terug  begin  verderprepost

S.

Saba.

I. Aardrijkskundig overzicht.

Naam, ligging, vorm en grootte.

Omtrent den oorsprong van den naam verkeert men in het duister. De meening van Teenstra, dat het eiland in 1492 door Columbus op een Zondag of Sabbat ‘bij de Spanjaarden Domingo of Saba geheeten’ ontdekt zou zijn en daarom Saba genoemd, is door Hamelberg bestreden. Bovendien is sabbat wel in het Portugeesch saba, maar in het Spaansch sabado. De naam is vermoedelijk Indiaansch.

Het eilandje ligt tusschen 63° 13′ en 63° 15′ W.L. van Greenwich en tusschen 17° 37′ en 17° 39′ N.B. en is een steil uit zee oprijzende, van grondvlak min of meer ronde berg, waarvan de hoogste top, de Piek, zich 880 M. boven de zee-oppervlakte verheft en reeds op een afstand van ongeveer 20 mijlen is te onderkennen. Van het aanzicht van het eiland geeft plaat 18 van Voorduin's ‘gezigten uit Neerlands West-Indiën’ een beeld. Zooals reeds bij AARDKUNDE, blz. 22 is opgemerkt, is Saba een vulkaanruïne, die nog het uiterlijk van een vulkaan heeft, vooral omdat de top veelal omringd is door wolken, die den indruk van dampen en rookwolken geven. Saba behoort staatkundig tot de kolonie Curaçao en is het kleinste der drie Bovenwindsche eilanden; lengte en breedte zijn ongeveer gelijk en nog geen 4 K.M., de grootte is niet meer dan 13 K.M2. Boldingh schat de oppervlakte op 16 K.M2. De juiste oppervlakte is niet op te geven; de topographische opmeting waarvan sprake is bij ONDERZOEKINGSTOCHTEN, enz. blz. 533, heeft zich niet - of nog niet? - uitgestrekt tot Saba. Men vindt voor de hoogten ook telkens verschillende cijfers vermeld.

Bodemvorm en plaatsen.

Aan de noordzijde loopt de helling van den berg bijna tot aan zee, boven onder een hoek van 30°; lager is de helling minder steil. Aan de andere zijden rijzen de steile wanden niet tot den top maar eindigen in verschillende kegels. Vlakten van eenige uitgestrektheid vindt men op het eiland niet; wel kleine stukjes vlak land en minder steile hellingen, zooals de z.g. kraterbodem in het zuid-westen, in het midden op den hoogsten top en bij Windwardside. Deze stukken land zijn goed bebouwd; de rest is bedekt met struikgewas en boomen; mooi woud vindt men o.a. tusschen Windwardside en Hellsgate.

De hoofdplaats, The Bottom of ook Leverock's town genoemd, ligt 250 M. boven zee, in het zuidwesten van het eiland, op zacht geaccidenteerd terrein. ‘Keurige, rood en wit geschilderde woningen doen aan het speelgoed uit een Neurenberger doos denken. Achter mooie tuintjes en een erf vol bloemen door geverfde hekjes omringd, staan aardige huisjes met popperige voorgalerijtjes en regengoten met waterbakken, langs zindelijke straten, waarlangs slechts weinige boomen worden gevonden’ (Van Kol). De huizen zijn meest alle van hout en met singels (zie aldaar) gedekt. De naam The Bottom duidt aan, dat men deze vlakte, die door hooge tufwanden is omgeven, voor den bodem van den uitgebranden krater houdt. Sapper (zie AARDKUNDE, blz. 22) meent dat men hier aan erosie moet denken en Van Kol vindt dat het geheel meer lijkt op een breed dal aan beide zijden open, dan op de al of niet ingestorte opening van een vroegeren vuurberg. Reeds Rochefort noemde de plek une vallée en Teenstra spreekt van de vallei, den Bodem geheeten. De andere bewoonde plaatsjes zijn de reeds genoemde dorpjes Windwardside (550 M.) en Hellsgate, St. John (370 M.) in het zuidoosten en Mary's point in het noordwesten. Deze plaatsjes zijn onderling verbonden door moeilijk begaanbare, gedeeltelijk in de rots uitgehouwen trappen. Fortbay, Windwardside en The Bottom zijn onderling telefonisch verbonden. Stroomend water is er op het eiland niet; zoogenaamde ‘guts’ voeren in allerlei richtingen het hemelwater naar zee af, zooals de Laddergut en de Fortbaygut; Hellesgategut is het meest karakteristieke van deze ravijnen en aan de kust wijder dan de andere; alle ravijnen zijn vol groote steenen. Om het water te leiden, zijn eenige dezer guts met groote steenen bemetseld. Voor drink- en waschwater is de bevolking aangewezen op het regenwater, dat in regenbakken opgevangen

[p. 616]

wordt en op drie bronnen aan het zeestrand. De warme bronnen aan het strand, o.a. bij Fortbay en bij Springbay doen vermoeden dat de vulkanische werking haar laatste woord niet heeft gesproken. Teenstra maakt melding van een put aan de Oostzijde van de Piek van misschien meer dan 900 M. diepte.

Kustgesteldheid.

Aan alle zijden rijst de kust, die weinig ingesneden is en alleen aan de noord-oostzijde bij Springbay een inham vertoont, steil uit zee op; op twee punten vindt men een klein, smal strand van afgestorte steenbrokken, n.l. bij Ladderbay aan de west- en bij Fortbay aan de zuidkust; beide worden als ankerplaatsen gebruikt al naar gelang van de windrichting. Alleen van deze punten is de berg te beklimmen langs in de rots uitgehouwen trappen, waarvan ook de Sabaansche paarden weten gebruik te maken. Ladderbay is de oudste en de steilste van deze toegangen. Teenstra zag de negers de geraamten van booten, welke in The Bottom gebouwd worden op hunne hoofden langs deze trappen naar beneden dragen; ook aan touwen worden de boven gebouwde booten neergelaten. Een kabelbaan zou voor het eiland geen weelde zijn. Wegens de kosten is echter daarvan afgezien. Zonder de hulp van Sabanen is de landing niet mogelijk. Zoodra de boot grond raakt, springen de roeiers er uit, waardoor zij weer vlot komt. Zij wordt dan half gedragen en geduwd en, geholpen door een volgenden roller, op de steenen getrokken. Schepen ankeren op eenigen afstand van den wal. Het getij-verschil is gering, de heerschende stroom is westelijk en soms vrij belangrijk; er is steeds veel rolling. Aan de noordwest-zijde liggen een hooge, naaldvormige klip, de Diamant en de Pilot-rots; aan de noordkust een eilandje, het Groene eiland.

Bevolking.

Vóór de kolonisatie door Europeanen schijnt Saba een Indiaansche - waarschijnlijk Karaïbische - bevolking gehad te hebben. Volgens Hamelberg (2e Jaarl. Versl. blz. 107) zijn er n.l. op een hoogte van ± 600 M. Karaïbische pijl- en speerpunten gevonden en heet een klein plateau, ± 750 M. boven zee, nog heden ‘Indian camp’ (zie ook OUDHEDEN, blz. 545). Men vindt geen gewag gemaakt van moeilijkheden den eersten kolonisten door de oorspronkelijke bewoners in den weg gelegd, waaruit men mag afleiden dat er niet velen op het eiland zullen geweest zijn. Over de herkomst van de Europeesche bevolking bestaat twijfel. De ‘Tegenwoordige staat van Amerika’ (1769) III 157, vermeldt dat het eiland weleer aan de Denen heeft toebehoord, maar later van St. Eustatius uit gekoloniseerd is. Volgens Hamelberg (l.c. blz. 113) werd Saba gekoloniseerd door de Hollanders van St Eustatius, waarschijnlijk omstreeks 1640. Deze zienswijze vindt bevestiging in hetgeen Rochefort - destijds (midden 17de eeuw) Waalsch predikant in West-Indië in dienst der Lampsins - omtrent Saba schrijft: ‘On croirait à la voir de loin, que ce ne serait qu'une roche: Mais la colonie de St. Eustache, qui a fait passer des hommes pour la cultiver, y a trouvé une agréable vallée et assez de bonne terre pour employer plusieurs familles, qui vivent contentes, en cette aimable retraite’. En verder: ‘Et les soins que Monsieur le Gouverneur de St. Eustache, a pris jusqu'à présent de cette Peuplade, font que les refraichissemens necessaires n'y manquent jamais.’ Andere schrijvers beweren dat de eerste kolonisten waren de, onder de regeering van Elisabeth en Karel I, uit Engeland verdreven Presbyterianen, een meening door Hamelberg bestreden, evenals een ander bericht, dat Saba bevolkt zou zijn door Hollanders en Franschen (De Nederl. op de W.I. Eilanden, 1903, II, 18). Prof. Van Blom (zie Litt.) acht het waarschijnlijk, dat van de 300 kolonisten uit Zeeland, door de Vlissingsche kooplieden C. en A. Lampsins in 1632 naar Nieuw Walcheren (Tobago) gezonden, een deel reeds in hetzelfde jaar naar St. Eustatius en Saba trok. Voorts deelt hij als de meening van den R.K. Priester op Saba, Dahlhaus, mede, dat de Sabanen afstammen van Schotten, die onder Karel II, wegens hun Puriteinsch geloof, uit hun land verdreven waren. De Iersche afkomst acht Dahlhaus onwaarschijnlijk, daar er in 1826 op het eiland nog geen Katholieken waren. Toen de Engelschen in 1665 het eiland namen, vonden zij daar 87 Hollanders, 54 Engelschen, Ieren en Schotten en 85 negers en Indianen. Père Labat, die in 1701 Saba bezocht, vond het jammer dat het eiland, waar de schoenen-industrie bloeide (zie AMBACHTEN, blz. 41 en NIJVERHEID, blz. 513) niet aan Katholieke schoenmakers toebehoorde, die het zonder twijfel St. Crispin zouden genoemd hebben. Labat had nooit ‘de païs si Cordonnier’ gezien. Onder de Sabanen vond hij ook eenige Fransche refugiés. Een nieuwe zienswijze verkondigt een schrijver in Eigen Haard van 20 Sept. 1913, die in Mei van dat jaar het eiland bezocht en goede kiekjes geeft o.m. van The Bottom en Windwardside: ‘Het zijn, schrijft hij, afstammelingen van de oude Boekaniers, die in vroeger tijden de West-Indische wateren door hun zeeroof onveilig maakten en op dien grooten berg, die nagenoeg ontoegankelijk was, een veilige schuilplaats vonden, nagenoeg onbereikbaar.’ Of het nu oorspronkelijk Hollanders waren, weet schrijver niet. Boekaniers zullen zeker meermalen het eiland bezocht en enkelen zullen er zich gevestigd hebben. De rotstrappen moeten gebouwd zijn door menschen ondernemend en voortvarend als de boekaniers waren. Zonder die toegangen ware de kolonisatie onmogelijk geweest. Hoe dit alles ook zij, spoedig waren de kolonisten van Britsche afkomst in de meerderheid, hetgeen verklaart, dat het Engelsch de taal van het eiland is geworden.

De bevolking bestond volgens Teenstra in 1816 uit 1145 zielen, nl. 656 blanken, waarvan 651 creolen, 14 vrije kleurlingen, 13 vrije zwarten en 462 slaven. Voor 1829, 1850, 1860 en 1870 vindt men de cijfers 1200, 1663, 1826 en 1836. Voorts voor 31 Dec.:

M. Vr. Totaal
1880 906 1049 1955
1890 835 1048 1883
1900 1084 1093 2177
1910 1246 1141 2387
1914 1166 1283 2449

Onder de mannen zijn hier ook opgenomen, zij, die hoewel op Saba gevestigd, tijdelijk afwezig waren, zooals zeelieden, die in het buitenland hun bestaan vinden, doch na korte of langere afwezigheid naar het eiland terugkeeren. Hoeveel blanken er zijn is niet te zeggen, daar de statistieken niet aangeven hoe de bevolking verdeeld is. Sommige schrijvers spreken van een bijna uitsluitend blanke bevolking. Het aantal onechte geboorten is op Saba minder dan op de andere eilanden.

Het leven op het van de wereld afgesloten eiland heeft steeds iets aartsvaderlijks gehad, hetgeen ook bleek uit de behandeling van de slaven, die als leden van het gezin beschouwd werden. De slaven-emancipatie heeft dan ook weinig verandering gebracht in de feodale verhoudingen die er heerschten. De Sabaan is zeer gehecht aan zijn rots. Vreemde fami-

[p. 617]

liën vestigen zich er niet, zoodat er geen nieuw blood in komt. Over den physieken toestand der bovelking zijn de meeningen steeds zeer verdeeld geweest. Teenstra schreef: ‘Op het geheele eiland is geen Dootor in de Geneeskunde, waarom het dan ook niet te verwonderen is, dat de lieden oud worden, en de bevolking toeneemt. Slechts zeer weinige lepra zieken worden hier gevonden, en de Jaws en Elephantiasis zijn hier geheel onbekend.’ Pastoor Gast (1857) beweerde ‘dat de meeste familiën aan Elephantesis lijdende zijn’. Of er nog lepralijders zijn is niet zeker. Volgens Van Kol eischt de tering er steeds vele offers, vooral onder de negers. Venerische ziekten zijn er vrijwel onbekend en malaria komt er niet voor. Sedert eenigen tijd is er op Saba een geneesheer. Ook over de vraag of het blanke ras er door klimaatinvloeden en door de onderlinge huwelijken achter-uitgaat, loopen de meeningen uiteen. De ongenoemde schrijver in Eigen Haard zegt dat de mannen alleen in hun eigen dorp een vrouw zoeken. Idioten en imbecilen zouden er betrekkelijk veel voorkomen (vooral op Mary's-point) maar toch zeker niet onder het groot aantal mannen dat ter zee vaart.

