Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië


auteur: Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman


bron: Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman (red.), Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië. Martinus Nijhoff/E.J. Brill, Den Haag/Leiden 1914-1917  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 342]

H.

Haabriman,

ben. e. zie DACTYLOCTENIUM.

Haai.

Zie CARCHARHINUS.

Haas,

sur. Zie COELOGENYS.

Habon,

pap. Zie RYPTICUS.

Haddock.

Zie BAKKELJAUW.

Haematoxylon brasilettoaant.

Karst. Fam. Leguminosae. Brazieja, Campesji, ben. e. Logwood, bov. e. Boompje, met grillig gevormden stam, door de vele diepe groeven daarin. Samengestelde bladeren, waarvan de blaadjes wigvormig zijn en aan den top diep ingesneden. In het voorjaar is de boom één bouquet van heldergele bloemen. Het hout, als verfhout gebruikt, wordt af en toe nog uitgevoerd. Vroeger werd dit verfhout in schoeners geladen en gedurende de reis door de bemanning fijn gemalen. Thans is de boom schaarsch op Curaçao en de prijs sterk gedaald. (Zie ook GRONDPOLITIEK, blz. 337.)

Haemulon album

C. & V., Margate fish, st. eust. Fam. Haemulidae. Zeevisch. Verspreiding West-Indië, van Florida Keys tot Brazilië. Zijn ruglijn is sterk gebogen en hoog, zijn buiklijn recht. Het stekelige gedeelte van de lange rugvin weinig langer dan het zachte, stralige deel. De aarsvin kort, met drie stekels, waarvan de eerste kort. De staartvin gevorkt. De mondspleet niet zeer wijd, het oog middelmatig groot. Volwassen individuen parelwit, aan de bovenzijde iets olijfkleurig met aan de basis van enkele schubben onduidelijke stipjes; deze ook onder aan de zijkanten van het lichaam. De mond van binnen oranjekleurig, de lippen en een zwakke plek aan iedere zijde van den mond lichtgeel, een donkere schaduw onder den rand van het voorkieuwdeksel, de vinnen licht olijfkleurig, de zachte rugvin iets donkerder. Jonge individuen met duidelijk zwarte vlekjes, deze met parelkleurigen rand, een op iedere schub van rug en zijkanten, alsook een zijband; vlekjes en band verdwijnen bij den dood. Een belangrijke voedselvisch, die twee voet en meer bereikt.

Haemulon carbonarium

Poey. Een knorvisch. Fam. Haemulidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië en de Bermudas, zuidelijk tot Brazilië. De kleur is blauwachtig grijs met 7 of 8 hoog kopergele strepen; die boven de zijlijn loopen horizontaal, die onder de zijlijn een weinig gebogen; deze volgen de richting der rijen schubben. De strepen zijn smaller dan de tusschenruimten van de grondkleur. Drie der strepen boven de zijlijn, drie of vier er onder; deze bleeker. De staartvin zwartgeel aan het einde. De zachte rugvin, de aarsvin en de buikvinnen geelgrijs met zwarte einden. De stekelige rugvin blauw, hooggeel aan voet en bovenrand en eene gele streep langs het midden. De borstvin effen gekleurd, met een gelen band aan den voet. Hij kan tien duim lang worden.

Er zijn meerdere soorten grunters of knorvisschen; bij Curaçao wordt eene kleine haemulonsoort gevangen met breede strepen, die aldaar taki-taki genoemd wordt, doch op de bovenwindsche eilanden toc-toc heet. Eene geel en bruin gestreepte vrucht draagt op Curaçao ook den naam taki-taki.

Haemulon sciurus

(Shaw) Jord. Fam. Haemulidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, Florida Keys tot Brazilië. Een mooie, algemeen voorkomende visch, die 18 duim lang kan worden. Het lichaam is ovaal, de schubben zijn middelmatig groot, boven de zijlijn in schuine rijen geplaatst, onder de zijlijn in bijna horizontale rijen. De staartvin is gevorkt. De kleur is hoog kopergeel, aan den onderkant bijna niet lichter, kop en lichaam met twaalf duidelijke, weinig golvende, hemelsblauwe lengte streepen, ieder met een zeer smallen donker olijfkleurigen rand. De eerste streep onder het oog is gevorkt en sluit eene ovale plek van de grondkleur in. Er is eene donkere vlek onder den hoek van het voorkieuwdeksel. De stekelige rugvin is omrand en beschaduwd met geel, het vlies meest blauwachtig, de zachte rugvin is geel. De staartvin is geel, de borstvinnen bleek geel, aarsvin en buikvinnen hooggeel.

Haemulon-soorten worden in het Papiamentsch Grons, Koviko en Rooibekkie genoemd.

Haften.

Zie AGNATHA.

Hagedissen.

Zie LACERTILIA.

Hague bush,

bov. e. Zie CLERODENDRON ACULEATUM.

Hairy plum,

bov. e. Zie HIRTELLA.

Hake.

Zie BAKKELJAUW.

Halfhide (Julius Johannes),

geb. in Suriname 22 Sept. 1856, op reis naar Nederland overl. 24 Sept. 1911, legde te Paramaribo in Febr. 1879 het examen als districtsgeneesheer af, in Sept. d.a.v. dat van stedelijk heelmeester en in Sept. 1880 dat van verloskundige. Na in verschillende districten de geneeskundige praktijk te hebben uitgeoefend vertrok hij in Juni 1897 met verlof naar Nederland en legde in Mei 1898 met goed gevolg het artsexamen af. In Dec. 1898 was hij in Suriname terug en hervatte hij zijne praktijk. Behalve tal van artikelen in de Surinaamsche bladen verschenen van zijne hand: De landbouwcrisis in de kolonie Suriname, Param. 1905; De kleine landbouw in de kolonie Suriname, Param. 1906; Het adres van de broodelooze planters, Haarlem 1906; De middenstand en de kleine landbouw, Haarlem 1907; Schadelijke insecten en dieren en de daardoor veroorzaakte ziekteprocessen; in zes stukken, Haarlem 1909/1911.

Halfvleugeligen.

Zie RHYNCHOTA.

Halivaten.

Zie MATEN en GEWICHTEN.

Hamerhaai.

Zie SPHYRNA.

Hand,

sur. Onderdeel van een bos (tros) bacoven of bananen, bestaande uit een aantal ‘vingers’.

Handel en scheepvaart.aant.

A. Suriname.

In 1499 ontdekte Alonso de Ojeda, een tochtgenoot van Columbus, vergezeld van Amerigo Vespucci, de kust van Guiana, ongeveer ter hoogte van den Marowijne-mond. Hij zeilde verder in N.W. richting, langs de mondingen der Surinaamsche rivieren, zonder deze te exploreeren. In Jan. 1500 landde een andere tochtgenoot van Columbus, Vincent Janez Pinzon, aan de N.O. kust van Brazilië en zeilde langs de geheele kust van Guiana tot aan de Orinoco. De op de ontdekking van Guiana gevolgde tallooze, mislukte tochten der Spanjaarden, Duitschers, enz. hadden ten doel Eldorado (zie aldaar) te ontdekken en gingen meerendeels van de Orinoco uit. Een uitzondering daarop maakte een vereeniging van Zeeuwsche kooplieden, die in 1580 schepen naar Guiana's kusten zond om handel te drijven, waartoe

[p. 343]

hun bij Resolutiën der Algemeene Staten van 10 en 14 Juni en 7 en 22 Juli 1581 bijzondere voorrrechten werden toegestaan. Walter Ralegh, die in 1595 drie schepen uitrustte, en vergezeld van de kapiteins George Gifford en Lawrence Keymis, een reis naar Guiana ondernam, beoogde weer de ontdekking van het goudland. Ook deze tocht ging van de Orinoco uit.

Op zijn tweede reis (1596) voer Keymis de Corantijn op tot Oreala. In zijne reisbeschrijving geeft hij de namen op van de door hem ontdekte rivieren, waaronder de meeste Surinaamsche. Een ander, eveneens door Ralegh uitgerust schip, onder bevel van Leonard Berrie, bezocht in het begin van 1597 de Marowijne. Ralegh zelf voer in hetzelfde jaar de Corantijn op tot aan den eersten waterval. Ofschoon niet met dit doel ondernomen, had op deze reizen eenige ruilhandel met de inboorlingen plaats.

Ralegh's reisbeschrijving lokte vele schepen naar de kusten van Guiana, want terwijl vóór dien deze kust weinig bezocht werd, ziet men in de vier jaren, volgende op de verschijning van het boek, Hollandsche, Fransche en Engelsche schepen handel drijven in de voornaamste rivieren en van de inboorlingen letterhout, orleaan, tabak en andere landsproducten en ook hangmatten inruilen tegen ijzerwaren, lijnwaden, kralen en andere snuisterijen.

Tusschen 1595 en 1600 zien wij Balthazar de Moucheron, Adriaan Hendriksz ten Haeff (Middelburg), Van der Veken, Wissel en Van der Haagen (Rotterdam), Bickers, Wesselaar en de Witsens (Amsterdam) schepen uitrusten tot het drijven van handel op de Wilde Kust.

A. Cabeliau maakte als commies-generaal een tocht mede, die in Dec. 1597 met 2 scheepjes van 80 en 60 ton uit Brielle ondernomen werd. Op de kust van het tegenwoordige Fransch Guiana ontmoette hij een Engelsch en 4 Amsterdamsche schepen. Met 2 van deze laatste kwam hij overeen om tezamen de geheele kust tot aan de Orinoco te bezoeken, ten einde handel te drijven. Zij deden in 1598 de meeste rivieren tusschen de Amazone en de Orinoco aan, o.m. de Marawini (Marowijne), Surinamo, Saramo (Saramacca), Companama (Coppename) en de Curetini (Corantijn).

De gewone route der schepen naar de Wilde Kust was: eerst naar een der Kaapverdische eilanden om water in te nemen; van daar met de N.O. passaat naar den mond van de Amazone of iets noordelijker. Daar land gemaakt hebbende, konden zij met wind en stroom mede in N.W. richting de geheele kust afzeilen; terugkeeren langs de kust was voor zeilschepen zoo goed als ondoenlijk.

De scheepskapiteins hadden de gewoonte op bepaalde punten in de rivieren agenten achter te laten, die voor het bijeenbrengen van een lading moesten zorgen tegen den tijd dat het schip terugkwam. Het wachten op een lading zou, hoewel de schepen klein waren, te lang duren. Zoo blijkt uit een mededeeling van Mr. Dr. S. van Brakel (zie Litt.). dat er reeds in 1613 een Amsterdamsche factorij aan de Suriname-rivier, op het dorp Parmurbo (of Parmarbo) bestond. Ook vinden wij melding gemaaktvaneen kleine Hollandsche nederzetting met een tabakaanplant aan de Corantijn, die in 1613 door de Spanjaarden werd overvallen en verwoest. (Rodway, Guiana, blz. 47).

Hoewel er dus tegen het eind van de 16e en het begin van de 17de eeuw eenige scheepvaart uit Nederland naar de kust van Guiana bestond, is een meer geregelde vaart op deze streken begonnen met de oprichting in 1621 van de Westindische Compagnie, die voor 24 jaar den alleenhandel verkreeg op de Westkust van Afrika, de kusten van Amerika en de tusschen beide werelddeelen gelegen eilanden.

Voor de kust van Guiana beteekende deze scheepvaart aanvankelijk weinig en bleef zich bepalen tot ruilhandel met de Indianen. Zoo zien wij bij David Pietersz. de Vries (zie Litt.) die in 1634 Guiana bezocht, melding gemaakt van een schip van Vlissingen, de Packemack, dat in de Commewijne 15 à 16 last letterhout had ingeladen.

Even als geheel Guiana is Suriname steeds schaars bevolkt geweest. De omringende landen waren en zijn nog steeds weinig ontwikkeld. De centra van beschaving lagen ver af en waren moeilijk te bereiken. De voorwaarden voor den handel waren dus ongunstig. Deze heeft zich daarom moeten bepalen tot uitvoer van landbouwproducten en boschproducten en invoer van benoodigdheden ten directen verkoop aan verbruikers. De geschiedenis van den handel en de scheepvaart loopt dan ook evenwijdig met die van den landbouw, zoo zelfs dat men uit den loop van de scheepvaartbeweging het op- en neergaan van den landbouw kan leeren kennen.

Zoolang er geen vaste Europeesche nederzettingen waren, die landbouwproducten voor uitvoer verbouwden, kon er geen sprake zijn van eenige scheepvaart van beteekenis. Omtrent de eerste nederzettingen zij verwezen naar het artikel SURINAME, Geschiedkundig overzicht. Met de volkplanting van Willoughby in 1650 begint de blijvende vestiging van Europeanen in Suriname en reeds spoedig de uitvoer van landbouwproducten, voornamelijk tabak en suiker. Suriname was de eerste landbouwkolonie in Guiana.

De Engelschen vonden, bij hunne komst, in de Commewijne een kleine nederzetting van Nederlanders (door hen Flamands genoemd) die daar handel dreven met de Indianen en van Joden in de Boven Suriname, die er reeds kort na 1632 uit Holland en Italie gekomen waren, waarbij zich in 1644 Joden uit Brazilië onder David Nassy hadden gevoegd. (Zie ISRAËL. GEMEENTEN.) Deze Flamands en de Joden waren gewoon hunne waren te verzenden met Hollandsche schepen, die er nu en dan kwamen. Anthony Rowse (de eerste Gouverneur van Willoughby's kolonie) die de Akte van Navigatie (1651) wilde handhaven, verwekte hierdoor bij deze kolonisten groote ontevredenheid. Dit is de eerste belemmering van den handel, die twee eeuwen onder allerlei vormen zou voortduren tot groot nadeel van de kolonisten.

Willoughby's kolonie werd in Febr. 1667 door Krijnssen veroverd en hoewel het bezit van Suriname bij den vrede van Breda (31 Juli 1667) aan de Nederlanders was gewaarborgd, zeilde een Engelsche vloot onder John Harmons, na op de kust een convooi te hebben bemachtigd, 18 Oct. 1667 de rivier Suriname op, beschoot het fort en plunderde de kolonie op ergerlijke wijze. Willoughby's zoon Henry kwam met eenige schepen de plundering voortzetten. Hij verwoestte de plantages, stak verscheidene suikermolens in brand en voerde blanken, slaven en goederen weg. In Nov. 1668 nam Krijnssen weder bezit van de kolonie en sedert is Suriname met twee korte onderbrekingen een Nederlandsche kolonie gebleven.

Bij de overneming, na de plundering door Hermons en Henry Willoughby, waren er 23 plantages met 121 ‘suikerketels’, 564 slaven en 324 stuks vee. Bovendien waren er nog ± 150 slaven en eenige

[p. 344]

brandewijnketels, behoorende aan personen, die geen ‘suikerwercken’ hadden, totaal 714 slaven, vrouwen en kinderen niet medegeteld. Het geheele getal blanken was iets minder dan 300. Krijnssen rapporteert aan de Staten van Zeeland dat de jaarlijksche opbrengst aan suiker 2.000.000 pond zou hebben bedragen, hadden de plundering en het wegvoeren van slaven niet plaats gehad. Nu schatte hij de opbrengst op 800.000 pond.

Op 6 Juni 1682 deden de Staten van Zeeland, Suriname als hunne kolonie beschouwend, hun eigendom voor ƒ260.000 over aan de West-Indische Compagnie, die op 23 Sept. 1682 van de Alg. Staten een vernieuwd octrooi verkreeg. Op 31 Mei 1683 verkocht de Comp. ⅓ der kolonie aan de stad Amsterdam en ⅓ aan Van Aerssen van Sommelsdijk, die als Gouverneur naar Suriname vertrok. De kolonie kwam toen onder het beheer van de Geoctrojeerde Societeit van Suriname, zooals de nieuwe eigenaars zich noemden.

Hier staan wij aan het begin van het tijdperk van het monopolie.

In art. XI van het Octrooi werd bepaald dat ‘den Handel en Traffique op Suriname, ende van daar indistinctelijk liber en open zal zijn aan alle Inghezetenen van desen Staat, blijvende niettemin geobligeert in conformité van den Octroye van de voornoemde compagnie, de selve Compagnie te erkennen en aan haar bij forme van recognitie te betalen het Last-gelt in 't vierde van deze fondamentele Articulen ge-expresseert.’ (n.l. ‘drie guldens voor yder last dat een schip groot is, voor uytgaan en ghelycke drie guldens voor inkomen’).

Art. XII schreef voor ‘dat den Handel en de vaert op en van de voorz. Colonie alleen sal mogen geschieden directelijck uyt en na dese Landen, ende dat oock vervolgens alle de vruchten, waren, en gewassen, nergens heen als directelyck op des Landen sullen mogen werden gezonden, midtsgaders oock alle Behoeften voor de voorsz. Colonie gerequireert, uyt dese Landen, ende nergens anders van daen derwaerts werden gebracht’.

In art. XIII werd bepaald, dat de Compagnie geen goederen van particulieren in hare schepen mocht doen laden en overvoeren ‘als alleen in de schepen die slaven daer hebben gebracht.’

De Comp. had den alleenhandel in slaven, doch aan de Societeit werd, met eenige beperkende bepalingen, vrijheid gegeven zelve slaven aan te voeren, mits voor iederen slaaf ƒ15 aan de Comp. betalende.

Met het toenemen van het getal plantages, dat in 1688 reeds 200 bedroeg, nam de scheepvaart snel in omvang toe, hoewel zij, wegens de vele oorlogen in Europa, zeer ongeregeld was en bij convooien moest geschieden.

Berichten omtrent het aantal aangekomen en vertrokken schepen en omtrent den uitvoer vóór 1700 ontbreken, doch er schijnt reeds spoedig veel suiker te zijn gemaakt.

‘Wat zoorten van Goederen, in koopmanschappen, in de colonie van Zuriname, uit Europa om daar te verhandelen gezonden worden; daartoe een yder in 't particulier vrijheid heeft,’ vindt men volledig opgesomd bij Herlin (zie Litt.). Uit deze zeer werkwaardige lijst, waarin veel wordt opgesomd dat men niet meer hoort noemen, blijkt dat het reeds toen (1718) in het leven der kolonisten aan weelde niet ontbrak.

Volgens het octrooi moesten alle ‘behoeften’ voor de kolonie uit Nederland aangevoerd en alle producten naar Nederland verzonden worden. Niet alles wat de kolonisten noodig hadden kon evenwel uit Nederland verkregen worden en niet al hunne producten vonden daar een markt. Reeds ten tijde van Willoughby werd gezouten vleesch en visch - zie BAKKELJAUW - uit Noord Amerika aangevoerd. Melasse wilde men in Nederland niet hebben. Nadat gedurende eerigen tijd de vaart van Engelsche schepen uit Noord-Amerika oogluikend was toegestaan, werd op herhaalden aandrang van de ‘coloniers’ en van Gouverneur en Raden, bij Placaat van 25 April 1704 door Directeuren der Societeit de vrijheid toegestaan ‘van een kleine buitenlandsche vaart.’ Voortaan zouden in Suriname worden geadmitteerd ‘de vreemde vaartuigen met paarden’ uit Nieuw-Engeland en andere naburige eilanden en gewesten. Deze schepen mochten geen Europeesche manufacturen of landbouwproducten en geene Oost-Indische waren of specerijen aanvoeren; zij brachten gezouten vleesch en visch, spek en meel (zie BLOM) aan. Als retourlading mochten zij niet anders medenemen dan melasse en Surinaamsche brandewijn, gezaagd hout en uit Nederland afkomstige koopmanschappen. Zoowel op den inals op den uitvoer waren zij, behalve de andere scheepslasten, 5 p.c.t. van de waarde verschuldigd. Kort daarna werd aan deze schepen de verplichting opgelegd om bij iedere reis ten minste 6 paarden aan te voeren, omdat deze noodig waren voor de suikermolens.

Omstreeks 1730 ontstond een vrij aanzienlijke handel uit Nederland in steenen, noodig o.m. voor de suikermolens en de sluizen der plantages. Schepen, die steenen aan brachten, hadden recht op een retourvracht van 5 okshoofden suiker of 2500 pond koffie voor elke 1000 steenen; voor plavuizen de dubbele hoeveelheid. De vracht was ƒ6 per 1000 steenen. Het verval der Surinaamsche steenbakkerijen was van dezen invoer het gevolg (Hartsinck, II, 742).

Gedurende den oorlog van 1756-1763 tusschen Engeland en Frankrijk had de kolonie veel overlast van Fransche kapers, die bij den mond der Suriname-rivier kruisten om jacht te maken op de Engelsche schepen uit Noord-Amerika, die naar de kolonie zeilden. Hierdoor ontstond schaarschte aan levensmiddelen en aan paarden en muilezels voor de suikermolens. Gedurende den Amerikaanschen vrijheidsoorlog (1775-1783) waren het Engelsche kapers, die de schepen uit N.-Amerika buit maakten.

De bovengenoemde bepalingen van het octrooi van 1682 werden bij res. van de Alg. Staten van 20 Febr. 1767 niet allen gehandhaafd, maar daarbij werd, om den Nederlandschen scheepsbouw te bevorderen, bepaald dat de schepen in Nederland gebouwd en met Nederlandache victualie voorzien moesten zijn, terwijl de retourlading in Nederland moest worden gelost. Op overtreding van deze resolutie stond een boete van ƒ6000. Bij res. van 11 April d.a.v. werd echter bepaald dat schepen, die vóór 20 Febr. 1767 op de kolonie hadden gevaren, zouden worden gehouden als genaturaliseerd en in deze landen aangebouwd.

Hoe omstreeks dien tijd een bij uitstek bevoegd schrijver oordeelde over ‘de nuttigheden, welke ons Vaderland uit zijne Amerikaansche Volkplantingen trekt,’ moge blijken uit deze aanhaling:

‘Ik zal met stilzwijgen voor bij gaan de groote schatten, welke de Portugeezen uit het Goudrijk Brazil, weleer eene der voornaamste Bezittingen onzer West-Indische Maatschappije overbrengen; maar alleenlijk ten bewijze aanhalen de Colonie van Suriname, die thans een van de aanmerkelijkste tak-

[p. 345]

ken van onzen Handel en Scheepvaart uitlevert. Het getal der Schepen, die deeze Kust bevaaren. De boeken der Waaggelden van deeze Stad [Amsterdam] zouden een ieder, die dezelve met eenige oplettenheid naging, daar van klaar overtuigen. Dan zou men zien hoe veel duizenden van Huisgezinnen, alleenlijk door den Bouw en Toerusting deezer Schepen, bestaan; hoe de Handwerken van ons Land hier door als een nieuw Leven krijgen; hoe, door den toevoer van Levensmiddelen, de Akkerbouw en Veehoederij bevoordeeld wordt; hoe door de van daar gebragte vruchten, bestaande in Suiker, Coffy, Cottoen, Cacao, eenige Verfstoffen en schrijnwerkerhout, de buitenlandsche handel opgewakkerd en staande wordt gehouden, en dus de rijkdom in ons Vaderland vermeerderd.’ (Hartsinck, I blz. IX).

Van 1750-1775 kon men de waarde van den uitvoer der kolonie op gemiddeld 10 millioen gulden 's jaars stellen en de vrachtgelden van de Hollandsche schepen op meer dan ƒ800.000 's jaars.

In 1770 nam Amsterdam het aandeel van de familie Aerssen in de kolonie over en werd Suriname als het ware een kolonie van Amsterdam. Amsterdamsche handelshuizen werden de geldschieters (zie NEGOTIATIËN), later de eigenaars van een groot deel der plantages, die hare producten naar die huizen moesten consigneeren en al hare benoodigdheden van deze betrekken.

In 1775 vertrokken 63 schepen naar het moederland, geladen met 16.204.000 pond suiker, 13.300.000 pond koffie, 144.428 pond katoen en 733.338 pond cacao. De vrachtgelden werden op ƒ1.416.000 geschat.

In de 18de eeuw - schrijft Reesse - was het Suriname, dat het meest heeft bijgedragen tot het steunen van den suikerhandel van ons land, vooral van Amsterdam.

Toen Amsterdam in 1799, bij overdracht, volgens de nieuwe staatsregeling, van zijn bezit aan de natie teruggave vroeg van het bedrag van ƒ964.981 uit de gemeentekas voor de aankoopen van zijn aandeel in de kolonie, werd de vordering door het Comité tot de Zaken der W.-I. Koloniën, in een rapport aan den Agent van Financiën der Republiek als te hoog betwist, omdat de stad haar aandeel zoo hoog had betaald, om andere koopsteden als concurrenten te weren. In haar antwoord zeide de Municipaliteit: ‘Wij willen geenszins ontveinzen, dat uit den handel van en op de Colonie Surinamen, aanmerkelijke voordeelen voor de Ingezetenen dezer stad zijn voortgevloeid, maar in dit opzicht stonden zij volkomen gelijk met de Ingezetenen van dit Gemeene best.’

In 1818 zeide Graaf Van den Bosch van de West-Indische koloniën ‘dat de winsten, die dezelve verschaffen, in vergelijking met het kapitaal daartoe gebezigd, verre overtreffen die van eenigen anderen tak onzes nationalen handels.’

De scheepvaartbeweging tusschen Nederland en Suriname van 1706-1774 blijkt uit de volgende cijfers:

getal schepen. gemiddeld per jaar
van 1706-1715 169 17
van 1716-1725 228 23
van 1726-1735 282 28
van 1736-1745 423 42
van 1746-1755 451 45
van 1756-1765 555 56
van 1766-1774 592 59

De tonnenmaat der schepen vindt men niet opgegeven; men mag evenwel aannemen dat deze van lieverlede grooter werd en dan wijzen de cijfers op een gestadige toeneming zoowel van den in- als van den uitvoer.

De op Nederland varende schepen deden gewoonlijk twee heen- en terugreizen per jaar, die op Noord-Amerika konden er drie doen.

Op herhaalden aandrang uit de kolonie besloten Directeuren der Societeit bij res. van 6 Dec. 1783 tot ampliatie van het placaat van 25 April 1704. Aan ingezetenen van Suriname werd toegestaan kleine schepen uitterusten naar naburige landen en Noord-Amerika en in- en uit te voeren alle niet verboden waren. Zij hadden te betalen 2½ pct. van de waarde zoowel bij in- als bij uitvoer. Voor vreemdelingen bleef het recht 5 pct. De overige lasten als voor de schepen uit Nederland.

Jaarlijks stelde het koloniaal bestuur den prijs der producten vast, in verband met het te betalen recht.

Volgens Von Sack vertrokken van 1790-1794 uit Suriname naar Nederland resp. 56, 5, 47, 14 en 75, tezamen 197 schepen, waarvan de bemanning geschat werd op 2000 koppen. De uiteenloopende cijfers doen zien hoe ongeregeld de vaart toen was, tot groot ongerief voor de kolonie.

In hooge mate belemmerend voor de welvaart van Suriname was de omwenteling van 1795. Er kwamen geen geregelde convooien uit Holland meer aan, zoodat men verplicht was de benoodigde artikelen tegen hoogen prijs te koopen van vreemden. De stremming van den uitvoer door blokkades had het gevolg dat de kolonisten niet konden genieten van de ingetreden prijsverhooging hunner uitvoerartikelen.

