terug  begin  verderprepost

V.

Vaanslag,

pap. Zie GERRIDAE.

Vaccine.

Zie EPIDEMIEËN.

Vachtluizen.

Zie CORRODENTIA.

Vaillant (mr. Cornelis, Reinhard).

Zie GOUVERNEURS.

Vaillant (François le),

ook geschreven Levaillant, geb. te Paramaribo in 1753, overl. te Séranne (Champagne) 22 Nov. 1824, was de zoon van een rijk koopman te Paramaribo, afkomstig van Metz. Reeds in zijn vroegste jeugd toonde hij grooten lust tot reizen en tot de studie van de ‘natuurlijke historie’. Onder leiding van zijn vader - zelf een ijverig verzamelaar - legde hij verzamelingen aan, in het bijzonder van insecten en vogels. In 1763 vertrok hij naar Holland met zijne ouders, die zich later te Metz vestigden. Na in Duitschland en Frankrijk gereisd te hebben, vertoefde hij van 1777-1780 te Parijs, waar hij in zijn vak bleef studeeren. In Amsterdam had hij een zeer vermogend man, den thesaurier van de O.I. Compagnie Temminck, leeren kennen, in wien hij een machtigen beschermer vond, die hem in staat stelde in Dec. 1780, met een der schepen van de Compagnie naar Kaap de Goede Hoop te gaan. De op zijn eerste Afrikaansche reis gemaakte kostbare verzameling ging verloren met het schip, waarmede zij naar Holland gezonden werd. Zijn tweede reis in Afrika duurde van 1783-1785; de verzamelde voorwerpen werden deels in Frankrijk, deels in Holland verkocht. Hij gaf voor het eerst een goede beschrijving van de giraffe. Het geraamte van een door hem geschoten exemplaar kwam in het kabinet van den Prins van Oranje en later in het museum te Leiden. Na zijne beroemd geworden reizen vestigde hij zich te Parijs. Van zijne hand verschenen ‘Voyage dans l'intérieur de l'Afrique’, etc. Paris 1790 (verscheidene uitgaven), ‘Second voyage’, etc. Paris, An. IV (1796). Deze werken zijn in verschillende talen vertaald, ook in het Nederlandsch, door J.D. Pasteur, Leyden en Amst. 1791-1798. Voorts gaf hij ornithologische werken uit. In een précis historique in eerstgenoemd werk gaf hij een warme beschrijving van zijne jeugd in Suriname, een beschrijving, die zou doen vermoeden dat hij ouder was toen hij de kolonie verliet en dat zijn geboortejaar verkeerd wordt opgegeven. (Zie over Vaillant, Van der Aa, Biogr. Woordenboek, Haarlem 1876 met vermelding van geschriften over den reiziger; voorts: Het boek der reizen en ontdekkingen, vrij bewerkt naar J. Verne's Histoire des grands voyages et des grands voyageurs, door Dr. G.J. Dozy, Rott. 1881/83, IV 147 vlg. - Surinaamsche Almanak voor 1898).

Vampirisme.

Zie AZÉMAN.

Vanilla.

Fam. Orchidaceae. Baniri, n.e. Een geslacht waarvan meerdere soorten in Suriname voorkomen. Het zijn Orchideeën die door middel van hechtwortels klimmen. De meest bekende soort is Vanilla planifolia; de vruchten leveren, na een bewerking ondergaan te hebben, de bekende Vanille-stokjes (zie Tijdschrift West-Indië. Haar-

[p. 693]

lem 1855, I. blz. 275-280. Aanteekeningen betreffende de in Suriname voorkomende soorten van het geslacht Vanilla, door Mr. H.C. Focke).

Vara.

Zie MATEN EN GEWICHTEN.

Veen (mr. Paulus van der)

Zie GOUVERNEURS.

Veenmol.

Zie ORTHOPTERA.

Veer (Johannes de),

geb. te Amst. 19 Maart 1738, overl. op Curaçao 26 Dec. 1796. Zie GOUVERNEURS.

Veer (Abraham de)

geb. op Curaçao 8 Jan. 1767, overl. te Paramaribo in den nacht van 1 op 2 Febr. 1838, zoon van Johannes de Veer, Gouverneur van Curaçao, legde zich op Curaçao eerst op den landbouw toe en trad, na aldaar verscheidene posten te hebben bekleed, in 1796 op als ‘Commissaris der bestellingen’ en in 1801 als Ontvanger-generaal en Lid van den Raad van Politie. De kolonel en kapitein t/z. C.M. Buschman, die na den vrede van Amiens in 1802 belast was met de overneming van Curaçao van de Engelschen, droeg aan hem en aan C. Berch het beheer op. In deze betrekking was hij in het bijzonder belast met de uitoefening van het militair gezag en bekend is zijne krachtige afwering van een geduchten aanval der Engelschen bij de wederuitbarsting van den oorlog in 1803. In 1805 werd J.P. Changuion uit Nederland gezonden om het gouvernement van Curaçao over te nemen, waarop De Veer terugtrad in de betrekking van ontvanger. Nadat Curaçao op 1 Jan. 1807 door een Engelsch eskader was veroverd, vertrok De Veer in Maart 1807 naar Nederland. Kort daarop benoemd tot Commandeur Generaal ter kuste van Guinea, met den rang van Generaal Majoor, zeilde hij 5 Maart 1808 uit, maar het schip werd door een Engelsch fregat naar Plymouth opgebracht en hij gevangen gehouden, tot hij in 1809 werd uitgewisseld. Hij vertrok daarop over Noord Amerika naar zijne bestemming, waar hij bij aankomst het kasteel belegerd vond door een groot leger Fantijnen, bijgestaan door Engelsch geschut en ammunitie. Het gelukte hem spoedig een vredestractaat met den vijand te sluiten. In 1812 had hij een opstand onder zijn eigen garnizoen te dempen. In 1816 gaf hij het bestuur over aan Daendels en werd bij zijne komst in Nederland naar West-Indië gezonden om het bestuur van St. Eustatius, St. Martin en Saba te gaan overnemen. In 1822 werd hij benoemd tot gouverneur van Suriname, waar hij zich in het bijzonder verdienstelijk maakte door het tegengaan van den sluikhandel in slaven, door zijne maatregelen tot wederopbouw van de door den brand van 1821 verwoeste hoofdstad, door zijne voorzieningen tot herstel van het finantiewezen en de geldcirculatie en tot bevordering der vaccine en de bestrijding der lepra. Bij de vereeniging in 1828 van de W.I. koloniën tot één gouvernement-generaal, verviel de betrekking van gouverneur van Suriname. De commissaris Generaal Van den Bosch stelde De Veer op wachtgeld; bij K.B. van 28 Jan. 1829 volgde het eervol ontslag.

Litt. Brief van G.S. De Veer (Bijdr. tot de kennis d. Nederl. en vreemde koloniën, Utr. 1844, blz. 259-271). - Handelingen en Geschr. v.h. Ind. genootsch. te 's Gravenh. 6e jaarg. 1859, blz. 78-91. - G.S. De Veer, Aant. op een adres van den heer F.A. Eckhardt de Mesquita a.d. Tweede Kamer d. St. Gen. Utr. 12 Dec. 1858. - J. Wolbers Gesch. v. Suriname, Amst. 1861, blz. 616-633. - A.A. Vorstenman van Oyen, Stam- en Wapenboek v. aanz. Nederl. Familiën, Gron. 1890, blz. 254. - P.A. Euwens, Curacao in 1803-1804 (Onze Eeuw, 1907, IV, 229-262, 427-449, 1908, I, 247-273).

Veeteelt.

Suriname.

De veeteelt is in Suriname nog weinig ontwikkeld en het valt te betwijfelen of voorshands verbetering mogelijk is; want de oorzaak dezer geringe ontwikkeling is voornamelijk het kleine bevolkingscijfer. De volks-klasse is uiteraard eene slechte melkafnemer, want de prijs van de melk is te hoog. De duurte der arbeidskrachten en het gebrek aan natuurlijke weilanden, maken de veeteelt kostbaar, houden den melkprijs hoog en beperken het verbruik. Als gevolg van den hoogen melkprijs is de boterbereiding niet loonend; de melkprijs toch bedraagt ongeveer 25 ct. per liter, terwijl roomboter uit Holland en Amerika ingevoerd wordt voor ± ƒ1.80 per K.G. Fokkerij voor boterbereiding zou tegen dien marktprijs zeker niet voordeelig zijn, en versche boter zou tegen hoogeren prijs bezwaarlijk afzet van eenige beteekenis vinden. Men heeft beweerd, dat boterbereiding in de tropen praktisch niet uitvoerbaar is, dat geen produkt verkregen wordt, in kwaliteit aan de Hollandsche natuurboter gelijk; de ervaring van de gouvernements-hoeve op het eiland Trinidad, die na langdurige proefnemingen goede uitkomsten verkreeg, leert echter anders. Toch is ook daar de boterprijs - 2 sh. per pond - te hoog om 't tegen ingevoerde boter te kunnen volhouden.

Bij de beperkte vraag naar melk voor de huishouding en naar dure inlandsche boter is veeteelt - als een gewaagd bedrijf - weinig in trek. Naast deze bezwaren staat nog het gemis aan terreinen voor veehouderij geschikt, in de nabijheid van Paramaribo, dat de eenige belangrijke melkafnemer is. De fokkerij van slachtvee is evenzeer een dure onderneming; de kolonie betrekt dan ook nagenoeg de helft van het te verbruiken versche vleesch uit het buitenland. Vroeger waren Porto-Rico en Venezuela de groote leveranciers van slachtvee; Venezuela moest uit hoofde van het gevaar voor miltvuur losgelaten worden en daarna is Britsch-Guiana vee gaan uitvoeren naar Suriname. Venezuela bezit onmetelijke savannas, vooral langs de oevers van de Orinoco, waar het vee in het wild leeft, weinig zorg behoeft en dus niet kostbaar is. Britsch-Guiana heeft de verlaten kustplantages omgezet in veestaten. Ook deze landen kosten weinig aan onderhoud. De omstandigheden zijn in Britsch-Guiana veel gunstiger, en de mededinging van den Surinaamschen veehouder - die veel onderhoud aan zijn weiland heeft - blijkt niet goed mogelijk. Suriname bezit geen natuurlijke weilanden. De stijve klei der lage polders is ook niet de geschiktste grond daartoe. Beter zijn de zandriffen, doch zij vormen nog geen natuurlijk weiland en eischen degelijk onderhoud; alleen is op dezen grond de omzetting in grasland praktisch uitvoerbaar. De kosten daartoe zijn veel lager, terwijl het onderhoud geringer is dan op klei. Voorts blijven op klei de zure grassen haast onuitroeibaar voorttieren, de weidegrassen verdringend. Tenzij op hooge bedden met uitnemende loozing (b.v. plantage-dammen) is het weiden in den grooten regentijd onmogelijk, doordien het vee den bodem vertrapt en het land modder wordt; de klei bakt in den drogen tijd samen en scheurt. Men ziet dan ook in Suriname de veehouders zich haast alleen op zand vestigen, tenzij het vee uitsluitend op stal gehouden wordt.

Wat men hier natuurlijke savannas noemt, zijn meer, veelal met oneetbare grassen begroeide, zwampen, die in den drogen tijd voor een veestapel van

[p. 694]

100 stuks reeds geen voedsel meer kunnen opleveren en wanneer op deze velden van een aanzienlijke oppervlakte de dieren het noodige voedsel moeten bijeenzoeken, worden voor hen de afstanden te groot. Voorts heerschen in den drogen tijd in deze zwampen dikwijls vliegenplagen, die voor het vee ondragelijk zijn. Van groote beteekenis voor de veehouderij zijn deze savannas dan ook niet. Men gebruikt ze vooral in het district Nickerie ter weerszijde van de Nickerie-rivier en voorts in Coronie. Behalve deze savannas komen er op het witte zand in het binnenland graslanden voor, die men eveneens savannas noemt, hoog gelegen, doch die zeer schraal zijn. Veehouderij is, èn om den schralen bodem èn om den grooten afstand van de stad, in verband met moeielijk transport hierop nooit beproefd. Uit het bovenstaande blijkt, dat de veefokker meestal verplicht is met nieuw land te beginnen en dit in weiland om te zetten.