De Sabanen zijn zeer werkzaam. Van ouds waren zij landbouwers, veehouders en.... schoenmakers. De vrouwen hielpen mede bij den tuinbouw en breiden handschoenen en kousen, die op de naburige eilanden verkocht werden. De landbouw (zie aldaar) blz. 444) en veeteelt zijn gebleven, hoofdzakelijk voor eigen gebruik, maar ook voor uitvoer. Langzamerhand ontwikkelden de mannen zich tot zeelieden. Sinds lang varen zij als matrozen, stuurlieden en kapiteins op Amerikaansche of ook wel eigen schepen, om de 4 jaren één jaar thuisblijvende om bij hun familie te zijn en hun grond te bebouwen, waarmee zij ook hun leven eindigen, nadat zij op de zeevaart genoeg overgespaard hebben of te oud geworden zijn om te varen. Vele mannen gaan als timmerlieden in Demerary, op de Bermuda's en elders werken. De negers vormen de klasse der sjouwers en daglooners. De vrouwen hebben zich op het kantmaken (zie NIJVERHEID, blz. 513) en het vlechten van stroohoeden toegelegd. Hoewel er geen armoede heerscht, kan men niet van welvaart spreken. Gegoede familiën zijn er slechts weinige. De verschrikkelijke orkaan van 1772 heeft Saba veel kwaad gedaan en eerst langzaam is men de ellende te boven gekomen. Men leeft er vreedzaam; diefstal en andere overtredingen komen er weinig voor, moord nooit; wel vechtpartijen wegens vrouwenzaken.

Van Kol zag de toekomst van het eiland donker in en vroeg zich af: ‘Is Saba nog wel het bewonen waard?’ De Sabanen zullen daarop wel bevestigend antwoorden.

Zie over eeredienst, nijverheid en onderwijs de daarop betrekking hebbende artikelen.

Litt. Rochefort, Histoire naturelle et morale des Iles Antilles de l'Amérique. 2e éd. Rotterdam, 1665, p. 58 et 59. - Père Labat, Nouveaux Voyages aux Isles Françoises de l'Amérique, 2e éd. Paris 1742 - G. Th. Raynal, Wijsg. en staatk. Gesch. v.d. bezitt. en d. kooph. der Europeanen in de beide Indiën, Amst. 1776, IV, 344 en 345. - M.D. Teenstra, De Nederl. W.I. Eilanden, Amst. 1837, II, 361-381. - J.C. Gast, T.A.G. 1885, 2e Serie, deel II, 2e gedeelte, blz. 212-217 (brief van 16 Maart 1857, medegedeeld door Jhr. Mr. J.K.W. Quarles van Ufford). - J.H.J. Hamelberg, Hist. schets v.d. Nederl. Bovenw. Antillen tot op het einde der 17e eeuw (Tweede jaarl. Verslag v.h. Gesch.-, Taal-, Land- en Volkenk. Genootsch. gevestigd te Willemstad, Curaçao, Amst. 1898, blz. 114 en 115. - Idem, De Nederl. op de W.I. Eilanden, Amst. 1903, II, 18. - H. Zondervan, Die niederl.-westindischen Inseln. (Geogr. Zeitschr. 7ter Jahrg. 4tes Heft, Leipzig 1901 blz. 212-215). - Prof. F.A.F.C. Went, Rapp. omtr. den toestand v. land- en tuinbouw op de Nederlandsche Antillen (Bijl. V v.h. Kol. Verslag v. Curaçao van 1902). - D.H. Havelaar, Rapp. betreff. eene reis door de kol. Curaçao (Bijl. O2. v.h. Kol. Verslag v. Curaçao van 1903). - H. Van Kol, Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 193-203. - Dr. J.A. Portengen, Een bezoek aan Saba (Tijdschr. v.h. Nederl. Zeewezen, 1 April 1906, blz. 100-104). - Dr. J. Boeke, Rapp. betr. een voorl. onderz. n.d. toest. v.d. Visscherij, enz. in de kol. Curaçao. 's Gravenh. 1907, blz. 111 en 112. - I. Boldingh, The Flora of the Dutch W.I. Islands, St. Eustatius, Saba and St. Martin, Leiden 1909, blz. 239-241. - H.J. Nijman, Beknopte Aardrijksk. der Kol. Curaçao. Amst. 1909. - Dr. D. van Blom. Niederl. West-Indien (Schriften des Vereins für Sozialpolitik. Bd. CXLVII, zweiter Teil, 1912, blz. 148-159). - Van het eiland Saba (Eigen Haard, 20 Sept. 1913, blz. 592-594 met kiekjes). - Dr. J. de Hullu, St. Martin en Saba omstr. 1818 (De Ind. Gids Febr. 1916). - Kol. Weekblad, 30 Oct. 1913. - Koloniale Verslagen. - Jaarcijfers.

II. Aardkunde.

Zie aldaar.

III. Gescheidkundig overzicht.

Zie bij SINT EUSTATIUS.

Sababank.

Zie AARDKUNDE, blz. 22 en KARAÏBISCHE ZEE.

Sabadieja,

ben. e. Zie LEONOTIS.

Sabakoe,

n.e. Zie ARDEIDAE.

Sabalo,

pap. Zie SYNODUS.

Sabana-mangro,

n.e. Zie CLUSIA.

Sabana-mirki-wiwiri,

n.e. Zie EUPHORBIA BRASILIENSIS.

Sabana-smeri-wiwiri,

n.e. Zie ACHETARIA.

Sabel,

pap. Zie TARPON.

Sabina-bloem,

sur. Zie CAESALPINIA PULCHERRIMA.

Saccharum officinarum

L. Fam. Gramineae. Suikerriet. Kin of kjing, n.e. Kanja, ben. e. Sugarcane, bov. e. De plant waaruit de rietsuiker gemaakt wordt. Zie verder onder SUIKERRIET. Een afkooksel der bladeren wordt gebruikt om de urineloozing te bevorderen.

Sage,

bov. e. Zie LANTANA CAMARA en L. INVOLUCRATA.

Sagoewinki,

n.e. Zie HAPALE.

Sagopalm.

In Suriname ten onrechte de naam van Cycas revoluta (zie aldaar). De echte sagopalm komt in S. niet voor.

Sagradoo,

ben. e. Zie CHENOPODIUM AMBROSIOIDES.

Sakka,

n.e. Rammelaar. (Zie MUZIEKINSTRUMENTEN EN MUZIEK). De sakka speelt ook een rol in de kunstbewerkingen van den piaiman bij de Indianen en van den obiaman bij de Boschnegers. (Zie Van Coll, Gegevens, blz. 75 en 120).

Sakka-pikien,

n.e. (Sakka = zak, pikien = kind). In Suriname wordt aldus genoemd een kind, dat geheel of voor een groot deel in de eivliezen geboren wordt. Is alleen het hoofd geheel of gedeeltelijk met een vleezigen kap bedekt, dan is het kind een moesoe-pikien (moesoe = muts), met een helm geboren. Evenals in bijna alle tijden en landen heeft zich ook in Suriname om dit verschijnsel een web

[p. 618]

van bijgeloof gesponnen. Zoowel de sakka-pikien als de moesoe-pikien zijn, volgens het volksgeloof, helderziend. Zij zien sterfgevallen vooruit; op straat (zie BIJGELOOF) of in huis grijpen ze soms familieleden of kennissen bij den arm om dezen te verwijderen van de nabijheid van gevaarlijke geesten. Volgens de jongere generatie van inlandsche vroedvrouwen bestaat er geen verschil tusschen sakkaen moesoe-pikien. De oudere generatie neemt wel verschil aan. De moesoe-pikien zouden n.l. gedurende de helderziendheid minder angstig zijn dan de sakka-pikien en niet die wilde, buitensporige wijze van doen hebben, welke dezen kenmerkt. Is de sakkaof moesoe-pikien tevens tetei-pikien, d.i. geboren met de omstrengeling van de navelstreng om hals, schouders, bovenste of onderste ledematen, dan vertoont het de genoemde eigenschappen in verhoogde mate. De angst en zenuwachtigheid zouden alleen te bestrijden zijn door het toedienen van een tot poeder verbrand stuk van de sakka of moesoe, kort na de geboorte van het kind. Dit blijft clairvoyant, maar ondervindt geen nadeel van het zien van geesten. Een goed middel, dat ook veel toegepast wordt, is het dragen van een stuk van de gedroogde sakka of moesoe in een zwart zakje om den hals. Van iemand, die vreemd doet, zegt het volk ‘a lassi in sakka’, hij heeft zijn zak verloren, of ‘in mama no bron in sakka foe a driengi’, zijn moeder heeft hem zijn verbrande zak niet te drinken gegeven.

Sakka-siri,

n.e. Zie CANNA COCCINEA.

Sakka-sneki,

n.e. Zie CROTALUS.

Sakoelà of sakoerà,

kar. Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 104.

Salade-andijvie,

ben. e. Zie LACTUCA.

Salaster,

ben. e. Zie MORINGA.

Salempoeris

(ook SALAMPOERIS en SALIMPOERIS). Naam van een effen indigogeverfde katoenen stof van ouds in Suriname (en de West-Indiën in het algemeen) ingevoerd en door de Indianen van beide seksen veel gebruikt voor hun lendekleeden. Ook negerinnen, die in de rouw zijn, kleezich soms in salempoeris. Herlein (1718) noemt ‘witte salempoeris’ onder de ‘Oost-Indische goederen’, die in Suriname aangevoerd werden. Teenstra (Landbouw II, 160) meent, dat de blauwe stof te Haarlem werd vervaardigd, uitsluitend voor uitvoer naar Suriname. In Yule-Burnell's Glossary of Anglo-Indian words, London 1886 vindt men ‘Salempoory, a kind of chintz’, genoemd onder de piecegoods formerly exported from Bombay and Surat. James Murray, New English Dictionary, geeft: ‘Salempore, also Sarampura, Salempora, Sollampoore, etc. of unascertained origin, a blue cotton cloth formerly made at Nellore in India, and largely exported to the West-Indies, where it was the usual slavecloth’. Ook witte salempoeris werd daar gemaakt. R.J. Wilkinson, A. Malay - English Dictionary, Singapore 1903, noemt Sĕlampuri ‘Serampore-made cloth’, een meening die gedeeld wordt in G.P. Rouffaer's en Dr. H.H. Juynboll's Batik-kunst in Nederl. Indië en haar geschiedenis, Utr. 1914, Bijl. III, blz. XXIII, met de bijvoeging evenwel: ‘Doch men zou ook aan het district Salem kunnen denken ten Z.W. van Madras, waar echter geen Salempore voorkomt’. Serampore ligt even benoorden Calcutta; handweverij van zijde en katoen wordt er op groote schaal beoefend.

Sali,

n.e. en sur. Een geelbruine houtsoort, die vroeger veel voor meubelhout, inzonderheid voor kasten, gebruikt werd. Wegens het ontbreken van herbarium-materiaal kan de botanische naam van den boom niet opgegeven worden. Hij levert bij het inkappen een kleurlooze vloeistof, die aan de lucht bruin wordt en naar terpentijn riekt. Bij destillatie gaat bij 160° ongeveer 60 percent van een kleurlooze vloeistof over, die na eenige weken staan zwak geel wordt en naar terpentijn riekt. Het overblijfsel stolt tot een doorzichtige massa, die de eigenschappen van colophonium bezit.

Salie,

ben. e. Zie HELIOTROPIUM HUMILE.

Salienja,

pap. Zoutpan.

Saloema.

Zie BOVENL. INDIANEN, blz. 175.

Salón,

pap. Zie PORKI.

Saltpond tree,

bov. e. Zie AVICENNIA.

Salvia occidentalis

Sw. Fam. Labiatae. Rabbit meat, bov. e. Kruidachtige plant met tegenoverstaande, gezaagde bladeren en 2-lippige bloemkroon; de bloemen staan in aarvormige, lange bloeiwijzen, die bestaan uit een aantal schijnkransen.

Salvia serotina

L. Fam. Labiatae. Cat nip, bov. e. Kruidachtig plantje met tegenoverstaande, eivormige, tot 1,5 cm. lange, viltig behaarde blaadjes; de bloeiwijzen zijn aarvormig en bestaan uit schijnkransen van tweelippige bloemen.

Sambarco,

pap. Sandaal, het schoeisel der arme buitenbevolking op Curaçao, bestaande uit een stevige lederen zool, aan den voet bevestigd met dunne reepen leder.

Sambucus canadensis

L. Fam. Caprifoliaceae. Vlier, sur. Elder, bov. e. Kleine boom met veervormig samengestelde bladeren, waaarvan de blaadjes scherp gezaagd zijn en zelf weer samengesteld kunnen zijn; de witte bloemen staan in vlakke schermachtige bloeiwijzen aan het eind der takken. Gekweekt.

Samyda dodecandra

Jacq. Fam. Flacourtiaceae. Banso, wild guave, bov. e. Boompje met dichtviltige, tot 9 cm. lange, langwerpige bladeren met bloemen in klein aantal in de oksels der bladeren geplaatst; de bladrand zeer scherpgetand.

Sandbox tree,

bov. e. Zie HURA.

Sanggoera,

ben. e. Zie HYPTIS SUAVEOLENS. Ook de naam voor muskieten.

Sangrafoe,

n.e. Zie COSTUS CYLINDRICUS.

