen voor in dezelfde alluviale grintlagen, waaruit ook het goud gewonnen wordt. Van de Savanna-Mijn, gelegen in Oosten van het Placer de Jongh heb ik twee diamantjes gezien, van ongeveer 1 en 2 millimeter grootte, helder en kleurloos.

 

G. Duyfjes.

Dichtwerken.

Zie ROMANS EN DICHTWERKEN.

Dicorynia paraensis

Bth. Fam. Leguminosae. Bastaard Lokus, sur. Basra-lokus, n.e. Een groote boom met breede kroon waarvan het hout een hars levert voor vernis en bovendien als bouwhout gebruikt wordt; volgens anderen komt er uit den stam een gomachtige stof te voorschijn, die aan de lucht bruin wordt.

Dicotyles.

Geslacht behoorende tot de Artiodactyla (zie MAMMALIA), het eenige, dat tot Amerika beperkt is. De soorten van dit geslacht gelijken in menig opzicht op onze gewone varkens. Het gebit is echter tamelijk verschillend. Terwijl de laatste in het geheel 44 tanden bezitten, heeft D. er slechts 38; bovendien zijn de hoektanden in de bovenkaak naar beneden gericht en niet, zooals bijv. bij het (wilde) zwijn naar boven omgebogen. Voorpooten met 4, achterpooten met 3 vingers. De naam Dicotyles is ontstaan omdat men vroeger meende, dat deze dieren twee navels hadden. De zgn. navel op den rug is echter een klier, die een olieachtige, naar muskus riekende stof afscheidt. Deze klier moet men snel na den dood verwijderen omdat anders het overigens smakelijke vleesch oneetbaar wordt door de lucht. In tegenstelling met onze varkens werpt D. slechts twee jongen per keer.

In Suriname komen twee soorten voor. D. labiatus, Piengo, n.e. Poeingo, kar., Dodele of Keheroen, Arow. wordt in Cayenne Cochon marron genoemd. Het dier leeft in kudden van 20-200 stuks. Het woelt met den snuit den grond in de bosschen om, ten einde te zoeken naar insekten, voedt zich echter voornamelijk met palm- en andere vruchten. Vaak zwemmen zij zelfs breede rivieren over. D. labiatus wordt ± 90 cm. lang en half zoo hoog. Ooren kort; pooten slank. Het lichaam is bedekt met donkerbruine borstels, die lichte vlekken vertoonen. De aanvoerder van den troep wordt in Suriname Piengo granman genoemd.

De tweede soort, D. tajacu (=D. torquatus), Pakira, n.e. en kar., is kleiner dan de vorige en heeft een licht gekleurde band over de schouders. Deze soort leeft in troepjes van 6-8. Overigens als D. labiatus.

Didelphys.

De soorten van dit geslacht van Buideldieren (zie MARSUPIALIA) worden in het algemeen wegens een zekere gelijkenis met ratten, Buidelratten genoemd, Awari, n.e. en kar. Kappler vermeldt, dat er in Suriname een zeven- of achttal soorten voorkomen, wisselende in grootte tusschen een kat en een muis. Zij zijn vleesch- en insekten- etend; de grootere soorten zijn beducht wegens hun roof van kippen. Allen hebben een langen grijpstaart en hun huid is als bont gezocht.

Dieffenbachia seguine

Schott. Fam. Araceae. Donkè, n.e. Een in den bodem levende aronskelk met lange bloeikolf en groenwitte scheede. De bladeren worden gebruikt om dierlijke parasieten uit de huid te verdrijven. De plant zit vol kristalnaalden van oxaalzure kalk, zoodat het vee, wanneer het de bladeren eet, keelontsteking, krijgt.

Dierenwereld.

Zie FAUNA.

Dieven korjaal,

sur. Aldus worden de zeer kleine korjalen genoemd, waarmede men in de kleinste kreekjes geluidloos kan varen.

Different coloured jessamine,

bov. e. Zie QUISQUALIS.

Differentiëele rechten.

Onder D.R. verstaat men belastingen, wier druk verschilt naar gelang van de omstandigheden, waaronder zij worden geheven. Hoewel dergelijke verschillen zich bij iedere soort van belasting laten denken, bedoelt men met D.R. gewoonlijk verschillend werkende scheepvaartrechten, de belastingen op den in- en uitvoer daaronder begrepen. D.R. in dezen engeren zin beoogen als regel bevordering van den nationalen handel. Doch deze eenheid van doel verhindert geen verschillen in den vorm.

De meest gewone vorm is de bevoorrechting van eigen onderdanen en nationale schepen boven personen en vaartuigen van vreemde nationaliteit. In de koloniale staatkunde kunnen dergelijke bepalingen aangevuld worden door voorrechten aan nationale voortbrengselen. Deze soort van D.R. kan in de Nederlandsche koloniale geschiedenis beschouwd worden als een overgang tusschen het stelsel van alleenhandel, dat tijdens de Republiek had gegolden en in de eerste helft van de 19e eeuw nog doorwerkte en het gelijkheidsstelsel, dat in de tweede helft van die eeuw zijn intrede deed.

