Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië


auteur: Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman


bron: Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman (red.), Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië. Martinus Nijhoff/E.J. Brill, Den Haag/Leiden 1914-1917  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

G.

Gado-boom,

n.e. Zie CASSIA BACILLARIS.

Gado-dédé,

n.e. Zie COMMELINA NUDIFLORA.

Gado-fowroe,

n.e. Zie TROGLODYTIS.

Gado-prei

n.e. Feest (winti-dans) door de Boschnegers gegeven ter verzoening van de eene of andere godheid. Zie de beschrijving van zulk een feest bij De Goeje, Verslag der Toemoekhoemak-expeditie. Leiden 1908, blz. 45-49 (overdruk).

Galictis.

Geslacht van Roofdieren behoorende tot de Mustelidae (zie CARNIVORA), bekend als Aira of Adjira. In Suriname komen twee soorten voor. G. barbara is donkergrijs met lichter kop en hals, aan de laatste een geele vlek. G. vittata is bleekgeel; snoet zwart. Beide vindt men in de bosschen, waar zij leven van vogels, eieren en vruchten, maar ook zeer belust zijn op honig.

Galli.

HOENDERS. De wilde hoenders zijn in Suriname vertegenwoordigd door 2 families, de Cracidae, bevattende de Hokkohoenders of Pauwiezen en de Boomhoenders of Marails, en de Odontophoridae, bevattende de Amerikaansche of Tandsnavelpatrijzen. Tot de Hokkohoenders behoort Crax alector, de Powies of Powisi (arow. Hitsi, kar. Oeoko) een grootte, zwarte vogel met witten buik en gele washuid aan den snavel. Van de meer olijfbruine boomhoenders zijn de meest bekende de Marails, Penelope jacupeba (n.e. Boesi-krakoen) en P. marail en de Wakago, Ortalis motmot. (Wakago = loop voort, is een nabootsing van het geluid dat de vogel maakt). Tot de boomhoenders behoort ook de zwarte, van een witte kuif voorziene Pipile Cumanensis. De Cracidae zoeken hun voedsel op den grond, doch houden zich veel op boomen op en nestelen ook aldaar. De Guiaansche patrijs, Odontophorus guianensis, is in Suriname bekend onder den naam Tokro. Tot de hoenders wordt ook gebracht de Hoatzin (Opisthocomus hoazin). Zie aldaar.

Gallon.

Zie MATEN EN GEWICHTEN.

Galmijten.

Zie ACARINA.

Gandoe,

n.e. Zie SWARTZIA.

Ganja.aant.

In Eng. en Ned.-Indië de naam van de door hun harsgehalte samenklevende toppen der vrouwelijke planten van Cannabis sativa. Een genotmiddel, dat in Suriname veel door de Br.-Ind. immigranten gebruikt wordt. Volgens de verordening van 17 Febr. 1908 (G.B. no. 13) mag na 1 Maart 1918 geen Ganja meer ingevoerd worden. De ingevoerde hoeveelheid bedroeg van 1907-1913 resp. 726, 432, 717, 791, 761, 718 en 689 K.G.; het invoerrecht bedraagt ƒ40.- per K.G.; (Zie ook BHANG).

Gardenia florida

L. Fam. Rubiaceae. Kaapsche jasmijn, sur. Een om de prachtige, witte, zeer welriekende bloemen, gaarne gekweekte heester. De naam Kaapsche jasmijn in slecht gekozen, daar de plant in China en Japan thuis behoort.

Garnalen.

Zie CRUSTACEA.

Garosji di baca.

pap. Tweewielige kar, bespannen met 2 ossen. Het juk wordt ze vóór tegen de horens gelegd en met touw of riemen van ongelooid leer daaraan gebonden. G. di boerikoe. Tweewielige ezelskar, soms met een tweeden ezel naast de boomen bijgespannen.

Garrupa nigrita

(Holbr.) J. & Ev. Djampau, pap. Fam. Serranidae. Zeevisch. Verspreiding: Zuid-atlantische zee en de Golfkust van de Vereenigde Staten, zuidelijk tot Cuba en Brazilië. De kleur van dezen grouper is chocolade-bruin tot zwartachtig grijs, effen of met zwakke bleeke plekken, de onderkant nauwelijks bleeker. De einden der vertikale vinnen zijn donkerder. Een donkers streep langs den rand van de bovenkaak. Deze soort bereikt waarschijnlijk wel 500 pond aan gewicht.

Gars,

st. eust. Zie TYLOSURUS.

Gastropelecus sternicla

(L) Cuv. & Val. (Syn. CLUPEA STERNICLA L.) Sriba, kar. en n.e. Fam. Characidae. Zoetwatervisch. Verspreiding Brazilië, Br. en Nederl. Guiana. Het lichaam is kort en diep, de borst rond uitgezet, de zijlijn loopt van den schouder schuin naar beneden tot bijna het begin van de aarsvin. De kleine rugvin zit achter op het lichaam, gevolgd door een kleine vetvin. De aarsvin is lang, de staartvin gevorkt, de borstvinnen zijn groot, de buikvinnen bijzonder klein. De kleur is zilverachtig; een donkere band van den schouder naar de staartvin, soms smalle lijnen langs de rijen schubben er boven, een donkere lijn langs de basis van de aarsvin.

Gatoe,

pap. Zie PROMICROPS.

Gecarcinidae en andere landkrabben.

Merkwaardig is het, dat in West-Indië, zooals ook elders in tropische gewesten, krabben voorkomen, die men ver verwijderd van eenig water, zelfs vrij ver op de hellingen van bergen vindt. Al heeft men evenwel nog niet van alle soorten kunnen aantoonen, dat zij nu en dan het water (zee- of zoetwater) opzoeken (zoo werd Coenobita diogenes, een groote heremietkreeft (zie CRUSTACEA), steeds op het land, hoewel nooit op grooten afstand van het zeestrand aangetroffen), toch is het a priori waarschijnlijk, dat

[p. 307]

zij niet definitief hun oorspronkelijk woongebied verlaten.

Eigenlijke landkrabben zijn de Gecarcinidae, in West-Indië Gecarcinus ruricola, Cardisoma guanhumi en Ucides cordatus. De beide eerste soorten, vooral Gecarcinus, worden vaak op de hellingen van bergen aangetroffen, waar zij in holen en spleten leven. Op de Groote Antillen gelooft men, dat deze krabben aan niet diep genoeg begraven lijken knagen, hetgeen bij hunne gravende levenswijze niet onwaarschijnlijk is. Dit geloof belet intusschen niet, dat op Jamaica deze krabben, wanneer zij in Aug. en Sept. de vervelling doormaken en de huid zacht en week is, uit hunne holen te voorschijn gehaald en gegeten worden. Zij schijnen hoofdzakelijk 's nachts op roof uit te gaan, echter ook over dag vaak hunne holen te verlaten, om zich bij het minste gevaar bliksemsnel in de schuilplaats terug te trekken. Omtrent de levenswijze van Gecarcinus is overigens nog weinig bekend.

Gardisoma en Ucides leven aan de kust op moerassige, met Rhizophoren begroeide plaatsen. Van eerstgenoemde geeft v. Martens (Archiv. f. Naturgesch., 38. Jahrg., 1872, p. 101) aan, dat zij bij het begin van den regentijd in massa het land in trekt, naar moerassige plaatsen, waar zoet water is, ook in bosschen en tuinen en zelfs in de huizen komt; de wijfjes zouden dan eieren dragen. Hij voegt er evenwel bij, dat men nooit jongen ziet.

Meer aan het water gebonden zijn de soorten van Uca en Sesarma, die zich dichter bij het water ophouden. Uca graaft eveneens gangen. Dit geslacht (zie ook CRUSTACEA) onderscheidt zich door de groote ontwikkeling van de eene schaarpoot (nu eens links, dan weer rechts) ten opzichte van de andere. Deze meest met opvallende kleuren (rood, geel, wit, zelden blauwachtig) getinte scharen dienen niet, zooals Brehm's Tierleben vermeldt, om den ingang van het hol te bedekken, wanneer de krab zich daarin verbergt, want dit verklaart vooreerst niet waarom de wijfjes kleine scharen hebben, terwijl bovendien de soorten van Uca zijdelings in hunne holen kruipen, de groote schaar naar binnen geslagen. Volgens Henderson wordt de groote schaar voor het graven der holen gebruikt; dit is echter eveneens om de eerste der bovengenoemde redenen onaannemelijk. Ortmann vermoedt, dat we hier met een sexueel sieraad van het mannetje te doen hebben. De krab draagt de schaar zeer hoog en beweegt deze telkens heen en weer; vandaar de Engelsche naam fiddler crab, de Duitsche Winkerkrabbe en odi odi botoman (dag, dag, man in de boot) in Suriname.

Op zandige plaatsen, tusschen vloed en eblijn, leeft de zandkrab, Ocypode arenaria (zie CRUSTACEA), die gedurende laagwater, holen graaft, het losgewerkte zand tusschen de basis der pooten klemt, en met een ruk wegslingert. Komt de vloed op, dan wordt het gegraven hol door het water weggevaagd en de krabben houden zich dan hooger op het strand, buiten de waterlijn, op, om echter, wanneer gevaar dreigt of om andere redenen, nu en dan hun toevlucht in het water te zoeken. Dat Ocypode zich op koraalriffen in ondiep water ophoudt en zich daar bezig zou houden met het afbreken van stukjes koraalkalk, zooals door Keller (Das Leben des Meeres, 1895, p. 289) voor een soort van de Roode Zee beweerd wordt, is volgens Ortmann bepaald onwaar.

In vochtige mangrove-bosschen klimt een klein krabje Aratus pisoni (zie CRUSTACEA) tot in de uiterste takken der boomen, met welker bladeren zij zich schijnt te voeden. Een grootere krab, Goniopsis cruentatus (zie CRUSTACEA) leeft op dezelfde plaatsen, maar klimt hoogstens tot op de wortels en onder in den boom.

Hoe komt bij al deze verschillende soorten de ademhaling tot stand? Een long, die voor luchtademhaling zou kunnen dienen, is nergens gevonden; integendeel waren bij alle onderzoekingen in de kieuwholten (aan weerszijden van het borststuk, met een nauwe spleet aan de voorzijde achter het laatste paar kaakpooten naar buiten mondend) steeds kieuwen voorhanden. De zoo even genoemde Aratus, die in de boomen klimt, heeft nu ook aan de achterzijde der kieuwholte een opening, die door het oplichten van het rugschild in werking wordt gesteld en lucht tot de kieuwen toelaat. Bij Sesarma komt eene dergelijke achterste opening voor; hier ovenals bij Cardisoma, vinden we bovendien een aan weerszijden van de mondopening gelegen dicht met haren bezette plek, die water kan opzuigen; dit water neemt zuurstof uit de lucht op, en wordt door de voorste spleet in de kieuwholte gebracht. Ocypode en Uca vertoonen weder iets anders: hier bevindt zich aan de buikzijde, tusschen de heupen van het derde en vierde paar pooten bij Ocypode een dichte haarborstel, bij Uca echter een bundel gewone haren. Wanneer men bij Ocypode dezen borstel onderzoekt, bevindt men dat de haren op de randen van eene ronde opening staan, welke opening in een buisvormige gang voert, die aan de andere zijde in de kieuwholte uitmondt. De haren aan den ingang dienen waarschijnlijk, evenals bij Sesarma, om water van den bodem als in een spons op te zuigen en naar de kieuwen te voeren. Bij Ucides vindt men bovendien twee dergelijke, maar kleinere openingen, eveneens onder lange haren verborgen, verder achterwaarts.

Experimenteel is over de wijze van luchtademhaling nog zeer weinig bekend. De kieuwholte is bij vormen als Ucides en Cardisoma reeds uiterlijk duidelijk zichtbaar door eene blazige opzwelling van het rugschild; binnen in evenwel vindt men slechts zelden iets dat, naast de kieuwen, als een soort longweefsel aan het dak der kieuwholte zou kunnen beschouwd worden.

Litt.: Bronn's Tierreich, Crustacea, Bnd. 2, bewerkt door Gerstaecker en Ortmann, Leipzig 1901. Ortmann, Carcinologische Studien, Zool. Jahr- bücher, Abt. f. Systematik etc. Bnd. X. 1898.

 

J.J.T.

Geelbagger,

sur. Zie SCIADEICHTHYS LUNISCUTIS.

Geeldas-kanarie,

sur. Zie TANAGRIDAE.

Geelhart,

sur. Zie PLATONIA.

Geelhout,

ben. e. Zie CASEARIA BONAIRENSIS.

Geelstaartje,

pap. Zie ELAGATIS en OCYURUS.

Geepie,

pap. Zie TYLOSURUS.

Gefken (mr. Jan Willem),

geb. 9 Mei 1807 te Amst., overl. te 's Grav. 22 Sept. 1887, promoveerde in 1832 te Leiden in de rechten en vestigde zich als advocaat te 's Grav. Hij werd in 1843 benoemd tot subst. offic. v. Justitie bij de rechtbank te Den Briel en in 1845 tot Adv.-Gen. bij het Hof in Zuid-Holland. In Oct. 1856 tot Proc.-Gen. in Suriname benoemd, kwam hij daar in Jan. 1857 aan en nam nagenoeg elf jaren in een moeilijken tijd dit ambt waar. Aan de voorbereiding en de invoering van de slaven-emancipatie, van het nieuwe Regeeringsreglement en aan de voorbereiding van de nieuwe wetgeving had hij een zeer belangrijk aandeel. Op

[p. 308]

zijn initiatief kwam er eene wijziging in het stelsel van strafoplegging aan slaven. (Publ. van 19 Dec. 1857 (G.B. no. 19). De slavenreglementen wist hij met ernst en strikte rechtvaardigheid te handhaven. In 1867 in Nederland teruggekeerd werd hij in het einde van dat jaar gekozen tot lid der Tweede Kamer, waarin hij zitting nam tot 1869. (Zie Surin. Almanak voor 1892.)

Geitenmelkers.

Zie CAPRIMULGIDAE.

Geldkamer (generale).

Dezen naam droeg de reservekas bij art. 95 van het Reg. Reglement van 1815 (K.B. 14 Sept. 1815 no. 58. G.B. 1816 no. 2) in Suriname opgericht en die zou worden samengesteld: ‘A. Uit de subsidiën, welke eventueel uit het Moederland, ter gedeeltelijke bestrijding der uitgaven van Militaire traktementen en soldijen, zouden mogen worden verleend. B. Uit de saldo's der respective Ontvangers, voor zooverre die saldo's het bedrag van derzelver respective borgtogten excederen.’

In genoemd artikel werden voor deze Geldkamer, die in het Gouvernements-Huis moest zijn en waarvan een afzonderlijk boek moest aangelegd worden, uitvoerige voorschriften gegeven.

Gele koorts.

Zie EPIDEMIEËN.

Gele koorts-muskiet.

Zie DIPTERA.

Gemanumitteerden.

Zie MANUMISSIE.

Gember.aant.

Zie ZINGIBER.

Gemeentebestuur.

Zie BESTUURSREGELING, blz. 121, 122 en 129.

Geneeskundige dienst.

Zie DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN BESTUUR.

Geneeskundige school.

Ten einde te voorzien in de behoefte aan geneesheeren voor de districten werd bij Gouv. res. van 8 Maart 1882, L.A. no. 12, met ingang op 1 April, te Paramaribo in het leven geroepen een ‘inrichting met vijfjarigen cursus tot opleiding van jongelieden tot districtsgeneesheeren’. De kweekelingen werden kosteloos toegelaten. Ook voor pharmaceuten werd bij Gouv. res. van 23 Sept. 1882. L.A. no. 7, de gelegenheid geopend om de lessen te volgen. De a.s. districtsgeneesheeren moesten een verbintenis aangaan om gedurende zes achtereenvolgende jaren in de districten te dienen. De vrees meer geneesheeren te krijgen dan geplaatst konden worden deedreeds in 1886 besluiten tot geleidelijke opheffing der school. De sluiting had plaats op 30 Sept. 1891. Op 1 Juni 1899 werd op nieuw te Paramaribo een inrichting geopend tot opleiding van jongelieden tot genees-, heel- en verloskundige en tot apotheker. Voor eerstgenoemden zou de cursus 6, voor apothekers 4 jaar duren. Zij die bestemd waren voor den gouv. dienst konden de lessen gratis volgen; die tot particulier geneesheer of apotheker worden opgeleid moeten ƒ300 schoolgeld jaarlijks betalen. Bij Gouv. res. van 27 Oct. 1906 no. 14250 werd een nieuw reglement voor de school vastgesteld, waarbij de kostelooze opleiding ophield. Zij, die in Suriname de geneeskundige examens hebben afgelegd, zijn, wanneer zij hier te lande het artsexamen wenschen te doen, vrijgesteld van de voorbereidende examens. Zij hebben alleen het theoretisch en practisch arts-examen te doen. Tal van in Suriname gevormde geneesheeren hebben (veelal na kortere of langere practijk in de kolonie en na eenigen tijd van studie aan een der universiteiten) hier te lande met goed gevolg het artsexamen gedaan. Verscheidenen hunner zijn in den Indischen dienst getreden, enkelen ook in den dienst der kolonie Curaçao. Ten einde in laatstgenoemde kolonie de beschikking te krijgen over geneesheeren voor de armenpractijk, vooral in de buitendistricten en op de kleinere eilanden, is op de Curaçao'sche begrooting voor 1914 ƒ600 uitgetrokken als bijdrage in de kosten van opleiding van 2 jongelieden aan de geneesk. school te Paramaribo.

Genipa americana

L. Fam. Rubiaceae. Tapoeripa, kar. en n.e. Boom met witte, zeer welriekende, jasmijnachtige bloemen. De vrucht heeft de grootte van een kippenei en bevat een wit, sappig vleesch met kernen. De vrucht wordt niet gegeten. Het waterheldere vocht uit de vrucht wordt op de huid zwart, en dit kan niet weggewasschen of weggewreven worden. Het wordt dagelijks flauwer en verdwijnt in zeven dagen. Bij hun feesten of wanneer ze vermoeid zijn beschilderen de Indianen, vooral de Karaiben, zich met dit sap. De Boschnegers doen dit ten teeken van rouw. Hartsinck, II, 913 zegt van de slaven: ‘Voorts beschilderen zij hun Aangezicht en halve Lijf met Laan, een blaauwachtige Verwe, die negen Dagen stand houdt tegens de heete zonnestraalen en het steeken van Ongedierte.’ Het hout is wit en taai en dient soms om er riemen van te maken; ook voor spade- en schopstelen.

Geoctroyeerde societeit.

Zie BESTUURREGELING SURINAME.

Geoffraea superba

H. et B. Fam. Leguminosae. Paaloe di takki, Takki takki, ben. e. Boom met tot 20 tallige veervormig samengestelde bladeren waarvan de blaadjes van duidelijke zijnerven voorzien zijn; de vruchten zijn kogelvormig ter grootte van een kers.

Geologie.

Zie AARDKUNDE.

Geonoma.

Fam. Palmae. Dwergpalm, Taspalm, sur. Tassi, n.e. Toeroe, arow. Kleine, lage palmen met vingerdikke stammetjes en weinig ingesneden bladeren. De planten komen in de oerwouden vooral. aan de bovenrivieren voor. De bladeren zijn als materiaal voor dakbedekking zeer gezocht. Er komen meerdere soorten voor. De uit de stammetjes gemaakte stokken, bij de planters veel in gebruik, heeten tastiki.

Geophagie.

Zie AARDETEN.

Gerardus majella stichting.

Zie LEPRA.

Gereformeerde gemeente.

Zie HERVORMDE GEMEENTE.

Gerridae

-soorten worden in het Papiamentsch Breeslag, Kabrikoetjie, en Vaanslag genoemd. Gerres Plumieri C. & V., komt voor langs de atl. kusten van tropisch Amerika en West-Indië, en is vrij algemeen. Het lichaam is zijdelings gedrukt, rhomboidaal van vorm, de rug hoog. De mond is uitschuifbaar, de voorbovenkaaksgroef is breed en zonder schubben. De bovenrand van de rugvin is concaaf. De tweede rugvinstekel is lang en stevig, de tweede aarsvinstekel is sterker, doch iets korter. Van boven is de kleur zilverachtig blauw, van onderen zilverachtig. Donkere lengte lijnen langs iedere rij schubben. Rugvin, staartvin en aarsvin donker, de rand van de rugvin zwart. Borst- en buikvinnen bleek. Een donkere plek boven de oogen. Deze visch wordt tien duim lang.

Gestadige liefde,

sur. Zie GOMPHRENA.

Gevangeniswezen.

Zie STRAFSTELSEL.

Gevlekte harnasvisch,

sur. Zie LORICARIA MACULATA.

Gewapende burgermacht.

Zie KRIJGSMACHT.

Gewichten.

Zie MATEN EN GEWICHTEN.

Gewiest,

sur. Door den wisiman (zie aldaar) bewerkt, betooverd, vergiftigd. Alleen het verleden deelwoord is verhollandscht.

[p. 309]

Gezaghebbers.

Zie BESTUURSREGELING blz. 129 en 136, DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN BESTUUR en GOUVERNEURS.

Gezworen klerken.

Zie NOTARIAAT.

Ghi

(of volgens de Eng. schrijfwijze: GHEE), botervet, wordt in Br.-Indië gemaakt en ten behoeve der Br.-Ind. immigranten in Suriname ingevoerd en verkocht voor ƒ2.- de literflesch. Ghi is zuiver botervet, bevat dus geen eiwitstoffen, melksuiker, enz. en blijft langer goed dan boter. Beste ghi is wit, smijdig en reukeloos. De met minder zorg bereide ghi is roodachtig en heeft een sterken reuk en smaak. Tegen de vervalsching van het product waakt in Br.-Indië een wet. Zie over de bereidingswijze het Verslag van den keuringsdienst van eet- en drinkwaren in Suriname over Mei-Juli 1912.

Giambo,

ben. e. Zie HIBISCUS ESCULENTUS.

Giambo sjimaron,

ben. e. Zie MALACHRA ALCEIFOLIA.

Gideonsappel,

sur. Zie CITRUS DECUMANA.

Gieni gras,

ben. e. Zie PANICUM MAXIMUM.

Gieren.

Zie CATHARTIDAE.

Gijzelaars.

Zie BOSCHNEGERS, blz. 153.

Ginger bush,

bov. e. Zie PAVONIA.

Gips

wordt in de kolonie Curaçao aangetroffen op St. Eustatius in vermoedelijk groote hoeveelheid en sporadisch op Saba en Curaçao.

St. Eustatius. Het voorkomen op de ‘White Wall’ is uitvoerig beschreven door Molengraaff. (1) Het gips is vermoedelijk ontstaan uit kalksteen, die door vulkanische nawerkingen (solfataren) is omgezet in zwavelzure kalk. Pogingen tot ontginning van dit gips zijn nog nooit gedaan en het is ook niet waarschijnlijk dat zij bij den tegenwoordigen prijs van het artikel met voordeel zouden gelukken. Ook bij Jenkinsbaai komt gips voor als opvulling van spleten. Het mineraal vormt daar mooie kristallen. (2)

Saba. Op dezelfde wijze als bij Jenkinsbaai op St. Eustatius trok ik hier, bij mijn bezoek in Maart 1909, op meerdere plaatsen gips aan, o.a. aan de kust bij Hell's Gate, (alleen van zee uit te bereiken) en aan den bergweg van the Bottiom naar Windwardside.

Curaçao. Op dit eiland wordt volgens Martin (3) op meerdere plaatsen gips aan de oppervlakte gevonden, en hij beschouwt deze te zijn ontstaan als uitscheidingsproducten bij de opdroging van binnenzeeën. Een dergelijk voorkomen in mij bekend van de plantage Klein St. Joris, waar het mineraal in platen voorkomt in geringe hoeveelheid. Het wordt op Curaçao veelal verward met mica.

In phosphaat veranderd gips, Martinit, waarbij de kristalvorm bewaard bleef, wordt eveneens op Curaçao aangetroffen. (4)

Litt.: (1) G.A. Molengraaff, De geologie van het Eiland St. Eustatius. Leiden 1886, blz. 19-20. (2) idem, blz. 49. - (3) K. Martin, Bericht über eine Reise nach Niederländisch West Indien, u.s.w. Leiden 1888, II, 120. - (4) idem, II, 96.

 

G.D.

Gladvisch.

Algemeene naam in Suriname voor alle visschen zonder schubben. Zie NEGERVISCH.

Glazenmaker.

Zie ODONATA.

Gliricidia sepium

Steud. Fam. Leguminosae. Jeerba tonka, Mataraton, Ratoneera, ben. e. Boom met veervormig samengestelde bladeren waarvan de blaadjes tot 2,5 cm. breed zijn; bloemen in trossen voorzien van een kelk zonder tanden.

Goatbush,

bov. e. Zie STIGMATOPHYLLON PERIPLOCIFOLIUM.

Goatfish,

st. eust. Zie UPENEUS.

Gobo-gobo,

n.e. Zie VOANDZEIA.

Gobo-gobo-wiwiri,

n.e. Zie JACARANDA.

Godo,

n.e. Naam van de groote vruchten zoowel van Crescentia cujete, de kalebas, als van Lagenaria vulgaris, de fleschkalebas; de laatste wordt gewoonlijk papa-godo genoemd. Beide worden door de bevolking als kruik gebruikt, voor water en andere vloeistoffen, nadat het vruchtvleesch verwijderd is.

Godsgerichten, godsoordeelen.

Kappler, Surinam, blz. 262, vermeldt dat personen van tooverij, wisi (zie aldaar) beschuldigd bij de Boschnegers aan een soort godsoordeel worden onderworpen. De beschuldigde moet n.l. een door den granman (het groot-opperhoofd) zelf of onder zijn toezicht door de loekoemans (zieners) bereiden drank (libba, zie aldaar) innemen. Ondervindt hij daarvan een schadelijke uitwerking, wordt hij ziek, krijgt hij zweren of praat hij in den slaap dan is zijn schuld bewezen en wordt hij tot den vuurdood veroordeeld, op een plank gebonden op het graf van den door hem gedooden (‘gewiesten’)persoon en met de voeten in het vuur geschoven en zoo langzaam verbrand. In later jaren schijnt deze strafoefening verzacht tot doodknuppelen. (Zie ook A.M. Coster, De Boschnegers in de kolonie Suriname, Bijdr. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indië, 3e volgr., 1e d, 1e st., 1866, blz. 18.)

Godsvogeltje,

sur. Zie TROGLODYTIS.

Goeaamaatsjoe,

ben. e. Zie PEIRESKIA.

Goeaana,

ar. zie BEURERIA.

Goeajaaba,

ben. e. Zie PSIDIUM GUAJAVA.

Goeazoema,

ben. e. Zie GUAZUMA.

Goebai,

n.e. Zie JACARANDA.

Goejaba,

n.e. Zie PSIDIUM GUAJAVA.

Goenaparoe,

n.e. Zie EUPHORBIA COTINOIDES.

Goetoe,

pap. Zie SCARUS.

Gogomago,

n.e. Zie PHYTOLACCA.

Goldberg (jhr. Johannes).

Zie MINISTERIE VAN KOLONIËN.

Golden rock.

Zie ST. EUSTATIUS, Geschiedkundig overzicht.

Goltstein (mr. baron Willem van).

Zie MINISTERIE VAN KOLONIËN.

Gomma,

sur. en n.e. Zie AARDVRUCHTEN, blz. 28 en GUAREA GOMMA.

Gomphocarpus fruticosus

R. Br. Fam. Asclepiadaceae. Boesi-anjelier, n.e. Een rechtopstaande halfheester met oranje bloemen, die wel wat op die van Asclepias curassavica gelijken. De vruchten zijn cirkelrond en gestekeld.

Gomphrena globosa

L. Fam. Amarantaceae. Gestadige liefde, sur. Stanfasti, n.e. Bachelors button, bov. e. Kruid met tegenoverstaande bladeren en witte of rose bolvormige bloemhoofdjes aan het eind van den stengel. Veel gekweekt.

Gongotee,

n.e. Zie BANAAN.

Gonini-expeditie.

Zie ONDERZOEKINGSTOCHTEN.

Gonioplectrus hispanus

(C. & V.) Poey. Spaansche vlag, pap. Fam. Serranidae. Zeevisch. Verspreiding: West Indië, niet algemeen. Het lichaam is kort en diep, met zeer korten staart. De schubben klein. De zijlijn loopt hoog langs het lichaam. De mond is wijd. Er zijn 8 rugstekels, de zachte rugvin en de aarsvin zijn kort. Aan den hoek van het voorkieuwdeksel is een groote naar voren gebogen haak; het kieuwdeksel eindigt in vier stekels. De kleur is rood met gele strepen langs kop en rug. Oranje vlekjes op den top van den kop. Een bleeke streep voor de aars. Soms donkere vlekken op de aarsvin. Zijn mooie kleuren gelijken op die van de Spaansche vlag.

