terug  begin  verderprepost

O.

Obé-makà,

n.e. Zie ELAEIS.

Obia,

n.e. Een woord van Afrikaanschen oorsprong, evenals de zaak zelf. Onder AMULETTEN is gesproken over obia's, die in beteekenis daarmede overeenkomen. Maar er zijn obia's of toovermiddelen, die aangewend worden om een vijand te schaden; gewoonlijk worden ze dan in een flesch in den grond begraven op een plaats waar het slachtoffer moet loopen; de obia krijgt dan het karakter van wisi (zie aldaar). Obia's zijn ook kalebassen met den meest veelsoortigen inhoud - akansa (zie aldaar), eieren, veeren, haar, kaurischelpen, pijpesteeltjes, een spiegeltje, etc. - die soms neergezet worden op de stoepen van hen die men wil schaden. In plaats van kalebassen worden ook kleine doodkistjes gebruikt, waarin een pop is gelegd. Obia's worden in Suriname ook dikwijls gebruikt om in strafzaken vrijspraak te verkrijgen; men plaatst ze in den nacht op den stoep van het kantongerecht of het Hof van Justitie, met het doel den rechter te ‘bewerken’.

[p. 516]

Vermoedelijk wordt hierbij niet zoo zeer gerekend op de wonderkracht van de obia, als wel op de vrees van den rechter voor de gevolgen, die een veroordeeling of streng vonnis voor hem hebben kan. In zijn boek ‘Naar de Antillen en Venezuela’, Leiden, 1904, wijdt Van Kol een hoofdstuk aan het, ook op de Antillen zeer verbreide geloof aan de macht van den obiaman, van wien deze omschrijving gegeven wordt: ‘Een Obiaman is een Neger, die speculeert op het bijgeloof en de vrees zijner medemenschen; beweert in het bezit te zijn van occulte krachten, waardoor hij naar goeddunken iemands leven kan nemen of beschermen; ziekten genezen of doen ontstaan; iemand tot welvaart of armoede brengen, boosdoeners aanwijzen of iemands onschuld aantoonen; het hart der beminde winnen dan wel den rechter tot zachtheid kan stemmen’ (blz. 224 en 225).

Dat de obiaman zich ter dege laat betalen behoeft geen betoog.

Tot aanvulling van hetgeen onder AMULETTEN over obia is medegedeeld, zij hier nog aangeteekend dat, volgens Van Coll, Gegevens, blz. 119 en 128, de Aucaner Boschnegers hun obia - tetei (zie AMULETTEN) doopen in het vocht dat van de lijken, die verscheidene dagen boven aarde gehouden worden, afdruipt of zich daarmede wasschen op de plekken van het lichaam, waarop de obia gedragen wordt; dit om de kracht van de obia te versterken. Het in kalebassen opgevangen lijkenvocht wordt bewaard in de obia-hoso of tempel, waarin ook de nagels en haren van de afgestorvenen worden verzameld. (Zie over obia voorts: Martin, West-Indische Skizzen, Leiden 1887, blz. 47 en 66. J. Hesketh Bell. Obeah. Witchcraft in the West Indies, London 1893. L.C. Van Panhuys, Catalogus d, Ned. W.I. Tentoonst. te Haarlem, 1896, blz. 74. vlg. Dr. H. Visscher, Religion und soziales Leben bei den Naturvölkern. Bonn. 1911. I. 245.)

Obónoe,

n.e. (verouderd). Tooverij; ook priester of priesteres.

Ochro,

bov. e. Zie HIBISCUS ESCULENTUS.

Ocimum.

Fam. Labiatae. Jeerba holae, ben. e. Mosquito basil, bov. e. Verschillende soorten Ocimum, die niet gemakkelijk van elkander te onderscheiden zijn, worden gekweekt; het zijn vrij lage plantjes met vierkante stengels en tegenoverstaande, kruisgewijs geplaatste bladeren; de tweelippige bloemkroon en de min of meer duidelijke tweelippige kelk met de vier meeldraden zijn kenmerkend voor dit geslacht, waarvan verschillende soorten zeer aromatisch zijn.

Ocimum micranthum

Willd. Fam. Labiatae. Smeri-wiwiri, n.e. Kleine, kruidachtige plant met vierkanten stengel en tegenoverstaande, sterk riekende bladeren, die als kruiderij en ook als volksgeneesmiddel gebruikt worden. De bloemen vormen een eindelingsche trosvormige bloeiwijze en hebben een kelk waarvan de tanden overgaan in een gevleugelde kelkbuis. O. micranthum en verwante vormen worden ook gekweekt.

Ocimum sanctum

L. Fam. Labiatae. Krosou smeri-wiwiri, n.e. Een kruidachtige plant met kleine bloemen, en welriekende bladeren, in Zuid- en Z.-Oost-Azië inheemsch, waarschijnlijk voor hetzelfde doel gebruikt als ameri-wiwiri.

Ocotea.

Fam. Lauraceae. Boomen, die meest goede houtsoorten leveren, en waarvan verschillende soorten onder den naam Loli-hoedoe in Suriname bekend zijn.

Ocotea.

Fam. Lauraceae. Wane, sur. Wana, n.e. Een groote boom met kleine groene bloemen, die vrij veel voorkomt. Het roodachtige hout is licht en drijft gemakkelijk. Het laat zich zeer goed bewerken en is tevens duurzaam. Zelden wordt het voor balken gebezigd en meestal komt het als platen of planken in den handel voor. Ook korjalen worden ervan gemaakt.

Octroij.

Zie BESTUURSREGELING, blz. 118, COMPAGNIE (WEST-INDISCHE) blz. 213 en HOGENDORP.

Ocyurus chrysurus

(Bl.) Poey. Grassteeltje, Geelstaartje of Gristeltje pap. Yellow tail op st. eust. Fam. Lutianidae. Zeevisch. Verspreiding: West-Indië, van zuidelijk Florida tot Brazilië. Mondspleet klein, onderkaak vooruitstekend. De schubben zijn klein, boven de zijlijn in zeer schuine rijen gerangschikt, onder de zijlijn in bijna horizontale lijnen. Kleur van boven olijfachtig, een weinig violet getint, met een aantal onregelmatige, diep-gele plekken op de zijkanten van den rug. Een gele streep van den bek door het oog tot den staartsteel, hier zich verbreedend over het bovendeel van den staart achter de rugvin. Er boven een paarlpurperachtige streek, er onder een vleeschkleurige band. Hierop volgend 16 smalle strepen afwisselend vleeschkleurig en geel, het geel op de randen van de schubben, het rood op het midden. De onderdeelen van den kop vleeschkleurig met eenige gele plekken. Staartvin geel met roode randen. Rugvin grootendeels geel. Aarsvin zwak geel. Borstvinnen en buikvinnen doorschijnend. Lengte twee voet.

Odi-odi-botoman,

n.e. Zie CRUSTACEA en GECARCINIDAE.

Odo,

n.e. Zie NEGER-ENGELSCH.

Odonata,

eene orde van insecten, waartoe de waternimf behoort. Zij hebben bijtende, krachtig ontwikkelde monddeelen, vier ongeveer even groote, vliezige, netvormig-geaderde vleugels, die in rust niet worden gevouwen en uiterst kleine, op korte haren gelijkende sprieten. De gedaanteverwisseling is onvolkomen en de larven zijn waterbewoners. De waternimfen, waarvan de grootere, krachtiger gebouwde soorten onder tallooze namen, zooals glazenmakers (n.e.: zien-zien) en korenbouten en de fijnergebouwde als juffertjes bekend zijn, komen in vele soorten over de geheele aarde voor. Zoowel de volkomen insecten als de larven leven uitsluitend van dierlijk voedsel; de eersten vangen hunne prooi in de vlucht, de laatsten bezitten een eigenaardig gevormde onderlip, de zoogenaamde vangtang, die door het dier toegeslagen wordt gedragen en met groote snelheid kan worden uitgestoken om een op korten afstand zittende prooi plotseling te grijpen.

 

H.J.V.

Oebaada,

ben. e. Zie ACACIA MACRACANTHA.

Oeman,

n.e. Beteekent vrouw; in verbinding met plantennamen, vrouwelijk. Zie overigens de opmerking bij MAN. Men spreekt ook van oeman-arin, vrouwelijke regen, en verstaat daaronder een zachten, aanhoudenden regen, in tegenstelling van een krachtigen, spoediger ophoudenden slagregen, die man-arin heet.

Oeman-aneisi,

n.e. Zie PIPER.

Oeman-baboen-nefi,

n.e. Zie SCLERIA MITIS.

Oeman-barklak,

n.e. Zie ARRABIDAEA.

Oeman-koenami,

n.e. Zie EUPATORIUM.

Oeman-letterhout,

n.e. Zie BROSIMUM.

Oeman-pienda,

n.e. Zie DESMODIUM BARBATUM.

Oenkoe,

ben. e. Zie CYPERUS ARTICULATUS.

Oenocarpus bataua

Mart. Fam. Palmae. Koemboe of Batawa, n.e. Lo, arow. Een palm die

[p. 517]

30 tot 40 voet hoog wordt, met groote geveerde bladeren en reusachtige, sterkvertakte vruchttrossen waaraan blauwe steenvruchten gezeten zijn, die ongeveer de grootte van een druif hebben. Het met warm water losgemaakte dunne vruchtvleesch wordt door een zeef gewreven en met toevoeging van suiker als drank gebruikt. Men kan er ook een geelachtige, goedsmakende olie uit persen. Uit het harde rood en geel-gestreepte hout worden wandelstokken gemaakt.

Oepoeroei.

Zie BOVENL. INDIANEN.

Oerali,

kar. Zie CURARE.

Oeroekoekoe,

n.e. Zie STRIGIDAE.

Oeroekoekoe sneki,

n.e. (In Brazilië Çurukuku). Soorten van het geslacht Lachesis. Onder de door Jhr. W.C. van Heurn verzamelde slangen bevindt zich een exemplaar van Leptodira annulata en een ander van de verwante Petalognathus nebulatus, onder den naam oroekoekoe. Waarschijnlijk berust dit op eene verwarring met exemplaren van de vergiftige Lachesis-soorten.

Oesterboom,

sur. Zie RHIZOPHORA.

Oesters.

Zie MOLLUSCA, blz. 479. Reeds Walter Raleigh beschreef in 1596 de oesters, die hij op de kust van Guiana aan de mangrove-boomen zag groeien en sedert hebben vele reizigers op deze eigenaardigheid de aandacht gevestigd. De Rhizophoren worden daarom ook oesterboomen genoemd.

Offers.

Zie BOSCHNEGERS, blz. 164. Ook aan de watervallen brengen de Boschnegers in bijzondere gevallen offers. Zie de beschrijving van een plengoffer aan de Arosoebanja-val in de Boven-Suriname bij K. Martin, West-indische Skizzen, Leiden 1887, blz. 60.

Ojada,

pap. Zie BOOZE OOG. Tot aanvulling van het artikel zij hier aangeteekend dat op Curaçao de hulp van den obiaman (zie OBIA) wordt ingeroepen om zich voor het booze oog te vrijwaren. Zie N. van Kol. Naar de Antillen en Venezuela, Leiden, 1904, blz. 376.

Ojana.

Zie BOVENL. INDIANEN.

Ojarikoelé.

Zie BOVENL. INDIANEN.

Ojeda (Alfonso de),

geb. 1470 in Cuenca (in Nueva Castilla, Spanje) overleden 1513, een tochtgenoot van Columbus, ontdekte, met Amerigo Vespucci, in 1499 Guiana.

Oker parkiet,

sur. Zie PSITTACIDAE.

Oko,

n.e. Drank van rijpe bananen of kassavebrood bereid; soms ook van het vruchtvleesch van Astrocaryum segregatum (zie aldaar).

Okomajana.

Zie BOVENL. INDIANEN.

Okro,

n.e. Zie HIBISCUS ESCULENTUS.

Okro-prakiki,

n.e. Zie PSITTACIDAE.

Okvees,

pap. Zie LACHNOLAIMUS.

Oldenlandia corymbosa

L. Fam. Rubiaceae. Atita-wiwiri, n.e. Een kleine kruidachtige plant met witte bloemen, gebruikt als geneesmiddel.

Old man's beard,

bov. e. Zie TILLANDSIA RECURVATA en T. USNEOIDES.

Old wife,

st. eust. Zie BALISTES en SCARUS.

Oleander,

sur. en bov. e. Zie NERIUM.

Olieba,

ben. e. Zie BONTIA en CAPPARIS JAMAICENSIS.

Olieba maatsjoe,

ben. e. Zie CAPPARIS BREYNIA.

Oliën en vetten.

Hoewel er in Suriname onderscheidene olie-houdende gewassen voorkomen, wordt er, behalve in het district Coronie uit de kokosnoot (zie aldaar) weinig werk gemaakt van oliebereiding. De kokospalm is de eenige olie-leverende plant die gekweekt wordt. Voor eigen gebruik bereiden Indianen en Boschnegers spijs-olie uit het vruchtvleesch van den awarapalm (zie ASTROCARYUM SEGREGATUM), van den koemboe-palm (Oenocarpus bataua) en uit de vruchtkernen van den maripa-palm (Maximiliana maripa). De olie-palm (Elaeis guineensis) komt in Suriname slechts hier en daar gekweekt voor.