In SURINAME werden reeds D.R. geheven krachtens de publ. van 20 Dec. 1826 G.B. No. 6). De Nederlandsche handel werd daarbij sterk bevoordeeld; de Noord-Amerikaansche, die ook onder de Societeit reeds eenige voorrechten had genoten, wat minder. Deze D.R. golden echter alleen voor zoogenaamde ‘geadmitteerde’ goederen uit de Ver. Staten en voor ‘bij speciale vergunning toegelaten’ goederen uit andere vreemde landen; want het aloude stelsel van den Nederlandschen alleenhandel werd nog gehuldigd (zie artt. 70 en 71 van het Reg.- Regl. van 1832, G.B. no. 14), al moest men daarvan ook telkens afwijken. Eerst na de afschaffing van het nationale monopolie bij het K.B. van 17 Dec. 1847, No. 83, (G.B. 3 Maart 1848 No. 4) werd er een zuiver stelstel van D.R. ingevoerd. In niet uitgezonderde gevallen werd bij invoer met Nederlandsche schepen 3% van de waarde der goederen geheven en bij invoer met vreemde schepen 6% (Publ. 20 Apr. 1848 G.B. No. 5). Bij het tarief van 5 Dec. 1867 (G.B. 1868 No. 4) is dit verschil vervallen.

In de kolonie CURAÇAO, die zelve weinig bronnen van welvaart oplevert en het daarom meer van den handel moet hebben, heeft men reeds veel vroeger een vrijzinnige handelspolitiek gevolgd. De haven van Curaçao werd reeds met 1 Jan. 1827 opengesteld voor de vaart en den handel van alle natiën. Zelfs werden daarbij alle in- en uitgaande rechten afgeschaft, een maatregel waarvan men later wel weder is moeten terugkomen, doch die toch voor goed aan de bevoorrechting van den Nederlandschen handel

[p. 270]

een eind heeft gemaakt. Ook op de andere Nederlandsche Antillen heeft men sedert geen D.R. gekend.

D.R. kunnen ook den vorm aannemen van bevoorrechting van de eene vreemde natie boven de andere. In dien vorm dienen zij wel als maatregel van represaille of retorsie, maar indirecte bevoordeeling van eigen handel kan ook het doel er van zijn. Het meest bekende voorbeeld van zulke rechten in de geschiedenis van onze W.-I. koloniën zijn de differentiëele of additioneele rechten, die door Venezuela worden geheven van den invoer door middel van de Antillen. Zij dagteekenen uit 1882 en danken hun ontstaan aan het initiatief van den president Guzman Blanco, die, naar men op Curaçao algemeen gelooft, daarmede in het bijzonder den Curaçaoschen handel heeft willen treffen, uit wraak over het feit dat hij, toen nog oproerling, in 1869 door ons bestuur van het eiland was verwijderd. Deze opvatting is eigenlijk niet aannemelijk. Naast en boven de vernietiging van den Curaçaoschen handel beoogde Guzmán Blanco de bevordering van den handel der Venezolaansche kustplaatsen. En dat doel is tot op zekere hoogte ook bereikt.

Deze D.R. bestaan in een over-belasting van 30% op alle goederen, van vreemde herkomst, die door tusschenkomst van een der Antillen - tot welken staat zij ook behooren - in Venezuela worden ingevoerd. De producten van die eilanden zelf worden er niet door getroffen. In 1883 werd bij wijze van wetsduiding door de Venezolaansche Regeering bepaald dat de additioneele rechten niet zouden worden geheven van goederen uit Europa en Amerika, die op de Antillen slechts van boord tot boord overgescheept worden of aldaar alleen tijdelijk worden opgeslagen bij gebreke van een scheepsgelegenheid om ze onmiddellijk naar Venezuela over te brengen. Deze verzachting van den maatregel, die waarschijnlijk moet worden toegeschreven aan het feit dat de kleinere Venezolaansche kustplaatsen de bemiddeling van de Antillen - in het bijzonder Curaçao en Trinidad - niet kunnen missen, heeft in onze kolonie de ontwikkeling van een vrij belangrijken doorvoerhandel mogelijk gemaakt, die ernstig werd getroffen toen de president Castro in 1905 en 1908 tijdelijk de wet van 1882 weder in zijn meest gestrengen vorm deed toepassen. De vroeger zoo bloeiende eigen handel van Curaçao echter is door de additioneele rechten vrijwel onmogelijk geworden. Stappen om de Venezolaansche Regeering tot de afschaffing van die rechten te doen besluiten - zoowel door onze Regeering als door andere mogendheden, w.o. Engeland, gedaan - hebben tot dusver geen gevolg gehad.

(Zie ook HANDEL en SCHEEPVAART, CURAÇAO).

Litt. P. de Joncheere: Geschiedenis der belastingen in de Kolonie Curaçao, Alg. Landsdr. 1904/5; A.G. van Wieringen: Geschiedenis der belastingen in de Kolonie Suriname, Alg. Landsdr. 1912; Amigo de las Antillas: Het Nederlandsch-Venezolaansch Incident 1875, Curaçao, Typographia Belgica; A.T. Brusse: Curaçao en zijne bewoners, Curaçao 1882; H. van Kol: Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904; Mr. G.J. Fabius: De Curaçaosche Bank, De Goederenhandel, Econ. 1913, bl. 291 vlg.

 

G.J.F.

Dikke-pooten-ziekte,

sur. Zie BACOVEN.

Dimorphandra excelsa

Baill. Fam. Leguminosae. Mora of Peto, sur. Een zeer groote, mooie boom, waarvan het hout voornamelijk voor dwarsliggers gebruikt wordt. Komt het meest voor in het westelijke deel van Suriname. In Britsch Guiana wordt het veel gebruikt; zeer aanbevolen voor scheepsbouw.

Diodon hystrix l.

Djiendja, pap. Fam. Diodontidae. Zeevisch. Verspreiding: Algemeen in tropische zeeën. Het lichaam kort en breed, bedekt met stekels. De buikzijde kan zich uitzetten. De mond is eindstandig, de kaken gelijken op een vogelbek. De borstvinnen kort, breed en rond. De rugvin en aarsvin staan ver naar achter en en zijn klein. De volwassen dieren hebben aan den bovenkant en op de vinnen zwarte stippen. De buikzijde is wit. Deze visch kan drie voet lang worden. Hij is langzaam en leeft op den bodem tusschen planten en koralen.