[p. 310]

Gonolobus viridiflorus

R. et S. Fam. Asclepiadaceae. Koni-koni-bromiki, n.e. Een slingerplant met groene stervormige bloemen.

Gonzalito,

pap. Zie ICTERIDAE.

Goorda kapaa,

ben. e. zie DESMODIUM MOLLE.

Gordeldieren.

Zie DASYPUS, PRIODONTES, TATUSIA, XENARTHRA en XENURUS.

Goro-goro,

n.e. Zie LICANIA CORIACEA.

Gossypium barbadense

L. Fam. Malvaceae. Katoena, ben. e. Creole cotton, bov. e. Heester met drielobbige bladeren, die tot even over de helft van het blad ingesneden kunnen zijn, en groote bloemen omgeven door twee diep ingesneden schutbladen. (zie verder KATOEN).

Gossypium religiosum

L. Fam. Malvaceae. Peru-Katoen, sur.

Gouania lupuloides

Urb. Fam. Rhamnaceae. White root, bov. e. Heester of klimplant met kurketrekkervormig gewonden ranken en enkelvoudige grof getande bladeren; de bloemen staan in lange trossen: de vruchten vallen uiteen in drie gevleugelde deelvruchtjes.

Goudvelden.

In Suriname in het algemeen de aanduiding van de streken in de kolonie, waar goud ontgonnen wordt.

Goudvink,

sur. Zie TANAGRIDAE.

Goudhaantjes.

Zie COLEOPTERA.

Goudindustrie.aant.

A. Suriname.

I. Wijze van voorkomen van het goud en van het ontstaan van de goudhoudende afzettingen.

Het goud wordt in Suriname verkregen: 1o. uit kwartsgangen en 2o. uit alluviale, eluviale, misschien ten deele diluviale afzettingen. De sub 2 genoemde afzettingen zijn grindlagen, die in de valleien en op het onderste deel van de valleiwanden worden aangetroffen. Zij wisselen zeer in dikte en gehalte, en bestaan uit hoekige kwartsbrokken, steengruis en klei of zand. Zij zijn meestal bedekt met een laag zand of klei of kleiachtig zand. Tot nog toe worden slechts door een onderzoeker diluviale goud-afzettingen onderscheiden van de alluviale en diluviale, nl. door Dr. J.H. Verloop, die het goudvoorkomen op de Savanna's (Placer Gros) als zoodanig beschouwt. (1).

De sub 1 genoemde kwartsgangen zijn op vele terreinen aangetroffen, o.a. op het Guyana Goud Placer, het Placer de Jong, Concessies Gros, de Comp. des Mines d'or in de Lawa; maar de ontginning, op vele plaatsen beproefd, is nog steeds mislukt.

De vraag, die alle onderzoekers zich nu gesteld hebben, is geweest die naar de herkomst van het alluviale, eluviale, diluviale goud. Was dit afkomstig uit de kwartsgangen en zoo niet, vanwaar dan?

Deze vraag is zeer verschillend beantwoord. Verloop meent van wel, althans voor het door hem onderzochte terrein van het Guyana Goud Placer (2); Harrison (3) voor Britsch Guiana, Van Loon (4), Middelberg (5), Dubois (6) voor Suriname meenen van niet, of achten het meer of minder onwaarschijnlijk. Zij hebben getracht verhand aan te toonen tusschen het voorkomen van zekere gesteenten en van goud; volgens sommigen van hen is het goud afkomstig uit bepaalde gesteenten en is het goud in de kwartsgangen, evenals dat van de grindlagen, secundair, en zijn ook deze kwartsgangen zeker, althans ten deele, secundair. In tal van gesteenten werd goud in geringe hoeveelheden aangetoond. Harrison heeft alle gesteenten van Britsch-Guiana op hun goudgehalte onderzocht en gevonden, dat alleen in de granieten soms geen goud kon worden aangetoond, maar dat alle anderen gesteenten in meerdere of mindere maten goudhoudend zijn. Hieruit verklaart hij de steriliteit van de granietische terreinen. Zij nemen dan aan dat bij de uitlooging door het grondwater van deze min of meer verweerde gesteenten, het goud in oplossing gaat en elders weer wordt afgezet. Inderdaad is door Lungwitz (7) goud aangetoond in de asch van boomstammen op goudhoudend terrein gegroeid, zoodat het goud werkelijk in geringe mate in het grondwater oplosbaar blijkt te zijn. Evenwel ook als men aanneemt, dat het goud hoofdzakelijk uit kwartsgangen afkomstig is, kan men het alluviale goud door uitlooging en vergruizing van deze kwartsen ontstaan denken, waarbij een deel van het goud weder in spleten in die gangen of in het nevengesteente kan zijn afgezet. Martin en Levat beschouwen de kwartsgangen als de primaire dragers van het goud, en leggen dan verband tusschen het voorkomen van deze gangen en van bepaalde gesteenten (8). Het is wel zeer waarschijnlijk dat de grindlagen, die voor het grootste deel uit kwarts bestaan, gevormd zijn door vergruizing van kwartsgangen.

En met zekerheid kan wel gezegd worden dat het goud, dat die grindlagen thans bevatten, ten deele afkomstig is uit kwartsgangen en ten deele uit goudhoudende gesteenten. Daarmede zijn we wel een stap verder, maar de oorsprong van het goud is er toch nog niet door aangewezen. Verdere onderzoekingen zullen noodig zijn om vast te stellen hoe het goud in deze kwartsgangen en gesteenten is gekomen.

Over den oorsprong van het goud en het verband tusschen goud en terreinformatie is nog weinig bekend (9). Maar wat we welzeker weten, omdat de praktijk het geleerd heeft, is dat enkele gedeelten van Suriname rijker zijn dan andere, dat de goudontginning geconcentreerd is tot enkele terreinen. Deze zijn dan het Mindrineti-gebied, waaraan zich de terreinen van de Saramacca en bij Brokopondo min of meer aansluiten; het Tempatiegebied, de boven Sarakreek, waaraan zich het terrein ten noord-westen van het Lelygebergte gelegen aansluit en het terrein van de Comp. des Mines d'Or aan de Lawa met de omgeving.

Litt. (1) Dr. J.H. Verloop. Gegevens over de Goudindustrie in Suriname. Hilversum. blz. 13, A. - (2) idem blz. 33-34. - (3) Harrison. Geology of the Goldfields of British Guiana, London 1908. Chapter XXV. - (4) Van Loon, Rapport over de exploratie van het Lawagebied, Den Haag 1904, blz. 70-71. - (5) Middelberg. Geologische en technische aanteekeningen over de goudindustrie in Suriname. Amst. 1908 blz. 30. - (6) Dubois. Geologisch-Bergmannische Skizzen aus Surinam, Den Haag 1902, blz. 40. - (8) K. Martin. Bericht ueber eine Reise nach Niederländisch West Indien, Leiden 1888, II, 192. - Levat. Guide pratique pour la recherche et l'exploitation de l'or en Guyane française. Paris 1898, blz. 67/68, 71. - (7) Lungwitz. Ueber die regionalen Veränderungen der Goldlagerstätten, Rostock, 1898. - Harrison l.c. blz. 207-208. - (9) Duyfjes. Onderzoek van gesteenten, enz. Kol. Verslag van Suriname 1910, Supplement.

 

G. Duyfjes.

II. Geschiedenis der industrie.

Niet lang na de ontdekking van Amerika gingen reeds wonderbare verhalen rond, omtrent den grooten rijkdom aan goud van de zoogenaamde ‘Wilde cust’, d.i. de streek, gelegen tusschen de Amazone- en Orinoco-rivieren. (Zie ELDORADO).

In Suriname werd de eerste poging tot opsporing ring van het Dorado gedaan onder het bestuur van Gouv. Van Aerssen van Sommelsdyck (1663-1688).

[p. 311]

Hij zond tot dit doel in Aug. 1687 een officier en drie soldaten uit, die eerst na zijn dood, in 1688, terugkeerden en wel zonder iets bereikt te hebben.

Onder het bestuur van Gouv. Johan de Goyer (1714-1716) werd wederom de aandacht op goud gevestigd, ten gevolge van geruchten betreffende het voorkomen van goud in den Parnassusberg op Bergendal, aan de rivier Suriname. Een voorloopig onderzoek had toen plaats, doch leverde geen gunstige uitkomst op; evenmin als het tijdens 't bestuur van Gouv. Johan Mahony (1716-1717) onder leiding van Salomon Herman Sanders ingestelde nader onderzoek.

Onder het bestuur van Gouv. Mauricius (1741-1751) werd wederom eene poging gewaagd en wel eene ernstige. Een zekere Wilhelm Hack richtte zich tot de Directeuren der ‘Geoctroyeerde Societeit’ met het verzoek, hem en andere geïnteresseerden octrooi te verleenen ‘tot het onderzoeken van mijnstoffen en voordeelige bergwerken’. Dit octrooi werd 5 Sept. 1742 verleend en een vennootschap opgericht onder den naam van de ‘Geoctroyeerde Surinaamsche Mineraal Compagnie’. Amsterdam werd aangewezen als zetel der vennootschap.

Spoedig na verleening van dit octrooi (te vinden bij Hartsinck II, 744-755) werd een begin met de werkzaamheden gemaakt. Op Bergendal werd een kostgrond aangelegd ten behoeve van de werklieden die met de mijnwerken begonnen. De gezondheidstoestand onder hen was niet gunstig en de sterfgevallen werden zoo talrijk, dat in April 1744 de overgeblevenen naar Paramaribo terugkeerden en het werk op Bergendal opgegeven werd. Onder leiding van den opperbergmeester en de bergmeesters werden reizen tot onderzoek ondernomen naar de Boven-Commewyne tot aan de bronnen van de Mapanakreek, vanwaar over land de toenmalige militaire post Gelderland aan de Suriname-rivier bereikt werd, en naar de Boven-Cottica; zelfs drong een hunner door in de Sarakreek, tot aan ‘de op de hoogte der in de Locuskreek gelegen bergen’.. De ertsen op deze verschillende tochten verkregen, werden naar Nederland gezonden en bleken na onderzoek van zoodanige waarde te zijn, dat zij ‘nauwelijks zooveel goud inhielden om de vracht te kunnen betalen’. Van het voortzetten dezer onderneming werd afgezien en de vennootschap is in 1745 ontbonden, na gedurende een ruim tweejarig bestaan een bedrag van ƒ80.000.- te hebben uitgegeven,*)

Na de mislukking van deze maatschappij, die op zoo groote schaal was opgezet, is het wel te begrijpen, dat minstens een eeuw verliep alvorens in Surmame weer naar goud werd gezocht. In 1853 vond de geoloog Dr. F. Voltz, die deel uitmaakte van eene Duitsche commissie - naar Suriname gezonden, om te onderzoeken, in hoeverre het mogelijk zou zijn, daar eene volkplanting van Duitschers te vestigen - op de hoogte van de Siparawine-kreek aan de Marowijne, dat de steensoorten daar voorkomende tot de dioriet-vorming behooren en veel overeenkomst hebben met het gesteente van Maranham in Brazilië, waarin destijds zeer rijke en uitgestrekte goudbeddingen waren aangetroffen. Van deze vondst is toen geen notitie genomen, maar later is aan de Siparawinekreek inderdaad veel goud ontdekt.

Omstreeks 1860 deed in de kolonie J. Rosenberg van zich hooren, een Engelschman, die vroeger in de Australische goudvelden gewerkt had, en nu bij een vluchtig onderzoek in Suriname sporen van goud meende gevonden te hebben. De Gouverneur droeg bij G.R. dd. 30 Aug. 1862, No. 5. den toenmaligen Chef van het Bouwdepartement, J.F.A. Cateau van Rosevelt op, Rosenberg te vergezellen op eene onderzoekingsreis en van zijne bevinding verslag te geven. Deze reis duurde van 5 tot 18 September en moest toen wegens ziekte van Rosenberg opgegeven worden; het onderzoek had zich uitgestrekt tot aan den grond Victoria aan den linkeroever der Suriname, waar eenige korrels fijn goud gevonden waren. De slotsom waartoe Cateau van Roosevelt kwam is, dat de tijd te kort was om nasporingen naar wensch te kunnen doen; niettemin vond hij dat eenige korrels goud, ‘alhoewel op zich zelve weinige waarde hebbende, toch het bewijs opleverden, dat zich alhier een goudveld bevindt.’ Na deze mislukking deed het Bestuur het onderzoek niet verder voortzetten.

Rosenberg, overtuigd van de juistheid zijner meening, trachtte belangstelling voor de zaak op te wekken in het buitenland. Dit schijnt hem gelukt te zijn, want in Juli 1868 wendden hij en de heeren Sawyer en Benjamins, als vertegenwoordigers van een te New-York opgerichte ‘New-York South America Surinam goldmining company’, in eene latere overgelegde acte van oprichting genoemd ‘New-York and Surinam Company’, zich tot den Gouverneur, met het verzoek, voor den tijd van 50 achtereenvolgende jaren kosteloos ter beschikking te stellen van deze Maatschappij 6000 akker (2574 H.A.) van 's lands domein ter ontginning van mijnen. Aan adressanten werd te kennen gegeven, dat ‘tot eenige concessie aan genoemde maatschappij niet kan worden overgegaan, zoolang zij niet door het bevoegd gezag als zedelijk lichaam erkend is, door goedkeuring van hare statuten of reglementen, bevattende het doel, de grondslagen, den werkkring en de overige regelen der vereeniging’. Echter werd hun persoonlijk toegestaan, om gedurende eenigen tijd voorloopig in de onderscheidene districten in 's lands domein een onderzoek in te stellen. Kort daarna voldeed de maatschappij aan de door het Bestuur gestelde voorwaarden en werd deze bij G.R. dd. 2 Sept. 1869, No. 2, als rechtspersoon erkend. Verder namen de Koloniale Staten 2 Mei 1870 eene verordening aan, waarbij de Gouverneur gemachtigd werd, onder zekere voorwaarden, de concessie aan de Maatschappij te verleenen. Deze verordening werd 11 Juni d.a.v. (G.B. No. 4) afgekondigd en de Gouverneur verleende de concessie bij Besluit van 18 Juli 1870, No. 1. De concessie was inderdaad eene

[p. 312]

belangrijke. Aan de maatschappij werd voor den tijd van vijftig jaren, in te gaan 1 Aug. 1870, toegestaan: ‘een terrein van 6000 akkers (2574 H.A.) van 's lands domein, gelegen in het district Boven-Suriname aan den rechteroever der Suriname, zich uitstrekkende tot aan de Sarakreek, tot ontginning van goud, zilver, andere metalen en steenkolen en inzameling van alle andere voortbrengselen der kolonie.’

Onder de voorwaarden kwam o.m. voor, dat binnen twee jaren na den voormelden afstand de maatschappij ten genoegen van den Gouverneur het bewijs zou moeten leveren, dat het maatschappelijk kapitaal van $60000.-, bepaald als het kapitaal der maatschappij in het overgelegde ‘certificate of corporation dd. 15 December 1868’, geplaatst was; verder, dat zij met hare werkzaamheden geen aanvang zou mogen maken, dan nadat het bewijs was geleverd, dat een derde, van het voorgeschreven kapitaal was gestort, welk bewijs ten genoegen van den Gouverneur moest zijn geleverd binnen een jaar na den voormelden afstand en de voormelde vergunning. In Aug. 1872 kwamen vijf door het Bestuur dezer maatschappij uitgezonden mijnwerkers, onder leiding van den heer Hoyte aan. Ofschoon het document overgelegd, ten blijke, dat het bij de verordening bedoelde een derde van het maatschappelijk kapitaal gestort was, onvoldoende bleek, werd ter bevordering van de zaak aan genoemden Hoyte, in afwachting van een meer voldoende verklaring, vergunning verleend, voor den tijd van zes maanden, in te gaan 15 Aug. 1872, zoodanige nasporingen en voorloopige werkzaamheden te doen in het aan de maatschappij afgestaan terrein, als hem noodig zou voorkomen. Hoyte keerde in Nov. 1872 van een onderzoekingsreis terug en bevestigde de geschiktheid van het terrein; hij vertrok daarop naar Noord-Amerika, onder toezegging van spoedigen terugkeer, doch, behalve van een verzoek tot vergrooting van het terrein, dat bij G.R. dd. 28 Aug. 1873, No. 1, afgewezen werd, vernam men niets meer van de maatschappij en de concessie werd in het laatst van 1874 vervallen verklaard.

Nadien werden verschillende pogingen door particulieren in het werk gesteld, doch zonder gunstig gevolg. Trots dit alles, bleef men hardnekkig gelooven aan den goudrijkdom van de kolonie.

In Aug. 1873 trad als Gouverneur op het lid van de Tweede Kamer Jhr. C.A. van Sypesteyn. Deze, die jaren te voren in de kolonie in andere betrekkingen werkzaam was geweest, en ook dezelfde overtuiging had betreffende den goudrijkdom der kolonie, werd daarin versterkt door de uitkomsten, die men destijds in het naburige Fransch Guiana had verkregen. In 1874 - het jaar, waarvan in deze sprake is - bedroeg namelijk de uitvoer van goud in Fransch Guiana reeds 1432 K.G.

De toenmalige Gouv.-Secretaris Mr. P. Alma, aan het hoofd eener Gouvernements-expeditie naar de grensrivier Marowijne gezonden, met de opdracht gedurende een maand aan beide oevers der rivier den stand van zaken met betrekking tot de goudindustrie op te nemen, rapporteerde, na terugkeer op 18 Sept. 1874, dat volgens de deskundigen die de expeditie, medemaakten ‘de formatie van den grond dezelfde was, als die aan den Franschen oever, alwaar de goudindustrie met goed gevolg zich ontwikkelt; terwijl op enkele punten de door wassching verkregen hoeveelheid goud voldoende werd geacht om de kosten eener exploitatie te kunnen dekken’.

De openbaarmaking van deze uitkomsten wekte den ondernemingsgeest op, en verscheidene personen w.o. de bovengenoemde deskundigen, vroegen vergunning tot het doen van onderzoek naar goud langs de Marowijne. Den len Feb. 1875 werd de eerste concessie tot ontginning van goud uitgegeven, en de pachtprijs, op grond van de publ. van 19 Dec. 1855 (G.B. No. 19), op 10 cent per H.A. bepaald. Tegen het eind van 1875 waren aan 9 pachters 52460 H.A. uitgegeven, w.v. 47260 H.A. aan de Marowijne en 5200 H.A. aan de Suriname; daarenboven waren 8 vergunningen aan de Boven-Suriname en 1 aan de Boven-Marowijne verleend.

De eerste staaf van in Suriname gevonden goud, ter zwaarte van ongeveer 0.5 K.G., werd door de Surinaamsche Bank aangekocht; en in dat jaar bedroeg de uitvoer, volgens officieele opgaven, per booten van de Compagnie Générale Transatlantique ongeveer 36 K.G. Van uitvoer met andere booten is niets bekend.

Ten einde zooveel doenlijk de ontwikkeling der goudindustrie te bevorderen, werd het voorschrift van de publ. van 1855 (G.B. No. 18), luidende: ‘Van alle mineralen in deze kolonie gevonden wordende, moet door den eigenaar een vijfde gedeelte van hunne geldswaarde na aftrek van kosten en exploitatie, aan het Gouvernement worden afgestaan,’ na goedkeuring van de Koloniale Staten, 14 Maart 1876 (G.B. No. 7), ingetrokken. Van dien dag af werd tevens de uitvoer van onbewerkte mineralen vrijgesteld. Verder deed de Gouverneur, ter vergemakkelijking van het onderzoek, in 1876, 1877 en 1878, door den heer W.L. Loth wegen kappen, van de Suriname naar de Marowijne, van de Suriname naar de Saramacca en van de Tempatie naar de Suriname. Het gevolg hiervan was, dat meer concessies genomen werden en, behalve aan de Marowijne, ook onderzoekingen aan de Suriname en Saramacca werden ingesteld. In 1880 bereikte het productiecijfer ongeveer 681 K.G.; in de daarop volgende jaren, daalde de opbrengst, om weer te stijgen, na de belangrijke vondsten in de Boven-Sarakreek (1881-1882), totdat in 1887 het belangrijke cijfer van ongeveer 859 K.G. bereikt werd. In het gebied tusschen de Lawa en de Tapanahoni werd in de tweede helft van 1885 door eenige Franschen van Fransch Guiana goud ontdekt. Reeds jaren bestond er een geschil over het eigendomsrecht van het gebied tusschen Frankrijk en Nederland. In 1861 was door een Nederlandsch-Fransche Commissie, na eene opneming, dit geschil reeds ten voordeele van Suriname beslist, maar toen werd verzuimd, den verkregen uitslag door een traktaat te doen bekrachtigen. Ten gevolge van bovengenoemde ontdekking en na lange diplomatieke onderhandelingen, kwam men overeen, het geschil aan de arbritage van den Czaar van Rusland te onderwerpen. Deze besliste 13/25 Mei 1891 ten voordeele van Suriname, onder beding, dat de rechten door Franschen bona fide op dit gebied verkregen, geëerbiedigd zouden worden. (Zie GRENZEN VAN SURINAME). In het volgend jaar werden aldaar concessies uitgegeven en met goed gevolg.

Omdat de uitkomsten van 1875 tot 1879 verkregen, zeer bevredigend waren, meende de Gouverneur, dat thans, behalve de concessiegelden, de goud-industrie andere lasten dragen kon. Hij diende daartoe 27 Sept. 1879 bij de Staten eene ontwerp-verordening in, waarbij voortaan een uitgaand recht van 5% van de waarde op onbewerkte mineralen zou geheven worden. De verordening werd door de Staten aangenomen en 14 Nov. d.a.v. onder No. 37 in het Gouv. Blad afgekondigd, met de bepaling, dat zij 1 Januari 1880 in werking zou treden. Dit recht werd bij de

[p. 313]

verordening van 17 Nov. 1894 (G.B. No. 12a) met ingang van 1 Aug. 1895 opgeheven en vervangen door eene belasting op het verkregen goud, van 7 cent per gram, bij aankomst in de stad te heffen. Tegelijk werden strenge controle-bepalingen ingesteld op den omloop, verkoop en uitvoer van goud.

Daar de goudindustrie tot dusver beheerscht werd door administratieve bepalingen, werd eindelijk, op herhaalden aandrang der Koloniale Staten, deze materie wettelijk geregeld bij de verordening van 2 Dec. 1882 (G.B. No. 19). Deze regeling betrof de uitgifte van concessies; verder werd aan verschillende bezwaren tegemoet gekomen zooals o.m. het contracteeren van arbeiders ten behoeve der industrie, waardoor voortaan de groote verliezen door de ondernemers geleden, ten gevolge van het nemen van voorschotten door de arbeiders bij verschillende personen, voorkomen werden. De concessiegelden, welke tot nu toe 10 cent per H.A. hadden bedragen, werden als volgt vastgesteld bij vooruitbetaling: in het 1e en 2e jaar 10 cent per H.A., in het 3e en 4e jaar 25 cent en vervolgens 50 cent. Daarbij werd vastgesteld, dat eene concessie drie maanden vrij blijven moest, alvorens in de huur van 10 cent per H.A. terug te vallen.

Vergund werd ook bij hernieuwing slechts die deelen der concessie aan te houden, welke de concessionaris noodig zou achten, mits blijvende binnen de grens van 200 H.A., welke als minimum-oppervlakte bij uitgifte was vastgesteld. Van een maximum-oppervlakte was geen sprake, hetgeen tot gevolg had, dat door kapitaalkrachtige personen of vennootschappen groote oppervlakten langen tijd op speculatie in handen maar niet in bewerking genomen werden.

Bij verordening van 22 Jan. 1903 (G.B. No. 12), is op aandrang der Nederl. Regeering, bepaald, dat voortaan houders van vergunningen tot onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen en van concessies tot ontginning daarvan alleen kunnen zijn: Nederlanders, ingezetenen van Nederland en Suriname en vennootschappen in Nederland en Suriname gevestigd.

In 1903 werd een vergunningsrecht vastgesteld van één cent per H.A. voor de terreinen tot onderzoek aangevraagd, welke vergunningen te voren kosteloos waren verleend.

Van 1897 tot 1902 werden goudconcessies - of zooals men in de kolonie zegt ‘placers’, een Spaansch woord - die vroeger met goed gevolg door middel van hand-ontginning waren bewerkt, en later bij deze soort van bewerking geen voordeel meer opleverden, overgenomen en soms voor aanzienlijke bedragen ingebracht in maatschappijen, ten behoeve eener machinale bewerking. Het werken door middel van hydraulische inrichtingen, excavateurs en baggermolens werd in toepassing gebracht, zonder eenig gevolg. Deze mislukkingen zijn hoofdzakelijk toe te schrijven: 1o. aan eene overkapitalisatie der ondernemingen, ten gevolge van het inbrengen der concessies voor zeer aanzienlijke bedragen; 2o. aan ondeskundige leiding.

Kwartsmolens van groote capaciteit werden met niet geringe kosten, langs de waterwegen, naar de ondernemingen vervoerd en daar opgesteld en na korten tijd bleek de voorraad kwarts niet voldoende, om den molen te voeden. Dikwijls was een studie van het terrein achterwege gebleven alvorens men tot ontginning overging.

De O.-I. mijningenieur E. Middelberg, die in Suriname gedurende eenige jaren leider geweest is van eene Gouvernements-mijnexploratie, komt in zijne ‘Geologische en technische aanteekeningen over de goudindustrie in Suriname’, tot 't besluit ‘dat in het meerendeel der alluvia in Suriname machinale ontginning niet op haar plaats is, omdat de formatie der beddingen te weinig uitgestrekt is om met voordeel machinale ontginning toe te passen. In eenigszins meer uitgebreide afzettingen kan hand-ontginning gesteund worden door machinalen opvoer van zand door middel van een grindpomp’.

Hij verwacht, zelfs al zou het gebruik van graafmachines en baggermolens mogelijk zijn, daarvan minder dan van hand- of gemengde hand- en machinale ontginning; terwijl het hydrauliseeren in kreekbeddingen, naar zijne meening, zeer waarschijnlijk niet tot voordeeliger uitkomst zal kunnen leiden. Deze laatste meening wordt ook gedeeld door den Franschen mijn-ingenieur Levat, in zijne studie over Fransch Guiana, getiteld ‘Guide pratique pour la recherche et l'exploitation de l'or en Guyane Française’, Paris 1898.

Als gevolg van de liquidatie van het meerendeel der ondernemingen, trad het bedrijf in 1902 in een nieuwe gestalte. De opzichters en arbeiders, vroeger in dienst dier ondernemingen, vroegen en verkregen van deze de haar toebehoorende terreinen in onderhuur tegen afstand van 10% à 15% van de te verkrijgen opbrengst. Deze menschen, in het Engelsch aangeduid met den nog onverklaarden naam ‘porck-knockers’ (zie het artikel over ‘The mining industry’ in ‘Handbook of Brit. Guiana, 1909’) heeten in Fransch Guiana ‘maraudeurs’ (stroopers).

Na korten tijd waren, behalve een drietal placers, al de vroeger bestaande in handen van zulke onderhuurders. Deze werken met veel geringer kosten dan de meest economisch beheerde ondernemingen, daar zij zelven den arbeid leveren en niet voor toezicht te betalen hebben; daarbij doet de arbeider, die voor zich zelf arbeidt, blijkbaar meer werk dan de contract-arbeider. Een en ander stelt den onderhuurders in staat, kreken met voordeel te bewerken, die voor ondernemingen, wegens de algemeene kosten, tot nu toe niet bewerkbaar bleken.

Voor de goudindustrie waren de gevolgen belangrijk. Het productiecijfer, sinds jaren dalende, begon met 1903, het eerste jaar van onderhuur, te stijgen en klom in 1905 tot het hoogste cijfer, dat sinds het begin der industrie bereikt was, n.l. tot 1069 K.G. Dit cijfer werd in de daarop volgende jaren nog overschreden en 1908 bereikte den top met 1209 K.G. In 1909 en 1910 waren de productie-cijfers resp. 1133 en 1081 K.G.

Deze uitkomsten wekten groote verwachtingen op voor de toekomst van het z.g. klein-bedrijf, nu het groot-bedrijf, naar velen meenden, op zijn einde liep.

Het Koloniaal Bestuur, gemachtigd bij de verordening van 11 Juni 1908 (G.B. No. 8) wenschte thans van eene proefneming met het klein-bedrijf onder bestuursleiding de uitkomst te zien. Daartoe werd een terrein aan de Saramacca-rivier, waarvan de concessie-termijn was verloopen en waarop in vroegere jaren met voordeel de grond bewerkt was, ter beschikking gesteld van onderhuurders tegen afstand van 15 percent van de bruto opbrengst. Een groot aantal vergunningen werd uitgereikt, waarvan een deel goede uitkomsten leverde, en de door het bestuur gemaakte kosten voor deze proefneming werden ruim betaald uit de 15% van de verkregen productie.