Runderen.

De runderstapel van de kolonie is te klein, om in de behoefte der bevolking te voorzien, zoodat eene groote hoeveelheid vleesch en zuivelproducten wordt ingevoerd. Kan deze invoer voorkomen worden? Meermalen werd deze vraag door het bestuur onder de oogen gezien, en werden commissiën tot verbetering van de veefokkerij benoemd. Verbetering van den toestand bleek echter niet gemakkelijk. De runderstapel staat niet in goede verhouding tot het bevolkingscijfer. Het gehalte van het Surinaamsche rund laat veel te wenschen over, doordien het te weinig melkrijk is en te gering van massa om productief te zijn. Van ras of slag kan men bij het rund niet spreken, omdat de dieren sterk verschillen, en het moeielijk valt zich daaruit een type te denken. Invoer van het Hollandsche rund, het Holsteinsche uit Noord-Amerika, het Venezuelaansche steppenvee, het gekruiste vee van Britsch-Guiana, de half-Zebu's van Trinidad en het vee van Barbados en van St. Martin heeft een gemengd ras gevormd, waarin geen eenheid te bespeuren valt. Behalve deze kruisingen hebben hun invloed doen gelden de verschillende fokwijzen die men drieërlei zou kunnen noemen: 1e op stal (voornamelijk door Britsch-Indiërs), 2e op weiland en stal (door Hollandsche boeren-kolonisten en creolenlandbouwers), 3e vrij in savannas (in Coronie en Nickerie). De dieren der eerste twee fokwijzen hebben door doorgevoerde teelt ten slotte eenige gelijkheid gekregen, die men 't sterkst opmerkt bij het rund der Hollandsche kolonisten. Sinds de vestiging op zandterreinen nabij de stad in 1853 hebben deze eene eenheid in de uitoefening van hun bedrijf aangenomen en behouden, die ook bij den veestapel merkbaar is. Men neemt dit rund dan ook feitelijk als type aan van het inlandsche rund. Het is klein, heeft een schoon gewicht van 70-120 K.G. en levert weinig melk, van 2-6 L. daags in den besten melktijd; doch het is goed bestand tegen de invloeden van klimaat en bodem. Gemiddeld geeft een kudde per dag ongeveer 1 liter per melkkoe, een cijfer dat zeker bezwaarlijk den fokker tot welvaart kan brengen, zelfs al kost de melk dan ook ƒ0.25 per liter. Vergeleken met die van het Hollandsche rund van den zwartbonten Hollandschen veeslag, zijn de produktie-cijfers uiterst laag. De schrale weilanden in de kolonie zijn evenmin met de sappige weiden der Hollandsche polders te vergelijken als het Surinaamsche met het Nederlandsche rund.

Bij dezen vorm van het bedrijf worden de runderen 's avonds tegen 6 uur op stal gebonden en eerst den volgenden morgen om 7 uur losgelaten. Op deze wijze wordt mest verkregen, die voor het landbouwbedrijf op den schralen zandbodem onontbeerlijk is. Het vee blijft verder den geheelen dag op het land. 's Avonds krijgt het òf geen òf eenig bijvoer in den vorm van patatten-loof, patatten, wied uit den tuin en dergelijke; ander bijvoer, meelsoorten en koeken, zou te kostbaar zijn.

Aan het weiland wordt meestal weinig zorg besteed; wieden en in orde houden der loozing is nagenoeg het eenige dat geschiedt. Bemesting, eggen e.d. heeft niet plaats; het land ligt meestal niet zoodanig in bedden, dat met bespannen wagens alle punten bereikt kunnen worden, terwijl voorts de arbeid te omvangrijk zou worden; daarenboven moet de mest voor het bouwland dienen.

De stalfokkerij, zooals zij bij de Britsch-Indiërs in zwang is heeft van hetzelfde kleine Surinaamsche rund een dier weten te vormen, dat beduidend meer oplevert. De Br.-Indiër is een geboren fokker, spaart arbeid noch kosten ten behoeve van zijn runderen. Het gezin is den geheelen dag bezig om smakelijke grassen te zoeken, wascht en verzorgt zijne dieren met den eerbied, welke den Hindoe door zijn godsdienst is voorgeschreven. Het rund der Br.-Indiërs is dan ook een geheel ander dier geworden; 10 à 12 liter melk in het beste der lactatie-periode is geen zeldzaamheid. Betere teeltkeuze en goede verzorging van het kalf schiepen een rund, dat weinig overeenkomst met het gewone inlandsche meer vertoont.

De derde wijze, waarop veehouderij gedreven wordt, treft men in de districten Coronie en Nickerie aan, waar zich uitgestrekte natuurlijke savannas bevinden. In deze districten heeft men gouvernements-stalweiden, in den geest van gemeente-weiden, waar de veehouders hunne runderen tegen een weidegeld van 50 cent 's maands, gemeenschappelijk laten grazen. Het weidegeld dient tot bekostiging van den koewachter en tot onderhoud van het land. De stalweide van Coronie beslaat eene oppervlakte van ± 100 H.A. en was oorspronkelijk geheel weiland, thans is zij echter voor het meerendeel met bosch begroeid en heeft daardoor en door onvoldoende loozing veel van hare waarde verloren. Ook de savannas, die aan de stalweiden aansluiten, zijn voor de veeteelt van weinig beteekenis; het zijn feitelijk zwampen, welke bij niet te hoogen waterstand eenige eetbare grassen opleveren.

Nickerie's stalweide is een polder van ± 20 H.A. tegenover het plaatsje aan den anderen oever van de Nickerie-rivier, Nw-Nickerie, gelegen; het vee moet zwemmende heen en weer gevoerd worden. Uitgegeven voor de katoencultuur, welke niet slaagde, werd het land voor veeteelt in gebruik genomen. Het is echter te klein om voor een stapel van eenige beteekenis te kunnen dienen, ook omdat nagenoeg de helft in hout staat. De savannas, welke ook hierbij aansluiten en zich tot Coronie langs de kust uitstrekken, hebben ook alleen in den regentijd waarde. In den drogen tijd ligt de stijve klei bloot en levert geen voedsel. Meestal halen de veehouders hunne runderen tegen den drogen tijd uit de stalweiden weg, om ze tijdelijk òf wel thuis òf wel achter de vestigingsplaats Waldeck op Oud-Waldeck in de savannas te laten grazen, die mede voor het weiden aangewezen waren. Een schelprits of een afgerasterd terrein aan de voorzijde dient tot nachtverblijf.

Dat de omstandigheden, waaronder het vee op deze savannas verkeert, verre van gunstig zijn, spreekt vanzelf. Er is gebrek aan voldoende voedsel,

[p. 695]

dat daardoor over groote afstanden gezocht moet worden, de dieren staan den geheelen dag tot nagenoeg aan de borst in het water, en in den drogen tijd worden zij meestal door koevliegen geplaagd; onder deze omstandigheden kunnen slechts de sterksten 't volhouden. Van een voorttelen in het wild was dan ook nooit sprake, daar de kalveren tegen dit alles niet opgewassen waren, en de fokkerij heeft steeds een kwijnend bestaan geleid.

De veehouderij op de plantages was vroeger van meer belang dan tegenwoordig, ten gevolge van den finantiëelen achteruitgang der meeste ondernemingen, vooral door de cacao-ziekte. Eertijds poogden de eigenaars en beheerders het vee te veredelen door invoer uit andere gewesten. Goede voeding en verzorging gepaard met betere teeltkeus, maakte het plantage-vee tot het beste der kolonie. Waar de uitgaven voor onderhoud weinig of niet ten laste der beheerders kwamen, konden zij ook met goed gevolg slachtvee opfokken. De achteruitgang der plantages, die beperking der kosten noodig maakte, was oorzaak, dat groote veestapels niet meer op de ondernemingen konden onderhouden worden en meestal tot enkele runderen voor noodzakelijke melkverschaffing ingekrompen werden.

Eene veehouderij van belang vindt men op de plantage Beekhuizen, eene onderneming van de Moravische broedergemeente. Oorspronkelijk in het klein opgezet, werd de stapel allengs tot een 150 tal uitgebreid, meest door aankoop uit 't buitenland. De bedoeling was om door kruising het inlandsche rund te veredelen, waartoe Zebu-, Shorthorn- en Guernsey-stieren van de gouvernements-hoeve van het eiland Trinidad aangekocht werden en ook een Hollandsche stamboekstier uitkwam. De uitkomst was gunstig. De afstammelingen van den Hollandschen stier stonden in massa en productie boven het inlandsche dier, doch zij waren weer minder bestand tegen de eigenaardigheden van het klimaat; beter nog voldeden de Guernsey-Zebustieren, die sterke kalveren gaven, welke tot goede melkgevers - goed althans voor Suriname - opgroeiden. Vraagt men echter of deze veehouderij als handelsonderneming gunstig stond, dan luidt het antwoord ontkennend. Was oorspronkelijk de bedoeling, om hoofdzakelijk stalvee te houden, waarvan grootere melkopbrengst verwacht kan worden, men kwam daarvan terug, omdat de uitgaven voor onderhoud en voeding op stal te hoog zijn in verhouding tot de melkproductie en men ging zorgen voor de verbetering van bestaand weiland en den aanleg van nieuw voor het vee, dat daarvoor geschikt is. Bij die proefnemingen ter verbetering van het weiland kwam duidelijk uit, dat door doelmatige bewerking en onderhoud, vooral door bemesting met gier, zeer veel bereikt kan worden en het bleek dat schrale grasvlakten in welige weilanden te herscheppen zijn. De bewerking eischt echter zorg en is door de dure arbeidskrachten kostbaar. Op deze weilanden konden geen volbloed buitenlanders en teere stalkoeien gebracht worden, doch daar werden de halfbloeds gebracht, die bodem en klimaat goed verdragen. Uit deze pogingen is althans gebleken dat verbetering van het inlandsch vee door kruising met buitenlandsch (liefst klein Guernsey) en verbetering van het weiland door doelmatige bewerking wel tot iets goeds kunnen lieden.

Paarden.

De paardenfokkerij en de paardenstapel zijn in de kolonie van gering belang. Naar luxe-paarden bestaat geen vraag; op een enkele uitzondering na, houden de bewoners geen rijtuigen of rijpaarden omdat zulks te duur is en goede wegen ontbreken. Alleen enkele koetspaarden zijn noodig voor de geneesheeren, eenige trekdieren voor de melkboeren, die te ver van de stad wonen, en rijpaarden ten gebruike op de plantages. Voor stalhoudersdiensten zijn de inlandsche dieren ongeschikt, daar zij te weinig massa bezitten om de groote vierwielers door de zandige wegen te kunnen trekken, zoodat paarden voor dit doel ingevoerd moeten worden van Noord-Amerika of van Barbados. De invoer uit Noord-Amerika is zeer oud (zie BEESTENWERK en HANDEL EN SCHEEPVAART, blz. 344). Het inlandsche paard is klein (schofthoogte ± 1.35-1.40 M.) en bezit geene schoone lichaamsvormen. Gebrek aan goed fokmateriaal, slechte teeltkeus en geringe zorg voor de opfokking van het veulen, zijn de oorzaken van den achteruitgang van het paard. De geringe vraag naar paarden is oorzaak van de geringe belangstelling voor deze fokkerij, en doet voor de verbetering van den paardenstapel door maatregelen van gouvernementswege weinig heil verwachten. Het is zeer moeilijk een type vast te stel len, daar door invoer van alle zijden een gemengd ras ontstaan is, dat eenheid mist. De halfbloeds van Britsch-Guiana en van St. Martin, de poneys van Jamaica, het kleine Venezuelaansche bergpaard, gekruist met het inlandsche dier, hebben de eenvormigheid gebroken. Van een ras of slag kan men dan ook bij het paard niet spreken. Alleen het paard der Hollandsche boeren-kolonisten maakt hierop een uitzondering, wijl deze eene gelijksoortige fokwijze bezitten en zich afgezonderd houden. In Coronie kan men bij enkele dieren nog edele vormen opmerken, waarschijnlijk van het Engelsche volbloed afkomstig, uit den tijd toen dit distrikt in den slaventijd door zijne katoen- en suikerstaten in bloei verkeerde en de eigenaars goede paarden uit 't buitenland lieten komen.