Den 17n Aug. 1799 geraakte de kolonie onder het protectoraat van Engeland en reeds spoedig kwam de Britsche Regeering er tegen op dat de producten uit de kolonie in neutrale Amerikaansche en andere schepen werden verzonden, waardoor Engeland niet de voordeelen trok die men van de inbezitneming had verwacht. De Br. Regeering wenschte ook de inen uitvoerrechten ten bate der kroon te doen komen. Bij den vrede van Amiens in 1802 kwam Suriname weer onder Nederlandsch bestuur. Landbouw en handel begonnen te herleven, doch in den spoedig daarop gevolgden oorlog werden de meeste uit de kolonie vertrekkende schepen buitgemaakt. Op 28 April 1804 werd de kolonie bij verdrag aan Engeland overgegeven en bij proclamatie van 29 Mei 1804 aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van de kolonie veroorloofd op denzelfden voet als op de andere Br. bezittingen in West-Indië. De landbouwproducten moesten nu naar Engeland worden verscheept, maar werden eerst in de kolonie zelve verkocht, waardoor de handel in de kolonie levendiger werd. De Engelsche kooplieden voerden in ruime mate allerlei goederen in en bevorderden den kleinhandel. De Britsche Gouverneurs, de officieren en de agenten der Engelsche handelshuizen leefden op grooten voet en werden hierin door de burgerij nagevolgd, hetgeen den winkelstand ten goede kwam. Engelsche handelshuizen gaven opnieuw voorschotten aan de plantages en verleenden ruim crediet. Er was veel vertier.

Van Green, die in 1804 en 1805 gouverneur was, kregen de planters op hun aandrang, met eenige restricties, vergunning om den in- en uitvoer met Amerikaansche schepen te doen plaats vinden, voorloopig voor den tijd van 4 maanden; de vergunning werd later met 3 en daarna met 4 maanden verlengd

[p. 346]

met nog meer beperkingen, ook betreffende den invoer. Green vaardigde ook een proclamatie uit, inhoudende dat schippers en supercargas, die in plaats van in het groot aan de gevestigde kooplieden te verkoopen, hunne lading opsloegen en stuksgewijze verkochten, boven de 4 perc. invoerrechten, 10 pct. voor pakhuisrecht moesten betalen.

Van de scheepvaartbeweging gedurende het Engelsche tusschenbestuur geeft onderstaande tabel een beeld.

aantal schepen. gezamenlijke tonnenmaat manschappen.
Naar Engeland:      
van 11 Mei 1804-11 Mei 1805 118 22300 1365
van 12 Mei 1805-11 Mei 1806 90 15113 1072
van 12 Mei 1806-11 Mei 1807 103 19420 1724
van 12 Mei 1807-11 Mei 1808 90 17652 1099
van 12 Mei 1808-11 Mei 1809 104 17915 1262
van 12 Mei 1809-11 Mei 1810 83 18628 1037
van 12 Mei 1810-11 Mei 1811 112 19488 1205
van 12 Mei 1811-11 Mei 1812 118 18683 1306
van 12 Mei 1812-11 Mei 1813 77 12377 822
  ___ ______ _____
totaal 895 161576 10892

Naar de Vereenigde Staten en elders:

van 11 Mei 1804-11 Mei 1805 118 15332 906
van 12 Mei 1805-11 Mei 1806 53 7286 395
van 12 Mei 1806-11 Mei 1807 59 8078 412
van 12 Mei 1807-11 Mei 1808 45 7107 385
van 12 Mei 1808-11 Mei 1809 20 2584 129
van 12 Mei 1809-11 Mei 1810 76 8324 510
van 12 Mei 1810-11 Mei 1811 69 6794 471
van 12 Mei 1811-11 Mei 1812 37 4815 285
van 12 Mei 1812-11 Mei 1813 17 1819 119
  ____ ______ _____
totaal 494 62139 3612
  ____ ______ _____
algemeen totaal 1389 223715 14504

Van de schepen naar Engeland was de inhoud dus gemiddeld 180 ton en de bemanning 12 koppen, voor die naar de V.S. en elders resp. 126 en 7.

Bij parlements-acte was in 1814 de handel tusschen de Vereenigde Provinciën en de vroegere Nederl. koloniën in Zuid-Amerika en in West-Indië toegestaan. Op 23 Dec. 1814 kwam te Paramaribo het eerste Hollandsche schip onmiddellijk van Amstersterdam. Niet zoodra was de kolonie weer onder Nederlandsch bestuur gekomen of bij K.B. van 14 Sept. 1815, no. 58 ter vaststelling van het Reglement op het beleid van de Regeering, het Justitiewezen, den Landbouw en de Scheepvaart in Suriname’ (G.B. 1816 no. 2.), werd bepaald dat, evenals tijdens het octrooi van 1682, de handel en vaart op en van de kolonie alleen uit en naar Nederland mochten geschieden. Alle vruchten, waren en gewassen mochten nergens anders dan directelijk naar de Nederlanden gezonden en alle behoeften en waren, voor de kolonie benoodigd, alleen uit Nederland aangebracht worden, met uitzondering van de vaart der Noord-Amerikanen, onder dezelfde bepalingen als vóór 1795. De producten werden niet meer - als gedurende het Britsche bestuur - in de kolonie verkocht, maar voor het grootste deel aan de kantoren in Nederland geconsigneerd. Voor de kolonie brak nu een moeilijke tijd aan. De geldschieters in Nederland eischten de interesten hunner kapitalen, sommigen de kapitalen zelve op. Betaling verlangden ook de Engelsche kooplieden, die niet meer op de kolonie konden handelen. Plantages werden gerechtelijk verkocht en de landbouw kreeg een gevoeligen schok, die terugwerkte op den handel. Wissels werden zeldzaam waardoor de wisselkoers belangrijk steeg, terwijl het papieren geld (zie MUNTWEZEN) sterk in waarde daalde. In één woord een tijd van groote ellende op handels- en scheepvaartgebied.

Op een verzoek van de Engelsche planters in Nickerie om vrijen invoer hunner benoodigdheden uit, en vrijen uitvoer hunner producten naar Engeland of de Britsch W.-I. koloniën in Engelsche schepen, werd in 1816 door den koning gunstig beschikt. In 1819 werd deze vergunning echter weer ingetrokken.

Bij res. van 13 Nov. 1818 (G.B. no. 8) werd de Noord-Amerikaansche handel weer beperkt ‘alzoo de Handel en Vaart uit de Nederlanden herwaarts thans genoegzaam geregeld is, zoodat van daar levensmiddelen en andere behoeften tot gerijf der goede ingezetenen van tijd tot tijd in genoegzame hoeveelheid worden aangebragt.’

De inkomende en uitgaande rechten werden bij Publ. van 20 Dec. 1826 (G.B. no. 6) op nieuw geregeld (zie DIFFERENTIËELE RECHTEN).

Het R.R. van 1828 handhaafde de bepalingen van het vorige reglement omtrent handel en scheepvaart. Daarbij werden echter aan de ingezetenen der Nederl. W.-I. Eilanden - die n.b. met Suriname tot één gouvernement waren vereenigd - dezelfde rechten toegekend als aan .... de Noord-Amerikanen.

Volgens het R.R. van 1832 zou de handel en vaart op en van Suriname ‘in den regel’ alleen geschieden uit en naar het Moederland.

Alle producten moesten weder rechtstreeks naar Nederland gezonden, ‘behoeften en noodwendigheden’ alleen rechtstreeks uit Nederland aangevoerd worden ‘tenzij de Koning in bijzondere gevallen en in het belang der Nederlandsche scheepvaart dispensatiën mogte verleenen van de laatstgemelde bepaling.’

‘De voet en de wijze, waarop, bij uitzondering op den algemeenen regel, de vaart der Noord-Amerikanen op en van de kolonie zal mogen worden voortgezet, is het onderwerp van afzonderlijke Koninklijke verordeningen.’

‘De Ingezetenen der Nederlandsche West-Indische Eilanden zullen op Suriname mogen blijven varen op den thans bestaanden voet.’

Het tijdperk van het monopolie, in 1682 aangevangen, was nog niet ten einde.

Bij publ. van 15 Sept. 1834 werden eenige weinig beduidende voorschriften, vol restricties, gegeven ‘strekkende om de onderlinge gemeenschap tusschen de onderscheidene Nederlandsche Westindische Bezittingen te bevorderen.’

Van 1816-1830 vertrokken gemiddeld 72 schepen per jaar naar Nederland, met een gemiddelde lading per jaar van 20.976,046 ponden suiker, 5.341,574 ponden koffie, 1.837,072 ponden katoen en 65,116 ponden cacao; naar Noord-Amerika gemiddeld 41 schepen met een gemiddelde jaarlijksche lading van 702,610 gallons melasse.

Van de 74 in 1829 vertrokken schepen gingen 57 naar Amsterdam, 13 naar Rotterdam en 4 naar Middelburg.

Van 1832-1841 werden uit Nederland te Paramaribo ingeklaard:

[p. 347]

360 schepen, metende 85459 ton, waarvan

357 schepen, metende 84977 ton, onder Nederlandsche vlag;

uitgeklaard naar Nederland:

367 schepen, metende 87235 ton, waarvan

357 schepen, metende 87150 ton, onder Nederlandsche vlag. De gemiddelde scheepsruimte der toen op Suriname varende Nederl. schepen was dus 241 ton.

Van 1845-1847 ingeklaard:

194 Nederl. schepen, tezamen metende 23999 last.

88 Amerik. schepen, tezamen metende 8481 last.

uitgeklaard:

197 Nederl. schepen, tezamen metende 24246 last.

88 Amerik. schepen, tezamen metende 8861 last.

De schepen die de kustvaart deden, zijn onder deze cijfers niet begrepen.

Met vooruitzienden blik hadden in 1788 de schrijvers van het Essai historique sur la Colonie de Surinam deze verzuchting geuit:........ ‘Bijaldien de belangen der Republiek konden toelaaten, dat 'er van Suriname een vrije haven gemaakt wierd, en dat de Kolonisten verlof kreegen, om zelve hunne voortbrengsels te verkoopen, zoo zou de Kolonie, buiten allen twijfel, een gelukkige verandering ondergaan, zonder het minste nadeel aan het moederland toe te brengen.’

Bijna 60 jaren zouden evenwel verloopen eer deze wensch verwezenlijkt werd. Bij publ. van 22 Maart 1848 (G.B. no. 2) werd het K.B. van 17 Dec. 1847 gepubliceerd, waarbij, met ingang op 1 Mei 1848, de handel en vaart op Suriname werd opengesteld voor alle volken, waarmede het Koningrijk der Nederlanden in vriendschap leefde. De rechten op den in- en uitvoer werden bij publ. van 20 April d.a.v. nader geregeld. Zij bedroegen voor vreemde schepen het dubbele van die voor Nederlandsche. De differentiëele rechten bleven dus gehandhaafd. Bij publ. van 17 Febr. 1849 werden die rechten voor vreemde schepen verminderd, in 1850 en 1851 bij afzonderlijke overeenkomsten de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld en sedert die van de meeste andere volken. Zoo trad dan eindelijk de internationale gelijkheid in. De rechten op den invoer - het voornaamste middel der kolonie - werden in volgende jaren bij herhaling gewijzigd, meestal in den zin van verhooging.

Daar een groot deel der plantage-eigenaren of hypotheekhouders te Amsterdam woonde bleef de consignatie der producten daarheen nog eenigen tijd voortduren en werden ook vele artikelen voor plantage-gebruik van daar verzonden.

Bij publ. van 3 Sept. 1852 (G.B. no. 11) werd een regeling getroffen van de wijze waarop landbouw-producten in Suriname in het openbaar verkocht mochten worden. Tot aanmoediging van de kustvaart werden bij publ. van denzelfden dag (G.B. no. 13) de lasten verminderd.

In verband met het stelsel van vrijen handel stelden bevriende natiën achtereenvolgens consuls of consulaire agenten in Suriname aan.

Daar de handel nu vrij was, wenschten de Amerikaansche schippers niet langer hunne ladingen tegen melasse en rum in te ruilen. Spoedig begon de verscheping ook van andere producten naar de Vereenigde Staten en andere landen door tusschenkomst van te Paramaribo gevestigde handelshuizen, die scheepsladingen provisiën en andere waren - ook hout (pitchpine, white pine en spruce) dat nog steeds met zeilschepen wordt aangevoerd, voorts ijs en vruchten en groenten in ijs - uit Noord Amerika ontvingen en landbouw-producten opkochten als retourlading voor hunne schepen. Het monopolie van Amsterdam was te niet gedaan, tot groot voordeel van den Surinaamschen landbouw die meer en meer in handen kwam van in de kolonie gevestigde eigenaren. Op de reede van Paramaribo begonnen zich schepen te vertoonen van natiën, die vroeger van de vaart op de kolonie uitgesloten waren.

Bijna anderhalve eeuw had Suriname geleden onder de oorlogen, niet alleen van het moederland, maar ook van vreemde natiën, meer dan anderhalve eeuw onder de knellende banden van een handelspolitiek, waarbij slechts angstig gewaakt werd voor de belangen van Nederlandsche handelslichamen en handelshuizen, geleden onder den druk van Amsterdamsche fondshouders (zie NEGOTIATIËN) en van een erbarmelijk munt- en handelscredietwezen. Waren er niettemin perioden van bloei dan was dit trots de ongunstige omstandigheden, door stijging in den prijs der producten, veelal een gevolg van buitenlandsche oorlogen.

Eerst in het midden van de vorige eeuw traden met den vrijhandel en de invoering van een behoorlijk muntstelsel (zie aldaar) normale toestanden in. Belemmerend op den bloei van den landbouw, waarmede die van den kolonialen handel zoo innig verbonden is, werkte de lange onzekerheid omtrent het tijdstip van de verwachte vrijverklaring der slaven, die eerst op 1 Juli 1863 plaats vond.

In 1865 ontstond met de stichting van de Surinaamsche Bank (zie CREDIET-INSTELLINGEN) een normaal handels-credietwezen.

Geregelde mailverbindingen kreeg de kolonie omstreeks 1840 door de Royal Mail Steamship Company, die in Demerary de van Suriname aangebrachte poststukken innam en sedert 1865 ook door de Compagnie Générale Transatlantique, wier intercoloniale booten op de reis naar en van Cayenne Paramaribo aandoen en veel goederen aanvoeren. Maar eerst in 1884 zou Suriname door een rechtstreeksche stoomvaart met het moederland verbonden worden, n.l. door den Kon.-W.-I. Maildienst (zie aldaar). Met de zeilvaart1) uit Nederland was het toen spoedig gedaan.

Door de rechtstreeksche stoomvaart-verbindingen met Europa en de Vereenigde Staten wijzigde zich het karakter van den Surinaamschen handel.2) Het rapport der Suriname-Commissie ‘'s Grav.

[p. 348]

1911, blz. 53 zegt daaromtrent: ‘In den tijd van de verbindingen met zeilschepen, of althans met onregelmatige diensten, waren in de kolonie aanwezig groote importhuizen, die aanzienlijke voorraden moesten houden. De geregelde stoomvaartverbindingen, die zoowel de aanbieding van goederen door handelsagenten bevorderen als ook de levering in kleine hoeveelheden, hebben daarin grondige wijziging gebracht. Eigenlijke importhuizen, die zich uitsluitend den invoer ten doel stellen van goederen welke zij in het groot afzetten, zijn er niet meer. Thans is het type van de groote onderneming de winkelzaak met filialen, hetzij in de verschillende wijken der stad of wel in verschillende plaatsen der kolonie. Ze betrekt haar goederen uit Europa of Noord-Amerika rechtstreeks en detailleert ze vervolgens, met levering in semi-grossierderij aan kleine winkeltjes of ambachtsbazen.

In de winkels heeft nog betrekkelijk weinig specialisatie plaats. Men vindt er over het algemeen nog zeer vele categoriën van waren bijeen, al ziet men hier en daar enkele magazijnen voor groepen van artikelen.’

Van de Chineezen wordt daar gezegd: ‘In tegenstelling met hun vakgenooten van ander ras steunen zij elkander zeer sterk onderling. Hun winkelzaken in de stad staan dan weer in verbinding met de winkels, die op de plantages worden aangetroffen, toebehoorende aan de plantageeigenaren en door dezen als regel aan Chineezen, soms ook aan Portugeezen, verhuurd. Die winkels hebben daar dikwijls een monopolie.’

De kleinhandel in de kolonie is voor een groot deel in handen van Chineezen, Portugeezen en Britsch-Indiërs; de marskramerij wordt er door Syriërs en Armeniërs uitgeoefend.

Onder het bestuur van Gouverneur Smidt werden in 1887 de uitvoerrechten afgeschaft. De afschaffing van de baak- en los- of laadgelden volgde in 1897.

Aansluiting aan het wereldtelegraafnet - een zoo krachtig middel tot bevordering van den handel - werd eerst in 1890 verkregen. Vóór dien moesten telegrammen over zee naar Demerary gezonden worden om van daar te worden overgeseind.

Een nieuwe scheepvaart-verordening kwam in 1908 tot stand.

Aan het in 1908 met 4 speciaal daarvoor gebouwde vruchtenschepen aangevangen vervoer van bacoven (zie aldaar en onder K.W.I. MAIL) naar New-York kwam in 1913 een einde.

Of de opening van het Panamakanaal van invloed zal zijn op den handel en de scheepvaart van Suriname en van welken aard die invloed zal zijn, valt moeilijk vooruit te zeggen; te verwachten is dat de aanvoer van immigranten - van Britsch Indië en van Java - door het kanaal zal geleid worden, waardoor deze gedurende het geheele jaar kan plaats vinden en niet langer zal gebonden zijn aan bepaalde seizoenen. Bij de nieuwe route zouden n.l de schepen blijven in de warme luchtstreek.

De volgende tabellen geven een beeld van de scheepvaartbeweging en van de waarde van den in- en uitvoer van 1850-1913.*) Wat de cijfers van invoer uit Nederland betreft, houde men in het oog dat niet al de uit Nederland ingevoerde goederen uit Nederland afkomstig zijn. De cijfers aangevende het getal schepen en de tonnenmaat zijn in de tabellen niet opgenomen, omdat zij, sedert er stoomgemeenschap is, geen zin hebben. Men vindt n.l. de tonnenmaat der stoomschepen aangegeven, terwijl telkens slechts een deel der lading voor Suriname bestemd en ook slechts een deel der retourlading uit de kolonie afkomstig is.

Over de waarde der cijfers - die zeer betrekkelijk schijnt - zie men de daarbij voorkomende opmerkingen in de Koloniale Verslagen of in de Jaarcijfers.

Jaren Waarde in duizendtallen guldens.
Invoer uit Uitvoer naar
Nederland. Amerika. Andere Staten. Nederland. Amerika. Andere Staten.
1850 1236 649 202 2264 294 319
1855 1192 714 495 2039 593 762
1860 1587 922 547 2180 1088 1255
1865 2235 1007 1263 684 681 871
1870 1783 901 1358 848 583 1226
1875 1192 691 1243 439 682 1288
1880 1391 786 1737 946 779 1876
1885 2292 1068 1449 1198 1036 879
1890 2814 1046 1507 1532 1482 1259
1895 2930 997 1275 1353 2898 1240
1900 2992 1419 1755 1948 3025 568
1901 3387 1427 2264 1683 3077 606
1902 3252 1159 1772 1413 2087 617
1903 3524 1406 1375 1577 1761 954
1904 4370 1529 1500 1635 1086 972
1905 3777 1368 1412 1846 1725 865
1906 3743 1412 1119 2053 1726 971
1907 4093 1720 1091 1989 2503 1397
1908 4302 1561 1174 2454 2281 1298
1909 4271 1666 1278 2599 2518 1443
1910 4483 1666 1326 3843 2381 2122
1911 4642 2230 1402 4222 3239 1741
1912 4334 1868 1292 2412 2359 1849
1913 3983 1665 1466 3749 3396 2313

Algemeen overzicht van de waarde van den invoer tot verbruik en uitvoer uit het vrije verkeer.

invoer. uitvoer.
1850 ƒ2 087 562 ƒ3 877 102
1855 ƒ2 401 284 ƒ3 398 525
1860 ƒ3 056 946 ƒ4 524 001
1865 ƒ4 504 520 ƒ2 235 399
1870 ƒ4 042 111 ƒ2 657 871
1875 ƒ3 125 415 ƒ2 409 335
1880 ƒ3 914 458 ƒ3 600 535
1885 ƒ4 808 603 ƒ3 113 270
1890 ƒ5 366 258 ƒ4 272 692
1895 ƒ5 203 029 ƒ5 490 735
1900 ƒ6 166 608 ƒ5 540 855
1901 ƒ7 077 836 ƒ5 365 594
1902 ƒ6 183 074 ƒ4 116 724
1903 ƒ6 305 619 ƒ4 292 256
1904 ƒ7 399 505 ƒ3 692 427
1905 ƒ6 557 314 ƒ4 431 733
1906 ƒ6 273 180 ƒ4 749 567
1907 ƒ6 903 608 ƒ5 888 567
1908 ƒ7 036 847 ƒ6 033 369
1909 ƒ7 215 932 ƒ6 559 470
1910 ƒ7 424 698 ƒ8 345 447
1911 ƒ8 273 590 ƒ9 201 669
1912 ƒ7 494 063 ƒ6 619 937
1913 ƒ7 113 420 ƒ9 457 787

[p. 349]

Litt. Walter Ralegh, The discoverie of the empire of Guiana, etc. in 1595, London 1596. - Keymis, A relation of the second voyage, performed in the year 1596, London 1597. - David Pietersz. de Vries, Korte historiael ende journaers aenteyekeninge van verscheyden voyagiens, etc. uitgeg. door Dr. H.T. Colenbrander. (Linschoten-Vereeniging), 's-Grav. 1911. (Zie: tweede Voyagie na de kuste van America). - J.D. Herlin, Beschryvinge van de Volk-plantinge Zuriname, Leeuwarden 1718, blz. 242-248. - Hartsinck, Beschrijving van Guiana, etc. Amst. 1770, I, blz. IX. - Raynal, Wijsgeerige en Staatk. Gesch. v.d. Bezitt. en den Kooph. d. Europ. in de beide Indiën, Amst. 1782, deel 9, aanhangsel blz. 185 vlg. - Elias Luzac, Hollands Rijkdom, Leiden 1781-1783, II, 157-228 en IV, 190-227. - Essai historique sur la colonie de Surinam. Paramaribo 1788, deel II. - De l'Espine en le Long, De koophandel van Amsterdam, etc. 1801. II, 232-242. - G.K. van Hogendorp. Brieven aan eenen participant in de O.I. Compagnie, Amst. 1802 blz. 127-174. - Idem. Gedachten over 's Lands Finantien, Amst. 1802, blz. 35-37. - Js. van den Bosch, Nederl. Bezittingen, etc. 's-Grav. en Amst. 1818, deel II. - Von Sack, Reize naar Surinamen, Haarlem 1821, deel III. - Teenstra, De Landbouw in de Kol. Suriname, Gron. 1835, I, 152-165. - Bijdragen tot de kennis d. Nederl. en Vreemde Koloniën, Utrecht, 1844, blz. 281. - Opmerkingen omtrent den Afrik. Slavenhandel, 's-Grav. 1848. - Van Sypesteyn, Beschr. v. Suriname, 's-Grav. 1854, blz. 215-229. - Almanak v.d. Nederl. W.-I. Bezitt. en de kust van Guinea 's-Grav. 1859, 1860 en 1861. - Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861. - De Jonge, De opkomst v.h. Nederl. Gezag in Oost-Indië, Amst. 1862, I, 35 en 49-51. - Netscher, Gesch. v.d. Kol. Essequebo, Demerary en Berbice, 's-Grav. 1888. - Rodway & Watt, Chronological History of the Discovery and settlement of Guiana, Georgetown, 1888. - Rodway, The West-Indies and the Spanish Main, London 1899, blz. 75, 86 en 87. - Van Asch v. Wijk, Catal. d. Nederl. W.-I. Tentoonstelling te Haarlem, 1899. - Rodenburg, Scheepvaart onder Nederl. Vlag, Amst. 1902. - Reesse, De Suikerhandel v. Amst. v.h. begin d. 17de eeuw tot 1813, Haarlem 1908. - Idem, De Suikerhandel v. Amst. van 1813-1894, 's-Grav. 1911. - Gegevens betreff. Suriname, Amst. 1910. - De Lannoy et v.d. Linden, Histoire de l'expansion coloniale des peuples européens; Neerlande et Danemark, Brux. et Paris, 1911, blz. 303-311. - De Econom. en financ. toestand d. kol. Suriname, 's-Grav. 1911. blz. 52-55. - Rodway, Guiana, London and Leipsic, 1912, blz. 46, 47, 51, 249, 250 en 292. - Stewart, L. Mims, Colberts West India Policy, New-Haven, London, Oxford, 1912, blz. 21. - F.E. Mulert, T.A.G. 2e Ser. dl. XXX, 1913, blz. 38, vlg. - Van Brakel, Een Amst. factory te Paramaribo in 1613, Bijdr. en Mededeelingen Hist. Genootschap, Deel XXXV, 1914, blz. 83-86. - Siegfr. Beck, Die wirtschaftlich-soziale Arbeit der Missionsgeschäfte der Brüdergemeine in Suriname, no. 14 van de Hefte zur Missionskunde, Herrnhut, 1914. - Voorts de Moniteur des Indes, de verschillende jaargangen v.h. Staatk. en staathuishoudk. jaarboekje, de Jaarcijfers, de Koloniale Verslagen sedert 1849 en de geschriften van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Paramaribo.

B. De kolonie Curacao.

Bij de bezetting van Curaçao in 1634 schreef J. van Walbeek, de eerste ‘opper-directeur’ van dit eiland, in zijn verslag aan de Bewindhebberen der West-Indische Compagnie, dat ‘de meeste vrucht, die de Compagnie uit het bezit van dit eiland zou kunnen trekken, in de schoone haven bestaat, welke tot eene wijkplaats der Holandsche schepen, die deze wateren bevaren, kan dienen.’

Deze verwachting is door den loop der gebeurtenissen niet teleurgesteld. De tijden van welvaart, die Curaçao beleefd heeft, zijn te danken aan het handels- en scheepvaartverkeer met de omliggende landen. Het vormde de voornaamste verbinding tusschen de vroegere Spaansche bezittingen in deze streken en de buitenwereld, dank zij het bezit van een veilige haven dicht bij die bezittingen, waar, in de eerste eeuwen der Spaansche overheersching, de inen uitvoer anders dan in sommige tijden, op bepaalde punten met Spaansche schepen van of naar Sevilla en, sedert 1720, Cadix, verboden was; een verbod dat zóó zwaar op de Spaansche koloniën drukte, dat het verkeer ecn veiligheidsklep moest zoeken en deze ook vond in de Curaçaosche haven, die destijds een middelpunt van smokkelhandel werd.

Zijn toppunt van bloei bereikte dit eiland in de achttiende eeuw, vooral ten tijde van den Noord-Amerikaanschen vrijheidsoorlog, toen Curaçao de stapelplaats was voor de West-Indische producten.

Het begin van de negentiende eeuw kenmerkte zich door groote ellende en armoede, een gevolg van allerlei omstandigheden, die den handel geheel hadden verlamd. Op dit tijdperk van verval volgde een herleving van handel en scheepvaart. Hieruit ontwikkelde zich wederom groote welvaart, waarvan nog heden ten dage de sporen niet geheel uitgewischt zijn door den aanhoudenden achteruitgang van den invoerhandel, waartoe de eerste stoot gegeven werd door het besluit, in 1882 uitgevaardigd door den president van Venezuela Guzman Blanco, tot heffing van een additioneel recht van 30% op alle goederen afkomstig van de Antillen (zie ook DIFFERENTIËELE RECHTEN). Daardoor werd een gevoelige slag toegebracht aan den handel met Venezolanen, die het grootste contingent afnemers van de Curaçaosche importeurs leverden. Eenerzijds dwong deze bepaling de Venezolaansche groothandelaars hun goederen rechtstreeks uit Europa en Noord-Amerika te betrekken en anderzijds verzwaarde zij te hunnen bate de concurrentie van de Curacaosche kooplieden. Daarbij komt - afgezien van andere, door de Venezolaansche regeering meermalen genomen belemmerende maatregelen, die echter slechts tijdelijk van kracht bleven - dat in de laatste jaren de kustvaart in de naburige republiek zoodanig verbeterd is, dat de reizigers tusschen de verschillende Venezolaansche havens niet meer den duurderen weg over Curaçao behoeven te kiezen, waardoor het vreemdelingenverkeer op dit eiland nog belangrijk minder is geworden.