Sankosji,

pap. Spaansche groentesoep, waarin o.a. melkrijpe maïskolven.

Sanseviera guineensis

Willd. Fam. Liliaceae. Jeerba koeleebra, ben. e. Rhamni, bov. e. Lange, lijnvormige, gevlekte bladeren, die met de randen eenigszins om elkaar heen gerold zijn. Deze plant, zoowel op de Ned. Antillen als in Suriname hier en daar gekweekt als sierplant, levert de Afrikaansche hennep; bij cultuurproeven op Curaçao bleek de groei te traag.

Sansan,

n.e. Onder den naam van slivers uit de Vereenigde Staten in Suriname ingevoerde, sterk gezouten, overlangs gesneden reepen van visschen, daar als aas door de visschers gebruikt, maar in Suriname door de mindere bevolking, die gaarne gezouten spijzen gebruikt, als voedsel niet versmaad.

Santa barbara.

Zie PHOSPHAAT.

Santo Bridges.

Zie THORARICA.

Sapajou.

Zie CHRYSOTHRIX.

Sapakara,

n.e. Zie TUPINAMBIS.

Sapatìa.

n.e. Zie ACHRAS.

Sapodille,

bov. e. Zie ACHRAS.

Sapotille,

sur. Zie ACHRAS.

Sapotille-orchidee,

sur. Zie JONOPSIS.

Sarakreek.

Zie SURINAME-RIVIER.

Saramacca.

Deze Surinaamsche rivier ontspringt op ± 3° 45′ N.B. in den hoek gevormd door de Emma-, de Wilhelmina- en de Van Asch van Wijck-

[p. 619]

ketens, stroomt in N.N.O. richting over een lengte van ± 100 K.M.; keert zich dan oostwaarts, loopt in die richting ± 10 K.M., buigt daarna rechthoekig om, stroomt verder met vele kronkelingen in noordelijke richting tot het punt, waar zij aan den rechteroever de Wanicakreek opneemt; vandaar loopt zij in westelijke richting tot zij na bij de monding van de Coppename in zee valt. Op dit laatste gedeelte van haren loop is in het bijzonder van toepassing Martin's opmerking over den invloed der evenwijdige met de kust verloopende schelpritsen (zie AARDKUNDE, blz. 6) op de richting van sommige rivieren (zie zijn Geol. Studiën ueber Niederl. West-Indien, Leiden 1888, blz. 203).

Kreken, die in de Saramacca vallen zijn, links: de op den Emmaketen ontspringende Toekoemoetoe-, de groote en de kleine Pakasi-, de Toeboeka- of Toemoffo-, de Wane-, de Frans-, de Tobie-, de Gran- en de Sorkee- of Borfeldt-kreek; rechts: de Saramacca-, de Gojo- en Tjakamisa-kreek, vanwaar voetpaden naar de Suriname-rivier loopen, verder de Kleine Saramacca-, de Witte-Water-, de Moeroemoeroe-, de Miendrinitti-, de Watermolen-, de Kleine Poika-, de Wanica-, de Jarikaba-, de Oranje- en de James-, kreek. De voornaamste vallen zijn: de Gouverneur- Lely-val, de Grandam-, de Wittiston-, de Brokoboto-, de Pakka-pakka- de Makai-piengo- en de Mamadan-val.

In 1879 werd de Kleine Saramacca door Loth opgenomen, de Saramacca zelf tot aan hare bronnen in 1902/03 door Van Stockum (zie ONDERZOEKINGS-TOCHTEN, blz. 530).

Over de verbinding met de Suriname-rivier zie SARAMACCA-KANAAL. Vóór deze verbinding tot stand kwam, was, van de hoofdplaats uit, de Saramacca voor vaartuigen niet anders dan over zee te bereiken. De moeilijke afvoer van producten naar Paramaribo, de haven van verscheping, heeft een nadeeligen invloed uitgeoefend op den landbouw in het Saramacca-district. Over de verbinding met de Coesewijne zie COPPENAME.

Mauricius had reeds plannen ontworpen en aan de Societeit voorgesteld om Saramacca in cultuur te brengen, maar eerst tegen het einde van de 18de eeuw, onder het bestuur van de Friderici, werden de vruchtbare oevers voor het eerst ontgonnen.

Niettegenstaande de gebrekkige verbinding met de hoofdstad is Beneden-Saramacca een belangrijk landbouw-district, waar hoofdzakelijk cacao geteeld wordt, zoowel op de plantages als op de talrijke grondjes, voor het meerendeel aan Britsch-Indiërs toebehoorende. In de laatste jaren heeft zich de rijstcultuur belangrijk uitgebreid. De suikercultuur is sedert een 30-tal jaren uit het district verdwenen.

Aan de Boven Saramacca zijn geene plantages en slechts weinige grondjes. De Savanne-streek bij de Poika- en Frans-kreken is bewoond door Indianen. Zuidelijker wonen de Becoe- en Moesinga-Boschnegers, wier opperhoofd op Maripaston gevestigd is. De Saramaccaner-Boschnegers wonen niet aan de Saramacca, maar aan de Boven-Suriname. Het zuidelijkst gedeelte van het rivierdal is geheel onbewoond. Miendrinetti-kreek en Boven-Saramacca zijn belangrijke gouddistricten. Ook balata wordt er gewonnen. De spoorweg naar Dam aan de Sarakreek raakt bij den Maäbo-berg de Saramacca-rivier (station Kwakoe-gron) en loopt door het Miendrinitti-gebied.

In de lijst van Keymis (1596) komt de rivier voor onder den naam Shurama. Van Aerssen schreef Surramacca. Ook de vormen Saramo, Saramaca en Sarameca komen bij oudere schrijvers voor. De Arowakken noemen de rivier Soerama; het is dus waarschijnlijk uit den mond van Arowakken dat Keymis den naam opteekende.

Saramacca-expeditie.

Zie ONDERZOEKINGSTOCHTEN, blz. 530.

Saramacca-kanaal

heet het gegraven kanaal, dat de Dominee-kreek met de Wanica-kreek en alzoo de Suriname- met de Saramacca-rivier verbindt. Reeds in 1745 had Mauricius aan Directeuren der Societeit een plan voor het graven van een kanaal ter lengte van 835 kettingen (van 66 rijnl. voet, dus 17.3 kilometer) gezonden en daarbij gevoegd een inschrijving van planters in de kolonie voor het benoodigde geld, dat begroot werd op één millioen gulden. Het plan werd echter door Directeuren afgewezen, evenals een ander minder kostbaar plan, naar de opmetingen van Louis Nepveu in 1750, 1751 en 1756 (Zie HARTSINCK, II, 563 en 564). Het Alg. Rijksarchief bezit tal van manuscriptkaarten, betreffende de verbinding tusschen beide rivieren, waaruit blijkt hoezeer de behoefte daaraan gevoeld werd. Van 1786/88 dateert een plan om een kanaal te graven van de redoute Purmerend (tegenover het fort Nieuw-Amsterdam) naar het etablissement Voorzorg aan de Saramacca. Van dit plan werd afgezien om de tallooze postentrie's (zie HURA CREPITANS), die geveld zouden moeten worden. Van 1795 dateert een manuscriptkaart in het Rijksarchief van ‘het Kanaal en Pad van Wanica tot in de Wanica-creeq (voor zoover gedolven is)’. Het kanaal - waarvan een deel reeds vóór 1776 moet zijn gegraven, omdat in Aug. 1776 ‘Ingelanden van 't Pad van Wanika Instantie doen tot verdere voortdelving van 't Canaal aldaar’ - was in 1795 dus nog niet voltooid, maar dat moet kort daarna, vermoedelijk in 1800, geschied zijn, want op de kaart van Moseberg van 1801 is de ‘nieuwe Vaart naar Saramacca’ reeds geteekend, ofschoon, vreemd genoeg, daarop de verbinding met de Dominee-kreek nog ontbreekt. In 1808 en 1809 (zie Publ. van 13 Jan./15 Febr. 1809), onder het Engelsche tusschenbestuur, werd het kanaal verbeterd en geschikt gemaakt voor grootere vrachtvaartuigen. Waar de vloeden van de Suriname- en de Saramacca-rivier elkaar in het kanaal ontmoetten - welk ontmoetingspunt zich, naar gelang van het jaargetijde, verplaatste over een lengte van ± 2 K.M. - had er aanslibbing plaats en moest het kanaal jaarlijks uitgediept en schoongemaakt worden, waartoe de belanghebbende plantages een zeker aantal slaven, de z.g. kommando-negers (zie aldaar) moesten leveren. Groote ponten mochten alleen met springtij door het kanaal varen; de doorvaart van houtvlotten was verboden (G.B. 1834 no. 17. Zie ook G.B. 1836 no. 3). Vóór het door sluizen was afgesloten (zie hieronder) moest men, bij de vaart door het kanaal, met het getij rekening houden, met vloed het kanaal invaren, hetzij van de eene, hetzij van de andere zijde en zorgen op het oogenblik van hoog water op het ontmoetingspunt der beide vloeden aan te komen, om met de intredende eb de reis voort te zetten. Na den slaventijd hield het schoonmaken met kommando-negers op en nam het gesukkel met de vaart door het kanaal toe. Gouverneur Van Raders had in 1846 een nieuw kanaal ontworpen en met graven laten beginnen, maar op last van de Regeering werd het werk gestaakt (zie hierover Bijdr. tot de kennis d. Nederl. en vreemde koloniën, Utr. 1847, blz. 278-291). In 1857 waagde Gouverneur Schimpf een ander plan, waaraan een begin van uitvoering

[p. 620]

werd gegeven, maar het werk is in 1859 gestaakt. Na dien werden verscheidene ontwerpen gemaakt, maar ter zijde gelegd op grond van financiëele bezwaren. Aan het onderhoud werd maar matig de hand gehouden. Ingevolge het advies van een in 1880 benoemde commissie werd in 1883 een Priestman-Dredger in werking gesteld, welke echter op den duur niet voldeed en in 1890 werd afgetuigd, opgeborgen en niet weer in gebruik genomen.

Het maken van een goede verbinding van Saramacca met Paramaribo bleef aan de orde. In 1870 dienden twee planters aan den Gouverneur Van Idsinga een plan in betreffende een spoorwegverbinding van Saramacca met de hoofdplaats. Tot uitvoering kwam het niet.

Een andere poging om een spoorverbinding tot stand te brengen werd in 1884 door de heeren W.L. Loth en Mr. H. Benjamins gedaan.

In verband met hunne concessie-aanvraag maakte de Gouverneur Smidt in 1886 bij de Koloniale Staten eene verordening aanhangig, die de verordening van 3 Maart 1886 (G.B. no. 69) werd en waarbij den Gouverneur het recht werd gegeven om de concessie te verleenen, hetgeen geschiedde bij res. van 2 Jan. 1890, gewijzigd bij die van 28 Febr. 1890. Hetgelukte den concessionarissen niet onder de bepalingen der verordening het noodige kapitaal te verkrijgen. De Gouverneur Van Asch van Wijck bracht daarop op de ontwerp-begrooting voor 1893 een subsidie van ƒ30000 voor een verbinding van Paramaribo met Saramacca door middel van een stoomtram.

Mocht deze tot stand komen dan zou het kanaal alleen geschikt behoeven te blijven voor korjalen en andere kleine vaartuigen. Het plan werd vooral door het lid Julius E. Muller bestreden. De Minister van Koloniën, Baron van Dedem, voerde den post van de begrooting af en liet een onderzoek instellen door den Indischen Waterstaats-ingenieur D.H. Havelaar, die in 1893 daartoe een vijftal maanden in Suriname werkzaam was. Bij de indiening van de ontwerp-begrooting voor 1895 werden de rapporten van dezen ingenieur overgelegd, waarin werd voorgesteld: afsluiting van de Domineekreek, het Saramaccakanaal en de Wanica, van de Suriname en van de Saramacca door schutsluizen en afwateringssluizen, met verdieping en verbreeding van de Domineekreek, het kanaal en de Wanica; de kosten werden geraamd op ƒ454.000. Door uitvoering van dit werk zouden ruim 8200 H.A. gelegen ten noorden van het kanaal op loozing kunnen gebracht worden.

Een ontwerp-verordening tot het aangaan van een geldleening ten behoeve van Productieve Werken werd op 9 Nov. 1894 door de Kol. Staten aangenomen en na goedkeuring door de Staten Generaal, in de kolonie afgekondigd (G.B. 1896 no. 11). Tot uitvoering der werken kwam de ontwerper, de ingenieur Havelaar, 30 Mei 1896 in de kolonie. De sluizen aan den kant van de Suriname-rivier, te Beekhuizen, kwamen in Nov. 1898, die aan den mond der Wanica-kreek, op den voormaligen post Uitkijk, in Jan. 1901 gereed; het kanaal werd verdiept en verbreed en vele te scherpe bochten werden verbeterd. Met het baggeren wordt steeds voortgegaan. (Zie voor verdere bijzonderheden omtrent kanaal en sluizen het Rapp. d. comm. benoemd bij gouv. res. van 19 Aug. 1908, tot het uitbrengen van advies omtrent de wenschelijkheid van den aanleg van eene spoorwegverbinding tusschen Paramaribo en het district Beneden Saramacca. Paramaribo 1909).