Ezels.

Van den ezel wordt in Suriname veel gebruik gemaakt; dit dier is in een heet klimaat bij uitstek in zijn element. De ezel is gemakkelijk te voeden en te verzorgen; uit dien hoofde en om zijn lagen prijs is dit dier een uitnemende hulp voor de mindergegoeden. Aan ezelfokkerij wordt in Suriname dan ook meer gedaan, dan aan de paarden- en muildierfokkerij. Ook de Br.-Indische kleine landbouwers zijn goede ezelfokkers en weten uitstekende mannelijke exemplaren op te kweeken, die dan van hooge waarde zijn. De ezel is een best last- en trekdier; voor het grootste deel worden de transportdiensten in Suriname dan ook door deze dieren verricht. De zorg voor deze teelt is echter over 't algemeen gering. Veelal wordt er te weinig op de voeding gelet, en op het weiland worden de dieren te veel aan zichzelf overgelaten, zoodat maar weinige sterke, hoog uitgegroeide exemplaren verkregen worden. Ook deze teelt kampt met den lagen prijs en de beperkte vraag.

Door den invoer uit Br.-Guiana - waar deze dieren evenals de runderen op de uitgestrekte savannas met weinig kosten gefokt kunhen worden - blijft de marktwaarde laag. Schoeners van St. Martin, Barbados, en Curaçao voeren mede tegen lagen prijs ezels in. De prijzen loopen in Suriname sterk uiteen; voor vrouwelijke dieren verschillen zij van ƒ40 tot ƒ70, mannelijke exemplaren brengen somtijds ƒ150 en meer op.

Muildieren.

Hoewel muildieren, vooral voor zware trekdiensten, zeer gewild zijn, is de fokkerij van geen beteekenis omdat de inlandsche merrie te klein is. Gevraagd worden juist de muildieren met groote massa en behoorlijke schofthoogte, 1.40-1.50 M., zooals die uit Amerika (Kentucky) ingevoerd wor-

[p. 696]

den. De kruising tusschen de inlandsche merrie en den inlandschen ezelhengst geeft een muildier van 1.25-1.30 M.; terwijl ook de kruising met een ingevoerden Kentucky ezelhengst met een schofthoogte van 1.43 M. nog geen nakomelingen gaf, die de gewenschte massa en hoogte konden bereiken. De ingevoerde muildieren worden in de stad voor grootere vrachtwagens, hier en daar ook voor rijtuigen gebruikt; vooral echter op de suikerplantages voor het sleepen der suikerponten en voorts in de goudvelden voor het vervoer van machinedeelen en andere lasten. De kleinere inlandsche muildieren zijn meer bij de landbouwers in aanzien, die hen voor veldarbeid of melktransport gebruiken; door hun volhardingsvermogen en hunne geringe behoeften bewijzen deze dieren goede diensten. Het muildier verdraagt het tropische leven uitnemend. Bestand tegen buitengewone hitte, sterk, met groot uithoudingsvermogen, daarbij niet kieskeurig wat het voedsel aangaat, staat het in vele opzichten boven het paard. Alleen voor snelle gangen is het minder geschikt, hoewel men er ook enkele aantreft, die in draf voor het paard niet onderdoen. Uit Noord-Amerika ingevoerde dieren kosten van ƒ400 tot ƒ500; beste exemplaren, die als rij- of tuigdier zijn uitgezocht, kunnen tot ƒ575 opbrengen; in deze prijzen zijn onkosten voor vracht, verzekering, enz. begrepen. Het inlandsche muildier brengt zelden meer op dan ƒ300 en de gemiddelde prijs kan op ƒ225 gesteld worden.

Schapen en Geiten.

Van weinig belang is de schapenteelt. Vroeger hielden vele plantages in de Warappakreek, in Nickerie en Coronie schapen, doch deze teelt ging langzamerhand achteruit met den achteruitgang der plantages zelve. Volgens Teenstra, De Landb. in de kol. Suriname, I 122, waren de Nickerie-schapen, bekend als Corantijnschapen, beroemd. Zij hadden bruinachtige wol. Naar schapenvleesch bestaat thans weinig vraag; als lekkernij, tegen hooger prijs dan rundvleesch, vindt het geen afzet. Thans zijn er nog slechts enkele schapen in de kolonie. Van meer belang is de geiten-fokkerij, die bij de Br.-Indische landbouwers zeer in aanzien staat; zij betalen veel voor de rammen en eten gaarne het vleesch. De meening dat de Surinaamsche kustlanden voor de schapen- en geitenteelt te laag zijn, blijkt onjuist, als men ziet, dat er in het naburige Br.-Guiana in het district Berbice duizenden schapen en geiten gehouden worden, die in het drassige land goed tieren. De voornaamste reden, waarom deze teelt in Suriname klein blijft, is, dat door gebrek aan natuurlijk weiland de dieren binnen omrasterd land gehouden moeten worden, wat te kostbaar is.

Varkens.

De varkensfokkerij kon in Suriname van veel grooter omvang zijn, en de invoer van varkens uit het district Berbice zou dan onnoodig worden. Ginds leven deze dieren vrij met het rundvee en de schapen op de savannas en eischen dus zeer weinig zorg en onderhoud. In Suriname werden vroeger op de plantages nog al varkens gehouden, die voornamelijk in het voorland en het bosch leefden en 's avonds thuis kwamen, om bacoven te krijgen. Dit vindt men echter nagenoeg nergens meer. Van belang is de varkensfokkerij voor Coronie, waar de cocosnoot-afval het hoofdvoedsel is voor deze dieren; daar worden zij veelal vrij gelaten en voeden zij zich in het bosch en op de savannas met planten, palmpitten en krabben. Het varkensvleesch heeft in Suriname een gereede markt; het toenemend aantal Chineezen, die voor dit vleesch eene groote voorliefde hebben, maakt meer afzet in de toekomst mogelijk.

Hoenders.

De hoenderteelt heeft te allen tijde in Suriname veel belangstelling ondervonden, zoowel door het voordeel als om het genoegen dat zij geeft. De Surinaamsche kip is met allerlei rassen gekruist; zoowel met de hoenders der eilanden - waaronder de kaalhalzige vechthoenders - als met Italiaansche Leghorns, Black Minorca's, Wyandot's, e.a. Van eenvormigheid is dan ook geen sprake. Particulieren hebben meermalen pogingen gedaan om hoenderparken op te richten, maar meestal leefden deze maar kort. Het rashoen is te teer voor dit klimaat; zijn legvermogen vermindert in de tropen. De beste hoenderfokker is ook hier weer de boer, die zijne kippen los laat loopen bij den runderstal, waar het jonge hoen naast dierlijk voedsel ook beschutting tegen slagregens vinden kan. Op de plantages is het kippenhouden zeer geliefd en zijn de kippen vooral voor de afgelegen ondernemingen veelal het eenige versche vleesch. Naast de hoenderteelt vindt men daar de eendenteelt, vooral van de groote doks, een zware vogel, die een zeer smakelijk vleesch verschaft. De kleine eend - kwakwa genaamd - vindt minder aftrek. De prijzen der hoenders zijn hoog en verschillen voor de kippen van ƒ1 tot ƒ1.75; de hanen betaalt men soms met ƒ2.50; de eenden met ƒ1.75 tot ƒ2.50. De eieren kosten, evenals in Nederland, van 5 tot 10 cent. Kalkoenen schijnen het best in het district Coronie te aarden. In vroeger jaren werden ook parelhoenders veel gekweekt.

Maatregelen tot verbetering van den veestapel.

Van gouvernementswege zijn meermalen pogingen in het werk gesteld, om de veeteelt aan te moedigen en den veestapel te verbeteren. Reeds in 1842 (G.B. no 9) werden premiën uitgeloofd op het aankweeken van hoornvee en schapen. Later werden commissiën benoemd, welke o.a. ten doel hadden de bestudeering van het plan tot oprichting eener gouvernementsmodelhoeve. Dit denkbeeld mocht geen ingang vinden; goed geleid had de zaak misschien van veel nut voor de kolonie kunnen zijn, vooral wanneer men zich de aflevering van goed fokvee tot taak gesteld had.

Aan de verbetering van den paardenstapel staat de geringe vraag in den weg. Ten behoeve van de muildierfokkerij werd een Kentucky-ezelhengst van ± 1.43 M. door de eigenaars van de plantage Beekhuizen aangevoerd, welk dier uitnemende nakomelingen verwekte, doch de proef moest gestaakt worden uit gebrek aan belangstelling.

Er werd getracht den runderstapel, die goede fokstieren noodig had, te verbeteren door den invoer van stieren uit Trinidad, aangekocht op de gouvernementshoeve aldaar, en er werd een 5-tal ¾ Zebu's op verschillende plaatsen in de kolonie gestationneerd. De Zebu is een groot, sterk dier, buitengewoon tegen de klimaats-invloeden bestand, doch geen goede melker. De afstammelingen waren zeer gewild, hooger en zwaarder gebouwd, goede weiderunderen en zeker niet minder in de melk. Behalve deze Zebu's werden nog een halfbloed-Shorthorn en eenige halfbloed-Guernseys gestationneerd, terwijl 2 jonge Shorthorn-Holsteiners voor de fokkerij bestemd waren. Behalve door de Br.-Indische landbouwers werd van deze fokstieren echter zeer weinig gebruik gemaakt, hetgeen voornamelijk te wijten is aan de wijze waarop door de veehouders geteeld wordt. Op het land toch loopen de koeien met een naar verhouding veel te groot aantal stieren zonder toezicht rond, zoodat van leiding der teelt geen

[p. 697]

sprake is. Ook op de stalweiden van Coronie en Nieverie staan fokstieren gestationneerd. In het belang der schapenfokkerij werden schapen gestationneerd op het fort Nw-Amsterdam, waar de bastions voldoende grasland voor onderhoud opleveren, maar deze proef is opgegeven.

Ten behoeve van de hoenderfokkerij werd door het gouvernement in 1909 een hoenderpark opgericht en werden de eerste proeven genomen met Plymouth-Rocks, Black Minorca's en Peking-eenden. De eerste uitkomsten waren verre van gunstig. Black Minorca's - goede eierleggers - hielden spoedig met leggen op, het bleken teere vogels; de kruisingen echter van deze hoenders met het inlandsche hoen, waren mooie vogels, die klimaat en bodem goed verdroegen. De Peking-eenden hielden zich uitnemend en waren goede leggers.

Veeziekten.

Besmettelijke veeziekten komen in de kolonie weinig voor. De veestapel is klein en de dieren zijn verspreid. Het toezicht op den invoer, en de hooge kosten van vervoer, die maken dat alleen goed en gezond melkvee ingevoerd wordt en de lange reis, waardoor besmette dieren de ziekte reeds onderweg vertoond zouden hebben, houden Suriname van veeziekten vrij. Het vee dat als slachtvee wordt ingevoerd, gaat nooit verder dan de stallen der slagers in de stad en heeft dus geen kans den stapel te besmetten. Toen dan ook in 1905 een drietal gevallen van miltvuur zich onder het pas ingevoerde slachtvee voordeed, bleef deze besmettelijke ziekte tot die groep beperkt. Van meer beteekenis is het voorkomen eener pernicieuse anaemie, die vooral de runderen aantast, doch zich goed laat bestrijden. Besmettelijke cerebro-spinaal menyngitis heeft zich een enkele maal onder het paardenras vertoond en tastte veel jonge paarden, muildieren en ezels aan, meestal met doodelijke gevolg.

Met den veeartsenijkundigen dienst in Suriname, die onder de inspectie van den geneeskundigen dienst ressorteert, is een gouvernements-veearts belast, welke heeft toe te zien op den gezondheidstoestand van den veestapel en maatregelen heeft te beramen tot verbetering daarvan.