Dioscorea alata

L. Fam. Diocoreaceae. Yam, bov. e. Klimplant met gave diep hartvormige bladeren, die 5 hoofdnerven hebben en eindigen in een spitse punt.

Dioscorea cayennensis

Lam. Fam. Dioscoreaceae. Jams, sur. Doeroekoearoe, arow. Njamsi, n.e. Een klimplant die veel op Napì gelijkt en waarvan de wortels op dezelfde wijze gegeten worden. Een andere soort (D. polygonoides H.B.K.) is als Njamsi-grein (?) bekend. (zie verder AARDVRUCHTEN).

Dioscorea trifida

Linn. Fam. Dioscoreaceae. Napì, n.e. Himekoene, arow. Een slingerplant met 3-lobbige bladeren en bloemen in lange ijle trossen (Zie AARDVRUCHTEN)

Dioscorine.

Het giftig alcaloid, dat in sommige Dioscorea-soorten voorkomt.

Diplotropis guyanensis

Bth. Fam. Leguminosae. Zwarte kabbes, sur. Een boom waarvan het hout als bouwhout gebruikt wordt. Het gelijkt veel op Bruinhart en wordt er soms voor verkocht.

Diptera,

tweevleugeligen, eene orde van insecten, waartoe de vliegen (n.e.: frei-frei) en muggen behooren. Zij hebben eene volkomen gedaanteverwisseling en twee vliezige voorvleugels, terwijl twee gesteelde knopjes (zoogenaamde kolfjes) de plaats der achtervleugels innemen. De monddeelen zijn zuigend en bestaan uit een buisvormige onderlip, die als zuigscheede dienst doet en waarbinnen de kaken in den vorm van stiletten besloten zijn. De pootlooze larven (maden) hebben zeer uiteenloopende leefwijzen. De poppen zijn soms bedekt, d.i. de uitwendige organen van het volkomen insect zijn slechts aangeduid, soms vormt zich de pop binnen de verharde lichaamshuid. In het laatste geval heeft de pop den vorm van een tonnetje, waaruit het volkomen insect te voorschijn komt, door het afvallen van een kapvormig dekseltje. De Diptera van West-Indië zijn nog slechts zeer onvoldoende bekend, hetgeen vooral te wijten is aan hun veelal teeder maaksel, dat eene voldoende conservatie verhindert. Vele der voor menschen dieren lastigste en gevaarlijksteinsecten behooren tot deze orde en nog telkens neemt het aantal ziekten toe, die aan den steek van tweevleugelige insecten worden toegeschreven.

Uiterst teer is de bouw der Culicidae of muggen, gekenmerkt door lange, veelledige, bij het mannetje veelal fraai gepluimde sprieten en een langen vooruitstekenden zuiger. Hiertoe behooren de steekmuggen, vooral in de tropen muskieten genoemd (n.e. maskita; kar. krapana; n.e. en kar. makoe (in het bijzonder Anopheles); arow. hanijoe, arakahanijoe), de grootste plaag der heete gewesten. Allerlei bloedzuigende muggen worden met den naam muskieten bestempeld, zoowel de malaria veroorzakende

[p. 271]

Anopheles-soorten, als de aan onze gewone Europeesche steekmuggen verwante muggen van het geslacht Culex en de Stegomyia fasciata, de oorzaak der gele koorts en zelfs de minder gevaarlijke, maar misschien lastigste van allen, de tot het geslacht Simulium behoorende kriebelmuggetjes, die in Suriname mompieren genoemd worden (n.e. mampira, kar. mapiri, arow. itikape, pap. Wienpiri). Steeds zijn het alleen de wijfjes, die steken en bloedzuigen; de monddeelen der mannetjes zijn minder ontwikkeld, daar zij in den toestand van volkomen insect geen voedsel tot zich nemen.

Terwijl nu de verschillende vormen van malaria aan den steek van Anopheles-soorten en de gele koorts aan Stegomyia fasciata worden toegeschreven is eene Culex, althans in hoofdzaak, de oorzaak der filariosis of elephantiasis. De Anopheles brengt parasieten in het bloed, die tot de Protozoën, de Culex, die tot de draadwormen behooren; bij de gele koorts tast men nog steeds in het duister omtrent de naaste oorzaak der ziekte. Uitvoerig wordt de ontwikkeling dezer parasieten en al hetgeen daarmede in verband staat behandeld in J.J. Halfhide, Schadelijke insecten en dieren en de daardoor veroorzaakte ziekte-processen. Zesde gedeelte, 1911.