Bij verordening van 18 Juli 1904 (G.B. no. 46) was besloten dat, ten laste van de geldleening voor Productieve Werken, deterreinen langs het kanaal en de Wanica zouden worden ingepolderd en, voor zooveel betreft domeingrond, door het graven van leidingen geschikt gemaakt voor landbouw en veeteelt. (Voor bijzonderheden omtrent den Saramaccapolder worde verwezen naar de nota van het koloniaal bestuur, (Bijlagen, Kol Staten 1910/1911, 20-2). Een bij res. van 25 Jan. 1905 benoemde commissie had in haar Rapport van 1 Sept. 1905, Landsdrukkerij 1906, de wenschelijkheid betoogd van de oprichting van een centrale suikerfabriek in den polder, maar achtte dan een spoorweg naar Paramaribo onontbeerlijk. De bovengenoemde commissie adviseerde tot den aanleg van den spoorweg. Nòch deze, nòch de suikerfabriek is tot stand gekomen.

Saramaccaners.

Zie BOSCHNEGERS.

Sara-sara,

n.e. Zie CRUSTACEA, blz. 247.

Sarasara-wiwiri,

n.e. Zie CABOMBA.

Sardientje blancoe,

pap. Zie SARDINELLA HUMERALIS. en S. MACROPHTHALMUS.

Sardientje corra,

pap. Zie SARDINELLA SARDINA.

Sardijntje,

sur. Zie ILISHA en POLYDACTYLUS.

Sardinella anchovia

C. & V., Ansjovis. pap. Fam. Clupeidae. Zeevisch. Verspreiding: Martinique tot Brazilië. Het lichaam is langwerpig. De schubben zijn groot. De rugvin ligt dichter bij den bek dan bij het begin van de staartvin. De buikvinnen bevinden zich onder het midden van de rugvin. Een zwarte vlek boven het kieuwdeksel.

Sardinella humeralis

(C. & V.) J. & E., Sardientje blancoe, pap. Fam. Clupeidae. Zeevisch. Verspreiding: West Indië en de golf van Mexico. De onderkaak steekt vooruit; de tanden in de kaken zijn klein, De kieuwboog-aanhangsels lang en talrijk. De schubben zitten stevig vast en hebben ieder een tot vier vertikale, gebogene strepen. De kleur is zilverachtig, gewoonlijk is er een donkere, met goudtint omrande schouderplek en eene rij donkere stippen van deze plek uit langs de bovenkanten van het lichaam. Deze visch wordt acht duim.

Sardinella macrophthalmus

(Ranz) J. & E., niet zeer algemeen, wordt ook Sardientje blancoe genoemd, is zilverachtig op zijde en blauw van boven. Boven de schouderplek strekt zich langs den rug een donkere lijn uit. Boven de lijn een bleeke streep. De staartvin is donker.

Sardinella sardina

(Poey) J. & E., Sardientje corra, pap. Fam. clupeidae. Zeevisch. Verspreiding: overvloedig in West Indië. De oogen zijn groot. De schubben laten gemakkelijk los. Iedere schub heeft vier verticale, gegolfde strepen langs haar vrijen rand. Het begin van de rugvin is bijna in het midden tusschen den bek en het begin van de staartvin. De kleur is bleek, er is geen zwarte schouderplek. De romp heeft lengte-strepen. Een oranje streek achter het kieuwdeksel. De einden van de rugvin en van de aarsvin zijn donker. Grootte tot acht c.m. Van dezen visch gaan de vreemdste verhalen over zijn vergiftigheid; toch zijn er plaatsen waar hij zonder schade gegeten wordt.

Sarki,

n.e. Zie CARCHARHINUS.

Satijnhoutziekte.

Zie PHYTOMOSE.

Savanne.

Schaarsbegroeide vlakten - veelal zandvlakten - in Suriname. Zie over ligging, wijze van ontstaan en begroeiing de art. AARDKUNDE, blz. 4 en 7 en PLANTENGROEI, blz. 573. Het woord beteekent ook weide en in den slaventijd werd de begraafplaats voor slaven aldus genoemd. Op Curaçao noemt men savanna de vlakten waar in den slaven-

[p. 621]

tijd de slaven en later de vrije negers en andere plantagebewoners hunne hutten bouwden.

Savannebloem,

sur. Zie AMASONIA.

Sawawà,

n.e. Zie FRAMBOESIA.

Scad,

st. eust. Zie DECAPTURUS.

Scarlet accordia,

bov. e. Zie CORDIA SEBESTENA.

Scarus

-soorten worden in het Papiamentsch Goetoe, en Papagaaivisch genoemd. Een van de mooiste soorten is Scarus vetula Bl. & Schn. op st. eust. Old wife genoemd. Fam. Scaridae. Zeevisch. Verspreiding: West Indië. De tanden in iedere kaak zijn te zamen gegroeid, de kaken met een middennaad. De randen van de kaken glad. De zijlijn is van achteren afgebroken, en begint weer op een onderliggende rij schubben. De algemeene kleur is donker blauw, de schubben met bruine randen; boven en achter de oogen blauwe plekken. Een groene band van den mondhoek uit, is van boven en van onderen met rood omzoomd. Vinnen blauw, borstvinnen en het begin van de staartvin donkerder. Het midden van de rugvin rood, met blauwe plekken, een roode band bij den rand van de staartvin, een aan den voet van de aarsvin, en een nabij den bovenrand van de borstvinnen. De buikvinnen rood met blauwen rand. De bovenkaak met rooden en blauwen zoom.

Schaaldieren.

Zie CRUSTACEA.

Schaarbek.

Meeuwachtige vogels in Suriname, behoorende tot het geslacht rhynchops (fam. Laridae), waarvan de ondersnavel een eind langer is dan de bovensnavel. Eigenaardig is de wijze waarop zij hun voedsel zoeken. Zij vliegen dicht over het water en slepen met den langen ondersnavel door het water, waardoor zij in staat zijn insecten, kleine visschen en misschien ook algen op te nemen. Zij hebben hoofdzakelijk een nachtelijke levenswijze.

Schabel (Michael, Alexius),

geb. 17 Juli 1662 te Komotau (Bohemen), jezuiet 1680. Na herhaald verzoek verkreeg hij verlof naar de Zuid-Amerikaansche missie te vertrekken en arbeidde vier jaren in het uitgestrekte missieveld van Nieuw-Grenada. Het verblijf eener bloedverwante, zuster of nicht, lokte hem naar Curaçao, waarheen hij in 1697 toog. Hetgeen hij daar waarnam deed hem besluiten zoo mogelijk er een vasten missiepost der Jezuieten te vestigen. Om dit gedaan te krijgen, vertrok hij in 1699 naar Rome, waar de orde-generaal, Tamburini voorloopig in zijn plannen toestemde. Hij scheepte zich te Amsterdam in 1704 in voor Nieuw-Grenada, waar hij als oude bekende werd verwelkomd, er eenige maanden werkzaam bleef en vervolgens onder groote moeilijkheden de reis naar de kust ondernam en ten laatste op Curaçao aankwam. Maar hier liep hem aanvankelijk alles tegen. Een Capucijn, Victor de Dole, was er als geestelijk herder gevestigd en belemmerde alle werkzaamheid van Schabel. Maar Schabel wist zichzelf te redden, predikte in tegenstelling met den capucijn in verstaanbare taal, bezat vrienden onder de voorname katholieken en toonde door heel zijn optreden, dat hij gekomen was voor het heil van anderen en niet om zichzelf tegoed te doen. In een uitvoerig verslag van zijn wedervaren aldaar, hetwelk berust in het archief S.J. te Exaten, levert hij een beeld van zijn werkzaamheid op het eiland. Een zijner grootste zorgen was aan de arme negerslaven een meer mensch waardig bestaan te verschaffen en hij drong daarop aan zoowel in zijn preeken als in gesprekken bij de plantagehouders. Toen eenmaal de capucijn was uitgezet, werd Schabel door den goedgezinden gouverneur Jacob Beek als ‘geprivilegieerd priester’ erkend, zoodat hij zonder vrees voor verbanning of vervolging zijn ambt als katholiek priester mocht uitoefenen. De zaken gingen zoo goed, dat Schabel een of twee medehelpers aanvroeg, die echter wegens gebrek aan personeel uitbleven. Intusschen beklaagde zich Schabel jaar op jaar over geldgebrek tot in 1710 eindelijk door een geldzending daarin werd voorzien. Sindsdien zweeg Schabel, maar men hoorde over hem zulke kwade noten kraken, dat ten leste de overheid besloot hem ter verantwoording naar Europa te ontbieden. In den winter van 1713 kwam Schabel te Rome aan en met hem verschillende verzoekschriften om hem naar Curaçao te laten terugkeeren. Aanvankelijk had de generaal der Societeit van Jezus daar wel ooren naar en zelfs was reeds aan Schabel verlof tot terugkeer naar zijn missie geschonken; maar achteraf kwam er zooveel aan het licht, dat de generaal noodzakelijk oordeelde, Schabel in geen geval naar West-Indie te doen terugkeeren. De reden hiervan was, dat pater Schabel uit geldzucht zich in vrij aanzienlijke schulden had gestoken. Hij achtte zich verongelijkt, en wilde tot elken prijs naar Curaçao terug. Door een uitdrukkelijk verbod werd dit voorkomen, maar Schabel was zoo ontevreden over deze beschikking, dat hij zijn ontslag uit de Jezuietenorde vroeg, en 29 Sept. 1714 verkreeg, onder beding, dat de orde geenzins aansprakelijk was voor de schulden door hem gemaakt. Zijn verdere levensloop is onbekend.

Zie: W. van Nieuwenhoff in ‘Studiën’ 1907, Dl. 68 bldz. 58-76 en 195-199.

 

K.J. DERKS.

Schaduwboomen,

sur. Zie CACAO, blz. 189, ERYTHRINA, KOFFIE en PLANTAGE-RUBBER.

Schaefferia frutescens

Jacq. Fam. Celastraceae. Boxwood, bov. e. Heester met sterk glimmende, zeer spits naar top en basis afloopende, tot 4 cm. lange blaadjes; vruchtjes ter grootte van een kleine erwt in klein aantal bijeen in de oksels der bladeren op steeltjes van 0,5 cm. lengte.

Schaick (Cornelis van).

Zie ROMANS, DICHTWERKEN, ENZ.

Scharenslijper,

sur. Zie RHYNCHOTA.

Scharloo.

Zie WILLEMSTAD.

Scharphuizen (Johan van).

Zie GOUVERNEURS.

Scheepsbouw.

Zie NIJVERHEID, blz. 512.

Scheepvaart.

Zie HANDEL EN SCHEEPVAART.

Schelle (Petrus van),

ook Clock geheeten, te Brussel geb. in 1695, jezuiet in 1714, priester gewijd 21 Sept. 1726. Gedurende eenige jaren predikte hij in de Zuidelijke Nederlanden tot hij in 1734 naar Curaçao werd gezonden om er pater Cloots, die sedert 1728 zich daar bevond, bij te staan. Gedurende zijn verblijf op Curaçao noemde zich Van Schelle bij voorkeur Clock. Dit geschiedde op raad van Cloots, omdat hij, onder een schuilnaam en niet als lid der Societeit van Jezus, doch enkel als Roomsch-katholiek priester, zonder overtreding der Hollandsche wetten, door schenking bij levenden lijve diens goederen zou kunnen overnemen en aldus voorkomen, dat zijne nalatenschap, gelijk met zijn voorganger was gebeurd, aan de schatkist zou vervallen. In den zomer van hetzelfde jaar 1734 werd een eigen huis gekocht in de Cuyperstraat; 14 Nov. daaraanvolgend overleed pater Cloots, en nu stond Van Schelle alleen. Al was hij in onbetwist bezit gekomen van de goederen des overledenen, zijn geldmiddelen waren onvoldoende.

[p. 622]

Zelfs de machtiging om het gekochte huis te betrekken bleef uit, zoodat Van Schelle besloot, om in de Nederlanden zelf de financieele zaken te gaan ontwarren. In 1735 regelde hij de verkoopsquestie te Amsterdam, en werd vervolgens door zijn overste naar Hal gezonden. Aldus was Curaçao van bijna alle geestelijke hulp verstoken. Een Spaansche priester, Augustino Caysedo, was er alleen werkzaam. In 1738 vroeg Van Schelle zijn oversten verlof, te mogen terugkeeren naar de eigenmachtig verlaten missie. Eerst na rijp beraad willigden deze zijn verzoek in en 1 Nov. 1738 zette hij voor de tweede maal voet aan wal op Curaçao. De Spaansche priester, eertijds zijn tegenstander, was overleden en door beslissing van den gouverneur Jan Gales, mocht hij diens nagelaten goederen voor de R.K. gemeente in gebruik nemen. Toen hij op eigen verzoek in den nazomer van 1739 een medehelper had verkregen, vertrok hij om onbekende redenen opnieuw naar het vaderland in Sept. 1740. In Aug. 1741 werd hij te Brussel door een zware ziekte aangetast, en hij overleed den 17den van die maand.

Zie: W. van Nieuwenhoff in Studiën, 1907 Dl. 68, bldz. 210-216.

 

K.J. DERKS.

Schelpdieren.

Zie MOLLUSCA.

Schelvisch,

sur. Zie CYNOSCION.

Schemerimg.

Wanneer de zon onder den horizon is gedaald, verlichten de tegen de wolken en het uitspansel teruggekaatste stralen nog een deel van het aardoppervlak en veroorzaken schemering. Berekeningen hebben aangetoond, dat deze schemering voortduurt, totdat de zon 18° in verticale richting onder den horizon is gedaald. Gedurende dien tijd wordt dus schemering waargenomen. Men noemt deze schemering de astronomische, ter onderscheiding van de burgerlijke, die veel korter duurt en gerekend wordt te eindigen, als de veldarbeid moet gestaakt worden. Dit heeft reeds plaats als de zon 6°,5 onder den horizon gedaald is.