Het toezicht op den veestapel bestaat vooreerst in het keuren op schepen, die vee aanvoeren en voorts in de zorg voor het naleven der voorschriften tot bestrijding van besmettelijke ziekten. Deze voorschriften opgenomen in de verordening van 4 Febr. 1910 (G.B. no 20) en het Besluit van 27 Mei 1910 (G.B. no 30) zijn nagenoeg dezelfde als die, welke in Nederland gelden en neergelegd zijn in de wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie van 20 Juli 1870 Stbl. 131.

Vleeschkeuring.

De vleeschkeuring is zoowel voor de stad als voor de districten bij verordening geregeld. Zij wordt binnen Paramaribo uitgeoefend door den gouvernements-veearts, die tevens de werkzaamheden van directeur van het slachthuis waarneemt, terwijl zij buiten Paramaribo door de districts-geneesheeren wordt verricht. In vroeger jaren geschiedde de keuring door den ‘keurmeester van het beestiaal’ (zie G.B. 1828 no 17, art. 38 en 39). Voor de keuring betaalt de slachter buiten de stad ƒ1.50 per rund en ƒ0.60 voor een varken, schaap, of geit. Het slachten van vee binnen Paramaribo moet geschieden in het abattoir. Alleen bij noodslachting wordt het dooden buiten het slachthuis toegestaan, waarna het gedoode dier naar het slachthuis ter keuring en afslachting vervoerd moet worden.

Het slachthuis te Paramaribo werd in Mei 1899 geopend, is practisch ingericht en voldoet aan de eischen. Het slachten geschiedt volgens de moderne methoden. Er zijn stallen voor runderen en voor varkens. Voor mikroskopisch onderzoek is een gedeelte van het kantoor ingericht. De gouv. veearts is directeur der inrichting, tevens keurmeester; de onderdirecteur is assistent-keurmeester. Hij die van het slachthuis gebruik maakt heeft keur- en slachtgeld te betalen.

De zekerheid dat het slachthuis op de hoedanigheid van het vleesch toezicht houdt, doet het verbruik van vleesch toenemen.

Voedergewassen.

Vier planten zijn in het bijzonder veevoeder; drie er van zijn grassen, één, gado dédé, is geen gras. De grassen zijn: boeskoetoegrassi (beschuitgras, Paspalum sp.), Bahamagras of tigriston (Cynodon dactylon) en Paragras (Panicum numidianum) het eenige gras dat men kweekt. Beschuitgras groeit vrij plat op den bodem, kan door het vee goed afgegrazen worden, maar is minder goed snijgras, hoewel het toch gesneden wordt met het kapmes (houwer, zie aldaar) of met een sikkel. Hetzelfde geldt voor het Bahamagras. Paragras is het meest vóórkomende en gezochte snijgras; het is langhalmig, met veel blad, groeit gemakkelijk op vochtige plaatsen, kan tot 3 voet hoog worden, en is, eenmaal aanwezig, moeilijk uit te roeien, waarom het geldt als een ‘kwaad wied’ (onkruid). Het wordt dagelijks voor het vee gesneden en wordt ook in bossen verkocht. Guineagras (Panicum maximum), van Trinidad ingevoerd, staat bij Paragras achter en is in Suriname niet gewild omdat het nog al zorg eischt en bemesting noodig heeft. Gado dédé (Commelina), in 2 soorten, wordt gaarne door het vee gegeten; de volksmeening zegt, dat de melkproductie er door toeneemt, maar dat de melk wateriger wordt, hetgeen onjuist is. Als veevoeder komen nog in aanmerking de bacoven, vooral appelbacoven. Op de plantages zijn zij boomrijp, doch nog groen het meest gebruikte bijvoer. Van de bananen worden alleen de schillen als bijvoer gegeven, omdat de bananen te duur zijn. Ook zoete patatten, zoete kassaven, alsook het loof van de patatten en de stokken van de kassave dienen tot veevoer. Van vruchten zijn het de broodvrucht (Artocarpus) zoowel voor rund als voor varken en de papaja (Carica) die van waarde zijn. De kokosnoot levert een uitmuntend voedsel voor varkens. In Coronie vormt het residu, dat bij de kokosolie-bereiding overblijft, het hoofdvoer voor de varkens. Door persen van de gedroogde copra krijgt men een koek, die voor runderen een best voedsel is. Andere vruchten, als guaven, manjes en palmpitten, worden door varkens, die in vrijen staat gehouden worden, gaarne opgezocht. Maïs (Zea maïs) neemt in Suriname voor een groot deel de plaats van den haver in; vele paarden en muilezels en nagenoeg alle ezels krijgen maïs als eenig bijvoer. Voorts is het ook het kippenvoer bij uitnemendheid. Van de maïsplant als groen voer wordt weinig gebruik gemaakt. De prijs van de maïs is echter zeer onregelmatig en schommelt van ƒ1-ƒ8 per zak van 45 K.G. Sedert de uitbreiding van de rijstcultuur levert de afval uit de pelmolens met een weinig water tot een stijve massa gekneed een goed en goedkoop voer. Ook gemengd met maïs en haver wordt rijst gegeven. Melasse en molascuit zijn als veevoer ook van groote waarde. Het suikerriet zelf wordt niet als voer gebruikt, doch wel de bladeren.

Naast de genoemde voortbrengselen van het land zelf worden allerlei voedingsmiddelen ingevoerd, zooals haver, tarwe-zemelen, oilmeal, lijnkoeken, enz.

[p. 698]

Litt. M.D. Teenstra, De Landb. in de kol. Suriname, Gron. 1835, II 353-398. - A. Kappler, Surinam, Stuttg. 1887, blz. 378-383. - Dr. H.J. van der Schroeff, Een en ander over de veeteelt in Suriname (Veeartsenijkundige Bladen voor Ned. Indië, 1912, deel XXIV, afl. 1 en 2).

 

H.J.v.d.S.

 

Staat van den veestapel in Suriname:

Jaren. Runderen. Paarden. Muilezels. Ezels. Varkens. Schapen. Geiten.
1850 5564 168 59 118 4664 3115 454
1860 4762 194 28 191 3034 3895 377
1870 3842 253 111 204 1908 2039 407
1880 3555 202 71 220 1992 655 718
1890 3856 237 68 307 2411 369 596
1900 6949 284 142 385 2837 185 1848
1905 8535 230 81 568 2662 138 1807
1906 7360 212 152 388 2462 130 1649
1907 7115 257 125 523 2534 114 1660
1908 7445 265 114 527 2923 113 2065
1909 6990 270 257 321 2726 109 2686
1910 7462 236 103 510 3271 151 2604
1911 7066 275 202 446 3150 104 2626
1912 7218 263 176 593 3618 107 2812
1913 7583 258 216 599 4662 176 2840
1914 7518 244 165 690 4295 206 2811

De opmerking mag hier niet achterwege blijven, dat bovenstaande cijfers met hun al te grilligen loop niet veel vertrouwen schijnen te verdienen.

De Nederlandsche Antillen.

De veeteelt is op de Benedenw. eilanden steeds van beteekenis geweest. Toen Curaçao in 1534 op de Spanjaarden veroverd werd, waren er 750 paarden, 2000 stuks hoornvee, 9000 schapen en 1000 kabrieten, niettegenstaande door een vierjarige droogte de helft van het vee gestorven en er veel vee geslacht was om huiden uit te voeren. De West-Indische Compagnie, hechtte groote waarde aan de veeteelt, die op de uitgestrekte terreinen welke de eilanden aanboden, weinig kostbaar was; telkens drong zij er op aan dat de directeurs hunne goede zorgen zouden wijden aan het vee, het vee n.l. der Compagnie. Particuliere fokkerij zag zij liever niet. Alleen voor eigen gebruik mochten particulieren vee houden; de ‘hoogst gegoeden’ 300 stuks klein- en 50 stuks groot vee, paarden daaronder gerekend; in 1678 heeft Jan Doncker daaromtrent een placaat uitgevaardigd, eenige jaren later door Van Liebergen vernieuwd. Den veehandel hield de Compagnie aan zich (zie Kol. Verslag van Curaçao, 1910, Bijl. D. blz. 4-7 en over het weiderecht het art. GRONDPOLITIEK, blz. 335). In 1700 hadden de 8 Compagnie's-plantages op Curaçao te zamen: 1572 hoorn beesten, 4626 schapen en 4586 geiten. Toen in 1716 al deze plantages, Hato uitgezonderd, verhuurd waren, eindigde de beoefening van de veeteelt door de Compagnie op Curaçao. Niet echter op Aruba en vooral niet op Bonaire, dat feitelijk één groote Compagnie's-plantage was (zie GRONDPOLITIEK, blz. 336), waar men veel zorg aan het vee besteedde. In 1761 waren er op Bonaire 2130 ezels, 360 paarden, 107 koebeesten, 30 kalveren, 234 schapen en 56 lammeren. Op Aruba liet men het vee der Compagnie in het wild loopen en slechts als men paarden kon verkoopen of als er op Curaçao gebrek aan vleesch kwam, liet men een deel van het vee door de Indianen opvangen. Ook muilezels werden reeds ten tijde der Compagnie op Aruba gefokt.

Uitvoerig handelt de Gouv. Gen. Kikkert in een verslag, gedagteekend 2 Juli 1817, over de veeteelt op Curaçao. De paardenfokkerij werd toenmaals op bijna alle plantages beoefend; vooral de z.g. ‘pasgangers’ brachten goede prijzen op. Door de droogte van 1815 en 1816 waren velen gestorven; in 1817 waren er nog 430. De muilezel-fokkerij was achteruitgegaan, omdat de dieren te klein waren en op de naburige eilanden niet gewild. Er waren slechts 28 op het eiland. Met de ezels, die zeer goed de droogte verduren en op het eiland voor allerlei doeleinden gebruikt worden, ging het beter; daarvan waren er 734. De Curaçao'sche runderen, hoewel van de Spaansche kust afkomstig, waren beter dan deze en werden naar de wijze van opbrengenin ‘hand koeijen’ en ‘boschkoeijen’ onderscheiden. De laatste wierpen hunne kalveren in het wild. Ossen werden voor het trekken en ploegen gebruikt. Het getal runderen bedroeg 3304. Geiten, kabrieten genoemd, worden de geschiktste dieren voor het rotsige eiland genoemd. Zij beklimmen met verbazende vlugheid de steilste rotsen en zoeken op de ongenaakbaarste toppen hun voedsel dat meestal in struiken en doornen bestaat. Aan water hebben zij geen behoefte en de droogte deert hen niet. Hun getal was toen 6825.

Men vond toen op Curaçao drie soorten van schapen: de kale, de langwollige of, beter gezegd, langharige en de breedstaartige of Turksche schapen. De eerste, die in het geheel geen wol, maar een soort kort en grof haar hadden, waren het best bestand tegen de hitte en de droogte, teelden het best voort en werden eerder vet dan de andere. De langharige hadden lang en grof haar, overeenkomende met de manen van een jong wit veulen. De Turksche schapen worden beschreven als hebbende groote, krullende hoorns, zeer breede staarten en wol ‘zoo dik en digt in elkander gepakt alsof er lijm aan gesmeerd was.’ Zij teelden slecht voort en konden niet tegen de droogte; in den regentijd werden zij buitengewoon vet; de staart alleen kon acht pond wegen. Kruisingen van de drie soorten kwamen ook voor. Het getal schapen was toen 30.660. Teenstra schatte het aantal schapen omstreeks 1830 op 50.000 en maakt melding van een proef met Merino-schapen op de plantage Savonet, die goed aardden en zeer goede wol gaven. Van de Turksche schapen spreekt hij niet. Het aantal kabrieten schatte hij op 50.000. De varkens beschrijft hij als ‘klein, met spitse snuit en steile ooren, meestal zwart of grijs van kleur en geel gespikkeld van haar.’

Van Bonaire deelt hij niet anders mede dan dat er ezels in het wild in het gebergte leefden, die nu en dan bij voorkomende aanvragen van Curaçao of Jamaica, op last van den Kommandant van Bonaire door de Indianen gevangen werden. Van Aruba wordt gezegd dat er een levendige handel werd gedreven met de tegenoverliggende kust, van waar ezels en ossen, vroeger ook paarden, gehaald werden, welke, na een geruimen tijd in de weide te hebben geloopen, naar de noordelijke Antillen werden uitgevoerd. Het gouvernement hield niet meer dan 200 ezels; het meerdere werd uitgevoerd, veelal naar Jamaica. Over den oorsprong van den naam Paardebaai, waaraan de hoofdplaats ligt, zie ARUBA, blz. 59.