Hoewel ongetwijfeld het klein-bedrijf in de laatste jaren in hoofdzaak de goudindustrie heeft in

[p. 314]

stand gehouden, valt daarop niet te rekenen voor de ontwikkeling dier industrie, omdat ook voor de klein-industrie het kritieke moment zal aanbreken, dat de kreken ook niet meer door haar met voordeel zullen kunnen worden bewerkt.

Aan de z.g. klein-industrieelen ontbreken de fondsen, om de verliezen te kunnen dragen, die in den eersten tijd het natuurlijk gevolg zijn van een onderzoek in nog ondoorzochte streken.

Wordt de ontwikkeling van dit bedrijf nagegaan bij Suriname's westelijke en oostelijke buren, dan blijkt, dat de mijn-wetgeving van Br. Guiana het den goudzoeker gemakkelijk maakt om op eigen risico op domein-grond naar goud te zoeken, door hem de vrijheid te geven op het terrein zelf de verlangde concessies uit te kiezen; en dat in Fransch Guiana, waar de mijn-wetgeving veel overeenkomst heeft met de onze, de ontwikkeling van het klein-bedrijf heeft plaats gehad trots de belemmering der wet, ten gevolge van den sterken drang, uitgeoefend door de talrijke bevolking, die bij dit bedrijf betrokken is; op eene bevolking van ± 30000 zielen oefenen daar n.l. ± 10000 personen het bedrijf uit.

Thans blijkt echter in beide koloniën zeer duidelijk dat op den duur deze wijze van ontginning niet voldoet en dat alleen met kapitaal de goudindustrie te helpen zal zijn.

Bij verordening van 31 Dec. 1896 (G.B. No. 55) werd de Gouverneur gemachtigd, aan een comité, gevormd door eenige aanzienlijke Nederlanders, vergunning te verleenen tot het instellen van een geologisch en landbouwkundig onderzoek in de landstreek, bezuiden Paramaribo, tusschen de Surinameen Marowijne-rivieren, met welk onderzoek de aanvragers de bedoeling hadden, bij gunstige uitkomst, de volgende concessies te verkrijgen: a. de aanleg en exploitatie van een tramweg naar het Lawagebied; b. de ontginning van een terreinstrook, diep 100 M. aan weerszijden van de tramwegen; c. de ontginning van een of meer terreinen, gezamenlijk ter grootte van 500 000 H.A. in het te onderzoeken terrein.

Dit comité kreeg bij besluit van 4 Jan. 1897, L.B. No. 64, eene kostelooze vergunning voor vier jaren, welke vergunning overgedragen werd aan eene naamlooze vennootschap De Maatschappij Suriname. Zij begon in het begin van 1898 hare operaties onder leiding van den toenmaligen ingenieur 1e kl. bij den Ind. Waterstaat P. Th. L. Grinwis Plaat. Een spoorweg-tracé over een afstand van 200 K.M. van Paramaribo uit werd ontworpen; het mijnbouw-kundig onderzoek had alleen tot gevolg, de ontdekking van een placer, dat later ingebracht werd in een nieuwe vennootschap Maatschappij Granplacer, waarvan de uitkomsten ongunstig waren. De Maatschappij Suriname deed vruchtelooze pogingen in Nederland en in het buitenland, tot verkrijging van gelden voor den aanleg van den spoorweg. Toen zij het Bestuur erop wees, dat het haar zonder het bezit der landconcessies niet mogelijk was kapitaal voor den spoorwegbouw te krijgen, werden haar deze bij verordening van 24 Juni 1899 (G.B. No. 35) toegestaan. Ondanks dit alles werden geen gelden voor gemeld doel gevonden.

De Regeering besloot toen zelve den spoorwegbouw in handen te nemen, in de meening, dat deze in groote mate zou bijdragen tot de ontwikkeling van het land en zij kocht, om daartoe te geraken, van de maatschappij al hare rechten en verplichtingen af voor een vrij aanzienlijk bedrag, zoodat de maatschappij het geheele in de zaak gestoken kapitaal, voor hare aandeelhouders terug kreeg.

De Regeering verbond aan den spoorwegaanleg eene mijnbouwkundige exploratie van het Lawagebied, ten einde te kunnen beoordeelen, of de spoorweg tot aan dit gebied zou worden doorgetrokken. Door de wetgevende macht in Nederland werd dit besluit goedgekeurd en bepaald dat de Staat der Nederlanden de noodige gelden, naar gelang van de behoefte, zou leenen, tot een maximum bedrag van 8 millioen, welk bedrag in 1907 met ƒ500.000.- vergroot werd, onder bepaling, dat jaarlijks op de Surinaamsche begrooting 3% rente van de geleende, niet afgeloste gelden zou worden gebracht, totdat alle geleende gelden waren afgelost (zie verder VERKEERSMIDDELEN).

Met de exploratie van het Lawagebied werd een aanvang gemaakt in de 2de helft van 1903, nadat in de 1e helft van 1902 door den hoogleeraar aan de Polytechnische school, C.J. van Loon, een bezoek aan de kolonie was gebracht, ten einde na te gaan hoe de exploratie geleid moest worden. Het verslag van deze reis is in het Kol. Verslag van 1904 opgenomen als bijlage GG. In het midden van 1904 kwam als leider van deze exploratie de Indische mijningenieur E. Middelberg aan. Deze exploratie zette men met kracht en ijver voort tot 1907, toen besloten werd geen onderzoekingen meer in dit gebied te doen, daar deze slechts geleid hadden tot ‘het vinden van enkele zeer weinig uitgestrekte rijkere plaatselijke centra van goudvoering, in aansluiting waarvan naar de meer uitgestrekte van laag gehalte is gezocht, welk onderzoek niet tot eenig gunstig gevolg heeft geleid.’ Deze terreinen werden later voor het publiek beschikbaar gesteld en een gedeelte daarvan is in exploratie aangevraagd voor geringe bedragen boven de door de goudverordening voorgeschreven concessiegelden. Voor meerdere bijzonderheden, betreffende deze exploratie, wordt verwezen naar het supplement van het Kol. Verslag van 1907.

Naar aanleiding van dit ongunstig verloop besloot het Bestuur, den spoorweg niet te leiden naar het Lawagebied maar als eindpunt vast te stellen Dam - de laatste stroomversnelling in de Sarakreek. Verder besloot het Bestuur tot eene exploratie buiten het Lawagebied en daartoe werd gekozen een strook land aan de Marowijne-rivier in het stroomgebied der Grankreek, aan de westelijke helling van het Lelygebergte. De uitkomsten van het voorloopig onderzoek vielen over het algemeen gunstiger uit dan de tot nu toe verkregene, maar het onderzoek kon niet verder worden voortgezet, tengevolge van de ziekte van den leider, die verplicht was naar Nederland terug te keeren, en van het overlijden van een der mijningenieurs.

Het Bestuur heeft in 1910 deze strook onder speciale voorwaarden ter beschikking van het publiek gesteld, waarvan door één inschrijver is gebruik gemaakt, die voor 10000 H.A. daarvan ƒ2000.- boven de bij de goudverordening voorgeschreven concessiegelden heeft geboden. Aan dezen inschrijver is de concessie verleend.

III. Ontginningswijze.

Is een terrein volgens de wettelijke voorschriften aangevraagd en verkregen, dan is het eerste werk dit uit te meten, met de figuratieve kaart in de hand, waarop door den Gouvernements Landmeter het uitgangspunt der meting is aangeteekend; dan volgt het bouwen der hutten op de plaats, die zich het best voor een onderzoek leent. Nadat de hutten gebouwd zijn vangt het eigenlijk onderzoek aan; het beste systeem is, kuilen te graven over de geheele breedte der vallei, ten einde de

[p. 315]

strook, waarin de goudvoering geconcentreerd is en die in den regel smal is, te ontdekken en de breedte daarvan te bepalen. De onderlinge afstanden der kuilen moeten gekozen worden in verband met de geaardheid van het terrein. Zoodra de humuslaag, dikwijls 2 M. dik, verwijderd is, laat de ‘prospecteur’ zich van de verschillende lagen grond, als zand grind en klei beurtelings eene zekere hoeveelheid in de batée geven, waarmede hij zich naar een geschikten waterloop begeeft, ten einde den grond te wasschen. Het gemiddelde uit eenige batée's verkregen, wordt aangenomen te zijn de waarde van den kuil.

De batée, een instrument te gebruiken bij het onderzoek en ook bij het wasschen van residu in de longtom of sluice, (zie hieronder) bestaat uit een ondiepen, kegelvormigen, houten of ijzeren bak, met een middellijn van 0.45 tot 0.50 M. en ongeveer 12 mM. dik. De naam batée is afgeleid van het Spaansche en Portugeesche woord batea. De batée wordt als volgt gebruikt: eerst worden - terwijl de bak onder water op den bodem van de kreek ligt, ten deele gevuld met hetgeen deze bodem oplevert - de groote steenen daaruit gezocht en weggeworpen, na de daaraan klevende aarde in den bak te hebben afgewasschen; daarna worden de stukken klei, vermengd met zand en gravel (kiezel), met de hand gekneed tot ze fijn zijn; van tijd tot tijd wordt de batée van den bodem der kreek opgeheven, in beide handen gehouden en een snel-draaiende beweging daaraan gegeven. Hierna begint het eigenlijke wasschen. Men heft de batée naar de oppervlakte van het water zoodanig, dat de bak even drijven kan en men geeft dezen een slingerende beweging, waardoor hij aldoor langzaam ronddraait, terwijl men het water aan eene zijde van de batée laat intreden. Dit water spoelt de zandkorreltjes over den rand weg, terwijl de zwaardere stoffen in het midden blijven liggen. Nu en dan worden nog de kleine steenstukken er uit genomen en de rest goed dooreen geschud. Nadat men het uitspoelen, waarbij de bak voortdurend in beweging is, eenigen tijd heeft voortgezet, blijven ten slotte over eenige kleine stukken steen met ijzerzand (door de goudzoekers kruit genoemd) en goud, indien nl. het laatste in den onderzochten grond aanwezig is. (Zie ook de beschrijving van de behandeling der batée bij Van Stockum, Verslag van de Saramacca-Expeditie, Leiden 1904, blz. 147.) Is het goud in zoo geringe mate aanwezig dat het slechts een ijlen, gelen neerslag vormt, dan zegt de prospecteur dat hij kleur gevonden heeft.

Wanneer de batée goed gevuld is, bevat zij ongeveer 7 dM3. grond, tot een gewicht van ongeveer 20 K.G.

De waarde van de batée aan goud wordt door den prospecteur op het oog geschat, en, naar gelang van den afstand van het onderzochte terrein van de hoofdstad en de moeilijkheden van het transport, bepaalt hij of de kreek met voordeel bewerkbaar is of niet. Daar deze wijze van waardebepaling volstrekt onbetrouwbaar is, heeft de leider van de Gouvernements-exploratie, E. Middelberg, in het bovengenoemde werk aangewezen, hoe men door een meer systematisch monsternemen geraken kan tot eene betere taxatie.

Voor het onderzoek zijn onder gewone omstandigheden 3 arbeiders voldoende; als gereedschappen behoevenslechts medegenomen te worden eenige houwers, veldbijlen, delfschoppen, pickaxen (houweelen), criminels (een breede, eenigszins puntig toeloopende schop, zie Levat, blz. 107), benevens eenige scheppannen en emmers voor het uithoozen van het prospectiegat. Wanneer het onderzoek met de batée tengevolge van te grooten aandrang van water, niet mogelijk is, dan bedient men zich ook wel van de longtom, een houten trog van ongeveer 2,5 M. lengte, 1 M. breedte en 0,42 M. diepte met een valschen bodem, om slijting te voorkomen. Aan het eene einde en onder een hoek van 45° bevindt zich een ijzeren plaat, met één-kwart-duims gaten. Daaronder is geplaatst een houten bak, de zoogenaamde torpedo, waarin zich bevindt een stel ijzeren riffels (gootjes), gevuld met kwikzilver. De tom hangt met ijzeren haken aan de in den grond geslagen palen.

De te bewerken grond wordt in den trog geworpen en door een of twee arbeiders, gewapend met langgesteelde schoppen, gekneed tegen de ijzeren plaat, terwijl water aangevoerd wordt door een houten goot. Deze bewerking doet de klei en het zand vrij komen, die als modder worden weggevoerd, terwijl de steenen achterblijven; een arbeider is belast deze schoongewasschen steenen met een ballastschop te verwijderen, waarbij hij toe te zien heeft, of soms daaronder pépites - groote stukken goud, al of niet met kwarts - zich bevinden, die niet door de gaten der plaat kunnen. Het goud gaat verder door de gaten van de ijzeren plaat, met de modder en het zand, en amalgameert met het in de riffels geplaatste kwikzilver, waarvan het op het eind van het dagwerk wordt afgezonderd.

Om de ontginning door middel van een longtom te doen geschieden, behoeven, behalve de voor het delven benoodigde gereedschappen, slechts medegenomen te worden een longtom-plaat, eenige ijzeren haken voor de opstelling en eenige spijkers en zagen. De planken worden ter plaatse gezaagd en binnen weinige dagen kan een ploeg arbeiders een longtom ineen zetten. Bij dit bedrijf zijn niet meer dan 3 à 4 arbeiders noodig; de opbrengst is spoedig in het bezit van den ondernemer. De verwerkte grondmassa kan per vollen werkdag op 1 à 1,5 M3. gesteld worden; is de goudvoerende grond sterk kleien leemachtig, dan wordt de verwerkte massa minder en het waterverbruik grooter.

Dit werktuig is uitnemend geschikt voor den klei nen ondernemer. Door technici wordt beweerd, dat de goudwinning door middel van de longtom, mits zorgvuldig uitgevoerd, in staat stelt de grootst mogelijke hoeveelheid goud aan den grond te onttrekken. Het schoonspoelen van de grondmassa en het kneden van de klei gebeurt volgens deze methode op voldoende wijze, terwijl de geringe hoeveelheid water die daarbij gebruikt wordt, een medevoeren van het goud vrijwel buitensluit.

Heeft men over veel water te beschikken en heeft de kreek voldoende verhang, dan wordt een ander werktuig gebruikt, waarmede meer grond verwerkt kan worden, n.l. de sluice. Deze bestaat uit eene opeenvolging van houten gooten, elk 30 cM. breed en diep, en 1.52 à 1.82 M. lang, zoodanig gemaakt, dat het einde van de eene goot in het begin van de andere past. In den aanvang der goudindustrie werden slechts drie goten gebruikt, later 8 à 10 tegelijk en wel eens meer, al naar gelang van de geschiktheid van den bodem. De goten worden op dezelfde wijze als de longtom door middel van ijzeren haken aan in den grond gedreven palen gehangen, onder een hellingshoek van ± 3,5°. In twee of drie goten van het eene einde worden riffels aan gebracht ten einde het goud te. vangen; voor dit doel wordt ook in deze, evenals met de longtom het geval is, kwik gedaan. Dit werktuig is uitsluitend geschikt voor het

[p. 316]

bewerken van lossen zandgrond; stijve kleigrond kan daarin niet met goed gevolg bewerkt worden, zonder eerst ter dege gekneed te zijn. Bij het gebruik zijn, bij een lengte van 8 à 10 goten, noodig 10 à 12 man en de massa bewerkte grond bij genoemde sterkte bedraagt per dag 10 tot 12 M3.

De verhouding van het aantal M3. gewasschen grond tot het aantal der daarbij gebruikte arbeiders, is bij de longtom 1:2, terwijl bij de sluice deze wordt 1:1. De sluice heeft echter het nadeel, dat daarmede niet zooveel goud aan de verwerkte massa onttrokken wordt als met de longtom, tengevolge van de groote hoeveelheid water, die bij den arbeid met eerstgenoemd werktuig gebruikt wordt en waardoor de kans ontstaat, dat groote stukken steen en ook wel goud weggevoerd worden. Ook voert de klei, die niet voldoende gekneed is, goud met zich mede, terwijl door de taai-kleverige klei-massa steeds goud vastgehouden wordt.

Voorbeelden zijn er te over in Suriname van goudhoudende kreken, waar de sluice gebruikt is en die later eenige malen weder met goed gevolg zijn bewerkt. Of het in de klei achterblijvende goud daar-uit-te winnen is door haar tot steenen te bakken (waarover zie ‘Het Vaderland’ van 15 Juli 1911) zouden proefnemingen moeten leeren.

Behalve deze werktuigen, bij alluviale wasschingen voor handontginning in gebruik, zijn verschillende andere gebezigd voor machinale ontginning, namelijk excavateurs, hydraulische inrichtingen, baggermolens, en tevens heeft men toegepast de handontginning, met behulp van een grintpomp.

Over machinale ontginning van alluviale terreinen zegt de mijningenieur Middelberg in zijn aangehaald werk: ‘indien tot heden slechts mislukkingen van mechanische methodes zijn op te teekenen, mag daaruit nog niet de gevolgtrekking worden gemaakt, dat deze voor het vervolg geene serieuse rol in de ontwikkeling van de goudindustrie zullen spelen.

‘Eenerzijds is niet uitgesloten, dat alluviale beddingen, alhoewel voorkomende in beperkte verbreiding en volume, toch van zoodanige waarde zijn, dat ook machinale werkwijzen, welke groote hoeveelheden grond verzetten, gedurende een zoo lang tijdsverloop daarin met voordeel kunnen worden toegepast, dat behalve behoorlijke winst ook het kapitaal wordt terug verkregen.

‘Anderzijds zal een streven tot toepassing van kleine mechanische units voor de bewerking eveneens kunnen voeren tot het gewenscht resultaat, ook in betrekkelijk weinig uitgebreide beddingen’.

Onderzoek naar kwartsgangen is wel beproefd, doch tot nu toe op zoodanige wijze, dat daaruit geene afdoend besluit ten voor- of nadeele daarvan te trekken valt. Het onderzoek heeft zich ook altijd uitgestrekt tot zeer geringe diepte.

IV. Arbeid.

De arbeiders bij deze industrie zijn hoofdzakelijk inboorlingen van de kolonie, verder die van het naburig Br. Guiana en van sommige Engelsche West-Indische eilanden, als Barbados, St. Lucia en Dominica. Bij dit bedrijf is het verboden te werk te stellen Br. Ind. immigranten of andere arbeiders, door het Koloniaal Gouvernement, ten behoeve van den grooten landbouw aangevoerd. De arbeiders worden gecontracteerd voor 90 à 120, aan de Boven-Marowijne wel tot 156 werkdagen. Bij het aangaan van het contract, dat volgens de goudverordening, gesloten moet worden voor den Commissaris van Politie of den Commissaris van het betrokken District, wordt een voorschot van ƒ25.- tot ƒ35.- verstrekt. Vóór dit is ingewerkt, wordt geene gedeeltelijke uitbetaling van loon gedaan.

Wordt aan het gesloten contract niet voldaan dan is de arbeider strafrechterlijk vervolgbaar, eveneens de ondernemer, die na het afwerken van het contract den arbeider het door hem verdiend loon niet uitbetaalt. Voor een dag arbeid wordt overeengekomen te betalen ƒ1.25 en vrije voeding.

Een vracht die de arbeider te vervoeren heeft, bedraagt 25 K.G., naar het tarief van een halven cent per Kilogram/Kilometer. Voor het oproeien van de booten, na het verlaten van den terminus der stoomboot, wordt den arbeiders hetzelfde loon en vrije voeding gegeven; aan boord van de stoomboot alleen vrije voeding. Deze vrije voeding wordt in geldswaarde berekend naar reden van ƒ0.50 per dag. Behalve aan de Marowijne, waar de riviervaart geheel in handen der boschnegers is, tengevolge van de vele gevaarlijke stroomversnellingen en vallen, geschiedt de opvoer geheel en al door de arbeiders zelven.

In de meer in de nabijheid van de kust gelegen centra van ontginning, wordt elke geleverde dagtaak bij gecontracteerde arbeiders, voeding inbegrepen, betaald met ƒ2.- tot ƒ2.50. In een van de meest afgelegen placers, waar de regelmatige handontginning op groote schaal gedreven wordt, hebben de kosten per geleverde dagtaak, inbegrepen die voor toezicht hebbend personeel, over 7 jaren (1899-1905) genomen, gemiddeld per dag ƒ3.68 bedragen.

Het aantal arbeiders bij deze industrie gecontracteerd, beliep over de jaren:

1899 4457
1900 5313
1901 5551
1902 3498
1903 3035
1904 3584
1905 4523
1906 4604
1907 4339
1908 3274
1909 2909
1910 3028
1911 2138
1912 1816
1913 1436(?)

Indien aangenomen wordt, dat het getal der gecontracteerde arbeiders het totaal aantal tewerkgestelden aangeeft, dan is de gemiddelde hoeveelheid verkregen goud per arbeider en per jaar in:

1899 200 gram
1900 165 gram
1901 151 gram
1902 168 gram
1903 222 gram
1904 224 gram
1905 236 gram
1906 258 gram
1907 254 gram
1908 368 gram
1909 389 gram
1910 357 gram
1911 446 gram
1912 409 gram
1913 596 gram

Gemiddeld over de laatste 10 jaren ruim 353 gram per arbeider en per jaar.

V. Productie.

Hieronder volgt een tabel, aanwijzende de oppervlakten in concessie uitgegeven tot ontginning van delfstoffen en van de verkregen goudopbrengsten, gesplitst naar de riviergebieden, van het eerste jaar van ontginning (1875) tot en met 1913. Bij het nagaan dezer tabel blijkt, dat er geene evenredigheid bestaat tusschen de uitgegeven oppervlakten en de productie. Dit blijkt vooral in het jaar 1882. Opmerkelijk is ook, dat de opbrengsten in het riviergebied Suriname van 1887 en die van het riviergebied Saramacca in 1880 nooit meer zijn ovetroffen, hoewel die van de geheele kolonie in de laatste zes jaren aanmerkelijk gestegen zijn.

Aan den bodem van Suriname is gedurende 39 jaren (1875-1913) een gemiddeld bedrag van ruim een millioen gulden per jaar aan goud onttrokken.

[p. 317]

STAAT, aanwijzende de oppervlakte in concessie uitgegeven tot ontginning van delfstoffen en de goudproductie, gesplitst naar de riviergebieden.

Jaar. Suriname. Saramacca. Marowijne. Lawa. Overige rivieren. De geheele Kolonie.
Concessie in K.M2. Opbrengst in K.G. Concessie in K.M2. Opbrengst in K.G. Concessie in K.M2. Opbrengst in K.G. Concessie in K.M2. Opbrengst in K.G. Concessie in K.M2. Opbrengst in K.G. Concessie in K.M.2 Opbrengst in K.G.
1875 52       473           525  
1876 749   39   1255       32   2075 36*)
1877 1093   130   444           1667 214*)
1878 1265   282   357       72   1976 297*)
1879 1206   1145   999       118   3468 476*)
1880 1314 166 1732 371 1337 144     142   4525 681
1881 2792 169 895 199 1577 119         5264 487
1882 2884 217 1089 111 1913 139         5886 467
1883 2647 575 933 94 934 74         4514 743
1884 2565 578 1058 121 715 57     30   4368 756
1885 2867 667 828 56 315 23     10   4020 746
1886 2766 641 722 38 635 32     6   4129 711
1887 1950 737 712 48 649 74     10   3321 859
1888 1772 472 719 98 858 19     2   3351 589
1889 2955 448 1257 163 1114 34         5326 645
1890 1561 543 568 184 327 87         2456 814
1891 1198 365 456 170 268 56         1922 591
1892 1239 475 457 135 1399 210†)         3095 820
1893 877 482 371 105 212 92 1081 189     2541 868
1894 1144 414 548 144 221 76 893 143     2806 777
1895 1265 362 352 159 179 99 842 128 2   2640 748
1896 1530 418 397 151 206 86 2006 191     4139 846
1897 1364 437 1373 135 251 83 921 250     3909 905
1898 1625 441 806 121 189 78 403 225     3023 865
1899 1841 401 1400 131 224 71 409 291     3874 894
1900 1542 359 1238 150 264 67 426 300 2   3472 876
1901 1495 255 990 119 297 10 456 369 204   3442 753
1902 1415 231 818 90 473 18 535 249 2   3243 588
1903 1420 243 790 149 360 56 471 234 37   3078 682
1904 1341 294 669 143 351 134 416 231 3   2780 802
1905 1148 416 538 213 359 189 376 253 13   2434 1071
1906 1329 408 461 273 421 280 27 227 5   2243 1188
1907 1198 479 357 162 266 231 210 232 12   2043 1104
1908 921 591 257 197 277 173 226 248 6   1687 1209
1909 983 348 296 397 244 106 251 282 13   1787 1133
1910 969 358 249 314 335 98 213 309 30 2 1796 1081
1911 814 334 206 234 222 126 187 259 17 2 1446 955
1912 803 214½ 193 177½ 364 64 229 287 4   1598 743
1913 839 267 231 201 369 58 163 331 8 1 1610 858

VI. Wettelijke bepalingen.

De bepalingen die de goudindustrie beheerschen en waarvan verscheidene hierboven genoemd zijn, vindt men opgenomen in de Verordening van 7 Sept. 1882 (G.B. No. 19), zooals die luidt blijkens de publicatie van 1905 (G.B. No. 1), verder aangevuld bij G.B. 1908, No. 31, en welke ook genoemd wordt de Goudverordening.

Voor het onderzoek naar en de ontginning van delfstoffen in in bevaarbare kreken en stroomen is eene afzonderlijke regeling gemaakt bij verordening van 1 Dec. 1894, zooals die luidt blijkens de publicatie van 1905, G.B. No. 2, verder aangevuld bij G.B. 1908, No. 32. De bepalingen van deze verordening zijn overeenkomstig die der Goud-verordening, met uitzondering van de bepaling dat geen concessie wordt verleend dan voor een stroom of kreek over hunne volle breedte en in hun geheel of voor een gedeelte daarvan met een oppervlakte van minstens 50 H.A., tenzij de plaatselijke gesteldheid dit onmogelijk maakt, en geen grooter gedeelte dan van een oppervlakte van 200 H.A. Hier is, in tegenstelling met de Goud-verordening, behalve een minimum- ook een maximum-oppervlakte bepaald. De concessionaris is bovendien verplicht, behalve de bij de Goudver-

[p. 318]

ordening bepaalde retributies nog eene retributie te betalen berekend naar het verkregen product, ten bedrage van één percent van de bruto waarde van de verkregen delfstof. Ter bepaling van het laatstgenoemde is bij Besluit van 12 Oct. 1903 (G.B. No. 42) de bruto waarde van een gram gesmolten goud bepaald op ƒ1.50 en van een gram ruw goud op ƒ1.37. Verder zijn in de verordeningen van 17 Nov. 1894 (G.B. 1895, No. 12 A), aangevuld en gewijzigd bij die van 1895, No. 12B, 13, 14 en 16, van 1898, No. 18 en 19 en van 1907, No. 37, welke verordening ook genaamd wordt de Goudbelasting, vervat de bepalingen betreffende het vervoer, 't in omloop brengen en verkoopen van goud. Daarin zijn voorgeschreven de in acht te nemen formaliteiten bij vervoer van goud van de plaats van ontginning naar de hoofdplaats, de wijze van aanbieding van het goud bij de daartoe aangewezen autoriteiten en de wijze van verkoop. Bij de aanbieding van het goud aan de autoriteit, wordt onmiddellijk betaald 7 cent per gram van het door deze vastgestelde gewicht. Voor het uitoefenen van het beroep van goudopkooper moet de goedkeuring van den Gouverneur verkregen worden. Deze vergunning geldt voor den tijd van één jaar en daarvoor is verschuldigd jaarlijks het bedrag van ƒ250.- Ten slotte zijn bij besluit van 30 Mei 1895 (G.B. No. 17) vastgesteld de bepalingen, betreffende de verzending van goud naar het buitenland met de pakketpost.

Litt. (behalve de reeds genoemde schrijvers) C.A. van Sypesteyn, Beknopt overzicht van de goudexploitatie van 1874-1879, Bijlage Q van het Kol. Verslag van 1879. - Idem T.A.G. deel IV, 1880. - Elout van Soeterwoude, De Surinaamsche goudvelden. De Gids 1884, blz. 436. - Mr. H.C. van Meurs, Iets over Suriname als goudland, Catalogus der Nederl. W.I. tentoonst. te Haarlem, 1899. - W.L. Loth, Iets over de goudindustrie in Suriname. Eigen Haard, 17 en 24 Juni 1899. - H. van Breen. Een mijnbouwmaatschappij in Suriname in de 18de eeuw, De Tijdspiegel, Mei 1901. - Een gouvernements-mijnbouwkundige in Suriname, De Ingenieur, 1 Febr. 1902. - Rapport betreffende het kleinbedrijf in de goudindustrie in de Kolonie Suriname, 's-Grav. 1906 (?). - J.A. Polak, Historisch overzicht van de goudindustrie in Suriname, 's-Grav. 1908. - Idem, De goudindustrie in Suriname, Gegevens betreffende Suriname. (Tentoonstelling te Brussel in 1910.). - Prof. Dr. G.A.F. Molengraaff, Die Goldindustrie in Surinam. Peterm. Mitt. 1910, II, 305. - De Koloniale verslagen sedert 1876. Zie ook de litt. bij AARDKUNDE I.