De muggen der geslachten Anopheles en Culex onderscheiden zich in tal van kenmerken van elkander; de meest in het oog vallende zijn dat de vleugels der eerste meestal gevlekt, die der laatste in den regel ongevlekt zijn, dat de pooten van Culex allen even lang en zoo lang als het lichaam zelf zijn, terwijl die bij Anopheles van het 1ste tot het derde paar in lengte toenemen en langer dan het lichaam zijn; en dat de onderkaakstasters ook bij het wijfje zoo lang zijn als de zuiger bij Anopheles, veel korter bij Culex; in den rusttoestand is het voorgedeelte van het lichaam van Anopheles schuin naar beneden, bij Culex evenwijdig aan de onderlaag gericht. De Stegomyia fasciata is eene zeer donker gekleurde mug met ongevlekte vleugels, met eene eigenaardige liervormige teekening van lichtgekleurde lijnen op het borststuk, en met witgeringde pooten, terwijl het 3de paar pooten bij het zitten altijd in de hoogte en in schommelende beweging wordt gehouden. Zij schijnt het talrijkst te zijn aan de zeekust. De kriebelmuggetjes van het geslacht Simulium zijn uiterst klein. Hun steek heeft ontsteking ten gevolge en kan zeer pijnlijk zijn, hun snuit is echter te kort om door de kleeding te kunnen heendringen; dit laatste is bij de vroeger genoemde muggen wel het geval. Eene veelal Simulium pertinax genoemde soort leeft verder van de kust en vooral aan zoete wateren, terwijl eene andere, die ik als Simulium nocivum, vind aangeduid, de algemeen bekende zandvlieg zou zijn, een bewoner der zandsavannen, waar zij in verbazend grooten getale wordt aangetroffen. Geen van beide namen zijn echter in de tegenwoordige Dipterologie bekend en zelfs is het volstrekt niet zeker, dat de bedoelde soorten werkelijk tot Simulium behooren. Is de jawsvlieg, die de jaws of framboesia zou overbrengen, werkelijk een Simulium, zooals Kappler zegt, dan zou tot dit geslacht althans ook ééne direct schadelijke soort behooren.

Dat men voortdurend naar middelen zoekt om deze schadelijke muggensoorten te bekampen, ligt voor de hand. De ontwikkeling van allen heeft in het water plaats, die van Anopheles en Simulium meer in natuurlijke wateren, die van Culex en Stegomyia in alle denkbare waterverzamelplaatsen. Bij de verdelging der vertegenwoordigers van de beide laatste geslachten, zal dus groote zindelijkheid een niet te versmaden bondgenoot zijn. Een laagje petroleum of het kweeken van Azolla, het bekende watervarentje of andere dergelijke planten, waardoor het watervlak van de lucht wordt afgesloten, verhindert de ademhaling der larven en veroorzaakt daardoor hun dood. De beste verdelgers zijn zeker eenige kleine visschen, waarvoor vooral de todobéré, Gerardinus Guppii in aanmerking komt. Zie D.G.J. Bolten. Visschen als muskietenverdelgers. Bulletin Dep. van Landbouw Suriname No. 19.

De steekvliegen of Tabanidae voeden zich, althans de wijfjes, evenzoo met het bloed van zoogdieren. Zij hebben korte drieledige sprieten en, even als de Culicidae, bedekte poppen, de kop is veelal zeer breed en heeft zeer groote oogen, vooral bij de mannetjes. De larven leven in het water of in de aarde en voeden zich met insecten en slakken. Verschillende soorten zijn voor het vee en de paarden een even groote plaag als hunne Europeesche verwanten.

Evenzoo korte drieledige sprieten, maar een tonnetje als pop vindt men bij de eigenlijke vliegen of Muscariae Hiertoe behooren de gewone huisvlieg en de vleeschvliegen. Terwijl de eerste in Suriname minder talrijk en minder lastig is dan in Europa, zijn de tweede daarentegen soms ontzettend algemeen en bedekken alle eetbare stoffen met een dikke laag. Ook de parasiet- of sluipvliegen worden tot deze groep gebracht; hare larven leiden een parasitisch leven, vooral in rupsen, maar ook in andere insecten; zijn zij in grooten getale aanwezig, dan kunnen zij door het dooden van schadelijke insectenlarven, hoogst nuttig wezen. Verder Chrysomyia macellaria, waarvan de larven bij menschen, paarden, muilezels enz. in de neusholte, voorhoofdsboezems, keelholte enz. voorkomen en overal de slijmvliezen doorboren, waardoor belangrijke verwoestingen kunnen ontstaan. Eindelijk behooren tot deze groep de Oestridae of horzels. Deze vliegen leggen hare eieren op de huid of aan de haren van allerlei zoogdieren, komen dan op eene of andere wijze in het lichaam en leven daar als inwendige parasieten en wel al naar de soort, in hunne maag of hun darmkanaal, in hunne neusholten, of in builen onder hunne huid, waar zij zich met de aldaar afgescheiden vochten voeden. In Suriname zijn deze larven, vooral de laatste, algemeen bekend onder den minder juisten naam van muskietenwormen. Eene soort, Dermatobia noxialis, die vooral onder de huid van herkauwende dieren en jaguars is aangetroffen, leeft ook wel bij den mensch. Door uitknijpen zijn deze dieren in den regel gemakkelijk te verwijderen. In Suriname blaast men, vóór het uitknijpen, tabaksrook op de opening in de huid.

 

H.J.V.

Dipteryx odorata

Willd. Fam. Leguminosae. Tonka, n.e. en sur. Koemaroe, arow. Een zeer groote boom met krachtige plankwortels en groote kroon, bloeiend in Oct., vruchtdragend in Febr. Het harde, geelachtige hout wordt zelden gebruikt. De als tonkaboonen bekende zaden bevatten een olie, terwijl ze gedroogd, wegens hun gehalte aan het welriekende cumarine in den handel komen. In vroeger jaren werden ze veel uitgevoerd en gebruikt als bijmengsel bij snuif. Een waterig afkooksel der zaden met suiker is een volksgeneesmiddel tegen verkoudheid.

Districten.

Bij publ. van 1863 (G.B. no. 3) werd Suriname in districten verdeeld, staande onder het beheer van districtscommissarissen. Voor Curaçao, Aruba en Bonaire had de verdeeling plaats bij publ. van 1863 no. 11, 1866 no. 24 en 1870 no. 11. Het voor Curaçao ingestelde ambt van districtscom-

[p. 272]

missaris werd weer opgeheven bij publ. van 1871 no. 23; de hoofden, der districten heeten daar weer districtmeesters (zie DIVISIËN). Sedert 1906 zijn op Curaçao de districten 2 aan 2 onder één districtmeester geplaatst. Op Aruba en Bonaire zijn de districten weinig ontwikkeld omdat daar de gezaghebbers het werk doen dat op Curaçao de districtmeesters hebben. (Zie ook BESTUURSREGELING en DEPARTEMENTEN v. ALGEM. BESTUUR.)