In een verslag van den kommandant van St. Martin en Saba, Cantzlaar, omstreeks 1818 opgesteld, leest men dat de veeteelt op de eilanden destijds

[p. 699]

‘niets beduidend’ was en alleen strekte voor de eigen behoefte. Schapen, geiten, bokken en varkens werden geteeld en de schapen, vooral van Saba, soms naar de naburige eilanden uitgevoerd.

Omtrent St. Eustatius wordt in een verslag van den Gouv. A. de Veer van 27 Aug. 1819 gerapporteerd dat de veeteelt er niets beduidend was en alleen aan de inwoners eenig versch vleesch, melk en een weinig boter verschafte. De schapen die men kweekte waren met een haarachtig wol bedekt ‘ondienstig tot eenig gebruik.’ Volgens Teenstra was omstreeks 1830 op St. Martin de veeteelt van zeer geringen omvang; de cijfers, die hij voor 1816 opgeeft waren: 83 paarden, 254 muilezels, 24 ezels, 705 runderen en 1375 schapen; het getal kabrieten en varkens was niet te schatten. Voor St. Eustatius vermeldt hij voor 1829 de volgende cijfers: 132 paarden, 130 muilezels, 90 ezels, 393 runderen, 570 schapen, 52 geiten en 55 varkens. Er waren 11 veeplantages op het eiland. Voor Saba waren de cijfers in 1829: 3 paarden, 5 muilezels, 150 runderen, 300 schapen, 800 geiten en 600 varkens, waaronder er van meer dan 300 ponden zwaarte gevonden werden.

Over den tegenwoordigen toestand van de veeteelt op Curaçao geeft Rijkens belangrijke beschouwingen; ter verbetering van het runderras hebben particulieren herhaalde malen fokdieren van elders laten komen. Ook de ‘Curacao'sche Maatschappij ter bevord. v. Land-, Veeteelt, Zoutwinning en Visscherij’, die een subsidie uit de kol. kas geniet, legt zich toe op de verbetering van de veerassen. Uitbreiding van den veestapel is noodig, want slachtvee wordt nog grootendeels ingevoerd. Hoewel het melken niet op de beste wijze geschiedt, krijgt men van koeien, op het eiland gefokt 8, 10 tot 12 L. melk per dag. De veehouders, wier plantages niet te ver van de stad liggen, verkoopen daar al de melk; die daar ver vandaan wonen verwerken haar tot boter (zie aldaar). Op de plantages verblijft het vee in de koraal (zie aldaar). Een zeer belangrijke plaats neemt de geiten- en schapenhouderij in; deze dieren zijn zoowel voor de plantage-eigenaren als voor den kleinen man, de voornaamste bron van inkomsten. De geschiktheid van het eiland voor de teelt van merino-schapen - reeds in 1838 ook door het Koloniaal gouvernement ingevoerd - blijkt uit de kudde van de plantage Savonnet, waar zij reeds een halve eeuw worden gehouden zonder dat het ras sterk is achteruitgegaan. Verbetering door kruising met goede rassen, blijft wenschelijk. Het belangrijkste dier voor Curaçao is de kabriet, die nog voedsel vindt waar alle andere verhongeren. Zij is slacht- en melkdier; de melk brengt denzelfden prijs op als koemelk; de houder, die te ver van de stad woont, maakt van de melk een soort kaas (zie aldaar). Een stelselmatig gedreven fokkerij van rasgeiten - en hoenders - is van gouvernementswege ingericht in den proeftuin op Cas Chiquito. Over de struisvogelteelt zie NIJVERHEID, blz. 512. Voor den landbouw zijn kabriet en schaap in hooge mate schadelijk; waar zij komen, vernietigen zij alle kultuur en maken het ontstaan van nieuwen plantengroei onmogelijk. Aan verbetering van den landbouw behoeft niet te worden gedacht, zoolang de geiten- en schapenhouderij niet wordt beperkt (zie Jhr. L.C. van Panhuys, T.A.G. 1905. 2e serie deel XXII, no. 5, blz. 772-780).

Voor de varkensfokkerij, die vooral door den kleinen man wordt gedreven, is het dorre klimaat niet geschikt. De teelt van de voor het eiland buitengewoon nuttige ezels laat veel te wenschen over; er is geen sprake van een goede keus der fokdieren en de beesten worden te jong gebruikt en vaak mishandeld. Het getal neemt dan ook af.

Voor alle veeteelt op de Benedenw. eilanden is de geringe regenval een groot bezwaar; bij aanhoudende droogte, wanneer er watergebrek ontstaat en de oogst mislukt, sterven tallooze dieren.

Over den uitvoer van mest zie aldaar.

Veeziekten.

In zijn bovengenoemd verslag beschrijft Kikkert een ziekte, die aan vele kabrieten-lammeren het leven kost, n.l. een soort uitwassen aan en in den bek, waardoor hun het zuigen belet wordt. Vele volwassen dieren stierven aan de ‘pest’, waaraan ook de schapen leden en waarvan hij de volgende beschrijving geeft: ‘het besmette schaap begint eensklaps te beven en te schuimbekken, de oogen worden opgezet en bloedrood, vervolgens begint het bloed uit de neusgaten en den bek te druipen en het schaap sterft binnen weinige uuren. Bij het villen ziet men dat de bloedvaatjes gebarsten zijn en dat de blaas vol bloed is.’

Onder de paarden komt een ziekte voor, in de landstaal hába genaamd, bestaande in het uitgroeien van het tandvleesch en zwelling van een paar klieren onder de tong. De zwellingen zijn pijnlijk, zoodat het zieke dier traag eet en vermagert. De geneeswijze bestaat in uitsnijding der gezwollen deelen.

De grootste vijand van alle vee is echter de droogte; deze eischt dikwijls ontzaglijke offers.

Een veearts heeft Curaçao niet. In 1904 kon Van Kol nog schrijven: ‘De ziekten onder het vee zijn nog even onbekend als die der divi-divi, der oranje-boomen, der bacoves en der bananen.’ En sedert is men er niet op vooruitgegaan.

Voedergewassen.

Gras komt na het invallen der regens op Curaçao overal krachtig op. In bouwland is het onkruid, dat de jonge maïsplantjes snel overwoekert. Bij het behakken van de maïs moeten daarom de graskluiten gekeerd worden. Zoo droogt het gras ten halve op het veld en wordt dan in massa door vrouwen en kinderen ingezameld, die het 's avonds naar de stad brengen. Eigenaars van paarden koopen deze ‘beeuw’ op, drogen die verder en bewaren ze, met veel aarde en de wortels er aan, als hooi; veelal wordt de aarde er, vóór het opschuren, wat uit geschud. Snijden doet de Curaçaosche veldarbeider het gras alleen op bevel: het daaruit gemaakte hooi komt zeer duur uit. Als de maïs zoo hoog is, dat ze geen bepaalden hinder meer van het gras heeft, wordt ze niet meer getjapt (behakt), ter wille juist van dit gras; daar het na half Februari niet meer regent blijft het dorre gras als goed hooi op het land achter en bederft daar niet. Daarom ook worden regens in April schadelijk geacht, wijl zij het te velde staande hooi bederven. Na het snijden van maïs en maïsstokken laat men het vee op het bouwland toe; Mei is daardoor de beste tijd voor het vee.

Paragras (in 1848 door van Raders uit Suriname naar Curaçao gezonden) komt op de gunstigst gelegen plaatsen zonder besproeiing voort, wordt vooral in den omtrek der stad, met behulp van irrigatie, op veldjes van hoogstens enkele aren grootte, gekweekt. De cultuur is gemakkelijk: het gras laat zich zonder moeite scheuren en, ingekort, uitplanten. In het begin moet herhaaldelijk gewied worden, af en toe moet mest worden opgebracht; de voornaamste zorg is die voor voldoende water. De cultuur is wel loonend, er is altijd afzet voor in de stad, daar het in den drogen tijd het eenige beschikbare groenvoer is. Men verkoopt het in bossen van ± 5 pond, ‘pakjes’ genoemd, tegen 25 cent.

[p. 700]

Wordt de droogte feller, dan daalt het aanbod van paragras; de prijs blijft 25 cents, doch de pakjes worden steeds kleiner.

Het vee eet paragras uitsluitend in verschen toestand, laat ook de oudere stengels onaangeroerd.

Guineagras komt op de Bovenw. eilanden in het wild en gekweekt voor en is daar het voornaamste voedergewas. Op Curaçao treft men het slechts op een paar plaatsen in kleine hoeveelheid aan; het vee eet het ook in gedroogden toestand.

Een voornaam voer is de kleine maïs (Andropogon sorghum). Over het gebruik daarvan zie MAÏS, blz. 457.

In tijden van droogte behelpt men zich met alles, zelfs versch afgesneden twijgen van den kalebasboom die veel voorkomt, en ook takken van barba di jonkeman (Albizzia lebbek) worden dan als voer gegeven. Ook sommige cactussoorten (zie CEREUS). Is er geen voer meer, dan worden vele dieren geslacht.

Litt. M.D. Teenstra, De Nederl. W.I. Eilanden, Amst. 1836/37. - S. van Dissel, Curaçao, Leyden 1857, blz. 121. - G.J. Simons, Beschr. v.h. eiland Curaçao, Oosterwolde 1868, blz. 11-113. - H. Van Kol. Naar de Antillen en Venezuela, Leiden 1904, blz. 219, 290 en 309. - R.H. Rijkens, Curaçao, Tiel 1907, blz. 42-49. J.H.J. Hamelberg, De Nederl. op de W.I. Eilanden, Amst. 1909. II, 86, 87, 88, 92, 193 en 194. - Dr. J. de Hullu, Curaçao in 1817 (Bijdr. Taal-, Land- en Volkenk. v. Ned.-Indïë, 1913, deel 67 blz. 586-591). - Idem, St. Eustatius in 1819 (Ibidem, 1913, deel 68 blz. 435 en 436). - G.B. Dussel, Jaarversl. v.d. Landbouwkundige over 1913 (Dept. v.d. Landb. in Suriname, verslag over 1913, blz. 79 en 80). - Dr. J. de Hullu, St. Martin en Saba omstreeks 1818 (De Ind. Gids Febr. 1916, blz. 210). - Koloniale Verslagen.

 

Staat van den veestapel op Curaçao:

Jaren. Runderen. Paarden. Muilezels. Ezels. Varkens. Schapen. Geiten.
1850 2981 398 23 2610 51 26156 19306
1860 2651 419 38 1886 364 25931 17014
1870 1588 193 132 1427 511 17444 22662
1880 2294 254 232 1995 475 23452 31340
1890 1813 221 160 1912 1529 18047 33515
1900 2034 375 167 2707 1588 20561 41251
1905 1249 187 113 1883 665 10035 25086
1906 1604 305 117 2194 1087 8064 25041
1907 1697 389 106 2521 2303 10772 30055
1908 1537 348 110 2322 1442 10106 26602
1909 1913 423 120 2567 1650 11178 30527
1910 1811 425 123 2947 2648 13472 30968
1911 2106 398 106 2714 2261 11715 28094
1912 1237 266 96 1799 1261 5039 18099
1913 1400 321 91 2215 1412 7075 25065
1914 1407 272 81 2244 1307 6771 24856

Deze cijfers, ook die van de overige eilanden, maken zulke grillige sprongen, dat twijfel aan de juistheid geoorloofd is, al zijn ze ook ontleend aan de Koloniale Verslagen. Ongetwijfeld heeft men hier in vele gevallen, in 't bijzonder wat betreft de geiten en varkens, te doen met geschatte cijfers. Genomen voor wat ze waard zijn, wijzen ze op een bijna algemeenen achteruitgang van den veestapel.

Staat van den veestapel op de overige eilanden.