Desniettemin is nog altijd, bij de geringe koop-kracht van de vaste bevolking, verreweg het grootste deel van den handelsomzet te danken aan het vreemdelingenverkeer, dat voortspruit uit het drukke bezoek der booten van een achttal geregelde stoomvaartlijnen.

Met het oog daarop houden de winkels allerlei waren van den meest uiteenloopenden aard in voorraad, bestemd voor den verkoop zoowel in semi-grossierderij als rechtstreeks aan de consumenten, zoodat er geen importhuizen gevonden worden, die uitsluitend in het groot verkoopen, terwijl specialisatie ook niet plaats heeft. Naast eenige op vrij grooten

[p. 350]

voet ingerichte verkoophuizen, vindt men er een groot aantal kleinere winkels.

Een vlottende kolonie Syriërs, een klein 100-tal personen groot, concurreert met de inheemsche winkeliers. Deze Aziaten hebben vooral te Willemstad enkele winkels, maar houden zich meerendeels bezig met het rondventen van koopwaren en 't opkoopen van stapelartikelen (in het bijzonder stroohoeden), waartoe zij het geheele eiland afreizen.

Voor het plaatselijk verbruik en voor den verkoop aan doorreizende vreemdelingen worden hoofdzakelijk de volgende voortbrengselen van de Europeesche en Noord-Amerikaansche nijverheid ingevoerd: provisiën en dranken, manufacturen, sigaretten, sigaren, tabak, petroleum en andere oliën, hoeden, schoenen, gemaakte kleederen, ijzerwaren, timmerhout, leder, zakken en fusten, parfumeriën, zeep, meubelen, glas- en aardewerk, touw, medicijnen, chemicaliën, verfwaren, rijtuigen, lucifers, bewerkt goud en zilver, cement, metaalwaren, kaarsen en dakpannen. Uit omliggende plaatsen worden voor het plaatselijk verbruik ingevoerd: levensmiddelen (bruine suiker, koffie, gezouten visch, gedroogd vleesch), hoedenstroo, rum, slachtvee (runderen, geiten, schapen), stijfsel, bayrum.

Blijkens de onderstaande staten is de waarde van den uitvoer belangrijk minder dan die van den invoer. De voornaamste uitvoer-artikelen zijn: stroohoeden, dividivi, zout en oranjeschillen. Het eiland bezit buitengewoon rijke phosphaatlagen, die thans weer ontgonnen worden (Zie PHOSPHAAT).

Als kolenhaven neemt Curaçao een belangrijke plaats in. In 1912 werden 50.442 ton steenkolen door de eigenaren van de twee bestaande kolendepôts ingevoerd tegen 34.039 in 1911, 29.936 in 1910 en 25.821 in 1909. Gelegen in den weg van verschillende stoomvaartlijnen, is Curaçao in de gelegenheid om de booten van eenige dier lijnen zoomede de Nederlandsche oorlogsschepen, die in de Karaïbische zee vertoeven, en vreemde oorlogsbodems, welke somtijds de haven aandoen, van steenkolen te voorzien. Water, ijs, mondbehoeften en machine-olie worden ook veel aan die booten geleverd.

De doorvoerhandel is van groote beteekenis. Aan zijn geografische ligging eenerzijds en de geringe diepte van de haven van Maracaibo anderzijds heeft Curaçao een zeer levendig verkeer te danken met deze Venezolaansche stad, die niet toegankelijk is voor grootere stoombooten, zoodat deze verplicht zijn de voor Maracaibo bestemde goederen elders te ontladen en in kleinere vaartuigen over te schepen. Goederen afkomstig van of bestemd naar Europa worden welis waar veelal te New-York overgescheept in kleinere stoombooten, bepaald voor de vaart op Maracaibo gebouwd, doch ook Curaçao trekt een aanzienlijk deel van dezen transitohandel. Naast de goederen waarvan de in- en uitvoer voor rekening van Venezolaansche firma's van en naar Europa met overlading te Willemstad plaats vindt, worden ook groote hoeveelheden Venezolaansche producten vooral verf- en andere houtsoorten voor rekening van Curaçaosche firma's met Curaçaosche zeilschepen aangebracht en verder per stoomgelegenheid naar Europa en Noord-Amerika verzonden. Ook andere omliggende plaatsen nemen aan den doorvoerhandel deel. Huiden, vellen en dividivi, herkomstig van Columbia, in 't bijzonder Rio Hacha, en hout benevens andere natuurproducten van San Domingo worden via Curaçao verscheept naar Europa en Noord-Amerika, terwijl nijverheidsproducten in tegenovergestelde richting over dit eiland naar Columbia en San Domingo vervoerd worden.

De voornaamste producten welke in 1912 uit de omliggende plaatsen naar Europa en Noord-Amerika over Curaçao doorgevoerd werden, zijn de volgende (de hoeveelheid is uitgedrukt in 1000 K.G.): hout 18721, koffie 19925, dividivi 1482, bruine suiker 328, cacao 692, huiden en vellen 996, copaïba 24, kinabast 18 en caoutchouc 2.

Deze doorvoerhandel houdt een drukke zeilvaart in stand met de omliggende havens en komt ook de stoomvaart ten goede. Curaçao wordt geregeld aangedaan door de volgende stoomvaartlijnen: den Nederl. Kon. W.-I. Maildienst; de Duitsche Hamburg-Amerika lijn; de Eng. ‘Leyland Line’ en ‘Harrison Line’; de Ital. ‘La Veloce’; de Spaansche ‘Comp. General Transatlantica de Barcelona’, de Amer. ‘Red.-D. Line’ en sedert 1914 de ‘Seeberg Steamshipline,’ zetel te Mobile in Alabama.

In verband met de destijds naderende opening van het Panama-kanaal bracht een subcommissie uit de bij K.B. van 27-IV-'91 en 11-X-'92 ingestelde Commissie voor de handelspolitiek dd. 27-II-'12 verslag uit over haar onderzoek naar de gevolgen, die de opening van het kanaal zal kunnen hebben voor den handel en de scheepvaart van Nederland, zoo ook ten aanzien van de Nederl. Koloniën in W.-Indië, met name van de haven van Curaçao. In dit rapport hield de Commissie in 't oog het tweeledig karakter van Curaçao, nl. als overscheephaven voor producten afkomstig uit en bestemd voor Columbia en Venezuela, en als kolenstation voor stoomschepen. Uit de gegevens betreffende handels- en scheepvaartverkeer van andere belangrijke havens in de W.-I. wateren blijkt, dat, wat betreft den inhoud der binnengevaren schepen, Curaçao de zevende plaats inneemt. In vergelijking met deze havens is de haven van Willemstad van nature bevoorrecht; de schepen vinden er een ruime en rustige ligplaats en de haven is, evenals andere benedenwindsche, orkaanvrij. Voorts zijn er op het eiland goedkoope werkkrachten in voldoend aantal aanwezig; en de geringe kosten voor de scheepvaart lokken tot het aandoen van de haven, in verband waarmede de N.-Amerik. steenkolen daarheen goedkoop kunnen geleverd worden. Echter zal, naar in 't rapport wordt uiteengezet, het eiland als kolenstation waarschijnlijk veel mededinging te duchten hebben, o.a. van de in de Kanaalzône te vestigen kolenstations.

De Commissie meent, dat de opening van het kanaal niet alleen de scheepvaart in de Karaïbische Zee zal verlevendigen, maar ook in aanzienlijke mate aan de haven van Curaçao zal ten goede komen; het eiland ligt gunstig voor de scheepvaart tusschen dat kanaal en Z.-Amerika's Oostkust en Afrika, maar minder op den weg van het groote verkeer tusschen het kanaal en de Oostkust van N.-Amerika en N.-Europa. Venezuela en Columbia, landen met groote natuurlijke hulpbronnen, zullen zich in den loop der tijden ontwikkelen en als achterlanden van Curaçao van beteekenis worden, omdat de havens dezer landen ongeschikt zijn om het wereldverkeer te ontvangen en daartoe, naar het schijnt, niet of slechts met groote bezwaren zijn in te richten. De haven van Curaçao zal dus, naar het oordeel der Commissie, zoo spoedig mogelijk zoodanig verbeterd moeten worden, dat zij haar evenredig aandeel zal kunnen krijgen in de voordeelen, die uit de toenemende scheepvaart in de Karaïbische Zee zullen voortvloeien. Met deze verbetering bedoelt de Commissie een krachtig voortzetten van 1o. de verbreeding hoofdzakelijk

[p. 351]

van den mond der St. Annabaai en 2o. het opruimen der ondiepten in het Schottegat; het bouwen van een aanlegplaats voor groote schepen, met opslagplaatsen en een verkeersweg langs de oostzijde van de baai; voorts beveelt zij aan verbetering van de watervoorziening en van de kust- en havenverlichting, en ten opzichte van een groot dok het aannemen eener afwachtende houding, totdat de behoefte aan zulk een inrichting zal gebleken zijn.

Als desideratum voegt C. Aronstein (De Gids, 1912, IV, 526) hieraan toe een quarantaine-inrichting, waar goederen in quarantaine gelost en geladen kunnen worden. Curaçao zelf, schrijft hij, heeft het voordeel van een gezond eiland te zijn, op de overige eilanden der Antillen komen somtijds epidemische ziekten voor, die quarantaine-maatregelen noodzakelijk maken. Een dergelijk goed ingericht station vindt men in de Caracas-baai, op ongeveer een half uur stoomen van de Annabaai gelegen, maar de overscheephaven Curaçao heeft een station in hare onmiddellijke nabijheid noodig.

In Octob. 1912 zond de Gouverneur aan den Kol. Raad een missive, houdende mededeeling, dat ter verbetering van de haven en in 't belang van de scheepvaart de volgende werken zullen worden uitgevoerd:

‘De havenmond zal worden verbreed tot op 80 meter en uitgediept tot op 10.8 meter beneden Curaçaosch peil; het rif in het Schottegat tegenover de uitmonding van de Annabaai zal worden opgeruimd’.

Ter verbetering van de havenverlichting zullen bestaande lichten verbeterd en nieuwe lichten aangebracht worden, o.a. op Klein-Curaçao en op de N.-W. punt van Curaçao. De kosten voor aanschaffing van een zandzuiger en voor de havenverbetering zijn begroot op onderscheidenlijk ƒ72.000 en ƒ50.000.

Ten opzichte van deze verbeteringen meldt het Kol. Verslag van 1912: ‘Zooals in het verslag van 1911 is medegedeeld, lag het in het voornemen om in elk geval, d.w.z. ook zonder dat daarbij rekening gehouden wordt met de eventueele gevolgen voor Curaçao van de totstandkoming van het Panama-kanaal, de verbetering van de haven van Willemstad ter hand te nemen. Tot dat doel zijn bij de begrooting over het loopend dienstjaar kredieten toegestaan, ter aanvulling van die, welke ter zelfder tijd ten laste van de begrooting voor 1911 zijn verleend. De werkzaamheden zijn in gang.’

Volgens de Memorie van toelichting behoorende bij de koloniale begrooting voor 1915 zou de havenverbreeding niet in 1914 ten einde gebracht kunnen worden. De zandzuiger bleek, omdat er geen zand te zuigen viel, ongeschikt en mitsdien werd er ‘in Amerika’ een baggermachine besteld, een artikel dat de Nederlandsche industrie voor heel de wereld vervaardigt. Ondertusschen werd een proef genomen met de baggermachine, die de Curaçaosche Handelsmaatschappij heeft laten uitkomen. De kosten voor de verbetering van de St. Annabaai zijn, volgens dezelfde Memorie, begroot op ƒ242.000, en op 30 Juni 1914 was nog onverwerkt ƒ105.600.

Ook de schrijver van bovengenoemd Gids-artikel meent, dat de voorgestelde verbeteringen, afgezien van elken invloed van het Panama-kanaal, dringend noodig zijn en met de meeste voortvarendheid dienen te worden uitgevoerd. ‘Want nu reeds kan met besliste zekerheid gezegd worden, dat in Curaçao schade geleden wordt door den onvoldoenden toestand van de haven. Het is toch, om een voorbeeld te noemen, bekend, dat verscheidene van de vele groote toeristenschepen welke de Antillen ieder jaar bezoeken Curaçao niet aandoen, enkel en alleen, omdat de kapiteins het niet verantwoord achten met hunne lange schepen door de nauwe vaargeul naar binnen te gaan’. Zij varen dicht langs het eiland heen om den reizigers te doen genieten van het aan zee gelegen en tegen de heuvels opklimmend, roodgeel-wit-groene huizencomplex van Willemstad, de stad, die een schrijver over de haven van Curaçao (‘Een werkelijkheid die moed geeft’, N. Rott. Ct. 2 Oct. 1912) geestig een tropisch Stavoren of Vlissingen, een tropisch Broek in Waterland, een tropisch Marken genoemd heeft*).

Op verbetering van de haven en hare annexen ter wille van de voor de deur staande behoefte aan een georganiseerd West-Indisch verkeer, wordt door denzelfden schrijver aangedrongen in de N. Rott. Ct. van 1 Oct. 1912 (‘Een sprookje dat ontmoedigt’), waar hij betoogt, dat voor de West-Indiën Curaçao een centrum kan zijn. ‘Men komt gemakkelijk van Cuba naar Nieuw-York, van Belize (Britsch Honduras) of van Jamaïca naar Londen, van Guadeloupe naar Havre, van Curaçao naar Barcelona en Genua, van St. Thomas naar Hamburg; maar om van Cuba naar zijn buur St. Thomas, van Barbados naar zijn buur Guadeloupe, van Curaçao naar Jamaïca te komen, is - als men het niet met een toevallig varenden schoener aan wil of aan kan - voor lading en passagiers in den regel een heksentoer.’

Curaçao is sedert 1889 aan het wereldtelegraafnet aangesloten door de ‘Comp. française des cables télégraphiques’. Bovendien bezit het een kuststation voor draadlooze telegrafie. Kleinere radiografische stations zijn ook gevestigd op Aruba en Bonaire en verzekeren aan deze eilanden een snelle verbinding met Curaçao en, door tusschenkomst van die hoofdplaats, met het buitenland.

Hier worde nog vermeld dat de firma S.E.L. Maduro en Zonen te Willemstad in het Schottegat een nieuwen steiger voor groote zeeschepen heeft doen bouwen, waardoor het kolenladen, waarin Curaçao reeds een goeden naam heeft, nog aanzienlijk wordt verbeterd.

De verschillende eilanden der kolonie zijn onderling verbonden door zeilschepen. Het drukst is het verkeer van Curaçao met Aruba en Bonaire. De verbinding tusschen de Benedenwindsche eilanden en die Boven den Wind wordt onderhouden door één zeilschip, dat ongeveer éénmaal in de maand één rondreis volbrengt.

De zeilschepen van Aruba en Bonaire varen ook op Venezuela, en, wat betreft eerstgenoemd eiland, bovendien op Rio Hacha. Enkele natuurproducten, afkomstig van de vaste kust, zooals hout, huiden en dergelijke, vinden hun weg naar het buitenland over deze eilanden, die ze evenals hun eigen voortbrengselen, voornamelijk aloëhars, goud, pinda's, dividivi en geitenvellen, voor zoover betreft Aruba, en dividivi, aloëhars, geitenvellen, mest, en stroohoeden, wat Bonaire aangaat, via Curaçao naar de plaats van bestemming verzenden. Rechtstreeks naar het

[p. 352]

buitenland verscheept Aruba phosphaat en Bonaire zout.

De invoer van beide eilanden is hoofdzakelijk bestemd voor het plaatselijk verbruik.

De Bovenwindsche eilanden St. Martin (Ned. Ged.), St. Eustatius en Saba, hebben in vroegere eeuwen tijden van groote welvaart gekend. St. Eustatius was gedurende lange jaren de belangrijkste en de meeste winsten afwerpende bezitting der West-Indische Compagnie in de Antillen. In de achttiende eeuw kwamen daar schepen van alle naties de voortbrengselen der Europeesche industrie inruilen tegen West-Indische producten en bereikte het eiland zulk een grooten bloei, dat het toenmaals terecht een ‘Gouden Rots’ genoemd kon worden. Een rooftocht van de Engelschen onder admiraal Rodney in 1781, waarbij St. Eustatius geheel uitgeplunderd werd, was het begin van een toenemend verval der Bovenwindsche eilanden. Thans is hun handel zeer beperkt en bepaalt zich tot den invoer van verbruiksartikelen, hoofdzakelijk voor de plaatselijke consumptie, en den uitvoer van producten, waarvan de voornaamste zijn katoen en zout van St. Martin; katoen, andere landbouwproducten en groot en klein vee van St. Eustatius, en kantwerk van Saba. Deze eilanden zijn niet opgenomen in het vaarplan van de geregelde stoomvaartlijnen. Alleen St. Martin wordt enkele malen in het jaar aangedaan door een stoomboot van of naar Noord-Amerika. De drie Bovenwindsche eilanden zijn onderling en met het Engelsche St. Kitts verbonden door zeilschepen en bovendien, vooral St. Martin, met het Deensche eiland St. Thomas. St. Martin wordt verder bezocht door schepen die er zout gaan halen, St. Eustatius door Noord-Amerikaansche walvischvaarders, welke er mondbehoeften inslaan, en Saba door enkele grootere zeilschepen bemand met van dit eiland afkomstige zeelieden, die van tijd tot tijd met hun schip hun achtergelaten betrekkingen gaan bezoeken.

Omtrent den handel en de scheepvaart - inzonderheid van het eiland Curaçao - meldt het Kol. Versl. van 1912, dat het jaar 1911 een bij uitstek gunstig jaar kan genoemd worden. De ruime koffieoogst van Venezuela, het feit, dat de handel tusschen Europa en de nabij Curaçao gelegen republieken hoe langer hoe meer zijn weg over Curaçao neemt, de groote vlucht welke de hoeden-industrie genomen heeft, zijn factoren die tot een gunstige uitkomst geleid hebben. Dank zij den opbloei der hoeden-industrie en het drukke havenverkeer kan bevestigd worden, dat, ondanks het bijna geheel mislukken van den maïs-oogst in 1910/1911 over een groot gedeelte van de kolonie, en niettegenstaande het seizoen 1911/12 zeer ongunstig verliep, de koopkracht der bevolking in 1911 aanmerkelijk grooter wat dan in de voorafgaande jaren.

Vergelijkt men den invoer van de geheele kolonie van 1910 met dien van 1911, dan blijkt dat hij heeft bedragen in 1910 ƒ3.291.861, in 1911 ƒ4.325.614. Deze vermeerdering komt bijna geheel voor rekening van het hoofdeiland. De uitvoer bedroeg in 1910 ƒ1.121.105, in 1911 ƒ1.952.330; na aftrek van de waarde der uitgevoerde steenkolen en het uitgevoerde ijs, artikelen die in 1911 voor het eerst in de uitvoerstaten opgenomen zijn, blijft er nog een verschil van ƒ310.139 ten gunste van 1911 over. Ook hier komt de vermeerdering voor het overgroote deel op rekening van het hoofdeiland. Van grooten invloed op den economischen toestand van Curaçao, bepaaldelijk op het eiland van dien naam, is in 1911 de doorvoerhandel geweest, die aanzienlijk toenam.

De scheepvaart was in 1911 levendiger dan in 1910. De handel van Europa en Amerika naar Maracaibo neemt meer en meer zijn weg over Curaçao; zulks kwam ook aan de Curaçaosche zeilvaart ten goede, die in 1911 bepaald voordeelig was. De schoeners die hout en dividivi van de nabij Curaçao gelegen republieken naar Curaçao brengen ten verderen doorvoer behoeven thans niet meer zoo vaak als vroeger de terugreis op ballast te maken, maar kunnen dikwijls retourlading krijgen.

Volgens het Kol. Versl. van 1913 waren de invoer en de uitvoer in 1912 weder toegenomen, de eerste met ƒ531.067, de tweede met ƒ473.211. De vermeerdering van den invoer komt, met ruim ƒ450.000, voor het grootste deel voor rekening van het eiland Curaçao en is hoofdzakelijk toe te schrijven aan den vermeerderden invoer van steenkolen, van hoedenstroo, van timmerhout en bladkoper (voornamelijk voor den scheepsbouw) en van maïs-meel, van boonen en erwten en van veevoeder, wegens de mislukking van den maïs-oogst en de groote droogte. Ook de invoer van sommige genotmiddelen en artikelen van weelde steeg belangrijk. Tot vermeerdering van den uitvoer hebben vooral bijgedragen steenkolen en hoeden (+ ƒ535.500). De doorvoer verminderde met bijna 7000 ton, voornamelijk door het verminderd transport van dividivi en van hout.

De volgende cijfers geven een overzicht van den invoer uit en den uitvoer naar het buitenland van de afzonderlijke eilanden der kolonie over 1911 en 1912.

INVOER in guldens. waarvan uit Nederland in 1912.
1911 1912
Curaçao 3.430.696 3.890.123 516.283
Aruba 359.136 446.894 21.401
Bonaire 260.014 236.560 15.687
St. Martin 162.659 152.074 1.198
St. Eustatius 44.062 52.532 2.280
Saba 69.047 78.498 517
  _________ _________ _________
  4.325.614 4.856.681 557.366

UITVOER in guldens. waarvan naar Nederland in 1912.
1911 1912
Curaçao 1.181.433 1.656.025 15.781*)
Aruba 481.207 548.918 34
Bonaire 120.341 108.633  
St. Martin 110.517 60.613  
St. Eustatius 46.972 43.419  
Saba 11.860 7.933 47
  _________ _________ _________
  1.952.330 2.425.541 15.862

[p. 353]

Inklaringen uit Nederland.

Totaal. Onder Ned. vlag.
Schepen. Tonnen. Schepen. Tonnen.
1832 2 300 2 300
1833 1 158 0 0
1834 2 300 2 300
1835 2 273 2 273
1836 3 646 3 646
1837 6 1444 5 1294
1838 4 859 4 859
1839 4 612 4 612
1840 3 478 2 308
1841 4 574 4 574
  __ ____ __ ____
totaal 31 5644 28 5166

Uitklaringen naar Nederland.

Totaal Onder Ned. vlag.
Schepen Tonnen Schepen Tonnen
1832 2 300 2 300
1833 1 150 0 0
1834 3 308 2 308
1835 2 247 2 247
1836 2 246 2 246
1837 2 362 2 362
1838 2 372 1 213
1839 4 634 3 464
1840 4 595 4 495
1841 4 520 4 520
  __ ____ __ ____
totaal 26 3734 22 3255

De tonnenmaat dezer 57 schepen was 9378 ton, de gemiddelde scheepsruimte der schepen dus 165 ton.

Aantal schepen dat de haven van Curaçao heeft aangedaan:

Schepen. Inhoud.
1850 605 88.167 M3.
1860 876 124.525 M3.
1870 1174 185.650 M3.
1880 1229 644.038 M3.
1890 1208 952.562 M3.
1900 1204 1.231.715 M3.

Litt. Curaçao in 1817. Medegedeeld door Dr. J. de Hullu. Bijdr. tot de taal-, land- en volkenk. v. Ned. Indië, deel 67 (1913) blz. 594-603. - M.D. Teenstra. De Nederl. W.I. Eilanden. Amst. 1836/37, 2 dln. - Bijdr. tot de kennis der Nederl. en vreemde koloniën. Utr. 1844, blz. 281. - H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela. Leiden 1904, blz. 328-331. - Curaçao-nummer van Neerlandia, Juli, Aug. 1905. - J.C. Lohman. De toekomst van Curaçao als Nederl. wereldhaven in W.I. Paramaribo, 1908. - H.P. de Vries. De toekomst van Curaçao in verband met de opening van het Panama-kanaal. Curaçao 1909. - O.C.A. van Lidth de Jeude. De Haven van Curaçao. 1910. - Jhr. J.O. de Jong van Beek en Donk. De econ. beteekenis van de haven van Willemstad, Tijdschr. v. econ. geogr. 15 Febr. 1911. - C. Aronstein. De haven van Curaçao en het Panamakanaal. De Gids. Dec. 1912. - Stewart L. Mims, Colbert's West-India Policy, New Haven, London, Oxford, 1912. - C.G. de Haseth Cz. What the Panama canal means to Curaçao. The Netherland Chamber of Commerce in America. Tenth annual report for the year ending March 31, 1913. Appendix D. - Dr. H. Blink. Curaçao en zijne econ. hulpbronnen. Tijdschr. v. econ. geogr. 15 Juli 1913. - Mr. J.G. Fabius. De Curaçaosche Bank. De Economist Mei en Oct. 1913. Het Nederl. Zeewezen, 1913 blz. 211.

Staat van de vaartuigen die de kolonie Curaçao in 1912 aandeden.

VLAG. Curaçao Aruba Bonaire St. Martin N.G. St. Eustatius Saba
Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3. Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3. Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3. Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3. Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3. Getal vaartuigen Bruto inhoud in M3.
Nederlandsche 842 452.553 395 47.810 490 31.230 295 21.474 235 8.709 108 9.748
N. Amerikaansche 177 787.685 2 2.303 2 4.419     10 3.947 2 4.822
Columbiaansche 61 10.367 46 6.380 11 3.159            
Dominicaansche 32 8.363 1 186 1 711            
Duitsche 50 486.010 1 4.271                
Engelsche 53 415.100 1 409 5 3.848 35 6.508 6 618 14 2.519
Italiaansche 25 272.054                    
Noorsche 11 47.569 2 3.148                
Spaansche 12 169.709                    
Venezolaansche 165 63.750 12 1.073 41 1.898            
Fransche     4 6.316     23 5.782 1 52    
Zweedsche     2 3.358                
  ____ _________ ___ ______ ___ ______ ___ ______ ___ ______ ___ ______
Totaal 1912 1428 2.713.160 466 75.254 550 45.265 353 33.764 252 13.326 124 17.089
Totaal 1911 1538 2.534.982 488 78.151 570 51.796 443 68.245 326 21.060 121 24.828
Totaal 1910 1588 2.376.651 407 61.939 626 41.821 471 68.976 272 13.664 114 14.457
Totaal 1909 1619 2.177.058 325 47.396 766 51.237 487 42.775 361 16.552 150 19.819
Totaal 1908 1657 1.176.744 278 67.097 623 45.798 377 50.985 346 16.167 179 18.596

[p. 354]

Handel-Maatschappij (de Nederlandsche).

De vestiging van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Suriname hangt samen met de slaven-emancipatie in 1863.