Ditibri wiwiri,

n.e. Zie PEPEROMIA NUMMULARIFOLIA.

Dividivi of watapana,

pap. Caesalpinia coriaria Willd. Fam. Leguminosae. De belangrijkste boom van Curaçao en van Bonaire; hij komt vooral veel op het laatste eiland voor, veel minder op Aruba. Zeer waarschijnlijk is hij inheemsch, mogelijk zeer lang geleden ingevoerd en verwilderd. Het hooge looistof-gehalte der rijpe peulen was reeds vóór 1840 bekend. De boom is veelal op grooten afstand kenbaar aan zijn ‘windvorm’. Op de Benedenwindsche eilanden toch waait het geheele jaar door de krachtige passaatwind uit richtingen tusschen het Noorden en het Oosten, onder wiens invloed de boom zijn kenmerkende gedaante aanneemt: de geheele kroon bevindt zich aan de westzijde van den stam, wordt in vorm gelijk aan een dikken, platten koek, die in hoofdzaak uit takken bestaat, waaronder vele doode, die niet afvallen, beschut als ze zijn binnen de kroon. Geen enkele boomsoort heeft een zoo karakteristieken windvorm als de dividivi. De vruchtzetting is gering bij dividiviboomen met den windvorm.

Wat men cultuur zou kunnen noemen bestaat alleen in zorg voor de natuurlijke jonge opslagen en in het uitstrooien van zaden in afgeoogste maïsvelden. Eenige kosten eischen een deugdelijke omheining en soms de bescherming van elk afzonderlijk plantje door middel van doorntakken.

Komt er na de uitplanting voldoende regen, dan behoeft men slechts af en toe het onkruid te verwijderen (vooral gras, klimplanten (= kaboeja, pap) en watapana sjimaron, een Acacia-soort).

Na 2 jaren moet men in een goed-geslaagden aanplant snoeien, teneinde vorming van een opgaanden stam te bevorderen. Hoofdzaak is te zorgen dat de kroon niet lager komt dan circa 2 M. boven den grond, om schade door geiten te voorkomen.

Op vele terreinen, met name in de W.-helft van Curaçao kan men een dividivi-opslag krijgen door eenvoudige afsluiting van het terrein, teneinde de geiten te weren.

Droogte kan veelal de cultuur doen mislukken; aanhoudende droogte doet de opbrengst aan peulen dalen. Te zware regens doen jonge plantjes verdrinken. Regens in Feb. zijn schadelijk want zij vernielen de bloemen, zoodat geen vruchtzetting plaats heeft. Aanhoudende regens en vochtig weer in Dec. en Jan. hebben dikwijls het zwart worden der peulen ten gevolge.

Parasol-mieren, hagedissen (lagadisji, pap.), rupsen (bichi, pap.), wantsen (kapotjas, pap.), schildluizen (pies-pies, pap)., parkieten en geiten (kabrito, pap.), zijn de voornaamste vijanden van den aanplant; maar ook de menschen behooren tot hen, daar zij soms goed-dragende boomen kappen om er houtskool van te branden, in geval van geldnood. Bij het plukken der peulen worden de boomen dikwijls overmatig beschadigd. Cuscuta (hielo di diaabel, pap., Cuscuta americana Linn.), ontwikkelt zich voornamelijk in het laatst van den regentijd, kan heel kleine boompjes geheel uitputten, overdekt soms groote boomen met een dikke laag gele draden, waardoor vruchtzetting uitblijft; in den drogen tijd blijven die draden als een dichte bruine massa op de kroon liggen, in het volgende regenseizoen ontwikkelt zich de Cuscuta weer. Slingerplanten, met den verzamelnaam kaboeja, pap., aangeduid, overdekken de boomen, die in levende omheiningen groeien.

De meest voorkomende ziekte is ‘de ziekte’, waarvan de oorzaak onbekend is; zij is vele jaren geleden in het oosten van Curaçao begonnen, heeft daar bijna alle boomen vernietigd, is voortgegaan naar het westen, heerscht nu in het geheele vijfde en aan de zuidkust van het vierde distrikt. De ziekte heeft een plotseling afvallen van alle bladeren ten gevolge; na een paar weken is de boom weer bebladerd, doch het loof heeft dan een geelachtige kleur en valt weer spoedig af.

Men kent 2 oogsttijden: Jan. en Juni-Juli. In een regenarm jaar is de Januari-oogst goed, maar soms wordt die bedorven door regenachtig weer waardoor de peulen zwart worden en ongeschikt voor den handel. De Juni-oogst kan ook mislukken, doordat soms in Feb. de bloemen door slagregens vernield worden.

Vrouwen en kinderen gaan uit met stokken en manden of zakken, om de peulen van de boomen af te slaan en in te zamelen; zij zijn verplicht om hun voorraad dagelijks bij den eigenaar in te leveren, die een kwartje plukloon betaalt per zak van ruim 20 K.G. inhoud. De ontvangen peulen moeten in den regel nog nagezocht worden om er vuil en steeltjes, alsook onrijpe peulen uit te schieten; daarna worden zij een paar dagen in de zon gedroogd.