Jaren. Runderen Paarden. Muilezels. Ezels. Varkcns. Schapen. Geiten.
Aruba.              
1910 120 82 27 1319 2092 5647 7732
1911 127 93 30 1211 2300 5511 7715
1912 67 78 32 839 1520 2330 4685
1913 64 81 31 866 1563 2615 5285
1914 58 42 20 582 1048 1744 3520
               
Bonaire.              
1910 250 112 12 2211 946 4057 19524
1911 200 106 12 1146 815 3670 15700
1912 105 79 11 739 387 1511 10710
1913 65 57 15 800 292 1677 14980
1914 53 54 5 823 255 1856 15355
               
St. Martin.              
1910 864 103 6 5 171 706 237
1911 642 74 5 3 140 662 257
1912 875 83 7 4 233 357 231
1913 847 125 13 3 152 282 175
1914 863 85 4 5 202 272 140
               
St. Eustatius.              
1910 527 43 3 178 250 314 511
1911 448 53 5 253 270 283 466
1912 390 60 8 194 193 135 360
1913 441 59 35 213 239 107 252
1914 467 57 31 243 279 87 287
               
Saba.              
1910 150 12 - 1 245 151 312
1911 165 14 - 1 275 180 398
1912 133 16 - 2 222 165 469
1913 146 14 - 1 267 182 417
1914 151 9 - - 317 203 498

Vera (Domingo de),

Generaal onder Antonio de Berreo, den uit Raleigh's reisverhaal bekenden Gouverneur van Trinidad, nam op 23 April 1593, in naam van den Koning van Spanje, plechtig bezit van de landstreek Guiana. De tekst van de acte van inbezitneming is o.a. te vinden in de Chronological History of the Discovery and Settlement of Guiana, 1493-1668, bij James Rodway & Thomas Watt, Georgetown 1888, blz. 23 vlg. en verkort in Hartsinck's Beschr. v. Guiana, Amst. 1770, I, 133 en in Wolber's Gesch. v. Suriname Amst. 1861, blz. 26 en 27.

Verbena chamoedifolia

Juss. Fam. Verbenaceae. Lilac verbena, bov. e. Sierplantje met grofgezaagde, langwerpige bladeren en bloemen, die in een schermvormig hoofdje geplaatst zijn, met lange bloemkroonbuis. Gekweekt.

Verbond (Algemeen Nederlandsch).

Groep Suriname.

Het A.N.V., in 1898 in Nederland opgericht, telde in 1902 in Suriname 19 leden zonder eenig verband. Op raad van den oud-gouverneur van

[p. 701]

Suriname, Jhr. Mr. T.A.J. v. Asch van Wijck, stelde het Hoofdbestuur in het moederland in dat jaar zich in verbinding met den heer Mr. Dr. C.F. Schoch, die in de kolonie met eenige ingezetenen een Bestuur wist samen te stellen, waarna de ‘Groep Suriname’ werd gevormd. De werkzaamheden van dit bestuur bepaalden zich tot het werven van leden, waarbij het ijverig werd bijgestaan door het gewone lid, den heer Fred. Oudschans Dentz, die ook aan den verderen arbeid der Groep een werkzaam aandeel heeft genomen; het getal leden klom van 1902 tot begin 1905 van 19 tot 150. Door verspreiding van het bondsorgaan Neerlandia werd voor propaganda gezorgd; belangrijk was vooral het ‘Suriname-nummer’ van dit tijdschrift (Sept. Oct. 1903), dat uitsluitend door Surinaamsche krachten is bewerkt en dat nog steeds zijn beteekenis heeft als bijdrage tot de kennis van de kolonie. In 1905 nam een groot gedeelte van het bestuur ontslag en een nieuw bestuur onder voorzitterschap van den heer C.R. Frowein trad met veel ijver op. Na een welgslaagden propaganda-avond met actueele lezingen, als ‘Het bestaan van den Nederlandschen stam als volk gedurende de laatste drie eeuwen’ steeg het aantal leden van 150 tot 242, welk aantal in de drie volgende jaren steeds wassende bleef, tot het in 1908 zijn hoogtepunt van 531 bereikte. Die jaren behooren dan ook tot het bloeitijdperk van de Groep: groote mannen werden door haar herdacht: Rembrandt-avond, De Ruyterfeest; lezingen op letterkundig, geschiedkundig en wetenschappelijk gebied werden gehouden, een Groepskantoor met leestafel werd gesticht en geldelijke steun verleend aan in het moederland studeerende Surinaamsche jongelieden. Ook in 1909 werd nog bedrijvigheid ontwikkeld. De geboorte van Prinses Juliana werd gevierd met een luisterijken avond; een Heye-herdenking en enkele lezingen stonden op het program. De Groep verkreeg rechtspersoonlijkheid. In dat jaar begonnen zich de eerste sporen van achteruitgang te vertoonen. Het aantal leden verminderde tot 399, de belangsteling verflauwde en het is opeenvolgende besturen niet mogen gelukken haar te doen herleven en een steeds toenemende inzinking tegen te houden. Het Groepskantoor kwijnde en de vermindering van het ledental ging gepaard met geldelijke moeilijkheden, die het Groepsbestuur noodzaakten in 1910 voorstellen te doen om de bijdrage aan het Hoofdbestuur aanzienlijk te doen verminderen, waarbij het Hoofdbestuur de Groep welwillend te gemoet trad.

In 1910 kon een sinds lang gekoesterd plan worden verwezenlijkt. Door aankoop van een oude boekerij eener particuliere leesinrichting kon de grond worden gelegd voor een volksbibliotheek, die door de Boekencommissie uit het moederland zooveel doenlijk werd aangevuld, welke bibliotheek onder de bevolking veel lezers trok en die in de volgende jaren nog een succes van de Groep kon genoemd worden. Desalniettemin leidde de Groep een steeds kwijnender bestaan, het ledenaantal nam onrustbarend af, bedroeg in 1911 nog maar 243 en daalde weldra tot beneden de 200. Door eenige lezing-avonden trachtte het Bestuur de belangstelling gaande te houden, maar ook deze bleken hun vroegere aantrekkingskracht te hebben verloren. Om het troostloos bestaan niet langer te rekken, deed in Nov. 1913 het toenmalige bestuur aan een buitengewone Groepsvergadering het voorstel, de Groep, behoudens goedkeuring van het Hoofdbestuur, te ontbinden, welk voorstel werd aangenomen. Om geldelijke verplichtingen na te komen werden de groepseigendommen, waaronder de bibliotheek, onder den hamer gebracht.

Het Hoofdbestuur heeft zich echter met de voorgestelde ontbinding der Groep niet kunnen vereenigen en heeft zich met enkele personen in de kolonie in verbinding gesteld om tot weder-opleving van de Groep te geraken. Gunstiger tijdsomstandigheden worden echter afgewacht. Volgens een opgave in Neerlandia van Mei 1916 was het ledental op 31 Dec. 1915, 174.

Groep Nederlandsche Antillen:

Vóór deze Groep in 1904 tot stand kwam waren er op Curaçao, St. Eustatius en St. Martin reeds een 25tal leden; de heer J.H.J. Hamelberg was toen de vertegenwoordiger van het Verbond. Toen hij als tijdelijk zaakgelastigde te Caracas geplaatst werd, noodigde het Hoofdbestuur in Nov. 1913 den heer J.A. Snijders Jr. uit om het Verbond te vertegen woordigen. Reeds waren, op verzoek van de heeren G.J. van Grol, gezaghebber van St. Eustatius, en G.R. Zeppenfeldt, gezaghebber van Aruba, door het Hoofdbestuur op die eilanden boekerijen opgericht; kort daarna ook op Bonaire. In Nov. 1904 werd de groep georganiseerd; het getal leden was toen 100 en op elk eiland was er een vertegenwoordiger, op St. Eustatius een vertegen woordigster, mevr. J. van Grol. Op 16 Nov. had de eerste bijeenkomst plaats en werd een groepsbestuur gevormd. Op 29 Nov. hield men de eerste algemeene vergadering. Het Hoofdbestuur stelde twee studiebeurzen. elk à f 500, gedurende vijf jaren beschikbaar ten einde Curaçaosche jongelieden de gelegenheid te geven zich in Nederland verder te bekwamen. Tot hetzelfde doel geniet de groep uit de koloniale kas jaarlijks een geldelijke ondersteuning.

Het groepsbestuur heeft ook medegewerkt aan de oprichting in 1915, op advies van Prof. Kraus, van de Curaçaosche vereeniging Vreemdelingen verkeer.

Het ledental op al de eilanden te zamen bedroeg op 31 Dec.

1910 302
1911 253
1912 225
1913 225
1914 208
1915 215

In 1914 werd de afdeeling Bonaire opgeheven.

Het bondsorgaan Neerlandia gaf uit:

Juli-Aug. 1905 een Curaçao-nummer,
December 1907 een Bonaire-nummer,
December 1911 een Aruba-nummer,
alle drie met zeer mooie kiekjes verlucht. In voorbereiding is een nummer aan St. Eustatius gewijd.

Verbrande bosch. (het)

Een weinig beoosten Braamspunt was er lange jaren een groote open plek in het bosch langs de kust van Suriname, met talrijke dorre stammen van verbrande boomen, het verbrande bosch geheeten, dat een uitstekend merk was voor het verkennen van de monding der Suriname-rivier. Tegenwoordig is deze open plek grootendeels weder dichtgegroeid en als ‘kenbaar teeken’ voor de scheepvaart niet meer te gebruiken.

Verdragen.

Overal waar naast elkaar staande territoriale rechtsgemeenschappen voor gezamenlijke belangen voorzieningen wenschen te treffen, plegen zij dat o.a. te doen in den vorm eener gezamenlijk tot stand gebrachte gemeenschappelijke regeling. Men treft deze gemeenschappelijke regelingen aan bij de nederlandsche rijksgemeenten of provinciën (art. 121 gemeentewet en art. 97 provinciale wet), bij de zwitsersche kantons onder den naam van concordaten, ook bij de onderdelen,

[p. 702]

waaruit andere bondsstaten zijn samengesteld; mede komen zij voor bij koloniën van den zelfden staat onderling of tusschen eene kolonie en haar moederland; als voorbeeld van deze laatste soort gemeenschappelijke regeling zij gewezen op de grensregeling tusschen de toenmalige britsche koloniën Suriname en Berbice van 20 Jan./7 Febr. 1800 (vgl. The Laws of British Guiana, chronologically arranged from the year 1773 to 1870, Demerara, en T.A.G. Dec. 1898, blz. 850), of op die tusschen het nederlandsche moederland en elk zijner amerikaansche koloniën betreffende het overdragen van inlagen in de twee koloniale postspaarbanken in de rijkspostspaarbank van Nederland en omgekeerd (vgl. Sct. 1910 no. 268 en 278). De meest bekende gemeenschappelijke regelingen zijn echter wel die, welke onder den naam verdrag (art. 59 der grondwet) of tractaat gesloten worden door de staten onderling.

Hoewel ook vroeger, bv. bij verdragen, die landen staatkundig vereenigden, een zeer rijk en intensief tractatenrecht bestond, zoo is toch over het algemeen het moderne tractatenrecht, waarvoor men den aanvang op 1850 kan stellen, veel belangrijker. Vóórdien kende men in hoofdzaak slechts twee soorten van verdragen; vooreerst de handelsverdragen, die den rechtstoestand regelen der wederzijdsche onderdanen, goederen en schepen, - tot op dikwijls belangrijke hoogte ook voor oorlogstijd -, alsmede praktisch aanverwante onderwerpen zooals het consulaire recht; deze handelsverdragen omvatt'en toen al die sociale belangen, wier regeling bij verdrag voor de toenmalige internationale maatschappij eene behoefte was: het handelsverdrag is het oudste sociale verdrag en staat als zoodanig naast de tweede tractaatssoort van dien tijd, het politieke verdrag, als belangrijke voorbeelden waarvan te noemen zijn de tractaten van Munster (1648), Utrecht (1713) en Weenen (1815).

Met 1850 begint een nieuw tractatenrecht, dat zich vooral kenmerkt door zijnen veel grooteren omvang - voor ons land gaat na 1850 slechts het politieke verdrag in aantal en beteekenis zeer achteruit - en rijkeren inhoud, door het feit dat naast het tractaat van staat tot staat in stijgende mate aangetroffen wordt het verdrag, gesloten door groepen van staten (uniën), het zg. collectieve tractaat, en in de derde plaats door het verschijnsel, dat zich in die tractaten langzaam aan kristalliseert eene internationale staatsrechtelijke organisatie.