 

J.A.P.

B. Aruba.

I. Geschiedenis der industrie en productie.

In de eerste helft van 1824 werd op Aruba goud ontdekt. Bij zijn schrijven van 8 Juni No. 20 gaf de toenmalige Commandeur van Aruba J. Thielen. daarvan kennis aan den Gouverneur van de kolonie Curaçao (1). Bosch vermeldt, dat reeds in 1750 goud gevonden is (2), en Martin meent, dat Prins tengevolge daarvan het eiland onderzocht (3). Het laatste is niet juist; Prins begaf zich naar Aruba in Juni 1725 en werkte er tot 1727, voornamelijk op de Serro Colorado. Uit zijne rapporten blijkt, dat toen ter tijd van het voorkomen van vrij goud nog niets bekend was (4). Onmiddellijk nadat de ondekking van goud ter kennis van het Bestuur der Kolonie was gekomen, werd het goudzoeken verboden en nam het Gouvernement zelf de ontginning ter hand. Op 12 Juli 1824 werd reeds een aanvang gemaakt met de werkzaamheden aan de rooi Fluit onder leiding van Van Raders, den lateren Gouverneur, toen nog in militairen dienst. Tot 4 Aug. werd 23 pond en 14¼ ons verkregen, totaal tot einde December 1824 49,908 Kg. Van Jan. tot Aug. 1825 werd 21.231 Kg. verkregen, en op 29 Aug. 1825 per Zr. Ms. fregat Amstel het eerste goud (71,139 Kg.) naar het moederland gezonden. In de volgende jaren werd achtereen volgens verzonden: op 26 Juni 1827 3.992 Kg.; op 1 Sept. 1829 1.180 Kg., en op 11 Aug. 1830 14.085 Kg. totaal 90.396 Kg. tot eene waarde van ± ƒ144.000 (5).

In zijn in 1827 verschenen geschrift deelt Reinwardt mede dat het Z.M. den Koning had behaagd in het Museum van Natuurlijke Historie te Leiden te doen plaatsen eenige stukken van het goud van Aruba, waarvan er een de aanzienlijke zwaarte had van 6,415 Nederl. ponden. Met goedvinden der Regeering schijnt dit goud later gesmolten te zijn en daarvan zou een gedeelte van de skelettengalerij van het oude museum betaald zijn.

In 1827 werd op Aruba een onderzoek ingesteld door den bergraad Stifft, die door de Regeering was uitgezonden. Deze oordeelde ongunstig, voornamelijk op grond van de onvoldoende uitkomst in 1826 en 27. De uitgaven werden toen lang niet gedekt. In October nam de met hem medegekomen ingenieur Wirz 't beheer over. Onder zijne leiding was in 1828 de opbrengst weer beter:

In Jan. 445 gram.
In Febr. 483 gram.
In Maart 447 gram.
In April-Juni 3219 gram.
(Wirz was naar Bonaire).  
In 1-28 Juli 4400 gram.

Maar toch werd de ontginning van Gouvernementswege toen gestaakt, zeker wel voornamelijk op grond van den raad van Stifft (6). Omtrent de produkties uit dien tijd is verder niets bekend.

Nadat aanvankelijk een concessie-systeem ingesteld bij Verord. van 18 Febr. 1829 was beproefd, werd in 1832 (Publ. blad. 20 Oct. 1832) overgegaan tot het afgeven van permitten tegen een betaling van ƒ1.- per maand. Tot bloei is dit klein bedrijf niet gekomen.

In het K.V. van 1839 wordt gemeld, dat weder nieuwe goudvoerende aders zijn gevonden en in 't Verslag van 1840, dat in de mijnen van Westpunt door toevloed van grondwater niet dieper dan 12-14 voet gewerkt kon worden. Het K.V. van 1841 meldt, dat tot een onderzoek ongeveer ƒ50.000 noodig zullen zijn en voorgesteld wordt daartoe over te gaan en bij gunstige uitkomst (dekking van de kosten van het onderzoek) door te zetten. Daartoe is besloten en het onderzoek werd ingesteld door luitenant Rolandus; de rapporten met kaart zijn in het Kol. Archief te vinden. In 1844 stelde Van Raders reeds voor de ontginning bij concessie aan eene particuliere mij. te gunnen. In 1853 werd eindelijk de vrije gouddelving opgeheven en concessie tot ontginning verleend aan L.J. de Jongh te 's-Gravenhage voor den tijd van 40 jaren. Deze zond in 1854 een ingenieur, C. Lloyd, uit; de uitkomsten waren ongunstig. De kosten tot het verkrijgen van 39¾ oz. (1233 gram) goud, waarde ruim ƒ1900, werden opgegeven te zijn geweest ruim ƒ8000. Men trof echter kopererts aan nabij Belaschie en hiervan werd 120 ton verscheept (7). Er werd niet verder gewerkt en de ingenieur vertrok weder naar Engeland. In 1866 werd de concessie ingetrokken en weder de vrije gouddelving ingevoerd met het permitstelsel. Op 12 Dec. 1867 kreeg voor 25 jaar concessie I. Isola, tegen een vast recht van ƒ2500.- 's jaars. In 1868 droeg deze de concessie over aan de Aruba Is-

[p. 319]

land Gold Mining Co. Ltd. te Londen, die in 1871 uitvoerde 778 ton erts, in

1874 455 oz. goud = 14.150 Kg.
1875 315 oz. goud = 10.890 Kg.
1876 1.580 Kg.
1878 14.860 Kg.
1879 35.590 Kg.

In 1880 en 81 werd geen goud uitgevoerd. In 1881 droeg de Mij. hare rechten over aan de Aruba Agency Co. Ltd. te Londen. In Juli 1889 werd de ontginning op kleine schaal hervat en in Febr. 1895 door twee uitgezonden ingenieurs eene nieuwe bewerking aangevangen die iets opleverde.

De productie was in:

1895 ongeveer 9 Kg.
1896 34.25 Kg.
1897 12 Kg.
1898 2.394 Kg.

Op 31 Jan. 1899 erlangde eene nieuwe concessie de Aruba Gold Mining Co. te Londen, voor 40 jaren, tegen een vast recht van ƒ3750, 's jaars en 25% van de zuivere opbrengst boven 6% van het kapitaal. De rechten van de vorige Mij. gingen op deze nieuwe Mij. over. In 1900 voerde de oude Mij. nog 27½ oz. = 0.856 Kg. uit. De Nieuwe Mij.

in 1901 15.876 Kg.
1902 20.418 Kg.
1903 20.974 Kg.
1904 95.440 Kg.
1905 123.392 Kg.
1906 76.515 Kg.
1907 195.730 Kg.
1908 171.484 Kg.

In dit jaar gaf de Mij. de concessie op en in hetzelfde jaar nog werd een nieuwe concessie verleend aan de Aruba Goud Mij. voorloopig voor 1 jaar, welke concessie later is verlengd voor 10 jaar. Deze Mij. bracht te voorschijn in:

1909 46.708 Kg.
1910 53.800 Kg.
1911 59.500 Kg.
1912 50.922 Kg. (8).

De totale productie van den aanvang af tot 1 Dec. 1912 had dus, voorzoover dienaangaande cijfers bekend zijn, eene waarde van ongeveer ƒ1.800.000.

Kilogr.
1824-30 90.396
1830-54 vrije gouddelving, opbrengst onbekend.  
1854 conc. De Jongh 1.233
1874-76 conc. A.I.G. Mg. Co. 26.620
1878-79 conc. idem. 50.450
1895-98 conc. A. Ag. Co. 57.644
1900 conc. idem 856
1901-08 conc. A.G. 719.829
1909-11 conc. A.G. Mij. 160.008
1912 conc. A.G. Mij. 50.922
  __________
  Kg. 1157.958

II. Wijze van voorkomen van het goud, ontginning en verwerking van de ertsen

(9). Aanvankelijk werd het goud alleen in gedegen staat gevonden als alluviaal en diluviaal goud, in de diep ingesneden valleien, maar ook in een meer vlak terrein bij Westpunt. De stukken goud, waaronder zeer groote, kwamen dan voor in een kleilaag, op den bodem of onder langs de hellingen van die droge valleien, op het eiland ‘rooien’ genoemd. Deze kleilaag is gewoonlijk bedekt door een laag gruis, en ook de kleilaag bevat vele gesteente-brokjes. De goudhoudende laag werd afgegraven en het goud door windscheiding verkregen. De grond werd gedroogd, en men liet dezen dan van geringe hoogte op een uitgespreid doek vallen, waarbij de wind de lichtere deelen meevoerde. Grootere stukjes werden telkens met de hand uitgezocht. Deze scheiding werd eenige malen herhaald en ten laatste de rest in een kalebas verwasschen. Bij zware regens werden op de hellingen van de rooien en in de rooien zelven dikwijls stukjes schoongespoeld goud gevonden en ook thans nog wordt daar in den regentijd naar gezocht.

De rijkste vindplaats van dit alluviale goud was de rooi Fluit aan de noordkust van het eiland gelegen. Uit deze is in hoofdzaak al het goud afkomstig dat in de jaren 1824-28 door de Gouvernements-ontginning verkregen werd. Bij Westpunt werden al spoedig ook gangen ontgonnen, zooals blijkt uit de rapporten van Rolandus van 1845. Hoe deze in den aanvang werden verwerkt is niet bekend; vermoedelijk heeft men er op primitieve wijze vergruisd erts gezocht en verwasschen. Van gangen is in dit terrein tegenwoordig niets meer te zien; het geheele terrein is bedekt met de hoopen puin, die van de vroegere ontginningen zijn blijven liggen. Het goud komt nl. behalve in de genoemde alluviale afzettingen ook primair voor in kwartsgangen, die steeds ook pyriet in meerdere of mindere mate bevatten. Aan de oppervlakte is deze pyriet geoxydeerd en het kwarts dan rood-bruin door ijzeroxyden. Dikwijls vertoont dit kwarts een zichtbaar goudgehalte, dikwijls ook is het goud in onzichtbaar fijne verdeeling in het kwarts aanwezig, en alleen chemische analyse kan het dan aantoonen. De verwerking van deze kwartsen is op verschillende wijzen beproefd; aanvankelijk werd het erts vergruisd in een stampmolen, geamalgameerd, geconcentreerd en gecyanideerd. Hiermede werd echter slechts een geringe extractie bereikt, en eerst nadat door den laatsten ingenieur van de A.G. Conc. was ingevoerd roosting van de ertsen en daaropvolgende cyanideering, is een goede extractie van 90-95% verkregen. Van amalgamatie en concentratie werd afgezien: het erts werd droog vermalen, niet langer in stampmolens, maar in twee kogelmolens, en het gemalen erts geroost en gecyanideerd. Deze methode wordt ook thans nog door de A.G. Mij. gevolgd.

Deze kwartsgangen, die in diepte verschillen van enkele centimeters tot 1 en 2 Meter worden ontgonnen door middel van hellende schachten in de gang en galerijen van uit die schachten gedreven. De vroegere Engelsche maatschappijen beproefden ontginning in eigen beheer; de gevolgen daarvan zijn steeds ongunstig geweest, behalve bij de gang van Mira la Mar, waar tot op 600 voet diepte betalend erts werd aangetroffen, evenwel slechts over eene geringe breedte. De tegenwoordige concessionaris besteedt de ontginning uit aan onderhuurders (tributers), die van hem het recht krijgen tot bewerking van zekere gangen, en dan verplicht zijn het erts te leveren tegen een vooraf overeengekomen prijs per ons goud, dat het erts bij analyse blijkt te bevatten. Het gehalte van de gangen is uiteenloopend, gelijk dat bijna altijd het geval is. Zeer rijke gedeelten grenzen dicht aan arme en dit maakt de ontginning moeilijk. Het gehalte van de ertsen die tot verwerking komen is ongeveer 1 ons goud per ton van 2240 lbs.

III. Financieele uitkomst en vooruitzichten.

In de eerste jaren van de Gouvernements-ontginning in 1824 en 25 werd met voordeel gewerkt, in 1826 en 27 met verlies, in 1828 vermoedelijk weer met voordeel. In het niet uitgegeven verslag van Stifft ‘Gutachtung über die Fortsetzung der Goldgewinnung auf Aruba’, worden de geldelijke uitkomsten over de jaren 1824 t/m. 1827 medegedeeld door het volgende staatje.

[p. 320]

Zuivere opbrengst: ƒ23.608.80.

Jaar. Aantal maanden. Productie in KG. Waarde. Kosten. Netto opbrengst. Tekort.
1824 5 34.575 ƒ48405.- ƒ10640.- ƒ37765.-  
1825 12 21.019 ƒ29426.60 ƒ27930.- ƒ1496.60  
1826 12 3.115 ƒ4361.- ƒ15960.-   ƒ11599.-
1827 1.043 ƒ1460.20 ƒ5514.-   ƒ4053.80
    _______________ _______________ _______________ _______________ _______________
  Totaal 59.752 ƒ83652.80 ƒ60044.- ƒ39261.60 ƒ15652.80

Van de latere jaren is weinig bekend, zoo min van de uitkomsten der vrije gouddelving als van die der eerste concessionarissen. Eerst over de jaren van A.G. Conc., van 1900-1907, en over die van den tegenwoordigen concessionaris zijn nauwkeurige gegevens bekend.

De eerste Mij. heeft met groot verlies gewerkt; volgens de balans bij het jaarverslag over 1904 was de opbrengst van het verkregen goud over dat jaar £13109.19.3 en waren de uitgaven over dat jaar £31533.4.0, dus een tekort van ruim £18000, terwijl op 31 Dec. 1903 reeds een tekort was op deze rekening van £41869.18.1. Aan machineriën enz. was tot 31 Dec. 1904 reeds £45287.9.11 uitgegeven. Alleen over 1907 werden de uitgaven gedekt door de opbrengst van het goud. De uitgaven waren £20155.18.5, de opbrengst was £27184.13.4; maar het nadeelig saldo op deze rekening van de vorige jaren was intusschen gestegen tot £75802.15.8. En neemt men in aanmerking dat reeds voor £141601 aan aandelen was uitgegeven, waarvan £128601 volgestort, dan is het duidelijk dat er voor deze Mij. alleen dàn nog ooit winst uit de concessie zou zijn te halen, indien groote hoeveelheden erts met voordeel te ontginnen bleken. En dit was, volgens haar laatsten bedrijfsingenieur, den heer C. Wulmer, niet het geval. In zijn rapport over 1907, gevoegd bij het jaarverslag, zegt hij o.a.: ‘It is not necessary to enumerate one by one all the other mines on the concession that have heen tested during the year, the chief being Nesham's, Calalasa, North Gerard, Alta Vista, Crystal, West-Point, etc., seeing that the reefs have all proved te be small, poor and unreliable, and only profitable for small parties of native mines to work on tribute.’ Hij raadde dan ook aan de Mij. om de concessie op te geven en dit advies werd opgevolgd in het voorjaar van 1908.

Intusschen vormde zich op Aruba een combinatie, de Aruba Goud Mij., die voor het zeer geringe bedrag van ƒ10.000 eigenares werd van een groot deel van de machineriën en gebouwen van de A.G. Conc. Zij is de tegenwoordige concessionnaris en zij volgde de werkwijze door den heer Wulmer aanbevolen, latende de ontginning in hoofdzaak over aan onderhuurders, zoodat zij alleen het risico van de verwerking te dragen had. Wel houdt zij toezicht op de ontginning, maar feitelijk risico loopt zij daarbij alleen in zooverre, dat bij ongunstige uitkomst voorschotten aan de onderhuurders gedaan voor dynamiet enz. verloren kunnen zijn.

De opbrengst is tot nog toe schitterend, te oordeelen naar de dividenden van 25, 50 en 42½%. Neemt men echter in aanmerking, dat het kapitaal buitengewoon klein is en zulks alleen omdat voor een klein bedrag een dure inrichting kon worden overgenomen, dan blijkt dat deze cijfers mooier schijnen dan zij zijn. Men kan veilig aannemen, dat zonder dit gunstig toeval een kapitaal van minstens ƒ250.000 zou noodig geweest zijn om de zaak op te zetten en dan zouden dezelfde winsten slechts dividenden hebben geleverd van 4, 8 en 6.8%. Ontginning van de mijnen in eigen beheer zal, door het zoo verspreid liggen van de gangen, en het uitermate wisselend gehalte aan deze gangen, ook voor deze Mij. wel niet loonend zijn. Eene poging daartoe in 1910 gedaan leverde verlies op.

Litt. (1) Koloniaal Archief. - (2) G.B. Bosch, Reizen in West-Indië, Utr. 1836 II, 230. - (3) K. Martin, Reise nach Niederl. West-Indien, Leiden 1888, II 63. - (4) J.H.J. Hamelberg, De Nederlanders op de West-Indische Eilanden, II blz. 141 en Documenten No. 91 blz. 140. - (5) Koloniaal Archief, No. 143. Register op de brieven van de Directie van de vermoedelijke Goudmijn op Aruba. (De productie wordt hierin van week tot week opgegeven. De brieven zelven zijn, jammer genoeg, niet meer te vinden) en No. 55 Processen-Verbaal wegens het uit de vermoedelijke Goudmijn op Aruba verkregen goud. - (6) K.A. No. 143. zie boven. - Idem, C.B.R. Stifft, Gutachten über die Fortsetzung der Goldgewinning auf Aruba. - (7) Kol. Verslag van 1854. - (8) Van 1867-1903 af zijn de gegevens ontleend aan het werk van P. de Jonckheere, Gesch. der belastingen in de kolonie Curaçao, van 1903 t/m. 1912 aan de jaarverslagen van de Aruba Gold Concession en de Aruba Goud Mij. - (9) Het hier vermelde is ontleend aan de rapporten van Stifft, het werk van Martin, de jaarverslagen van de Aruba Gold Concession en de Aruba Goud Mij. en is ten deele de uitkomst van mijne onderzoekingen in de jaren 1908-1901.

Verdere litteratuur: C.G.C. Reinwardt. Waarnemingen aangaande de gesteldheid van den grond van het eiland Aruba en het goud aldaar gevonden. (Nieuwe verhandlg. der eerste klasse v.h. Kon. Nederl. Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten te Amsterdam. 1827. Dl. I blz. 265-281. - C.F. Epp, Bijlage B, No. 3 van het Kol. Verslag van Curaçao 1885. - K. Martin l.c. blz. 60-67. - H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. Leiden 1904, blz. 266-270. - G. Duyfjes. De mijnen van Aruba. Aruba-nummer van Neerlandia, 12 Dec. 1911.

 

G. Duijfjes.

Goupia glabra

Aubl. Fam. Celastraceae. Kopi, n.e. Een zeer veel voorkomende boom met kleine groene bloemen. Het hout wordt zeer veel gebruikt, vooral voor buitenbeslagen en beschotten; ook wel voor meubels, in het bijzonder tafels.

Gouvernements-bladen.aant.

Bij besluit van 26 Febr. 1817 werd door den Gouv.-Gen. Vaillant en Raden de uitgave gelast van een gouvernementsblad, dat 1 Maart zou beginnen te verschijnen en waarin zouden worden geplaatst ‘al de Proclamatiën, Publicatiën, Notificatiën en Resolutiën van den

[p. 321]

Gouverneur-Generaal en van het Hof van Policie, waarvan de publiekmaking nuttig en noodzakelijk zal worden geoordeeld’. Een verzameling van deze gouv.-bladen loopende van 1816 tot en met 1835 (waarin dus ook zijn opgenomen de proclamatiën enz. van het jaar vóór de uitgave aanving) werd in 1837 te Amsterdam gedrukt voor rekening van het Departement der Maatsch. Tot Nut van 't Algemeen te Paramaribo. Een nieuwe uitgave verscheen in 1856 bij H. Nijgh te Rotterdam, bevattende de gouv. bladen van 1816-1855, later vervolgd tot 1872. Van de ‘Publicatiën en andere verordeningen betrekkelijk de kolonie Suriname, anterieur aan het jaar 1816’ bestaat eene verzameling van H.E. Winkels in 1860 uitgegeven. (Paramaribo, gedrukt in Nederland). Een alph. register op de gouv.-bladen van 1816-1854 verscheen te Paramaribo van de hand van C.L.G. van Amson en in 1912 te 's-Grav. een alph. register van 1816 tot en met 1911 samengesteld door C.C.J. van Romondt. (Zie ook PUBLICATIE-BLADEN.)

Gouvernements secretarie.

Zie DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN BESTUUR.

Gouverneurs.aant.

A. Suriname.

In den loop der tijden heeft de titel van den bestuurder der kolonie nog al wijzigingen ondergaan. Versterre voerde dien van Luitenant Gouverneur der provincie van Suriname, Adriaenssen dien van Kommandeur der provincie Suriname. Volgens een mededeeling van Mauricius in zijn Recueil van egte stukken en bewijzen, enz. Amst. 1752, II blz. 153 en III, blz. 28 - zie ook Essai historique, Param. 1788, II, blz. 131 en van Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, 's Grav. 1858, blz. 69 - werd in den Zeeuwschen tijd zelfs de titel Soeverein der provintie Suriname gebruikt. Van de Schepper, Mauricius, Wichers, De Friderici en Van Panhuys waren gouverneur-generaal. Van 1828-1845 waren Suriname en de Nederl. W.-I. Eilanden vereenigd onder een gouv.-generaal, die te Paramaribo zetelde. Elias was de laatste gouv.-generaal der N.W.-I. Bezittingen. Sedert is de titel weer gouverneur.

Naam en vorige betrekking. Dagteekening van Opmerkingen.
Aanstelling. Aanvaarding. Aftreding. Overlijden.
Kolonie van Willoughby.          
1. Anthony Rowse
Serjeant-Major.
1650 ........ 1654? ........  
2. William Byam
Major.
1654 ........ 1667 17 Febr. ........ Zie artikel.
Johnson 1658       Op reis overleden.
Krijnssen verovert Suriname, Febr. 1667.         Zie art. BEHN.
3. Maurits de Rama
Kapitein-Luitenant
1667 5 Maart door Krijnssen tot bevelhebber van Paramaribo. 1667 5 Maart 1667 18 Oct. ........ Ook Van Romen genoemd. Gevankelijk naar Barbados gevoerd.
John Harman (of Harmon) herovert Suriname. 18 Oct. 1667.          
4. Barry
Kolonel.
1667 3 Nov. ........ 1668 1 Febr. ........  
5. James Bannister
Serjeant-Major.
1668 1 Febr. ........ 1668 1 Mei ........ Door Krijnssen gevankelijk naar Nederland gezonden. In Dec. 1668 vrijgelaten.
Krijnssen herneemt Suriname. 1 Mei 1668.          
a.i. Abraham Krijnssen
Kommand. v. Suriname, enz.
1668 1668 1669 16 Febr.   Zie artikel.
6. Philip Julius Lichtenberg
Kapitein, Luitenant-Kolonel
1668 26 Nov. bij Res. d. Algemeene Staten. 1669 16 Febr. beëedigd. 1671 Jan. ........ Zie artikel.
a.i. Pieter Versterre
Kapitein van een komp. voetknechten. Kommand. 1668
........ 1671 Jan. 1677 22 Maart 1677 22 Maart te Paramaribo. Ook Verstege en Van der Sterre genoemd.

[p. 322]

Pierre du Moulin
Secr. v.d. Prins v. Oranje.
1676 6 Maart ........ ........ 1676 Vóór zijn vertrek overleden.
a.i. Abel Thisso
Raad van Politie.
........ 1677 22 Maart 1677 22 Dec. ........  
7. Tobias Adriaenssen
Kapitein van eene kompagnie.
........ 1677 22 Dec. 1678 15 Maart ........ In Nederland aangesteld tot kapitein, Kommandeur der provincie Suriname, enz.
a.i. Abel Thisso ........ 1678 15 Maart 1678 Dec. ........  
8. Johannes Heinsius
Oud-Secr. v.d. Raad v. Justitie in Brazilië (1653).
1678 9 Sept. Bij res. d. Algemeene Staten. 1678 Dec. 1680 April 1680 April te Paramaribo.  
a.i. Everard van Hemert
Kommandeur.
........ 1680 April 1680 Sept. 1680 Sept. te Paramaribo.  
a.i. Laurens Verboom
Kommandeur 1680.
........ 1680 Sept. 1683 26 Nov. 1688 28 Juli te Paramaribo.  
9. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk 1683 20 Juli 1683 28 Nov. 1688 19 Juli 1688 19 Juli te Paramaribo. Zie artikel.
a.i. Abraham van Vredenburgh
Kapit. en Raad v. politie 3 Juli 1685.
Kommandeur 3 Sept. 1688 tot 2 Juli 1698.
........ 1688 28 Juli 1689 12 Maart ........ Nam met de leden v.d. raad v. politie het bestuur waar, daar Verboom was overleden. Vertrok in 1703 naar Nederland.
10. Johan van Scharphuizen
Raad v. politie en Heemraad van Thorarica in 1677.
1688 20 Dec. was toen in Nederl. 1689 12 Maart 1696 14 Mei ........ Wordt ook van Scherpenhuizen genoemd. Naar Nederland teruggeroepen.
11. Mr. Paulus van der Veen 1695 20 Oct. 1696 14 Mei 1707 2 Maart ........ 20 Oct. 1706 op verzoek eervol ontslagen. Vertrok naar Nederland.
12. Mr. Willem de Gruyter 1706 23 Oct. 1707 2 Maart 1707 27 Sept. 1707 27 Sept. te Paramaribo. Wordt ook Willem de Goyer genoemd.
a.i. François Anthony de Rayneval
Kommandeur 3 Nov. 1703
........ 1707 27 Sept. 1710 19 Jan. ........  
13. Johan (of Jean) de Goyer ........ 1710 19 Jan. 1715 28 Juli 1715 28 Juli te Paramaribo.  
a.i. F.A. de Rayneval
Kommandeur.
........ 1715 28 Juli 1716 22 Jan. ........ Met 2 Raden van politie.
14. Johan (of Jean de) Mahony ........ 1716 22 Jan. 1717 4 Oct. 1717 4 Oct. te Paramaribo.  

[p. 323]

a.i. F.A. de Rayneval ........ 1717 4 Oct. 1718 2 Maart ........ Met 2 Raden van politie.
15. Jan (of Jean) Coutier 1717 15 Nov. 1718 2 Maart 1721 2 Sept. 1721 2 Sept. te Paramaribo.  
a.i. F.A. de Rayneval ........ 1721 2 Sept. 1722 1 Maart ........ Met de Raden P. Lemmers en A. Wiltens.
16. Mr. Hendrik Temminck 1721 1 Oct. 1722 1 Maart 1727 17 Sept. 1727 17 Sept. te Paramaribo.  
a.i. F.A. de Rayneval ........ 1727 17 Sept. 1727 9 Nov. ........ Met 2 Raden van politie.
17. Mr. Karel Emilius Henry de Cheusses 1728 26 Juli 1728 9 Nov. 1734 26 Jan. 1734 26 Jan. te Paramaribo.  
a.i. Johan Fredrik Cornelis de Vries
Kommand. 12 Aug. 1730.
........ 1734 26 Jan. 1734 11 Dec. ........ Met 2 Raden van politie.
18. Jacob Alexander Henry de Cheusses 1734 9 Juli 1734 11 Dec. 1735 26 Jan. 1735 26 Jan. te Paramaribo.  
a.i. J.F.C. de Vries ........ 1735 26 Jan. 1735 4 Maart 1735 4 Maart te Paramaribo. Met 2 Raden van politie.
a.i. 2 Raden van politie ........ 1735 4 Maart 1735 22 Dec. ........ Onder protest (10 Maart) van den Kapitein en Kommandeur a.i. S. Bley.
19. Mr. Joan Raye 1735 6 Juli 1735 22 Dec. 1737 11 Aug. 1737 11 Aug. te Paramaribo. Zijn gevraagd ontslag kwam op 4 Nov. 1737 aan.
20. Gerard van de Schepper
Kommand. 6 Juli 1735 Door de Sociteit 2 Aug. 1735 provisioneel tot Gouverneur benoemd ter voorkoming van moeilijkheden bij overlijden van den Gouv.
1735 2 Aug. 1737 11 Aug. Provision.
1737 4 Nov. a.i.
1738 1 April effectief.
1742 15 Oct. ........ In 1742 ontslagen op ingekomen klachten over misbruik van macht. Was de eerste die den titel voerde van Gouverneur-Generaal.
21. Mr. Johan Jacob Mauricius 1742 7 Febr. 1742 15 Oct. 1751 23 April met verlof 1768 21 Maart in Oost-Indië. Gouverneur-Generaal. In Nederland eervol ontsl. 1 Aug. 1753. Zie artikel.
a.i. Hendrik Ernest baron van Spörcke
Generaal-Majoor, Eerste Commissaris en Opperbevelhebber.
1751 10 April door de Commissarissen. 1751 23 April 1752 7 Sept. 1752 7 Sept. te Paramaribo. Was 14 Dec. 1750 met de Commissarissen Mr. Karel Bosschaert en Jeronimo de Swart Steenis in Suriname. aangekomen.
a.i. Wigbold Crommelin
Kommand. 9 Oct. 1748.
........ 1752 7 Sept. 1754 22 Oct. ........  
22. Pieter Albert van der Meer
Majoor in het regiment van den Paltzgraaf van Birkenfeld.
1754 6 Maart 1754 22 Oct. 1756 24 Aug. 1756 24 Aug. te Paramaribo.  