Uit den stam van den bijlhoutboom (Eperua falcata) wordt een harsachtige olie, de bijlhout-olie verkregen. Daartoe wordt de stam in schuine richting tot in het hart gehakt of aangeboord; in de opening wordt een buis gestoken, waardoor de olie, die een doordringenden, onaangenamen reuk heeft, vloeit. Op deze wijze kan men dagelijks 5 tot 6 L. olie verkrijgen. Deze is zoo kleverig, dat het niet mogelijk is vaatwerk, waarin zij bewaard geweest is, weer schoon te krijgen. De olie wordt tegen jicht en rheumatiek aangewend. Uit den stam van den hoepelboom (Copaifera Guyanensis) verkrijgen de Indianen op dezelfde wijze als bij de bijlhout-olie, maar in geringere hoeveelheid, de hoepel-olie of Copaiva-balsem, die hun tot haar-olie dient (zie over deze olie Bulletin no. 52. Sept. 1913, blz. 101 van het Koloniaal Museum te Haarlem). Eveneens voor eigen gebruik bereiden de Indianen uit de zaden van den krapà-boom (Carapa procera) de krapà-olie, die als haar-olie wordt gebruikt, of, met koesoewé (Bixa orellana) vermengd, om zich het lichaam in te wrijven. De lucht van de krapà-olie is het karakteristieke luchtje der Indianen-hutten (over de bereiding van deze olie, zie Everard F. im Thurn, Among the Indians of Guiana, London, 1883. blz. 314 en Kappler, Surinam, blz. 17). Deze olie wordt nu en dan te Paramaribo te koop aangeboden. Masoesa-olie, een hoog-geel gekleurde spijsolie, wordt door koken verkregen uit de zaadrokken van Renealmia exaltata, een in het wild groeiende plant. De olie wordt bij de rijst gebruikt (zie verder onder RENEALMIA). Cacao-vet wordt in de kolonie niet afgezonderd; bij de chocolade-fabrikatie wordt de cacao niet ontvet. Evenmin wordt - ook niet op de Nederlandsche Antillen - van de aardnoot (Arachis hypogea) olie verkregen. Ricinus-olie, in Suriname krapata-olie genoemd, wordt in het district Coronie, waar de Ricinus communis veel voorkomt, nu en dan bereid en in de stad te koop aangeboden. Kappler, Surinam, blz. 18 maakt melding van een Myristica-soort, Myristica (Virola) sebifera, die in het binnenland voorkomt, waarvan de vruchten zooveel vet bevatten, dat een katoendraad, daar doorheen getrokken en aangestoken, langen tijd als een klein lichtje brandt. Voorts beschrijft hij de alleen in het bergland voorkomende bambaboom (Oreodaphne opifera, niet genoemd in Pulle's Enumeration) die een fijne, geelachtige, heldere, naar kajoepoeti riekende olie bevat, welke men door aanboren van den stam verkrijgt, in hoeveelheden van tien of meer liters per boom. De olie, die bij rheumatische pijnen goede diensten zou bewijzen, heet bij de Engelschen Laurel-oil.

Dat er onder de cultuurgewassen en in de wouden nog tal van planten voorkomen, waaruit oliën te verkrijgen zouden zijn, behoeft geen betoog. Het Koloniaal Museum te Haarlem bevat monsters van tallooze uit de W.I. Koloniën afkomstige oliën, die beschreven zijn in de door het Museum uitgegeven geschriften van Dr. D. de Loos, Voortbrengselen van Nederl. West-Indië, 1888 en Dr. J.J.A. Wijs, Vetten, oliën en wassen, 1906. Zie ook Dr. J. Sack, Plantaardige voortbrengselen van Suriname, Bulletin no. 23, Maart 1910, van het Dept. v.d. Landb. in

[p. 518]

Suriname. Hierboven zijn alleen genoemd de oliën en vetten, die geregeld of nu en dan in de kolonie te verkrijgen zijn.

Van St. Eustatius en St. Martin wordt het katoenzaad naar een olieslagerij in de nabuurschap gezonden, omdat de eilanden die niet bezitten.

Dierlijke oliën en vetten, zooals schildpad-olie (Ajeta di karet), leguaan-vet, visch-oliën (Ajeta di piskaar), vet van de heremiet-kreeft (Mantéka di soldaatje), slangenvet (Aboma-vet, reeds door Fermin en Stedman om zijn geneeskracht geroemd) enz. zijn producten, die men meer in musea, dan in de koloniën ziet. Wordt er een enkelen keer een aboma (Eunectes murinus) gedood dan verzuimt men niet deze van zijn vet te ontdoen, maar aboma's komt men niet alle dagen tegen, zoodat het vet zeer zeldzaam is.

Oliepalm.

Zie ELAEIS.

Olifantsbeenen,

sur. Zie FILARIOSIS.

Olijana,

n.e. Zie NERIUM.

Olijfi,

ben. e. Zie BONTIA.

Oligoplites saurus

(Bl. & Schn.) J. & G., Leather Jack, st. eust. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: beide kusten van tropisch Amerika, zeer algemeen in West-Indië. De eerste rugvin bestaat uit vijf korte stekels. De tweede rugvin en de aarsvin lang, hun laatste stralen penseelvormig; er zijn twee stekels bij het begin der aarsvin. De staartvin sterk gevorkt. De borstvinnen kort. De buikvinnen kunnen in een groef geplooid worden. De schubben zijn lang en smal, in de huid ingebed. Kleur blauwachtig van boven, mooi zilverachtig van onderen, vinnen geel. Zijn vleesch is droog en wordt als voedsel niet geschat.

Olisiana.

Zie BOVENL. INDIANEN.

Olitoe,

pap. Zie MYCTEROPERCA.

Onderbosschen,

Surinaamsche plantersterm. Het wegruimen van het kreupelhout, lianen, enz. ten einde het vellen van het bosch of de kapoeweri (zie aldaar) te vergemakkelijken.

Onderwijs.

A. Suriname.

Art. XXIX van het Octroy der West-Indische Compagnie (1682) gaf aan Gouverneur en Raad de bevoegdheid om, op approbatie van Bewindhebberen, te stellen ‘eenige kleijne en modique lasten, tot verval van de noodige kosten van de voorz. respective collegien van Raden ende Regters, mitsgaders tot onderhoudt van Kercken-dienst, Schoolmeesters en diergelijcke, voor soo veel het selve soude mogen worden geoordeelt nootsackelijck of dienstigh te wesen.’

Volgens de Politiecke Notulen van 6 Maart 1694 zouden de coloniërs voor dit doel te betalen hebben ‘25 stuivers van 't duysent over de consumptie van Casave, patates, jammen, tayers, peas, coren, bannanes en backovens.’

Op de Joden-savanne had Samuel Nassy reeds in 1677 een school gesticht, waarvan verder niets bekend is, maar wie de eerste Hollandsche schoolmeester in Suriname is geweest, valt niet met zekerheid te zeggen. Waarschijnlijk was het Walterus van Aernhem, die, volgens de Politieke Notulen van 5 Dec. 1685, werd aangesteld tot ‘voorsanger, voorleser als koster van de kerck te Paramaribo op een tractement van dry hondert gulden jaerlyx ende hem geparmitteert dat alhier ter plaetse zal vermogen publicque schoole te houden.’

De ‘Societeit’, in wier handen het beheer der kolonie sedert 1683 was overgegaan, stelde, bij res. van bewindhebberen van 5 Mei 1690, Jean Benoist van Roekel tot Fransche schoolmeester, koster en voorlezer van de Fransche gemeente in Suriname aan. Hij ontvangt bij res. van 8 Mei ƒ100, te verrekenen in Suriname. In de vergadering van den Hove van 6 Oct. 1690 werd hij aangesteld tot ‘Coster, voorlezer ende schoolmeester in de Nederduytsche tael’.

In de Surinaamsche archieven vindt men daarna telkens melding gemaakt van de aanstelling van schoolmeesters en de moeilijkheden daarbij ondervonden. Naarmate de bevolking van Paramaribo toenam - daarbuiten had men geen scholen - vermeerderde het getal scholen, maar het gehalte liet langen tijd meestal veel te wenschen over, omdat allerlei onbekwame personen verlof kregen om scholen te openen. Wel is er nu en dan sprake van examens, die hun afgenomen werden, maar ook de examinatoren waren veelal onbevoegd. Gedurende de 18de eeuw berustte het toezicht over de scholen bij het Conventus Deputatorum, een onder het bestuur van Van Scharphuizen ingestelde vergadering van dominee's en ouderlingen der Neder-Duitsche en Fransche kerk te Paramaribo en van de kerken in Commewijne en Cottica. Twee leden van het Hof woonden als commissarissen politiek en ‘Scholarchen’ het Conventus bij. De rapporten omtrent het onderzoek op de scholen geven geen hoog denkbeeld van het gehalte der onderwijzers. Kenschetsend voor den omvang van het onderwijs in die dagen is het op 2 Sept. 1726 door een zekeren Claude Mourquis tot den Gouv. Gen. Temminck gericht verzoek ‘om het School Meester Ampt hier aan Paramaribo te mogen administreren’, daarbij overleggende een ‘kort Project wegens T Schoolmeesters Ampt’, waarvan art. 4 luidde:

‘Hij zal in de 2 Uuren school-tijd geen praat ongevraagt van de discipelen gedoogen voornamentlijk in 't Neger-Engelsch, hetwelk op straffe zal verboden worden.’

In 1731 werd besloten ‘een dansmeester uit den vaderlande te ontbieden, ten ynde de jonge jeugt in manierlijkheid worde gexerceert en dat op een tractement van ƒ600, voor 't eerste jaar booven en behalve hij van zijn discipelen zal trekken en vrije passage’.

Twee jaren daarna tracht het Conventus te komen tot de stichting van een Latijnsche school. In 1742 en 1746 wordt de poging herhaald; ook toen zonder gevolg.

Tot 1760 waren er alleen voor de blanke jeugd scholen, n.l. de Neder-Duitsche en de Fransche school. Eerst in dat jaar werd er een school geopend voor ‘mulatten en negers’, d.w.z. vrijen. Slavenkinderen kregen geen onderwijs. Kenmerkend voor de opvattingen van dien tijd is het dat in het Conventus werd voorgesteld dat de onderwijzer van de ‘mulattenschool’ op ‘publicque schooluren’ geen blanke kinderen zou mogen onderwijzen en de onderwijzer der Neder-Duitsche school geen mulattenkinderen. Behalve deze drie scholen waren er nog eenige andere opgericht door particulieren van zeer twijfelachtig gehalte. De schrijvers van het in 1788 verschenen Essai historique sur la Colonie de Surinam zeiden van de scholen in dien tijd: ‘Men leert er niet anders dan schrijven, eenige regels der rekenkunde, een weinig grammaire en de eerste beginselen van de taal des lands en van het Fransch.’ Hierbij had nog genoemd moeten zijn het werktuigelijk van buiten leeren van den catechismus. Meer kon men in dien tijd ook niet verwachten, vooral ook omdat de gegoeden hunne kinderen voor verdere opleiding naar Holland zonden.

Omstreeks 1795 waren er twee ‘Landschoolmees-

[p. 519]

ters’ in de divisiën Cottice en Perica. Omtrent de andere divisiën zijn geen opgaven gevonden. Opmerkelijk dat in de Surinaamsche Almanakken van dien tijd, waarin men naamlijsten vindt van ambtenaren, eigenaren, administrateurs en directeurs van plantages en van de ‘kooplieden, winkeliers en neeringdoende ingezeetenen, mitsgaders kunstenaren en ambagtslieden’ te Paramaribo, de schoolmeesters niet genoemd zijn; wèl een teekenmeester, de muziekmeesters en een dansmeester.

Moet men de traditie gelooven dan deed het onderwijs te Paramaribo een belangrijke stap vooruit met de komst van Johannes Vrolijk, een Surinamer van geboorte, die zijne opleiding in Nederland had genoten en in 1809 te Paramaribo eene school opende, die spoedig een bloeiende inrichting werd. Een tweede onderwijzer, wiens naam in de annalen der Surinaamsche schoolwereld een goeden klank heeft, de hoofdonderwijzer Corstiaan Aert Batenburg, kwam in 1816 uit Nederland zich te Paramaribo vestigen en wijdde zich nagonoeg een halve eeuw aan de opvoeding der Surinaamsche jeugd. Zijne school voor uitgebreid lager onderwijs wordt in de officiëele stukken uit dien tijd ‘de hoofdschool’ genoemd.

Het Regeerings Reglement van 1815 schreef in art. 47 voor, dat het Hof van Policie bijzonder zijne aandacht zou vestigen op het Onderwijs der Jeugd en de Scholen, toezien ‘dat in dezelve niets geleerd of verrigt worde, hetwelk tegen de goede zeden of politieke orde strijdig is, en de Openbare Onderwijzers, zoowel in hun onderwijs, als leven en gedrag naauwkeurig gadeslaan. Geene Schoolonderwijzers, die niet directelijk van hier worden uitgezonden, zullen in de Kolonie worden geadmitteerd ter beoefening van hun beroep, dan op speciale Admissie van den Gouverneur Generaal, die naauwkeurig zal hebben te onderzoeken naar derzelver gedrag, goede zeden, beginselen en bekwaamheden.’

Als een uitvloeisel van dit voorschrift werden, op voordracht van de ‘Commissie tot het schoolwezen’, bij resolutie van 19 Mei 1817 (S.B. no. 14) ‘eenige Algemeene Schoolwetten voor de Schoolhouders en Onderwijzers der jeugd’ vastgesteld, een eigenaardig stuk wetgeving, die in sommige harer uitvoerige beschouwingen meer heeft van een paedagogische handleiding dan van een onderwijswet. Art. 1 verdeelde de scholen in middelbare en lagere; de middelbare waren niet anders dan de gewone lagere scholen van thans; op de lagere, in de ‘schoolwetten’ bedoeld, zou onderricht gegeven worden ‘in het Spellen en Lezen, alsmede in de beginselen der Schrijf- en Rekenkunde.’ Het tweede hoofdstuk gaf eenige goede hygiënische voorschriften omtrent de schoolvertrekken, enz. Uit de omstandigheid, dat het noodig geoordeeld werd in de ‘Schoolwetten’ een verbod op te nemen, als hier volgt, mag veilig afgeleid worden, dat op de Surinaamsche scholen de roede niet gespaard werd. Art. 8 van de 2e afd. van het 2de hoofd luidde n.l.: ‘Alle wreede en onverstandige ligchamelijke kastijdingen, zooals het slaan met plakken, bullepezen, stokken of andere strafinstrumenten, het sluiten in blokken, enz. worden mitsdeze uitdrukkelijk verboden; een matig gebruik der roede voor kleine kinderen, die nog niet genoegzaam vatbaar zijn voor rede, wordt in sommige gevallen alleenlijk toegestaan, mitsgaders het matig gebruik van ligte wisjes, die niet schaden kunnen, voor stoute onwillige jongens, die anders niet te bedwingen zijn. De onderwijzers zullen bijzonder in het oog houden, dat omtrent kinderen, tot de teedere sekse behoorende, vooral voorzigtigheid in het kastijden, waar dit noodzakelijk te pas mogte komen, moet worden in acht genomen.’ Niettegenstaande dit verbod bleven lichamelijke straffen nog zeer lang op de Surinaamsche scholen in zwang en behoorden op menige school een ‘tamarindezweep’ (een dun twijgje van den tamarindeboom) en een eind touw tot de gewone tuchtmiddelen.

Hoe het ook zij, de toestand door deze schoolwetten geschapen was beter dan de ongeordende, welke voordien heerschte.