De zooveel grootere omvang, de rijkere en veelzijdiger inhoud van het moderne tractatenrecht blijkt vooral uit de talrijke nieuwe soorten van sociale verdragen, die zich, gedeeltelijk door afsplitsing uit het geenszins verdwijnende handelsverdrag, daarnaast komen voegen: de verdragen over telegrafie, spoorwegen, sanitaire vragen, landbouw, visscherij, sociale wetgeving, armenzorg, bescherming der goede zeden, het automo-bielverkeer en schepentoezicht, het tentoonstellingswezen en tal van andere materiën.

De conventioneele regeling dezer nieuwe onderwerpen vindt gelijk reeds gezegd grootendeels plaats in collectieven vorm, door soms nagenoeg alle staten der aarde omvattende groepen van staten; tegenover de nieuwe sociale rechtsverschijnselen voelen de staten zich dus goeddeels weer als eene éénheid. Dit doen de staten ook bij andere soorten van collectieve verdragen dan de reeds genoemde; zoo bij de verdragen, gelijk die der vredes-conferentiën, die oud ‘volkenrecht’ codificeeren, zoo bij de verdragen, waarbij een groep van meestal ‘beschaafde’ landen aan een meestal ‘onbeschaafd’ deel der aarde (men denke bv. aan Centraal-Afrika) eenen bijzonderen rechtstoestand schenkt. Collectief zijn ten slotte ook die verdragsbepalingen, waarbij de staten zich in steeds klimmende mate gemeenschappelijke organen gaan schenken, de bepalingen dus, waarin het derde der genoemde kenmerken van het moderne tractatenrecht tot uiting komt; als voorbeelden dier organen zijn te noemen de talrijke uniebureaux, zoo die der postunie te Bern, het aan de eerste vredes-conferentie van 1899 te danken permanente hof van arbitrage in den Haag.

In dergelijke gemeenschappelijke organen, die noch nederlandsch noch bv. fransch zijn, doch der statengemeenschap toebehooren, komt deze laatste krachtig tot uiting. Intusschen spelen in het staatsrecht der statengemeenschap de nationale organen eene veel grootere rol dan de gemeenschappelijke: zoo zijn naast de zeldzame gevallen, dat bij verdrag iets ter regeling wordt opgedragen aan een gemeenschappelijk wetgevend lichaam, bv. de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, zeer talrijk de gevallen, waarin het tractaat iets ter regeling opdraagt aan den nederlandschen wetgever en uitvoeringswetten van tractaten vullen dan ook menig staatsbladnummer, vgl. bv. de wet ter uitvoering van het landroodekruisverdrag '09 S. 14,'10 G.B. 92,'10 P.B. 62 in '11 S. 5 en de desbetreffende koninklijke besluiten voor de west-indische koloniën in '14 G.B. 6 en '14 P.B. 5.

Hoe belangrijk nu het moderne tractatenrecht ook moge zijn, er kan niet van worden gezegd, dat het in de plaats treedt van het nationale recht; ook thans blijven de nationale wetgevers heer en meester in eigen sfeer, dus t.a. van eigen onderdanen, schepen enz. op eigen gebied, ja hunne actie strekt zich nog dikwijls ver in de internationale sfeer uit; men denke aan bepalingen als art. 4 van het moederlandsche Swb., die voor sommige strafbare feiten de nederlandsche strafwet toepasselijk verklaart op ieder - dus ook vreemdelingen -, die zich buiten het rijk in Europa - dus ook overal in den vreemde - aan die feiten schuldig maakt. Daarentegen blijven in verreweg de meeste gevallen de verdragen beperkt tot de internationale sfeer: een telegraafverdrag geldt slechts voor het telegraafverkeer tusschen de verdragstaten en niet voor het verkeer, dat de grenzen dier staten niet overschrijdt. In de hoogst enkele gevallen, dat een tractaat de zuiver nationale rechtssfeer betreedt, zijn het altijd utiliteitsoverwegingen, ontleend aan den wensch om eene doelmatige regeling te verkrijgen, en niet principieele overwegingen, die het verdrag de nationale wet doen verdringen.

Eene zeer algemeen voorkomende eigenschap der tractaten is, dat zij wederkeerig zijn of, zooals men zegt, het beginsel der reciprociteit huldigen. Een staat aanvaardt bij tractaat als regel slechts verplichtingen voor zich of zijne onderdanen, zoo de andere verdragsmogendheid hetzelfde wil doen; de rechtstoestand, die door een duitsch-nederlandsch verdrag geschapen wordt aan nederlandschen kant, vormt het nauwkeurig spiegelbeeld van den rechtstoestand aan de andere zijde. Dat bij verdrag de eene staat slechts rechten ontvangt, den anderen alleen plichten worden opgelegd, is uitzondering. Als een voorbeeld uit de tallooze reciprociteits-bepalingen zij hier ge-

[p. 703]

wezen op de gebruikelijke bewoordingen van handelsverdragen, bv. ‘Les sujets de chacune des Hautes Parties Contractantes auront pleine liberté....,’ in art. I van het japansche handelsverdrag '13 S. 389, '13 G.B. 80, '13 P.B. 69.

Een enkel maal wordt de reciprociteit, die een karakteristiek verschijnsel van het geheele internationale recht ook buiten verdragen is, in tractaten niet betracht; dit duidt dan meestal op eene niet volkomen gelijkwaardigheid der verdragstaten; zoo zijn de verdragen, die de westersche wereld sluit met ‘oostersche’ landen, aanvankelijk niet wederkeerig, het westen bedingt er bevoegdheden bij, die het aan het oosten niet wenscht toe te staan; maar niet zoodra wordt de oostersche staat volkomen ‘gelijkwaardig’, of zijne verdragen met het westen worden ook zuiver wederkeerig; een sprekend voorbeeld hiervan leveren de in de laatste jaren der 19e eeuw vernieuwde japansche handelsverdragen.

Voor meerdere bijzonderheden over de bovenstaande algemeene opmerkingen wordt verwezen naar vooral de eerste twee hoofdstukken van ‘Ontwikkeling en inhoud der Nederlandsche tractaten sedert 1813’ (Mart. Nijhoff, 1916), voor hetgeen volgt naar de ‘Proeve eener inleiding tot het Nederlandsch tractatenrecht’, diss. Leiden 1906, beiden van schrijver dezes.

Ten aanzien der totstandkoming van een verdrag kan men zeggen, dat op internationaal recht steunt de eisch, dat de tractaatsinhoud gemeenschappelijk wordt vastgesteld, de zg. sluiting of onderteekening van het verdrag, voorts dat het verdrag in de verschillende verdragstaten wordt bekrachtigd (geratificeerd) en dat ten slotte de bekrachtingsoorkonden worden uitgewisseld, door welke uitwisseling het tractaat in werking treedt, tenzij het zelf anders bepaalt. De vraag, welke overheid medewerkt bij de sluiting, welke bekrachtigt, de vraag of voor het totstandbrengen van een verdrag ook nog andere staatsrechtelijke daden noodig zijn, zooals met name de parlementaire goedkeuring, wordt door het staatsrecht van elken bijzonderen staat, meestal in de grondwet zelf, beantwoord. Zoo zegt art. 59 onzer grondwet, dat de Koning verdragen sluit, wat de kroon echter in de praktijk laat doen door eenen gemachtigde, als regel door den minister van buitenlandsche zaken of den gezant, al naarmate het tractaat in den Haag dan wel elders wordt geteekend, of ook wel door bijzondere gemachtigden; voorts zegt genoemd grondwetsartikel, dat de meeste tractaten, nl. die welke bepalingen wettelijke rechten betreffende inhouden, waarbij art. 1 l. 2 der west-indische regeeringsreglementen nog voegt het geval van de ‘regeling der grensscheiding’, goedgekeurd moeten worden door de Staten-Generaal, alvorens ze van nederlandschen kant kunnen bekrachtigd worden; deze goedkeuring, die in den vorm eener wet pleegt gegeven te worden, is naar het laatste lid van art. 59 luidt niet vereischt, zoo eene wet dit uitdrukkelijk zegt, in welk geval de parlementaire goedkeuring dus geacht kan worden bij voorbaat te zijn verleend; ten slotte zegt art. 59 ook, dat het wederom de Koning is die het verdrag bekrachtigt. Over de vraag, wie de bekrachtigingsoorkonden uitwisselen spreekt onze grondwet niet; het pleegt te geschieden door den minister van buitenlandsche zaken en den gezant ter daarvoor in het verdrag aangewezen hoofdstad. Evenmin zegt onze grondwet uitdrukkelijk, welk nederlandsch orgaan een verdrag, dat eene opzeggingsclausule inhoudt, opzegt, of welk orgaan toetreedt tot een tractaat, dat eene toetredingsclausule bevat; de naar buiten niet altijd duidelijk blijkende praktijk schijnt aan te nemen, dat de Koning opzegt en toetreedt; geldt het verdragen, wettelijke rechten betreffende, dan heeft toetreding naar analogie van het bepaalde in art. 59 der grondwet niet plaats zonder parlementaire medewerking, terwijl de praktijk deze analogie weder loslaat bij de opzegging, die dus buiten de Staten-Generaal omgaat.

Uit het bovengezegde, dat een tractaat in werking treedt met de uitwisseling der bekrachtigingsoorkonden, tenzij het zelf eenen anderen dag noemt, volgt reeds, dat afkondiging geen eisch is voor de inwerkingtreding van een verdrag. De plaatsing van het verdrag in het nederlandsche en de koloniale staatsbladen, waarbij tevens op meestal onvolledige wijze geconstateerd wordt, dat aan de staatsrechtelijke eischen voor het totstandbrengen van het verdrag is voldaan (uitvaardiging), heeft dus slechts de beteekenis eener kennisgeving. Bij deze plaatsing wordt naast den oorspronkelijken meestal franschen tekst van het verdrag eene nederlandsche vertaling gevoegd, die echter geene bindende kracht bezit. Zoodanige vertaling is niet noodig, zoo het verdrag met eenen staat in de twee landstalen is gesloten Bij de goedkeuringswet pleegt slechts de oorspronkelijke tekst in de staatsbladen te worden opgenomen, dien men dus bij goedgekeurde verdragen twee malen daarin kan aantreffen.

De hier in het kort geschetste wijze van het totstandkomen van een tractaat heeft t.a. der bovengenoemde moderne collectieve verdragen allerlei kleine wijzingen ondergaan, die te verklaren zijn hierdoor dat er bij eene groep van staten altijd achterblijvers zijn: wilde men den eisch van het gezamenlijk, dus gelijktijdig totstandbrengen van het verdrag in al zijne consequenties volhouden, dan zouden dus die achterblijvers in het nadeel der zaak, waarom het gaat, het tempo aangeven; teneinde dit te voorkomen heeft men bij de collectieve verdragen den eisch der gezamenlijkheid tot op zekere hoogte laten vallen, zoowel bij de sluiting (verlate sluiting) -, wat dan bij de parlementaire goedkeuring weer tot moeilijkheden leiden kan, - als bij de nederlegging der bekrachtigingsoorkonden, welke bij de collectieve tractaten eenvoudigheidshalve de uitwisseling dier oorkonden heeft vervangen, terwijl in verband met deze verlate nederlegging de in werkingtreding in de verschillende unielanden op verschillende tijdstippen kan aanvangen.