[p. 324]

a.i. Jan Nepveu
1e Fiskaal 1761.
2e Fiskaal 1754.
Secretaris 1745 prov. 1751 effectief.
........ 1756 24 Aug. 1757 21 Jan. ........ Trad op, daar de Kommandeur Crommelin een reis naar Nederland deed.
23. Wigbold Crommelin 1757 2 Maart 1757 a.i. 21 Jan. 26 Sept. effectief. 1768 22 Nov. met verlof. ........ In Nederland op verzoek eervol ontslagen 27 Oct. 1769.
24. Jan Nepveu 1769 27 Oct. 1768 a.i. 22 Nov.
1770 5 Febr. effectief.
1779 27 Febr. 1779 27 Febr. te Paramaribo. Was sedert 1734 in Suriname.
25. Bernard Texier
Kommand. 6 Mei 1772. 2e Fiskaal 7 Aug. 1764.
1772 6 Juni 1779 a.i. 27 Febr.
1780 3 Febr. effectief.
1783 23 Sept. 1783 23 Sept. te Paramaribo.  
a.i. Mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos
Boekhouder-Generaal. Secretaris, 1772.
........ 1783 23 Sept. 1784 23 Dec. 1793 14 Sept. te 's-Gravenhage. Nam het bestuur waar, wegens afwezigheid van den Fiskaal Wichers.
26. Mr. Jan Gerhard Wichers
Fiskaal 19 Nov. 1771.
1784 1784 24 Dec. 1790 15 Juni ........ Voerde de titels van Gouverneur-Gener. en Generaal-Majoor. Gaat met verlof naar Nederland. Op verzoek eervolontslagen.
27. Jurriaan François (de) Friderici
Kommand. 17 Mei 1790. Kol. der militie en 1e raad.
........ 1790 a.i. 15 Juni
1792 24 Aug. effectief.
1799 17 Aug. bij de capitulatie bevestigd d. d. Koning v. Engeland
1802 4 Dec gesuspendeerd. 1812 11 Oct. te Paramaribo. In 1792 benoemd tot Gouvern.-Generaal van Suriname en in 1798 tot Generaal-Majoorderinfanterie.
Suriname van de Engelschen overgenomen, 23 Nov. 1802.          
a.i. W.O. Blois van Treslong
Kapitein ter zee.
........ 1802 4 Dec. 1803 9 Dec. ........ Met de Raden van politie W.H. van Ommeren en D. Brederode.
28. Pierre Berranger
Commissaris-Generaal. Secretaris in 1793.
1803 1803 9 Dec. 1804 9 Mei ........ Geeft bij verdrag van 28 April 1804 Suriname aan de Engelschen over.
Suriname, eene Engelsche bezitting, 28 April 1804.          
29. Sir Charles Green
Generaal-Majoor.
........ 1804 9 Mei 1805 15 April ........ Voerde den titel van Gouvern.-Generaal. Naar Engeland vertrokken.

[p. 325]

30. William Carlyon Hughes ........ 1805 15 April 1808 27 Sept. 1808 27 Sept. te Paramaribo. Voerde den titel van Luiten.-Gouverneur.
a.i. Sir John Wardlau
Luiten. Gen. Kommandant der troepen.
........ 1808 27 Sept. 1809 4 Mei ........ Fungeerend Luiten.-Gouverneur.
31. Charles, graaf Bentinck
Kapitein-Generaal en Vice-Admiraal.
........ 1809 4 Mei 1811 8 Nov. 1811 8 Nov. te Paramaribo. Gouvern. en Kommandant en Chef over Suriname, enz.
a.i. Pinson Bonham ........ 1811 8 Nov 1816 27 Febr. ........ Geeft Suriname over aan van Panhuys en vertrekt n. Engeland
Suriname eene Nederlandsche Kolonie, 27 Febr. 1816.          
32. Willem Benjamin van Panhuys
Generaal-Majoor.
........ 1816 27 Febr. 1816 19 Juli 1816 19 Juli te Paramaribo. Voerde den titel van Gouv.-Gen., Adm. en Gen. en Chef, enz.
a.i. Mr. Cornelis Reinhard Vaillant
Fiskaal.
........ 1816 19 Juli 1822 1 April 1849 10 Jan. te 's-Gravenhage. Gouv.-Gen. a.i. Eervol ontsl. 26 Oct. 1821.
33. Abraham de Veer
Generaal-Majoor. Gouvern. van St. Eustatius, Saba en St. Martin.
1821 21 Oct. 1822 1 April 1828 20 Mei 1838 2 Febr. te Paramaribo. Gouverneur. Eervol ontslagen 17 Mei 1828. Zie artikel.
Johannes Graaf van den Bosch
Generaal-Majoor, enz.
1827 18 Oct. ........ ........ 1844 28 Jan. te 's-Gravenhage. Commissaris-Generaal 1827-1828. Zie artikel.
34. Paulus Roelof Cantz'laar
Schout-bij-Nacht. Gouverneur v. Curaçao, 1820
1828 17 Mei door den Comm.-Generaal. 1828 20 Mei 1831 15 Dec. 1831 15 Dec. te Paramaribo. Gouvern.-Generaal d. Nederl. W.-I. Bezittingen. Zie artikel.
35. Mr Evert Ludolph Baron van Heeckeren
Proc. Generaal.
1832 6 Maart 1831 a.i. 19 Dec.
1832 6 Mei effectief.
1838 5 Juni met verlof 1838 15 Juni op Curaçao Bij K.B. van 16 Juli 1837 één jaar verlof toegestaan.
a.i. Mr. Philippus de Kanter
Proc. Gen. K.B. 6 Maart 1832.
........ 1838 5 Juni 1839 16 Juli ........  
36. Julius Constantijn Rijk
Schout-bij-Nacht.
1838 27 Nov. 1839 16 Juli 1842 31 Maart 1854 2 Mei te 's-Gra venhage. Bij K.B. 23 Oct. 1841 benoemd tot Dir.-Gen. van Marine Zie artikel.
a.i. Mr. Ph. de Kanter ........ 1842 31 Maart 1842 15 Nov. ........  
37. Burchard Jean Elias
Secr.-Gen. Ministerie v. Kol.
1842 16 Juli 1842 15 Nov. 1845 16 Juli 1871 1 Mei te 's-Gravenhage. Was de laatste Gouv.-Gen. W.-I. Bezittingen. (Zie K.B. 19 April 1845.) Bij K.B. 21 April 1845 op verzoek eerv. ontslagen.
a.i. Mr. Ph. de Kanter ........ 1845 16 Juli 1845 13 Oct. ........  

[p. 326]

38. Renier Fredrick Baron van Raders
Gouverneur van Curaçao.
1845 21 April 1845 13 Oct. 1852 1 Maart 1868 14 Nov. te 's-Gravenhage. Gouverneur. Bij K.B. v. 29 Dec. 1851 eerv. ontslagen. Zie artikel.
a.i. Mr. Ph. de Kanter ........ 1852 1 Maart 1852 14 Juni 1852 14 Juni te Paramaribo.  
a.i. Coenraad Barends
Oudste lid v.d. Kol. Raad.
........ 1852 14 Juin 1852 22 Juni ........  
39. Jhr. Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt
Resident van Bagelen op Java
1852 19 Febr. 1852 22 Juni 1855 25 Aug. 1857 7 Aug. te 's-Gravenhage.  
40. Charles Pierre Schimpf
Generaal-Majoor titulair O.-I. leger.
1855 3 Mei 1855 25 Aug. 1859 11 Aug. 1886 31 Dec. te 's-Gravenhage. Zie artikel.
41. Reinhart Frans van Lansberge
Gouverneur van Curaçao.
1859 23 April 1859 11 Aug. 1867 29 Juni 1873 12 Mei te 's-Gravenhage. Zie artikel.
42. Willem Hendrik Johan van Idsinga
Gouverneur van de Kust van Guinea.
1866 30 Dec. 1867 29 Juni 1873 1 Aug. 1896 16 Nov. te 's-Gravenhage.  
43. Jhr. Cornelis Ascanius van Sypesteyn
Referend. Dept. v. Koloniën.
Lid van de Tweede Kamer.
1873 17 Mei 1873 1 Aug. 1882 1 Nov. 1892 24 Sept. te 's-Gravenhage. Zie artikel.
44. Johannes Herbert August Willem Baron van Heerdt tot Eversberg
Gouverneur van Curaçao.
1882 5 Sept. 1882 1 Nov. 1885 30 Juli 1893 10 Jan. te 's-Gravenhage.  
45. Mr. Hendrik Jan Smidt
Lid v.d. Raad van State.
1885 12 Mei 1885 30 Juli 1888 18 Juli ........ Zie artikel.
a.i. Mr. Warmolt Tonckens J.Lz.
Gouv. Secretaris.
1888 10 Mei 1888 18 Juli 1889 30 Jan. ........  
46. Jhr. Mr. Maurits Adriaan de Savornin Lohman
Adv. Gen. bij den Hoogen Raad der Nederlanden.
1888 30 Sept. 1889 30 Jan. 1891 27 Juni 1899 12 Juli te 's-Gravenhage.  
47. Jhr. Mr. Titus Anthony Jacob van Asch van Wijck
Burgemeester v. Amersfoort.
1891 4 Mei 1891 27 Juni 1894 14 Mei Verlof    
a.i. Mr. Warmolt Tonckens J.Lz. 1893 27 Juli 1894 14 Mei 1894 14 Sept.    
47. Jhr. Mr. T.A.J. van Asch van Wijck ........ 1894 14 Sept. 1896 12 Mei 1902 9 Sept. te 's-Gravenhage. Zie artikel.
48. Mr. Warmolt Tonckens J.Lz. 1896 29 Jan. 1896 12 Mei 1899 5 Juni Verlof    
a.i. Mr. Jan Wouter van Oosterzee
Proc. Gen. Ondervoorz. Raad van Bestuur.
........ 1899 5 Juni 1899 18 Dec.    
48. Mr. Warmolt Tonckens J.Lz. ........ 1899 18 Dec. 1902 4 Oct. ........  

[p. 327]

49. Cornelis Lely 1902 5 Aug. 1902 4 Oct. 1905 12 Sept. ........  
a.i. David Hendrik Havelaar
Ondervoorz. Raad v. Bestuur
........ 1905 12 Sept. 1905 18 Nov. ........  
50. Alexander Willem Frederik Idenburg
Minister van Koloniën.
1905 14 Sept. 1905 18 Nov. 1908 28 Febr. ........  
a.i. Mr. Pieter Hofstede Crull
Proc.-Gen. Ondervoorz. Raad van Bestuur.
........ 1908 28 Febr. 1908 10 Aug. ........  
51. Mr. Dirk Fock
Minister van Koloniën.
1908 9 Mei 1908 10 Aug. 1911 30 Juni ........  
a.i. Mr. Louis Marie Rollin Couquerque
Gouv. Secretaris.
1911 9 Maart 1911 30 Juni 1911 14 Juli ........  
a.i. Mr. P. Hofstede Crull ........ 1911 14 Juli 1911 17 Oct. ........  
52. Willem Dirk Henrik Baron van Asbeck 1911 24 Juni 1911 17 Oct. ........ ........  

B. De Nederl. W.I. Eilanden.

Curaçao werd in 1634 door de W.-I. Compagnie op de Spanjaarden veroverd. Van 1801-1803 en van 1807-1816 behoorde het met Aruba en Bonaire, die steeds aan Curaçao onderhoorig geweest zijn (met een kommandeur aan het hoofd) aan de Engelschen. St. Eustatius, St. Martin en Saba zijn bij herhaling van de eene hand in de andere gegaan. Van 1816-1828 vormden zij een zelfstandige kolonie. Van 1828-1845 waren zij met Curaçao, Aruba, Bonaire en Suriname tot één kolonie vereenigd onder een gouverneur-generaal, die te Paramaribo zetelde. Sedert 1845 vormen de 6 eilanden één gouvernement.

Onder de Compagnie had men op Curaçao (met Aruba en Bonaire) een directeur of gouverneur, op de andere eilanden een kommandeur of gouverneur. Van 1816-1820 hadden Curaçao, Aruba en Bonaire een gouverneur-generaal, van 1820-1828 een gouverneur, van 1828-1833 een directeur, van 1833-1848 een gezaghebber, onder wien sedert 1845 ook St. Eustatius, St. Martin en Saba ressorteerden. Van 1828-1833 had St. Eustatius met Saba een kommandeur, welke titel in 1833 werd veranderd in gezaghebber; ook de sedert 1815 bestaan hebbende kommandeur van St. Martin werd in 1833 gezaghebber. Bij K.B. van 8 Maart 1848 no. 74 (Publ. 1848 no. 277) werd de titel van ‘Gezaghebber van Curaçao en onderhoorigheden’ veranderd in dien van ‘Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden’; bij K.B. van 23 Oct. 1865 no. 61 (Publ. 1865 no. 20) werd de titel ‘Gouverneur van Curaçao’. De titel van ‘gezaghebber’ is behouden voor de ambtenaren, die onder den gouverneur van Curaçao, aan het hoofd staan van de eilanden, met uitzondering van Curaçao zelf. (zie BESTUURSREGELING blz. 129 en 136).

I. Curaçao met Aruba en Bonaire.

Directeurs, Gezaghebbers, Gouverneurs, van 1634-1845.

Johannes van Walbeeck 1634-1636
? 1636-1638
Jacob Pietersz. Tolck 1638-?
Jan Claesz. van Campen 1642-1643
Petrus Stuyvesant1) 1643-1664
Lucas Rodenburch2) 1647-?
Matthias Beck2) 1659?-1664
Matthias Beck 1664-1668
Willem Beck (provisioneel) 1668-1669
Lodewicus Boudewijns van Berlicum 1669-1670
Willem Beck (prov.) 1670
Dirk Otterinck 1670-1673
Jan Doncker 1673-1679
Nicolaas van Liebergen 1679-1682
Apero van der Hoeven (prov.) 1682-1683
Jan van Erpecum 1683-1685
Apero van der Hoeven } (prov.) 1685-1686
Willebord van Engelen } (prov.) 1685-1686
Willem Kerckrinck 1686-1692
Dr. Gualterus Schagen } (prov.) 1692-1693
Bastiaan-Bernagie } (prov.) 1692-1693
Bastiaan Bernagie (prov.) 1693-1694
Bastiaan Bernagie 1694-1700
Nicolaas van Beek (prov.) 1700-1701
Mr. Coenraad Burgh3) -
Nicolaas van Beek 1701-1704
Jeremias van Collen } (prov.) 1704
Gerard Luls } (prov.) 1704
Mr. Jacob Beck 1704-1709
Jeremias van Collen (prov.) 1709
Abraham Beck 1709-1710
Jeremias van Collen (prov.) 1710-1711
Jeremias van Collen 1712-1715
Jonathan van Beuningen (prov.) 1715-1716
Jonathan van Beuningen 1716-1720
Mr. Jan van Beuningen 1720

[p. 328]

Cornelis Anderman van der Burgh } (prov.) 1720-1721
Juan Pedro van Collen } (prov.) 1720-1721
Frederick Eck } (prov.) 1720-1721
Jan Noach du Fay 1721-1730
Juan Pedro van Collen 1731-1738
Jan Gales 1738-1740
Isaac Faesch 1740-1758
Jean Isai Claris Rodier de la Brugière (prov.) 1758-1761
Jacob van Bosveld 1761-1762
Jean Isai Claris Rodier de la Brugière (prov.) 1762
Jean Isai Claris Rodier de la Brugière 1762-1781
Jan Lixraaven (luitenant-gouverneur) 1781-1782
Johannes de Veer 1782-1784
Jan Jacob Beaujon 1784-1796
Johan Rudolf Lauffer1) 1796-1803
Abraham de Veer } Leden van den Raad als Commissarissen. } 1803-1804
Cornelis Berch } Leden van den Raad als Commissarissen. } 1803-1804
Mr. Pierre Jean Changuion1) 1804-1807
W. Bolton, C. Brisbane, D. Baillie, W. Malbon, R. Nicolaas, J. Cockburn, F. Layard, J. Hudson, J.L. Couteur } Engelsche bestuurders. } 1807-1818
Albert Kikkert 1816-1819
Mr. Petrus Bernardus van Starckenborgh 1819-1820
Mr. Isaäk Johannes Rammelman Elsevier a.i. 1820
Paulus Roelof Cantz'laar 1820-1828
Mr. Isaäk Johannes Rammelman Elsevier 1828-1836
Jhr. Isaäk Johan Rammelman Elsevier Jr. a.i. 1836
Renier Fredrick Baron van Raders 1836-1842
Caspert Lodewijk van Uytrecht a.i. 1842-1844
Renier Fredrick Baron van Raders 1844-1845

Gouverneurs sedert 1845.

Naam en vroegere betrekking. Dagteekening van
Aanstelling. Aanvaarding. Aftreding. Overlijden.
1. Rutgers Hermanus Esser
Majoor v.h. bataljon jagers no. 27.
1845 21 April 1845 19 Juli 1848 20 Dec. 1864 27 Dec. te Amsterd.
a.i. Jhr. Isaäk Johan Rammelman Elsevier Jr.
Koloniaal Secretaris.
1848 13 Sept. 1848 ........ 1849 ........  
2. Jhr. I. Joh. R. Elsevier Jr. 1849 14 Nov. 1849 ........ 1854 28 April 1877 25 Juli
3. Mr. Jacob Bennebroek Gravenhorst
Pres. Rechtb. Curaçao.
1853 26 Dec. 1854 28 April 1856 25 Febr. 1859 29 Sept.
4. Reinhart Frans van Lansberge
Cons.-Gen. der Nederl. in Venezuela.
1855 28 April 1856 25 Febr. 1859 23 April  
5. Johannis Didericus Crol
Gezaghebber van St. Martin.
1859 23 April 1859 13 Juli 1866 16 April 1870 18 Aug.
6. Mr. Abraham Matthieu de Rouville
Procureur Generaal op Curaçao.
1866 8 Febr. 1866 16 April 1870 24 Nov. 1881 9 Oct.
a.i. Herman François Gerardus Wagner.
Gezaghebber van St. Martin.
1870 17 Sept. 1870 24 Nov. 1871 5 April  
7. H.F.G. Wagner 1871 7 Maart 1871 5 April 1877 1 Mei 1904 11 Mei te 's-Gravenh.
8. Hendrik Bernardus Kip
Kapitein ter zee.
1877 8 Febr. 1877 1 Mei 1880 1 Oct. 1897 1 Aug. te 's-Gravenh.
9. Johannes Herbert August Willem Baron van Heerdt tot Eversberg
Referendaris Departement v. Koloniën
1880 31 Mei 1880 1 Oct. 1882 18 Oct.  
10. Nicolaas van den Brandhof
Distr.-Commissaris in Suriname.
1882 14 Sept. 1882 18 Oct. 1890 6 Mei 1904 2 Maart te 's-Gravenh.

[p. 329]

11. Mr. Charles Augustinus Henry Barge
Voorz. Hof van Justitie, Curaçao.
1890 8 Maart 1890 6 Mei 1901 24 Aug.  
a.i. Mr. Theodorus Izaak Andreas Nuyens
Onder-voorz. Raad v. Bestuur, Curaçao.
........ 1901 24 Aug. 1901 11 Sept.  
12. Jhr. Jan Olphert de Jong van Beek en Donk
Burgemeester van Beek en Donk.
1901 20 Juni 1901 11 Sept. 1904 23 Juli  
a.i. Casper Statius Muller
Adm. van Financiën, Curaçao.
1904 14 Juli 1904 23 Juli 1904 23 Oct.  
12. Jhr. J.O. de Jong van Beek en Donk ........ 1904 23 Oct. 1909 16 Oct.  
13. Mr. Th. I.A. Nuyens
Procureur Generaal op Curaçao.
1909 16 Sept. 1909 16 Oct. ........  

II. St. Eustatius, Saba (en St. Martin)

Kommandeurs, gouverneurs, gezaghebbers van 1636-1845.

? 1636-....
Pieter Gardijn 1639?-1641
Abraham Adriaensz. 1641-1644
Pieter van de Woestijne 1644-....
Abraham Adriaensz. 1647?
Pieter Adriaensz. 1665
Kolonel Thomas Morgan (Eng.) 1665-1666
Majoor Rose (Fr.) 1666-....
Pieter Adriaensz? 1668-1671
Lucas Jacobsen 1671-1672
John Pogson (Eng.) 1672-....
Peter Batterie (Eng.) 1674?-....
Louis Houctooper 1682-1686
Lucas Schorer 1686-1689
Comte de Blennac? (Fr.) 1689-1690
Thimotheus Thornhill (Eng.) 1690-1693
Johannis Salomonsz. 1693-1700
Jan Symonson Donker a.i. 1700-1701
Isaac Lamont 1701-1704
Jan Symonson Donker a.i. 1704-1709
Isaac Lamont 1709-1712
Jan Symonson Donker 1712-1717
Gerard de Mepsche 1717
Jan Heyliger a.i. 1717-1719
J........ Stalperts 1719-1720
Jan Heyliger a.i. 1720-1721
Jacobus Stevensen 1721-1722
J.......... Linderay a.i. 1722-1725
J.......... Linderay 1725-1728
Everardt Raecx 1728-1733
Jan Heyliger a.i. 1733-1734
Jan Heyliger 1734-1736
Pieter(?) Markoe a.i. 1736-1737
Isaac Faesch 1737-1740
Hendrik Coesvelt 1740-1741
Jasper Ellis a.i. 1741-1743
Johannes Heyliger Pz. 1743-1752
Jan de Windt a.i. 1752-1754
Jan de Windt 1754-1775
Abraham Heyliger a.i. 1775-1776
Johannes de Graaff 1776-1781
David Ogilvy (Eng.) 1781
James Cockburn (Eng.) 1781
Charles Chabert (Fr.) 1781-1784
Olivier Oyen a.i. 1784-1785
Abraham Heyliger 1785
Johannes Runnels a.i. 1785-1789
Pieter Anthony Godin 1789-1792
Johannes Runnels a.i. 1792-1795
Daniel Roda a.i. 1795-1801
Richard Blunt (Eng.) 1801-1802
John Wardlau (Eng.) 1802
Daniel Roda a.i. 1802
Albert van Heyningen 1802-1809
William Charles Mussenden a.i. 1809-1810
Charles(?) Barrow (Eng.) 1810-1816
Reinier 't Hoen a.i. 1816-1817
Abraham de Veer 1817-1822
Diederik Johannes van Romondt a.i. 1822-1823
Willem Albert van Spengler 1825-1828
Willem Johan Leendert van Raders 1828-1834
Willem Johan Leendert van Raders 1834-1836
Theophilus George Groebe a.i. 1836-1837
Johannes de Veer 1837-1854

Sedert 1845 zijn de gezaghebbers van Aruba, Bonaire, Saba, St. Eustatius en St. Martin ondergeschikt aan den ‘Gouverneur van Curaçao’.

Litt. Suriname. Hartsinck, Beschr. v. Guiana, Amst. 1770, II, 894; Essai historique sur la Colonie de Surinam, Paramaribo, 1788, II, 96-102; C.A. van Sypesteyn, Beschr. v. Suriname, 's Grav. 1854, blz. 241-249; J. Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861; James Rodway & Thomas Watt, Chronological history of the discovery and settlement of Guiana. Georgetown 1888; Gouvernementsbladen. Nederl. W.-I. Eilanden. G.J. Simons, Beschr. v.h. eiland Curaçou, Oosterwolde 1868, blz. 83; A.M.H.J. Stokvis. Manuel d'histoire, de généalogie et de chronologie de tous les états du globe, depuis les temps les plus reculés jusqu' à nos jours. Leiden 1890-1893, III, 508 en 509; J.H.J. Hamelberg, Eerste jaarl. versl. v.h. Gesch. Taal- Land- en Volkenk. Genootsch., gev. te Willemstad Amst. 1897, blz. 184 en 185; Idem, Tweede jaarl. versl. Amst. 1898, blz. 146 en 147; Idem, De Nederl. op de W.-I. Eilanden, Amst. 1903, 1909 (met de daarbij behoorende ‘Documenten’); Publicatie-bladen van Curaçao.

Governors plum,

sur. Zie VRUCHTEN EN VRUCHTBOOMEN.

Goyer (mr. Johan de).

Zie GOUVERNEURS.

Graafwespen.

Zie HYMENOPTERA.

Grafrust,

sur. Zie MIMUS.

Gramel,

pap. Zie MYCTEROPERCA.

[p. 330]

Granaatappel,

sur. en ben. e. Zie PUNICA.

Granadilla,

bov. e. Zie PASSIFLORA QUADRANGULARIS.

Granfowroe,

n.e. Zie QUALEA.

Grangado,

n.e. De opperste god der Boschnegers. Zie de beschrijving van dien van het dorp Wakibasoe aan de Boven-Suriname bij Martin, Westindische Skizzen, Leiden 1887 blz. 61. De grangado der Aukaners wordt volgens De Goeje, Verslag der Toemoekhoemak-expeditie, Leiden 1908, blz. 52 in een gesloten huis op het dorp Drietabbetje aan de Tapanahoni bewaard. Zie ook Weiss, Ons Suriname, Utr. 1911, blz. 62.

Granman,

n.e. Opperhoofd der boschnegers (zie aldaar, blz. 158). Elke stam heeft zijn eigen granman.

Granmorgoe,

n.e. Zie HYPOPLECTRUS.

Grasluis,

sur. Zie ACARINA.

Grasparkiet,

sur. Zie PSITTACIDAE.

Grassteeltje,

pap. Zie ELAGATIS en OCYURUS.

Grauwmunnik,

sur. Zie HYPOPLECTRUS.

Gravel.

Zie AARDKUNDE, blz. 6.

Grave physic nut

bov. e. Zie JATROPHA CURCAS.

Gravenhorst (mr. Jacob Bennebroek.)

Zie GOUVERNEURS.

Green (Charles),

Zie GOUVERNEURS.

Grenadier,

sur. Zie TANAGRIDAE.

Grenzen van Suriname en grenskwestiën.aant.

Gedurende de laatste helft van de 17de en een groot deel van de 18de eeuw gold, voor zooveel men aan de zaak aandacht schonk, de Sinamarie als de oostelijke grens van Suriname. In verband met den giftbrief van Karel II aan Sir Francis Willoughby, Graaf van Parham en Laurens Hide (te vinden bij Hartsinck, deel II) stond het in elk geval vast, dat de volkplanting zich uitstrekte tot over den rechteroever van de Marowijne. Van Nederlandschen kant heeft men evenwel stilzwijgend toegelaten dat reeds kort na het midden van de 18de eeuw de Franschen aan den rechteroever der Marowijne een militairen post vestigden en zoo werd langzamerhand van beide zijden deze rivier als de grens beschouwd. In de eenige bekende officiëele omschrijving van het grondgebied der kolonie - te vinden in de Mem. v. Toel. van het wetsontwerp tot vaststelling van het reglement op het beleid der regeering in de kolonie Suriname, gedagteekend 4 April 1864 (zitting Tweede Kamer 1863-1864. CXIX) - wordt dan ook de Marowijne als oostelijke grens genoemd. In 1860 was van Fransche zijde de vraag geopperd of de Lawa dan wel de Tapanahoni als de hoofdrivier was te beschouwen. Een Fransch-Nederlandsche commissie nam in 1861 de beide rivieren op en kwam tot het besluit dat de Lawa de hoofdrivier was. Daarbij bleef het, totdat in 1885 in het gebied tusschen de beide genoemde rivieren goud ontdekt werd. Zooals te verwachten was ontstond toen een grensgeschil. Wat van 1885-1888 op en om het terrein in geschil is voorgevallen vindt men uitvoerig beschreven in J.A. Polak's Historisch overzicht van de goudindustrie in Suriname, 's-Grav. 1908, blz. 38, vlg. Om aan het geschil een einde te maken sloten de beide mogendheden 29 Nov. 1888 eene overeenkomst, waarbij bepaald werd, dat het geschil aan de uitspraak van een scheidsrechter zou worden onderworpen. (Zie Stbl. 1889 no. 104 en 1890 no. 105 en G.B. 1889 no. 7 en 1890 no. 18) Deze, Czaar Alexander III, besliste dat de Lawa als de grensrivier moest worden beschouwd, dus in het voordeel van Suriname.