Na de aannemenig van de wet op de vrijlating hadden de Nederlandsche groot-grondeigenaars, voor gebrek aan werkkrachten vreezende, de meeste plantages aan Surinamers verkocht, die echter niet kapitaalkrachtig genoeg waren om hunne ondernemingen behoorlijk te doen ontginnen en zich dan ook meestal spoedig genoodzaakt zagen de in cultuur gebrachte akkers sterk in te krimpen. Hierdoor bleven de aanvragen om immigranten gering, zoodat de aanvoerkosten hoog werden, hetgeen wederom de planters verhinderde eene behoorlijke winst te maken en hen zelfs dwong hunne ondernemingen nog verder in te krimpen. Ten einde uit dezen noodlottigen kringloop te geraken, werden pogingen aangewendom de ontginning uit te breiden door het groot-kapitaal weder voor de Kolonie te winnen; goede landerijen waren thans goedkoop te krijgen en dat - bij exploitatie in het groot - winst gemaakt kon worden, bleek uit de gunstige uitkomsten door de overgebleven Hollandsche eigenaren verkregen. Nadat pogingen tot oprichting van eene West-Indische Landbouw-Maatschappij mislukt waren, werd de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangezocht en bereid gevonden den grooten landbouw in Suriname ter hand te nemen.

In November 1867 werd hiertoe de plantage Resolutie voor de som van ƒ250.000.- aangekocht. Deze onderneming, gelegen aan de Beneden-Suriname-rivier (district Beneden Cottica), bezat eene bruikbare suikerfabriek met bij behooren de stijlerij voor de bereiding van rum, en was groot 2843½ akkers (1 akker = ± 0.42 H.A.), waarvan tot dusverre 412 met suikerriet en 110 met bananen beplant waren; het overblijvende was woeste grond, doch voor de cultuur geschikt te maken, terwijl er voorts mogelijkheid bestond bij latere verdere uitbreiding de aan de onderneming grenzende domeingronden in allodialen eigendom te verwerven. Men kon hier dus in beginsel alle factoren aanwezig achten, noodig voor de verwezenlijking van het door de Nederlandsche Handel-Maatschappij gestelde doel; het drijven van de suikercultuur op groote schaal en de vestiging van eene model-inrichting.

Hiertoe werden moeite noch kosten gespaard. Het aantal in ontginning gebrachte akkers werd gestadig uitgebreid en bedroeg in 1874 reeds 900. Aan grondbewerking en aanplant werd voortdurend groote zorg besteed, zoodat dan ook de opbrengst per akker in een achttal jaren van ¾ tot 1½ vat (van 1676 pond) steeg.

De toeneming der productie leidde in 1873/4 tot uitbreiding van de fabriek en vernieuwing van de machinerieën. Bij deze gelegenheid werd in Suriname, waar tot dusverre de suiker steeds in open pannen gekookt was, voor het eerst eene vacuum-installatie ter bereiding van geraffineerde suiker in werking gesteld.

Zooals overal in Suriname bleef ook op Resolutie de voorziening in de werkkrachten een aanhoudende zorg, vooral met het oog op de sterke uitbreiding van de bebouwde oppervlakte. Ter aanvulling van de ten getale van 500 op de plantage aanwezige vrijgelatenen werden terstond 250 Chineezen uit Hongkong besteld, die veel geschikter werklieden bleken dan de meerendeels onhandelbare negers.

Bij de beëindiging van het Staatstoezicht in 1873 vertrokken ruim 200 geëmancipeerden, die vervangen werden door Chineezen uit Java (door de Nederlandsche Handel-Maatschappij zelve aangevoerd) en door Britsch-Indische koelies. Deze waren van een zwak gestel, zoodat vele ziekten onder hen uitbraken en in 1½ jaar tijds 71 sterfgevallen op een getal van 500 immigranten voorkwamen. Gelukkig verbeterde dit na 1874, toen de Britsch-Indiërs met 't klimaat vertrouwd raakten en verder het geneeskundig toezicht streng werd gehandhaafd.

Dank zij de verbeterde regeling van de immigratie hij de wet tot bevordering van den aanvoer van vrije arbeiders in Suriname (14 Nov. 1879, St. bl. 202) kon de Nederlandsche Handel-Maatschappij uitvoering geven aan haar voornemen de bevordering van den grooten landbouw nog krachtiger dan tot dusverre ter hand te nemen door de oprichting van eene Centraalfabriek.1) Het stelsel berust hierbij op verdeeling van arbeid, doordat de planters niet zelf het suikerriet met (meerendeels verouderde) machines vermalen, maar het tegen eene zekere vergoeding aan de fabriek afleveren, die door haar uitstekende machinerieën en in het groot werkende, in staat is tegen een lagen kostprijs de suiker te maken.

Op de door de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangekochte plantage Mariënburg aan den linkeroever der Commewijne werd een bij uitstek geschikt terrein voor de fabriek gevonden, waarna met de omliggende plantages Visserszorg, Alkmaar, Zoelen, Voorburg en Susannasdaal voor de levering van riet eene overeenkomst gesloten werd op een basis van 4 (later verhoogd tot 5) K.G. suiker voor elke 100 K.G. afgeleverd riet.

De bouw van de fabriek, die, met een maal-vermogen van 300.000 K.G. riet per dag, op één na de grootste der wereld zou worden, werd opgedragen aan de firma Cail & Cie. te Parijs, die reeds vele dergelijke fabrieken in Guadeloupe en Martinique ingericht had.

Met een tiental schepen werden de benoodigde steenen en machinerieën naar de kolonie overgebracht. In 1881 werd met den bouw aangevangen en in October 1882 was de fabriek maalklaar.

De Nederlandsche Handel-Maatschappij breidde na de totstandkoming van de wet op het immigratiefonds van 1879 haar belangen in deze kolonie nog verder uit. Zoo werd in 1880 de cacao-plantage Mon Trésor aangekocht. Beweegredenen tot den aankoop waren eensdeels de voordeelen, tot dusverre in de kolonie met de cacaocultuur behaald, anderdeels de omstandigheid, dat de vrouwen en kinderen der immigranten hier geregeld werk zouden kunnen vinden.

Verder besloot de Nederlandsche Handel-Maatschappij ook over te gaan tot ontginning van goudvelden. In 1880 werden daartoe twee placers gepacht. Maar al te spoedig echter moesten de hooggestemde verwachtingen prijsgegeven worden.

Op de plantage Resolutie werd, niettegenstaande al het daaraan ten koste gelegde, de opbrengst per akker steeds geringer; hij bleef minstens ⅓ beneden dien van andere ondernemingen, die veel minder zorg aan den aanplant besteedden en met slechte machineriëen werkten. Uit onderzoek door deskundigen bleek, dat tengevolge van de te groote nabijheid van de zee en de veenachtige gesteldheid van den bodem deze langzamerhand verarmde. Bemestings-

[p. 355]

proeven brachten geen verbetering en toen de buitengewone droogte in de jaren 1883 en 1884 den aanplant voor een groot deel vernield had, achtte men het, ook in verband met de toenmalige zeer lage suikerprijzen, niet geraden de plantage, die alleen in zeer gunstige omstandigheden nog winst zou kunnen afwerpen, met groote kosten in stand te houden, zoodat tot staking van 't bedrijf besloten werd. De fabriek werd afgebroken en de machinerieën werden naar de Centraalfabriek Mariënburg overgebracht, waar ook het nog te velde staand riet zou worden vermalen. In 1886 werd Resolutie voor £300 verkocht.

Mon Trésor beantwoordde evenmin aan de verwachtingen; de cacao-aanplantingen wilden niet gedijen, deels een gevolg van slecht beheer, deels van de minder goede hoedanigheid van den bodem. In 1885 werd ook deze plantage verkocht.

De goud-delving leverde niets dan teleurstelling. Wel werd in 1882 een placer van 5000 H.A. aan de Sara-kreek gepacht, dat goud-houdend bleek te zijn, doch door het gemis aan betrouwbare leiders van de ontginnings-expedities werd steeds verlies geleden. Later werd dit placer eenige malen aan anderen in onderhuur afgestaan, doch toen ook deze er geen winst konden behalen, besloot men in 1908 de pacht niet langer voort te zetten.

Op de Centraalfabriek Mariënburg scheen in den eersten tijd alles naar wensch te gaan. Een tegenvaller was welis waar geweest, dat de kosten van den bouw de aanvankelijke raming van ƒ1.200.000 met ƒ450.000 hadden overschreden, doch men bezat nu ook eene uitstekende fabriek, in staat groote hoeveelheden riet tegen een lagen kostprijs te verwerken. In de kolonie bleek de oprichting van de Centraalfabriek den ondernemingsgeest te hebben doen ontwaken.

Er werd meer kapitaal in de plantages gestoken, meer zorg aan de teelt besteed en de aanplant aanzienlijk uitgebreid. Het eerste jaar van 't bedrijf der fabriek werd dan ook eene, zij het geringe, winst behaald.

De volgende jaren brachten echter zwaren tegenslag. In 1883 oefende de droogte een zeer ongunstigen invloed uit op de riet-opbrengst; in 1884 was de weersgesteldheid niet veel beter en toen hierbij eene groote daling in de suikerprijzen kwam, waren de eigenaars der plantages Alkmaar en Zoelen niet meer gezind of bij machte de zaak voort te zetten. Voor de fabriek was deze staking van hoogst bedenkelijken aard, daar gebleken was, dat bij de heerschende prijzen slechts het dubbele van het tot dusverre jaarlijks afgeleverde riet (+ 20.000.000 K.G.) winst zou kunnen geven; en thans zou de aanvoer nog geringer worden. Onder deze omstandigheden werd besloten op Zoelen den rietbouw voor eigen rekening voort te zetten en tevens op Mariënburg een eigen aanplant te beginnen, waartoe de koelies van de verlaten plantages Resolutie en Mon Trésort uimuntend konden gebezigd worden.

Voorts werden verschillende bezuinigingen ingevoerd, werd de sap-extractie veel verbeterd en de rietproductie vergroot, zoodat in de campagne 1886/7 voor het eerst weder winst behaald werd.

Om de rietleveringen op peil te houden, moesten voortdurend de eigen aanplantingen op Mariënburg en Zoelen uitgebreid worden, daar die van de andere plantages telken jare verminderden, en toen in 1891 de laatste onder contract werkende onderneming Visserszorg door de Nederlandsche Handel-Maatschappij aangekocht en in eigen beheer genomen moest worden, was het oorspronkelijke denkbeeld van eene Centraalfabriek geheel verloren gegaan; de Nederlandsche Handel-Maatschappij had in het vervolg zoowel voor den aanplant als voor de verwerking zorg te dragen.

In 1897 en volgende jaren werd het suikerriet door roodsnot aangetast, welke ziekte vooral in 1901 met buitengewone hevigheid optrad. Mede op aanraden van Professor Went uit Utrecht, die in laatstgenoemd jaar eene reis door de Kolonie maakte, werden van andere plantages afkomstige riettoppen als plantmateriaal gebezigd, hetgeen een doeltreffend middel ter bestrijding van de ziekte bleek te zijn. Eenige jaren te voren had men reeds, ter veredeling van het riet, beproefd de Javaansche plantwijze in te voeren. De zware Surinaamsche kleigrond bleek hiervoor echter niet geschikt.

Aan het werklieden-vraagstuk bleef de Nederlandsche Handel-Maatschappij voortdurend hare aandacht wijden. Zoo was zij het, die in 1891 de eerste Javanen in Suriname bracht. Reeds vroeger (in 1873 en 1883)) had zij hiertoe pogingen aangewend, die echter op Java zelf waren afgestuit. Ditmaal kon zij slagen, dank zij den steun van den Minister van Koloniën en vooral van den Gouverneur van Suriname, die voor den aanvoer van de eerste 100 Javanen premiën had uitgeloofd. De immigranten voegden zich spoedig naar de luchtstreek en bleken bruikbare werkkrachten, zoodat weldra verdere aanvoer volgde, weder door bemiddeling van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, wier Factorij te Batavia zich in 1892 bereid verklaarde voor loopig als werfagent voor de Regeering op te treden, een ambt dat zij tot 1905 bleef waarnemen.

Teneinde het aantal vrije arbeiders te vermeerderen, besloot de Nederlandsche Handel-Maatschappij in 1899 aan immigranten, wier contract afgeloopen was, kleine perceelen voor uiterst lagen prijs af te staan, onder verplichting een bepaald aantal dagen in het jaar veldarbeid in dienst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij te verrichten. Veel gebruik werd hiervan echter niet gemaakt, het meest nog door Britsch-Indiërs.

Tengevolge van het stoken van eenige kwaadwilligen uit Demerary barstte op 29 Juli 1902 een opstand onder de koelies uit, die den directeur van Mariënburg het leven kostte.

De volgende jaren werd weinig last van het werkvolk ondervonden, daar tengevolge van de krulloten-ziekte, vele cacao-plantages zich genoodzaakt zagen hare koelies af te danken, zoodat de Nederlandsche Handel-Maatschappij met de besten onder hen kon hercontracteeren.

Aan dezen overvloed van werkkrachten maakte de invoering der bacoven-teelt een einde. De Nederlandsche Handel-Maatschappij gaf van hare belangstelling in de kolonie blijk door de oprichting van de Surinaamsche Cultuur-Maatschappij, die de aan het gecontracteerde areaal ontbrekende hectaren voor hare rekening nam.

Dank zij de tot standkoming van de Brusselsche Conventie in 1903, kon het verkregen product sedert tot bevredigende prijzen van de hand gezet worden. De omstandigheden echter waaronder de suikercultuur in Suriname moet worden gedreven, maken dat de kostprijs in den regel hoog is, zoodat het bedrijf geen winst meer oplevert, zoodra de verkoop-prijzen eenigszins belangrijk dalen.

De markt voor de Mariënburg-suiker is, wat het eerste product betreft, tegenwoordig voornamelijk New York. Vóór 1901 werd de suiker gewoonlijk naar Engeland verscheept. Consignatie naar Neder-

[p. 356]

land vond slechts in de tijden van de plantage Resolutie plaats. Het tweede product daarentegen vindt in Nederland geregeld plaatsing. In de kolonie zelve wordt, behalve eene vrij belangrijke hoeveelheid consumptie-suiker, ook brandspiritus verkocht, terwijl de gestijlde rum grootendeels naar Curaçao verscheept wordt. (Zie ook Ind. Mercuur, 1907 blz. 803.)

Hangmat.

Het ‘hangend bed’ was reeds den ouden Grieken bekend. Alcibiades heeft het gebruikt, maar de Indianen hebben het zelfstandig uitgevonden. Hoe Nederlandsch het woord er ook uitziet, zoo is het toch niet - zooals sommige Fransche schrijvers meenen - van Germaanschen, maar van Indiaanschen oorsprong. Het is niet een mat, die hangt, maar een verbastering van het Indiaansche woord amak, dat in Europa reeds sedert het midden van de 16de eeuw bekend is; o.m. spreekt Ralegh, Discov. of Guiana, 1596 reeds van de ‘cotton Hamaca, which we call brasill beds’, R. Harcourt, Voy. Guiana, 1613 van ‘Hamaccas, which are Indian beds’, David Pietersz. de Vries, die in 1634 Guiana bezocht, vertelt in zijn reisverhaal - zie blz. 197 van de uitgave van Dr. Colenbrander - van een indiaan, die door een tijger ‘uyt zijn Amack’ gehaald wordt en Herlin, Beschr. v.d. Volkplantinge Zuriname, Leeuwarden 1718, blz. 127 spreekt van de bedden van katoen der Karaibanen, die deze Amakken noemen. (Zie uitvoerige bronnenopgave in ‘A new English Dictionary on historical principles,’ edited by James A.H. Murray, Oxford 1901). De Engelsche Fransche, Italiaansche en Spaansche benamingen, resp. hammock, hamac, amaca, en hamaca, zijn dichter bij het oorspronkelijke gebleven dan de Nederlandsche. Volgens sommige schrijvers zou amak de Karaïbische naam zijn van den boom, welks bast gebruikt werd om de hangmatten te vervaardigen. De Goeje - Toemoekhoemak expeditie, blz. 206 - noemt het woord Arowaksch. Zooveel is zeker, dat in Suriname de Arowakken hunne hangmatten maken van de bladvezels van de Mauritia flexuosa of van Bromelia Pinguim, terwijl de Karaïben daarvoor katoen gebruiken. (Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 106). Ook de Boschnegers weven katoenen hangmatten. Voor den Indiaan is de hangmat stoel, rustbank en bed; vandaar dat hij steeds in zijn hangmat ligt, wanneer hij niets te doen heeft. In de Guiana's gebruikt men de hangmat zeer algemeen, vooral bij verblijf in de bosschen. Ze is dan van zeildoek of van katoen en in den regel van Europeesch maaksel. Men ligt het best dwars of volgens de diagonaal in de hangmat. Nieuwelingen, die er overlangs in liggen, rollen er soms uit. Een bultzak in de hangmat wordt niet gebruikt, wel veelal een muskieten-net, dat in het bosch beschermt tegen insecten en bloedzuigende vleermuizen. De Indianen, die geen net gebruiken, onderhouden 's nachts een vuurtje onder de hangmat, als bescherming tegen insecten en tegen de koude.

Hangnestvogels.

sur. Zie ICTERIDAE.

Hapale.

Apengeslacht behoorende tot de Fam. Hapalidae (Zie SIMIAE). In C. en Z. Amerika komen verscheidene soorten voor; de in Suriname aangetroffen soort is volgens Kappler H. midas en is bekend als Sagoewinki, arow. Srerle, kar. Koesiri. Zij leven in troepjes van ongeveer twintig. Rug zwart en grijs, pooten oranje-geel, staart zwart. Haar zijdeachtig. Groote ooren. Worden zeer tam.

Haplopagrus guntheri

Gill. Pargo, pap. Fam. Lutianidae, snappers. Zeevisch. Verspreiding: westkust van tropisch Amerika, van Guaymas tot Panama; bij Aruba. De bek is tamelijk lang en puntig, de mond klein. De zijtanden in de beide kaken zijn rond en maaltandachtig. In de bovenkaak twee hondstanden en op het ploegschaarbeen drie tot vijf maaltanden. De voorste neusgaten bevinden zich ieder aan het einde van eene voeldraadachtige buis, voor aan den bek. De oogen zijn klein. De rugvinstekels zijn laag, de rugvinstralen en de aarsvinstralen hoog. De borstvinnen zijn lang en sikkelvormig. De staartvin is kort, een weinig uitgerond. Van boven is de kleur groen, de buikzijde koperachtig bleekrood. Op de zijkanten zijn acht ongelijk geplaatste bruine dwarsbanden. Er is eene ronde vlek aan den voet van de laatste zachte rugvinstralen. De borstvinnen hebben eene donkere halvemaanvormige vlek aan het begin. De buikvinnen hebben zwarte toppen. Boven op den kop zijn eenige donkere vlekjes. De volwassenen zijn bijna effen olijfkleurig met koperkleurigen onderkant. Deze visch levert een algemeen voedsel.

Harder,

sur. Zie MUGIL CEPHALUS.

Harpie.

Zie FALCONIDAE.

Hartrotziekte.

Zie KOKOSNOOT.

Hartsinck (mr. Jan Jacob)

geb. te Amst. 14 Oct. 1716, aldaar overl. 28 Oct. 1779, werd op zijn achtste jaar klerk ter secretarie van het collegie ter admiraliteit van Amsterdam, in 1743 heemraad van de Watergraafsmeer, in 1762 charter- en requestmeester van de admiraliteit, president van de hoofd-participanten der W.I. Comp. en lid van het Zeeuwsch Genootsch. der Wetensch. te Vlissingen en in 1774 directeur van de Holl. Maatsch. der Wetensch. te Haarlem. Ook als letterkundige en blijspeldichter maakte hij zich bekend. In zijne betrekking tot de W.I. Comp. - zijn vader was gedurende 25 jaren Directeur der Societeit van Suriname - verkreeg hij de bouwstoffen voor de samenstelling van het klassieke werk Beschrijving van Guiana, of de Wilde Kust, in Zuid-America, enz. Amst. 1770, 2 dln. 4o. met platen, kaarten en plattegronden. Het tweede deel, met doorloopende pagineering - 521-962 - is geheel gewijd aan de aardrijks- en geschiedkundige beschrijving van Suriname en bevat tal van belangrijke authentieke akten, o.m. den giftbrief van Karel den Tweeden aan Lord Willoughby, in het Engelsch en vertaald. Van dit boek verscheen in 1784 te Berlijn een Duitsche vertaling. Extracten uit Hartsinck's boek, voor zooveel zij licht werpen op Britsche grenskwesties werden vertaald en van aanteekeningen voorzien door J.A.J. de Villiers, London 1897.

Hasselman (Johannes Jerphaas).

Zie MINISTERIE VAN KOLONIËN.

Hassi,

n.e. Visscherspaard, modderpaard; een plank van een voet of 10, 12, en daarop een kist zonder deksel. De visschers gebruiken de hassi om over den modder te glijden. Zij liggen op het vrije deel en stooten met den voet tegen den modder. Het toestel wordt ook katamaran en njawari genoemd.

Hato.aant.

De dikwijls beschreven en afgebeelde grot op de plantage van dien naam aan de noordkust van Curaçao, in het kalksteengebergte. De ingang ligt 200 voet boven zee. Zooals reeds in het artikel AARDKUNDE blz. 21 werd opgemerkt, ontvangt een der hoogste gewelven bovenlicht langs een door instorting ontstaan gat. In de waterarme bron van Hato vond Prof. K. Martin een Poecilia-soort, den eenigen zoetwaterbewoner van het eiland. Een fraaie afbeelding van de grot geeft Voorduin als no. XIV van zijne verzameling platen. Een kleine afbeelding van een der gewelven vindt men in Simons' Beschrijving van het eiland Curaçou.

[p. 357]

Hawaja,

n.e. Zie PROTIUM.

Hawthorn,

bov. e. Zie HIBISCUS CANNABINIS.

Haygrass,

bov. e. Zie PANICUM SANGUINALE.

Heckeria peltata

Ktl. Fam. Piperaceae. Anijsblad, sur., Oeman-aneisi, switi-aneisi-wiwiri, n.e. Een plant met groote schildvormige bladeren waarvan de vruchten en de wortel om den aromatischen smaak gebruikt worden.

Hedychium coronarium

Kön. Fam. Zingiberaceae. Lelie, sur. Een uit Oost-Indië afkomstige plant, wegens de sterk riekende bloemen thans in alle tropische streken gekweekt.

Heeckeren (mr. Evert Ludolph baron van).

Zie GOUVERNEURS.

Heemraden.

De titel heemraad voor het hoofd der divisiën (zie aldaar) dateert reeds van de 17e eeuw. Tot heemraad werden gecommitteerd de leden van het Hof van Politie en later van de lichamen die voor dit Hof in de plaats kwamen. Volgens art. 47 van het Reg. Regl. van 1832 (G.B. no. 13) maakten twee of meer Heemraden, daartoe in bijzondere gevallen door den Gouv. Generaal gecommitteerd, een gedelegeerde rechtbank uit ‘zoo dikwerf de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de Buiten-Districten eenig Regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.’ De werkkring der Heemraden werd nader geregeld in het ‘Reglement op de verdeeling der kolonie Suriname in divisiën en ter verzekering der goede orde en veiligheid in dezelve’. (G.B. 1842 no. 3). Dit reglement werd in 1863 (G.B. no. 10) ingetrokken en sedert staan districts-commissarissen aan het hoofd der districten. (Zie DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN BESTUUR, blz. 267).

Heerdt tot eversberg (Johan Herbert August Willem baron van).

Zie GOUVERNEURS.

Heï,

n.e. Zie COELOGENYS.

Heilbot.

Deelen van dezen visch, Hippoglossus hippoglossus (L.) Jord. (ook Pleuronectes hippoglossus L. genoemd) behoorende tot de familie Pleuronectidae, worden gezouten uit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in Suriname aangevoerd. Deze belangrijke voedselvisch, die zeer groot kan worden, komt overvloedig voor in de noordelijke zeeën. De jonge vischjes zijn eerst normaal, doch onder den groei wordt de kop asymmetrisch; door verplaatsing van het linkeroog naar de rechterzijde komen beide oogen aan ééne zijde te staan, die bijna eenvormig donkerbruin is, terwijl de andere zijde wit is.

Heinsius (Johannes).

Zie GOUVERNEURS.

Heliconia bihai

L. Fam. Musaceae. Palaloe, ne. Wild banana, bov. e. Een plant, die veel op de banaan gelijkt en waarschijnlijk vaak met Ravenala (zie aldaar) wordt verward. De bloemen zijn in eigenaardig omgebogen schutbladen verborgen.

Heliconia psittacorum

Linn. Fam. Musaceae. Popokai-tongo, n.e. Een veel in de oerbosschen voorkomende lage plant met bladeren, die op die van den banaan gelijken, doch kleiner zijn, en opvallende blauw en rood gekleurde bloemen.

Heliornis fulica,

KOETFUUT, een ralachtige vogel in Suriname ter grootte van onze kleine fuut, en evenals deze met breedgelobde teenen.

Heliotropium curassavicum

L. Fam. Borraginaceae. Kokolodee sjimaron, ben. e. Sealavendel, bov. e. Grijsachtig heestertje dat aan den zeekant groeit met lijnvormige vleezige bladeren en bloemen in aarvormige aan den top omgebogen bloeiwijzen.

Heliotropium humile

R. Br. Fam. Borraginaceae. Salie, ben. e. Heestertje dat meestal laag bij den grond blijft; de bladeren geheel wit viltig behaard en de bladranden naar achteren opgerold; de bloemen staan in witviltige aarvormige aan den top opgerolde bloeiwijzen.

Heliotropium indicum

L. Fam. Borraginaceae. Kokorodée, kar. en n.e. Kokolodee, ben. e. Eye bright, bov. e. Kruid met zeer onregelmatig gevormde langwerpige bladeren met duidelijk afloopenden voet; bladeren tot 10 cm. lang; de bloemen staan in aarvormige aan den top opgerolde bloeiwijzen; de deelvruchtjes zijn spits. De bladeren worden met olijfolie gestoofd en de bloemen met zout gekookt en dat mengsel gedronken tegen dysenterie.

Heliotropium parviflorum

L. Fam. Borraginaceae. Eyebright, bov. e. Kruid dat zich van Il. indicum vooral onderscheidt door de gave bladeren, die iets kleiner zijn en door de stompe deelvruchtjes.

Hemert (Everard van).

Zie GOUVERNEURS.

Hemiramphus brasiliensis

(L.) Gthr. Fam. Hemiramphidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, Curaçao. Het lichaam is langwerpig, zijdelings gedrukt. De bovenkaak is kort, de onderkaak verlengd. De laatste straal van de rugvin is in een korte draad uitgegroeid. De aarsvin kleiner dan de rugvin. De staartvin is diep gevorkt, de onderste lob is de langste. De kleur is blauwgroen, de zijkanten zijn zilverachtig; de bek is donker met oranje punt. De lob van de rugvin en de bovenlob van de staartvin zijn oranje geel. Buikvinnen met gelen top. Kan 15 duim lang worden. Het zijn plantenetende visschen die bij de oppervlakte zwemmen. De Hemiramphidae worden in het Papiamentsch Balaoe genoemd.

Hendriktop.

De hoogste top (1080 M.) van den Emmaketen, gelegen tusschen de Coppename- en de Saramacca-rivier op ± 4° 13′ N.B., bekend door het verblijf daarop van 3-20 Febr. 1903 van den leider der Saramacca-expeditie, den luit. ter zee lste kl. A.J. van Stockum. Zie in het verslag der expeditie blz. 200-203, zijne verklaring van het klimaat op dien top en zijne theorie omtrent de voeding der rivieren in de droge jaargetijden.

Henriettea patrisiana

D.C. Fam. Melastomataceae. Sergeantsklooten, sur. Een kleine boom met bes-vruchten, bezet met kleine stekels. Komt veel voor aan de rivieroevers.