De zon beschrijft bij hare schijnbare dagelijksche beweging eene baan evenwijdig aan den Equator en daar deze laatste op lage breedte een meer loodrechten stand op den horizon heeft dan op hooge breedte, zal in het eerste geval, de zon dus spoediger 6°,5 onder den hoziron gedaald zijn dan op hooge breedte, waar de zon een schuinere baan ten opzichte van den horizon beschrijft. De schemering duurt dus onder de keerkringen korter dan in Nederland. Men meent echter dikwijls, dat in de keerkringen de duisternis plotseling invalt na het ondergaan der zon, doch de schemering duurt langer dan men gewoonlijk onderstelt. Te Paramaribo, gelegen op 5° 49 N.B., is de hoek, dien de baan van de zon maakt met den horizon, 84° 1′, en de zon besteedt in deze baan, om 6°5 te dalen, 26 minuten, dat dus den duur der schemering aangeeft. Op Curaçao is deze tijd iets langer en op de Boven windsche eilanden duurt de schemering ongeveer 27 minuten, terwijl zij in Nederland in herfst en lente 42 minuten duurt, in den winter 52 min. en in den zomer 59 min.

Wat hierboven is gezegd voor de ondergaande zon is, natuurlijk in omgekeerden zin, ook geldig voor de opkomende zon.

 

V.D.S.L.

Schepper (Gerard van de).

Zie GOUVERNEURS.

Schijtnoot,

sur. en ben. e. Zie JATROPHA CURCAS.

Schilders en teekenaars.

Zie PLAATWERKEN, enz.

Schildluis.

Zie RHYNCHOTA.

Schildpadden.

Zie CHELONIA.

Schildpaddenteelt,

Zie VISSCHERIJBEDRIJF.

Schildvarken,

sur. Zie XENARTHRA.

Schildvleugeligen.

Zie COLEOPTERA.

Schimpf (Charles, Pierre),

geb. 13 Febr. 1813 in het kamp te St. Omer (Frankrijk) waar zijne ouders toen verblijf hielden, overl. te 's Gravenh. 31 Dec. 1886, begon zijn loopbaan in 1827 als soldaat bij de Infanterie v.h. Nederl. leger en werd in 1830 bevorderd tot 2den Luitenant. Krijgsgevangene te Bergen in Henegouwen, ontvluchtte bij in 1831 en werd bij de 14de afd. Infanterie geplaatst. In 1836 naar Ned. Indië vertrokken, werd hij in 1837 bevorderd tot 1en Luit., in 1840 tot kapitein, in 1845 toegevoegd aan de Balische expeditie, om daarbij dienst te verrichten als chef van den Staf, in 1848 tot Majoor, in 1850 tot sous-chef van den Generalen Staf, in 1851 tot Luit. kolonel, in 1853 tot Kolonel chef van den Generalen Staf. In 1854 met verlof in Nederland gekomen, werd hij in 1855 bevorderd tot Generaal-Majoor titulair en op 3 Mei 1855 benoemd tot Gouverneur van Suriname, waar hij in Aug. d.a.v. het bestuur aanvaardde. Onder zijn bestuur werd, ten gerieve der scheepvaart, aan den mond der Suriname-rivier een lichtschip gestationneerd, werd een nieuwe patentwet uitgevaardigd, werden verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele en strafzaken bij het rechtswezen afgekondigd, werd het reglement op het brandwezen gewijzigd en de burgerlijke geneeskundige dienst opnieuw geregeld. De beperkende bepalingen betreffende het verkeer der Boschnegers met de hoofdplaats werden door hem opgeheven. Hij trachtte ook den toestand der ‘vrijlieden’ te verbeteren door de bepaling dat van de huur van aan hen verhuurde gronden geheel of gedeeltelijk vrijstelling kon worden gegeven (zie GRONDPOLITIEK blz. 338). Onder zijn bestuur kwam ook de eerste wettelijke regeling in zake immigratie (zie aldaar, blz. 323) tot stand. Een mislukking was het door hem opgerichte Mettray (zie aldaar) evenals de gouvernements-steenfabriek en- kalkbranderij. Ook zijn kanaal naar Saramacca (zie SARAMACCA-KANAAL) kwam niet tot stand. Op zijn verzoek werd hij in April 1859 eervol ontslagen en vertrok 20 Aug. d.a.v. uit Suriname. Na zijn terugkomst in Nederland was hij lid van de Staatscommissie, die het wetsontwerp tot emancipatie der slaven heeft voorbereid (zie C.A. van Sypesteyn, Afsch. d. Slavernij in de Nederl. W.I. Kol., Bijbl. Economist 1866). Hij ging daarna weer in militairen dienst naar Oost-Indië, waar hij op 5 Juni 1862 tot kommandant van het leger werd benoemd, welke betrekking hij tot 1865 bekleedde.

Schizodon fasciatus

(Sp.) Ag. (Syn. ANOSTOMUS FASCIATUS (Sp.) Gthr.). Njamsi fisi, n.e., Warakoe, kar. of war. en n.e. Fam. Characidae. Zoetwater visch, Verspreiding: Brazilië, Guiana Nicaragua. De kop is breed met kleinen mondspleet. De korte rugvin staat midden op den rug, er is een vetvin, de staartvin is diep gevorkt, de aarsvin klein, de buikvinnen zijn beneden de rugvin geplaatst. De kleur is van boven donker, van onderen wit of geel; er zijn vier donkere dwarsbanden en op de basis van de middelste staartstralen is een kleine plek; het kieuwdeksel is donker; om de onderste staartlob ligt een donkere rand.

Schmidt auf Altenstadt (jhr. Johann, George, Otto, Stuart von)

geb. 5 Jan. 1806 te St. Oedenrode, overl. te 's Gravenh. 7 Aug. 1857, werd in 1820 aangesteld tot kadet bij de Militaire

[p. 623]

school te Semarang en in 1823 bevorderd tot 2n Luit. in welken rang hij deelnam aan de onderdrukking van den opstand van Dipo Negoro. In 1829 werd hij 1e Luit., in 1832 adjudant van den Gouv. Gen. Graaf Van den Bosch, in 1833 wrn. Assistent Resident te Keboemen in Baglen, in 1837 definitief, in 1842 Resident van Baglen. In 1850 met ziekteverlof in Nederland gekomen, werd hij in Febr. 1852 benoemd tot Gouverneur van Suriname, waar hij op 22 Juni d.a.v. het bestuur aanvaardde. Onder zijn bestuur werd de kustvaart aangemoedigd door vermindering van baak-, los- en steigergeld, de openbare verkoop te Paramaribo van plantage-producten gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van lastige formaliteiten, de briefwisseling nader geregeld en het port verlaagd, het slavenreglement gewijzigd, het vervoeren van slavenmachten van gesloopte plantages naar elders, zonder vergunning van den Gouverneur, met straf bedreigd, het geven van premiën voor den invoer van slaven van de West-Ind. eilanden ingetrokken. Onder zijn bestuur kwamen de eerste immigranten uit Madera en Chineezen uit Java aan en vond ook de mislukte kolonisatie van Wurtembergers op Albina aan de Marowijne plaats. Na een bestuur van slechts drie jaren verkreeg hij, op zijn verzoek, eervol ontslag uit zijne betrekking en droeg hij op 25 Aug. 1855 het bestuur aan zijn opvolger over (Zie Hand. en Geschr. Ind. Gen. 1860, VII, 57-62).

Schobbejak,

pap. Zie POMATOMUS.

Schomburgk (sir Robert, Herman)

geb. 5 Juni 1804 te Freyburg a.d. Unstrut, overl. 11 Maart 1865 in Schönberg bij Berlijn, werd in Naumburg als koopman opgeleid, ging in 1829 naar de Ver. Staten en vandaar in 1830 naar West-Indië. In 1835 ondernam hij met steun van het aardr. genootsch. te Londen een wetenschappelijke reis in Britsch-Guiana, die 4 jaar duurde. Op deze reis - waarvan de uitkomsten zijn neergelegd in berichten aan het genoemde genootschap, in A description of British Guiana, geographical and statistical, Londen 1840, in Views in the interior of Guiana, Londen 1840 en in Reisen in Guiana und am Orinoko während der Jahre 1835-1839 (met een voorrede van Alex. van Humboldt), Leipzig 1841 - bezocht hij ook (1836) de Corantijn van de monding tot de Smith- en Barrowvallen op 4° 21, 5′ N.B. In 1840 werd hij door de Britsche Regeering belast met de opneming der grenzen van Britsch Guiana. Bekend is van deze reis de Schomburgk line, die zulk een groote rol heeft gespeeld in het Engelsch-Venezuelaansch grensgeschil. Op deze reis zakte hij in Sept. en Oct. 1843 de geheele Corantijn-rivier af. Deze tocht is beschreven in het 2e deel van het groote werk van zijn broeder Richard, Reisen in Britisch Guiana in den Jahren 1840-1844, Leipzig 1847/48. Vermeld moge hier nog worden dat Schomburgk voor de Hakluyt Society uitgaf The Discoverie of the Empire of Guiana, bij Sir Walter Raleigh, Knt.

Schopsteelhout,

sur. Zie BOCAGEA.

Schorpioen.

Zie ARTHROGASTRA.

Schorpioenspin.

Zie ARTHROGASTRA.

Schottegat.

Zie WILLEMSTAD.

Schubvleugeligen.

Zie LEPIDOPTERA.

Schuitbekreiger.

Zie ARDEIDAE.

Schulpritsen,

sur. Zie AARDKUNDE, blz. 6.

Schumann (Christian, Ludwig),

geb. 28 Aug. 1749 te Pilgerhut (Berbice), overl. in 1794 of 1795 in Brüdergarten, Trankebaar (Britsch-Indië), zoon van Theophilus Salomo Schumann, was onder de Arowakken werkzaam op den zendingspost Saron aan de Saramacca-rivier, daarna op de Hoop aan de Corantijn. De pogingen, om de Karaïben met het Evangelie bekend te maken, faalden, hoewel Schumann, die den aanleg voor taalstudie van zijn vader had geërfd, met groote vlijt hunne taal had aangeleerd. Van 1777 af arbeidde hij onder de Saramaccaner-Boschnegers op den wegens zijne ongezondheid beruchten zendingspost Bamby aan de Boven-Suriname, waar hij een tijdlang de eenige zendeling was. Daar maakte hij een grondige studie van de taal dezer Boschnegers en schreef hij, hoewel steeds sukkelende, in 1778 een woordenboek van die taal, dat, in 1783 herzien, als handschrift in de archieven der Evang. Broedergemeente te Paramaribo bewaard bleef, tot het in Nov. 1914 door Hugo Schuchardt werd uitgegeven in zijn boek Die Sprache der Saramakkaneger in Surinam (Verh. d. Kon. Akad. v. Wetensch. te Amst. Afd. Letterk. Nieuwe reeks, dl. XIV, no. 6, blz. 44-116). Schumann is niet lang daarna naar Europa vertrokken; hij trad althans in Maart 1784 op als hoofd van het paedagogium te Uhyst aan de Spree, vanwaar hij 1786 naar Brüdergarten, Trankebaar vertrok. (Zie over Schumann, [David Cranz] Erzählungen aus der Geschichte der Brüderkirche, Barby 1805, zweyten Theils, dritter Abschnitt, blz. 199 vlg. - C.W. Cröger, Geschichte der erneuerten Brüderkirche, Gnadau, 1854, III, 317, 365 en 404. - H.R. Wullschlaegel, Iets over de Neger-Engelsche taal, tijdschr. West-Indië, Haarlem 1855, I, 290 en 291).

Schumann (Theophilus, Salomo),

geb. 1 Juli 1719 te Grabow, bij Burg in Saksen, overl. 6 Oct. 1760 te Pilgerhut in het toen Nederlandsche Berbice, werd in 1738 student in de theologie te Halle en in 1740 leeraar aan het paedagogium aldaar; in 1743 ging hij tot de Broedergemeente over, was van 1743-1745 leeraar aan het theol. Seminarium dezer gemeente te Lindheim, daarna te Marienborn; tot de zendingsdienst in Berbice beroepen, kwam hij 27 Oct. 1748 op den zendingspost, Pilgerhut aan, waar hij zich onverwijld op de studie van het Arowaksch toelegde, in welke taal hij reeds op 2 Maart 1749 eene toespraak hield, hetgeen vóór dien nog nimmer door een Europeaan gedaan was. Zijn invloed op de Indianen moet zeer groot geweest zijn. In 1755 maakte hij met Nathanael Seidel eene reis naar de Corantijn en de Saramacca, om geschikte plaatsen voor twee zendingsposten onder de Indianen te zoeken. Hij bezocht bij die gelegenheid ook Paramaribo en maakte de plannen voor de in 1757 opgerichte posten Saron aan de Saramaccarivier en Ephraïm aan de Corantijn. Zijne studie van het Arowaksch leidde tot de samenstelling van een woordenboek en een spraakkunst en een vrij groot aantal geestelijke liederen, die langen tijd in de archieven der Broedergemeente in handschrift bewaard zijn. In de Grammaires et vocabulaires roucouyennes, arrouague, piapoco et d'autres langues de la région des Guyanes, par MM. J. Crevaux, P. Sagot, L. Adam, Paris 1882, zijn ook opgenomen Arawakisch-Deutsches Wörterbuch en Grammatica der Arawakischen Sprache, beide naar handschriften, in het bezit der Broedergemeente te Zittau (zie over Th. S. Schumann INDIAANSCHE TALEN, blz. 381 en verder het onder Ch. L. Schumann genoemde boek van David Cranz blz. 40 vlg. - Nachrichten aus der Brüdergemeine, 1823, III 448 en 1851, V. 783. - Mr. H.C. Focke, Iets over de Arowakken en hunne taal, tijdschr. West-Indië, Haarlem 1855, I 43. - Allgem. Miss. Zeitschrift v. Warneck 1901, Mai Beilage: H. Schneider, Schumanns Lebensbild.