De uitspraak luidt vertaald:

Wij, Alexander III, bij de gratie Gods, Keizer aller Russen. De Regeeringen van de Fransche Republiek en die der Nederlanden, besloten hebbende, naar de bepalingen van een tusschen deze Staten gesloten overeenkomst van 29 November 1888, om in der minne uit te maken een bestaand geschil omtrent de grenzen hunner respectieve koloniën, Fransch-Guyana en Suriname, en de beslissing op te dragen aan een scheidsrechter, hebben Ons verzocht deze arbitrage te aanvaarden;

Willende beantwoorden aan het Ons door de in geschil zijnde mogendheden betoond vertrouwen en van de beide regeeringen de verzekering ontvangen hebbende, dat Onze uitspraak zou worden beschouwd als hoogste uitspraak, zonder eenig beroep en dat zij zich daaraan zonder eenig voorbehoud zouden onderwerpen, hebben Wij de taak op Ons genomen als scheidsrechter het geschil dat tusschen haar bestaat, op te lossen en alzoo houden Wij voor juist de volgende uitspraak:

Overwegende, dat de conventie van 28 Augustus 1817, waarbij de voorwaarden worden bepaald van de teruggave van Fransch-Guyana aan Frankrijk door Portugal, nimmer door de Nederlanden is erkend;

dat daarenboven die conventie niet zou kunnen dienen tot grondslag van een oplossing van de quaestie waarover geschil, daar toch Portugal, dat, krachtens het verdrag van Utrecht in 1713, een deel van Fransch-Guyana in bezit nam, aan Frankrijk in 1815 niet meer kon teruggeven dan aan dat Rijk was afgestaan; terwijl immers de grenzen van dit grondgebied in het verdrag van Utrecht van 1713 nergens omschreven zijn;

Overwegende, ten andere:

Dat het Nederlandsche Gouvernement, gelijk dit bewezen wordt door de feiten, niet weersproken door de Fransche regeering, op het einde van de vorige eeuw militaire posten aan de Lawa bezet had;

dat de Fransche autoriteiten in Guyana menigmaal hebben erkend, dat de negers, wonende op het betwiste grondgebied, middellijk en onmiddellijk afhankelijk waren van het Nederlandsche gezag, en dat die autoriteiten met inlandsche stammen, dat grondgebied bewonende, niet in onderhandeling traden dan door bemiddeling en in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de Nederlandsche autoriteiten;

dat zonder tegenspraak tusschen de beide belanghebbende Staten vaststaat, dat de Marowijne van haar bron af, als grens moet beschouwd worden van hun respectieve koloniën;

dat de gemengde Commissie van 1861 gegevens heeft verzameld ten gunste der erkenning van de Lawa als bovenloop van de Marowijne;

Op deze gronden:

Verklaren Wij dat de Lawa moet beschouwd worden als grensstroom, dienende tot grens van de beide bezittingen.

Uit hoofde van deze scheidsrechterlijke uitspraak moet het grondgebied boven de samenvloeiing van Lawa en Tapanahoni voortaan toebehooren aan de Nederlanden, zonder inbreuk evenwel op de bona fide verkregen rechten van Fransche onderdanen op het grondgebied, dat in geschil is geweest.

Gegeven te Gatchina, den 13/25 Mei 1891.

 

(w.g.) ALEXANDER.

 

Gecontrasigneerd:

Giers.

[p. 331]

Van sommige zijden wordt beweerd dat het nog niet vaststaat wat de Lawa is, d.w.z. dat nog moet worden uitgemaakt of de Itani dan wel de Marowijnekreek de voortzetting van de Lawa is. Over den loop van de grenslijn in de Marowijne zijn thans (begin 1915) onderhandelingen tusschen Nederland en Frankrijk hangende.

De westelijke grens van Suriname werd eertijds aangewezen door een paal, halverwege tusschen de Corantijn en de Berbice geplaatst, ingevolge een overeenkomst tusschen van Aerssen van Sommelsdijk en Van Pere. Later werd als grensscheiding aangenomen een lijn loopende Z.t.W. door den mond der Duivelskreek in het tegenwoordige Berbice. In 1799 sloten de Gouverneurs De Friderici van Suriname en Van Batenburg van Berbice - beide koloniën waren toen in Britsche handen - een overeenkomst waarbij het land bewesten de Corantijn aan Berbice werd afgestaan en de de Corantijn de grens werd, met dien verstande dat de eilanden in de rivier en de post Oreala op den Westoever tot Suriname bleven behooren. (Zie de overeenkomst in De Grenzen van Nederlandsch Guiana door Dr. H.D. Benjamins, T.A.G. Dec. 1898.) Bij den vrede van Amiens in 1802 werden Suriname, Berbice, Demerary en Essequebo aan Nederland teruggegeven, maar zij bleven niet lang onder Nederlandsch bestuur. In September 1803 gingen Berbice, Demerary en Essequebo weer in Engelsche handen over, om voor goed Engelsche Koloniën te blijven; Suriname werd in April 1804 bij verdrag aan de Engelschen overgegeven en bleef tot 1816 in hunne handen. Bij de conventie te Londen gesloten op 13 Aug. 1814, bekrachtigd door den vrede van Parijs van 20 Nov. 1815, werd Suriname aan Nederland teruggegeven, zooals het was op 1 Jan. 1803, d.i. met de Corantijn tot westelijke grens. Van den bovenloop der rivier wist men echter niets. In 1843 ondernam Robert Schomburgk, op last van de Engelsche Regeering, eene verkenningstocht in Britsch Guiana, waarbij hij, van het brongebied uit, een der bronrivieren afvoer en daarna de geheele rivier tot aan hare monding. Hoewel hier van een behoorlijke exploratie geen sprake was, hield men de opneming van Schomburgk en de door hem vervaardigde kaart voor juist, totdat in 1871 Charles Barrington Brown de rivier opnieuw onderzocht en de New River ontdekte, die, volgens zijne opmetingen, de voortzetting van de hoofdrivier is. Van dat oogenblik af bestond er dus onzekerheid omtrent de westelijke grens der kolonie.

Op 4 Oct. 1899 deed een scheidsgerecht uitspraak in het grensgeschil tusschen Venezuela en Britsch Guiana en liet zich - zijn mandaat overschrijdende - incidenteel uit over de vraag of de Koetari-Koeroeni dan wel de New River de grens was tusschen Britsch en Nederlandsch Guiana. De Nederlandsche Regeering deelde daarop aan de Britsche mede zich niet gebonden te achten door deze incidenteele uitspraak. Deze grenskwestie is nog niet beëindigd.

De zuidelijke grens wordt - volgens het op 5 Mei 1906 te Rio-de-Janeiro tusschen Nederland en Brazilië gesloten verdrag tot regeling der grens tusschen Suriname en Brazilië, goedgekeurd bij de wet van 11 Juli 1908 (Zie Stb. 1908 no. 220, 1909 no. 423 en G.B. 1909 no. 31) - gevormd ‘door de lijn der waterscheiding tusschen het stroomgebied der Amazone, in het Zuiden, en de bekkens der waterstroomen, die zich noordwaarts in den Atlantischen Oceaan uitstorten’.

Litt. Behalve de reeds genoemde geschriften: Henry Bolingbroke, A Voyage to the Demerary, etc. Philadelphia, 1813, blz. 122. - Robert H. Schomburgk, A description of British Guiana, geographical and statistical, London 1840. - Richard Schomburgk, Reisen in Britisch-Guiana in den Jahren 1840 - 1844. Leipzig 1848, Band II. - J. Wolbers, Geschiedenis van Suriname. Amst. 1861, blz. 278 en 279. - Charles B. Brown en J.G. Sawkins, Reports on the physical, descriptive and economic geology of British Guiana, London 1875. - P.M. Netscher, Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice, 's-Grav. 1888. - J.F. Niermeijer, De Surinaamsche grensquaestie, Vragen des Tijds, Aug. 1891. - G.P.H. Zimmerman. Het nieuwe grondgebied van Suriname. T.A.G. 2e Serie, deel VIII 1891. - M.E.D. Levat, Guide pratique pour la recherche et l'exploitation de l'or en Guyane française, Paris 1898, blz. 88-90. - Henri Froidevaux, La fin du conflit anglo-vénézuélien, Questions diplomatiques et coloniales, Tome VIII, p. 257-266. - Mr. J.B. Breukelman, De beslissing in het Britsch-Venezuelaansch grensgeschil. T.A.G. 28 Febr. 1900. - C.H. de Goeje, Verslag der Toemoek-hoemak-Expeditie, Leiden 1908. - Het Koloniaal Weekblad, 14 Dec. 1911, 27 Febr., 3 April, 12 Juni en 25 Dec. 1913, 26 Febr. en 2 April 1914.

Greshoff (Maurits).

Geb. te 's-Gravenh. 11 Oct. 1862, overleden te Haarlem 9 Dec. 1909, studeerde natuurwetenschap en pharmacie te Utrecht en te Jena, alwaar hij tot phil. doct. werd bevorderd. In 1887 als milit. apoth. 2e kl. naar Java vertrokken deed hij in het inmiddels opgerichte chemisch-pharmacologisch laboratorium van 's lands plantentuin te Buitenzorg, volgens opdracht van de Regeering, onderzoekingen naar Indische plantenstoffen, in 't bijzonder ten opzichte van hare beteekenis voor de geneeskunst. In 1892 tot herstel van gezondheid naar Europa gezonden, verliet hij in 1895 's lands dienst en werd aangesteld tot scheikundige aan het Kol. Museum te Haarlem en in 1896 tot onderdirecteur dezer instelling. In deze betrekking nam hij een werkzaam aandeel in de totstandkoming van de West-Indische afdeeling van het Museum en in de in dit gebouw in 1899 gehouden Nederl. W.-I. tentoonstelling. In hetzelfde jaar diende hij met Dr. F.A. Jentink, het uitvoerend comité der Maatsch. tot Bevordering v.h. Natuurk. Onderz. der Nederl. Koloniën, van advies over het voorgenomen plan eener wetensch.-expeditie in Suriname (Zie het voorwoord van het Verslag der Coppename-Expeditie, Leiden, 1902). Van 1901-1909 was hij directeur van het Kol. Museum. Voor de lijst zijner geschriften zie Bulletin no. 45 (1910) van het Koloniaal Museum.

Grietjebie,

sur. Zie TYRANNIDAE.

Grijze mangel,

ben. e. Zie CONOCARPUS.

Grikibi,

n.e. Zie TYRANNIDAE.

Grio,

n.e. Zie RHYNCHOTA.

Gristeltje,

pap. Zie OCYURUS.

Groenhart,

sur. Zie TECOMA LEUCOXYLON.

Groenhartvogel,

sur. Zie COTINGIDAE.

Groenten.

Suriname. Onder dit hoofd zullen slechts die groenten worden behandeld, welke óf werkelijk tot de inlandsche flora behooren, óf reeds zoo lang geleden ingevoerd zijn, dat ze als typisch Surinaamsch voortbrengsel aangemerkt kunnen worden. Allerlei Europeesche groentenzaden, o.a. van kool, peulen, boonen, radijs, wortel, selderij, peterselie, sla en andijvie worden geregeld ingevoerd en verbouwd op plantages of grondjes voor eigen ge-

[p. 332]

bruik of wel om ermede te venten langs de huizen. Vooral nu in de nabijheid der stad vele Britsch-Indiërs zich op de teelt toeleggen, is de groentevoorziening verbeterd, hoewel ze vaak nog zeer onregelmatig is. Van eigenlijke warmoezierderij is nog geen sprake; de cultuur heeft nog zeer in het klein plaats. Bovendien worden uit Nederland en Amerika enkele artikelen in verschen toestand ingevoerd, b.v. kool, aardappelen, bieten, wortelen. Men duidt deze ingevoerde groenten dikwijls aan met het voorvoegsel ‘ijs’; zoo spreekt men van ijskool, ijsappelen, enz., omdat ze gewoonlijk in ijs worden aangevoerd.

De hier opgenoemde soorten zijn die, welke op de markt verhandeld worden of algemeen als groente bekend zijn; de boschbewoners zullen stellig nog andere bladeren of vruchten van tijd tot tijd als groenten nuttigen.

Amsoy, de bladeren van een Brassica-soort (Fam. Cruciferae). De smaak lijkt veel op dien van Hollandsche raapstelen; waarschijnlijk is het dezelfde plant; zij plant zich voort uit in Suriname gewonnen zaad; de groente wordt in het bijzonder door Chineezen gebruikt.

Antroea (= Bérangère).

Bérangère heet in de Fransche keuken aubergine. Het is de vrucht van Solanum melongena, de melanzaan-appel; hier wordt deze gewoonlijk niet langer dan 2 dM.; de in Europa gekweekte soorten hebben dikwijls veel langere vruchten. Ze worden gestoofd met melk, of gevuld met gehakt, gegeten. De samenstelling is:

water 93.0%
koolhyd. 1.7%
eiwit 1.3%
vet 0.2%
asch 0.6%
cellulose 0.9%

De vorm met ronde vruchten, met bitteren smaak, wordt speciaal antroea genoemd; de bladeren zijn bijna onbehaard, in tegenstelling met de bérangère, die viltig behaarde bladeren heeft; ze worden met olie en azijn gegeten of in soep gekookt.

Bita wiwiri, de bladeren van Cestrum latifolium Lam., (Fam. Solanaceae), worden als groente gegeten.

Gogomago, de bladeren van Phytolacca decandra L., (Fam. Phytolaccaceae) een groente, die in smaak het meest overeenkomt met Hollandsche spinazie. De plant komt in het wild voor, vooral in het Saramacca-district.

Kabbes of palmkool, is het jongste stamgedeelte met de jonge bladeren van den Koemboe-palm, den Maripapalm en ook wel van den Koningspalm. Om de kabbes te verkrijgen wordt de boom omgehakt. De lengte van het eetbare stamgedeelte bedraagt ongeveer 1 Meter. Men kan kabbes in azijn met specerijen inmaken en als zuur gebruiken, of ze stoven; men krijgt dan een zeer smakelijke groente, die wel iets lijkt op bloemkool. Volgens Dr. J. Sack bevat de versche kabbes

water 91.0%
asch 1.0%
vet en eiwit sporen.  
cellulose 1.0%
zetmeel 2.0%
Oplosb. koolhydr. sporen  

Klaroen of kraroen; de bladeren van Amaranthus Blitum L., worden afzonderlijk als groente gegeten of wel met aardappelen tot een gestampte pot gemaakt; dit gerecht doet eenigszins aan boerenkool denken. Klaroen zaait zichzelf zeer gemakkelijk, zoodat, wanneer het eens in een tuin voorkomt, het er, zonder hulp, blijft.

Okro of oker, afkomstig van Hibiscus esculentus L. (Fam. Malvaceae). De vruchten bevatten een slijmachtige stof, die in soep gebruikt wordt als bindmiddel. Ook worden de vruchten even opgekookt, en daarna koud met peper en zout als salade gegeten.

Peper, de vrucht van Capsicum frutescens L. (Fam. Solanaceae). Van peper bestaan een groot aantal varieteiten (zie CAPSICUM FRUTESCENS). Er is een groep met ronde vruchten en een met langwerpige. De vruchten worden op azijn getrokken of versch bij de bereiding van spijzen gebruikt. (Zie verder CAYENNE-PEPER en DJOKOTAJA). De samenstelling der vruchten is:

water 89%
asch 0.8%
vet 0.5%
eiwit 2.6%
cellulose 2.2%
zetmeel 3.5%

Peulvruchten. Zaad van Europeesche boonensoorten, doperwten, princesseboonen, snijboonen, enz. wordt geregeld ingevoerd. Er is ook een aantal bepaaldelijk in Suriname gekweekte of gebruikte soorten, die allen behooren tot de familie der Papilionaceae.

Wandoe. Cajanus indicus, een heester die korte peulen met 4 à 5 bijna ronde zaden voortbrengt. Vooral in zeer jongen toestand smaken deze goed. De kleur der zaden is lichtbruin. Ze bevatten 18% eiwit en 43% zetmeel. (Zie ook DAHL).

Sebi-jari (zevenjaarsboontje) Phaseolus lunatus L.; in Oost-Indië kratok genoemd. De plant wordt langs stokken geleid, als de Hollandsche stamboonen. De vrucht bevat blauwzuur, dat echter bij koken verdwijnt; men gebruikt de zaden half rijp. Onder koelie sebi-jari worden de zaden van Dolichos Lablab L. verstaan; deze plant heeft korte peulen, die 4 à 5 zaden bevatten; de rand der peulen is wat dikker en eenigszins gekarteld. Onder koelie pesi worden verschillende peulvruchten verstaan, o.a. de zaden van Phaseolus radiatus L. Cajanus indicus en Ervum Lens. De Br. Indiërs gebruiken in 't bijzonder de zaden van Cajanus indicus. Al deze boonensoorten worden ingevoerd.

Kousenbanden (n.e. Kousoebanti), Vigna sinensis Savi, eveneens een klimplant met lange, veelzadige peulen. De peulen zijn recht en worden tot 40 c.M. lang; men eet de peul in stukjes gebroken en gestoofd. Eiwit en zetmeel gehalte zijn elk ongeveer 3.5%.

Djari-pesi, Vigna Katjang Walp., eveneens lange (30 c.M.) veelzadige, iets gebogen peulen. Men eet de zaden, die ook bekend staan onder den naam boontjes zonder meer.

Postelein of Bokkolille. De Surinaamsche postelein is afkomstig van Talinum racemosum L. Rohrb, (Fam. Portulacaceae) een plant, die veel in het wild voorkomt en zeer gemakkelijk door stekken voortgeplant wordt. Ook Portulaca oleracea L. is zeer algemeen, en wordt gebruikt onder den naam van gron-posrin.

Sopropo is de vrucht van Momordica Charantia L. (Fam. Cucurbitaceae) en wordt bepaaldelijk door de Chineezen als komkommer veel gegeten.

Spinazie. Als zoodanig worden gegeten de bladeren van Basella alba L. (Fam. Basellaceae), een slingerplant. Tegenwoordig wordt ook wel zaad van Europeesche spinazie ingevoerd.

Tomaten. de vruchten van Solanum Lycopersicum L.; is een zeer geliefd artikel in de Surinaamsche keuken. De vruchten zijn in 't algemeen klein en er bestaan een groot aantal variëteiten. De voedingswaarde is uiterst gering; ze bevatten 95% water, terwijl alle andere bestanddeelen onder 1% blijven.

Taja wiwiri, de bladeren van een variëteit van Xanthosoma sagittifolium, Schott. (Fam. Araceae). De smaak doet eenigszins denken aan dien van Hollandsche spinazie.

[p. 333]

Op Curaçao heeft men in het 2e en 3e district op verschillende ‘grondjes’ moestuintjes, welke besproeid worden door middel van windmolens, waarmede het water uit de putten wordt opgehaald. De groenten die er geteeld worden zijn giambo's (Hibiscus esculantus), komkommers, kool, snijboonen, lange kalebassen, radijs, bieten en salade. Giambo's worden in den regentijd in massa uitgeplant op de groote plantages; de opbrengst is dan in den regel uiterst gering, omdat er te veel aan de markt komen. In den drogen tijd moeten ze met zorg gekweekt worden, en komen dan alleen van het 2e district. De prijs stijgt dan wel tot 25 à 30 ct. per 100 stuks; aan het eind van den regentijd is 5 cents per 100 een mooie prijs; dikwijls blijven er duizenden onverkocht.

Boonen (pap. Boontsji)komen op de eilanden in talrijke soorten voor; vooral op Aruba teelt men ze veel. De meeste soorten zijn rankende boonen; ze worden samen met de maïs uitgezaaid en klimmen later tegen de maisstengels op. In betaalden arbeid loont zich de boonenteelt niet. Afzonderlijke boonenveldjes ziet men slechts bij uitzondering, het zijn dan lage stamboonen uit buitenlandsch zaad. De rijpe boonen worden op het veld dagelijks ingezameld en thuis in zakken uitgedorscht. De meest bekende soorten zijn: Jamanica, wowopretoe, boontsji corrá, b. mantéca, wandoe, b. di Corsouw.

Buitenlandsche boonen worden wel als snijboonen geteeld, zijn dan van zeer goede kwaliteit, doch niet geregeld verkrijgbaar.

Wandoe of pigeon-pea is van bijzonder belang omdat de heester op niet te ongunstige plaatsen jaren lang blijft leven en dragen. Inheemsche boonen behooren tot de voornaamste voedingsmiddelen der bevolking.

Op de Bovenw. Eilanden worden verschillende groenten, ook Europeesche, gekweekt, veelal tusschen andere cultures in.

Grondbezit.

Zie GRONDPOLITIEK.

Grondjes,

sur. Zie GRONDPOLITIEK en LANDBOUW.

Grondpolitiek.aant.

De Westindische Compagnie verkreeg bij haar octrooi in 1621 niet alleen de vrije vaart naar, en de uitoefening van het bestuur over de haar toegestane gewesten, maar zij zag zich daarvan ook den eigendom toegewezen. Voor de gewesten waarin zij zich bleef bepalen tot het onderhouden van grootere of kleinere factorijen, zooals op de westkust van Afrika, kon zij dien eigendom, voor zich behouden. In de landen echter, waar zij volkplantingen deed ontstaan, kon zij niet ontkomen aan de noodzakelijkheid om aan haar kolonisten eenig recht te verleenen op den grond, maar van den eigendom wilde zij geen afstand doen. Zij vond de oplossing in het zoogenaamde leenrecht, daarbij het voorbeeld volgende van andere koloniseerende mogendheden, in het bijzonder Engeland, en van de O.I.C.

Uit den aard der zaak kwam het feodaal karakter van het grondrecht het sterkst uit in de gevallen dat de uitgifte van den grond geschiedde onder de verplichting om voor het bestuur er van zorg te dragen. Zulke uitgiften hadden, zooals voor de hand ligt, geen betrekking op bepaalde perceelen, maar betroffen grootere landstreken.

Met de stichters van kolonien, ‘patroons’ geheeten, werden oorspronkelijk overeenkomsten gesloten, die slechts voor één bepaald geval golden en Contracten van conditien en articulen werden genoemd. Reeds spoedig echter kwam daarvoor een algemeen reglement van ‘vrijheden en exemptiën’ in de plaats voor het vestigen van volkplantingen aan de wilde kust van Amerika en de eilanden daar gelegen (1627). Noch in de oorspronkelijke contracten, noch in deze vrijheden en exemptiën trad het leenrecht sterk op den voorgrond, maar daarin zou weldra verandering komen.

De Raad van XIX, die langzamerhand tot het inzicht was gekomen dat de ontwikkeling van de nederzettingen in Noord-Amerika niet geheel om den pelshandel mocht worden tegengehouden, maar die daarvoor toch geen geld over had, besloot in zijn vergadering van 10 Maart 1628 (Brodhead I. 84) tot het maken van een algemeene regeling voor de kolonisatie van dat gebied, volgens welke de noodzakelijke uitgaven niet door haar behoefden te worden bestreden. Als uitvloeisel daarvan werd den 7den Juni 1629 een reglement van vrijheden en exemptiën vastgesteld (Br. I. 84) voor de stichters van koloniën in Nieuw-Nederland, met uitzondering van het eiland Manhattan, dat de Compagnie voor zich behield. Dat reglement, hetwelk eerst in 1630 bekend gemaakt schijnt te zijn (Br. II. 551), erkende als patroon ieder aandeelhouder van de Compagnie, die een kolonie van tenminste 50 man oprichtte. De patroons moesten dus de onkosten van de kolonisatie dragen. Daartegenover kregen zij echter uitgebreide bevoegdheden. Vele bepalingen betreffende hun rechtsverhouding tot de Compagnie herinneren aan de zoo juist genoemde regeling van 1627 voor West-Indië. Maar het feodale karakter van hun recht kwam nu duidelijk uit. Wel zouden zij, krachtens art. IV, boven anderen de voorkeur hebben op den vollen eigendom van de door hen uitgekozen landstreken, maar desondanks werd bij art. VI uitdrukkelijk bepaald dat zij hun land van de Compagnie zouden houden als een onsterfelijk erfleen, te verheergewaden, zoo menigmaal het op een ander overging, met ƒ20 per kolonie, te betalen binnen één jaar en zes weken, hetzij aan de Kamer ter plaatse van waar de stichter was vertrokken, hetzij aan den Commandeur in Nieuw-Nederland. Wanneer zij het verlangden zou hun verlof verleend worden om bij uitersten wil over hun goed te beschikken. Hun recht bracht mede het recht op de delfstoffen en andere voordeelen van het land. Zij kregen jacht-, visch-, en maalrecht, met uitsluiting van ieder ander. Behalve het bestuur van hun gebied kregen zij daarover lage jurisdictie. Vonnissen, door hun gerechten geveld, waren echter aan hooger beroep op Commandeur en Raden van Nieuw-Nederland onderworpen, indien het bedrag der zaak ƒ50.- te boven ging. Voor het geval dat in hun leen steden ontstonden kregen zij aldaar de magistraatsbestelling. Van de leenen, die op deze wijze ontstonden, zijn de meest bekende Swaanendael, Pavonia en Rensselaerswijck.

Het doel dat de Compagnie zich met de invoering van het leenstelsel had voorgesteld werd niet bereikt. Van de kolonisatie kwam niet veel terecht en de uitgebreide rechten van de patroons, die tot veel moeilijkheden aanleiding gaven, waren langen tijd een beletsel voor het wagen van een nieuwe proefneming. Deze moeilijkheden hebben dan ook hun stempel gedrukt op het nieuwe reglement van vrijheden en exemptiën, dat in 1640 werd afgekondigd (Br. I. 119). Bij dit reglement, waarvan de bepalingen uiteraard in hoofdzaak aan het vorige waren ontleend, behield de Compagnie zich uitdrukkelijk een menigte rechten voor en werd de bevoegdheid van haar organen nauwkeurig geregeld.

Hoewel de Compagnie tegenover de nieuwe patroons dus veel sterker stond dan tegenover de oude,

[p. 334]

had zij zich, onder den aandrang van de Staten-Generaal, toch ook een belangrijke vermindering van rechten moeten laten welgevallen. Deze vermindering van rechten bestond o.a. hierin, dat aan de patroons de volle, allodiale eigendom van den grond werd toegezegd. De feodaliteit werd alleen voor de jurisdictie gehandhaafd.

Het reglement van 1640 werd in 1650 (Br. I. 401 vlg.) door een nieuw vervangen. Daarbij geraakten de patronaten een weinig op den achtergrond en werd aan de gewone kolonisten, wier ondergeschikt belang uit de vorige reglementen duidelijk was gebleken, de eerste plaats ingeruimd. Om de kolonisatie, die na den oorlog met de Indianen (1641-43) nagenoeg geheel was te niet gegaan, weder aan te moedigen werden de rechten der patroons, die bij het reglement van 1640 waren ingekort, op enkele punten weder uitgebreid tot hetgeen bij het reglement van 1629 was toegezegd geweest. Hun recht op den grond bleef allodiaal, hetgeen vooral merkwaardig is omdat het nieuwe reglement voor de gewone kolonisten juist uitdrukkelijk den eigendom van den grond uitsloot en slechts uitgifte in erfpacht of in leen erkende.

Inmiddels was men ook in Zuid-Amerika en West-Indië met het vestigen van patronaten voortgegaan.

Het oudste en belangrijkste van die patronaten is Berbice geweest. Deze kolonie was de eerste, die krachtens het algemeen reglement van 1627, werd uitgegeven. Het accoord met den patroon, Abraham van Pere, werd later verschillende malen gewijzigd. Na het einde van de eerste Compagnie in 1674 ontstonden er moeilijkheden. De tweede Compagnie beweerde in de leenheerlijke rechten van haar voorgangster te zijn opgevolgd, hetgeen door de patroons werd betwist. Dit geschil werd echter betrekkelijk spoedig bijgelegd. In 1678 aanvaardde de familie Van Pere de kolonie op nieuw in leen, thans van de tweede W.I.C.(Hartsinck 295). Het leen ging in 1712 te niet als gevolg van de tijdelijke bezetting van de kolonie door de Franschen. De later ontstane Societeit van Berbice was van de W.I.C. onafhankelijk (H. 304 en Netscher 166).

Na Berbice komt als van zelf St. Eustatius ter sprake. Dit eiland toch heeft eveneens de familie Van Pere tot patroon gehad. In 1635 werd aan Jan Snouck c.s. vergunning verleend plantage te maken op St. Kruis of, indien deze plaats te onvruchtbaar bleek, op een ander eiland. Zij vestigden zich op St. Eustatius, hetgeen in 1636 door de Kamer van Zeeland werd goedgekeurd (Hamelberg-Documenten II 14). Het octrooi voor St. Eustatius, waaronder later ook Saba werd gerekend, werd verschillende malen vernieuwd. In 1681 en 1683 kocht de (tweede) W.I.C. het eiland van de patroons terug (Ham. II. 42).