Het Reg. Regl. van 1828 droeg het bestuur van het onderwijs aan een Raad-commissaris op en gaf voorts eenige algemeene voorschriften (art. 110-113). De zorg voor het Publiek onderwijs werd opgedragen aan het bij art. 91 van genoemd Reg. Regl. ingestelde Gemeentebestuur ‘met aanbeveling, om, in den geest der bestaande schoolverordeningen in het Moederland, de meest mogelijke verbetering te beoogen, en bedacht te zijn, om het primair Onderwijs, zoo mogelijk met eene Industrieschool in verband te brengen, steeds zorgende voor een goede inrigting der schoolvertrekken en eene toereikende bezoldiging der Onderwijzers; alsmede alle doelmatige particuliere ondernemingen, die strekken kunnen om aan de jeugd eene beschaafde opvoeding, of wel eenig hooger onderwijs te verschaffen, desnoods door geldelijke tegemoetkoming van wege de Gemeente te ondersteunen.’

Reeds bij K.B. van 9 Aug. 1832 (S.B. no. 13) werd het Reg. Regl. van 1828 vervangen door een ander, waarbij het Gemeentebestuur verdween. De open bare inrichtingen van onderwijs werden nu opgedragen aan de onmiddellijke en bijzondere zorg van den Gouv. Generaal. Twee jaren na de invoering van het nieuwe Reg. Regl. werd, bij Publ. van 19 Nov. 1834 (G.B. no. 16) een nieuw reglement op het Lager Schoolwezen en Onderwijs afgekondigd. In vele opzichten bracht deze nieuwe regeling groote verbetering. De eischen aan hen te stellen, die lager onderwijs geven, werden duidelijk omschreven en het toezicht op de scholen beter geregeld. De onderwijzers werden in 4 rangen onderscheiden. Ongelukkig hadden alle rangen de bevoegdheid om aan het hoofd van een school te staan, en daar de examen-eischen voor de laagste twee rangen zeer gering waren, liet het gehalte van vele der toen opgerichte scholen veel te wenschen over. Toch heeft de kolonie aan deze regeling een gansche reeks zeer bekwame onderwijzers te danken gehad, wier scholen veel nut gesticht hebben en wier namen nog steeds voortleven in de herinnering van ouden van dagen in de kolonie.

De Schoolcommissie had de bevoegdheid om behoeftige kinderen kosteloos op de ‘Stadsschool’, en behoeftige kinderen, die blijken gaven van buitengemeene vlijt, geschiktheid en goed gedrag, op de ‘Hoofdschool’ te plaatsen.

In 1844 begonnen de Moravische Broeders eenig zeer elementair onderwijs te geven aan de Slavenkinderen. Zoowel op de plantages als in de hoofdplaats richtten zij scholen op, die weldra in bevolking toenamen. Vóór 1850 hadden zij op de plantage Rust en Werk eene school tot opleiding van onderwijzers. In 1852 richtten zij op de plantage Beekhuizen, nabij Paramaribo, hunne ‘centraalschool’ met het zelfde doel op. De eerste kweekelingen waren slavenkinderen, op verzoek van de hoofdvoorstanders der gemeente, door de plantage-eigenaren afgestaan (zie Kol. Verslag over 1851, Bijl. C. no. 11 en voorts het art. BROEDERGEMEENTE, blz. 181). Ook de R.K. Missie had vóór de emancipatie scholen

[p. 520]

opgericht, waarop ook aan slavenkinderen onderwijs werd gegeven.

In den aanvang der tweede helft van de 19de eeuw valt een belangrijke opbloei van het uitgebreid lager onderwijs te constateeren; bekwame onderwijzers uit Nederland kwamen zich te Paramaribo vestigen, in 1854 A. Brouwer, in 1856 de Zusters Franciscanessen van Roosendaal, in 1857 N. van Meerten.

Groote uitbreiding verkreeg het onderwijs, toen in 1863 da slavernij was afgeschaft en er voorzien moest worden in het onderwijs van de voormalige slavenkinderen. Overal in de districten verrezen scholen, van gouvernementswege opgericht en door de Evangelische Broedergemeente en de R.K. Missie. Op de scholen der Broedergemeente was het Neger-Engelsch de voertaal bij het onderwijs.

Het Reg. Reglement van 1865 gaf omtrent het onderwijs de volgende voorschriften:

‘Art. 157. De verspreiding van verlichting en beschaving en de aanmoediging van kunsten en wetenschappen wordt door de Regering aanhoudend behartigd.
Art. 158. Het geven van onderwijs staat vrij aan een iegelijk, die voldoende bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid levert.
Art. 159. Zooveel de middelen gedoogen, zorgt de overheid, dat het lager onderwijs de verkrijging der allereerste kundigheden onder het bereik brenge ook der onvermogenden.
Zij doet dit door ondersteuning van bijzondere of oprigting van openbare scholen.
Art. 160. De regeling van het onderwijs op deze grondslagen geschiedt bij koloniale verordening.’

Uit het tweede lid van art. 159 volgt niet dat de wetgever van het Reg. Regl. de bedoeling heeft gehad het bijzonder onderwijs op den voorgrond te plaatsen, zooals wel eens beweerd is. Uit de geschiedenis van dat Regl. blijkt duidelijk, dat het bijzonder onderwijs het eerst is genoemd, omdat er destijds zoo goed als geen ander onderwijs in Suriname bestond.

Aan de kerkelijke gemeenten, die zich met het onderwijs aan de kinderen van onvermogenden belastten, werk van bestuurswege voor het eerst in 1865 aan de Morav. Broeders, in 1866 aan de R.K. geestelijken geldelijke ondersteuning verleend. Naarmate het onderwijs zich uitbreidde groeiden ook de subsidiën aan, welke nu aanzienlijke sommen bedragen.

Ingevolge art. 160 van het Reg. Regl. diende de Gouverneur Van Idsinga in 1873 aan de Koloniale Staten een ontwerp-verordening in, die echter door den Gouverneur Van Sypesteijn, omdat hare uitvoering te kostbaar werd geacht, ingetrokken en vervangen werd door een andere ‘houdende voorloopige voorzieningen’, die de nog steeds (1916) van kracht zijnde verordening van 8 Dec. 1876 (G.B. 1877, no. 10) is geworden.

Deze verordening was een belangrijke stap op den goeden weg, in de eerste plaats omdat zij leerplicht voorschreef voor kinderen van 7-12 jaren. Met het toezicht op het onderwijs werd belast een inspecteur - die bij amendement in de verordening is gekomen - bijgestaan, te Paramaribo door een commissie van onderwijs, in Nickerie door een sub-commissie en in de overige districten door de districts-commissarissen.

Het onderwijs omvat, volgens deze verordening, ongeveer dezelfde leervakken als op de scholen in Nederland. Het geven van godsdienstonderwijs wordt overgelaten aan de kerkgenootschappen, die het alleen buiten de schooluren, in de scholen mogen geven. Het aantal schooluren per dag is minstens vier. Op de meeste scholen in de kolonie wordt onderricht gegeven in de handwerken voor meisjes. Bovendien bestaan er te Paramaribo verscheidene brei-, naai- en knipscholen.

De voertaal van het onderwijs is het Hollandsch. Alleen in de laagste klassen der volksscholen is de onderwijzer dikwijls verplicht zich van het Neger-Engelsch te bedienen tegenover nieuwelingen, die geen woord Hollandsch verstaan. Op de scholen der Broedergemeente bij de Boschnegers wordt het onderwijs in den regel nog in het Neger-Engelsch gegeven. Op de meeste andere scholen der gemeente was dit het geval tot aan de inwerking treding van de verordening van 1876.

De onderscheiding van de onderwijzers in 4 rangen werd uit het reglement van 1834 behouden. De eerste rang is gelijkwaardig met den hoofdonderwijzers-rang in Nederland, de derde met den onderwijzers-rang. De onderwijzers van alle rangen hadden de bevoegdheid om aan het hoofd van een school te staan. Eerst in 1886 was het gebrek aan onderwijzend personeel zoover verminderd, dat de bevoegdheden konden beperkt worden, in dien zin dat voortaan, om aan het hoofd van een school te komen, vereischt werd, voor Paramaribo het bezit eener akte van bekwaamheid van ten minste den tweeden, voor de districten van ten minste den 3en rang (G.B. no. 20). Afschaffing van den 4en rang was toen nog niet mogelijk. Dat de toestand, al was het ook zeer langzaam, van zelf beter werd, in dien zin, dat het getal onderwijzers van den 4en rang een steeds kleiner wordend percentage van het geheel uitmaakte, blijkt uit de volgende cijfers, die tevens een kijk geven op de ontwikkeling van het onderwijs in de laatste 35 jaren:

Getal onderwijzers op 31 Dec. Percentage v.h. geheel.
1878 1886 1896 1906 1910 1914 1878 1886 1896 1906 1910 1914
van den 1en rang 6 4 7 13 18 23 8 4 5 6 7 7
van den 2en rang 6 4 11 21 29 36 8 4 8 9 11 11
van den 3en rang 22 45 54 93 127 150 29 44 41 41 46 48
van den 4en rang 43 49 60 98 101 106 56 48 45 44 37 34
  ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___ ___
Totaal 77 102 132 225 275 315 - - - - - -

Vóór de verordening van 1876 bestond er geen goed georganiseerde opleiding van onderwijzers; wel waren in 1869 twee hoofdonderwijzers door het bestuur aangewezen om jongelieden op te leiden, maar er was geen arbeidsverdeeling en ieder der onderwijzers gaf in al de examenvakken onderricht. In 1877 werd eene normaalschool opgericht tot opleiding van onderwijzers van den 4en en den 3en rang.

[p. 521]

Het onderwijs werd opgedragen aan 3 hoofdonderwijzers, ieder voor een deel. Deze school, waarop tot 1907 het onderwijs kosteloos was, werd in dat jaar gereorganiseerd en komt nu min of meer overeen met eene kweekschool in Nederland. Het getal onderwijzers heeft belangrijke uitbreiding ondergaan. Van 1907-1914 liep het getal leerlingen uiteen van 52 tot 89, dit laatste cijfer in 1910.

Van 1906-1910 heeft er van wege het Surinaamsch Onderwijzers-genootschap een cursus bestaan tot opleiding voor den 2en rang. De speciale opleidingen door de Evangelische Broeder gemeente en de R.K. gemeente zijn respectievelijk in 1909 en 1913 gestaakt.

Tot 1907 bestond er tweemaal 's jaars gelegenheid tot het afleggen van de verschillende onderwijzers-examens; sedert 1908 slechts éénmaal (G.B. 1907 no. 77).

Een school voor middelbaar onderwijs, onder de beste vooruitzichten in Nov. 1877 te Paramaribo opgericht, bleef slechts een 4 tal maanden in leven. Minister Van Bosse, die, waar het Suriname betrof, niet altijd een gelukkige hand had (Zie IMMIGRATIE, blz. 374) haalde, zonder voldoenden grond een streep door den betreffenden begrootingspost. Eerst onder het bestuur van Gouverneur Smidt gelukte het, in 1887, eene openbare school voor meer uitgebreid lager onderwijs tot stand te brengen, die zich langzamerhand heeft ontwikkeld tot een inrichting, de Hendrikschool geheeten, waarvan de hoogste drie klassen overeenkomen met een driejarige hoogere burgerschool in Nederland en waaraan verscheidene hoofdonderwijzers verbonden zijn, die tevens bevoegd zijn om middelbaar onderwijs te geven. Op 31 Dec. 1914 telde deze school 430 leerlingen, t.w. 261 jongens en 169 meisjes.

De tot 1880 te Paramaribo bestaande scholen, waren met enkele uitzondering, particuliere scholen van zeer uiteenloopend gehalte, zoowel wat het personeel als wat de materiëele inrichting betrof. Onvermogende kinderen, die van gouvernementswege onderwijs genoten, werden - voor zooveel ze niet de scholen der Evang. Broedergemeente en der R.K. Missie bezochten - door de Commissie van Onderwijs tegen betaling op die particuliere scholen geplaatst. Het was een stelsel waaraan vele gebreken kleefden. Daarom besloot het koloniaal bestuur in 1880 tot de oprichting van een groote openbare school, weldra gevolgd door andere. Dat was een belangrijke stap vooruit, maar de verbetering bleef half werk zoolang de onderwijzers aan deze scholen geen ambtenaren waren in den zin van het pensioen-reglement. Dit werden zij eerst in 1888 bij de onder het bestuur van Gouverneur Smidt tot stand gekomen pensioenverordening (G.B. no. 23).

Behalve die van den 4en rang, hebben de openbare onderwijzers progressieve jaarwedden, die gelijk zijn voor beide seksen. Onder het bestuur van Gouverneur Lely werden de jaarwedden bij verordening (G.B. 1904 no. 15) vastgesteld. Dezelfde verordening regelde de - tot dien tijd telken jare bij de begrooting vastgestelde - ondersteuning aan besturen van bijzondere scholen voor lager onderwijs. In 1913 (G.B. no. 33) onderging deze regeling eenige wijziging.

Op de scholen voor gewoon lager onderwijs te Paramaribo, zoowel openbare als bijzondere (met een enkele uitzondering), en op alle in de districten is het onderwijs kosteloos. De scholen voor uitgebreid lager onderwijs, die alleen in de hoofdplaats gevonden worden, zijn niet kosteloos.

Het ‘ambulantisme’ van de schoolhoofden bestaat in Suriname niet; ook op de groote scholen hebben deze een klasse of het onderwijs in bepaalde vakken voor hunne rekening. Tegelijk met de stichting dier openbare scholen zijn schoolvergaderingen ingesteld. De meeste districtsscholen zijn nog scholen met één leerkracht, waardoor een behoorlijke klasse-indeeling ontbreekt.

Onderwijzers, kweekelingen en leerlingen, die niet voorzien zijn van een geneeskundige verklaring dat zij aan geen besmettelijke ziekte lijden, worden in de scholen niet toegelaten. Sedert 1889 worden op de kostelooze scholen de aan trachoom en andere oogziekten lijdende kinderen op school behandeld. Vanwege het departement van onderwijs werd meermalen de medewerking der onderwijzers ingeroepen ter verbreiding van juistere denkbeelden omtrent het ontstaan en de besmettelijkheid van zekere ziekten (malaria, lepra, enz.). Verplichte vaccinatie voor onderwijzers en schoolgaande kinderen werd voorgeschreven bij verordening van 15 Dec. 1903 (G.B. 1904 no. 16). De mogelijkheid van ontheffing werd hierbij echter voor de bijzondere scholen opengelaten.