Henriettea succosa

D.C. Fam. Melastomataceae. Baboen-mispel, n.e. Een heester waarvan de bessen sterk aan de vruchten van den Europeeschen mispel doen denken.

Herbaria.

Zie BOTANISCH ONDERZOEK.

Heremietkreeften.

Zie CRUSTACEA.

Heri-wiki-djakti,

n.e. Een in het Para-district veel voorkomende Mimoseënheester, volgens Prof. Suringar's reisverhaal (T.A.G. Serie II, deel II, blz. 39) verwant aan Pithecolobium adiantifolium (H.B.K.) Bth. De bloemen in hoofdjes vertoonen op het eerste gezicht alleen de talrijke lange meeldraden als kwastjes van fijne haren. De inlandsche naam beduidt ‘de heele week in zondagspak.’

Hernhutters.

Zie BROEDERGEMEENTE.

Herpetodryas.

De slangen van het geslacht Herpetodryas leven voornamelijk op de boomen en struiken der zandige gronden in de nabijheid van de zee of van de weideachtige vlakten, en voeden zich in hoofdzaak met vogels en kruipende dieren. Het

[p. 358]

zijn forsche, vrij slank gebouwde slangen, die voor den mensch volkomen ongevaarlijk zijn en zich onderscheiden door een even aantal overlangsche rijen van schubben; terwijl bij de meeste andere slangen de schubben in een oneven aantal rijen zijn geplaatst. In Suriname komen twee soorten van dit geslacht voor: H. carinatus met 12 rijen schubben en H. fuscus, die slechts 10 rijen schubben heeft. Van deze schubben zijn die van de 2 op het midden van den rug gelegen rijen meestal voorzien van een duidelijken kiel. De verschillende exemplaren van Herpetodryas carinatus vertoonen nog al veel verschil in kleur en teekening; meestal zijn zij van boven donkerbruin of zwartachtig gekleurd; de schubben van de uiterste rij aan beide zijden zijn meestal voorzien van een lichte vlek, die vooral op het staartgedeelte zeer duidelijk in het oog valt, terwijl op het midden van den rug veelal eene lichtbruine lijn wordt waargenomen. De schilden aan de onderzijde van buik en staart zijn geel gekleurd en door een smallen donkeren rand van elkaar gescheiden.

De Tapanahoni-Expeditie bracht een exemplaar van deze soort mede met vermelding dat de negerengelsche naam reditéré is. Een exemplaar door de Gonini-Expeditie meegebracht vermeldt op het etiket den naam ladytere, blijkbaar dezelfde naam.

 

v.L.d.J.

Hert.

Zie CERVIDAE.

Hervormde gemeente.

A. Suriname.

I. Paramaribo.

In officieele stukken werd en wordt ook nog heden deze gemeente de Christelijk Hervormde of Nederduitsch Hervormde Gemeente in Suriname genoemd. Gegevens voor eene volledige geschiedenis der Herv. en ook der Ev. Luth. Gemeente ontbreken. Door den grooten brand van 1821, waardoor de Herv. kerk, en door dien van 1832, waardoor de Luth. kerk vernietigd werd, gingen belangrijke documenten verloren. Het is bekend dat de kerkbesturen in de W.-I.-Koloniën in de 17de en 18de eeuw slordig zijn te werk gegaan bij het bewaren van kerkelijke stukken, en dat een groot deel verloren ging of onleesbaar werd. Er bleef dus niet veel over voor het kleine brandvrije archief, dat in 1909 op kosten van het Gouvernement in het zoogenaamde Logeergebouw ingericht en ter beschikking gesteld is van de verschillende kerkbesturen.

Als eerste predikant der Herv. Gemeente wordt genoemd Ds. Baselius of Baselier, die van 1668-1689 den dienst te Paramaribo waarnam. Hij werd krachtig gesteund door Van Aerssen van Sommelsdijk, die een groot voorstander van den godsdienst was. Deze liet in 1688 een kerk bouwen aan de samenvloeiing van de Commewijne en de Cottica, en stelde daar Ds. Ketelaar aan als predikant. Ook op den hoek van de Perica en de Cottica werd in 1721 een kerk gebouwd.

Toen Van Aerssen in 1683 uit Nederland naar Suriname vertrok, gingen vele Fransche Réfugiés met hem mede. Spoedig werd toen te Paramaribo een Waalsche kerk gebouwd, waar de uitgeweken predikant Dalbas eerste voorganger werd.

Gewoonlijk was 't zeer bezwaarlijk predikanten voor de Herv. Gemeente te vinden, zoodat er in den regel slechts één in dienst was, nu en dan 2 of 3. Ook had de gemeente te Paramaribo geen eigen kerkgebouw; de godsdienstoefeningen werden gehouden in de bovenzaal van het Hof van Politie en Crimineele Justitie. Eerst 29 Mei 1814 werd de eerste Herv. kerk ingewijd, gebouwd door Johannes van Zeyl. Na den brand van 21 en 22 Jan. 1821 hield de Hervormde Gemeente hare diensten in de Luthersche kerk, die reeds in 1746 gebouwd was. De brand van 4 Sept. 1832 verwoestte ook dit bedehuis, zoodat beide gemeenten tijdelijk zonder kerk waren. Op 5 Juli 1835 was de tegenwoordige kerk der Herv. Gemeente, een achthoekig, steenen gebouw zonder toren, gereed om te worden ingewijd. Het ging te Paramaribo den godsdienst niet fortuinlijk, want nu weder verdronk het nieuwe orgel op reis naar zijn bestemming.

Na den brand van 1821 had de Herv. kerkeraad voorgesteld om de beide gemeenten te vereenigen; dit voorstel werd toen door den Luth. kerkeraad van de hand gewezen. Op zijn beurt deed na den brand van 1832 de Luth. Kerkeraad een dergelijk voorstel; maar toen bedankten natuurlijk de Hervormden, en de beide gemeenten bleven zelfstandig naast elkander bestaan. Behalve haar hoofdkerk op het Kerkplein bezit de Herv. Gemeente nog een kerkje buiten de stad, op 's Landsgrond Boniface, dat in Aug. 1902 werd ingewijd en Bedehuis-Annetta heet. Dit kerkje is gesticht óók voor de boeren-kolonisten, die in de omgeving wonen, maar deze kolonisten, onder wie weinig geestelijk leven valt op te merken, maken geen druk gebruik er van.

De Herv. Gemeente telt tegenwoordig ongeveer 7000 leden, niet alleen te Paramaribo, doch ook in de districten, behalve te N. Nickerie, waar een afzonderlijke gemeente is. De vroegere Herv. kerken aan de Cottica en de Perica zijn reeds sedert vele jaren verdwenen. Sinds 1852 wordt de gemeente steeds bediend door twee predikanten, die gouvernementsambtenaren zijn en als zoodanig eene jaarlijksche bezoldiging genieten van 6000 gulden met recht op pensioen en weduwenpensioen. Zij worden door den Gouverneur benoemd op voordracht van het kiescollegie, dat met den kerkeraad uit 35 leden bestaat. De kerkeraad is verplicht een jaarverslag te zenden aan het Bestuur der Kolonie en tevens aan de ‘Commissie tot de zaken der Protestantsche kerken in Ned. Oost- en West-Indië. (zie K.B. 7 Dec. 1820). Volgens het gewijzigd reglement der Herv. Gemeente, in 1885 bij gouv. resolutie goedgekeurd, is het recht van voordracht uitsluitend en alleen aan het kiescollege, dat door de stemgerechtigde manslidmaten gekozen wordt. In de laatste jaren zijn steeds predikanten van de vrijzinnige richting benoemd. De gemeente bezit eenige diaconiefondsen en tracht verder door het houden van collecten, uitvoeringen, loterijen enz. zooveel mogelijk voor hare armen te doen. Voor hare behoeftige weezen ontvangt zij eene subsidie van het Gouvernement, van 7100 gld. per jaar (zie ARMENZORG); de gemeente heeft ook Zondagsscholen, zangcursussen en naaiklassen; zij heeft veel gedaan voor de verpleging der melaatschen; met de Ev. Luth. en de Ev. Broedergemeente vormt zij de Protestantsche Vereeniging tot verpleging van lepralijders in de kolonie Suriname, met Bethesda als verplegingsoord.

II. Nickerie.

Vóór 1823 werd door de predikanten van Paramaribo voorzien in de geestelijke behoeften van de Protestanten, wonende in Nickerie. In genoemd jaar zond het Nederl. Zendelinggenootschap, op last van het Ministerie van Koloniën, den zendeling F.A. Wix daarheen, omdat het heen en weer reizen te bezwarend was. In 1855 werden er voor de eerste maal ouderlingen en diakenen benoemd door den kerkeraad der Herv. Gemeente te Paramaribo. Drie jaren later, in 1858, werd Nickerie een zelfstandige gemeente en verviel het verband met de hoofdstad. Batenburg werd haar eerste predikant. Toen stond de kerk nog te Nieuw-Rotterdam

[p. 359]

of Oud-Nickerie, dat, ruim 30 jaar geleden, wegens grondafslag door de zee, moest worden verplaatst en nu Nieuw-Nickerie heet, een half uur gaans van den riviermond gelegen. Door de bemoeiingen van den predikant Sonstraal kreeg de gemeente weer een nieuwe kerk, een houten gebouw, dat in Nederland werd vervaardigd en daar in 1883 te bezichtigen is geweest. Vóór de komst van Ds. Steenmeyer in 1897 heeft de bestaande gemeente den naam van ‘Vereenigde Protestantsche Gemeente’ aangenomen, nadat de in het district Nickerie wonende Hervormden en Lutheranen zich hadden vereenigd tot eene gemeenschap. De predikant wordt nu, op voordracht van den kerkeraad, benoemd door den Gouverneur; hij is ambtenaar en geniet eene jaarlijksche bezoldiging van ƒ5000. Bij vacature wordt de dienst waargenomen door de Herv. en Luth. predikanten van Paramaribo. De gemeente telt ± 500 personen, van wie een klein deel woont op de langs de rivier gelegen plantages en gronden. Eenige keeren per jaar wordt voor deze veraf wonende gemeenteleden dienst en avondmaal gehouden in de school op Weltevreden. In September 1908 werd de Ver. Prot. Gemeente vacant, en door het Koloniaal Bestuur en den Min. van Kol. werd bezwaar gemaakt om voor een nieuwen predikant het volle traktement beschikbaar te stellen; de gemeente mocht wel een godsdienstonderwijzer of hulpprediker beroepen op een traktement van ƒ3000. De kerkeraad en de gemeenteleden hebben dit aanbod echter van de hand gewezen en zich herhaaldelijk tot den Gouverneur en ook tot den Minister en de Tweede Kamer gewend met het verzoek om het volle traktement beschikbaar te stellen voor een geordend predikant. Eerst in het begin van 1913 is het verzoek ingewilligd en in Aug. van dat jaar is de vrijzinnige predikant Ds. Eldermans uit Friesland tot de gemeente overgekomen. De prediking geschiedt in de Nederlandsche taal, hoewel te N. Nickerie ook veel Engelsch wordt gesproken. De gemeente bezit geen diaconie, maar wel een begrafenisvereeniging, die de wijze van begraven aldaar aanmerkelijk heeft verbeterd. De weezen worden gealimenteerd uit de subsidiën, die de Herv. en Ev. Luth. Gemeenten te Paramaribo voor hare weezenzorg ontvangen uit de Koloniale Kas.

Litt. Surinaamsche Almanak voor het jaar 1831, blz. 239-246. C. van Schaick. Bijdrage tot de Geschiedenis vooral van de Hervormde Kerk in Suriname, in het Tijdschr. West-Indië, Haarlem, 1855, blz. 5-41 en 81-88. - C.A. van Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, Gouverneur Generaal van Suriname van 1742-1751. 's Grav. 1858, blz. 159. - J. Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861. - C. van Dissel, Eenige bijzonderheden betreffende de Christelijke Hervormde Gemeente te Paramaribo, 's Grav. 1877. - Dr. C. Landré, Les réfugiés huguenots dans la Guyane hollandaise, La Haye, 1888.

 

H.B.

B. De kolonie Curaçao.

Reeds het jaar na de inbezitneming van Curaçao, werd er door de Compagnie een predikant heengezonden voor den tijd van 3 jaar, n.l. de proponent Fredericus Viteus. Hoelang deze er geweest is blijkt niet. In 1645 was er weer een predikant, vermoedelijk Johannes Backerus, die in 1647 Stuyvesant naar Nieuw Nederland vergezelde. Sedert werd er geregeld gozorgd dat de predikantsplaats vervuld bleef.

S. van Dissel, Curaçao. Herinneringen en Schetsen Leyden 1857, acht het niet aannemelijk dat zich dadelijk na het in bezit nemen van het eiland een Herv. gemeente heeft gevestigd. Hij meent dat er, toen de fortificatiën werden uitgebreid en het getal militairen vermeerderd, bij het garnizoen een veldprediker zal zijn aangesteld, die ook door de weinige Nederlandsche burgers, die op het eiland woonden, kon gehoord worden. Het houten gebouw, waarin tot 1775 de godsdienstoefeningen werden gehouden - dit was echter niet hetzelfde gebouw, dat door de eerste kolonisten was gebruikt - alsook de predikantswoning, stonden in het fort. Hoe dit zij, spoedig is er sprake van een Gereformeerde gemeente op Curaçao. In 1714 werd Henricus Beys als tweede predikant naar Curaçao gezonden, onder uitdrukkelijke bepaling dat zijn gage niet ten laste der Compagnie doch voor rekening der gemeente op het eiland zou komen. Op verzoek der ingezetenen stelde de Compagnie in 1751 een tweeden predikant aan en sedert is de dienst op het eiland, behoudens vacatures, steeds door twee predikanten vervuld.

Op ‘de mindere plaatsen’ had de Compagnie geen predikanten; daar waren de voorlezers, ziekentroosters en schoolmeesters belast met het ‘oeffenen van de publicque gebeden, voorlesen van het oudt en nieuw testament, gedruckte predicatien ende singen der psalmen’.

De Compagnie hield de Gereformeerde religie hoog, althans in woorden. Zie COMPAGNIE (WEST-INDISCHE), blz. 222. In de 17de eeuw en ook daarna schijnen de godsdienstzin der eilanders en het kerkbezoek te wenschen te hebben overgelaten. Omstreeks 1680 klaagde de predikant Nicolaas Verkuyl ‘over het verval van den openbaren godsdienst en dat een merkelijke tijd herwaarts het gebed in een gansche week somtijds maar eens, somtijds maar 2 of 3-maal werd gedaan, komende alsdan nog zeer weinige, 4 of 5, personen om hetzelve bij te wonen’. Op 4 Jan. 1694 schreven bewindhebberen aan den directeur van het eiland: ‘Nu weten wij wel ende het is ons oock bekent, dat de dagen des Heeren op Curaçao is een dagh van een Bacchusfeest en niet een dagh om God na behoren te dienen. Van de ongeregeltheden en ongebondentheden die op dien dagh gepleegt werden, sullen wij hier geen groot verhaal maken, als ons refereerende tot de kennisse, die UE. selve daar van heeft’. Tachtig jaar later (missive van 6 Aug. 1771 aan bewindhebberen) klaagde de kerkeraad ‘over het verval der zeden in de gemeente en het plegen van allerhande zonden en gruwelen’ en Rodier, de toenmalige directeur, schreef op 25 Jan. 1773 aan bewindhebberen: ‘dat alle de zonden en gebreeken door den kerkeraad gemeld, min of meer, niet ter zijde de waerheijt en zijn, en de vroomhijt en godsvrugt niet gevonden worden onder de inwoonders gelijk voorheen, avoueer ik met leetweesen, al sugtende, en dat de kerk seer spaarsaam door 't algemeen werd gefrequenteert en principaal door de rijkste familjes is de reele waarheyt’.

Van den anderen kant schijnt het gedrag der predikanten niet steeds onberispelijk te zijn geweest. Omstreeks 1675 moet er zelfs een geweest zijn, die handel dreef en er een tapperij en slijterij schijnt gehouden te hebben, waarom hij door den Directeur werd geschorst.

In de instructie van de Compagnie voor de predikanten (1638) was hun ook voorgeschreven ‘dat alle devoiren bij haar aangewent zullen werde omme de Portugeese, Spanjaarden ende haar kinderen te onderweijsen in de fondamenten van de Christelijcke Religie, als mede de swarte ende Indianen’. Het blijkt evenwel niet, dat er in de 17de eeuw of daarna op Curaçao iets gedaan is voor de bekeering der slaven tot den Gereformeerden godsdienst.

Conflicten tusschen de predikanten en het burger-

[p. 360]

lijk bestuur kwamen er in de 18de eeuw meermalen voor, hetgeen niet bevorderlijk was aan den bloei der gemeente.

Het in 1763 door den kerkeraad genomen besluit om ‘het kerkgebouw te verbeteren en met een fraai verwulfsel te versieren’ leidde tot een restauratie, die, onder de leiding van den Nederlandschen architect Hendrik Hamer, in 1771 gereed kwam en Ps. 5800 kostte, waartoe bewindhebberen Ps. 2000 bijdroegen. Dit steenen kerkgebouw is nog steeds in gebruik.

In 1825 kwam eene samensmelting der Evang. Luth. gemeente (zie aldaar) met de Hervormde tot de ‘Vereenigde Protestantsche gemeente’ tot stand. In den eersten tijd na de vereeniging gold het gebruik, dat door de ‘Commissie tot de zaken der Prot. kerken in Nederl. Oost- en West-Indië’, bij ontstentenis van een predikant voor den oorspronkelijk Luthersche een Luthersche predikant of proponent en voor den oorspronkelijk Hervormde een die de Hervormde belijdenis was toegedaan werd aangesteld; maar hieraan is niet de hand gehouden en in de laatste 30 jaren zijn er steeds Hervormde predikanten aangesteld.

De predikanten worden door den Gouverneur benoemd op voordracht van den kerkeraad.

Het is bij deze gemeente van ouds gebruikelijk dat de doopplechtigheid aan huis wordt bediend. Ook de huwelijks-inzegening heeft veelal aan huis plaats.

Op Aruba en Bonaire heeft men leeraars als voorgangers der gemeente. Op Aruba dateert de stichting van de gemeente van 14 Febr. 1822, toen Klaas van Eekhout van Curaçao aldaar aankwam met een aanstelling tot onderwijzer en catechiseermeester, onder genot van vrije woning en een toelage van 400 Pezos van achten 's jaars, voor ¾ betrokken uit de koloniale kas en voor het overige uit de armenkas van Aruba. Op 15 Febr. 1846 werd de nieuw gebouwde kerk te Oranjestad ingewijd. De gemeente telde toen 400 zielen. Zoowel hier als op Bonaire deden de predikanten van Curaçao nu en dan dienst. In 1857 kreeg Aruba een eigen predikant. Toen zich de behoefte deed gevoelen aan een kerklokaal buiten de stad, werd een woning te Canachito tot kapel ingericht, waar een eigen leeraar optrad. Toen deze kapel onbruikbaar werd, bouwde men te Piëder-Plat een eenvoudig bedehuis, waar eerst om de maand, later om de 14 dagen godsdienstoefening en catechisatie in het Papiamentsch werden gehouden.

Het kerkgebouw op Bonaire werd 9 Maart 1847 ingewijd; de gemeente telde toen 105 zielen.

Op St. Eustatius heeft tot nagenoeg het einde der 18de eeuw een Nederduitsch Hervormde gemeente bestaan, die in het bovendorp een steenen kerkgebouw bezat. In 1794 betuigde de predikant Stauffer in een verzoekschrift aan den Gouverneur en den Raad van St. Eustatius, dat het eiland bewoond werd ‘door eene bende, God en Godsdienst verachtend volk, waar hij aanschouwer was van de grootste barbaarschheden, waarvan men immer bij menschen geheugen heeft voorbeelden gehad!’

In 1817 werden aan het Gereformeerde kerkgebouw aanzienlijke reparatiën gedaan.

In het bovendorp vindt men ook een kapel van de Wesleyaansche Methodisten, mede een steenen gebouw; het oorspronkelijke gebouw werd door de aardbeving van 1843 verwoest, maar in 10 maanden tijds werd een geheel nieuw, grooter gebouw van den grond af opgemetseld, bekostigd uit gelden door den zendeling langs de huizen opgehaald ‘van St. Thomas af tot in Demerary’. Den grondslag van deze gemeente legde in 1786 de vrije neger Harry, die daarvoor bijna dood gegeeseld en van het eiland verbannen werd. Sinds 1800 is de gemeente door het Bestuur erkend.

De Nederlandsche predikanten van St. Eustatius deden geregelde dienstreizen naar Saba. In 1777 kreeg de Anglikaansche leeraar Kirck Patrick van Gouverneur de Graaff van St. Eustatius vergunning om zich op Saba te vestigen, er een kerk te bouwen en zijne leer te verkondigen. Van dien tijd dagteekent het bestaan der Anglicaansche gemeente op het eiland.

Een verslag van den Kommandant van St. Martin en Saba van 25 Dec. 1816 aan het Departement van Koophandel en Koloniën - medegedeeld door dr. J. de Hullu in het Nederl. Arch. voor Kerkgeschiedenis dl. IX, afl. 2, 's-Grav. 1912 - geeft voor St. Martin deze opsomming: 137 Gereformeerden, 12 Lutherschen, 1396 Episcopalen, 11 Presbyterianen, 9 Methodisten, 1 Universalist en 74 Roomsch gezinden, terwijl het getal der lidmaten bedroeg; 11 Gereformeerden, 1 Lutheraan, 16 Episcopalen, 1 Methodist en 3 Roomsch gezinden. Voorts wordt medegedeeld dat er waren ‘twee Christenkerken, een oude Engelsche, die geheel vervallen en in onbruik is geraakt, en eene Hollandsche in goede staat en tot de uitoefening der godsdienst zeer geschikt, dog is de voormalige pastorije geheel vervallen’. Er waren noch leeraren, noch zendelingen aanwezig. Zie verder EEREDIENST.

Litt. A. de Veer. St. Eustatius in 1819, medegedeeld door Dr. J. de Hullu. Bijdr. t.d. Taal,- Landen Volkenk. v. Ned.-Indië. Deel 68 (1913), blz. 432 en 443. - A.H. Bisschop Grevelink, Beschr. van het eiland St. Eustatius, in Bijdr. tot de kennis der Nederl. en vreemde Koloniën, Utrecht 1846, blz. 4, 5 en 43. - Idem, 1847, blz. 36. - G. van Dissel, Curaçao, Herinneringen en Schetsen, Leyden 1857, blz. 148-157. - Idem. De Hervormde, thans vereenigde Protestantsche Gemeente van Curaçao. Hist. Archief. Amst. 1859, II, 289-413. - J.H.J. Hamelberg, Historische schets van de Nederl. Bovenw. Antillen tot op het einde der 17e Eeuw, in het Tweede jaarl. Versl. v.h. geschied-, taal-, land- en volkenk. genootschap, gevestigd te Willemstad, Amst. 1898, blz. 113. - Idem. De Nederl. op de W.-I. Eilanden (Benedenw. Eil.), Amst. 1901, blz. 66, 94-100, 198-203 en 223-224. - G.J. van Grol. Het Eiland St. Eustatius. De Ind. Mercuur 19 Maart 1907, blz. 10 v.d. overdr. - W. van den Brink, Gesch. der Protest. kerk op Aruba, in het Arubanummer van Neerlandia, Dec. 1911, blz. 286 en 287.

Hevea brasiliensis.

Zie PLANTAGE RUBBER.

Hevea guianensis

Aubl. Kar. Mapalapa. Fam. Euphorbiaceae. Het is met de beantwoording van de vraag of er in de wouden van Suriname eene Hevea-soort voorkwam een vreemde geschiedenis geweest. Reeds bij Herlin, Beschr. v.d. Volk-plantinge Zuriname, Leeuwarden 1718, blz. 239, vindt men melding gemaakt van een boom waaruit door middel van een snede in den stam verkregen werd ‘Gom Holque of Holli, zijnde deze eerst Melkwit, daar na doijer-verwig, eindelijk schijnt ze swart; op d' aarde of tegens een muur geworpen zijnde, stuit ze weer te rugg gelijk de Kaats-ballen’. Bellin, Descr. géogr. de la Guiane, Paris 1763, blz. 138, gewaagt van een ‘arbre de Gomme Gutte, qui ressembloit aux bouleaux d'Europe, d'où l'on fait découler la gomme par des incisions dans l' écorce.’ De boom stond op een plantage van gouverneur Van Aerssen

[p. 361]

van Sommelsdijk, la Providence geheeten. Of deze schrijvers een Hevea bedoelden is niet zeker. Lans, Bijdr. tot de kennis der kol. Suriname, 's-Grav. 1842, blz. 117, verzekerde dat de Hevea guianansis in de Surinaamsche bosschen voorkwam, maar deelt niet mede of hij ze ook gezien had. In het te Paramaribo destijds verschijnend ‘Algemeen Nieuws- en Advertentie Blad’ van 5 Jan. 1853 deelde Montecattini mede, dat Portugeesche Indianen, die onder leiding van een ingezetene van Cayenne, J.P. Lougarre, aan de Marowijne naar caoutchouc-boomen zochten, deze ook op den Nederlandschen oever hadden gevonden. (Zie een artikel van Fred. Oudschans Dentz in De West van 1 Nov. 1910). Kappler, Surinam, Stuttg. 1887, blz. 20 zag slechts één exemplaar, die nog geen voet dik was. Omstreeks 1903 verklaarde Hering, die van gouvernementswege met een onderzoek naar caoutchouc leverende boomen belast was, dat er in Suriname geen Hevea's voorkwamen. Berkhout, Rapport over de Surin. bosschen, 's-Grav. 1903, blz. 51, zag aan de Tempatie, een bron-rivier van de Commewijne, één jong exemplaar van een Heveasoort.

Toen de spoorwegaanleg begon zou dit anders worden. In 1905 vond de opzichter Louis jonge Hevea-plantjes in het bosch langs de baan en in 1906 liet J.R.C. Gonggrijp door Javanen, aan wie het blad was getoond, naar Hevea's zoeken. Door de houtvesters Plasschaert en van Asbeck werd in 1907 het onderzoek voortgezet. Verscheidene duizende boomen zijn reeds gevonden, vooral in de savannestreek van Boven Para. Het is wel eigenaardig dat een zoo karakteristieke boom, die den Indianen zeer goed bekend was en van welks zaden zij halssnoeren voor hun vrouwen maakten, zoolang onopgemerkt is gebleven.

Het boschbeheer is sedert eenige jaren doende om in sommige boschcomplexen een verjongingsproef te nemen met het doel het bosch geleidelijk om te zetten in een bosch van uitsluitend of voornamelijk Hevea. Daartoe werden alle andere grootere boomen geringd, zoodat zij afstierven en werd de dichte opslag onder het bosch weggekapt, waarbij zorg gedragen werd geen jonge Hevea's mede om te kappen.

De bladeren van H. guianansis zijn bij de volwassen boomen kleiner dan die van H. brasiliensis en de top der blaadjes is meer afgerond met een korte punt. Ook de vruchten en de boom zelf zijn kleiner. De boom schijnt minder op te leveren dan de H. brasiliensis en de kwaliteit van het product is ook iets minder.

Litt. A.H. Berkhout, Een belangrijke vondst in Suriname. Ind. Mercuur, 1907, 1. W.A. Baron van Asbeck, Hevea guyanensis in Suriname. Bulletin no. 9 (Nov. 1907) van de Inspectie v.d. Landbouw in Suriname. Idem, Resultaten van tapproeven met Hevea guyanensis in 1908, in idem, no. 15 (Jan. 1909). Mededeelingen over Caoutchouc leverende Gewassen in Suriname. Amst. 1910 (ook in Fransche vertaling). J.W. Gonggrijp, Wild Hevea in Dutch-Guyana, Amst. 1911.