[p. 624]

F. Staehelin, Die Mission d. Brüdergemeine in Suriname und Berbice im achtzehnten Jahrhundert, Herrnhut (z.j. 1915?) II. Teil, zweiter Abschnitt, blz. 191-199).

Schurftmijt.

Zie ACARINA.

Schutterij.

Zie KRIJGSMACHT.

Sciadeichthys emphysetus

(Müller & Troschel) Jord. & Everm. (Syn. ARIUS EMPHISETUS, (M & Tr.) Gthr.). Koema-Koema, n.e. Fam. Siluridae. Zeevisch, aan de zandige kust en in de riviermonden. Verspreiding: Suriname. Er zijn zes voeldraden; de bovenkaaks-voeldraden zijn plat en reiken tot het midden of tot het einde van de rugvin. Er is eene vetvin. Staartvin diep gevorkt; kleur geelbruin, de onderzijde van het lichaam lichter dan de bovenzijde; de vinnen zijn geel, fijn gestippeld. Het vleesch is weinig smakelijk.

Sciadeichthys luniscutis

(C. & V.) Eig. (Syn. ARIUS LUNISCUTIS, C. & V.). Geelbagger, sur., Jarabakka, arow. en n.e. Fam. Siluridae. Zeevisch. Verspreiding: Suriname tot Rio Janeiro. De kop is plat, veel lager dan breed. De oogen klein. De tusschen-oogruimte is breeder dan de bek lang is. Er zijn zes voeldraden. De bovenkaaks-voeldraden reiken ongeveer tot het einde van den kop. De buitenste onderkaaks-voeldraden zijn half zoo lang als de kop. Huid ongeschubt. De rugvinstekel is aan den achterkant een weinig, de stekel van de borstvinnen aan beide kanten getand. Er is eene vetvin. De buikvinnen zijn korter dan de borstvinnen. De staartvin is diep ingesneden. Kleur purperbruin, met bruine plekken aan den onderkant van het lichaam. Volgens Kappler gaat deze visch in de droge tijden zoover de riviermonden op, als het water nog zout is; kan vier voet lang en tachtig pond zwaar worden en wordt alleen door de lagere volksklasse gegeten. Zijn luchtblaas, die vischlijm levert, heeft veel waarde en is een uitvoerartikel.

Sciadeichthys parkeri

(Traill) Eig. (Syn. ARIUS QUADRISCUTIS, Cuv. & Val.). Fam. Siluridae. Een visch uit modderige riviermonden. Verspreiding: Suriname, Guiana tot Para. De tanden op het verhemelte zijn korrelig en vormen twee groote ovale plekken. Er zijn zes voeldraden. De kop is van boven beenig; de huid zonder schubben; vetvin bijna zoo lang als de aarsvin.

Volgens S. Hardgreaves wordt deze visch in Britsch Guiana Gillbacker genoemd, en smaakt zijn vleesch naar jong kalfsvleesch, maar vooral is hij van waarde om zijn luchtblaas, die vischlijm levert. Waarschijnlijk heeft ook deze visch in Suriname den naam geelbagger.

Sciadeichthys proops

(C. & V.), J. & E. Christus-visch, Crucifix-visch, sur. Koepira, n.e. Op Coronie Korassi genoemd. Fam. Siluridae. Zeevisch. Verspreiding: van Porto Rico tot Suriname en zuidelijk tot Pernambuco. De kop is plat, de rugplaat groot, vlindervormig, van voren met een inham waarin de punt van het voorhoofds-uitsteeksel past. Er zijn zes voeldraden en eene vetvin. De staartvin is gevorkt. Het lichaam is van boven loodkleurig met blauwen glans, van onder wit. Vinnen allen min of meer bruin gestippeld. Bovenkaaksvoeldraden zijn donker. Het kopskelet is in Suriname een handels-artikel; de bemanning van het vuurschip aan den mond der Suriname-rivier maakt veel werk van het vangen en prepareeren van deze visch; aan de binnenzijde van het kopskelet meent men Christus aan het kruis te zien, aan de buitenzijde een zegenende priester. In den schedel zijn twee otolithen (gehoorsteentjes) die rammelen bij beweging van den schedel. Om de figuren beter te doen uitkomen wordt het kopskelet soms van binnen en van buiten beschilderd.

Scleria lithosperma

Sw. Fam. Cyperaceae. Mountain grass, bov. e. Een grasachtige plant met driekanten stengel; de vruchtjes glimmend wit; bladeren tot 0,3 cm. breed.

Scleria mitis

Berg. Fam. Cyperaceae. Oeman baboen-nefi, n.e. Een plant die veel op S. secans gelijkt, maar minder scherpe bladeren heeft.

Scleria secans

Urb. Fam. Cyperaceae. Baboen-nefi n.e. Een Cypergras met min of meer klimmenden, scherp driekanten stengel en zeer scherpe bladaren, die bij aanraking de huid sterk verwonden.

Sclerolobium paniculatum

Vog. Fam. Leguminosae. Djedoe, n.e. Een groote boom, die tijdens het rijp zijn der vruchten de bladeren afwerpt. Het hout wordt gebruikt voor het maken van booten.

Scomberomorus

-soorten noemt men op de Beneden w. Eilanden Koningsvisch. Een uitmuntend voedsel levert Scomberomorus cavalla (C. & V.) Dr. & F.; Fam. Scombridae. Zeevisch. Verspreiding: de tropische atlantische zee, gaande noordelijk tot Kaap Cod, zuidelijk tot Brazilië en Afrika. De mondspleet is wijd. De tanden zijn driehoekig. De staartsteel met kiel. De stekelige rugvin is laag. De zachte rugvin en de aarsvin zijn sikkelvormig, beide gevolgd door 7-10 kleine vinnetjes. De volwassen dieren zijn ijzergrijs. De jongeren hebben gele plekken op de zijkanten van het lichaam. Deze visch kan vijf voet lang en honderd pond zwaar worden. - Uitmuntend als voedsel is ook Scomberomorus regalis (Bl.) J. & G. Verspreiding: Kaap Cod tot Brazilië; overvloedig bij Cuba. Zilverkleurig, met twee zwarte lengte banden langs de zijkanten, beide banden naar achteren in lange plekken overgaand. Daarboven en -onder vele bruine plekjes in rijen. Het voorste gedeelte van de stekelige rugvin is zwart.

Scoparia dulcis

L. Fam. Scrophulariaceae. Sisibi-wiwiri, n.e. Skoobia, ben. e. Sweet broom, bov. e. Een zeer algemeen voorkomend onkruid, met kleine, witte bloemen en sterk vertakte stengels. Het uit de bladeren geperste vocht, met melasse gemengd wordt gebruikt om den mond der kinderen bij zuurte te wasschen.

Sea grape,

bov. e. Zie COCCOLOBA UVIFERA.

Sea lavendel,

bov. e. Zie HELIOTROPIUM CURASSAVICUM.

Sea peas,

bov. e. Zie CANAVALIA.

Sea purslane,

bov. e. Zie TOURNEFORTIA GNAPHALODES.

Sea wine,

bov. e. Zie IPOMOEA PES CAPRAE.

Sebi-jari,

n.e. Zie GROENTEN en PHASEOLUS LUNATUS.

Securidaca volubilis

L. Fam. Polygalaceae. Todo-tetei, n.e. Een liaan met fraaie paarse bloemen, die veel aan de vlinderbloem der Papilionaceae doen denken.

Sedré,

n.e. Zie CEDRELA.

Sekrepatoe,

n.e. Schildpad in 't algemeen.

Sekrepatoe-trapoe,

n.e. Zie BAUHINIA.

Sekrepatoe-wiwiri,

n.e, Zie ILEX.

Selene vomer

C. & V. Karikabaai en Paardekop, pap. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: aan beide kusten van tropisch Amerika; van kaap Cod tot Brazilië en van Californië tot Peru. Zeer algemeen aan zandige kusten. Het lichaam is zijdelings gedrukt en zeer hoog. Kop kort en diep, vooroogbeentje zeer diep. Mond klein. De schubben zijn

[p. 625]

klein, de kop is ongeschubd. De zachte vinnen zijn sikkelvormig en hoog, een of twee van de rugstekels zeer lang en draderig bij de jonge vischjes, kort bij de volwassen dieren. De kleur is effen zilverachtig bij de volwassen dieren.

Senna,

bov. e. Zie TEPHROSIA CATHARTICA en T. CINEREA.

Senneblaar,

bov. e. Zie CASSIA OBOVATA.

Sepoe of sepoen.

Katoenen beenband van Boschnegers en Indianen.

Sergeantsklooten,

sur. Zie HENRIETTEA.

Sering der antillen,

sur. Zie MELIA.

Seriola

-soorten, in het Papiamentsch Brasiel. Een voedselvisch van belang is Seriola lalandi, C. & V. Fam. Carangidae. Zeevisch. Verspreiding: West Florida tot Brazilië. De schubben zijn klein. De eerste rugvin heeft zeven lage stekels, de tweede rugvin is zeer lang. De aarsvin gelijkt op de tweede rugvin, doch is iets korter. Staartvin gevorkt, rugvin donker met onder den rand een gelen band. Borstvinnen zijn donker-geel; buikvinnen geel met zwart. De aarsvin is zwart met bleeken rand. Deze visch wordt 5 tot 6 voet lang en 100 pond zwaar. Een tweede belangrijke voedselvisch, doch kleiner, is Seriola dumerili R. Verspreiding: West Indië tot de Middelandsche zee, noordelijk tot Key West. Zuidelijk algemeen. Deze is grijsachtig van boven, zilverachtig van onderen. Een vergulde band door het oog tot aan den voet van de staartvin. Een andere band door de slaapstreek tot aan het begin van de rugvin. De vinnen effen. Deze soort wordt 2 voet lang.

Serjania curassavica

Radlk. Fam. Sapindaceae. Behoekoe, ben. e. Slingerplant met ranken en veervormig samengestelde bladeren, meestal 5-tallig; de blaadjes zijn grof gekarteld; de vruchten zachtharig en voorzien van drie groote vleugels.

Sesamum indicum

L. Fam. Pedaliaceae. Abongra of Abonjera, n.e. Sjosjolie, ben. e. Kruidachtige plant met zeer lange, gesteelde, lancet- tot lijn-vormige, zwak gegolfde bladeren. De vruchten zijn voorzien van dwarsstrepen. Uit de zaden wordt de bekende sesam-olie gemaakt. In Suriname wordt de plant alleen nog op Coronie gekweekt. Op Curaçao wordt ze overal tusschen de maïs gezaaid; de rijpe planten worden in dikke bossen gebonden, in de zon te drogen gelegd en daarna uitgeklopt. In vroeger jaren werd sesamzaad van Curaçao uitgevoerd. Zoowel in Suriname als op Curaçao maakt men van de zaden een geliefd suikergebak. (Zie omtrent Sesam: Greshoff's nuttige Indische planten, blz. 21).

Sesbania aegyptiaca

Pers. Fam. Leguminosae. Doifi pesi, n.e. Een in de tuinen voorkomende heester.

Sesbania grandiflora

Pers. Fam. Leguminosae. Tiger tongue, bov. e. Boom met veervormig samengestelde bladeren, die meer dan 30 blaadjes dragen; bloemen met een blad van meer dan 4 cm., peulen dun, tot 2 dm. lang. Gekweekt.

Shame lady shame

bov. e. Zie MIMOSA PUDICA.

Shellplant,

bov. e. Zie COSTUS SPECIOSUS.

Sibi-boesi,

n.e. Zware regenbuien, die als het ware het bosch (boesi) schoonvegen (sibi).

Sida acuta

Burm. Fam. Malvaceae. Soapbush, bov. e. Nederliggend heestertje met smal langwerpige, tot 5 cm. lange, scherpgezaagde bladeren en gele bloemen, alleenstaand in de oksels der bladeren.

Sida cordifolia

L. Fam. Malvaceae. Mash mellow, bov. e. Rechtopgroeiend plantje met hartvormige, tot 6 cm. lange, dichtviltige bladeren; bloemen in klein aantal in de bladoksels; bloemkelk dichtviltig behaard.

Sida spinosa

L. Fam. Malvaceae. Jeerba foekoe, ben. e. Rechtopgroeiend plantje met eenigszins hartvormige tot 3 cm. lange blaadjes; bloemen op tot 2 cm. lange stelen alleen staande in de bladoksels; kelk zachtviltig.

Sida spinosa L. var. Angustifolia

Gris. Fam. Malvaceae. Bassoora Pleintsji, Foengfoeng homber, ben. e. Rechtopstaande plant met lijnvormige tot 0,5 cm. breede en 4 cm. lange, viltig-behaarde bladeren; de bloemen, die in 2- of 3-tallen in de oksels der bladeren staan, vormen een eindelingsche tros; bloemkelk zacht viltig.

Sidderaal.

Zie ELECTROPHORUS.

Sideroxylon foetidissimum

Jacq. Fam. Sapotaceae. Mastictree, bov. e. boom met leerachtige, langwerpige bladeren; de bloemen zijn klein en staan in dichte schijnkransen langs geheele stukken van de takken, waar de bladeren zijn afgevallen.