Sedert 1911 wordt te Paramaribo op een school voor lager onderwijs de proef genomen met een andere leerwijze, waarvan men betere resultaten verwacht. Deze proef is in Suriname bekend onder den naam van ‘de reorganisatie’. Voorts is er een begin gemaakt met de invoering van het slöjd-onderwijs en met de inrichting van schooltuinen. Een ontwerpverordening regelende het voorbereidend-, het lageren het voortgezet onderwijs, op 12 Juni 1914 door Gouverneur Van Asbeck aan de Koloniale Staten ingediend, is (Jan. 1916) nog niet behandeld.

De verordening van 1876 zwijgt geheel over het bewaarschool-onderwijs; iedereen mag dus eene bewaarschool oprichten. Tot voorbereiding van eene reorganisatie van dit onderwijs werd in het eind van 1912 het hoofd van de leerschool verbonden aan de kweekschool voor bewaarschool-onderwijzeressen te Leiden naar Suriname gezonden, eene opdracht die met goeden uitslag bekroond is.

Tusschen 1890 en 1906 had men op enkele groote centra van bevolking speciale scholen, door het gouvernement gesticht ten behoeve van de kinderen der Britsch-Indische immigranten, die daar onderwijs kregen in hunne landstalen. De laatste twee dier scholen werden op het einde van 1906 opgeheven.

Sedert Mei 1882 is op de scholen voor de kinderen de gelegenheid opengesteld om spaarpenningen te beleggen. In 1914 werd door de hoofden van scholen bij den inspecteur voor het onderwijs (door wiens bemiddeling de spaarpenningen der scholieren bij de koloniale postspaarbank worden belegd) een bedrag van ƒ4339 gestort. Op 31 Dec. 1914 namen 3639 scholieren aan het sparen deel, zijnde ruim 35 percent van het getal schoolgaande kinderen, en waren 1729 scholieren in het bezit van een boekje der kol. postspaarbank, d.i. bijna 16 percent van het getal schoolgaande kinderen en bijna 48 percent van het getal deelnemers aan het sparen. Van de invoering der schoolspaarbank tot 31 Dec. 1914 werd door de hoofden van scholen bij den inspecteur gestort ƒ157195, waarvan ƒ155638 op naam van scholieren werd overgeschreven.

In het laatste 40tal jaren is de schoolbevolking zeer belangrijk toegenomen, het sterkst op de scholen der R.K. Missie, zoowel de jongens- als de meisjesscholen. Van 1877 (het jaar van de invoering van den leerplicht) tot 31 Dec. 1914 bedroeg de toene-

[p. 522]

ming 5542, terwijl het percentage van het gemiddelde schoolbezoek van 75 tot 84 steeg. Het schoolverzuim is dus nog zeer aanzienlijk en het zal veel moeite kosten het met vrucht te bestrijden. In dezelfde tijdruimte steeg de schoolbevolking van Paramaribo van 3201 tot 7205; het percentage van het gemiddelde dagelijksche schoolbezoek klom daarbij van 73 tot 85. Bij de beoordeeling van deze vermeerdering is in het oog te houden, dat in dezelfde tijdruimte de bevolking der kolonie van 48991 tot 85536 en die van Paramaribo van 21299 tot 35530 steeg, voor zooveel deze bevolkingscijfers vertrouwen verdienen.

Het volgende staatje geeft een vergelijkend overzicht van den toestand van het gewoon lager en het uitgebreid lager onderwijs op 31 Dec. 1881 en 1913.

Scholen. Onderw. Schoolg. kinderen. Gemiddeld dagelijksch schoolbezoek per 100
1881 1913 1881 1913 1881 1913 1881 1913
Paramaribo.                
Niet gesubs. partic. scholen 10 6 17 25 519 780 87 91
Gesubs. partic. scholen 13 - 24 - 1037 - 77 -
Gouvernementsscholen 2 7 11 88 397 1988 72 82
Gesubs. sch. d. Evang. Broedergemeente 4 6 13 51 1227 1565 73 80
Gesubs. sch. d. R.K. Geestelijken 3 8 4 64 580 2360 82 82
Gesubs. sch. d. ‘Vrije Evangelisatie.’ - 1 - 9 - 309 - 81
  __ __ __ ___ ____ ____ __ __
Totaal 32 28 69 237 3760 7002 77 82
                 
Districten.                
Gouvernementsscholen 16 20 17 30 724 1287 80 72
Gesubs. sch. d. Evang. Broedergemeente 13 14 9 21 721 891 79 88
Gesubs. sch. d. R.K. Geestelijken 2 9 3 17 116 720 92 81
  __ __ __ ___ ____ ____ __ __
Totaal 31 43 29 68 1561 2898 80 75
  __ __ __ ___ ____ ____ __ __
Totaal Paramaribo en districten 63 71 98 305 5321 9900 78 80

Van de 71 scholen op 31 Dec. 1913 zijn 55 gemengd, 8 alleen voor jongens en 8 alleen voor meisjes bestemd; 8 van deze scholen zijn scholen voor uitgebreid lager onderwijs. In de rubriek onderwijzers zijn alleen medegeteld de onderwijzers der verschillende rangen; niet de bezitters van akten alleen voor speciale vakken. Onder de niet gesubs. partic. scholen bevinden zich ook de scholen voor uitgebreid lager onderwijs der R.K. missie en die der zusters Franciscanessen. Voorts waren er nog 8 scholen der Evang. Broedergemeente bij de Boschnegers met een gezamenlijke schoolbevolking van 248 leerlingen, n.l. 123 jongens en 125 meisjes.

De bevolking der bewaarscholen was op 31 Dec. 1913:

Te Paramaribo Jongens. Meisjes. Totaal.
voor onvermogenden.      
de Evang. Broedergemeente 136 162 298
de R.K. Zusters 165 226 391
       
voor andere kinderen      
de R.K. Zusters 32 38 70
verschillende particulieren 219 219 438
       
In de Districten.      
voor onvermogenden.      
de Evang. Broedergemeente 45 40 85
de R.K. Zusters 63 84 147
  ___ ___ ____
Totaal 660 769 1429

Er zijn in Suriname twee onderwijzers-genootschappen: het Surinaamsch Onderwijzersgenootschap, in 1895 opgericht (nadat een in 1853 opgerichte voorganger was verloopen) telde op 31 Dec. 1914 106 leden en 6 eereleden. Op 1 Jan. 1906 begon dit genootschap een maandblad (later 14daagsch) ‘Het Onderwijs’ uit te geven, dat in 1911 ophield te verschijnen. Sedert Maart 1915 verschijnt het blad weer. Het andere genootschap, ‘Broederschap’ geheeten, opgericht in 1892 waarvan de leden op de scholen der Evang. Broedergemeente werkzaam zijn, telde 35 leden.

Sedert 1908 bezit Paramaribo een sohoolmuseum, gesticht door een kort voordien opgerichte ‘Vereeniging tot bevordering van het onderwijs.’

De raming der uitgaven voor het lager onderwijs op de voorloopig vastgestelde begrooting voor 1916 is als volgt:

a. Kosten van toezicht op het onderwijs en van examens ƒ11.779
b. Bezoldiging van onderwijzers en verder personeel bij het openb. onderwijs ƒ230.321
c. Kosten van de normaalschool ƒ7.600
d. Voor het naar en van school vervoeren van schoolkinderen ƒ1.550
e. Huur van gebouwen of lokalen, onderwijzerswoningen in de districten, schoolmeubelen, schoolbehoeften, uitgaven ter behoeve van schooltuinen ƒ15.810
f. Subsidiën voor het onderwijs ƒ176.630
g. Subsidiën indirect in verband staande met opvoeding, onderwijs en opleiding ƒ8.585
    ________
  Totaal ƒ452.325

[p. 523]

waaronder niet begrepen, het onderhoud der openbare schoolgebouwen.

De inkomsten zijn geraamd als volgt:

a. opbrengst van de openbare scholen ƒ48.400
b. opbrengst van de normaalschool ƒ4.000
c. opbrengst van examengelden ƒ500
    _______
  Totaal ƒ52.900

Vermindert men met dit bedrag de uitgaven, dan komt men tot een cijfer van ƒ399.425. Bij een geraamd eindcijfer der koloniale begrooting van ƒ7,764.816 maken de uitgaven voor het lager onderwijs, het onderhoud der schoolgebouwen daaronder niet begrepen, ruim 5 perc. der begrooting uit. (Zie ook de artikelen AMBACHTSONDERWIJS, BROEDERGEMEENTE, GENEESK. SCHOOL, HOEDENVLECHTERIJ, blz. 364, LANDBOUW, blz. 442, MACHINISTENCURSUS, MISSIE (R.K.) en TUCHTSCHOOL).

Litt. Archivalia (Rijksarchief). - Hartsinck, II, 891. [E. Beyer.] Suriname in deszelfs tegenw. toestand. Amst. 1823, blz. 71. - [G.P.C. Baron Van Heeckeren van Waliën]. Aanteekeningen betrekkelijk de Kol. Suriname. Arnhem. 1826. blz. 118 v. - M.D. Teenstra. De Negerslaven in de Kol. Suriname. Dordr. 1842, blz. 57 v. - L.C. B(atenburg). Over de taak en de eischen der lagere school. (Tijdschr. West-Indië Haarlem 1858, II. 268-281.) - J. Wolbers, Gesch. v. Suriname. Amst. 1861, blz. 170, 193, 194, 200, 201, 256, 272, 273, 285, 529, 559 en 607. - H.C. ten Broeke. Bijdrage tot de gesch. v.h. schoolwezen in Nederl. Guyana, Paramaribo, 1874. - R.A.P.C. o'Ferrall, Korte Schets v.d. Gesch. v.h. onderwijs in de Kol. Suriname, Paramaribo, 1890. - J.R. Thomson, Bijdr. tot de gesch. v.h. onderwijs in Suriname. Paramaribo, 1897. - J.J. Heilbron, Quelques renseignements sur l'instruction publique de la Colonie de Suriname. (Bibliothèque coloniale Internationale, serie IX, 1909). - Idem, Hoe moet het lager onderwijs in de Kol. Suriname worden ingericht? Paramaribo, 1909. - Rapport v.d. Comm. betr. de Reorganisatie v.h. onderwijs in de kol. Suriname, benoemd bij G.R. van 10 Nov. 1909 no. 9. Paramaribo 1910. - Gegevens betreffende Suriname. Amst. 1910, blz. 147-161. - Tj. Nawijn, Reorganisatie van het onderwijs. Paramaribo 1910. -Idem. Rapport betr. het onderwijs op eenige scholen in Nederland in verband met de voorgenomen reorganisatie v.h. lager onderwijs in de Kol. Suriname. Paramaribo 1911. - De econom. en financ. toestand der Kol. Suriname. Rapport der Suriname-commissie, 's Gravenh. 1911, blz. 75-89. - Vinken. Een en ander uit de Gesch. v.h. onderwijs in Suriname. (De Surinamer van 29 Juni - 2 Juli en 3 Oct. 1912). - Fred. Oudschans Dentz. (De Surinamer van 27 Aug. 1911). - Koloniale Verslagen. - Jaarcijfers.

B. De Nederlandsche Antillen.

Overhet onderwijs op Curaçao zijn de berichten tot aan het optreden van den directeur Rodier zeer schaarsch. Tot dien tijd had de Compagnie zich zeer weinig aan het onderwijs laten gelegen liggen. Sedert de vestiging der Hollanders op het eiland had de Compagnie zich er toe bepaald een schoolmeester, tevens voorzanger en aanspreker te onderhouden. Een langdurige vacature in dit ambt werd voor de ingezetenen van de Willemstad, de Overzijde en Pietermaai, aanleiding om op eigen kosten scholen op te richten, terwijl eenige van de meest gegoede ingezetenen, die buiten woonden, huisonderwijzers aanstelden. Op een klacht van den in 1764 aangestelden Compagnie's schoolmeester, gelastten Bewindhebbers aan Rodier de private school op Pietermaai op te heffen, die in de Willemstad te laten bestaan zoolang zij zou staan onder den schoolmeester, die er over was aangesteld, toen er geen Compagnie's schoolmeester was en verder geen private scholen toe te laten dan een of twee aan de Overzijde. ‘Kleijne kinderscholen’ waren onder dit verbod niet begrepen. Eerst in 1767 kreeg Rodier - op zijn aandrang en dien van de ingezetenen - algemeene vergunning het oprichten van private scholen toe te staan, mits de bewindhebberen van elke oprichting kennis kregen en de schoolmeesters waren voorzien van een ‘acte van consent’ van den directeur, die deze niet zou mogen afgeven ‘voor en aleer bij van de bekwaamheid, goede hoedanigheid en betamelijk gedrag van den meester zou wezen overtuigd en verzekerd.’ Hamelberg, aan wien deze berichten ontleend zijn, vermeldt verder dat ‘de ordinaire tax voor scholieren, die leerden spellen en lezen 4 realen was per maand, voor die lezen en schrijven leerden 6 realen, voor die welke leerden lezen, schrijven en cijferen 7 realen of 1 reaal minder, als zij zelf pen en papier brachten.’

Kort nadat Curaçao aan Nederland was teruggegeven rapporteerde de gouv. gen. A. Kikkert op 2 Juli 1817 aan de Regeering: ‘Sedert ruim een derde van een eeuw is de opvoeding der kinderen onder de voornaame lieden veel verbeterd. Gebrek aan goede onderwijzers echter is de oorzaak dat dezelve tot nog toe niet tot die volmaaktheid als in Europa is gebragt geworden. Het onderwijs was hier slechts bepaald in het leeren lezen, schrijven, rekenen, Italiaansch boekhouden en eene zeer oppervlakkige kennis der Hollandsche taal. Naderhand begon zich hetzelve meer uit te breiden tot andere talen als Fransch, Spaansch, Engelsch, doch de gronden onzer moedertaal ontbrekende werden ook de vreemde talen, gelijk ligt te beseffen is, gebrekkig onderwezen en geleerd.’ En verder: ‘De toestand der scholen vóór de aankomst van den staatsschoolmeester den heer Van Paddenburgh is beklagenswaardig. Elk die maar niets te verdienen had, rigtte eene school op, ofschoon hij zelfs niet in staat was goed te lezen en te schrijven, en naauwlijks was er één die den naam van onderwijzer verdiende. De inrigting der scholen waren ook geenszins tot dat oogmerk berekend. De voornaamsten (eene uitgezonderd) kon men niet dan met de a-b-c schooltjes in de dorpen in 't moederland vergelijken. De kinderen der minvermogenden een weinig lezen, schrijven en rekenen geleerd hebbende worden in een of ander handwerk onderwezen, hier van daan zoo veele ambachtslieden op dit eiland, die door gebrek aan bezigheid en broodwinning eindelijk tot armoede moeten vervallen.’