In 1649 werden de gebroeders Adriaan en Cornelis Lampsins beleend met het eiland St. Martin, dat reeds vele, minder ter zake doende lotgevallen had doorgemaakt en het jaar te voren tusschen ons en de Franschen was verdeeld (Ham. II. 17 en Documenten, 31 en 32). De voor de kolonisatie vastgestelde vrijheden en exemptiën kwamen blijkens Hamelberg (II. Documenten 15) overeen met de latere voor Tabago. Volgens Hamelberg (II. 55) schijnen de gebr. L. zich na 1660 niets meer van het eiland te hebben aangetrokken. Dit staat wellicht in verband met de omstandigheid dat zij inmiddels het grootere en belangrijkere eiland Tabago of Nieuw-Walcheren in leen hadden bekomen. In 1655 werden zij nl. met het eiland beleend, waar de vroegere Zeeuwsche vestigingen reeds lang te niet waren gegaan. Het rustig bezit van Tabago was hun echter ook daarna niet gegund. De kolonie was het tooneel van herhaalden strijd. In 1677 verkochten de patroons het aan de Staten-Generaal (Elias II 979). Bij den vrede van Nijmegen in l678 werd het eiland aan de Franschen afgestaan.

Cayenne werd in de jaren 1656/7, ten derden male door de Nederlanders, onder Gerrit Spranger, bezet. De voorwaarden, waaronder die vestiging tot stand kwam, heeft schr. dezes nergens aangetroffen; zeer bekend daarentegen is de uitgifte van een ander gedeelte van Cayenne aan de Joden onder David Nassy, die korten tijd later plaats had. De nieuwe kolonie toch werd reeds spoedig een toevluchtsoord voor vele Joden uit Brazilië, die het vrijzinnige bestuur der Nederlanders aldaar op prijs hadden leeren stellen en die, na de herovering van dat land door de Portugeezen (1654), vandaar wegtrokken. Den 12den September 1659 werd door den Raad van XIX voor hen een reglement van vrijheden en exemptiën vastgesteld (Hartsink, 940 vlg.). Daarbij werd aan David Nassy en zijn medestanders ‘als Patroon ofte Patroonen’ vergund een kolonie op te richten op het ‘Eiland ofte Rivieren van Cajana’, mits blijvende op een zekeren afstand van de andere volkplanting aldaar. Hun werd bij art. III toegestaan ‘de Vrije en alodiaale eigendom ten eeuwige dagen van de voorsz. Colonie met de appendentien en de dependentien van dien’, voor zoover zij die in vier jaren tijds zouden hebben ‘bevolkt, bearbeid, beheerd, aangewezen en gecultiveerd’. Dientengevolge zouden zij daarover mogen ‘disponeeren voor altoos bij Testament, Contract, verbintenis ofte anderszins, so men hier van zijne vrije eigen Goederen vermag te doen, zonder dat nogthans zodaanig Testament of Contract plaats’ zou ‘hebben indien de Colonie daar door van deezen Staat en Compagnie zouden worden afgesneeden en aan andere Landen gebragt’. De kolonie, waaraan bij art. IV hooge, middelbare en lage jurisdictie werd toegestaan, zou krachtens art. V door ‘David Nassy en zijn medestanders bezeeten worden bij form van leen, stellende ten dien einde sufficantelijk een Persoon ofte meer Persoonen daar op het leen geconfereerd’ zou worden ‘met betaaling van zekere Heergewaaden, ter waarde van zestig Guldens’; blijvende, volgens art. VI, ‘niettemin de Souverainiteit en de hooge Overigheid met al hetgeene daaraan dependeerd aan hun Hoog Mogende en de Compagnie, voor zoo verre dezelve bij het Octroy daar toe gerechtigd’ was.

Een lange duur was aan deze kolonie niet beschoren. In 1664 werden de Joden met de Nederlanders door de Franschen uit Cayenne verdreven. Zij vestigden zich daarop in de destijds Engelsche kolonie Suriname, waar de Nederlanders hen drie jaren later zouden terugvinden. Hoewel Suriname eigenlijk nimmer rechtstreeks van de Compagnie afhankelijk is geweest, is het octrooi van 1659 er steeds als de grondslag van de rechten der Joden beschouwd. Wellicht heeft daartoe de omstandigheid medegewerkt, dat het, blijkens den aanhef, niet bij uitsluiting een vestiging in Cayenne had bedoeld, maar de mogelijkheid had geopend om zich desgewenscht op ‘andere plaatsen aan de Wilde Kust van Westindien’ neder te zetten.

Een nog grooter vrijheid ten aanzien van de plaats der voorgenomen volkplanting treffen wij aan in de uitgifte van een landstreek ‘op de Wilde Kust van America’ aan Frederik Casimir graaf tot Hanau, die een Hoogduitsche kolonie wenschte op te richten

[p. 335]

en daarvoor den 18den Juli 1669 een overeenkomst met de Compagnie trof (Hartsinck 216 vlg.) Deze uitgifte was de meest feodaal gekleurde van alle beleeningen. Zij kwam nimmer tot uitvoering.

Nog twee andere beleeningen zijn bekend, t.w. die van Amsterdam met de kolonie Nieuwer-Amstel aan de Zuidrivier of Delawarebaai in Noord-Amerika (1655) en die van de drie Walchersche steden met Essequebo. (1657). Beide leenen hadden slechts een kortstondig bestaan.

Het beginsel, dat de eigendom van den grond haar bleef toebehooren en de kolonisten daarop slechts een afgeleid recht konden hebben, werd door de Westindische Compagnie niet alleen toegepast bij de vestiging van patronaten, maar beheerschte ook den toestand van het grondbezit in de rechtstreeks door haar bestuurde gewesten.

Bij de verovering van Brazilië werd een reeds gezeten plantersbevolking aangetroffen. Tot haar geruststelling werden zoogenaamde Capitulatiën afgekondigd (Luzac I 323), waarbij aan de inwoners o.m. het vrij bezit van hun goederen (sub 4o) werd toegezegd. Van eigendom werd niet gesproken. Hunnerzijds moesten zij de tienden van tien ten honderd van hun voortbrengsels afstaan (sub 3o). Ook de toegezegde bescherming (sub 2o) en vrijdom van gedwongen krijgsdienst (sub 8o), alsmede de eed, waarvan sub 7o beperking tot getrouwheid en verzekering werd toegelaten, wijzen op het feodale karakter van de verhouding.

Ten aanzien van Essequebo, dat, afgezien van het kortstondige tusschenbestuur door de drie Walchersche steden, steeds tot het rechtstreeksch gebied van de Compagnie heeft behoord, kon schr. dezes tot nog toe geen gegevens vinden. Alleen vermeldt Hartsinck (268) de voorwaarden, waarop in 1745 door de Kamer Zeeland vestiging werd toegelaten aan de toen nog onbewoonde Demeraryrivier. De desbetreffende resolutie van 18 October sprak van vergunning tot het aanleggen van plantages en van het verleenen van gronden; van den eigendom werd met geen enkel woord gerept.

Voor den rechtstoestand van het grondbezit in Nieuw-Nederland zijn de drie reglementen van Vrijheden en Exemptiën, die aldaar achtereen volgens gegolden hebben, de belangrijkste kenbronnen. Die van 1629 en 1640 hadden voornamelijk de vestiging van patroonschappen ten doel. Daar deze patroonschappen de kolonisatie niet blijvend konden bevorderen en bovendien aan de Compagnie steeds groote moeilijkheden berokkenden, geraakten zij bij het reglement van 1650 een weinig op den achtergrond. Hoofddoel van de nieuwe regeling (Brodhead I. 401) was de vestiging van zelfstandige kolonisten. Desniettegenstaande werd hun eigendomsrecht op den grond uitgesloten. Zij zouden zooveel land kunnen bekomen als zij in staat zouden zijn te bebouwen, maar hun recht werd uitdrukkelijk omschreven als erfpacht of leen. Hadden zij behoefte aan weiland, dan zou hun dat worden aangewezen voorzoover de omstandigheden dat zouden veroorloven. Van eenig recht op dien weidegrond werd dus niet gewaagd.

De reglementen van Nieuw-Nederland hebben wellicht invloed gehad op de ontwikkeling van het grondbezit op Curaçao. De beide koloniën toch waren van 1646-1664 onder het bestuur van den directeur-generaal Stuyvesant vereenigd en de oorsprong van de kolonisatie op Curaçao dagteekent juist uit dien tijd. Merkwaardig in ieder geval is het dat een weiderecht, zooals op Curaçao bestaat, in het Noord-Amerikaansche reglement van 1650 wordt aangetroffen.

Daar het weiderecht op Curaçao tot op het huidige oogenblik een brandend vraagstuk oplevert, is het noodig daarbij iets langer stil te staan. Tot dusver werd de oorsprong van dat recht nimmer verklaard als boven plaats had. De ambtelijke opvatting is anders. Die opvatting is belichaamd in het rapport van de door den gouverneur De Jong van Beek en Donk benoemde Koloniale Commissie tot onderzoek van de toestanden in het groote landbouwbedrijf op Curaçao, d.d. 9 Juni 1910, hetwelk als bijlage D werd toegevoegd aan het Koloniaal Verslag van 1910. ‘Het blijkt uit een in 1850 naar de koopbrieven der plantages opgemaakten legger van verleende privilegiën tot het weiden van vee op de publieke gronden’ - zoo zegt de Commissie op blz. 4 van haar verslag - ‘dat tot 1680 aan geen enkele plantage het weiderecht was toegekend.... De verkrijging van het recht, waarop de planters zich thans beroepen, is dan ook van lateren oorsprong’. Was deze bewering juist, dan zou het weiderecht ongeveer 20 jaren - het eerste bekende privilegie werd in 1684 aan de plantage Puerto Marie verleend - na het verlies van Nieuw-Nederland zijn ontstaan. Een verband met een reglement dat 34 jaren te voren was ingevoerd en reeds 20 jaren buiten werking was zou dan zeker niet zeer waarschijnlijk zijn. Maar de opvatting van de commissie kan den toets der kritiek niet doorstaan. De door den gouverneur Jhr. I.J. Rammelman Elsevier Jr. den 4den Juni 1850 onder no. 223 genomen beschikking, krachtens welke de bovenbedoelde legger werd opgemaakt, overweegt uitdrukkelijk ‘dat de bewijzen daarvan (d.w.z. van die privilegiën) slechts kunnen geput worden uit de koopbrieven der plantagiën, vermits een boek van privilegiën, hetwelk aanvankelijk heeft bestaan, uitwijzens de uit hetzelfde gemaakte extracten, welke aan sommige koopbrieven zijn geannexeerd, niet in het archief der Kolonie aanwezig is.’ Het feit dat men geen oudere privilegiën heeft kunnen vinden dan van 1684 bewijst dus niet heel veel. Bovendien is de plaats uit Hamelberg (I, 86, vlg.), waarop de Commissie blijkbaar haar meening grondt en die onmiddellijk te voren woordelijk door haar wordt aangehaald, juist een bewijs tegen haar stelling. Want daaruit blijkt dat reeds in 1680 aan den directeur Van Liebergen de opdracht werd verstrekt het van het weiderecht gemaakte misbruik te niet te doen, zoodat er ook vóór dien tijd weiderechten bestaan moeten hebben.

Het weiderecht is nog tegenwoordig de oorzaak van groote moeilijkheden. De planters beschouwen het als een hun toekomend recht, waarop het Gouvernement geen inbreuk mag maken. Het Koloniaal Bestuur daarentegen ziet in het weiderecht slechts een vergunning, die het te allen tijde kan intrekken. In verband daarmede worden steeds meer domeingronden voor uitgifte aan den zoogenaamden kleinen landbouw uitgegeven. Van planterszijde wordt beweerd dat de op deze wijze ontstane grondjes aan de kleine landbouwers geen voldoend middel van bestaan kunnen opleveren, en dat de strooperijen op de plantages door de uitgifte worden bevorderd.

Maar het wordt tijd om van het bijkomstig weiderecht naar de hoofdzaak terug te keeren. Ten aanzien van den grond handhaafde de W.I.C. ook op Curaçao haar uitsluitend eigendomsrecht. Evenals in Nieuw-Nederland werden er aanvankelijk gronden in pacht gegeven, maar deze wijze van uitgifte schijnt reeds vrij spoedig door een andere vervangen te zijn. Voor de verpachting kwam een ‘concessie’

[p. 336]

in de plaats. Waarschijnlijk zal men die concessies wel in oorkonden hebben belichaamd, maar een voorbeeld van zulk een stuk is door schr. nergens aangetroffen. De omvang van het uit de concessie geboren recht moet uiteengeloopen hebben. Blijkens Hamelberg (I. 87 noot 4) werd in 1696 aan den commissaris Gerard Luls een stukje grond afgestaan, hetwelk bij zijn dood of zijn vertrek weder aan de Compagnie zou vervallen. Als regel echter zal men duurzamer rechten hebben toegekend, anders hadden zij niet zoo spoedig met eigendom verward kunnen zijn. Blijkens Hamelberg (I. 86 vlg.) matigden de kolonisten zich vóór 1680 reeds eigendomsrechten op de Compagniesgronden aan, terwijl de bovenbesproken legger van privilegiën melding maakt van koopbrieven uit het jaar 1693 reeds. Het verzet van de Compagnie daartegen gaf niet veel. Van Liebergen bracht van de reeds genoemde opdracht weinig terecht (Ham. I. 89). Zijn opvolgers deden in het geheel niets. Eerder nog werkten zij de bevelen van de bewindhebbers tegen door, in strijd met hun uitdrukkelijke instructie, Compagniesgronden te verkoopen. In 1702 herhaalden de Bewindhebbers hun bevel (Ham. I. 90), eveneens zonder gevolg. De verwarring was evenwel zoo groot dat de Compagnie, op advies van Gouverneur en Raden, ten slotte genoodzaakt was zich bij den toestand neder te leggen. Zij stelde zich toen zooveel mogelijk schadeloos door het heffen van een belasting op de geusurpeerde gronden, die in 1715 werd ingevoerd.

Feitelijk was daardoor het eigendomsrecht van de planters door de Compagnie erkend. Maar dat de in het stelsel der Compagnie geslagen wonde bleef schrijnen blijkt wel uit het feit dat nog in 1764 in de instructie van den gouverneur Rodier de la Brugère (Ham. I, D. 102) over de usurpatiën werd geklaagd. Uit art. XX van die instructie blijkt dat de Compagnie - afgezien van het niet nader bepaalde recht dat zij voor perceelen bouwgrond in uitzicht stelde - de uitgifte alleen toeliet in den vorm van een pachtovereenkomst en dat nog alleen na de bijzondere goedkeuring van de bewindhebbers. Naar aanleiding van deze regeling doen zich verschillende vragen voor. Was zij in het jaar 1764 nieuw of had zij ook reeds vóór de instructie van den directeur Rodier gegolden? Is zij tot den ondergang van de W.I.C. blijven gelden of werd zij reeds eerder door een andere vervangen? Is zij tijdens haar duur steeds nageleefd of is men er dikwijls van afgeweken, evenals men vóór 1715 de geboden der Compagnie op dit stuk zoo vaak overtreden had? Een afdoende oplossing van al deze vragen zal zonder een nader bronnenonderzoek waarschijnlijk niet te geven zijn; want met de gegevens, die in het reeds genoemde rapport nopens de toestanden in het groote landbouwbedrijf voorkomen, moet men uiterst voorzichtig zijn. In dat verslag komt op blz. 8 een staat voor ‘aantoonende den tijd van verkoop der plantages op Curaçao door het plaatselijk bestuur en de wijze harer verkrijging van het weiderecht naar tijdorde opgemaakt volgens den legger van verleende privilegiën tot het houden van vee op publieke gronden op Curaçao (Gouvernementsbeschikking 4 Juni 1850, No 223)’ Blijkens dezen staat zouden van 1693 af bijna voortdurend plantages door het plaatselijk bestuur zijn verkocht. Waarschijnlijk echter heeft de Commissie ten onrechte den eersten koopbrief van een plantage met de uitgifte er van vereenzelvigd. Geeft de legger ons dus geen uitsluitsel op de vraag of de Compagnie na 1715 nog gronden in eigendom uitgaf, wel blijkt er uit dat in 1796 dergelijke uitgiften hebben plaats gehad (Oostpunt en de Duivelsklip). Maar toen was de W.I.C. reeds eenige jaren ter ziele en met haar de feodale opvattingen van het grondrecht, die, voorzoover Curaçao betrof, reeds lang niet meer met den werkelijken toestand overeenkwamen.

De voorschriften, die in de eerste helft van de 19de eeuw de uitgifte van den grond hebben beheerscht, hebben weinig verandering in den toestand te weeg gebracht en zijn thans niet meer van belang. Eerst de afschaffing van de slavernij in 1863 deed nieuwe behoeften ontstaan. Hoewel vele slaven van de plantages wegliepen, bleef een gedeelte hunner toch als opgezetenen op de plantages gevestigd. Daaruit is een zeer eigenaardige toestand ontstaan. Deze opgezetenen hebben het recht op de plantage een hut te bouwen en er een zeker aantal ezels, geiten en varkens te houden. Zij hebben de bevoegdheid brandhout en water te halen en mogen ieder seizoen zooveel land bebouwen als zij verkiezen. Zij moeten echter de stengels, zgn. ‘stokken’, van de maïs aan den landheer afstaan, die ze als veevoeder gebruikt, en bovendien 12 dagen in het jaar, de zgn. plichtdagen, voor hem werken tegen een loon van één kan maïs of meel per dag. Heeft de landheer op andere dagen hun hulp noodig dan moet hij hun bovendien 20 tot 40 cent in geld betalen. De opgezetenen mogen hun maïs niet oogsten voordat die van den landheer binnengehaald is.

Het Bestuur heeft voor de bevolking de mogelijkheid geopend om zich als kleine landbouwer te vestigen. De uitgifte wordt beheerscht door de verordening van 8/9 Mei 1867, P.B. no. 4, op de uitgifte in eigendom of pacht van publieke gronden. Eerst in de latere jaren heeft men van die uitgifte een systeem gemaakt. Tegenwoordig wordt het onuitgegeven domein daarvoor bestemd, terwijl ook plantages daarvoor worden aangekocht. De uitgifte geschiedt in huur: de prijs is ƒ3.- per H.A. Voor iedere put, die gegraven wordt, wordt vrijstelling verleend van 1 jaar huur over 1 H.A.; voor elke 25 vruchtboomen, die geplant worden, geldt hetzelfde. Verhuur van grond aan kleine landbouwers geschiedt ook wel door particulieren. Voor groententeelt wordt gewoonlijk een put verhuurd met een willekeurig stukland er om henen tegen den prijs van ƒ1.50 per maand. Voor bouwland wordt reeds gebruikt en omheind land verhuurd tegen ƒ1.50 en de maïsstokken, ongeacht de grootte. Deze huur geschiedt gewoonlijk voor 1 seizoen. Is het land niet omheind en in het wild dan geschiedt de huur voor 2 seizoenen en bestaat de huurprijs alleen in de maïsstokken.

Op de onderhoorige eilanden Aruba en Bonaire hield het leenrecht na den ondergang der W.I.C., ja zelfs tot ver in de 19de eeuw stand. De Compagnie was daar gelukkiger geweest in het handhaven van haar eigendomsrechts op den grond. Langen tijd had zij de kolonisatie aldaar geheel kunnen beletten en de vergunningen tot vestiging, die later door haar waren verleend, waren niet talrijk genoeg geweest om den toestand tegen haar zin te kunnen doen veranderen. Tot aan het eind van haar bestaan in 1791 bleef zij in staat het door haar toegekende leenrecht in zijn zuiveren vorm te handhaven en de Staat die haar toen in den eigendom van den grond opvolgde, bracht voorloopig geen verandering in hetgeen hij aantrof. Art. 2 van de verordening van 31 Dec. l823 (herdr. bund. No. 66) kon dan ook nog bepalen dat het geheele eiland Bonaire als een Gouvernements-plantage werd beschouwd. En, hoewel Aruba niet als zoodanig gold, behoorde ook alle grond op dat eiland destijds nog tot het domein.

[p. 337]

Hamelberg geeft in D. II No. 81 den tekst van een eed, die in 1754 door een zekeren M. van S. Levy Maduro moest worden afgelegd ter verkrijging van grond op Aruba. Reeds het feit dat een eed gevorderd werd is kenmerkend voor het leenrecht; want de manschap of hulde, die de leenman verschuldigd was, bestond in een eed, waardoor hij zich verbond den heer getrouw te zijn, deszelfs voordeel te zoeken, hem ten beste te raden, te helpen en bij te staan, zijn achterdeel - d.i. nadeel - te weren en te ontdekken 't geen strekken zoude mogen tot zijn schade (De Groot Inl. II, 41, 40). Al deze verplichtingen vindt men terug in de bepalingen van den eed van Maduro. Wijders bevatte het eedsformulier de uitdrukkelijke erkenning van het recht der Compagnie, die den grond slechts precario had vergund; voorts een, blijkbaar ingelascht, verbod om ongeoorloofde veekoralen te houden, en ten slotte de regeling van het tenietgaan van Maduro's recht, waarin geheel overeenkomstig de regelen van het leenrecht was voorzien.

Zooals reeds werd medegedeeld heeft het feodaal karakter van het grondrecht op Bonaire en Aruba tot in de 19e eeuw stand gehouden. De rechthebbende op den grond werd ‘concessionaris’ of ook wel ‘leenhouder’ genoemd, In 1823 werd bij de reglementen van administratie en bestuur op die eilanden (Herdr. bund. Nos. 66 en 67) bepaald dat de gronden, door de ingezetenen bij vergunning bezeten, aan hen in eigendom konden worden overgedragen tegen betaling van het gewone recht op den verkoop van vast goed. De uitgifte in concessie werd nader geregeld in 1829. Toen werd o.a. bepaald dat de concessionarissen het op hun grond gevonden goud aan het Gouvernement moesten afstaan, dat hun van ⅔ de waarde zou uitkeeren, en dat het concessierecht niet hooger zou gesteld worden dan noodig was om de kosten van het toezicht te bestrijden. Bij K.B. van 16 Sept. 1841, No. 71, werden de laatste sporen van het leenrecht uitgewischt en, ook voor de toekomst, door eigendom vervangen. Het recht op de mijnen werd echter uitdrukkelijk door de Overheid aan zich voorbehouden (zie ook publ. van 1 Juni 1842, herdr. bund. No. 244)0, terwijl het recht op het van ouds aan het Gouvernement toekomende verfhout reeds te voren (Publ. 30/31 Aug. 1839, herdr. bund. No. 227) voorbehouden was.

De genoemde regelingen hadden alleen betrekking op Aruba. Op Bonaire was van de door het reglement van 1823 mogelijk gemaakte overdracht van grond weinig terecht gekomen. Het optreden van den baron Van Raders als gezaghebber (1836), die gouvernementscultures in de kolonie invoerde en voornamelijk Bonaire tot het terrein van zijn proefnemingen uitkoos, had daarop grooten invloed gehad. Het eiland was een gouvernementsplantage gebleven. Eerst na de opheffing van de gouvernementscultures kwam aan dien toestand een einde. In 1867 werd het eiland in groote kavelingen verkocht en in 1870 volgde de verkoop van de gouvernements-zoutpannen. Dientengevolge bestaat de grondeigendom op Bonaire nog steeds uit weinige, zeer uitgestrekte perceelen.

Ook op Bonaire en Aruba wordt door het Bestuur grond verhuurd aan kleine landbouwers. De huurprijs bedraagt ƒ2.50 de H.A. Tot voor korten tijd was het bedrag er van ƒ1.25.

Over de geschiedenis van het grondbezit op de bovenwindsche eilanden St. Eustatius, Saba en St. Martin zijn niet veel bijzonderheden bekend. Zooals werd medegedeeld stonden deze eilanden aanvankelijk onder het patronaat van de families Van Pere, Van Rhee en Lampsins. Destijds moet het gansche grondstelsel dus een feodaal karakter gehad hebben. Later kwamen deze eilanden onder het rechtstreeksch bestuur der Compagnie, die haar uitsluitend recht op den grond ook daar wel zal hebben staande gehouden. Waarschijnlijk hebben de toestanden zich er toen ontwikkeld als op Curaçao. In 1737 toch klaagde de commandeur van de kolonie St. Eustatius, waartoe de drie eilanden behoorden, dat alle ingezetenen maar hadden getracht Compagniesgrond aan zich te trekken voor zich zelf en hun vrienden, waardoor de Compagnie haar land was kwijt geraakt. Land om te vergeven was er toen al niet meer. Op Saba en St. Martin is de toestand zoo gebleven. Het gouvernement heeft er eigenlijk geen beschikbaren grond. Op St. Eustatius echter heeft het Bestuur weder oude plantages opgekocht en die voor den kleinen landbouw bestemd. De grondjes worden als regel verhuurd tegen ƒ10 per H.A. De huurcontracten bevatten veel gevallen van vrijstelling. De bepalingen er van zijn overigens zeer ingewikkeld.

De omstandigheid dat Suriname nimmer tot het gebied van de W.I.C. heeft behoord heeft op de ontwikkeling van het grondbezit aldaar haar stempel gedrukt. De uit het octrooi der W.I.C. afgeleide leerstellingen behoefden er niet in toepassing gebracht te worden. Men schijnt dan ook nimmer eenig bezwaar gezien te hebben in het verleenen van allodialen eigendom. Wellicht heeft men om die tegenstelling beter te doen uitkomen, op de allodialiteit van de toegekende rechten zelfs eenigen nadruk gelegd.

Reeds in 1669 (22 Mei) en 1686 (7 November) werd vergund en gepermitteerd om gronden op te nemen en in volkomen of vrijen eigendom te bezitten. De oudste bekende grondbrief is die van 100 akkers land, op 12 September 1691 door den gouverneur Van Scharphuisen verleend aan de Joodsche natie, luidende:

‘Jan van Scharphuisen, Gouverr.-Generaal van Suriname, rivieren en districten van dien,

‘Permitteeren en vergunnen mits deesen in allodialen eigendom en erfelijke bezittinge aan de Joodsche natie tot gebruik van hare sinagogue, begraafplaats haarer doode, etc., een stuk lands, groot Een hondert ackers, gelegen aan de Oostseide van de riviere Zuriname, ter plaatse daar alsnu haare sinagogue staat, naementlijk twintig kettingen op de face van de riviere soodat tien kettingen sich na beneden en tien na boven strecken, gaande voorts de rest landwaarts in, op welke plaats (alsoo deselve voor een gemeen lant werd gehouden en gerekent) een ieder sijne huisinge en erven sal vermogen te setten en hebben, en ook geene die aldaars bereeds haare huisingen en erven hebben sullen deselve aldaar moogen behouden en onbekommert genieten en behooren. Actum enz.’

Deze grondbrief zal waarschijnlijk van vroegere zijn afgeschreven, zoodat wij hem gerust als het oorspronkelijk model mogen beschouwen.

Zoo eenvoudig zouden de grondbrieven echter op den duur niet blijven. Allengs werden er meer bepalingen in opgenomen. Vele daarvan hadden de strekking om de rechten van de Societeit tegenover de grondeigenaren te versterken. Zoo kon het niet anders of men ging later toch bij de W.I.C. in de leer, die om gelijke redenen haar feodale stelsel had ingevoerd en handhaafde. Daardoor kwamen er in de grondbrieven allerlei voorschriften, die een onmiskenbaar feodaal karakter hadden. Van dien aard waren de verplichtingen van den eigenaar tot het aanleggen en onderhouden van wegen, tot het schoonhouden van kreken, tot verdediging van de

[p. 338]

kolonie tegen buitenlandsche vijanden en binnenlandsche onlusten en tot gehoorzaamheid aan de gegeven bevelen, alsmede zijn gehoudenheid om een zekere recognitie te betalen; voorts de bevoegdheid van den landheer om den uitgegeven grond geheel of ten deele te naderen, als die tot een ander oogmerk van algemeen belang noodig mocht zijn en om hem in geval van verkoop te naasten; eindelijk het verval van het recht bij overtreding van de voorgeschreven bepalingen door den eigenaar. De landheer kon dan den grondbrief intrekken en den grond in den boezem van zijn domein doen terugkeeren.