De uitgeschoten boomrijpe peulen kunnen in de zon narijpen en drogen. De bevolking plukt soms onrijpe peulen, vooral wanneer de oogst gering is, om elkaar vóór te zijn; zulke peulen, die in den grond gestopt worden, waar zij na eenige dagen een donkere kleur aannemen en eenigszins op rijpe peulen gelijken, bevatten echter nagenoeg geen looistof.

Opbrengst-cijfers zijn niet bekend. Een enkele, goed dragende boom kan in één jaar soms 40 à 50 K.G. peulen opleveren. Volwassen, goed onderhouden aanplantingen bestaan niet, zoodat opbrengst-cijfers per H.A. ook niet te geven zijn. Hoogstens kan worden vermeld dat de beste dividivi-plantages in het 4de en 5de distrikt op Curaçao door elkaar niet meer dan 80, misschien 100 K.G. peulen per jaar en per H.A. opbrengen.

De eigenaars van land ontvangen op aanvrage zakken van de opkoopers, om daarin hunne peulen te verpakken; zulke zakken kunnen 50 K.G. inhouden.

De voornaamste markt voor dividivi is Hamburg; ook naar Havre wordt geregeld verzonden. De prijzen worden bepaald door de Hamburgsche markt: in de laatste jaren bewegen ze zich tusschen 9½ en 12 Mark per 50 K.G. en in verband daarmede is de locale prijs op Curaçao ƒ60.- tot ƒ85.- per ton. De opkooper, tevens verscheper, draagt voor dit prijsverschil de kosten van verpakking, de scheepsvracht, de indroging, het verlies door gebarsten zakken, de verkoop-onkosten. In den regel is de prijs omstreeks de maand November het hoogst, hetgeen verband houdt met aanvoeren en kwaliteit van de oogsten van Mexico en Maracaibo (Venezuela).

Als looistof is de dividivi zoowel in Europa als in Amerika zeer gezocht.

Tot voor eenige jaren werd op Curaçao met dividivi leer gelooid, welk bedrijf er verloopen is.

Halfrijpe peulen, fijn gestampt tot een papje, worden gebruikt om open wonden bij vee te dekken.

[p. 273]

Het hout is zwaar, hard, duurzaam en sterk, donkerbruin van kleur, wordt aan de lucht grijs, komt echter slechts in kleine afmetingen voor. Het is zeer gezocht voor het branden van houtskool, voor palen in prikkeldraad-heiningen, voor verankering van windmolens, enz.

Uitvoer van dividivi-peulen.

Curaçao. K.G. Aruba. K.G. Bonaire. K.G. Totaal. K.G.
1903 669.079 163.205 613.517 1445.801
1904 686.460 167.200 410.893 1264.553
1905 488.540 117.790 714.106 1320.436
1906 340.155 163.640 518.182 1021.977
1907 541.138 63.208 732.546 1336.892
1908 1028.449 247.080 685.539 1961.068
1909 534.887 195.425 840.189 1570.501
1910 558.000 197.000 1057.000 1812.000
1911 652.000 303.000 1102.000 2057.000
1912 548.000 163.000 503.000 1214.000

Litt.: R.H. Rijkens. Curaçao. Verbetering van den landbouw aldaar als middel ter verheffing der Kolonie. Tiel 1907; W. Versluijs. Voordracht gehouden in 1906 in de Curaç. Maatsch. t. bevord. v. Landb., Veeteelt, Zoutwinning en Visscherij. Curaçao 1907; Idem. De Cultuur van Divi-divi. Inspectie v.d. Landbouw in West-Indië. Bulletin no 9 (Nov. 1907). G.B. Dussel. Kort overzicht over den landbouw op Curaçao. Uitgave v.d. Comm. voor de kol. landb.-tentoonst. te Deventer in 1912.

 

W.V.

Divisiën.

Van de vestiging der kolonie tot 1863 de deelen waarin Suriname verdeeld was; in den aanvang een zestal, n.l. Paramaribo, Toerica of Thorarica (zie aldaar), Para, Surino, Commawijn en de ‘oplandsche divisie’. Gouverneur Lichtenbergh stelde voor iedere divisie twee beëedigde personen aan om testamenten, contracten en ‘diergelycken andere publycke dingen meer’ te maken, kennis te nemen van alle ‘delicten fouten enormiteyten ende contraventien’, die zouden voorkomen en op de navolging der wetten toe te zien. (Placcaat van 3 Mei 1669. Zie H. van Breen, Geschiedk. schets der inbezitname van Suriname. Tijdsch. v. Gesch. Land- en Volkenkunde. 21e jaarg., Gron. 1906.) Naarmate de kolonie zich uitbreidde, kwamen er divisiën bij. In de Surinaamsche Staatk. Almanach voor den jaare 1795 vindt men opgenoemd de divisiën Thorarica, Para, Beneden Commewyne, Boven Commewyne, Beneden Cottica, Boven Cottica en Perica, Matappica, Boven Suriname, Wanica en onderhoorige kreken en de Joodsche divisie in de rivier Suriname. De divisiën werden door letters aangewezen. Later kwam Saramacca daarbij. Over elke divisie stond een heemraad, tevens lid van den Kolonialen raad. Nickerie en Coronie werden, dadelijk bij de eerste landuitgifte aldaar, ‘district’ genoemd. In 1816 werd bij reglement de verdeeling in divisiën vastgesteld; bij K.B. van 8 Oct. 1835, no. 3, gepubliceerd in G.B. 1842, no. 3, werd deze verdeeling gewijzigd; deze regeling bleef gelden tot bij publ. van 1863 (G.B. no. 3) de kolonie verdeeld werd in districten.

Ook Curaçao was van ouds in divisiën verdeeld, elke divisie weer in districten, staande onder een districtmeester. (Publ. 1816, no. 4).