Hibisc,

bov. e. Zie HIBISCUS ROSA-SINENSIS.

Hibiscus abelmoschus

L. Fam. Malvaceae. Joroka-okro of Muskus-okro, n.e. Een heester waarvan de jonge vruchten gekookt gegeten worden. De droge zaden draagt men om den hals tegen zenuwlijden en een afkooksel der zaden drinkt men bij baarmoederaandoening. Volgens Van Coll baden de Aloekoejana's (Ojana's) hunne jachthonden in een aftreksel van deze naar muskus riekende plant, om ze te vrijwaren voor aanvallen van den tijger.

Hibiscus cannabinis

L. Fam. Malvaceae. Hawthorn, bov. e. Heester met bijna tot aan den voet ingesneden vijf- of zesdeelige scherpgezaagde bladeren die op lange bladstelen staan; de kelktanden zijn hard en scherp en voorzien van stekels en de bijkelk bestaat uit groote scherpe stekelvormige blaadjes.

Hibiscus esculentus

L. Fam. Malvaceae. Okro, n.e. Giambo, ben. e. Ochro, bov. e. Heester met eenigszins hartvormige, gelobde, dicht behaarde, gezaagde bladeren; de meeldraden tot een buis vergroeid; de vrucht is een langwerpige doosvrucht met een groot aantal zaden. In Suriname gekookt in soep bij de tomtom (zie aldaar). Ook als groente gegeten. Het sap van de fijngestampte en uitgeperste jonge bladeren wordt met zout gedronken bij moeilijke bevalling.

Hibiscus ingratus

Miq. Fam. Malvaceae. Krabita-okro, n.e. Een heester, veel op okro gelijkend, doch sterk gestekeld.

Hibiscus rosa-sinensis

L. Fam. Malvaceae. Matrozenroos, sur. Hibisc, bov. e. Heester met kale langwerpige naar den voet versmalde bladeren, die naar den top voorzien zijn van groote tanden; de roode bloemen zijn tot 15 cm. groot en herkenbaar aan de tot een lange buis vergroeide meeldraden. Gekweekt.

Hibiscus sabdariffa

L. Fam. Malvaceae. Zuring. Een kruidachtige plant met welker vruchten men een roode gelei (zuring-stroop) maakt. De bladeren worden, met andere groenten vermengd, gegeten.

Hibiscus schizopetalus

Hook. Fam. Malvaceae. Anga lampoe, n.e. Basket hibisc, bov. e. Sierplant, heester afkomstig uit tropisch Afrika; onderscheidt zich van H. Rosa sinensis door de zeer diep ingesneden bloemkroonbladen.

Hibiscus tiliaceus

L. Fam. Malvaceae. Maho, n.e. Een in alle tropische streken voorkomende boom. Het hout heeft geen waarde; uit de schors kan men echter breede linten snijden wegens de daarin voorkomende vezels. Op Coronie werden vroeger vloermatten en hoeden hiervan gemaakt; ook wordt er zeer sterk touw van gedraaid.

Hibiscus varians

Splitg. Fam. Malvaceae. Droengoe-manroos, n.e. Een veel gekweekte heester met groote bloemen, die in den loop van den dag van kleur veranderen.

Hielo di diaabel,

ben. e. Zie CUSCUTA.

Hippeastrum equestre

Ktlh. Fam. Amaryllidaceae. Pinpin, n.e. Een bolgewas met roode, op een lelie gelijkende bloemen.

Hippeastrum puniceum

Urb. Fam. Amaryllidaceae. Red lily, bov. e. Sierplant met lijnvormige bladeren en groote roodgekleurde bloemen die uit een nauwere buis en lange slippen bestaan. De bloemen staan in schermvormige bloeiwijzen. Gekweekt.

Hippomane mancinella

L. Fam. Euphorbiaceae. Manzalienja, ben. e. Mangeniel tree, bov. e. Boom met leerachtige, langgesteelde bladeren, die groote gelijkenis vertoonen met perenbladeren; de bloemen staan in dunne aarvormige bloeiwijzen; de vruchten doen wat denken aan onrijpe groene appels. De plant bevat zeer giftig melksap. De verhalen, die omtrent dezen fraaien boom van tropisch Amerika in omloop waren, n.l. dat men door een lang verblijf daaronder toevallen kreeg of zelfs stierf en dat de regen die van de bladeren druppelt, schadelijke werking op de huid teweegbracht, zijn reeds lang tegengesproken. Zeker is het evenwel dat het

[p. 362]

melksap blaren trekken en op de slijmvliezen ontsteking verwekken kan. Door de bevolking wordt het verblijf onder den boom vermeden. (Zie K. Martin, West-Indische Skizzen, Reise-erinnerungen. Leiden 1887, blz. 115.)

Hirtella triandra

Willd. Fam. Rosaceae. Hairy plum, bov. e. Lage heester met spitstoeloopende bladeren en bloemen in dichte pluimvormige bloeiwijze.

Hirundinidae.

ZWALUWEN, worden met denzelfden naam aangeduid als bij ons. Eenige soorten komen broedend voor, terwijl andere hier alleen overwinteren. Een soort, die bij bewoonde plaatsen wordt aangetroffen en hier ook broedt, is Progne chalybea, op de bovendeelen glanzend blauw-zwart, keel en borst grijsbruin, buik wit. Langs de rivieren treft men soms talrijk aan de kriki-zwaluw, Tachycineta albiventris, die kleiner is dan de voorgaande soort, op de bovenzijde eveneens blauw-zwart en de onderzijde, een vlek op de vleugels en de stuit wit. Over het geheel bruin met bruinroode keel en gelen buik is Stelgidopteryx ruficollis.

Hiwa.

Een bamboesoort waarvan, volgens Van Coll de Arowakken hunne fluiten vervaardigen.

Hoatzin.

Zie OPISTHOCOMUS.

Hoeden-vlechterij.aant.

Heel lang reeds, maar hoe lang is onbekend, vlocht men in Zuid- en Midden-Amerika sterke en buigzame stroohoeden, van uiteenloopende fijnheid en prijs, Panama-hoeden geheeten in Europa, omdat vroeger de hoeden uit Ecuador, Peru en Columbia over Panama verscheept werden; ongeveer evenals de Tanggeransche hoeden van Java in den beginne hun weg naar Frankrijk vonden als chapeaux de Manille. Het ‘stroo’ (Cabana, pap.) 't vlechtmateriaal, is doorgaans het tot smalle reepen gesneden blad van Carludovica palmata (fam. Cyclanthaceae), op Curaçao Ipiapa of Jipyapa-palm en ook Torquilla-palm geheeten, die overvloedig groeit in Ecuador, Columbia, Venezuela op St. Domingo en Porto Rico; op laatstgenoemd eiland gebruikt men als vlechtmateriaal voor de fijnere en middelsoort hoeden ook stroo van Inodus causiarun, door de bevolking palma di sombreros genoemd.

Evenzeer onbekend is hoe lang men op Curaçao reeds hoeden vlecht; een eeuw geleden werd ervan gerept. ‘Men maakt hier’, schreef de Vice-admiraal, Gouverneur-generaal van Curaçao en onderhoorige eilanden aan zijne excellentie den Staatsraad directeur-generaal van koophandel en koloniën, d.d. 2 Juli 1817 ‘men maakt hier ook een soort van gemeene stroohoeden die om derzelver ligtheid door de inwoneren gekogt en gedragen worden. Deze bezigheid verschaft naauwelijks de kost aan een klein getal arme menschen.’ Lang is men uitsluitend grove hoeden blijven vlechten; het vlechten was een volks-industrie zonder leiding; men vlocht den geheelen dag, of in vrije oogenblikken, tusschen ander werk, ordinaire hoeden van minderwaardig stroo, zg. staple-hats; en de armere negerbevolking met hare geringe behoeften vond een bestaantje, wat op dit eiland, waar de natuur niet medewerkt, moeilijk is.

Het vlechtstroo is op Curaçao niet inheemsch; de plant groeit er niet en het materiaal moet van elders ingevoerd worden; tot dusver kwam het voornamelijk uit den staat Zulia bij het meer van Maracaibo (in 1911 voor ƒ68.856). Op den duur is het voor een tak van nijverheid gevaarlijk grondstoffen te moeten betrekken uit een der aan chronische roerigheid lijdende Zuid-Amerikaansche staten. Venezuela kan den uitvoer der bladeren belasten of beletten en in 1908 en 't begin van 1909 stond die uitvoer en daarmede het bedrijf geheel stil. Wat dit beteekent blijkt uit een mededeeling van het Kol. Versl. van 1913, dat op 1 Januari van dat jaar Curaçao, op een bevolking van 32926 personen, 5700 hoedenvlechtende menschen rijk was.

Ten einde Curaçao onafhankelijk te maken van den invoer van hoedenstroo uit Venezuela is men sedert een paar jaren in Suriname doende verschillende soorten van Carludovica aan te planten. Eene proefzending hoedenstroo uit Suriname heeft op Curaçao, wat kwaliteit en blankheid betreft, zeer goed voldaan. En volgens berichten in de nieuwsbladen schijnt er daarenboven in de bosschen van Suriname een palmsoort voor te komen die geschikt materiaal voor de hoedenvlechterij oplevert.

De groei van de bovengenoemde ‘bezigheid’, die weinige arme menschen den kost gaf, tot een industrie, die van het toch maar kleine eiland in 1913 vooreen waarde van ruim 6 ton aan hoeden uitzond, is krachtig bevorderd doorden heer H.J. Cohen Henriquez en door de Curaçaosche Maatschappij tot bevordering van landbouw, veeteelt, zoutwinning en visscherij. Hij heeft van dit bedrijf een grondige studie gemaakt in de omliggende landen, enkele fijn-vlechtsters opgeleid en door woord en geschrift belangstelling gewekt voor deze zaak. Zij heeft twee scholen opgericht, waar aan vrouwen en meisjes het fijn-vlechten onderwezen wordt; thans zijn ook overal in de buitendistricten van Curaçao en op Aruba en Bonaire vlechtcursussen tot stand gekomen; door deze cursussen, onder leiding van geschoolde krachten, is het fabrikaat aanzienlijk verbeterd; en tevens zijn dat de loonen: het maken van een soort hoeden dat vroeger met 25 cent betaald werd, wordt thans beloond met 45, 75 tot 90 cent.

Ingevolge Gouv. beschikking d.d. 21 Mei 1910 begaf de heer Cohen Henriquez zich naar Maracaibo om zich aldaar op de hoogte te stellen van de hoedenvlechterij. Hij zag er dat de slechte hoedanigheid van het aan de markt komende stroo te wijten is aan de slordige bereiding en het zorgelooze vervoer, en deed de bevolking een betere bereidings-manier aan de hand. Met de persmachine die hij daar zag zou, naar hij meende, ook op Curaçao een product van sierlijker uiterlijk af te leveren zijn.

Ingevolge Gouv. beschikking dd. 11 Oct. 1911 begaf hij zich naar Porto Rico met dezelfde opdracht.

Ingevolge Gouv. beschikking dd. 23 April 1913 reisde hij naar Europa en de Vereenigde Staten om zich op de hoogte te stellen van de eischen die de handel daar stelt aan de producten der vlecht-industrie, om na te gaan wat tot verbetering van deze industrie in de kolonie zou kunnen gedaan worden ten einde te geraken tot meerderen en meer geregelden afzet van de Curaçaosche hoeden.

Want de Curaçaosche hoeden-industrie heeft ter dege hare ups and downs gekend. Het gulden tijdperk is geweest tot midden in de tweede helft der 19de eeuw, toen men de fijnere hoeden met ƒ28 per dozijn betaalde. Ter loops zij gezegd dat de hoeden in een onnoemelijk aantal schakeeringen van fijnheid vervaardigd worden; tusschen de prijzen van ƒ3.50 tot ƒ18. per dozijn liggen 15 kwaliteiten van hoeden. De allerfijnste soort maakt men - en het werk duurt maanden - alleen op bestelling; een hoed van de soort die staple hats heet maakt men in 'n dag; op de vlechteursussen vervaardigen de meisjes hoeden van ƒ4 tot ƒ12 per stuk en over zulke hoeden werkt men van 3 tot 10 dagen; over zéé fijne drie weken. Aan de allerfijnste soorten kan men

[p. 363]

slechts enkele uren per dag werken, omdat voor de oogen de inspanning te groot is. Aan deze soort werken gewoonlijk 3 vlechtsters: een voor het platte dak, een voor den staanden cylinder en een voor den rand. In dien gouden tijd dan werden te New York de hoeden die bij inkoop ƒ6 gekost hadden met 6 dollars betaald, en allengs steeg de prijs tot 16 doll. per dozijn. In de kolonie was er welvaart; de vlechtsters verdienden veel geld en schaften zich van alles aan. Men rekent dat er ongeveer 40.000 doz. hoeden per jaar uitgevoerd werden.

Nadat deze opbloei een jaar of meer geduurd had kwam de ommekeer, door een sterke mededinging van China en Japan, die van rijststroo gemaakte hoeden tot zulke lage prijzen konden verkoopen, dat de Curaçaosche hoeden te New York niet meer dan 3 doll. per doz. vermochten op te brengen. Ook de oorlog in de V.S. van 1861-65 was voor de Curaçaosche hoeden-industrie onvoordeelig.

Nadien is er verbetering gekomen: op het eind der vorige en in het begin van deze eeuw richtte de industrie zich weder op en verschafte bij groote vraag naar het product en bij goede prijzen een ruim bestaan aan duizenden.

Van Curaçao werd aan hoeden uitgevoerd:

in 1903 voor ƒ33.408
4 voor ƒ139.779
5 voor ƒ335.205
6 voor ƒ395.733
7 voor ƒ329.413
8 voor ƒ83.658
in 1909 voor ƒ252.306
10 voor ƒ213.644
11 voor ƒ432.993
12 voor ƒ756.272
13 voor ƒ620.241

Sedert den aanvang van 1908 echter is, zooals men ziet, de vraag naar Curaçaosche hoeden geluwden zijn de prijzen achteruit geloopen; de arme bevolking heeft hare inkomsten grootendeels moeten derven: hoe laag ook de levensstandaard van het negervolk is, en hoe gering zijne levensbehoeften zijn, het loon van nauwelijks ƒ2.- voor het maken van 1 dozijn hoeden, waaraan een negerin minstens 8 of 10 dagen werkt, mag men toch wel onvoldoende heeten.

Van 1909 af is de uitvoer aanzienlijk toegenomen en, met een kleinen terugval in 1910, bleef hij stijgende tot 1912; in 1913 was de waarde van den uitvoer weer lager.

Ziehier de uitvoercijfers in dozijnen hoeden gesplitst naar de plaatsen van bestemming:

1910 1911 1912
New-York 53520 85256 90129
Colon 690 1622 1318
Havre 8216 6715 9959
Londen 3319 10393 23915
Hamburg 2810 3510 7413
Paramaribo 132 28 84
Amsterdam 1878 640 475
  __________ __________ __________
  70565 108164 133293
  __________ __________ __________
Waarde ƒ213644 ƒ432993 ƒ756272
  __________ __________ __________
Gemiddelde waarde per dozijn ƒ3.03 ƒ4.- ƒ5.67

Dat de mode grooten invloed kan hebben op de industrie van het hoeden-vlechten valt niet te ontkennen; naar die mode zal zij zich hebben te richten, zal zij fatsoen en afwerking dienen te regelen; alleen dan wanneer men het hoofddeksel als een overtolligheid gaat beschouwen, zal er niets meer te regelen of te richten overblijven.

Op de huisvlijt-tentoonstelling te Scheveningen in 1910, en op de middenstands-tentoonstelling te Amsterdam in 1909 (K.V. 1909, III Curaçao, supplem.) was de Curaçaosche hoeden-industrie vertegenwoordigd door bekwame vlechtsters en de produkten van hare vlechtkunst.

Curaçao voert de op het eiland gemaakte hoeden uit naar Engeland, Frankrijk, Duitschland, de Vereenigde Staten, naar Paramaribo, de republiek Panama en ook naar Nederland. Uit het onderzoek van den heer Cohen Henriquez is gebleken, dat er in Nederland veel meer Curaçao-hoeden verkocht worden dan Curaçao naar Nederland uitvoert. Hier wringt de schoen of, eigenaardiger, hier knelt de hoed. Onvoldoende bekend is waar per slot van rekening de naar zoovele landen uitgevoerde hoeden blijven, en wat ermede geschiedt alvorens zij, meerendeels als Panama-hoeden, tentoongesteld worden in de winkels.

Leerrijk kan het zijn voor het Westen wat in deze ‘branche’ het Oosten ons doet zien. Reeds in den aanvang noemden wij den Tanggeranschen hoed; de techniek is van de Filippijnen afkomstig en het hoe denvlechten voor export kwam onder westersche leiding tot stand; westersche tusschenkomst was het die den Tanggeranschen hoed werelddebiet wist te verzekeren; de leiding van het bedrijf was en is gebleven in vreemde handen. De inlander staat tot het bedrijf in geen andere verhouding dan als vervaardiger van het ruwe produkt en als arbeider in de stapelplaatsen en fabrieken. Dit ruwe produkt wordt hoofdzakelijk in klein-industrie aangemaakt, en de Tanggerangsche hoeden-industrie heeft, door den ontzaglijken omvang dien zij gaandeweg gekregen heeft, een belangrijke oeconomische beteekenis voor West-Java erlangd. Dit geeft te denken; maar al doende zie men niet voorbij, dat de vlijtigste vlechters en vlechtsters niet meer kunnen maken dan 10 cent per dag.

Aan het slot van het verslag zijner reis naar Porto Rico schrijft de heer Cohen Henriquez (bl. 33), dat de gevolgen van de door hem voorgestelde maatregelen zullen ten goede komen aan een levensvatbare industrie en onmiddellijk daarna aan de terecht noodlijdend genoemde bevolking van Curaçao. Indien de pogingen tot opbeuring slagen, dan zal, naar hij voorziet, betrekkelijke welvaart gebracht zijn onder de bevolking, en zal kunnen uitblijven de steun, die, in jaren van misoogst, herhaaldelijk en in allerlei vorm moet verleend worden.

Op Bonaire en Aruba beteekende de hoeden-nijverheid tot voor enkele jaren weinig. Er werden vlechtcursussen opgericht. De uitvoer bedroeg van

Aruba Bonaire
1911 ƒ5500.- ƒ5120.-
2 ƒ19203.- ƒ18765.-
3 ƒ23629.- ƒ34831.-

Omtrent de industrie op Saba schrijft een berichtgever in het jaar 1857: ‘Over het algemeen houden zich de vrouwen onledig met het maken van strooijen hoeden, hetgeen nog al een aardig stuivertje opbrengt. Dit is de eenige zoover ik weet algemeene tak van nijverheid die hier wordt beoefend’. H. van Kol, die het eiland in 1903 bezocht, deelt mede, dat het stroo van Porto Rico wordt ingevoerd ‘daar de teelt te Saba wegens gebrek aan goed zaad niet eens behoorlijk is beproefd.’

In het rapport van de commissie benoemd bij gouv. res. van 13 Jan. 1910 no. 13, getiteld Het Ambacht in Suriname, Paramaribo 1912, werd de wenschelijkheid uitgesproken van de invoering eener hoedenvlechterij en reeds in het blad ‘De Surina-

[p. 364]

mer’ van 23 Juni 1912 verscheen de mededeeling dat Mgr. Th. Van Roosmalen zijne goedkeuring had gehecht aan het plan om aan de meisjespatronaten te Paramaribo een hoedenvlechtcursus te verbinden, waartoe de R.K. Missie zich met het Vicariaat van Curaçao in verbinding zou stellen. Deze mededeeling gaf - zie De Surinamer van 8 Sept. 1912 - aan eenige heeren te Paramaribo aanleiding om een comité te vormen dat zich ten doel stelde de hoedenvlechterij in Suriname in te voeren. Het Surinaamsche publiek, dat veel voor de zaak voelde, bracht daarvoor een sommetje bijeen. Uit Curaçao werden een bekwame hoedenvlechtster en vlechtmateriaal gevraagd en op 8 Juli 1913 kon de vlechtschool te Paramaribo geopend worden. Vooral de R.K. Zusters beijveren zich om deze industrie te bevorderen.

Voor de goedkoope kwaliteiten hoeden gebruikt men in Suriname ook stroo van de awarapalm (Astrocaryum segragatum) en de morisipalm (Mauritia flexuosa) gekleurd en ongekleurd.

Litt. S. van Dissel. Curaçao, Leiden 1857, blz. 115. - G.J. Simons, Beschr. v.h. eiland Curaçou, Oosterwolde 1868, blz. 78 en 116. - T.A.G. 2e S. II, 1885, 2, 2e ged. bl. 213. - H. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 199 en 322. - A. Charlouis, De hoeden-industrie in de kol. Curaçao (De Middenstandsbond, 22 Juni 1909). - Dez. De hoeden-industrie te Curaçao (ald. 24 Aug. 1909). - H.J. Cohen Henriquez, Rapp. van zijn reis naar Maracaibo (1910). - Dez. Voordracht over hoedenstroo- bewerking in den Staat Zulia, Cur. 1910. - M. Victor Zwijsen, II de kolonie Curaçao, in Onze West, uitgeg. door de vereeniging Oost en West (1910). - C.M. Pleyte, De inl. nijverheid in West-Java als soc. ethnol. verschijnsel, 1ste stuk, Bat. 1911, bl. 59. - H.J. Cohen Henriquez, Verslag van de reis naar Porto Rico (Willemstad, 1911). - Het Nederl. Zeewezen, 1 Dec. 1912, bl. 365. - Departement v.d. Landbouw in Suriname. Verslag over 1912, blz. 170. - Tijdschr. v. econ. geogr., 15 Juli 1913, bl. 251. - Kol. Weekblad (Oost en West) 31 Juli 1913. - Bijdr. tot de taal-, land- en volkenk. v. Ned.-Indië, 1913, bl. 593. - Kol. Verslagen (Curaçao), vooral 1913, bijl. W. - H.J. Cohen Henriquez, Rapp. van de reis naar Europa en de V.S. (Willemstad, 1914). - Kol. Weekblad (Oost en West) 28 Mei en 18 Juni 1914. - Neerlandia, Juni en Juli 1914. -

Hoedoeloso,

n.e. Zie CORRODENTIA.

Hoedoe loso fowroe,

n.e. Zie TROGON.

Hoenders.

Zie GALLI.

Hoepel-olie,

sur. Zie COPAIFERA en OLIËN.

Hoeproe-hoedoe,

n.e. Zie COPAIFERA.

Hoerihoeri,

ben. e. Zie CAPPARIS COCCOLOBIFOLIA.

Hoëvell (Wolter Robert baron van),

geb. te Deventer 15 Juli 1812, overl. te 's-Gravenh. 10 Febr. 1879, promoveerde Sept. 1836 te Groningen tot doctor in de godgeleerdheid en vertrok in Nov. d.a.v. naar Indië, waar hij spoedig benoemd werd tot predikant te Batavia. Met Dr. S.A. Buddingh en Mr. J.J. Brest van Kempen stichtte hij in 1838 het Tijdschrift voor Neerland's (later Nederlandsch) Indië. In 1849 in Nederland teruggekeerd werd hij tot lid van de Tweede Kamer gekozen, waarin hij zitting had tot 1862, in welk jaar hij benoemd werd tot lid van den Raad van State. In zijn in 1854 te ZaltBommel verschenen boek Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche Wet (2e dr. in 1855 te Zalt-Bommel, 3e dr. in 1864 te Amst.), leverde hij voor de emancipatie der Slaven in de West-Indische koloniën een welsprekend pleidooi, dat ongetwijfeld van invloed geweest is op het tot stand komen der emancipatie-wet. Ook als kamerlid ijverde hij voor dit doel. Men zie zijne Parlementaire redevoeringen over koloniale Belangen 1849-1862, Zalt-Bommel, 1862-1865, 4 deelen. I, 281-283 (1853), II, 232-242 (1855), 252-259 (1855), 280-286 (1855) 294-300 (1855), 353-362 (1856), IV, 104-106 (1860) en 226-227 (1861).

Hofjes.

Op Curaçao gedeelten van plantages en kleinere grondjes, met gekweekte boomen. De grootere zijn meestal in een vallei of ravijn aangelegd, waar de bodem genoeg vocht bevat om den boomgroei te onderhouden.

Hof van justitie.

Zie RECHTSWEZEN.

Hogendorp (Gijsbert Karel graaf van)aant.

geb. te Rotterdam 27 Oct. 1762, overl. 5 Aug. 1834. Met terzijde stelling te dezer plaatse van hetgeen omtrent dezen staatsman zou zijn te berichten, worde hier alleen melding gemaakt van datgene waaruit zijne belangstelling in de West-Indische Koloniën blijkt.

In no. 12 en 13 van zijne ‘Brieven aan eenen participant in de Oost-Indische Compagnie’, Amst. 1802/03, waarin hij uiteenzette dat het West-Indische stelsel op het Bestuur over de Oost-Indische Bezittingen kon toegepast worden, zonder den landbouwer tot slaaf te maken, gaf hij een belangwekkende beschouwing over het Octrooi voor Suriname van 23 Sept. 1682, waarvoor hij groote bewondering koesterde. Hij noemt het ‘een kort en bondig Stuk, welk de egte kentekenen der wetgevende Wijsheid onzer Voorouderen draagt’, een ‘Meesterstuk,’ een ‘Gedenkstuk van voorouderlijke wijsheid’ en wijst op de gelijkenis tusschen het octrooi op het bestuur en den handel in Britsch-Indië en onze aloude instellingen in Suriname, een gelijkenis, die hem aangenaam stemt jegens ‘de waare verdienste onzer natie, die zo vroeg een voorbeeld gegeven heeft, ter navolging aan Engeland, welk thans op zijn commercieel en koloniaal stelsel met regt grootsch is.’

Tegenover den lof aan dit octrooi toegezwaaid doet het vreemd aan hem in een brief aan den Koning van 14 Aug. 1815 (zie Mr. H. Graaf van Hogendorp, Brieven en Gedenkschriften van Gijsbert Karel van Hogendorp, 's-Gravenh. 1902, VI, 164) te zien schrijven dat ‘de eenigste bedenking van gewigt,’ die hij had tegen de West-Indische Reglementen van 1815, welke - althans voor zooveel betreft de politieke rechten der kolonisten - een stap achteruit deden, was ‘dat zij wat volumineus zijn en dat er wat vele zaken van inwendig bestuur op den voet van 1795 hersteld worden, zonder uit te drukken wat de voet geweest is.’

In een latere periode van zijn leven (1822) zien wij hem nogmaals aandacht schenken aan de W.-I. Koloniën (‘Bijdragen tot de huishouding van Staat in het Koningrijk der Nederlanden’, blz. 160 vlg. en 181 vlg. van het 7de deel der uitgave onder toezicht van Mr. J.R. Thorbecke). Zijne beschouwingen betreffen nu den slavenhandel en de middelen tot opbeuring van Suriname, welks verval hij voornamelijk toeschrijft aan het absenteïsme der plantage-eigenaren en het wanbeheer der administrateuren. Naar aanleiding van deze beschouwingen gaf de hieronder genoemde Mr. Lammens een geschrift uit, getiteld ‘Bedenkingen bij het lezen van het artikel: koloniën’, voorkomende in het 7de deel der Bijdragen tot de huishouding van Staat van den heer J.K. Grave van Hogendorp, Amst. 1824.