Sideroxylon guyanense

A. DC. Fam. Sapotaceae. Riemhout, sur. Lo-hoedoe of Ro-hoedoe, n.e. Een groote boom waarvan het hout gebruikt wordt om er roeiriemen en parels (zie aldaar) van te maken.

Sieja blanko,

ben. e. Zie BURSERA SIMARUBA.

Sieja korraa,

ben. e. Zie BURSERA BONAIRENSIS.

Sieksi joeroe,

n.e. Zie RHYNCHOTA.

Siengrassi,

n.e. Zie BROMELIA.

Siengri-kwari,

n.e. Zie ERISMA.

Sika,

n.e. Zie SIPHONAPTERA.

Sieraden.

Zie BENEDENL. INDIANEN, blz. 102, BOSCHNEGERS, blz. 162, BOVENL. INDIANEN, blz. 171, 172 en 176 en ZADEN, enz.

Sikiana.

Zie BOVENL. INDIANEN, blz. 175.

Sikwa,

n.e. Zie LUFFA.

Silk cotton purslane,

bov. e. Zie PORTULACA HALIMOIDES.

Silk cotton tree,

bov. e. Zie CEIBA.

Silverfish,

st. eust. Zie TARPON.

Simiae.

De Apen behooren, met den mensch, tot de Orde der Simiae (zie MAMMALIA). Dat zij met recht in één Orde worden gebracht, berust op de overeenkomst in bouw. Al is de klove tusschen mensch en aap met betrekking tot de ontwikkeling der hersenen ook nog zoo groot, de algemeene anatomische bouw dwingt tot vereeniging. Wat de Apen onderscheidt van den mensch komt in hoofdzaak neer op het volgende. De schedel heeft een meer dierlijk karakter door de sterkere ontwikkeling der kaken, een onderscheid dat merkwaardigerwijze bij de hoogste apen in zeer jeugdigen toestand minder in het oog vallend is dan later. Behalve bij de neusaap, is de neus plat, niet boven de lip uitstekend. De tanden vormen geen aaneengesloten rij, de oogen liggen dichter bij elkaar dan bij den mensch Het oor bezit geen oorlel, nòch is de bovenrand omgevouwen. De groote teen is meestal evenzeer tegenoverstelbaar als de duim. Het lichaam is geheel behaard, met uitzondering van een deel van het gezicht, den binnenkant van de hand en het zitvlak. De hersenwindingen zijn geringer.

De meeste Apen leven op boomen en voeden zich hoofdzakelijk met vruchten en insekten. Sommige leven afzonderlijk, andere in troepen, die dan in den regel door het oudste mannetje worden aangevoerd. Alle Apen komen voor in tropische gewesten, (subtropisch: Gibraltar). Het is reeds lang bekend, dat er belangrijke punten van onderscheid bestaan tusschen de Apen der Oude en die der Nieuwe Wereld.

[p. 626]

Men verdeelt de Simiae daarom in twee onderorden: Platyrrhina en Catarrhina. De hoogst ontwikkelde Apen (Orang-oetan, Chimpansee, enz.) behooren tot de laatste groep. De alleen in Zuid- en Midden-Amerika voorkomende Platyrrhina zijn o.a. gekenmerkt door het bezit van drie zgn. valsche kiezen; wangzakken ontbreken. Het kraakbeenig tusschenschot in de neus is breed, de neusgaten zijn buitenwaarts gericht. Steeds hebben zij een langen staart van minstens 14 wervels, die dikwerf als grijp-orgaan dienst doet. Zy worden verdeeld in twee families, Hapalidae en Cebidae. Bij de eerste zijn de ooren sterk behaard; de vingers en teenen eindigen met klauwnagels, behalve de groote teen, welke een platten nagel bezit. De duim is niet tegenoverstelbaar. Staart gepluimd; twee ware kiezen. Zij werpen 1-3 jongen. Bij de Cebidae zijn de ooren min of meer naakt; alle nagels zijn tamelijk plat. Indien een duim aanwezig is, is deze tegenoverstelbaar. De staart is meestal glad behaard. Drie ware kiezen. Zij werpen slechts één jong. Zie o.a. Audebert, Hist. natur. der Singes (1800); Schlegel, Monographie des Singes (1876).

 

G.C.J.V.

Simaroeba,

sur. en n.e. Volgens Kappler, Surinam, blz. 23, zou de Simaruba officinalis in het hoogere binnenland en in de savannestreek veelvuldig voorkomen. De stam wordt 3 voet dik en vertakt zich eerst op 30 tot 40 voet hoogte. Het hout is licht en wit. Daaruit gezaagde planken zijn niet bestand tegen vochtigheid. De bittere bast wordt tegen dysenterie gebruikt.

Sinaasappelen.

Zie VRUCHTEN EN VRUCHTBOOMEN.

Sinamarie.

Zie GRENZEN VAN SURINAME.

Singels,

sur. Van het Engelsche shingle. Langwerpig-vierkante plankjes (1½ voet lang en 4 tot 8 duim breed) van bijlhout, bolletrie, bruinhart en siengri-kwari (Erisma uncinatum), waarmede in vroeger jaren te Paramaribo en nu nog daarbuiten de huizen gedekt worden. Soms ziet men dat ze na eenige jaren gekeerd worden. Zij vormen een koelere dakbedekking dan pannen, leien of gegalvaniseerd ijzeren platen en houden het vele jaren uit. Volgens S. van Dissel, Eenige opmerkingen omtr. den stoffelijken toestand v.h. Eiland Curaçao (Bijdr. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indie, 3e volgreeks, III, 453) werden ook op Curaçao vroeger de huizen met singels gedekt. Ook op de andere eilanden waren of zijn ze in gebruik,

Sint Anna baai.

Zie Curaçao, blz. 252 en 256.

Sint Christoffel.

De hoogste berg van Curaçao (zie aldaar blz. 252).

Sintebiebo,

ben. e. Zie ALOË VERA.

Sint Eustatius of Statia.

I. Aardrijkskundig overzicht.

Ligging, vorm en grootte.

Op de kaart van ‘de groote ende kleyne Eylanden van West-Indiën’ in Johannes de Laet's Beschr. v. West-Indiën, Leyden 1625, heet het eiland ‘Stacio’ in den tekst (blz. 29) ‘St. Estasio.’ Het is een der Bovenwindsche Eilanden, ligt tusschen 17° 28′ en 17° 32′ N.B. en 62° 56′ en 63° W.L. van Greenwich in de Karaïsche Zee en is staatkundig een deel van de kolonie Curaçao. De afstand tot het eiland Curaçao bedraagt onge veer 500, die tot Saba en St. Martin respectievelijk 15 en 30 zeemijlen. Het ligt boven den wind van het meerendeel der W.-I. Eilanden en aan den eertijds druk bezeilden verkeersweg van deze eilanden naar den Atlantischen Oceaan, noord- en oostwaarts, door het Kanaal tusschen Dog Island en Prickly Pear Cays en verder langs Sombrero. Het heeft min of meer een peervorm met een lengteas van 7,8 K.M. gericht N.W.-Z.O. De breedte wisselt af van 2,6 tot 3,7 K.M. De opgaven over de grootte loopen uiteen van 20.7 tot 28,6 K.M2. Op een afstand vertoont zich het eiland als twee op zich zelven uit zee oprijzende bergen.

Bodenvorm en plaatsen.

Het relief wordt beheerscht door twee gebergten, in het noordwesten de Kleine Bergen, overblijfselen van oude vulkanen (zie AARDKUNDE, blz. 22), in het zuidoosten den uitgedoofden vulkaan, de Kwil (Kuil, Quill, the Punchbowl, de Berg, the Mountain), een zeer regelmatigen berg, die den vorm heeft van een afgeknotten kegel; de krater, de eigenlijke Kuil, is een naar alle zijden, met zeer steile wanden omsloten cirkelrond keteldal, met vlakken, doch met rotsblokken bezaaiden, poreuzen bodem. De bovenrand van den krater, ‘De Kant’ vormt een zeer smallen bergkam (hoogste punt 601,5 M.) en gaat naar buiten over in den kegelmantel, radiaal door ravijnen (‘guts’) gegroefd. Alleen in het zuiden verbreken de White Wall (269 M.) en de westelijk daarvan gelegen, breede, steile gegroefde kalkwanden, het regelmatige verloop; aan den zuidrand van het eiland verrijst de Sugerloaf (73 M), en ten noordwesten van den vulkaan de alleenstaande Roundhill (152,3 M). De noordwestelijke helling van den vulkaan gaat in zachte glooiing over in de Cultuurvlakte, die 40 à 50 voet hoog en eenigszins hellende van zuidwest naar noordoost, zich tot aan den voet van de Kleine Bergen uitstrekt en een oppervlakte heeft van ± 5 K.M2. De Kleine Bergen hebben hun hoogste verheffing in den berg Boven of North Hill (293.9 M.); lagere toppen zijn de Signal Hill (234 M), Bergje (223,3 M), Fory (185,5 M), Gilboa Hill (175 M) en Pilot Hill (114 M). De toppen, zonder scherpe spitsen, zijn lange, afgeronde kammen met steile hellingen vooral aan de zeezijde of, zooals Bergje en Gilboa Hill, afgeplat en uitgeschulpt. Een aanzwelling van den bodem tusschen Round Hill en Signal Hill vormt in de Cultuurvlakte een waterscheiding. Stroomend water vindt men er nergens, maar gedurende de stortregens worden de guts tijdelijk tot beddingen van krachtige stroomen. Klaasgut, ten noorden van Fort-Oranje is 84 M. lang, 34 M. breed en 30 M. diep. Voor drinkwater is men aangewezen op de regenbakken bij de huizen, op Tayler's put (51 M. diep) in Oranjestad en op een paar putten langs het strand. Van een put in het Bovendorp liep in den bloeitijd van het eiland een ondergrondsche leiding naar het strand, om de schepen van water te voorzien.

Aan de Oranjebaai ligt de hoofdplaats Oranjestad, bestaande uit het Bovendorp en het Benedendorp; het eerste ligt 40 à 50 M. boven de zee tegen den westelijken voet van de Kwil, tot daar waar deze afgebroken wordt door het Klif, den loodrecht afgekalfden mantelzoom van den vulkaan. Onder het Klif ligt het Benedendorp. Een in het Klif uitgehouwen, geplaveide weg, het Baaipad, vormt den hoofdverkeersweg tusschen Beneden- en Bovendorp. Dit laatste bestaat uit evenwijdige lengtewegen, door eveneens evenwijdige dwarswegen verbonden. Behalve de Wesleyaansche kapel en de R.K. kerk telt het nog slechts enkele groote behuizingen van baksteen en vierkant gehouwen natuursteen; de overige woningen zijn kleine, voor het meerendeel houten huisjes, vaak door een tuin omsloten. Het dorp is zijn vervallen staat nog niet te boven gekomen, maar wel zijn er in de laatste jaren verscheidene nieuwe woningen gebouwd en oude verbeterd. Ook in het Benedendorp worden in den

[p. 627]

laatsten tijd, tegenover de landingsplaats, oude magazijnen uit den bloeitijd hersteld. Voor het overige maakt het Benedendorp met zijn half afgebroken steenen pakhuizen, die door de daling van het eiland gedeeltelijk reeds in zee staan, den indruk van verval. Het ontmantelde Fort Oranje stamt uit den tijd der W.-I. Compagnie, evenals de ruïnen van den Nederl. Herv. kerk en van de synagoge. Buiten het dorp herinneren een achttal schoorsteenen en een windmolen aan de vroegere suikerbereiding. Slechts een enkel landhuis is nog overgebleven.

Oorspronkelijk was St. Eustatius met bosch bedekt; de mensch heeft het ontboscht en de herwouding niet bevorderd. Hoog opgaand tropisch woud (waarin echter palmen ontbreken) met veel lianen en enkele epiphyten, een aantal varens en wilde bananen vindt men boven de 160 M., met name langs de noord- en oostronding van de Kwil en in zijn krater. De kleine Bergen zijn aan hun luwzijde en in het ravijn van Tumble Down Dick bezet met een opslag, die er na de ontwouding, ging groeien. Ofschoon het vele nuttige houtsoorten bevat, trekt men er ter plaatse weinig nut van.

Kustgesteldheid.

De kust is een steilkust met hier en daar holenvorming; aan weerszijden van de Cultuurvlakte, dus langs de Oranjebaai en de Concordiabaai, neemt zij het karakter aan van een strandkust met steilen landzoom. De zee rondom het eiland is vrij van klippen en banken, uitgezonderd langs de Z.O. en de Z.W. kust, waar koraalriffen deze omzoomen. Het verschil tusschen eb en vloed bedraagt ± 0,15 M. Van October tot Maart veroorzaken bijwijlen de grondzeeën tot 100 M. uit den wal een kokende zee en voeren zand en rolsteenen aan. Na Maart worden, vooral bij zuidenwind, die sedimenten weer weggevoerd. De stranden der baaien zijn daardoor min of meer veranderlijk, zoowel in breedte als in samenstelling. De voornaamste dezer baaien zijn: de Oranje-, de Tumble down Dick baai-, de Jenkins-, de Venus-, de Concordia-, de Schildpadden- en de Compagnies-baai. Van deze bieden alleen de eerste twee, aan de westzijde van het eiland gelegen, geschikte ankerplaatsen aan. Door hare natuurlijke gesteldheid is de Oranjebaai beter dan menig ander der Antillen, ofschoon hare strandlijn 50 M. heen en weer kan schuiven. Zij biedt over een lengte van 1½ K.M, een schoone open haven aan, beschut tegen den passaat, gemakkelijk te bestevenen en plaats biedende aan vele schepen. Hier ontstond en ontwikkelde zich Oranejstad; en in verband met de bovenwindsche ligging van het eiland en begunstigd door de tijdsomstandigheden, werd de Oranjebaai in de laatste helft der 18de eeuw het middelpunt der handelsbeweging der toen rijke en voorspoedige Engelsche, Fransche, Deensche en Spaansche Antillen, waar de reizen uit het Moederland, uit Engeland, Frankrijk en Noord-Amerika haar begin- en haar eindpunt hadden. Tusschen Augustus en de herfstnacht-evening staat St. Eustatius aan orkanen bloot. Van betrekkelijk weinige echter schuift het centrum over en dicht langs het eiland en bovendien schijnt zijn relief een bescherming te zijn tegen groote verwoestingen.