Voor St. Martin en Saba vindt men ook een oude verdeeling in divisiën vermeld. (M.D. Teenstra, De Nederl. W.-I. Eilanden. Amst. 1837, II, 236 en 364).

Djaki,

n.e. Zie RHAMDIA SEBAE. Een aantal kleine, oneetbare vischsoorten uit de zwampen en het modderige rivierwater worden in Suriname ook Djaki genoemd.

Djampan,

pap. Zie GARRUPA.

Djankro,

n.e. Zie CATHARTIDAE.

Djari-bita,

n.e. Zie PHYLLANTHUS DIFFUSUS.

Djari markoesa,

n.e. Zie PASSIFLORA QUADRANGULARIS.

Djedoe,

n.e. Zie SCLEROLOBIUM.

Djiendja,

n.e. Zie ZINGIBER.

Djiendja,

pap. Zie DIODON.

Djiendja-maká,

n.e. Zie COENDU.

Djoeka,

Zie BOSCHNEGERS. De naam Djoeka wordt te Paramaribo ten onrechte soms gebruikt voor Boschnegers in het algemeen.

Djoeka-bankoe notoe,

n.e. Zie MUNTWEZEN (SURINAME).

Djoekoe.

ben. e. Zie CAESALPINIA CILIATA.

Djoembi,

n.e. Spook; het woord is meer in gebruik in Britsch Guiana, de Eng. W.I. eilanden en op Haiti dan in Suriname. Zie Ignatius Scoles, Sketches of African and Indian Life in British Guiana. Demerara 1885, blz. 59 vlg.

Djoe-tongo,

n.e. Zie NEGER-ENGELSCH.

Djokotaja,

n.e. Gedroogde en tot poeder gestampte Capsicum-soorten.

Djompo-djompo,

n.e. Zie CRUSTACEA.

Doe,

n.e. Zie DANSEN.

Doesji,

pap. Beteekent zoet; komt in plantennamen meermalen voor.

Doesoembe,

n.e. Zie CHILOPODA.

Dogwood,

bov. e. Zie PISCIDIA.

Doifi,

n.e. Zie COLUMBIDAE.

Doifi pesi,

n.e. Zie SESBANIA AEGYPTIACA.

Doifi-wiwiri,

n.e. Zie VERNONIA.

Dokoen,

n.e. Een soortpudding of deeg van rijpe banannen of jonge maïs gemaakt, met of zonder peper; wordt gewoonlijk in een stuk banannenblad gewikkeld verkocht. Pienda-dokoen of pienda-kaas wordt gemaakt van geroosterde, fijngemaakte pienda's.

Doks,

sur. Zie ANATIDAE.

Dolfijn.

Zie CORYPHAENA.

Dolichos lablab

L. Fam. Leguminosae. Boonki, n.e. Een in alle tropische streken gekweekte slingerplant, waarvan de zaden als boonen gebruikt worden.

Doliocarpus.

Fam. Dilleniaceae. Mamiara-tetei, n.e. Een liaan.

Donders (Petrus)

27 Oct. 1809 te Tilburg geboren uit zeer arme ouders, kwam op 22-jarigen leeftijd op het Klein-Seminarie van St. Michiels-Gestel en voor zijn hoogere studiën in 1837 op het Groot-Seminarie. Den 26en April 1840 ontving hij te Mechelen uit de handen van kardinaal Engelbertus Sterckx de tonsuur, de 4 kleinere Orden en het subdiaconaat; den 10en April 1841 diende de bisschop van Curium i.p.i. Mgr. Ludovicus Cornelius Van Wijkerslooth, hem te Oegstgeest het H. Diaconaat toe en den 5n Juni 1841 volgde zijne wijding tot priester door den Procurator der Surinaamsche Missie, Mgr. Van Wijkerslooth. Reeds op het Seminarie had hij, op uitnoodiging van Mgr. Grooff, Prefect der Surinaamsche Missie, het voornemen opgevat als zendeling naar Suriname te gaan, waarheen hij op 1 Aug. 1842 vertrok en waar hij 16 Sept. voet aan

[p. 274]

wal zette. Reeds als kind en later als student muntte hij uit door buitengewone vroomheid en strenge plichtsbetrachting. Hij was de geboren missionaris, zooals zijn geheele 44-jarige werkzaamheid in de kolonie heeft bewezen. Na van Mei 1853 tot Sept. 1854 het Provicariaat te hebben waargenomen, vestigde hij zich in het begin van 1856 als pastoor te Batavia, het toenmalige leprozen-etablissement aan de Coppename-rivier, waar hij met groote liefde zijn loven wijdde aan de zielszorg der ongelukkige melaatschen. Ook op de plantages, in het district Coronie, onder de Indianen en Boschnegers, heeft Donders met vrucht gearbeid. Toen in 1866 de Surinaamsche Missie aan de Redemptoristen werd toevertrouwd, gaf hij zijn verlangen te kennen om tot de orde toe te treden. Den 24en Juni 1867 legde hij de gelofte af en keerde daarna naar Batavia terug, waar hij vele jaren bleef. Na ruim twee jaren op Coronie vertoefd te hebben vertrok hij in Nov. 1885 op nieuw naar Batavia, waar hij 14 Jan. 1887 overleed, na 24 jaren lang als seculier priester en 20 als religieus gearbeid te hebben. In Het Katholiek Nederland 1813-1913, Nijmegen 1913, II 329, zegt H. Schäfer van hem: ‘Uit zijn levensgeschiedenis treedt ons het beeld tegemoet van een man, zooals het Katholieke Nederland op moreel gebied zelden grooter heeft voortgebracht’.