De oudste grondbrieven, waarvan de tekst in het domeinarchief wordt aangetroffen, dagteekenen volgens de Gegevens (blz. 35) van 1743. (Volgens het Rapport der Surinamecommissie, blz. 114, dagteekent de oudste grondbrief van het domeinarchief uit 1699.) Het recht van naasting bij verkoop kwam daarin reeds voor. De verplichting tot het betalen van een recognitie werd volgens Van Wieringen (bl. 196) sedert 1749 opgenomen in de uitgifte van de zoogenaamde ‘achterlanden’ der plantages. Algemeen werd die verplichting krachtens de resolutie van 5 Maart 1755, welke de betaling voorschreef van 2 stuivers Hollandsch per akker. Op grond daarvan wordt ook thans nog van de na 1755 uitgegeven gronden akkergeld geheven. De oudere plantages zijn daarvan vrij.

De uitgifte van land in Suriname is nooit grondig gewijzigd. Eigenlijk geschiedt zij thans nog op dezelfde wijze als onder de Societeit van Suriname. Het K.B. van 20 Dec. 1820, No 46 (G.B. 1821 No 7) stelde aan de hand van de destijds gebruikelijke bepalingen een model-grondbrief vast en dat model is, behoudens enkele wijzigingen van ondergeschikt belang, nog steeds van kracht. Het recht dat uit dergelijke grondbrieven voortspruit heet zooals voorheen: ‘allodiale eigendom en erfelijk bezit’, maar ondanks de vooropstelling van de allodialiteit is het sterk feodaal gekleurd. Deze tegenstelling wordt echter niet meer gevoeld.

Omtrent de verdere geschiedenis van de gronduitgifte kan het volgende worden medegedeeld. Het genoemde K.B. van 1820 eischte voor de uitgifte van nieuwe gronden een koopsom van ten minste ƒ3000.- Deze koopsom werd afgeschaft bij K.B. van 1 April 1835, No 100 (G.B. No 11). Het K.B. van 13 Dec. 1825 (G.B. No 7) bepaalde dat alle giftbrieven van gronden, vóór 1 Januari 1795 uitgegeven en geheel of gedeeltelijk in cultuur gebracht, als goedgekeurd werden beschouwd. Bij K.B. van 19 Nov. 1831 no 48 (G.B. 1832 no 1) werd bepaald dat de betaling van akkergelden van plantages, met toestemming van het bestuur verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik dat de amotie kon worden beschouwd als volbracht. Terugneming van plantages in den boezem van het domein op daartoe strekkend verzoek werd toegelaten.

Een aanvulling van het K.B. van 20 Dec. 1820 (zie G.B. 1885 no. 20) behoudt de bevoegdheid van het gouvernement voor tot het aanleggen van wegen of kanalen op de uittegeven gronden zonder tot eenige vergoeding voor de daartoe in bezit te nemen gronden gehouden te zijn.

Bij verordening van 17 Dec. 1898 (G.B. no 45) werd het bedrag van het akkergeld - te voren geregeld bij de genoemde K.K.B.B. van 1820 en 1835 en bij de resolutie van 9 Maart 1874, La B, No 22 - gesteld op 23 cent per H.A. of 10 cents per akker per jaar en voor Coronie op 10 cts. per H.A. In Nickerie en Coronie waren n.l. in 1799 en 1801 perceelen uitgegeven op gunstiger voorwaarden dan in de oude kolonie.

Het K.B. van 10 Febr. 1910 no 6 (G.B. no 13) wijzigde het K.B. van 1820 in dien zin, dat naast allodialen eigendom en erfelijk bezit ook het erfpachtsrecht als vorm van uitgifte van nieuwe landen werd opgenomen. De voorwaarden, waaronder deze erfpachten worden uitgegeven, worden in elk bijzonder geval door den Gouverneur, den Raad van Bestuur gehoord, vastgesteld.

Uitgifte van domeingrond aan landverhuizers en aan immigranten door het gouvernement aangevoerd.

De Publ. van 1 Aug. 1863 (G.B. no. 23) opende voor Europeesche landverhuizers de gelegenheid om in Suriname grond in gebruik te krijgen, met vrijstelling van grondlasten en personeele belasting gedurende 6 jaren. Na 2 jaren geregelde bebouwing werden hun gratis titels van eigendom uitgereikt. Met deze landverhuizers zijn gelijk gesteld niet-Europeesche landbouwers, van goede aanbevelingen voorzien, alsmede immigranten, die hun contract getrouw hebben vervuld. Ook voormalige slaven, die van het Staatstoezicht ontheven waren, hadden recht op de toepassing van deze gunstige bepalingen.

Bij de uitgifte van gronden voor den grooten landbouw werd allodiale eigendom alleen dan toegekend, wanneer het gegronde vermoeden bestond, dat voldoende kapitaal of crediet aanwezig was om den grond behoorlijk in cultuur te brengen. Voor den kleinen landbouw werd alleen de eisch gesteld, dat het den landbouwer ernst was om den grond te bebouwen. Aanvankelijk werd voor den kleinen landbouw de oppervlakte niet kleiner genomen dan 10 H.A. Later zijn ook kleinere perceelen in eigendom uitgegeven. De voorschriften voor het uitmeten van den grond, het vervaardigen van kaarten, het aanleggen en onderhouden van een communicatieweg, het betalen van akkergelden zijn dezelfde als bij den grooten landbouw.

Uitgifte van domeingrond in huur en in gebruik.

Onder het bestuur van den gouverneur a.i. De Kanter werd bij Publ. van 24 Juni 1842 (G.B. no. 9) voornamelijk in het stadsdistrict (Paramaribo) bij voortduring voor de ingezetenen de gelegenheid opengesteld tot verkrijging van een tijdelijke concessie of van een zoogenaamd permit (sedert 1844 telkens voor 5 jaar) om kosteloos een stuk land in bewerking te nemen als kost- en kweekgrond. De uitgifte werd bevorderd door premies. De gouverneur Van Raders breidde bij Publ. van 13 Juli 1846 (G.B. no. 8) de regeling uit tot de geheele kolonie, maar de uitgifte had niet meer kosteloos plaats. Voorloopig zou de oppervlakte een bunder Nederl. landmaat zijn, onverminderd het dadelijk toestaan van meerdere aaneengrenzende bunders in de gevallen waarin zulks oirbaar zou worden beschouwd. De huur zou ten minste 3 en ten hoogste 10 jaren loopen, met behoud van het recht voor de erven of rechtverkrijgenden om 3 maanden vóór het verstrijken van den huurtijd, den grond op nieuw te pachten. Verzoeken om uitbreiding werden ingewilligd zoo de reeds verkregen grond bebouwd was. De huurprijs bedroeg ƒ10 per jaar en per bunder, waarvan (Publ. van 19 Dec. 1855 G.B. no. 19) voor één of meer jaren geheele of gedeeltelijke vrijstelling kon worden verleend

In afwachting van een nadere regeling der domaniale aangelegenheden werden bij res. van 27 Dec. 1888, La B. no. 8343, eenige regels vastgesteld voor de uitgifte van landbouwperceelen. Deze zouden niet kleiner zijn dan 2 H.A. Geen perceel zou aan meerdere personen te zamen worden uitgegeven; in

[p. 339]

centrale, door het gouvernement gestichte ‘vestigingsplaatsen’ zou geen land in eigendom kunnen worden verkregen.

Daar men met de regeling van 1863 niet veel had bereikt, omdat de immigranten na afloop van hun contract repatrieerden, werd bij verordening van 19 April 1895 (G.B. no. 24) bepaald dat immigranten na boëindiging van hunne werkovereenkomst ingepolderd land kunnen verkrijgen, zonder daardoor hun recht op vrijen terugvoer te verliezen. Bij afziening van dit recht ontvangen zij een premie van ƒ100. (Zie IMMIGRATIE).

Het bestuur, de verkrijging van domeinland voor den kleinen landbouw wenschende te vergemakkelijken, bepaalde bij res. van 2 Maart 1900 La B. no. 1669, dat de huurder van onbebouwden domeingrond vrijstelling van huur zal genieten gedurende twee jaren, het derde jaar den halven huurprijs zal betalen en daarna de gewone huur van ƒ10 per H.A. Ter gemoetkoming aan den wensch der creolenarbeiders om te deelen in de voorrechten aan landverhuizers en immigranten toegekend werd de res. van 2 Maart 1900 gewijzigd bij die van 3 Febr. 1908 en de volgende nieuwe schaal vastgesteld voorde huren:

op vestigingsplaatsen. buiten vestigingsplaatsen.
1e jaar - -
2e jaar ƒ1 ƒ1
3e jaar ƒ2 ƒ1
4e jaar ƒ4 ƒ2
5e jaar ƒ6 ƒ2
6e jaar ƒ8 ƒ4
7e jaar ƒ10 ƒ6
8e jaar ƒ10 ƒ8
9e jaar enz. ƒ10 ƒ10

Een ontwerpverordening den 15en Jan. 1914 bij de Kol. Staten aanhangig gemaakt bepaalt dat gronden, bestemd voor den landbouw, bij eerste uitgifte in gebruik worden afgestaan, met vrijstelling van grond- of andere lasten aan alle categorieën van ingezetenen gedurende zes jaren.

De Suriname-commissie heeft in haar rapport verschillende gebreken aangewezen zoowel in de regeling van de uitgifte voor den grooten als in die voor den kleinen landbouw, gebreken die, naar de meening der commissie, een behoorlijk landbouw-crediet in den weg staan. Volgens art. 152 van het Reg. Regl. geschieden deze regelingen bij de wet en bij gebreke van deze, bij Koloniale verordening. De commissie acht het oogenblik aangebroken dat de Nederlandsche wetgever deze gewichtige aangelegenheden, waarvan de regeling bezwaarlijk door den kolonialen wetgever naar eisch kan geschieden, ter hand neme. De Minister van Koloniën benoemde bij res. van 19 Maart 1913 afd. B. no. 13 eene commissie, om te dienen van advies omtrent de door de Suriname-Commissie bepleite herziening van de Surinaamsche wetgeving betreffende het beheer der domeinen en de uitgifte van gronden en om c.q. de vereischte voorstellen in verband daarmede in te dienen. In het in December 1914 verschenen rapport, waarvan de inhoud zich niet leent tot een kort overzicht, vereenigt de commissie zich met vele der voorstellen van de Suriname-commissie.

Bij de vorenstaande beschouwingen werd geen rekekening gehouden met enkele bij bijzonderen maatregel gedane uitgiften van land in het groot, ten doel hebbende den algemeenen welstand van de kolonie door aanlokking van het groot-kapitaal te bevorderen. Als zoodanig kunnen worden genoemd de concessies verleend aan de heeren Mr. H. Benjamins en W.L. Loth op grond van de verordening G.B. 1886 no. 19, aan de Maatschappij Suriname (G.B. 1899 no 35. Zie GOUDINDUSTRIE, blz. 314) aan den heer J.Ö. Harken (G.B. 1899 no. 41. Zie TABAK) en aan den heer C.A.J. Struycken de Roysancour bij beschikking van den Gouverneur van 28 Februari 1913 no. 866.

Omtrent de uitgifte van gronden in concessie voor exploitatie van balata, van delfstoffen en voor houtkap zie men de artikelen BALATA, BOSCHBEHEER, GOUD-INDUSTRIE en MIJNWETTEN.

Zie voorts de artikelen ONTEIGENING en WATERSCHAPPEN.

Litt. Mr. J.J. Hartsinck. Beschr. v. Guiana, Amst. 1770. - Elias Luzac, Hollands Rijkdom, Leiden 1780. - J.R. Brodhead. Documents relative to the colonial history of the State of New-York etc. Albany 1853-61. Dl. I-XI. - P.M. Netscher, Les Hollandais au Brésil. La Haye, 1853. - Idem Geschiedenis van de koloniën Essequebo, Demerary en Berbice. 's-Gravenh. 1888. - Verslagen van het Geschied-, taal- land- en volkenk. Genootsch. van Curaçao. Amst. 1897-1903. - J.H.J. Hamelberg, De Nederlanders op de Westindische Eilanden. 1901-1909. - Idem. Documenten. - Joh. E. Elias. De Vroedschap van Amsterdam. Haarlem 1903-1905. - R.H. Rijkens. Curaçao. Tiel 1907. - Gegevens betreffende Suriname, verzameld door de Ned-Comm. voor de Wereldtentoonst. te Brussel in 1910. Amst. 1910. - De economische en financiëele toestand der Kolonie Suriname. Rapport der Commissie benoemd bij besluit van den Min. v. Koloniën De Waal Malefijt van 11 Maart 1911. Afd. B. no. 56. 's-Gravenh. 1911. - Bijlagen 2e Kamer, zitting 1912/13, 294 no 4. - A.G. van Wieringen. Geschiedenis der belastingen in de kolonie Suriname. 's-Gravenh. 1913. - Mr. D. Fock. Over de kolonie Suriname. Baarn 1914. - Mr. G.J. Fabius. Het Leenstelsel der Westindische Compagnie. Bijdr. tot de Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indië, Dl. 70 1915.

 

G.J.F.

Gron-posrin,

n.e. Zie PORTULACA OLERACEA en GROENTEN.

Grons,

pap. Zie HAEMULON SCIURUS.

Groot-chatillon.

Zie LEPRA.

Groote landbouw.

Zie LANDBOUW.

Gros michel.

Zie BACOVEN.

Groupers.

Volksnaam in West-Indië voor visschen uit eenige geslachten der Serranidae.

Grunters

of Knorvisschen. Volksnaam in West-Indië voor visschen uit de familie der Haemulidae.

Gruyter (mr. Willem de),(

Zie GOUVERNEURS.

Guajacum officinale

L. Fam. Zygophyllaceae. Wajakaa, ben. e. Pokhout. Boom met viertallige, veervormig samengestelde bladeren, waarvan de blaadjes leerachtig zijn; de bladsteel is een weinig gevleugeld. Om de mooie blauwe bloemen ook in Suriname als sierplant gekweekt. De vruchten zijn van twee vleugels voorzien. Het kernhout bevat veel hars, die in den handel voorkomt als guajakhars. Het hout is zeer zwaar en hard. Van de Benedenw. Eilanden heeft eenige uitvoer van het hout plaats.

Guajacum sanctum

L. Fam. Zygophyllaceae. Boeloebarie, Wajakaa maatsjoe, Wajaaka sjimarón, ben. e. Beera, bon. Boom met zestallige veervormig

[p. 340]

samengestelde bladeren; verder wijkt deze soort af van G. officinale door de drie of vierdeelige vruchten waarvan elk hokje voorzien is van een zeer smallen vleugel; het uiterlijk van de twee boomen is, ook al door de grootte der blaadjes, zeer verschillend.

Guarea grandiflora

D.C. Fam. Meliaceae. Koejaké-hoedoe, n.e. Een in het lage land voorkomende boom met groote bloemen, veel bezocht door de koejaké (Ramphastos), die op de vruchten aast.

Guarea gomma

Pulle. Fam. Meliaceae. Gomma n.e. Een groote boom met breeden kroon en sterk gespleten schors. Het hout wordt niet gebruikt.

Guave,

sur. Zie PSIDIUM GUAJAVA.

Guaveberry,

bov. e. Zie EUGENIA FLORIBUNDA.

Guavetree,

bov. e. Zie PSIDIUM GUAJAVA.

Guazuma ulmifolia

Lam. Fam. Sterculiaceae. Goeaazoema, ben. e. Hooge boom met zeer scheef gevormde tot 9 cm. lange bladeren waarvan de rand zeer onregelmatig getand is; aan den top van den bladsteel ontspringen 5-9 hoofdnerven; de vruchten ter grootte van een druif zijn bedekt door kegelvormige wratten. Gekweekt.

Guettarda parviflora

Vahl. Fam. Rubiaceae. Wild cherry, bov. e. Heester met tot 2,5 cm. lange glimmende gaafrandige tegenoverstaande bladeren en in dichotoom vertakte bloeiwijzen geplaatste bloemen.

Guettarda scabra

Lam. Fam. Rubiaceae. Candle wood, Wild guave, bov. e. Boom met tegenover staande kortgesteelde bladeren voorzien van steunblaadjes; de eivormige bladeren zijn aan de onderzijde viltig behaard; de takken zijn zeer regelmatig geplaatst, dikwijls in elke oksel van de bladeren één; de bloemen staan in kopjesvormige bloeiwijzen.

Guiana, guyana of guayana.aant.

Omtrent den oorsprong van den naam bestaat onzekerheid. Volgens Colonel George Earl Church - The Encyclopaedia Britannica, eleventh edition, 1910 en Aborigines of South America, London 1912, blz. 61 - zou de naam afkomstig zijn van een Indiaanschen stam, bij de ontdekking van Guiana daar gevonden en door de oude schrijvers Guianà's, Goyaná, Guayana, Goaná, (meervoud Goaynazes, Goayanazes en Guyanazes) genoemd welke naam waarschijnlijk ‘broeders’ of ‘verwanten’ beteekent. De Roucoujennes van Fransch Guiana noemen zich zelf, volgens Church, Ouayana's of Gouayanos. (Zie ook BOVENL. INDIANEN, blz. 171). Volgens anderen - James Rodway b.v. - zou de naam samenhangen met wina of guina = water.

Oude schrijvers en kartographen noemen de landstreek ook Caribania en De Wilde Kust, terwijl in sommige van de alleroudste stukken van de 16de eeuw op het Rijksarchief, die kust ook Peru genoemd wordt; de kaart van Firnao Vaz Dourado (1564), door Church aangehaald, noemt het noorde ijk gedeelte van Zuid-Amerika met inbegrip van het tegenwoordige Britsch Guiana Oost Peru. (Zie over de ontdekking van Guiana het art. HANDEL EN SCHEEPVAART. SURINAME).

Guiana, een gedeelte van het vaste land van Zuid-Amerika, wordt begrensd ten N. door den Atl. Oceaan en de Orinoco, ten O. door den Atl. Oceaan, ten Z. door de Amazone en de Rio Negro en ten W. door de Orinoco en de Cassiquiare. Daar tusschen Rio Negro en Cassiquiare waterverbinding bestaat is dit uitgestrekt gebied als het ware een groot eiland, dat min of meer een ovaal vormt waarvan de groote as - van O.Z.O. naar W.N.W. - bijna 20 graden beslaat, terwijl de gemiddelde breedte van N.N.O. naar Z.Z.W., bijna 10 graden bedraagt. Dit groote gebied is verdeeld in Venezuelaansch (vroeger Spaansch), Britsch, Nederlandsch, Fransch en Braziliaansch (vroeger Portugeesch) Guiana. Naar schatting zijn oppervlakte, bevolking en bevolkingsdichtheid dezer deelen als volgt:

K.M2. Bevolking. Bevolk. dichtheid.
Venez. Guiana 450.000 150.000 0,33
Britsch Guiana 230.000 300.000 1,30
Nederl. Guiana 160.000 98.000 0,51
Fransch Guiana 79.000 50.000 0,63
Braz. Guiana 300.000 50.000 0,17
  __________ __________ __________
  1219.000 648.000 0.53

Britsch. Nederl. en Fransch Guiana vormen de eenige Europeesche koloniën op het vaste land van Zuid-Amerika; in belangrijkheid volgen zij in genoemde orde.

Evenals het Amazone-dal is Guiana een land van bosch en stroom. Het kustland is over het algemeen een alluviale vlakte, grootendeels beneden hoogwaterpeil, langs de zee omzoomd door Avicennia nitida (zie aldaar) en langs de oevers der benedenrivieren door Rhizophora Mangle (zie aldaar en onder PLANTENGROEI, SURINAME). Het laagst is de Orinoco-delta. De kust van Fransch Guiana is hooger en daar vóór liggen rotsachtige eilanden. Door de sterke, langs de kust gaande westelijke zeestroom - die het rivierslib voortschuift, zoodat banken voor de riviermondingen worden gevormd en het mondingsgebied der rivieren, voor zoover ze niet een zeer krachtigen stroom hebben, naar het westen ombuigt - verandert de kustlijn voortdurend van richting en gedaante. In het land wijzen zand- en schelpritsen de vroegere kustlijnen aan. Door indijking en draineering van dit lage en buitengemeen vruchtbare kustland is de aanleg van plantages mogelijk geworden.

Naar het zuiden toe rijst het land langzaam, opeenvolgende terrassen vormende, waaraan de tallooze in bijna al de rivieren voorkomende watervallen hun ontstaan danken.

Door de rivieren wordt Guiana in een reeks berglandschappen verdeeld, waarvan sommige het karakter van gesloten ketenen hebben. De hoogste gebergten vindt men daar waar Britsch Guiana aan Venezuela en Brazilie grenst. De hoogste top (2600 M.) is hier de merkwaardig gevormde steile tafelberg Roraima. Naar het oosten toe wordt het bergland lager en het gebergte dat de waterscheiding vormt tusschen de drie Europ. koloniën en Brazilië is waarschijnlijk nergens hooger dan 400 M. Tusschen dit Zuidelijke grensgebergte en de kust verheffen zich ketenen met veel hooger toppen.

Een groot aantal grootere en kleinere rivieren doorsnijden dit waterrijke land; de grootste zijn de naar het noorden stroomende Caura en Caronie, zijrivieren van de Orinoco, de eveneens naar het noorden gerichte Essequebo, Corantijn, Marowijne en Oyapoc, die in den Atl. Oceaan uitmonden en de naar het zuiden loopende Yari en Paroe, zijrivieren van de Amazone. Wegens de watervallen zijn de meeste dezer rivieren in haar midden- en bovenloop alleen bevaarbaar voor vaartuigen welke over de vallen gesleept kunnen worden. Het noordwesten van Britsch- en het noordelijk gedeelte van Nederl. Guiana zijn doorsneden door tal van kanalen, die natuurlijke waterwegen door de zwampen vormen,

[p. 341]

bevaarbaar voor kleine vaartuigen, waardoor men van de eene rivier in de andere kan komen. De talrijke machtige stroomen voeren groote hoeveelheden plantendeelen, klei en zand, drijvende waterplanten en omgevallen boomen mede, waardoor in de rivieren eilanden gevormd worden. Het uitstroomende water kleurt mijlen ver de zee vuilgeel of groen.

Meren komen in Guiana niet voor, wel diepe zwampen, die in den regentijd zeer in uitgebreidheid kunnen toenemen en dan op meren gelijken. (Zie over het meer Amucu het art. ELDORADO).

In natuurschoon wordt Guiana door geen ander land overtroffen. Tot de machtigste landschapsbeelden behooren de 740 voet hooge Kaieteurval in de Potaro-rivier in Br. Guiana en de reeds genoemde tafelberg Roraima.

Ofschoon de bodem van Guiana overal de bewijzen vertoont van machtige vulkanische verschijnselen in vroegere geologische tijdperken, is er niets dat wijst op recente vulkanische werking. Guiana schijnt thans nagenoeg geheel vrij te zijn van seismische storingen; de lichte aardbevingen, die nu en dan waargenomen worden vinden waarschijnlijk haar oorsprong in de naburige vulkanische gebieden.

Guides.

Zie KRIJGSMACHT, Suriname.

Guillotinos.

Zie MUNTWEZEN, Curaçao.

Guinea corn,

bov. e. Zie ANDROPOGON SORGHUM.

Guineagras,

sur. Zie PANICUM MAXIMUM.

Guineagrass,

bov. e. Zie PANICUM MAXIMUM.

Guinea tamarind,

bov. e. Zie ADANSONIA.

Guinea-worm of medina-worm.aant.

Deze draadworm, de Filaria medinensis of Dracunculus Persarum (Zie VERMES) kwam in vroeger jaren in Suriname en op Curaçao veelvuldig voor. Bij den mensch leeft hij in het onderhuidsche celweefsel, in alle deelen van het lichaam, het meest aan de beenen, zeldzaam aan het hoofd. Deze parasiet, waarvan alleen het wijfje bekend is, kan tot 3 M. lang worden, en heeft de dikte van een vioolsnaar. Ze veroorzaakt soms hevige pijnen al dan niet gepaard met een eigenaardige koorts, die men wormkoorts noemde, en niet zelden met hevige toevallen. Om den worm uit de huid te verwijderen greep men den kop wanneer die uit de huid te voorschijn kwam en wikkelde het dier langzaam en voorzichtig op een stokje, welke bewerking soms vele dagen duurde. Knapte de worm af, dan veroorzaakte het achterblijvende deel kwaadaardige gezwellen.

Volgens Hartsinck, II, 914 en 915 waren in Suriname vele negerslaven door dezen parasiet bezocht. Stedman, Reize naar Surinamen, Amst. 1800, III, 262, bevestigt dit en voegt er bij dat sommige lieden met zeven of acht van die wormen tegelijk gekweld waren. B. Hussem, een scheepsdokter, die omstreeks 1750 Curaçao bezocht - zie zijn ‘Aanmerkingen betreffende den Dracunculus’, Verh. uitgeg. door het Zeeuwsch Genootsch. d. Wetensch. te Vlissingen, 2e deel, 1771 blz. 443-464 - deelt mede, dat daar de blanken zoowel als de zwarten van beide seksen werden aangetast en dat het aantal gevallen op de schepen soms ⅓ der bemanning bedroeg. Hij was van meening dat de worm op Curaçao inheemsch was. Waarschijnlijker is, dat de parasiet met de slavenschepen is overgebracht; hiervoor pleit de omstandigheid, dat na ieder slaventransport het getal lijders grooter werd, terwijl de gevallen langzamerhand verminderden toen de slavenhandel ophield. Volgens Simons, Beschr. van het eiland Curaçou, 1868, blz. 118, was er sedert jaren geen spoor van de ziekte meer over en Dr. Van Leent, La Guyane néerlandaise, Paris 1881, schreef dat de Guineaworm in Suriname niet anders werd waargenomen dan bij pas van de Kust van Guinea aangebrachte negers. Hussem deelt mede, dat de worm op Curaçao Bietje de Pia en in Suriname Rijn Bie (?) of Regenworm of ook wel Guineesche worm heette.

Men heeft hier met een dier zeldzame gevallen te doen dat een ziekte uit een land verdwenen is, zonder hulp van de medische wetenschap.

Gum tree,

bov. e. Zie BURSERA SIMARUBA.

Gundlachia domingensis

A. Gray. Fam. Compositae. Taaja, ben. e. Kruid of heestertje met spatelvormige leerachtige bladeren; de bloemhoofdjes staan in een vlakke schermvormige bloeiwijze aan het eind van een hoofdstengel waaronder de bladeren dicht opeen staan.

Gustavia augusta

L. Fam. Lecythidaceae. Aripawana arow. (?) Stinkhout, sur. Watra-mamabobí, n.e. Een langs de rivieroevers veel voorkomende boom met groote witte bloemen en stinkend, niet bruikbaar hout.

Gustavia pterocarpa

Poit. Fam. Lecythidaceae. Hoogland-tapoeripa, sur. Een tamelijk kleine boom, veel gelijkend op de G. augusta maar met kleinere bladeren en gevleugelde vruchten. Het hout wordt niet gebruikt.

Guts.

Naam op St. Eustatius voor diepe ravijnen, door de regens uitgeslepen en bezaaid met bergpuin.

Gymnophthalmus quadrilineatus.

Een mooi gekleurd hagedisje, tot de familie der Tejidae behoorende, met een slank lichaam, een tamelijk dikken staart, die geleidelijk in het lichaam overgaat, en tamelijk korte ledematen. Oogleden treft men bij het geslacht Gymnaphthalmus niet aan. De rugzijde is donkerolijfkleurig met aan iedere zijde twee geelachtige overlangs loopende strepen: de bovenste loopt van de punt van den snuit boven over het oog, langs de zijden van den rug tot op den staart, de benedenste loopt, op de bovenlip beginnende, over de ooropening boven den voorpoot langs de zijde tot aan den achterpoot. Het achtereinde van den staart is roodachtig gekleurd. Hals en buik grijs met zwarte vlekjes. Wordt op Curaçao aangetroffen.

Gymnotus carapo

L. (Syn. GYMNOTUS FASCIATUS Pall.) Logo-logo, n.e. Fam. Gymnotidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname; zuidelijk tot Rio de La Plata en San Francisco. De oogen zijn zeer klein, de onderkaak steekt vooruit. De voorste neusgaten zijn wijd en zitten in de bovenlip. Er is geen rugvin en geen staartvin. De aarsvin is lang. De aarsopening onder de kieuwopening. De visch is donker gekleurd; de jongen hebben onregelmatige donkere dwarsbanden, die met het ouder worden tot plekken uiteenbreken.

Gynandropsis pentaphylla

D.C. Fam. Capparidaceae. Akaja, n.e. Jeerba kaaja, ben. e. Massamby, bov. e. Hoogopgroeiend kruid met handvormig-samengestelde vijftallige bladeren; bloemen met buiten de bloemkroon uitstekende meeldraden; vrucht zeer lang gerekt.

Gynerium sagittatum

P.d.B. Fam. Gramineae. Pijlgras, sur. Peiri, n.e. Kamaroea, kar. Een hoog opschietend pluimgras met krachtigen halm, waarvan de Indianen pijlen en de jongens het geraamte voor vliegers vervaardigen. De plant gelijkt op suikerriet en wordt daarom ook wel eens wild suikerriet genoemd.