Bevolking.

Of St. Eustatius vóór de komst der Europeanen een Indiaansche bevolking had valt te betwijfelen. Het ontbreken van natuurlijke bronnen op het eiland, maakte het tot geen gewenschte woonplaats voor een wilden volkstam. Een oude vervallen put op het strand aan de zuidoostkust, bekend onder den naam van ‘Indian well’, wekt evenwel het vermoeden dat er althans tijdelijk Indianen, Arowakken of Karaïben, gewoond hebben. De eerste kolonisten waren Franschen en Engelschen, die er tusschen 1625 en 1629 kwamen, maar er niet bleven. In 1632 vestigden zich Zeeuwen op het eiland. Over de grootte der bevolking in den eersten tijd zijn geen gegevens voorhanden. In 1665 was die toegenomen tot 1600. Op het tijdstip van hoogsten bloei (1780) werd de bevolking geschat op 20.000, volgens anderen op 25.000, de slaven daaronder begrepen, doch waarschijnlijk is het getal nooit zoo groot geweest. Allerlei natiën, zelfs Grieken en Turken hadden zich op het eiland neergezet. Na de verovering en de plundering door Rodney in 1781 verminderde de bevolking zeer snel. In 1786 waren er 7600 personen, t.w. 3000 blanken, 600 kleurlingen en 4000 slaven. Voor 1817 vindt men opgegeven: blanken 507 (156 mannen, 195 vrouwen, 156 kinderen) gecouleurde vrije lieden 336 (83 m., 121 vr., 132 k). slaven 1748 (569 m., 655 vr., 524 k.) te zamen 2591.

In 1829 was de bevolking gedaald tot 2273, n.l. blanken 379, vrije lieden van de kleur 196, vrije zwarten 89, gekleurde slaven 63, zwarte slaven 1546. Verder was de loop der bevolking:

op 31 December:

1850 1932
1860 1927
1870 1914
1880 2097 (?)
1890 1588
1900 1334
1905 1499
1910 1325
1911 1344
1912 1401
1913 1408
1914 1437

Het aantal blanken is tot ver beneden de 100 gedaald. De bevolking, ofschoon landbouwend, heeft zich sedert de opheffing der slavernij in 1863, meer en meer in Oranjestad, de eenige vestiging op het eiland, samengetrokken; in het Benedendorp wonen een twintigtal, de rest in het Bovendorp. Op 31 Dec. 1914 waren er 110 Protestanten, 334 Roomsch Katholieken en 1 Israeliet. Het concubinaat heeft de overhand, doch prostitutie komt weinig voor. In 1910, 1911, 1912, 1913 en 1914 werden kinderen geboren:

in echt: 13, 8, 14, 9, 16.
buiten echt: 42, 28, 42, 32, 37.

Het Engelsch is de taal der bevolking; ook de rechtspraak geschiedt is het Engelsch. Ofschoon onder het oudere geslacht veel analphabeten zijn is de bevolking vrij ontwikkeld en tevens gewend aan wet en orde.

In Oranjestad heeft men thans 2 scholen voor lager onderwijs, een openb. school en een zusterschool, beide kosteloos; de eerste met 124, de tweede met 120 leerlingen.

Middelen van bestaan.

Over den handel, die St. Eustatius eenmaal tot groote welvaart heeft gebracht, is gesproken in het art. HANDEL EN SCHEEPVAART, blz. 352 (zie ook hieronder het Geschiedk. overzicht. Over vroegere landbouw-toestanden zie LANDBOUW, blz. 444).

Omtrent den tegenwoordigen toestand kan het volgende opgemerkt worden: De Statiaan - man en vrouw - is in de eerste plaats landbouwer. Het houden van minstens zes stuks groot en klein vee is regel. De eigenlijke bouwgrond van St. Eustatius omvat de hellingen van de Kwil beneden ± 160 M., de Cultuurvlakte inbegrepen en de op zich zelf liggende stukken gronds in de dalen en op de kruinen en terrassen van de Kleine Bergen; hij meet 20 K.M2. De woeste gronden beslaan slechts een klein gedeelte van het eiland, n.l. de White wall, de steilkust en de windzijde der Kleine Bergen. De bouw-

[p. 628]

grond is licht van aard, en hij vindt in het moedergesteente, dat gemakkelijk verweert, een reserve-kapitaal aan plantenvoedsel. Men onderscheidt bouw- en savanneland. Het laatste is weidegrond met grassen, kruiden en heesters; men vindt het langs het Klif en in het zuiden van het eiland. De bebouwde oppervlakte bedroeg in 1903 ruim 100 H.A., in 1912 300, in 1913 203 en in 1914 slechts 161 H.A. De algemeene reden van den teruggang moet in de langdurige droogte gezocht worden. De hoofdproducten zijn: katoen (zie aldaar) en aardvruchten; verder worden er aardnooten en Turksche tarwe verbouwd. De landbouw draagt grootendeels het karakter van zuiveren akkerbouw, waarbij het vee nevenzaak is. Het landbezit was vroeger in handen van slechts enkelen, die er weinig partij van trokken en zich bepaalden tot verhuren van kleine stukjes grond tegen contanten of tegen één derde van de opbrengst in natura. Doch het domein word uitgebreid (zie GRONDPOLITIEK, blz. 337) en de katoen (zie aldaar) bood zich als stapelproduct aan. De landbouw wordt nu gedreven door den grondeigenaar tegen loonarbeid (groote landbouw) en door den kleinen man met zijn verwanten of met zijn vrienden tegen wederzijdsch hulpbetoon. De vruchtenteelt is van geen beteekenis. Eenige soorten van groenten worden tusschen de hoofdcultures geteeld. De cultuur van sisal (zie aldaar) zal nu ook ter hand genomen worden. Over de op het eiland voorkomende tras, zie aldaar. Van het goud, het zilver en de diamanten, die men een 15tal jaren geleden aan de Jenkinsbaai hoopte te vinden is verder niets vernomen.

De veestapel (rund, geit, schaap, paard, ezel, muilezel, varken) verminderde sedert de invoering van de katoencultuur. Het rundvee wordt, na dat van Porto-Rico, als het beste van de Antillen geprezen. De paardenfokkerij ondergaat den gunstigen invloed der Engelsche eilanden.

De visscherij voorziet slechts in de plaatselijke behoefte. In de eerste maanden van het jaar gaat men wel naar het Aves-eiland op de vangst van schildpadden en het rapen van zeemeeuw-eieren, welke op St. Thomas of St. Kitts verkocht worden. Zie ook BIJENTEELT.

De meeste ambachtslieden, tot de visschers toe, vinden hun economischen steun in den landbouw. Het aantal zeelieden haalt de 50 niet; de helft daarvan gaat ter potvischvaart. Brood bakken en rond laten venten is een door de vrouwen geliefd bedrijf.

De handel is een kleinhandel in verbruiksartikelen. Het handelsverkeer met Curaçao en met Nederland is zeer gering. Handel wordt hoofdzakelijk gedreven met New-York en verder met St. Kitts en St. Thomas, Denemarken en Engeland. De scheepvaart is geheel kustvaart. Aansluiting met het wereldverkeer vindt het eiland op St. Kitts; de verbinding met Curaçao geschiedt maandelijks per paketschoener.

Litt. M.D. Teenstra, De Nederl. W.I. Eilanden Amst. 1837, II, 319-360; A.H. Bisschop Grevelink, Beschr. v.h. Eiland St. Eustatius (Bijdr. tot de kennis d. Nederl. en vreemde koloniën, Utrecht 1846, blz. 1-46 en 134-172); Idem, De Volkplanting op het eiland St. Eustatius van 1816 tot den tegenw. tijd (Ibidem, 1847, blz. 29-73 en 203-231); G.W.M. Voorduin, Gezigten uit Neerl. West-Indiën, Amst. 1860/62; J.H.J. Hamelberg, De beteekenis v. Sint Eustatius als Nederl. bezitting (Vragen v.d. Dag 1894, blz. 481-486); Idem, Historische schets v.d. Nederl. Bovenw. Antillen tot op het einde der 17e Eeuw (Tweede jaarl. Versl. v.h. Gesch-, Taal-, Land- en Volkenk. Gen. gev. te Willemstad, Curaçao, Amst. 1898, blz. 103-136); H. Zondervan, Die niederl. westind. Inseln (Geogr. Zeitschr. 7ter Jahrg. 4ter Heft, 1901, blz. 206-212); F.A.F.C. Went, Rapp. omtr. den toestand v. land- en tuinbouw op de Nederl. Antillen. (Bijl. V Kol. Versl. Curaçao van 1902); D.H. Havelaar, Rapp. betr. eene reis door de kol. Curaçao (Bijl. O2 kol. Versl. Curaçao van 1903); H. van Kol, Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 172-192; Moeten wij St. Eustatius verkoopen? (Tijdschr. Nederl. Mij ter Bevordering v. Nijverh. 1906, blz. 102); G.J. van Grol, Het eiland St. Eustatius (Ind. Mercuur 19 Maart 1907); I. Boldingh, The flora of the Dutch West Indian Islands St. Eustatius, Saba and St. Martin, Leiden 1909, blz. 237-239; J. de Hullu, St. Eustatius in 1819 (Bijdr. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned. Indie, dl. 68, 1913, blz. 429-444); Topographische kaart v. St. Eustatius, 's Gravenh. 1915; Kol. Verslagen; Jaarcijfers. Zie voorts de litt. bij AARDKUNDE.

II. Aardkunde.

Zie aldaar.

III. Geschiedkundig overzicht.

Sint Eustatius, Sint Martin en Saba.

Het grootste van deze eilanden St. Martin, is Nov. 1493 ontdekt door Columbus. Eerst in de zeventiende eeuw werd het gekoloniseerd. Pieter Schouten deed 't eiland aan (1624) en Piet Hein zeilde (1626) langs St. Eustatius en Saba. In 't volgende jaar vonden eenige Nederlandsche kapiteins op St. Martin een zoutpan. In 1628 besloot de Kamer van Zeeland (van de W.I.C.) St. Kitts (St. Christoffel) te bezetten, om voor den handel een vast punt in de Bovenwindsche eilanden te krijgen. Dit mislukte, maar in 1631 bezetten Nederlanders St. Martin, onder protest van de Engelschen; in 1633 werd het eiland weer door de Spanjaarden veroverd. In 1632 vestigden zich eenige Nederlanders op St. Eustatius en vandaar uit ook eenige op Saba. Deze eilanden werden daardoor koloniën onder ‘patroons’ en stonden dus tot de W.I.C. in andere verhouding dan Curaçao. Op St. Eustatius werd tabak verbouwd. Als eerste commandeur van 't eiland wordt in 1639 Pierre Gardijn genoemd. De Spanjaarden bezetten St. Martin tijdelijk, maar verlieten het eiland weer in 1640, bij welke gelegenheid een 5tal Nederlanders uit Spaansche gevangenschap wisten te ontkomen en op het eiland vier Franschen en een mulat aantroffen met wie zij in 1648 een verdeelings-verdrag sloten, onder nadere goedkeuring van de Nederl. en Fransche gouverneurs van de W.-Indische eilanden (zie Abbé du Tertre; archiefstukken uit dien tijd ontbreken). De Nederl. kregen de Z.-, de Franschen de N.-helft. Dit verdrag bleef van kracht tot 1839, toen het door een ander vervangen werd, waarbij de rechtspraak nader geregeld werd en visscherij, jacht en gebruik van zoutpannen aan Franschen en Nederlanders over het geheele eiland werden toegestaan.

Van Saba is niet veel bekend; het eiland was moeilijk toegankelijk; de kolonisten bleven daardoor van de buitenwereld afgesloten; zij verbouwden indigo, tabak, katoen en koffie en waren in den geheelen archipel beroemd om hun schoenen-industrie. Veelal deelde Saba het lot van St. Eustatius. In 1688 wisten de Sabanen een aanval van de Franschen af te slaan, door rotsblokken op hun vijanden te laten neerstorten.

St. Martin, dat voornamelijk door de zoutpannen van belang was, schijnt na 1660 geen eigen gou-

[p. 629]

verneur meer gehad te hebben; ook verneemt men niet meer van de rechten van de gebroeders Lampsins, die wel telkens voor hun aanspraken op Tobago opkomen. In 1668 werd het door de Engelschen bezet; daarna kwam het geheele eiland onder de Franschen; wel heroverde Binckes in 1676 het Nederlandsche gedeelte, maar daar hij geen bezetting achterliet kwam het weer onder de Franschen tot 1703, toen het Nederl. gedeelte door Isaac Lamont, commandeur van St. Eustatius onder 't Nederlandsch gezag werd teruggebracht.

St. Eustatius kwam 't méést t