In 1900 werd met de Diocesane Processen in zake de zaligverklaring van Pater Donders te 's Hertogenbosch en te Paramaribo begonnen; in 1910 zag het Latijnsche Summarium omtrent zijn leven en deugden te Rome het licht, en 29 April 1913 werd het proces zijner zaligverklaring te Rome ingeleid en hem de titel van Eerbiedwaardige toegekend.

Dondersteenen,

sur. Zie AMULETTEN en OUDHEDEN I.

Donfowroe,

n.e. Zie BUCCO.

Donjo,

pap. Beteekent eigenaar, wordt ook gebruikt om grond in particulier eigendom aan te duiden, in tegenstelling van gehuurd land.

Donké,

n.e. Zie DIEFFENBACHIA. Volgens Focke's Neger-Engelsch Woordenboek is het woord donkin een verbastering van het Engelsche dump cane.

Donkodjo,

n.e. Zie CRENICICHLA ALTA.

Dono,

n.e. Zie ICTERIDAE.

Doodenfeesten

komen in Suriname zoowel bij de Boschnegers als bij de Indianen voor. Bij de Boschnegers blijven de lijken vele dagen, soms weken onbegraven, in afwachting van de aankomst der naaste verwanten, die het feest, bestaande in dansen en drinkgelagen, moeten meevieren, waarbij de afschuwelijke lijkenlucht niet schijnt te hinderen. Gedurende al den tijd dat het lijk boven de aarde is wordt de trom geroerd en worden geweerschoten gelost. De naaste familieleden besmeren zich, evenals in Afrika, met witte klei of pimba (zie aldaar) en houden tot verscheidene maanden na het sterfgeval klaaggezangen. Sterft een Boschneger ver van zijn dorp, dan wordt het lijk ter plaatse begraven, maar het hoofdhaar afgeknipt en naar het dorp gebracht, waar het onder geweerschoten begraven wordt. Een jaar na het overlijden worden de feesten herhaald.

De Benedenlandsche Indianen, houden - voor zooveel ze niet tot het Christendom bekeerd zijn - hunne dooden minstens vier dagen in de hut waarin deze geleefd hebben en waarin zij ook begraven worden. Hierbij vinden ook dansen en drinkgelagen plaats en wordt er voortdurend geschoten, een gewoonte die zij van de Boschnegers hebben overgenomen. (Zie verder BENEDENL. IND. en BOVENL. IND. onder Ojana.)

Doodskopje.

Zie CHRYSOTHRIX.

Dorado.

Zie ELDORADO.

Dorado,

pap. Zie CORYPHAENA.

Doras costatus

(L.) Lac., Surinaamsche vinval. Fam. Siluridae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname, Rio San Francisco, en Paraguya, noordelijk tot in Guiana. De kop even lang als breed; er zijn zes voeldraden, de bovenkaaksvoeldraden reiken tot het einde van den schouderstekel. Langs het midden der zijkanten van het lichaam eene rij schilden, ieder schild met een gebogen stekel. De staartvin is uitgetand. De kleur is donkerbruin; een lichte band op het midden van de zijkanten en op de staartvin, gaat naar voren tot boven de oogen; onder dezen band loopt een donkere band. Bek en de onderzijde van den kop wit. Op den onderkant van het lichaam bruine vlekken. De rugvin is aan zijn voet wit en heeft eene bruine vlek bij den top. Van de staartvin zijn de midden- en de randstralen licht, de overige donkerbruin. Aarsvin en buikvinnen hebben een donkere vlek. De borstvinnen zijn donker, hun stekel en binnenste stralen licht. De voeldraden zijn bruin. Volgens Bloch is zijn vleesch onsmakelijk en kan deze visch pijnlijke wonden toebrengen, die men met olie geneest.

Doras dentatus

Kner. Rivier-kwikwi, sur. Fam. Siluridae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname. Er zijn zes voeldraden. Op den nek zijn huidbeenderen. Eene rij schilden bevindt zich langs het midden van de zijkanten van den romp en den staart; ieder schild heeft een gebogen stekel. Het laatste deel van den staart heeft van boven en van onder tevens schilden. Rugvin, vetvin en aarsvin kort. De kleur is bruin met een zwartbruin vlekje achter ieder gebogen stekel der zijschilden.

Dori,

pap. Een kikvorsch van Aruba, die, volgens Prof. K. Martin, bij het invallen van den regentijd in zeer grooten getale te voorschijn komt, en bij de bevolking zeer bekend en geëerd is. (Zie ook A.J. van Koolwijk. De Indianen-Caraïben van het Eiland Aruba, T.A.G. VI. 1882, blz. 224 noot). Waarschijnlijk is dit de Paludicula brachyops Cope. Een andere op Aruba voorkomende kikvorsch, die door Martin in één exemplaar werd medegebracht, dat zich nu in de collecties van het Leidsche Museum van Nat. Historie bevindt, is de Leptodactylus albilabris Gthr.

Doryphorus azureus

= UROCENTRUM AZUREUM. Eene kleine sierlijke hagedis, tot de familie der Iguanidae behoorende, is van boven levendig blauw-groen gekleurd met zwarte dwarsbanden, die somtijds den halvemaan-vorm vertoonen met een geelachtig groenen buik. De staart is bij deze hagedissen korter dan het lichaam en plat, ongeveer twee maal zoo breed als hoog, en voorzien van sterke doornachtige, op dwarsrijen geplaatste uitsteeksels.

Deze dieren, die ook in Suriname worden aangetroffen, leven in holle boomen en voeden zich met insektenlarven, die in het vermolmde hout leven.

Dosoe,

n.e. Zie NAAMGEVING.