Ook de nieuwe ‘staatsschoolmeester’ schijnt niet aan de verwachtingen beantwoord te hebben.

Omtrent het onderwijs op de Bovenwindsche Eilanden gedurende de eerste eeuw der vestiging zijn de berichten nog schaarscher dan voor Curaçao. Gedurende langen tijd schijnt de Compagnie de zorg daarvan aan particulieren te hebben overgelaten. Tegen het eind van de 18de eeuw vroeg en verkreeg de directeur van St. Eustatius, Runvels, van Bewindhebberen een vaderlandschen onderwijzer, opdat de moedertaal niet te gronde ging. Dominee Brill (1787-1792) betoogde de wenschelijkheid van onderwijs in het Nederlandsch voor de kinderen der gekleurden en bijzonder voor die der slaven. In

[p. 524]

1819 rapporteert de Gouv. Gen. van St. Eustatius, St. Martin en Saba, dat sedert 1818 op St. Eustatius geene inrichtingen van godsdienst of opvoeding der jeugd meer bestonden ‘dan een Methodiste leeraar, die zich verledigt tot het geven van onderwijs in de Engelsche taal, in het lezen, schrijven en in de beginselen der cijferkunst, schoon hij hierin geen genoegzaam bestaan vindt vermits de weinige vermogende ingezetenen hunne kinderen naar elders zenden om hun hart en verstand te beschaven.’

Teenstra, die in 1829 het eiland bezocht, schrijft dat er toen vier scholen op het eiland waren, waarin in het Engelsch werd onderwezen. Op twee daarvan waren blanke onderwijzers; de twee andere werden door ‘gekleurde vrouwen’ gehouden. Tweemaal in de week werd er ook school gehouden voor onvermogenden, in de Methodistenkapel, waar de kinderen alleen in het lezen werden onderwezen.

Omtrent St. Martin rapporteerde in Dec. 1816 de kommandant der eilanden St. Martin en Saba dat ‘een bijzondere aandacht op de opvoeding der jeugd, vooral in dit eiland waar dat juist al te zeer is verwaarloosd, zal behoren te worden gevestigd.’ In 1829 vond Teenstra het schoolwezen nog zeer gebrekkig; het onderwijs bepaalde zich tot de Engelsche taal. De meer gegoede ingezetenen zonden hunne zonen ter opvoeding naar Europa en de dochters naar Antigua of een der andere Engelsche eilanden. Op Saba vond hij in de kerk, een lid van den raad van policie, in zijn kwaliteit van schoolmeester, bezig een 15tal kinderen te onderwijzen in de Engelsche taal.

Van een regeling van het onderwijs op Curaçao is er eerst in 1819 sprake. De Gouv. Gen. Kikkert stelde op 29 Nov. van dat jaar (P.B. no. 28) een ‘provisioneel reglement op het schoolwezen’ vast, waarbij o.m. bepaald werd dat er vier landsscholen op het eiland zouden zijn - alle vier op de hoofdplaats - n.l. twee van den eersten en twee van den tweeden rang. De bestaande particuliere scholen werden ‘om gewigtige redenen’ vooralsnog toegelaten; nieuwe mochten echter niet worden opgericht dan met toestemming van den Gouv. Gen. en er mochten niet meer dan drie zijn. Kinderen van onvermogenden konden kosteloos de landscholen bezoeken. Het ‘hoofdonderwijs’ op de vier landsscholen zou in de Nederduitsche taal zijn. Op de scholen van den tweeden rang zou onderwijs gegeven worden in lezen, schrijven en rekenen, op die van den eersten rang bovendien in vreemde en ‘buitenlandsche’ talen, alsmede aardrijks- en geschiedkunde, enz. ‘voor zoo ver de schoolonderwijzers hiertoe bekwaam’ waren. Op laatstgenoemde scholen mocht het schoolgeld niet meer bedragen dan 27 realen, op eerstgenoemde niet meer dan 12 realen per maand voor ieder kind. Met het toezicht op het onderwijs waren vier schoolopzieners belast.

Ten behoeve der landsscholen werd een som van ƒ2000 Hollandsch courant uit de koloniale kas beschikbaar gesteld om daaruit te bekostigen het onderwijs aan onvermogenden, schoolbehoeften, de jaarlijks uit te deelen prijzen aan de leerlingen, ‘boeken tot geschenken of buitengewone douceurs aan eenigen onderwijzer, die zich bij uitnemendheid onderscheidde’ en voorts ‘werken tot onderrigting en verdere eigene oefening der onderwijzers.’

Tegen hen die ‘zich zouden mogen verstouten’ om eenige school zonder speciaal consent van het bestuur op te richten ‘of reeds clandestinelijk daargesteld zijnde’, aan te houden werden in 1839 (P.B. no. 225) ‘meer doelmatig geacht wordende bepalingen’ vastgesteld: de eerste en tweede maal geldboete, de derde maal, gevangenzetting voor den tijd van ten minste drie maanden en ten hoogste een jaar.

Snel heeft zich het openbaar onderwijs op Curaçao niet ontwikkeld. Uit het Kol. Verslag over 1851 blijkt dat er in dat jaar ƒ4734,29 is uitgegeven voor plaatsing van onvermogenden op de landsscholen en voor schoolbehoeften. Het getal onvermogende leerlingen was toen 259 (200 jongens en 59 meisjes). Op de bijzondere scholen, met inbegrip van bewaar- en zondagsscholen, gingen toen 420 jongens en 495 meisjes. Op Bonaire was er ééne landschool met 25 kosteloos geplaatste leerlingen en 42 voor rekening van particulieren. Op Aruba had men ééne landsschool, waarop 21 kosteloos geplaatste leerlingen, en een particuliere school, meer bepaaldelijk voor de Spaansche taal. St. Martin had eveneens ééne landsschool met 42 gratis leerlingen en 20 schoolgeld betalende.

Het kol. Verslag over 1854 deelt mede dat slavenkinderen op Bonaire van landswege geen onderwijs genoten.

De grondlegger van het R.K. bijzonder onderwijs was de eerste Bisschop van Curaçao, de Amsterdammer Martinus Johannes Niewindt, die van 1824 tot 1860 de missie bestuurde. De erbarmelijke onderwijstoestanden in de hoofdplaatsen en de afwezigheid van iedere gelegenheid tot onderwijs in de overige districten, bewogen hem hulp in het Moederland te zoeken. Eerst in 1842 kreeg hij de beschikking over een voldoend aantal Hollandsche schoolzusters om een begin van uitvoering aan zijn plannen te kunnen geven en toen werd in de hoofdstad van Curaçao een meisjesschool geopend met drie afdeelingen voor de drie standen. Eenige maanden later bewerkte hij de overkomst van een Katholiek Hollandsch onderwijzer, den heer Bernard Huijcke, die een school voor meer uitgebreid onderwijs in de hoofdstad op C. opende voor de mannelijke jeugd. Vijf jaar later, in 1847, werd de eerste school buiten de stad te Barber (Westdivisie) gesticht. Geleidelijk breidde zich sedert, onder Mgr. Niewindt en diens opvolgers, het R.K. onderwijs uit, zoodat thans geen enkele R.K. parochie haar school mist.

Het Reg. Reglement van 1865 gaf voor het onderwijs dezelfde voorschriften als voor Suriname (zie boven). In 1873 (P.B. no. 9) werd dan ook een verordening vastgesteld regelende het onderwijs, die in niets meer geleek op haar voorganger van 1819. Aan bijzondere scholen kon nu subsidie worden verleend; aldus gesubsidieerde scholen zouden gelijk de openbare, toegankelijk zijn voor kinderen van alle godsdienstige gezindheden. De leerstof op de scholen voor gewoon lager en meer uitgebreid lager onderwijs was als in de Nederlandsche wet. Er zouden vier klassen van openbare onderwijzers zijn, met jaar wedden van ƒ1000, ƒ1400, ƒ1800 en ƒ2800. Om tot een hoogere klasse over te gaan moest de onderwijzer ten minste 5 jaren in de voorgaande klasse werkzaam zijn geweest. Zij zouden ambtenaren zijn in den zin van het pensioenreglement.

Reeds in 1884 (P.B. No 16) werd deze verordening herzien. Was er in de vorige regelingen geen sprake van opleiding van onderwijzers, nu had het bestuur te zorgen voor de instelling van normaallessen voor hen, die zich voor het verkrijgen eener akte wenschten te bekwamen. De regeling der normaallessen kwam reeds bij besluit van den Gouverneur van 8 Dec. 1884 (P.B. no. 18) tot stand.

[p. 525]

Het van gouvernementswege verstrekte onderwijs zou in drie afdeelingen verdeeld zijn. Dat van de laagste afdeeling zou gratis in de geheele kolonie verstrekt worden. Voor de Bovenw. Eilanden omvatte het tevens het onderwijs in de Engelsche taal. Het onderwijs van de tweede afdeeling, dat niet gratis was, bevatte eenige leervakken meer en liet de keus tusschen de Engelsche of Spaansche taal. Het in de eerste afdeeling gegeven onderwijs zou in omvang ongeveer overeenkomen met dat eener driejarige hoogere burgerschool, terwijl tevens de Spaansche taal zou onderwezen worden. Ook in deze afdeeling zou schoolgeld betaald moeten worden.

De onderwijzers werden onderscheiden in drie klassen. De traktementen werden geregeld bij besluit van den Gouverneur (P.B. 1884 no. 21) en later herhaaldelijk gewijzigd.

Door deze verordening, gewijzigd in 1897 (P.B. no. 17), deed het uitgebreid lager onderwijs op Curaçao een grooten stap vooruit. Op 15 Juli 1885 werd n.l. een openbare school geopend voor het onderwijs der afdeelingen I en II, die spoedig in bevolking belangrijk toenam en in 1891 gescheiden werd in een afdeeling voor jongens en een voor meisjes.

Ook het bijzonder onderwijs ontwikkelde zich in dat en het volgende jaar aanmerkelijk.

In 1907 (P.B. no. 5 en besluit tot uitvoering, P.B. no. 26) werd de verordening opnieuw gewijzigd. In de nieuwe verordening werden ook opgenomen de regelen en de maatstaf naar welke aan de besturen van bijzondere scholen bijdragen uit de koloniale kas verleend worden.

De onderwijzers werden verdeeld in 4 klassen; met het algemeen toezicht op het onderwijs werd een schoolopziener belast; naast dezen, op Curaçao een schoolcommissie en op elk der overige eilanden de Raad van politie als plaatselijke schoolcommissie.

Aan kinderen van onvermogenden wordt het openbaar lager onderwijs gratis verstrekt. Van de andere kinderen kan een matig schoolgeld geheven worden.

Nog zijn hier te vermelden het K.B. van 23 Juli 1913 no. 45 (P.B. no. 47), waarbij de subsidiën aan de bijzondere scholen nader worden geregeld en de verordening van 26 Aug. 1914 (P.B. no. 38), waarbij de schoolopziener vervangen wordt door een inspecteur voor het onderwijs. Tal van wijzigingen van minder belang tusschen 1884 en 1915 zijn kortheidshalve voorbijgegaan.

Op de scholen voor m.u.l.o. is het Nederlandsch de voertaal. Voor de gesubsidieerde bijzondere lagere scholen eischt de verordening dat het onderwijs ‘zooveel mogelijk’ in de Nederlandsche taal gegeven worde. Op de Benedenw. Eilanden is het Papiamentsch niet alleen de volkstaal, maar de meest geliefde taal van allen, die er geboren zijn. Op de Bovenw. Eilanden spreekt iedereen uitsluitend Engelsch. Op al de eilanden moet het Nederlandsch dus als een vreemde taal worden aangeleerd, wat natuurlijk van grooten invloed is op de uitkomsten van het onderwijs.

Uit de volgende cijfers blijkt de vooruitgang van het onderwijs op de verschillende eilanden sedert 1880. De cijfers, waarvan sommigen vreemde schommelingen vertoonen, hebben betrekking op 31 December.

1880 1890 1900 1910 1913
Curaçao 2503 2957 3335 3625 3646
Bonaire 454 554 629 644 698
Aruba 256 369 791 995 950
St. Martin 200 204 405 596 570
St. Eustatius 180 65 222 235 240
Saba 149 73 121 315 310
  ____ ____ ____ ____ ____
Totaal 3742 4222 5503 6410 6414

Een wettelijke regeling van het bewaarschool-onderwijs bestaat in de kolonie Curaçao niet.

Op 31 Dec. 1913 waren er:

Op Curaçao:

2 openb. scholen v. M.U.L. Onderwijs (1 voor jongens, 1 voor meisjes).
3 bijz. scholen v. M.U.L. Onderwijs (1 voor jongens, 2 voor meisjes).
1 openb. school v. lager onderwijs (voor jongens en meisjes).
1 openb. herhalingsschool.
13 bijz. scholen voor lager onderwijs.

Op de overige eilanden alleen scholen voor lager onderwijs, n.l.:

op Bonaire 1 openb. en 2 bijz.
op Aruba. 1 openb. en 5 bijz.
op St. Martin 4 openb. en 3 bijz.
op St. Eustatius 1 openb. en 1 bijz.
op Saba 2 openb. en 2 bijz.

te zamen 13 openbare en 29 bijzondere scholen.

Op de openb. scholen op Curaçao had men op 31 Dec. 1913: 6 onderwijzers en onderwijzeressen van de 1ste, 3 van de 2de, 12 van de 3de en 1 van de 4de klasse. Op de bijz. scholen respectievelijk 4, 8, 17 en 33, te zamen 84 onderwijzers. Op de overige eilanden te zamen op de openb. scholen 2 van de 2de, 11 van de 3de, 8 van de 4de klasse, op de bijzondere scholen 2 van de 1ste, 11 van de 3de en 16 van de 4de klasse, t.z. 49 onderwijzers, behalve de vak-onderwijzers en de kweekelingen.

De normaallessen werden bezocht door 9 vrouwelijke leerlingen, 4 in de eerste en 5 in de tweede klasse.

Het bijzonder onderwijs staat onder het bestuur der R.K. Missie van Curaçao. Het is het meest verspreide in de kolonie, waar, behalve op St. Martin en Saba, buiten de hoofdplaatsen der eilanden geen openbare scholen gevonden worden. Drie vierden der schoolgaande kinderen der geheele kolonie bezoeken de scholen der missie.