[p. 365]

Ten slotte worde melding gemaakt van zijne belangwekkende beschouwingen, o.m. over het toelaten van vreemde schepen in de koloniën, voorkomende in een 21 Febr. 1827 gedagteekend advies aan de Holl. Maatsch. der Wetensch. te Haarlem, betreffende een ingekomen antwoord op een prijsvraag over de oorzaken van het verval van den Nederl. handel. (Brieven en gedenkschriften, VII, 13 vlg.) In dit deel, blz. 77-80 is ook opgenomen een brief van 5 Aug. 1827 aan Mr. A.F. Lammens, Pres. v.h. Hof v. Justitie in Suriname, handelende over het wegvloeien van klinkende munt uit de kolonie, met dit troostelooze slot: ‘Over eenige jaren zal er noch gemunt geld, noch papiergeld in de Kolonie voorhanden zijn.’

Hog meat,

bov. e. Zie BOERHAAVEA HIRSUTA.

Hollandsch.

Zie NEDERLANDSCH.

Holly hock,

bov. e. Zie BYRSONIMA.

Hollystalk,

bov. e. Zie HYPTIS PECTINATA.

Holocentrus-

soorten worden in het Papiamentsch Kandeeltje, op Saba Redman genoemd. Een zeer mooi gekleurde soort, die men dikwijls op tropische markten ziet, is Holocentrus ascensionis (Osb.) J. & Ev. Fam. Holocentridae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, bij rotsen en riffen, van Florida tot St. Helena, bij Cuba zeer algemeen. Het kieuwdeksel heeft aan zijn bovenkant een sterken stekel en zijn achterrand is sterk getand. Een groote stekel bevindt zich aan den hoek van het voorkieuwdeksel; scherp getand zijn de oogring, het vooroogbeentje, de kieuwdekselstukken, het achterhoofd en de schoudergordel. De achterrand van de schubben is zeer stekelig. De rugvin heeft elf stekels, de aarsvin drie. De kleur is mooi rood met glimmende lengte-strepen langs de rijen schubben. De vinnen zijn licht rood, de stekelige rugvin is goudachtig olijf met scharlaken roode rand. Een witte band gaat van af het oog schuin achterwaarts naar beneden. Lengte twee voet.

Holzakdieren.

Zie COELENTERATA.

Homalium guyanense

Warb. Fam. Flacourtiaceae. Bita-hoedoe, n.e. Een veel voorkomende boom met groene bloemen. Gebruik onbekend.

Homalocranium melanocephalum

L. Een klein slangetje, tot de familie der Dipsadomorphinae behoorende, met een cylindervormig lichaam, omgeven door 15 overlangsche rijen van schubben. De kop, klein en bijna niet van den nek gescheiden, is van boven donkerbruin of zwart gekleurd, meestal met 2 kleine naast elkaar geplaatste lichte vlekjes op het midden; deze donkere kleur strekt zich gedeeltelijk over de zijden van den kop uit, evenwel niet zoo ver of er blijven op die zijden eenige lichtgele vlekjes over. Bij de Surinaamsche exemplaren vindt men meestal 3 van deze gele vlekjes, n.l. één rondachtige vlek achter het oog, een tweede kleiner dicht bij het neusgat en een derde bij den mondhoek, welke laatste vlek samenvloeit met de lichte kleur van de onderzijde. Van boven is het lichaam bruin gekleurd, soms met 3 of 5 donkere langsstrepen. Dit sierlijk gekleurde slangetje behoort tot de groote onderafdeeling der Opisthoglypha en heeft in de bovenkaak aan iedere zijde een twaalftal soliede (niet holle) tanden, die gevolgd worden door een paar iets grootere gegroefde tanden.

Hond (wilde).

Zie ICTICYON.

Honeyberry,

bov. e. Zie EUGENIA UNIFLORA.

Honifrei,

n.e. Zie HYMENOPTERA.

Honig.

Zie BIJENTEELT en HYMENOPTERA.

Hontiman,

n.e. Zie HYMENOPTERA.

Hooba,

ben. e. Zie SPONDIAS MOMBIN.

Hoofdgeld.

Zie BELASTINGEN, blz. 80 en 83.

Hoofd-ingelanden.

Zie LANDDROSTEN.

Hoofdpijnblad,

bov. e. Zie OPERCULINA.

Hoogkijker,

sur. Zie ANABLEPS ANABLEPS.

Hoogland tapoeripa,

sur. Zie GUSTAVIA PTEROCARPA.

Hooiwagen.

Zie ARTHROGASTRA.

Hoplerythrinus unitaeniatus

(Spix) Eig. (Syn. ERYTHRINUS UNITAENIATUS Spix). Warappa, kar. en n.e. Fam. Characidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname; La Plata tot Guiana en Peru; Trinidad. Het lichaam is ovaal, bedekt met groote schubben; de kop is lang met wijden mondspleet. Eene zwarte oogplek, van voren met zilvertint berand, op het einde van het kieuwdeksel. Soms een bruine band langs de zijlijn. De staartvin zonder vlekken. Een moerasvisch, die 9-12 duim lang wordt, en voornamelijk in den drogen tijd op de markt gebracht wordt en een zeer gezochte tafelvisch is. Gevulde warappa, gestoofd, heet in Suriname kankanboka.

Hoplias macrophthalmus

(Pellegrin.) (Syn. MACRODON AIMARA Cuv. & Val.) Anjoemara, n.e. Fam. Characidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Oostelijke helling van Zuid-Amerika De mondspleet is wijd. De rugvin is bijna in het midden van het lichaam geplaatst. Er is geen vetvin en de aarsvin is kort. De rug is blauw zwart, de buik is geelwit. De vinnen zijn bruin met zwart gevlekt. Cuvier en Valenciennes noemen de kleur min of meer eenvormig groen met gele vlekken op den rand der schubben, de staartvin donker met weinig vlekken, rugvin weinig, aarsvin duidelijk gevlekt. Hij leeft in stroomen en kreken en vooral in donker boschwater. Volgens Kappler kan deze visch drie voet lang en twintig pond zwaar worden. Men vangt hem met den hengel, maar meest in springkorven. (Zie afbeelding in Martin's Westindische Skizzen. Tab. VI. 12). Zijn vleesch is stevig en smakelijk.

Hoplias malabaricus

(Bl.), E. & K. (Syn. MACRODON TRAHIRA (Sp.) Gthr.) Patakka, n.e. Fam. Characidae. De visch wordt in de rivieren, kreken en zwampen gevonden. Verspreiding: Zuid-Amerika. De korte rugvin bevindt zich bijna op het midden van het lichaam; er is gaan vetvin, de buikvinnen zijn onder de rugvin geplaatst, de aarsvin is kort, de staartvin is afgerond. De jonge individuen hebben een medianen band, die bij oudere exemplaren in dwarsstrepen opbreekt, terwijl de volwassenen min of meer eenvormig van kleur zijn; de vinnen zijn gevlekt of gestreept of hebben vlekken en strepen. Er is variatie in de kleurteekening al naar de plaats van afkomst van den visch. Door de vele graten is de visch als voedselvisch weinig gezocht.

Hoplosternum littorale

(Hanc.) Eig. & Eig. Soké-kwikwi, n.e. Fam. Callichthyidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname; La Plata tot Trinidad. De bek is plat, iets puntig; de onderlip heeft een breeden, vrijen rand, die in het midden hoekig ingesneden is. De voeldraden reiken ongeveer tot het einde van de borstvin. De zijkanten van het lichaam zijn geheel bedekt met twee rijen platen, die aan den rand met kleine stekeltjes bezet zijn. De

[p. 366]

stralen van al de vinnen zijn ruw door kleine stekeltjes. De vetvin heeft een gebogen stekel. De aarsvin heeft een gelijken stekel als de rugvin. De staartvin is uitgerand. De visch is olijfkleurig met twee rijen lichtere vlekjes langs het midden der zijkanten, de vinnen zijn donker, soms gemarmerd. Een goede tafelvisch evenals H. thoracatum.

Hoplosternum thoracatum

(C. & V.) Eig. & Eig. (Syn. CALLIGHTHYS LONGIFILIS C. & V.) Platkop-kwikwi, sur. Fam. Callichthyidae. Zoetwatervisch. Verspreiding: Suriname; Amazone en noordwaarts, Paraguay. De kop is breeder dan hoog, er zijn twee paar bovenkaaksvoeldraden, die reiken tot voorbij den voet van de buikvinnen. De oogen zijn klein. De kop bedekt met beenplaten, het lichaam aan beide zijden beschermd door twee rijen dakpansgewijze liggende schilden. De rugvin heeft een zwakken stekel, de vetvin is kort met van voren een korten beweegbaren stekel, de aarsvin is kort, de staartvin afgerond. De zachte deelen van den onderkant van den visch met ronde, donkerbruine vlekken. De rugvin en de staartvin met kleine, zwarte vlekjes; de staartvin heeft tevens een witten band dwars over de basis en een donkeren band dwars over het midden. Volgens Kappler kruipt hij diep in den vochtigen modder, als de moerassen opdrogen, of wel zoekt hij over land nieuw water op; men maakt er krachtige soep van.

Hortus surinamensis.

Zie CULTUURTUIN, blz. 250.

Horzels.

Zie DIPTERA.

Hostmann (dr. Friederich Wilhelm Rudolf),aant.

geb. omstreeks 1794 te Hildesheim (Hannover), overl. te Paramaribo 26 Oct. 1864, studeerde te Göttingen in de geneeskunde en vestigde zich in 1818 als geneesheer te Paramaribo. Door zijn uitgebreide praktijk verdiende hij in korten tijd een aanzienlijk fortuin; een groot natuurvriend zijnde begon hij spoedig botanische en zoölogische verzamelingen aan te leggen. Ook aan landbouw- ondernemingen nam hij deel; o.m. beproefde hij - met weinig succes - den aanplant van indigo, op de plantage De Twee kinderen aan de Surinamerivier en op Hannover aan de Parakreek. Ten einde zich geheel aan natuur-onderzoek te kunnen wijden gaf hij in 1840 zijne praktijk op en trok naar het binnenland, keerde echter na eenige maanden wegens ziekte naar Paramaribo terug, waar hij weinig meer aan de medische praktijk deed. (Zie BOTANISCH ONDERZOEK, blz. 167 en voorts A. Pulle, An enumeration of the vascular plants known from Surinam, Leiden 1906, blz. 2 en 3). Van zijne hand verschenen in 1831 - toen men in Suriname voor de overkomst van de cholera uit Europa vreesde - eenige kleinere geschriften over deze ziekte. Een eigenaardig boek van zijne hand is ‘Over de beschaving van negers in Amerika door kolonisatie met Europeanen’, Amst. 1850, 2 dl.

Hout en houthandel.aant.

Reeds gedurende de eerste jaren dat de Europeanen handel dreven met de bewoners van de ‘wilde kust’ werd hout uit Suriname uitgevoerd. Voornamelijk het fraai gevlamde letterhout was zeer gezocht en de uitvoer daarvan bereikte in 1723 het maximum met 157.908 pond. In 1757 was het bedrag echter gedaald tot 7110 pond. Reeds in de 17e eeuw was het hout van Mimusops Balata (Gaertn.) in Holland zeer gewild en aldaar bekend onder den naam van paardenvleeschhout. Van 1834-1844 werd uit Suriname naar de rijkswerven in Nederland ongeveer 8000 M3. verzonden. Spoedig hield echter de vraag op, daar de prijs (ƒ80) te hoog was in vergelijking tot dien van Eur. eikenhout. In 1846 heeft men in Overijsel een proef genomen met den invoer van Sur. meubelhout. De verbruikers waren zeer tevreden maar de opbrengst dekte slechts voor ¾ de kosten.

Hoewel de Surinaamsche bosschen voortreffelijke houtsoorten bevatten, beteekent de uitvoerhandel in hout nog niet veel. Uitgevoerd werd:

○ of □ afgewerkt hout letterhout
aangenomen waarde aangenomen waarde
  M3. per M3. K.G. per K.G.
1893 2130 ƒ20 22.245 ƒ0.15
1894 2333 ƒ20 36.086 ƒ0.15
1895 2122 ƒ20 29.370 ƒ0.15
1896 1938 ƒ20 24.809 ƒ0.15
1897 2382 ƒ20 8.648 ƒ0.15
1898 3519 ƒ20 100.575 ƒ0.12
1899 3340 ƒ20 149.168 ƒ0.10
1900 3938 ƒ20 45.571 ƒ0.10
1901 2307 ƒ20 23.155 ƒ0.10
1902 1576 ƒ20 30.957 ƒ0.10
1903 1278 ƒ20 67.714 ƒ0.10
1904 907 ƒ20 33.236 ƒ0.10
1905 2193 ƒ20 125.504 ƒ0.10
1906 1965 ƒ22 129.041 ƒ0.20
1907 1767 ƒ22 78.211 ƒ0.20
1908 2280 ƒ22 78.499 ƒ0.22
1909 2299 ƒ22 93.354 ƒ0.12
1910 2200 ƒ23 249.434 ƒ0.21
1911 1802 ƒ22 155.973 ƒ0.21
1912 2901 ƒ22 86.479 ƒ0.20
1913 3987 ƒ25 112.486 ƒ0.25

Het uitvoerrecht op hout was reeds in 1834 afgeschaft (G.B. no. 13).

De oorzaak van de geringe beteekenis van den Sur. houtuitvoer is te zoeken in het verspreid voorkomen der houtsoorten en in de gebruikelijke wijze van exploitatie.

De groote verscheidenheid van houtsoorten in de natuurbosschen maakt het zeer moeilijk hoeveelheden van beteekenis van één soort bijeen te brengen. De firma Van Tubergen en Daan te Paramaribo en te Amsterdam, heeft zich veel moeite gegeven afzet voor bepaalde soorten te zoeken in België en Nederland. Het gelukte haar de autoriteiten in eerstgenoemd land te overreden voor den bouw van openbare gebouwen, o.a. voor het postkantoor te Brussel, Surinaamsch houtte bezigen. Locus (Sur. teak) bruinhart, pisi, bolletri en purperhart, worden bij onze buren naar waarde geschat voor schrijnwerk, meubels en parketvloeren.

Ook werd eenige jaren geleden voor den bouw van Belgische havenwerken het Surinaamsche manbarklak toegelaten.

Natuurlijk dat de werklieden, die niet gewend zijn met genoemde houtsoorten om te gaan, moeilijkheden ondervonden bij de bewerking, maar die leeren zij gaandeweg overwinnen. Een veel grooter ongerief is het, dat de voorraad in Europa in den regel klein is, spoedig uitgeput geraakt en niet snel is aan te vullen met hout van Paramaribo, want ook daar ligt weinig opgestapeld.

Wanneer een bouwondernemer midden in het werk moet staken omdat het hout op is, of zich moet behelpen met het gebruik van ander hout, dat in kleur en andere eigenschappen slechts gedeeltelijk met het reeds ontvangene overeenstemt, dan ligt het voor de hand, dat zijn animo om Surinaamsch hout te gebruiken bekoelt.

[p. 367]

Heeft de importeur zich bij contract tot het tijdig leveren van Surinaamsch hout verbonden dan loopt hij groot gevaar belangrijke verliezen te lijden, wanneer zijn leveranciers in de kolonie niet aan hunne verplichtingen voldoen. En dat gevaar is groot, wanneer men let op de wijze waarop de boschexploitatie in Suriname plaats vindt. Aan Berkhout's Rapport over de Surinaamsche bosschen ('s Grav. 1903) wordt het volgende ontleend:

De stammen worden zoo dicht mogelijk bijeen uitgekozen voor de velling en zonder ringen of andere voorafgaande maatregelen omgekapt. Daarbij maakt men bij voorkeur gebruik van de yankee axt, dien de negers voortreffelijk weten te hanteeren. Het is merkwaardig hoe handig deze de hardste boomklossen tot vierkante balken bekappen. Kleedingstukken hinderen hen daarbij weinig, want veelal dragen ze niets of slechts een dunne broek of lap. Zijn een vijftal boomen omgehouwen, dan hebben de beide kappers hulp noodig voor het leggen van de stukken op de uiterst eenvoudige zaagstellingen, die van takken vervaardigd zijn. Daar ze noch dommekrachten, noch Munstersche boeren, noch andere werktuigen bezigen, is meestal een 5tal arbeiders noodig, om de klossen boven te krijgen. Het zagen geschiedt wederom, door het tweetal negers, dat de stammen geveld had. Ten einde het kromtrekken der planken te beletten, worden op de stelling reeds in den kop der planken gleuven gemaakt en daarin dunne houtjes geslagen. Noodig is die maatregel zeker wel, want het groene hout werkt uit den aard der zaak sterk. De boomen staan veelal op terreinen, die een belangrijk deel van het jaar onder water zijn. Het meest worden de betere houtsoorten gekapt, die een duidelijke kern gevormd hebben en waarbij dus de sapleiding zich concentreert in de spintlaag. Hoewel men met eenige palmbladeren gemakkelijk een eenvoudig dak koven de zaagstelling zou kunnen maken, wordt zulks nergens gedaan en laat men de volle zon op het in de buitenlagen zeer natte hout branden met het gevolg, dat het zeer sterk moet scheuren en werken.

Ik zag planken, die als hoepels omgekruld waren en menig stuk was bij het vervoer zoodanig in waarde gedaald, dat de drager, zijn schedel er niet langer voor willende disponibel stellen, de plank eenvoudig wegwierp. Op de werkplaats van de plantage Hannover had men getracht het verder scheuren te beletten door opwerping van een weinig zaagsel, een middel, dat natuurlijk weinig baat. Nadat de balken en planken aan de rivierkant zijn gebracht, worden ze verder getransporteerd in korjalen. Van vlotten is in casu geen sprake en de korjaalvrachten bestaan dikwijls uit een paar stijltjes en eenige planken, die te Paramaribo verkocht worden. Welk een verspilling van arbeidskrachten en welk een verkeerde exploitatie-methode vallen hier te constateeren! Zou men op dezelfde wijze in Europa en in Indië te werk gaan, de klachten over duur en slecht hout zouden algemeen zijn.

Bij het kappen worden belangrijke hoeveelheden hout verspild. Bovendien is in de Parazone het goede hout reeds vroeger weggekapt en moet men zich thans behelpen met jonge boomen van middelmatige hoedanigheid.

De Boschnegers exploiteeren op eene eenigszins andere wijze. Waar de stammen zware lijsten (sporen) hebben, maken zij eerst een stellage. Door daarop den stam door te kappen, blijven zij buiten het bereik van het warrige gedeelte van den boom en is daar de middellijn vrij wat minder. Bij het bekappen mist de Boschneger dikwijls het juiste oog om den balk zuiver vierkant te krijgen en zijn meestal de ‘bere’ (buikkanten) breeder dan de ‘banja’ (benedenkanten). De voorkant van den balk wordt beneden afgerond, zoodat hij er daar als een boot uitziet (‘bóto’) en gemakkelijk over den weg glijdt. De achterkant wordt mede iets bijgewerkt, opdat men met de spaken beter den stam voorwaarts kan duwen. Getrokken wordt de balk met hulp van een strik, van een liaan vervaardigd, die bevestigd wordt aan een pin, welke krachtig in den balk geslagen is. De weg is gemaakt door op afstanden van 1.5 Meter dwars op de openkapping knuppels hout van 8-12 cM. diameter te leggen. De openkapping is zeer smal (1 Meter), zoodat de zon niet op den grond doordringt en dus geen onkruid in massa kan opschieten. Groote boomen worden eenvoudig vermeden door het voetpad iets te verleggen. Over de knuppels trekt men het stuk hout voorwaarts. Hoewel deze manier van vervoer primitief genoemd mag worden, voldoet zij in de veelal drassige terreinen.

Voor het uitsleepen van een kopibalk van 2¼ M3. inhoud over eene lengte van 5 K.M. zijn 22 man gedurende een dag noodig. De neger doet bij dat werk driemaal zooveel als een Javaan, maar daar hij per dag een zesmaal hooger loon eischt, wordt het werk toch nog weer tweemaal zoo duur. Helaas hebben de eerste pogingen aangewend om met karbouwen het hout uit te sleepen weinig voldoening opgeleverd. De nuttige arbeid van deze dieren was veel te gering en hun levensonderhoud duur, zoodat de kosten buitengewoon opliepen.

De boschneger, die hout uitsleept, betaalt daarvoor niet rechtstreeks. Hij roept zijn landslieden op, geeft hun gedurende het uitsleepen te eten, maar vooral drank te drinken, en is op zijn beurt verplicht aan een eventueele oproeping van een ander gevolg te geven.

Hoe zwaarder de balken zijn, des te meer kost het de noodige negers in het schaars bevolkte land te gelijkertijd bijeen te brengen, maar toch betaalt men te Paramaribo voor het lichtere hout per kubieke eenheid meer dan voor het zware. De prijs wordt berekend per lengtevoet, bij een doorsnede van een vierkanten voet. Kost b.v. groenhart 56 cent den voet, dan moet men voor een balk van 32 voet lengte bij een doorsnede van een vierk. voet betalen 32 × 56 cent = ƒ17.92 d.i. dus ± ƒ18 de M3.

Bij zwaarder hout wordt voor elken Rijnlandschen duim grooter doorsnede 8 cent den strekkenden voet meer betaald. Een balk van 32 voet lang, dik en hoog 2 voet kost dus: 32 × (56 cent + 8 × 12 c.) = ƒ48.64 d.i. per M3. ƒ12.60.

Het vlotten van het hout geschiedt langs de Commewijne met hulp van korjalen. Een man voert met zijn vrouw af 10 balken à 2¼ M3. = 22.50 M3. Van de Friderici-kreek tot Sommelsdijk heeft hij onder gunstige omstandigheden 3 en onder ongunstige omstandigheden 7 dagen noodig. Van daar tot de stad duurt het vlotten nog 1½ dag, in het geheel dus gemiddeld 7 dagen. Bij een dagloon van ƒ1 en voor de vrouw de helft, komt het vlotten per M3. en per K.M. te staan op ¾ cent, een bedrag dat uiterst gunstig afsteekt bij dat wat voor het uitsleepen per M3. K.M. moet betaald worden (ƒ9.50 per M3. K.M.)

Daar de bovenloopen der Surinaamsche rivieren rijk aan watervallen zijn, is daarlangs het vlotten zeer bezwaarlijk. Boven elken val moet het vlot - de kokrokó, n.e. - uiteengenomen en beneden opnieuw

[p. 368]

samengesteld worden. Niet alleen dat dit werk tijdroovend is, maar het gaat veelal ook gepaard met verlies van hout.

De totale kosten van aankap en vervoer van de Fredericikreek tot Paramaribo zijn ƒ2.- kaploon, ƒ10.- sleeploon en ƒ0.75 vlotloon, totaal ƒ12.75, wanneer men een dagloon van ƒ1.- aanneemt, en dit komt vrijwel overeen met den prijs, die voor het hout te Paramaribo moet betaald worden. Er wordt op de hoofdplaats meermalen hout aangevoerd van veel verder verwijderde plaatsen dan de Fridericikreek en voor den zelfden prijs verhandeld. Dit kan met evenveel voordeel geschieden, wanneer tegenover het langere watertransport staat een korter landtransport, maar bovendien speelt in de prijsbepaling de levensopvatting van den Boschneger een bepaalde rol. Hij stelt zijn persoonlijke vrijheid zeer op prijs. Waar hij op een goudplacer niet genegen is onder de bevelen van een Europeaan te werken tegen een dagloon van ƒ2.50, is een betaling van ƒ1.- voor hem voldoende, wanneer hij kan werken, wanneer en hoe het hem het beste lijkt. Bovendien is het boomenkappen een werk, dat hij gaarne verricht. De zware bijlslagen waarvan het woud weerklinkt, wekken hem op.

Het vlotten van het hout valt mede zeer in zijn smaak. Onderwijl jaagt en vischt hij. Bovendien is het voor hem een genot eens per jaar naar Paramaribo te gaan en daar zijne inkoopen te doen. Zonder hout of geld kan hij weinig inslaan. Gedeeltelijk crediet wordt hem gaarne verleend. Tegen de belofte van een volgend maal in hout te betalen verstrekt men hem veel.

Helaas kan men daarbij in 't geheel niet rekenen, noch op de hoeveelheid noch op den leveringstijd. Waar een voorschot gegeven wordt in de vaste hoop, dat een bepaalde partij hout binnen ½ jaar geleverd zal worden, duurt het somtijds 2 à 3 jaar voor dat de Boschneger met een klein gedeelte van het beloofde hout weer in de stad komt. Daardoor kan met zijn hulp een flinke houthandel zich niet ontwikkelen, want de Europeesche afnemer kan zoolang niet wachten tot hem de rest van het benoodigde hout geleverd wordt.

Bij de groote verscheidenheid van houtsoorten en de onzekerheid van den afzet kan men niet verlangen dat groote voorraden der onderscheidene soorten te Paramaribo of te Amsterdam worden opgelegd, nog gezwegen daarvan, dat men moet beginnen met ze te bezitten.

De exploitatie in de binnenlanden langs de rivieren in eigen beheer te doen geschieden heeft ook zijn groote bezwaren. De kosten van het uitzenden van een groep arbeiders zijn zeer hoog. Daar zij verspreid moeten werken valt het zeer moeilijk hen behoorlijk te controleeren en kost die controle, zoo ze door een Europeaan, die bepaalde levensbehoeften bevredigd wenscht, zeer veel.

Wat nu de prijzen van het Surinaamsche hout in Europa betreft, zoo kan men die stellen op ƒ80.- de M3. vierk. bekapt hout voor bekende goede soorten mits de qualiteit niets te wenschen overlaat en ook de afmetingen overeenstemmen met de vraag alhier.

Om dezen prijs te kunnen maken moet men zich veel moeite geven en min of meer de bestellingen afwachten. Wil men vlugger van het hout afkomen en tracht men er een verbruiksgebied mede te veroveren, dan maakt men niet meer dan ƒ40 à ƒ50 de M3. terwijl, wanneer men het hout tegen elken prijs op veiling brengt, het niet meer dan ƒ30.- à ƒ40.- zal opbrengen.

De eenige wijze waarop een houthandel flinke resultaten belooft af te werpen is die dat men vooraf onderzoekt, waar in de kolonie werkelijk eenige tienduizenden Kub. Meters van een 2 à 3 tal goede soorten op een beperkte ruimte voorkomen. Blijkt het dan, dat de stand zoo dicht is, dat gebruik gemaakt kan worden van machinale uitsleep en vervoer, dan loont het daartoe over te gaan, nadat men vooraf voor die bepaalde soorten in Europa reclame heeft gemaakt.

De Java Bosch-Expl. Maatschappij maakte over 1911 met een kapitaal van 2 millioen gulden op de djati-boschexploitatie een brutowinst van ruim ƒ720.000, maar moest daarvan bijna ƒ141.000 afschrijven op de wildhout- exploitatie Simaloer.

Wanneer men bedenkt, dat in Suriname hout het bouwmateriaal is, zal het niet verwonderen dat bij de moeilijkheden om hout uit de binnenlanden naar Paramaribo af te voeren, er steeds nog houtinvoer van buiten af plaats vindt. Het zijn voornamelijk de V.S. van Noord-Amerika die dennenplanken en richels importeeren. Dat lichte hout, pitchpine en spruce is gemakkelijk te bewerken en aangezien de exploitatie der dennenbosschen in Noord-Amerika op groote schaal gedreven wordt, is het hout voor een matigen prijs te Paramaribo te koop. Van 1907-1912 werd in het geheel aan hout ingevoerd voor een waarde van ƒ23320, ƒ38.038, ƒ26.582, ƒ66.271, ƒ22 702 en ƒ82.726. Een klein deel van deze hoeveelheid kwam uit de naburige Engelsche kolonie.