Op 31 Dec. 1913 bedroeg het aantal R.K. Scholen 25, met een totaal van 4863 leerlingen. Buitendien bestonden er 3 R.K. Scholen, waar Spaansch de voertaal is bij het onderwijs, waaronder één internaat (Welgelegen) met een gezamenlijk getal van 220 leerlingen.

Behalve op de hoofdplaatsen (Willemstad, Kralendijk en Oranjestad) bezoeken jongens en meisjes dezelfde school, waar ze onderwezen worden door schoolzusters, deels Franciscanessen van de Congregatie van Roosendaal, deels Dominicanessen van de Congregatie van Voorschoten, bijgestaan door vrouwelijke kweekelingen. Dezelfde Schoolzusters besturen de meisjesscholen op genoemde hoofdplaatsen; de scholen voor jongens staan sedert 1898 onder de uitsluitende leiding der Schoolfraters van de Congregatie van Tilburg, die reeds sedert 1886 aan het onderwijs in de missie verbonden werden.

[p. 526]

Aan de groote armoede, die in de buitendistricten veelal heerscht, is 't voornamelijk toe te schrijven, dat de scholen op de hoofdplaatsen een grooten voorsprong hebben op die van de buitendistricten. Op alle hoofdplaatsen behalve op St. Eustatius en Saba bestaat op de R.K. Scholen gelegenheid voor m.u.l.o.; gewoon lager onderwijs is op de R.K. scholen overal kosteloos.

Het geheele personeel op 31 Dec. 1913 werkzaam aan de R.K. bijzondere scholen bestond uit 64 onderwijzeressen Franciscanessen, waarvan 10 vakonderwijzeressen, 22 onderwijzeressen Dominicanessen, 22 vrouwelijke kweekelingen en 28 schoolfraters van Tilburg met één inlandschen kweekeling.

Het R.K. bijzonder onderwijs wordt van Gouvernementswege gesubsidieerd, uitgezonderd de 3 bovengenoemde Spaansche scholen. Na de wijziging bij het K.B. van 23 Juli 1913 bedraagt het subsidie ruim negen gulden per schoolgaand kind. Tot de inrichtingen van R.K. onderwijs moeten ook gerekend worden een weeshuis voor meisjes met 51 en een voor jongens (waaraan een ambachtsschool verbonden is) met 45 verpleegden.

Op Saba, met zijn zeevarende bevolking, is van gouvernementswege in 1909 een zeevaartcursus geopend, die op 31 Dec. 1913 9 leerlingen telde. Een dergelijke cursus werd bij beschikking van den gouverneur van 1 Febr. 1913 (P.B. no. 5) op Curaçao opgericht.

Sedert eenige jaren bezit Curaçao een schoolmuseum, gehuisvest in een der vertrekken van de Hendrikschool.

Op de voorloopig vastgestelde begrooting voor 1916 is de raming der uitgaven voor het onderwijs op al de eilanden als volgt:

a. Kosten v.h. schooltoezicht ƒ4500.
b. Traktementen en toelagen van onderwijzers bij het openb. onderwijs ƒ96101.
c. Schoolbehoeften en andere kosten van het openbaar onderwijs ƒ6775.
d. Subsidiën aan het bijz. onderwijs ƒ57410.
    __________
  totaal ƒ164786

waaronder niet begrepen het onderhoud der openbare schoolgebouwen.

De inkomsten zijn geraamd op ƒ12000. Vermindert men met dit bedrag de uitgaven, dan komt men tot een cijfer van ƒ152786. Bij een geraamd eindcijfer der koloniale begrooting van ƒ1.089.198 maken de uitgeven voor het onderwijs, het onderhoud der schoolgebouwen daaronder niet begrepen, ruim 14 perc. der begrooting uit.

Litt. Kerk- en schoolwezen in de Nederl. W.I. Koloniën St. Martin en Saba in 1816; medegedeeld door Dr. J. de Hullu (Nederl. Arch. v. Kerkgesch. deel IX, afl. 2). Curaçao in 1817, medegedeeld door Idem (Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Ind., 1913, deel 67, blz. 568). St. Eustatius in 1819, medegedeeld door Idem in Idem, deel 68, blz. 443. M.D. Teenstra, De Nederl. W.I. Eilanden, Amst. 1837, II, 312,357 en 377. G.J. Simons, Beschr. v.h. eiland Curaçou. Oosterwolde, 1868, blz. 78 en 104. Th. C.L. Wijnmalen. Les possessions néerl. dans les Antilles (Revue Col. Intern., 1887, II, 414). J.H.J. Hamelberg, Hist. schets v.d. Nederl. Bovenw. eilanden tot op het einde der 17e eeuw (Tweede jaarl. Verslag v.h. Gesch.-, Taal-, Land- en Volkenk. Genootsch. gevestigd te Willemstad. Amst. 1898, blz. 133). H. van Kol, Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 175, 196, 235, 276, 370 en 378 vlg. H. Michelsen. Het openb. onderw. op Curaçao. M. Victor Zwijsen, Het R.C. Bijzonder onderw. op Curaçao, (beiden in het Curaçao-nummer van Neerlandia. Juli en Aug. 1905). P.A. Euwens. Het Beschavingswerk op Curaçao (Neerlandia, 1906, blz. 45-48 en 87-88). C.J. Krijt, Het openb. lager onderw. op Bonaire. M. Victor Zwijsen, Het bijzonder Onderw. op Bonaire (beiden in het Bonaire-nummer van Neerlandia, Dec. 1907). J.A. Snijders, De Nederl. taal op de Benedenw. eilanden onzer Kol. Curaçao (Vragen van den Dag, 1907, blz. 832, 845 en 914-925). G.J. Van Grol, Het eiland St. Eustatius (Ind. Mercuur, 19 Maart 1907). J.H.J. Hamelberg, De Nederl. op de W.I. Eilanden (Benedenw. Eilanden) Amst. 1909, blz. 182. Alph. M.J. Jansen, De Kath. Godsdienst en het Bijz. onderw. op Aruba. J.A. Snijders Jr. Het openb. onderw. (beiden in het Aruba-nummer van Neerlandia. Dec. 1911). De Koloniale Verslagen. Jaarcijfers.

Onderzoekingstochten en onderzoek.

A. Suriname.

De oudste kolonisten bekommerden zich weinig om het achterland der volkplanting. Behalve de expeditie door Van Aerssen in 1687 uitgezonden om het Dorado op te sporen - zie GOUDINDUSTRIE, blz. 311 - en de problematieke tochten in 1718 naar de Parima en in 1720 naar de Boven Corantijn (zie onder litt. bij CORANTIJN) vermeldt de geschiedenis geen tochten naar het binnenland in de eerste halve eeuw der vestiging. Eerst door de expedities tegen de Boschnegers leerde men iets van het achterland, inzonderheid van het oostelijk gedeelte, kennen. Met de exploratie der Marowijne (zie aldaar) waren de Franschen de Hollanders voor geweest, maar toen deze laatsten eenmaal, in verband met de vervolging der Boschnegers, genoodzaakt waren de rivier op te nemen, werd deze opneming krachtig aangepakt en in 1784 een groot deel van de Lawa en de Tapanahoni in kaart gebracht (zie MAROWIJNE). Van de andere rivieren zou de bovenloop nog langen tijd onbekend blijven en in verband daarmede het land tusschen de rivieren. De groote kaart van Cateau van Rosevelt en Van Lansberge (1882) naar opmetingen gedaan van 1860-1879, gaf - behalve voor de Marowijne en de Suriname - alleen van het land benoorden den 4n breedtegraad een beeld. Wel vindt men op sommige oude kaarten den bovenloop van de Suriname- en de Saramaccarivieren aangegeven, maar die voorstelling berustte niet op gedane opmetingen. Nog op Loth's kaart van de drie Guiana's (1889) en op de kaart gevoegd bij F.W. van Eedens artikel ‘Een verwaarloosd erfdeel’ (Bulletin no. 12, Maart 1896, van het Kol. Museum te Haarlem) moest het grootste deel van de kolonie aangeduid worden als onbekende wildernis en onbekend land. Na 1874 waren goudzoekers en na 1893 balata-bleeders vrij diep het binnenland binnengedrongen, maar tot wetenschappelijk onderzoek van het land leidde dit niet.

Tot de kennis van de gesteldheid van het land hebben zeer veel bijgedragen de opmetingen (‘tracées’) van den gouv. landmeter W. L, Loth, in

1876tusschen Brokopondo aan de Suriname-rivier en de Pedresoengoe-vallen aan de Marowijne (T.A.G. III, 159-166),
1877tusschen Brokopondo en de Saramacca-rivier (T.A.G. III. 332-335),
1878tusschen het dorp Foto aan de Tempatikreek en Boschland aan de Suriname-rivier (T.A.G. IV, 250-255),
1879tusschen de rivier Kleine Saramacca en het dorp Kwattahede aan de Saramacca-rivier
[p. 527]
en tusschen de Miendrinitti-kreek en de Suriname-rivier (T.A.G. V, 10-16),
1886tusschen Coronie en de Coppename-rivier,
1887tusschen Coronie en de Nickerie-rivier,
1888tusschen de Saramacca-rivier nabij de Oranjekreek en Paramaribo,
1892tusschen het dorp Cottica aan de Lawa en de Tapanahoni en tusschen deze rivier bij de monding van de Tosokreek en de Sarakreek, op welken tocht Loth ontdekte, dat de Goninirivier ontstaat uit de samenvloeiing van twee rivieren, waaraan hij den naam gaf van Wilhelmina- en Emma-rivieren (T.A.G. 1893, 2e Serie, dl. II blz. 73-87).

Deze opmetingen hielden verband met de bevordering van de goudindustrie en zijn ook te vinden in de Koloniale Verslagen. De resultaten van Loth's tochten zijn verwerkt in zijne in 1899 verschenen kaart van Suriname op een schaal 1:500,000.

Ook de opmetingen der andere Surinaamsche landmeters hebben de kennis van het binnenland vermeerderd, maar daarvan is weinig naar buiten gebleken. Uit den aard der zaak werden metingen, voor particulieren verricht, niet gepubliceerd.

De karteering van het bergstelsel dateert van het eerste decennium van deze eeuw. Vóór dien waren alle kaarten feitelijk rivierkaarten. Zonder overdrijving kon Prof. Went zijn overzicht van de onderzoekringen in dat tijdvak in De Gids van Aug. 1911 dan ook noemen De ontdekking van ‘Onze West’.

Zooals boven gezegd werd de Marowijne reeds tegen het eind van de 18de eeuw vrij goed in kaart gebracht. De eerste wetenschappelijke opneming van de Corantijn (zie aldaar) vond plaats docr Robert Schomburgk in 1836 en daarna in 1843.

De rij van wetenschappelijke reizigers in Suriname wordt geopend door Dr. F. Voltz, en H. Schunk (leden eener commissie van Duitschers door de Nederlandsche regeering naar Suriname gezonden om het land te onderzoeken met het oog op een te vestigen volkplanting van Duitsche landverhuizers, die van 1853 tot 1855, verscheidene rivieren en het kustgebied geologisch opnamen. Voltz overleed in Suriname in 1855. Iets van zijne onderzoekingen is bewaard gebleven in brieven geplaatst in de Algemeene Konst- en Letterbode, 1854, blz. 13, 110 en 397 en 1855, blz. 254, in het Tijdschr. v. Staathuishoudk. en Statistiek van Sloet tot Oldhuis, 1855, dl. XII, blz. 263-280. (Zie ook het Tijdschr. West-Indie, Haarlem 1855, blz. 153 en 312 en 1858, blz. 69 vlg.). Zijn schriftelijke nalatenschap, werd door Schunk naar Europa medegenomen en schijnt verloren te zijn gegaan. Zijn geognostische verzameling bevindt zich in het Leidsche Museum. In zijn Geol. Studiën ueber Niederl. West-Indien, Leiden 1888, blz. 178-188, heeft K. Martin een overzicht gegeven van Voltz' onderzoekingen.

In 1856 deed Jeffries Wyman, professor in de anatomie te Harvard - van wiens hand reeds verschenen waren: Remarks on a bat, Molossus ater. etc. from Surinam. (Amer. Journ. of Science, July 1839 en Proc. of the Boston Soc. of Nat. Hist. 1839) en Observations on the development of the Surinam toad (Pipa americana) (Amer. Journ. of Science, vol. XVII, 1854, blz. 369-374 en Proc. Boston Soc. of Nat. Hist. vol. V 1854-56, blz. 13 en 14) - eene reis in Suriname; hij drong in korjalen ver het binnenland in met het hoofddoel zoölogische verzamelingen te maken, die een plaats vonden in zijn museum van vergelijkende anatomie, welke later het eigendom werd van de Boston Society of Natural History. Zware malaria-aanvallen, waarvan hij langzaam genas, verhinderden het welslagen zijner exploratie. In de genoemde Proceedings van 16 Sept. 1857 komt nog een mededeeling voor over Species of Fishes from the Surinam River, waarin hij handelt over de ontwikkeling der eieren bij een Bagre-soort, door de negers Ningi-ningi (?) genoemd, en bij een Aspredo-soort (Trompetter). Hij schijnt geen reisverhaal te hebben uitgegeven.

De zeer problematieke reis van H. Villiers Stuart of Dromana naar de Boven-Suriname in 1858 (Adventures amidst the equatorial forests and rivers of South America, etc. London 1891) wordt hier voorbijgegaan, omdat De Goeje in zijn bespreking van het boek (T.A.G. 15 Mei 1907, blz. 471 vlg.) het onwaarschijnlijke van den tocht heeft aangetoond.

Ten einde de Bonni-negers te ontheffen van het gezag der Aucaners (zie BOSCHNEGERS, blz. 155) en gegevens te verzamelen omtrent de vraag of de Lawa dan wel de Tapanahoni als de voortzetting van de Marowijne was te beschouwen, ondernamen de heeren Eycken Sluyters en Slengarde, in opdracht van het Koloniaal Bestuur, in 1860 eene reis naar de Boven Marowijne; van Fransche zijde vergezelde hen de heer Ronmy. Het rapport van Eyckensluyters en Slengarde is niet gepubliceerd. Ronmy gaf een reisverhaal met kaart in de Revue Maritime et Coloniale van Juni 1861, blz. 779-796.

Een jaar later (1861) ondernam een Nederlandsch-Fransche commissie, in verband met de grensscheiding, een reis naar de Boven-Marowijne. De Fransche leden waren Vidal, Rech, Boudet en Ronmy, de Nederlandsche Baron van Heerdt tot Eversberg, Cateau van Rosevelt en Kappler. De Lawa-Itani werd opgenomen toe aan de bronnen, de Tapanahoni tot 3° 15′ N.B. Van de rivier werd een voortreffelijke kaart vervaardigd, gegrond op tal van astronomische waarnemingen. Het zeer belangrijke verslag van de Nederlandsche leden werd 10 April 1862 aan den Gouverneur toegezonden en bleef in de archieven begraven. Het verslag van Vidal werd in de Revue maritime et coloniale van Juli en Aug. 1862 geplaatst (2de uitgave in 1882) en Kappler gaf een bericht over de reis in Petermann's Mittheilungen van 1862, blz. 173-179. Vermeld werd reeds dat de reizen van Rosevelt en Van Lansberge plaats hadden van 1860-1879.

Over de exploratie van de Corantijn door C. Barrington Brown in 1871 is gesproken in de artikelen CORANTIJN en GRENZEN VAN SURINAME.

Tot bevordering van de goudindustrie (zie aldaar blz. 312) rustte Gouverneur Van Sypesteyn in 1874 eene expeditie uit naar de Boven-Marowijne, onder leiding van den gouv. secret. Mr. P. Alma. Laat men de bovengenoemde opmetingen van Loth en Cateau van Rosevelt buiten beschouwing, dan zou het tien jaren duren vóór er weer sprake was van een wetenschappelijke reis. In 1885 n.l. ondernam de Leidsche Hoogleeraar K. Martin, met geldelijken steun van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap en het Kon. Inst. v. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indië, eene reis naar de Boven-Suriname, met het doel de rivier geologisch op te nemen. Hij werd op deze reis, die zich uitstrekte tot het Boschnegerdorp Toledo, vergezeld door Dr. H.D. Benjamins, W.L. Loth en den entomoloog J.R.H. Neervoort van de Poll. Behalve de berichten in het T.A.G. van 1885 en 1886 en de onder litt. bij AARDKUNDE genoemde werken, verschenen naar aanleiding van deze reis de volgende geschriften: Bericht über eine Reise ins Gebiet des oberen Surinam (Bijdr. t. d Taal-, Land- en

[p. 528]

Volkenk. v. Ned. Indië, 1886, 5e reeks, Deel I, afl. 1). Westindische Skizzen, Leiden 1887. Uit het jongste geol. verleden d. Nederl. Koloniën in Oost en West (Jaarb. d. Rijks-Universiteit te Leiden, 1895-1896). Bref aperçu de la géologie des Indes occidentales néerlandaises (Exp. univ. à Paris, 1900, Guide à travers la section des Indes-Néerlandaises, pg. 364-367). De grondslag van onze kennis van den geologischen bouw onzer W.I. Koloniën werd door Martin gelegd.

Over de reizen van Crevaux (1877) en Coudreau (1887) zie men onder hunne hoofden.

Naar tijdsorde volgt nu de reis van Dr. H. ten Kate. Het hoofddoel dezer reis was een anthropologisch, ethnographisch en zoölogisch onderzoek en het aanleggen van verzamelingen op die gebieden. Hij werd daarbij financiëel ondersteund door prins Roland Bonaparte, wijlen Dr. Emil Riebeck en Teyler's Genootschap. Ten Kate vertoefde in Suriname van 13 Juni 1885-19 Febr. 1886, met inbegrip van een kort verblijf in Demarary, en bereisde het grootste gedeelte van het benedenland tusschen de Corantijn en de Marowijne, achtereen volgens bezoekende de Aucaners aan de Boven-Cottica en de Paramacca, de Indianen aan de Coppename, Tibiti, Wajombo, Boven Nickerie en Corantijn en ten slotte de Indianen en Boschnegers in de Beneden Marowijne. De reis in de Nickerie-rivier - met Mr. J. Kalff in Oct. 1885 ondernomen - strekte zich waarschijnlijk uit tot het punt, later door Van Drimmelen Blanche-Marieval genoomd. Van ten Kate's vier groote en twee kleinere wetenschappelijke reizen (tusschen 1882 en 1897) is die in Suriname het armst aan resultaten geweest. Het verloren gaan zijner dagboeken en wetenschappelijke aanteekeningen tot einde Dec. 1885 is daarvan vooral oorzaak. Vandaar dat over de verschillende reistochten weinig gepubliceerd kon worden. Zijne verzamelingen berusten in 's Rijks Ethnogr. Museum te Leiden, het Museum für Völkerkunde te Berlijn, het Musée d'Hist. naturelle en het Musée Broca te Parijs, de eigen-collectie van prins Roland Bonaparte te Parijs en in 's Rijks Museum van Nat. Historie te Leiden. Enkele stukken (steenen bijlen) kwamen later door ruiling in de verzameling Giglioli te Florence terecht. Over ten Kate's reis verschenen: een aantal aan Bonaparte gerichte brieven (Comptes rendus de la Soc. de Géogr. de Paris, 1885/86). Een algemeen overzicht door Bonaparte en den redacteur (Revue géogr. intern. XIe année 1886, pp. 4-5, 214-126). Travels in Guiana and Venezuela (Revue colon. intern. t. IIl, no. 6, Dec. 1886). Observations anthrop. receuillies dans la Guyane et le Venezuéla (Revue d'Anthrop. 3e Serie t. II, Paris 1887). Een en ander over Suriname (De Gids, 1888, III. 181-221). Beiträge zur Ethnogr. v. Surinam (Intern. Arch. für Ethn. I, 223, Leiden 1888). On West Indian stone implements and other Indian relics (Bijdr. t.d. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indië, 5e volgr. IV, 1889, blz. 153). Zie ook de mededeelingen in T.A.G. 1886, 2e serie, III, 92-97 en 706-710. Van zijne zoölogische verzamelingen zijn beschreven: Rhimodrilus Tenkatei, n. sp. by Dr. R. Horst (Notes Leyden Museum, vol. IX). Hylecoetus lateritius n. sp. par Léon Fairmaire (Ibidem, vol. IX). Lacmobothrium setigerum n. sp. par E. Piaget (Ibidem vol. XI). Zie voorts de litteratuur bij ARANEINA.

Hoofdzakelijk ethnologische onderzoekingen beoogde Prof. Dr. W. Joest, die in 1890 een tweetal maanden in Suriname vertoefde en de Saramaccade Suriname- en de Marowijne-rivieren bezocht. De resultaten zijner reis zijn neergelegd in de volgende geschriften: Der Seiden wollenbaum im Geistesleben der Neger (Globus 1892, Bd. 61, blz. 350). Ethnographisches und Verwandtes aus Guayana (Intern. Arch. f. Ethn. Suppl. zu Bd. V. 1893). Welt-Fahrten, Beiträge zur Länder- und Völkerkunde, 3 deelen, Berlijn 1895. (197 blz. van het eerste deel handelen over Guiana, hoofdzakelijk Ned. Guiana). Zie ook zijn voordracht Guayana im Jahre 1890 in de Berliner Gesellsch. f. Erdkunde, zitting van 4 Juli 1891, Bd. XVIII no. 7, blz. 386-403. Zijne verzameling ethnologica bevindt zich in de musea te Berlijn en te Keulen.

Omstreeks denzelfden tijd, 1890/91, deed de Zweedsche geleerde Baron Axel Klinckowström een zoölogische onderzoekingsreis in Suriname. Zijn reisverhaal, Fem Månader i Suriname, publiceerde hij in het Zweedsche tijdschrift Ymer 1891. Naar aanleiding van in Suriname bijeengebracht en later verkregen materiaal van Iguana tuberculata, schreef hij Beiträge zur Kenntniss des Parietalauges (Zool. Jahrb. Abth. f. Anat. und Ontogenie der Thiere VII, 1894) en met G. Grönberg een studie over de anatomie van Pipa americana (zie aldaar onder litt.). De door hem verzamelde ethnologica zijn te vinden in de ethn. afd. van het natuurhist. rijksmuseum te Stockholm, de zoölogica in het Zool. Inst. van de hoogeschool aldaar, met uitzondering van de vogelhuiden, die geruild werden voor fossielen en zich thans bevinden in het museum te Buitenzorg.

In 1892 - begrooting voor 1893 - zien we het Surinaamsche bestuur pogingen aanwenden om het onderzoek van het binnenland ter hand te nemen. Daarvoor was met kracht geijverd door wijlen Julius E. Muller, die in 1888 tot lid der Koloniale Staten was gekozen. De minister van Koloniën, Baron van Dedem, was voor zulk onderzoek evenwel niet te vinden, wegens de groote kosten daaraan verbonden. Op de Surinaamsche begrooting voor 1897 verscheen weer een post ‘kosten van topographisch en geologisch onderzoek van onbekende gedeelten der kolonie’; maar ook deze poging mislukte. De toenmalige minister van Koloniën, Mr. Bergsma, voerde den post van de begrooting af en verklaarde, dat dergelijk onderzoek aan den ondernemingsgeest van particulieren kon worden overgelaten, zoo noodig met steun van het gouvernement (Zie De Grenzen van Nederl. Guiana door Dr. H.D. Benjamins, T.A.G. Dec. 1898, blz. 841).

In zijn bovengenoemd artikel schreef F.W. van Eeden, naar aanleiding van eene rede door J.E. Muller op 11 Juli 1895 in de Koloniale Staten gehouden: ‘zijne rede heeft mij versterkt in de overtuiging, dat het A.B.C. van den vooruitgang van Suriname is: wetenschappelijk onderzoek. Laat onze wetenschappelijke mannen op het gebied van natuuronderzoek zich wijden aan onze koloniën, en zeer zeker ook aan het in dit opzicht zoo verwaarloosde Suriname’....

‘Wat er voor onze pioniers nog te doen valt, is duidelijk voorgesteld op het hierbij gevoegde schetskaartje. Het donkere gedeelte, darkest Surinam, is een gebied van onderzoek, grooter dan ons geheele land. Dit gebied is tot nog toe nagenoeg niet wetenschappelijk onderzocht. Nederland heeft hier zijn plicht als beschaafde natie vergeten, en daarom is die koloniale duistere vlek een vlek op onze nationaliteit.’

Hoe het tot 1898 met de topographische kennis der kolonie stond blijkt uit Loth's bovengenoemde kaart.

[p. 529]

Nog in Juni 1899 kon Pyttersen in den catalogus d. Ned. W.I. tentoonst. te Haarlem schrijven: ‘Moet niet een gevoel van schaamte den Nederlander bekruipen, als hij zijn blik laat rusten op die groote, zwarte vlek, ruim 90% van het totaal gebied der kolonie. op de kaart aangeduid als “onbekende wildernis!”’

Dit zou spoedig anders worden. Reeds had in 1896/97 C. van Drimmelen, toenmaals Districts-Commissaris van Nickerie, vergezeld door Johnstone Kirke, een tocht ondernomen naar de Boven-Nickerie, tot aan den door hem aldus genoemden Blanche-Marie-val. Van deze reis gaf Dr. H. van Cappelle in het T.A.G. van Febr. 1899 eene beschrijving, terwijl de verzamelde gesteenten werden onderzocht en beschreven door Dr. W. Bergt te Dresden (Zie de litt. bij AARDKUNDE, blz. 15). In Oct. en Nov. 1898 werd de Maratakka, een linker zijrivier van de Nickerie, door Van Drimmelen opgenomen tot ± 1½ dagreis beneden het moeras waaruit de rivier volgens de balata-bleeders zou ontspringen. (Zie het hieronder genoemde boek van Dr. H. van Cappelle, De Binnenlanden, enz., blz. 225-228).

Een uitgebreider geologisch onderzoek van het Nickeriedal werd in Sept. en Oct. 1900 ondernomen door Dr. H. van Cappelle, vergezeld van C. van Drimmelen, J. Haenen, J.C. Ganzert, Dr. J.E. Tulleken, als botanicus, en H. van Cappelle Jr. als fotograaf en voor de meteorologische waarnemingen en de hoogtebepalingen. De expeditie, die mede ten doel had een onderzoek in te stellen naar den goudrijkdom der streek, strekte zich uit tot twee dagreizen boven den Blanche-Marie-val; ook de Fallawatra-kreek werd opgenomen en een weg gekapt in de richting van de Coppename. Voor deze reis was door Minister Cremer een subsidiepost op de Surin. begrooting voor 1900 gebracht, die door de beide Kamers werd goedgekeurd. Finantieel werd zij verder gesteund door H.M. de Koningin en door verschillende kapitaalkrachtige instellingen en personen. Een overzicht van de reis verscheen in het T.A.G. van 1 Jan. 1900, blz. 80-88 en een uitvoerig reisverhaal ‘De Binnenlanden van het District Nickerie’ te Baarn in 1903, in het Fransch vertaald onder den titel ‘Au travers des forêts vierges de la Guyane hollandaise, Baarn-Paris, 1905. Het petrographisch onderzoek der verzamelde gesteenten werd gedaan door Prof. J.L.C. Schroeder van der Kolk, hoogleeraar en H. Grondijs, student in de mijn bouwkunde aan de Polytechnische school te Delft. De geologische resultaten werden eerst later gepubliceerd. (zie de litt. onder AARDKUNDE, blz. 15). De verzamelde planten bevinden zich in 's Rijks Herbarium te Leiden, de steenen in het geol. mus. der Techn. H. School te Delft. Naar aanleiding van zijne reis had Dr. van Cappelle vroeger reeds eene Bijdrage tot de kennis der Cultures in Suriname, Amst. 1901, uitgegeven, alsook eenige artikelen in tijdschriften (zie de litt. onder ANANSITORI en BENEDENL. INDIANEN).