Uit Curaçao, Aruba en Bonaire heeft eenige uitvoer van hard- en van verfhout plaats; de waarde van den uitvoer was van 1909-1912 respectievelijk ƒ4103.- ƒ2200.-, ƒ9494.- ƒ1294. Voor bouwwerken wordt steeds ingevoerd hout gebruikt, gewoonlijk Amerikaansch greenen, voor de vervaardiging van meubelen, mahonie en ander meubelhout. Ingevoerd werd.:

1911 1912
timmerhout en hout voor scheepsbouw ƒ26.893 ƒ100.058
mahonie en andere soorten ƒ5.094 ƒ11.847

Als brandhout gebruikt men in Suriname de langs het zeestrand en de oevers der benedenrivieren groeiende Rhizophoren, in het binnenland, waar deze boomen niet voorkomen, ander licht hout.

Op Curaçao wordt op de plantages het brandhout in bossen van ± 25 K.G., veelal samengebonden met den taaien wortel van de Wabi, naar de stad vervoerd, hoofdzakelijk voor gebruik in de broodbakkerijen. Het meeste brandhout komt uit het 5e district, vanwaar vervoer naar de stad goedkoop plaats heeft met kleine, open zeilbooten (bylander, pap.).

Op Bonaire, het boschrijkste der Benedenwindsche eilanden, wordt veel hout gekapt voor uitvoer als brandhout en voor houtskool. De uitvoer is grooterdeels naar Curaçao gericht.

Litt. M.D. Teenstra, De Landbouw in de Kol. Suriname, Gron. 1835, I, 333-405. - H. Buys en P.F. Jansen, Verslag omtrent den Staat der Bosschen en de Houtsoorten in de Kol. Suriname en Beschr. van de Gouvernem. Houtvelling aan de Rivier Coppename. Verh. en Berigten betrekk. het Zeewezen en de Zeevaartk. verz. en uitgeg. door Jhr. G.A. Tindal en Jacob Swart. Nieuwe Volgorde 2e d. 1e st. blz. 128-165. Amst. 1840. - C.J. Glavimans, Over verschillende houtsoorten afkomstig uit de kol. Suriname. Verh. v.h. Kon. Inst. van Ingenieurs, deel I, 1s st. 's Grav. 1848. - C.A. van Sypesteyn, Het

[p. 369]

Surinaamsche hout bruikbaar en voordeelig bij den aanleg van Spoorwegen. Breda 1851. - Idem, Over Surinaamsche houtsoorten. Tijdschr. West-Indië I, 61-76 en 161-190. Haarlem 1855. Zie ook hetzelfde tijdschr. II, 18-22 en 136-143. - De rijkdom der Surin. bosschen in meubelhout. Tijdschr. voor Staatshuishoudk. en statistiek door Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, VII, 495-519. Zwolle 1852. - H.A. van der Spek Obreen, Beschr. van timmerhoutsoorten die in Europ. Guiana wassen. Rotterd. 1864. - F.W. Westerouen van Meeteren, Surin. planten en cultuurgewassen, boomen en houtsoorten. Amst. 1883. - J.A. van der Kloes, Verslag over de betrekkelijke waarde van twee stukken bolletriehout. Gouv. Advertentieblad, Paramaribo, 8 Sept. 1893 en West-Indiër 10 Sept. 1893. - Les bois des Indes néerlandaises occidentales. Annales des Travaux Publics de Belgique, Avril 1904. - E.K. Plasschaert, Breekproeven aangaande 21 der meest gebr. Surin. houtsoorten, enz. Bulletin no. 11 van de Inspectie v.d. Landb. in West-Indië, Paramaribo, 1908. - Dr. H. Blink, Bosschen en Boschexploitatie in Suriname. Tijdschr. voor Econ. Geogr. 15 Oct. 1910, blz. 460-469. - Voortbrengselen der Surin. Bosschen. Uitg. van de Comm. v.d. Kol. Landbouwtentoonst. te Deventer, 1912. - H.H. Janssonius. Mikrographie einiger technisch wichtigen Holzarten aus Surinam. Verh. Kon. Akad. v. Wetensch. te Amst. 2e sectie, deel XVIII, no. 2, Amst. 1914. - Zie verder de litteratuur bij BOSCHBEHEER.

 

A.H.B.

Houtbijen.

Zie HYMENOPTERA.

Houtgronden

noemt men in Suriname de plantages in welker bosschen vierkant hout, planken en singels (zie aldaar) bewerkt werden. De slaven op deze plantages genoten, wegens den aard van het bedrijf, een zekere mate van vrijheid en hadden daarom groot bezwaar tegen hunne overbrenging naar plantages waarop cultures gedreven werden; opstanden en wegloopen naar de bosschen waren niet zelden het gevolg van de voorgenomen overbrenging van de ‘slavenmacht.’

De houtgronden lagen 10 tot 12 uren landwaarts, hoofdzakelijk in de Para, de Boven Suriname en de Boven-Saramacca. Die in de Para zijn na de opheffing van de slavernij langzamerhand gekocht door de voormalige slaven der gronden en vormen thans een soort van communaal bezit.

Houtluizen,

sur. Zie CORRODENTIA.

Houwer,

sur. Kapmes, gelijkende op de infanteriesabels, zooals die gedragen worden door onderofficieren, tamboers, enz. in het leger, soms met houten handvat, soms geheel van ijzer, onmisbaar voor iederen landbouwer of voor ieder die het bosch ingaat.

Hoya carnosa

R. Br. Fam. Asclepiadaceae. Wasbloem, sur. Een in de tuinen gekweekte slingerplant, waarvan de stengels met klimwortels bezet zijn. De eironde in een punt eindigende bladeren zijn dik en vleezig, de welriekende, bleekroode in een scherm geplaatste bloemen zijn dik en zien er uit als bloemen van was of porselein.

Humiria floribunda

Mart. Fam. Humiriaceae. Basra-bolletrie, n.e. Een boom met leerachtige bladeren, die in de savanne voorkomt, en waarvan het gebruik niet nader bekend is. Een sterk en aangenaam riekende hars komt uit den stam.

Hura crepitans

L. Fam. Euphorbiaceae. Poisontree, sur. Possentri of Postentri, n.e. Zandkokerboom, ben. e. Sandboxtree, bov. e. Hooge boom waarvan de stam dikwijls dicht-bedekt is door groote kegelvormige stekels; de bladeren zijn hartvormig met toegespitsten top. De eigenaardige fraai gevormde vruchten vallen met een luiden knal in een groot aantal hokjes uiteen. In de schors komt een vergiftig melksap voor, dat de bitterstof hurin bevat en in de oogen komende blindheid kan veroorzaken. Als geneesmiddel daartegen wordt aanbevolen het indruppelen van suikerrietsap. Een aftreksel der bladeren wordt aanbevolen als uitwendig middel tegen lepra. Het hout werd in Suriname vroeger als bouwhout meer gebruikt dan thans, vooral voor vloeren. (Zie ook NIJVERHEID).

Hydrochoerus.

Het grootste der tegenwoordig bestaande Knaagdieren (zie RODENTIA) is het waterzwijn, H. capybara, door de Karaïben Kapia genoemd; arow. Kibiole, n.e. Kapoea, sur. Watervarken. Het leeft in rivieren, een twintigtal gezellig bijeen. Het gaat in den regel 's nachts op voedsel uit, bestaande uit gras en waterplanten. Pooten zeer kort; tusschen de teenen kleine zwemvliezen. Voorpooten met 4, achterpooten met 3 teenen; nagels hoefachtig. Geen staart; ooren klein. Kop plomp. De kleur is geelbruin; de haren zijn stijf, vrij lang. Het vleesch wordt gegeten, is wit als kalfsvleesch, smaakt echter volgens sommigen niet aangenaam. Jong gevangen, kan het zeer tam worden.

Hydrolea spinosa

L. Fam. Hydrophyllaceae. Switi-watra-kraroen, n.e. Een doornige kruidachtige plant of halfheester met fraaie blauwe bloemen, die meest op vochtige plaatsen of in het water voorkomt.

Hygiëne.aant.

In den loop der jaren heeft in onze West-Indische koloniën de overheidszorg voor de volksgezondheid zich op velerlei gebied bewogen. Quarantaine-maatregelen, en daaronder zeer strenge, tot wering van besmettelijke ziekten, die door de scheepvaart zouden kunnen binnendringen, zijn reeds vroeg genomen. (Zie CHOLERA en EPIDEMIEËN). Ook maatregelen tot beteugeling van besmettelijke ziekten, wanneer deze waren binnengedrongen. Tot afzondering van lijders aan lepra (zie aldaar) is men reeds lang geleden overgegaan, in lateren tijd - in Suriname - ook tot afzondering van lijders aan Framboesia tropica (zie aldaar). Verplichte vaccinatie voor onderwijzers en schoolgaande kinderen werd op Curaçao voorgeschreven bij Publ. van 6 Juni 1844 no. 256, in Suriname bij verordening van 15 Dec. 1903, G.B. 1904, no. 16. De verordening van 8 Dec. 1876 (G.B. no. 10) waakte tegen de verspreiding van besmettelijke ziekten op de scholen. Zooals reeds in het artikel EPIDEMIEËN werd opgemerkt, behandelt men in Suriname sedert 1889 de aan trachoom en andere oogziekten lijdende schoolkinderen op de scholen.

Verder heeft het niet ontbroken aan politie-voorschriften tegen vervuiling van erven en openbare wegen, waaraan echter niet steeds met de noodige kracht de hand is gehouden. De openbare reinigingsdienst laat nog veel te wenschen over. Toezicht op den verkoop van levensmiddelen bestaat ook reeds lang. Op 1 Aug. 1911 trad in Suriname de verord. in werking van 6 Jan. 1911 (G.B. no. 25), waarbij een keuringsdienst van voedingsmiddelen werd ingesteld. Sedert worden er om de 3 maanden uittreksels uit het verslag van den dienst gepubliceerd.

Tekort geschoten zijn de koloniale besturen in de watervoorziening (zie aldaar) en in den afvoer van faecaliën, hetgeen niet te verwonderen is, gezien de gebrekkige geldmiddelen der koloniën. Minder verklaarbaar is het tekort aan - niet zoo kostbare - maatregelen tot bestrijding van de filariosis, de ma-

[p. 370]

laria en de mijnwormziekte, waarin wij ten achteren staan bij onze Britsche naburen.

Ook aan verbetering van de woningtoestanden is nog zeer weinig gedaan. Een bij Gouv. res. van 28 Juli 1910, no. 20 benoemde commissie bracht rapport uit over den woningtoestand in Suriname (in 1912 te Paramaribo gepubliceerd) en gaf vele goede maatregelen in overweging.

In den laatsten tijd heeft de geneeskundige dienst in Suriname veel aandacht gewijd aan de bestrijding van de tuberculose. Een consultatie-bureau kwam in 1913 te Paramaribo tot stand.

Voor de hygiëne op Curaçao zie men het door een commissie uit den Centralen Gezondheidsraad onder dagteekening van 9 Dec. 1913 uitgebracht ‘Rapport omtrent de voorzieningen, die op sanitair gebied te Willemstad (Curaçao) waren te treffen, teneinde deze haven te doen beantwoorden aan de hoogere eischen, die het, met het oog op de opening van het Panamakanaal te verwachten grooter scheepvaartverkeer zal stellen’.

Van persoonlijke voorzorgen tot behoud van de gezondheid is van de zoo heterogene bevolking, in het bijzonder van Suriname, weinig te verwachten; de pogingen, die men daar sedert vele jaren op de scholen aanwendt om den kinderen goede begrippen omtrent de gezondheidsleer in te prenten, zullen eerst later tot iets goeds kunnen leiden.

Niet onopgemerkt mag blijven dat de Creolenbevolking van Suriname zeer zindelijk is op het lijf en op het eet- en drinkgerei. De tanden worden goed onderhouden. De vrouwen en meisjes hebben de gewoonte op een stukje oranjehout te kauwen en daarmede de tanden te reinigen.

In de steden der W.-I. koloniën is het sterftecijfer vermoedelijk allengs gedaald, maar betrouwbare statistieken ontbreken. (zie verder onder ZIEKENVERPLEGING).

Hyla.

Een geslacht van boomkikvorschen. (Zie ANURA). Hyla crepitans Wied. n.e. Mirki todo, is eene vrij groote lichtbruin gekleurde boomkikvorsch met donkere strepen op de zijden van het lichaam en op de achterzijde van de dijen. De huid aan de bovenzijde is geheel glad; de buikzijde en de onderkant van de dijen zijn bedekt met een groot aantal kleine, ronde verhevenheden. Het zwemvlies tusschen de vingers strekt zich uit over ⅓ of ¼ van de lengte der vingers.

Hylaea.

Zie PLANTENGROEI.

Hymenaea courbaril

L. Fam. Leguminosae. Boesningré kandra, Iengi kandra, Loksi, n.e. Lokus, sur. Kawanalli, arow. Simiri, kar. Locust, bov. e. In den houthandel ook Surinaamsche teak genoemd. Zeer groote boom met tweetallig samengestelde bladeren, waarvan de blaadjes zeer scheef zijn. Het roodbruine hout is geschikt zoowel voor timmer- als voor meubelhout en werd vroeger veel gebruikt in de suikermolens, vooral voor de schepraderen der waterwerken. De stam scheidt een hars (kopal) uit, waarvan de Boschnegers en Indianen toortsen maken. Vandaar de inlandsche namen. (Zie verder AARDKOPAL). De vruchten zijn groote, houtachtige peulen, zeer hard van schaal, de zaden omgeven door een droog, vezelig, bruingekleurd vleesch dat een sterke Limburgsche-kaas-lucht verspreidt, welke den naam kaka-njan-bosoe, dien de Boschnegers aan de vrucht geven, rechtvaardigt. (Zie Van Stockum, Verslag der Saramacca-expeditie, blz. 248).

Hymenocallis caribaea

Herb. Fam. Amaryllidaceae. White lily, bov. e. Bloemen bestaande uit een dun buisvormig gedeelte, dat uitloopt in smalle tot 10 cm. lange slippen en voorzien van een bijkroon met lange meeldraden. Bladeren evenwijdignervig. Gekweekt.

Hymenoptera,

vliesvleugeligen, eene orde van insecten, waartoe bijen, wespen en mieren behooren. Zij hebben eene volkomen gedaanteverwisseling, vier vliezige vleugels, van welke de achterste in den regel veel kleiner zijn dan de voorste, en bijtende monddeelen, dikwijls echter, zooals bij de bijen, vereenigd met een zuigorgaan, dat door de onderkaken en onderlip gevormd wordt. De larven zijn in den regel pootloos, slechts bij de bladwespen zijn deze van talrijke pooten voorzien: zoogenaamde bastaardrupsen. De pop is vrij, d.w.z. de toekomstige uitwendige organen zijn er reeds allen duidelijk aan te herkennen.

In de eerste plaats ontmoeten wij hier de bijen of Apidae (n.e. honi frei), welke in een aantal soorten voorkomen. Wij noemen de kleine angellooze soorten van de geslachten Trigona en Melipona, die in Amerika het geslacht Apis vervangen. Terwijl de laatsten hunne larven in open cellen verzorgen, totdat deze volwassen zijn, worden bij Trigona en Melipona de broedcellen reeds vóór het leggen van het ei met honing gevuld en daarna gesloten, zoodat de uit het ei komende larve reeds dadelijk al het voedsel tot aan hare verpopping ter beschikking heeft. Zij nestelen vooral in holle boomen, verlaten termietennesten en in spleten van loodrechte oeverwanden. De raten zijn enkelvoudig en staan horizontaal, de honing bevindt zich in cellen die uit zwarte was bestaan. De honing eener kleine bruine soort (n.e. Kauhoni) smaakt zeer lekker. Om den honing uit de nesten te bekomen, worden de boomen omgehakt. Onze gewone honingbij is door den Gouverneur Van Raders naar Curaçao overgebracht, echter zonder gevolg, naar men zegt, uit gebrek aan bloemen. Worden zij ook in Suriname aangetroffen, dan zijn dit nakomelingen van ingevoerde exemplaren. Welke stekende zwarte bijtjes, die geen lekkere honing verzamelen en die mato oeani genoemd worden, bedoeld zijn in het verslag der Tapanahoni-expeditie kan ik niet zeggen; waarschijnlijk zijn zij nader aan onze honingbij verwant, dan de vroeger genoemde angellooze bijen. Ook van de in kleinere familiën levende hommels (n.e. woenwoen) komen vele soorten voor. Leven de tot nu toe genoemde bijen in koloniën, welke behalve geslachtsdieren ook onontwikkelde wijfjes, zoogenaamde werkbijen, bevatten, niet minder talrijk zijn de eenzaam levende bijen, waar de arbeidsters worden gemist. Hiertoe behooren de vele soorten van Xylocopa of houtbijen, de groote fraaie geel en bruin geringde Eulema's en de prachtig metaalglanzende Euglossa's, dunbehaarde bijen met langen zuiger. Tot deze laatsten zal wel de goudgroene bij behooren, welke aan Kappler zooveel ergernis bezorgde, doordat zij haar nest in deur- en kastsloten maakt en deze met een harde was vult, ten gevolge waarvan het slot onbruikbaar wordt.

Een tweede groep vormen de Vespariae of eigenlijke wespen, welke door de overlangs toegevouwen voorvleugels in den rusttoestand zijn gekenmerkt. Ook onder deze onderscheidt men in koloniën en eenzaam levende. Tot de eersten behooren de wespen, die onder de namen marabons, kapassi marabons, morikons of parasolwespen (n.e. wassi-wassi), enz. bekend zijn. Al deze wespen zullen wel tot het geslacht Polistes of een verwant genus moeten worden gebracht; de juiste soorten met zekerheid te bepalen is op het oogenblik nog ondoenlijk. Ook de

[p. 371]

Polybia liliacea, voor de wespenproef bij het godsoordeel gebruikt (Verslag der Toemoekhoemak-expeditie) is eene in koloniën levende wesp. De nesten dezer wespen zijn uiterst verschillend, die der marabons zijn tafel- of parasolvormig en worden dikwijls in huizen of schuren gevonden; merkwaardig zijn ook de urnvormige nesten ter grootte van een menschelijk hoofd van Chartergus nidulans, die hoog in de lucht meestal aan doode takken voorkomen. De steek van vele dezer wespen is zeer pijnlijk en kan onder omstandigheden zelfs gevaarlijk zijn.

Onder Fossores of graafwespen verstaat men verschillende, in vele opzichten zeer uit elkander loopende vormen, maar die in levenswijze groote overeenkomst vertoonen. Zij toch hebben de gewoonte óf levende insecten of spinnen door een steek met hun angel te verlammen en daarna in een vooraf gegraven gang te brengen, waarna zij er een ei bijleggen óf aan hunne larven dagelijks versch voedsel te brengen. In het eerste geval blijft de prooi geruimen tijd leven, maar kan zich niet verwijderen en de uit het ei komende larve vindt dus het voor haar noodige voedsel gereed. Zij leven nooit in koloniën, zoodat er dan ook geene arbeidsters bij worden aangetroffen. Tot de graafwespen, die hun prooi verlammen, voor zij die in den grond verbergen, behooren de groote Pepsis-soorten, met blauwe lichamen en roode vleugels, wier larven zich met spinnen voeden. Tot de tweede groep, die de prooi dooden, maar dan ook voortdurend versch voedsel aanbrengen, behooren de soorten van Bembex en Monedula, die door hunne gele en zwarte teekening aan onze gewone wespen doen denken en die hunne larven met vliegen voeden. De door Halfhide als kleidragers aangeduide soorten, die door hem tot het geslacht Sphex worden gebracht en die tegen alle voorwerpen in bewoonde vertrekken hunne kleine, ronde, uit klei bestaande nesten vervaardigen, zullen wel dezelfde zijn, als de kleine bruine wespen die door Kappler tot het geslacht Dielis gerekend en wier nesten onder den naam ‘doti hoso’ bekend zijn. Het komt mij echter waarschijnlijk voor, dat deze wespen tot de Eumeniden zullen behooren, eene groep van eenzaam levende, eigenlijke wespen. De naam hontiman, n.e., zal ook wel op graafwespen betrekking hebben.

Minder talrijk aan soorten, maar des te talrijker aan individuen zijn de mieren of Formicariae, waarbij de eerste of de beide eerste ringen van het overige achterlijf duidelijk zijn afgesnoerd, waardoor een of twee knoopen worden gevormd. Zooals bekend is leven de mieren in maatschappijen, waarin nevens gevleugelde mannetjes en wijfjes een groot aantal onontwikkelde en ongevleugelde wijfjes, de zoog. werkmieren, worden aangetroffen. Bij vele soorten vindt men bovendien nog individuen, die zich door bijzonder groote kaken onderscheiden en soldaten worden genoemd. Zoowel de ontwikkelde als de niet-ontwikkelde wijfjes zijn van een angel voorzien. Als buitengewoon schadelijk is in geheel Z.-Amerika bekend de Saoebamier, ook blad-, kassave-, parasol- en koema-koema-mier genaamd (pap. Badjago), Atta cephalotes. Deze roodbruine mier brengt groote verwoestingen in tuinen en aanplantingen te weeg, doordat zij, dikwijls in een enkelen nacht, geheele boomen ontbladert. Erg kieskeurig is zij daarbij niet, maar toch geven zij aan ingevoerde kultuurplanten, vooral vruchtboomen de voorkeur. Bij deze rooftochten, die vooral des nachts plaats hebben, begeven de mieren zich op de boomen, snijden de bladeren in stukken en laten die op den grond vallen, waar andere er telkens een tusschen de kaken nemen en naar het nest dragen. Veel verschil van meening heeft geheerscht omtrent de beteekenis van het sleepen dezer bladstukken naar het nest. Terwijl sommigen van meening waren, dat de bladeren direct als voedsel dienden, helden anderen tot de overtuiging over dat ze als bekleeding der onderaardsche nesten werden gebruikt; tegenwoordig is het bekend, dat de bladederen gebruikt worden om er eene champignonsoort op te kweeken, welke als voedsel door de mieren wordt genuttigd. De plaatsen waar zij nestelen, zijn kenbaar aan kegelvormige aardhoopen van hoogstens een meter hoogte, maar van 20 tot 40 schreden in omtrek; hieronder bevinden zich de eigenlijke nesten, die zich tot diep in den bodem uitstrekken en uit eene sponsachtige massa bestaan. welke de mieren uit gekauwde bladdeelen vormen. Deze massa, de zoogenaamde champignontuinen, is geheel doorgroeid met het mycelium eener bepaalde champignonsoort. Verschillende planten, vooral onder de oorspronkelijk in Z.-Amerika inheemsche, worden tegen de bladsnijdende mieren beschermd door andere mierensoorten, welke de bedoelde planten soms in groot aantal bewonen en de eerste verwoed aanvallen, zoodra zij zich vertoonen.

Eveneens in ongeloofelijk groote scharen komen de trekmierensoorten van het geslacht Eciton voor. Deze dringen in de huizen en reinigen ze van allerlei ongedierte, dat zich in reten en spleten van het houtwerk ophoudt. In het verslag van de Saramacca-expeditie wordt berekend, dat een trek dezer mieren uit een paar millioen deelnemers bestaat. Eene kleine zwarte mier, Cryptocerus atratus, kenbaar aan een vlakken schildvormigen kop met stekels aan de zijden, maakt haar metergroote nesten tusschen de takken van hooge boomen; deze nesten bestaan uit eene gele zwamachtige zelfstandigheid, onder den naam foengoe (n.e.) bekend. Deze of eene verwante soort wordt ook wel piengomira of varkensmier genoemd. Eene groote zwarte mier met enkele haren bekleed, Ponera clavata (n.e. aloekoemira), welke in kleine koloniën in de aarde of in vermolmde boomen leeft, bijt uiterst pijnlijk. Langdurige koortsaanvallen en tijdelijke verlamming kan het gevolg van den steek zijn. Als middel tegen rheumatiek, laat men zulk een mier op de pijnlijke plaats steken. De kleine gele en zwarte miertjes, als soekroemira’ en ‘wakka-wakka mira’ bekend, worden overal in keukens en magazijnen aangetroffen en zijn vooral belust op suiker. Ten slotte mogen nog de brandmieren worden genoemd; onder dezen naam verstaat men verschillende soorten, die allen een pijnlijk jeuken op de huid veroorzaken; deze bijten eerst en brengen dan eene vergiftige stof in de wond.

De wespen, algemeen bekend onder den naam van sluipwespen, behooren tot verschillende familiën. Zij leven allen in den larventoestand parasitisch in of op andere insecten; meestal worden de eieren in larven gelegd, veel zeldzamer in het ei of in de pop, nog zeldzamer in het volkomen insect; de gastheer wordt langzamerhand door de parasieten - een of meerdere, al naar de soort - opgeteerd. Komt een of ander schadelijk insect zeer talrijk voor, dan kunnen sluipwespen dus nuttig zijn, doordat zij ze in grooten getale vernietigen.

Eindelijk mogen nog de bladwespen of Tenthredinidae worden genoemd, welker van talrijke pooten voorziene larven van bladeren leven en soms zeer schadelijk kunnen zijn.

 

H.J.V.

Hypoplectrus unicolor chlorurus

(C. & V.) J. & E. (Syn. PLECTROPOMA CHLORU-

[p. 372]

RUM C. & V.). Zeebaars. Granmorgoe, n.e. Grauwmunnik, sur. Fam. Serranidae. Zeevisch. Verspreiding: bij rotsige stranden van de West-indische eilanden en langs de kust van de Guiana's. Een lange rugvin, waarvan de helft uit stekels, de helft uit stralen gevormd is; de staartvin is uitgerand, de buikvin is onder borstvin geplaatst. Hypoplectrus unicolor komt in dertien kleurvariëteiten voor. Bovengenoemde is eenvormig zwart bruin, de borstvinnen en staartvin geel, de andere vinnen zwart. De grauwmunnik is de grootste schubbenvisch van Suriname. Het vleesch van de kleinere exemplaren is goed.

Hypotheekbewaarder.

Zie DEPARTEMENTEN VAN ALGEMEEN BESTUUR, blz. 265.

Hyptis atrorubens

Poit. Fam. Labiatae. Foekoe-foekoe menti, n.e. Een kleine halfheester of kruidachtige plant met kleine bloemen, die in dichte bolvormige hoofdjes bijeenzitten.

Hyptis capitata

Jacq. Fam. Labiatae. Fajadia, n.e. Een kruidachtige plant of halfheester, veel gelijkend op de vorige.

Hyptis pectinata

Poit. Fam. Labiatae. Holly stalk, bov. e. Kruidachtige plant met scherpgezaagden bladerrand; de bloemen staan in dichte kamvormige bloeiwijzen waarin de bloemen naar eene zijde gekeerd zijn; deze bloeiwijzen staan in schijnkransen en vormen een lange bladerlooze tros; de kelk is zeer klein en voorzien van spitse draadvormige tanden.

Hyptis suaveolens

Poit. Fam. Labiatae. Sanggoera, ben. e. Kruidachtige plant met tegenoverstaande, langgesteelde eenigszins hartvormige bladeren en duidelijk vierkanten stengel; de bloemen staan in schijnkransen en hebben een groote kelk die duidelijk geribd is en waarvan de tanden in draadvormige punten uitloopen.