De eerste stoot tot een meer stelselmatig onderzoek werd in 1897 gegeven door de Vereeniging voor Suriname, die de heeren J.G. von Hemert, Prof. Dr. K. Martin en Prof. Dr. A.A.W. Hubrecht uitnoodigde daaromtrent hunne meening te zeggen. Daar de kosten de krachten der Vereeniging zouden te boven gaan, bracht haar voorzitter, Mr. W. Elout van Soeterwoude de zaak ter sprake in een bestuursvergadering der Maatsch. t. Bevordering v.h. Natuurk. Onderzoek d. Ned. Koloniën (zie aldaar). Het bestuur benoemde Dr. F.A. Jentink en Dr. M. Greshoff in commissie om van advies te dienen over het plan eener wetenschappelijke expeditie in Suriname. Ook het oordeel van Dr. H.D. Benjamins en W.L. Loth, die met verlof in Nederland waren, werd ingewonnen. In hun verslag d.d. 22 April 1899 stelden de heeren Jentink en Greshoff een topographische exploratie in het gebied der Coppename en Saramacca als het meest wenschelijke voor, waarmede het algemeen natuurhistorisch onderzoek, met name het maken van collecties kon gepaard gaan. Ook in het bovengenoemde artikel, De Grenzen van Nederl. Guiana (T.A.G. Dec. 1898) was als het meest wenschelijke op den voorgrond gesteld een oro-hydrographisch onderzoek van het ten westen van den meridiaan van Paramaribo en bezuiden den 5en graad N.B. gelegen gebied. De heeren Jentink en Greshoff adviseerden verder, dat de Maatschappij zich tot de Regeering zou wenden opdat in 1900 van landswege een topographische exploratie in de gebieden van de Coppename en de Saramacca zou plaats vinden en dat de Maatschappij aan de Vereeniging voor Suriname en aan het Kon. Nederl. Aardrijkski. Genootschap steun zou vragen in den vorm van een subsidie voor het natuurkundig onderzoek, welke steun werd toegezegd; daarop werd een commissie benoemd van 6 personen (2 uit ieder der genoemde vereenigingen) voor het vaststellen van plannen, enz. Den 6 Nov. 1899 verkregen deze gedelegeerden van den tijdelijk in Nederland vertoevenden Gouverneur Mr. W. Tonckens de toezegging van zijn hulp en steun. Voor de verdere voorgeschiedenis van de eerste expeditie, onder de auspiciën van de drie genoemde vereenigingen ondernomen, worde verwezen naar het voorwoord van het Verslag der Coppename-Expeditie, door L.A. Bakhuys. De genoemde commissie constitueerde zich na de eerste expeditie tot een blijvende ‘Commissie tot wetenschappelijk onderzoek van Suriname’, die belast bleef met de leiding in Nederland van al de volgende tochten (6 in getal). Voorzitter was Jhr. C.H.A. van der Wijck, secretaris eerst de heer H.D.H. Bosboom daarna de oud-majoor L.A. Bakhuis.

Van de drie vereenigingen had het Aardrijksk. Genootschap, dat voor het bijeenbrengen der noodige gelden zorgde, de moeilijkste taak. De laatste twee expedities zijn uitsluitend door dit genootschap georganiseerd. De kosten der 7 expedities zijn bestreden ten deele door een regeerings-subsidie (gewoonlijk ⅔ der kosten tot een maximumbedrag van ƒ20.000 voor elke expeditie, met uitzondering van de laatste, waarvoor het subsidie minder was) ten deele uit de fondsen der vereenigingen of gelden door particulieren geschonken. De voorbereiding in Suriname had de gouvernements-landmeter W.L. Loth op zich genomen, die door zijn rijke ervaring, aan de expeditiën groote diensten heeft bewezen.

Bij al de expeditiën stond terecht het topographisch onderzoek op den voorgrond. Had men zich - met uitzondering van de tracées van Loth - tot dusverre bepaald tot het opnemen en in kaart brengen der rivieren met aanduiding hier en daar van de bergen, die van de rivier af zichtbaar waren, nu zou de werkwijze een andere worden. De rivieren werden opgevaren en in kaart gebracht; om het relief van het land te verkennen werden bergtoppen, zoo mogelijk niet ver van de rivier gelegen, beklommen, daar boomen gekapt om uitzicht te bekomen, daarna panorama's van het omliggende land genomen en metingen uitgevoerd naar andere goed kenbare toppen en andere terrein verheffingen. Om een juist denkbeeld te krijgen van dezen arbeid en de daarmede gepaard gaande bezwaren leze men in het Verslag

[p. 530]

van de Saramacca-Expeditie de beschrijving van Van Stockums tocht naar en verblijf op den Hendriktop. De metingen der verschillende expeditiën werden met elkaar in verband gebracht om te komen tot de kennis van het bergstelsel. Waar dit mogelijk was werd door de expeditiën geologisch, botanisch, zoölogisch en ethnographisch materiaal verzameld en werden ethnographische en linguistische studiën gemaakt.

De eerste expeditie was die naar de Coppename (Juli-Dec. 1901) onder leiding van den oud-majoor van het Indische leger L.A. Bakhuis, aan wien waren toegevoegd de luit. t/z 1e kl. A.J. van Stockum, de gouvernements-landmeter W.L. Loth en de Off. v. Gezondh. 2e kl. H.A. Boon, die tevens op botanisch en zoölogisch gebied zou verzamelen. Het aanleggen van een geologische verzameling nam Loth op zich. Ook werden geregeld meteorologische waarnemingen gedaan. Zoowel de rechter- als de linker-Coppename werden zoover mogelijk opgevaren; het gebergte dat de rivier insluit, werd in kaart gebracht, zoodat kon worden vastgesteld waar de bronnen zich bevonden. De basis der metingen was de afstand tusschen de waarnemingspunten op den Voltz- en den Van Stockum-berg. Daar zoowel van den Voltzberg uit als van den top van den Hebiweri de azimuths van alle zichtbare toppen bepaald werden, kon de ligging van alle toppen van het gebergte, dat het stroomgebied insloot, en van alle daarbinnen gelegen bergen vastgesteld worden Door bij het nemen van elken azimuth tevens den vertikalen hoek te meten, waaronder elke top ten opzichte van het horizontale vlak gezien werd, kon ook de hoogte van elken top berekend worden.

Het geheele stroomgebied van de Coppename bleek uit vlak land te bestaan met hier en daar eenige op zich zelf staande bergen en heuvels en aan de oost-, zuid - en westzijde begrensd door gebergte dat in het zuiden, zuid-oosten en zuidwesten een hoogte bereikt van 800-1200 M. en aan beide zijden naar het noorden afloopt in heuvels niet hooger dan 150-200 M. Allen aan de zijde van de Nickerie bleek het land meer heuvelachtig. Met uitzondering van enkele kale toppen en ruggen zag men de geheele landstreek bedekt met een hoog en machtig oerwoud, waarin woudreuzen gemeten werden van 1-1,5 M. middellijn bij een hoogte van 45-50 M. Het reisverhaal (Verslag der Coppename-Expeditie, door L.A. Bakhuis) verscheen in het T.A.G. van 1902. Als bijlagen werden daarin opgenomen een Verslag van de astron. plaatsbepalingen, door A.J. van Stockum en een korte determinatie der gesteenten, door Dr. G.A.F. Molengraaf. De verzamelde planten werden - evenals die van de volgende expedities - afgestaan aan het Botanisch Laboratorium der Utrechtsche Universiteit, de zoölogica aan 's Rijks Museum van Natuurl. Hist. te Leiden.

Reeds in het najaar van 1902 werd de tweede expeditie ondernomen (Nov. 1902-Mei 1903) onder leiding van A.J. van Stockum. Hem vergezelden voor het botanisch onderzoek de heeren A. Pulle, phil. docts, assistent van Prof. Went te Utrecht en P.J. de Kock, arts, oud-officier van gezondheid bij de Marine, die tevens zoölogica zou verzamelen. Voor het onderhoud van instrumenten, enz. werd aan de expeditie toegevoegd de gewezen korporaal-stuurman bij de Marine J.W. Van Gelder. Op deze Saramacca-Expeditie werd niet alleen het brongebied van de rivier bereikt, maar tevens van af den De Kocksberg, den Hendriktop (zie aldaar), den Jan-Basi-Gado en den Ebbatop metingen verricht, waardoor het bergstelsel van het Saramacca-gebied werd vastgelegd aan dat van de Coppename en het scheidingsgebergte tusschen Saramacca- en Suriname-rivieren nader bekend werd. Het Verslag van de Saramacca-Expeditie, dat een schat van opmerkingen over het planten- en dierenleven, bevat, verscheen met een verslag van het voorloopig onderzoek der gesteente-monsters door den mijn-ingenieur C. Moerman in het T.A.G. van 1904. Ook verscheen een afzonderlijk werk ‘Een ontdekkingstocht in de Binnenlanden van Suriname, Amst. 1905.

Om aansluiting met de resultaten van deze expeditie te verkrijgen had nu moeten volgen de exploratie van de Suriname-rivier. In verband met den geprojecteerden spoorweg naar het binnenland werd echter, op verzoek van Gouverneur Lely, besloten eerst het Lawagebied onder handen te nemen. Deze tocht, bekend als de Gonini-Expeditie (Juli 1903-Jan. 1904) stond onder leiding van den Eersten Luit. bij den topogr. dienst van het N.-I. leger A. Franssen Herderschee. Verder namen aan de expeditie deel de Luit. t/z. 2e kl. C.H. de Goeje als tweede topograaf, de semi-arts G.M. Versteeg voor botanische en zoölogische verzamelingen, de Distr. Commissaris H. van Breen, voor de aanrakingen met de Boschnegers en de mijn-ingenieur B. von Faber van gouvernementswege. Het doel van de reis was de Gonini met hare beide armen, de Wilhelmina- en de Emmarivieren te verkennen en deze met het gebergte dat die rivieren insluit in kaart te brengen. Aan Loth, die de rivieren heeft ontdekt, was door de Boschnegers medegedeeld dat deze op het Toemoek-hoemak-gebergte ontspringen. De capaciteit van de Gonini had reeds van te voren kunnen doen vermoeden, dat hare bronnen niet ver naar het zuiden konden liggen. Het bleek dan ook dat de genoemde bronrivieren op het noordelijker gelegen Oranje-gebergte ontspringen. De Emmarivier werd door Franssen Herderschee, de Wilhelmina-rivier door De Goeje opgenomen. Von Fabers' onderzoek was in zekeren zin een teleurstelling omdat er geen goud gevonden werd. Daarop voer men de Lawa verder op en werden op het Cottica-gebergte in Fransch Guiana, op den De Goeje-top en op den Knopaia moi of Piton Vidal, bij de bronnen van de Itani, metingen verricht, die echter niet aansloten bij die van de eerste twee expedities. De Goeje maakte van de gelegenheid gebruik om iets van de talen der Indianen, waarmede aanraking verkregen werd, te leeren, hetgeen hem goed te pas kwam bij zijn volgende reizen. Het resultaat van de Gonini-expeditie was, behalve de verkenning van het stroomgebied dezer rivier, het opnemen en in kaart brengen van een groot deel van het Lely-gebergte, een deel van de Lawa en de Itani en van het Toemoekhoemakgebergte. Het Verslag van de Gonini-Expeditie verscheen in het T.A.G. van 1905; als bijlagen zijn daarbij gevoegd een verslag van De Goeje van de astron. plaatsbepalingen, een lijst der verzamelde ethnographica en een beschrijving door Jhr. L.C. van Panhuys van de medegebrachte afdrukken van ornamenten.

In Febr. 1904 in het vaderland teruggekeerd trokken reeds op 1 Juni d.a.v. Franssen Herderschee, De Goeje en Versteeg opnieuw naar Suriname, thans om het brongebied van de Tapanahoni op te nemen. De expeditie duurde van Juli-December. De hoofdpunten van het werkprogram waren: 1o. het onderzoeken en in kaart brengen van het stroomgebied der rivier, 2o. het verbinden van de metingen der Saramacca- aan die der Gonini-Expeditie. 3o. zoo

[p. 531]

mogelijk door een landtocht het brongebied van de Suriname-rivier bereiken en die rivier verkennen. Deze weg om het brongebied van de Suriname te bereiken werd gekozen modat wel van de Boven-Tapanahoni, maar niet van de Boven-Suriname vaststond dat er Indianen woonden. De eerste twee punten van het program werden met goed gevolg ten uitvoer gebracht. De Tapanahoni met hare beide armen, de Paloemeu en de Boven-Tapanahoni, werden tot nabij de bronnen in kaart gebracht; door De Goeje werd, met behulp van Indianen van de Paloemeu, en een Indianen pad gebruikend een landtocht gemaakt over het Toemoekhoemak-gebergte naar de Paroe, een noordelijke zijrivier van de Amazone, en grootendeels de ligging bepaald van een uitgestrekten bergketen, die het bekende gedeelte van het Toemoekhoemak-gebergte met den Wilhelmina-keten en het Oranje-gebergte verbindt. Hij was de eerste Nederlander, die het zuidelijk grensgebergte overschreed. De uitloopers van den bedoelden verbindingsketen vormen hier en daar reusachtige granietmassa's, welke hoog boven het omringend oerwoud uitsteken en waarvan de Roseveltpiek en de grillig gevormde Kassikassima zich 700 M. boven het niveau der zee verheffen. Met uitzondering van deze grootendeels kale granietmassa's is het geheele gebied één dicht oerwoud. Van een landtocht naar de Suriname-rivier moest worden afgezien, omdat de Indianen van het brongebied der Tapanahoni weinig of niets van die rivier wisten of wilden mededeelen. Op ethnographisch en linguisthisch gebied waren de uitkomsten dezer reis hoogst belangrijk. In hoofdzaak door De Goeje werd een rijke collectie ethnographica bijeen gebracht, die zich in 's Rijks Ethnographisch Museum te Leiden bevindt; hij vulde de lijst van Coudreau over de taal der Ojana's aan en stelde een uitgebreide woordenlijst van de taal der Trio's samen. Versteeg verzamelde 470 planten en 300 insecten en andere dieren. Het Verslag der Tapanahoni-expeditie, door Franssen Herderschee verscheen in het T.A.G. van 1905, met de bijlagen: Verslag van de astron. plaatsbepalingen door De Goeje, Verslag van het voorl. onderzoek van de gesteente-monsters der Tapanahoni-expeditie, door den mijn-ingenieur A. Thie en van die der Gonini-expeditie door H.N. Duyfjes, Verslag van de afdrukken van ornaamenten door Jhr. L.C. van Panhuys. Een uitvloeisel van deze reis was De Goeje's Bijdrage tot de Ethnographie der Surinaamsche Indianen (Intern. Archiv für Ethn. Suppl. zu Bd. XVII, Leiden 1906.)

Een oogenblik scheen het of de met zooveel beleid aangevangen en met groote voortvarendheid voortgezette arbeid zou blijven steken. In het voorwoord van evengenoemd verslag verklaarde de Comm. tot wetensch. onderzoek v. Suriname dat het onderzoek, hetwelk zij zich ten doel had gesteld, afgesloten was, niet omdat het gansche binnenland in kaart was gebracht, maar omdat zij vreesde dat de toestand in de kolonie niet zou veroorloven het bedrag beschikbaar te stellen noodig om het nop ontbrekende deel in kaart te brengen. Gelukkig kwam dit anders uit. In hetzelfde