Wat in het bijzonder de west-indische koloniën betreft wijkt art. 34 harer regeeringsreglementen in zoover van de gewone wijze van totstandkomen van een verdrag af, als dit artikel de gouverneurs bevoegd maakt ‘als daarvoor dringende redenen bestaan, voorloopige overeenkomsten, de kolonie betreffende, met vreemde machten, onder voorbehoud van 's Konings goedkeuring, aan te gaan.’ Deze ‘overeenkomsten’, die terstond ter kennis van den Koning gebracht moeten worden, vervallen wanneer zij niet binnen het jaar of binnen eenen korteren door haar uitgedrukten termijn door den koning ‘bekrachtigd’ zijn. Toepassingen van het voorschrift, dat bij de totstandbrenging van de regeeringsreglementen niet nader werd toegelicht, zijn mij niet bekend. Wellicht hebben er aanleiding toe gegeven de twee beneden te noemen door gouverneurs gesloten ver-

[p. 704]

dragen van 9 Nov. 1836 en 28 Nov. 1839.1)

Behalve in de ten deze niet volledige moederlandsche en koloniale staatsbladen vindt men de sedert 1813 gesloten nederlandsche verdragen bijeen in de verzameling van Lagemans, Recueil des traités et conventions conclus par le royaume des Pays-Bas etc. Eene opgaaf onzer oude tractaten tot 1788, met vermelding der vindplaatsen, gaf de leidsche hoogleeraar A. Kluit in zijne ‘Index Chronologicus’ van 1790, waarop aansluit het ‘Répertoire historique et chronologique’ van Mr. H.A. van Dijk van 1846 met eene ‘Table générale chronologique et alphabétique’ van 1855. Voor de vreemde tractaten is nog steeds onmisbaar de groote verzameling van de Martens, die ook handelingen van conferentiën inhoudt. De grootst mogelijke volledigheid wordt bereikt in den met regeerings-subsidiën verschijnenden ‘Recueil International des Traités du XXe siècle etc.’ van Descamps en Renault, welke uitgaaf thans tot aan 1907 gevorderd is, alsmede in het door dezelfden uitgegeven en door den grenobleschen hoogleeraar Basdevant bewerkten ‘Recueil International des Traités du XIXe siècle etc.’, dat grootendeels slechts de vindplaatsen noemt en waarvan thans dl. I, de jaren 1801-1825 omvattende, is verschenen.

Naast verdragen komen ook voor op verdrag steunende internationale regelingen, die tot stand komen op de bij dat verdrag meer of minder scherp aangegeven wijze en die met het verdrag niet in strijd mogen komen, eventueel daar aan door rechter en administratie te toetsen zijn. Als voorbeeld kan hier gewezen worden op art. 5 van het Marowijne-tractaat van 30 September 1915; de ‘vorm, waarin de baggerconcessies’ in de Marowijne ‘door de beide Regeeringen zullen worden verleend, alsmede de verplichtingen, die aan de concessiehouders zullen worden opgelegd’, zullen bij gemeenschappelijk reglement kunnen bepaald worden, terwijl in geval van geschil de regeling zal getroffen worden door het haagsche hof van arbitrage (art. 6). Op den conventioneelen Rijn steunt de geheele rivierpolitie op dergelijke bij art. 1, 32 en 45 l. 1 b der Rijnvaartakte van 1868 ('69 S. 75) bedoelde gemeenschappelijke verordeningen van lageren dan tractaatsrang.

Mede komen naast de verdragen voor niet op tractaat steunende gemeenschappelijke regelingen van staat tot staat en die evenmin in den bovengenoemden voor verdragen voorgeschreven vorm gehuld zijn: uitgewisselde notas, schikkingen e.d. waarvan sedert 1914 in het jaarboek ‘Grotius’ eene opgaaf gegeven wordt in het aperçu de faits internationaux juridiques. Al zal het in de praktijk niet spoedig voorkomen, dat de rechtsgeldigheid dezer regelingen getoetst wordt, wordt die vraag gesteld, dan kan men aan deze regelingen moeilijk tractaatskracht toekennen.

Tot de verdragen van staat tot staat zijn niet te rekenen de politieke contracten met de immers op nederlandsch gebied gevestigde Boschnegers in Suriname, evenmin als de in art. 44 van het regeeringsreglement van Nederlandsch-Indië bedoelde verdragen met indische vorsten en volken tot de in art. 59 der grondwet bedoelde internationale verdragen met vreemde mogendheden behooren. Wat de M.v.T. op artt. 33 en 34 der west-indische regeeringsreglementen - vgl. bl. 135 der door Mr. H.W.C. Bordewijk in 1914 bezorgde Handelingen op die reglementen - ook moge zeggen, het feit, dat onze regeering vooral in vroeger jaren verscheidene ‘verdragen’ met Boschnegers heeft gesloten, die thans gepubliceerd zijn in deel 71 (1916) der Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenk, van Ned.-Indië, laat eene ontkenning van het bestaan dier verdragen niet toe.

Op dezelfde gronden, waarop eene overeenkomst partijen bindt en het handelen door eene der partijen in strijd met die overeenkomst onrechtmatig is en door den rechter als zoodanig wordt behandeld, op dezelfde gronden dus, waarop eene partij op rechtmatige wijze niet de gemaakte overeenkomst kan opzij zetten, mag ook een staat eenzijdig niet tegen het tweezijdige verdrag in handelen. Dit heeft zijne klassieke uiting gevonden in het londensche protokol van 1871, waarbij de groote mogendheden, behalve Frankrijk, uitspreken, ‘que c'est un principe essentiel du droit des gens qu'aucune Puissance ne peut se délier des engagements d'un traité, ni en modifier les stipulations, qu'a la suite de l'assentiment des Parties Contractantes au moyen d'une entente amicale.’ Deze waarheid, - waarnaast bij verdragen met opzeggingsclausule de mogelijkheid der éénzijdige opzegging staat -, kan vooral bij politieke verdragen in geval van gewijzigden politieken toestand tot moeilijkheden aanleiding geven. Handelt een staat nu toch in strijd met het verdrag, dan kan dit tot alle maatregelen leiden, waardoor in het algemeen het internationale recht gehandhaafd wordt en waarbij de arbitrage het meest past in eene geordende internationale rechtsgemeenschap. Ook door zijne nationale wetgeving kan een staat een verdrag dus niet opzij zetten, iets wat men pleegt uit te drukken door te zeggen, dat een verdrag gaat boven de landswet. Men kan tegenwoordig zelfs spreken van eene communis opinio h.t.l.t.a. der stelling, dat zelfs onze hoogste nederlandsche wet, de grondwet, niet aan een verdrag kan derogeeren. Zeer scherp werd dit standpunt ook omhelsd door onze regeering, toen zij in 1852 tegenover den Heiligen Stoel op ook dezen overtuigende gronden betoogde, dat de door de grondwet van 1848 gewenschte vrije organisatie der roomschkatholieke kerk, toch eerst mogelijk zoude zijn, nadat de tractaten met den Heiligen Stoel, die nog van regeerings-inmenging bij die organisatie uitgingen, zouden zijn afgeschaft; vgl. de diplomatieke briefwisseling over deze zaak in Sct. 1853 no. 99.

Eene bekende strijdvraag, die veel stof heeft opgewaaid zoowel in de literatuur als in ons parlement, is die welke h.t.l. in navolging van een geschrift van mr. J.A. Levy uit 1880, dat dien titel droeg, bekend staat onder de aanduiding ‘Wet of tractaat’. Zij dankt haar ontstaan aan den bekenden duitschen staatsrechtsleeraar Laband, wiens absolute theorie ten deze ook buiten Duitschland, bv. in Nederland, talrijke aanhangers heeft gevonden. De theorie komt hierop neer, dat gelijk het volkenrecht slechts staten als rechts-subjecten kent, het volkenrechtelijk verdrag ook slechts die staten als zoodanig kan binden. Onderdanen van de staten kunnen slechts eene hen bindende norm ontvangen door de landswetgeving. Wil dus een trac-

[p. 705]

taat ook bindend gemaakt worden voor die onderdanen, dan moet zijn inhoud overgenomen worden in een landsrechtelijk wetsbevel. Eene der zwakke zijden van deze theorie is nu, dat wordt haren verdedigers de vraag gesteld, waar deze landsrechtelijke wetsbevelen zijn, zij al spoedig moeten erkennen, dat die niet bestaan.

Voor onze west-indische koloniën bestaat de kwestie praktisch niet tengevolge van art. 3 der beide regeeringsreglementen, die onder de wettelijke regelingen in de koloniën geldig, zonder meer noemen ‘de verdragen met vreemde Mogendheden door den Staat aangegaan.’ Maar ook afgezien hiervan, heeft behoudens wellicht enkele uitzonderingen, de nederlandsche tractaten-praktijk noch vóórdat Laband zijne theorie formuleerde, noch daarna, van een landsrechtelijk wetsbevel geweten; eveneens heeft de nederlandsche rechter voor en na aangenomen, dat een in werking getreden verdrag ieder bindt of aan ieder bevoegdheden geeft, wien het aangaat, dus ook individuën als de inhoud van het verdrag daarnaar is: als bv. een handelsverdrag zegt, dat bij invoer van bepaalde goederen uit het eene land in het andere een bepaald invoerrecht moet betaald worden, dan moeten de individuën dat recht betalen vanaf het oogenblik der inwerkingtreding van het verdrag en is eene landswet, die dat nog eens zegt, niet meer noodig. Het meest bekend in dit verband is het arrest van den Hoogen Raad van 25 Mei 1906, W. 8383, naar aanleiding waarvan Mr. J.C. de Marez Oyens zijne brochure ‘Het normatieve karakter van Internationale Tractaten’ in 1907 schreef. Met het gezegde is niet in strijd de omstandigheid dat een verdrag zich soms beperkt tot de verplichting aan de nationale wetgevers opgelegd om eene zg. uitvoeringswet (zie boven) te maken; het verdrag ‘gaat dan slechts die wetgevers aan’ en wil aan individuën rechtstreeks noch bevoegdheden schenken, noch verplichtingen opleggen.

Een door den nederlandschen staat door middel der daarvoor aangewezen organen met eenen anderen staat tot stand gebracht tractaat bindt, zoo niet iets anders door het verdrag zelf bepaald is, den staat in zijne geheele territoriale uitgestrektheid, dus met inbegrip der koloniën, vgl. prof. De Louter, Het stellig volkenrecht I 481 en de uitingen over deze kwestie bij de behandeling der goedkeuringswet van het madridsche verdrag nopens de internationale inschrijving van fabrieks- of handelsmerken enz. in '93 S. 55, '93 G.B. 18, '93 P.B. 9, Bijl. Hand. '91/'92 no. 149. Er zijn zelfs tractaten, waarvan het uitgesloten is dat zij wèl in het moederland, niet in de koloniën zouden gelden; zoo bv. de verdragen der tweede vredes-conferentie, '10 S. 73, '10 G.B. 51, '10 P.B. 41, die bevoegdheden en plichten van onzijdige staten in hun geheel omschrijven. Maar bij andere verdragen, bv. bij handels-, consulaire- en uitleveringstractaten, - de verdragen, die staten, welke met elkaar in betrekking treden, al spoedig sluiten -, laat het zich zeer wel denken, dat zij slechts voor het moederland gelden of voor de koloniën andere regelen inhouden dan voor het rijk in Europa, of ook dat zij uitsluitend voor eene kolonie gelden, doch dan moet dat uit het verdrag zelf blijken. Gebrekkige formuleering van het verdrag kan het soms moeilijk maken in een bijzonder geval te beslissen, of het behalve in het moederland ook in de koloniën geldt; zoo is het britsche handelstractaat '37 S. 64 zóó algemeen gehouden, dat men wel moet aannemen, dat het ook voor de koloniën is gemaakt en toch is op uit het staatsblad niet blijkende wijze bij de uitwisseling der bekrachtigingsoorkonden bepaald, dat dit niet het geval zoude zijn, vgl. Mr. H. Marcella, Algemeene Bepalingen van wetgeving voor Nederlandsch-Indië, diss. Leiden 1913 bl. 36 en 37.

Om ons tot de genoemde soorten van tractaten te beperken, van de handelsverdragen gelden de meeste ook voor de koloniën, zij het ook, dat zij soms bijzondere nederlandsche resp. koloniale bepalingen inhouden. Dit laatste is ook het geval bij die onder de uitleveringsverdragen, die behalve voor het moederland ook voor de koloniën gemaakt zijn, zooals laatstelijk het mexicaansche '09 S. 118, '09 G.B. 39, '09 P.B. 24. De talrijke koloniale consulaire verdragen gelden uit den aard der zaak alleen in de koloniën. Er mag hier wel als typische illustratie der curaçaosch-venezolaansche verhoudingen in het algemeen aan herinnerd worden, dat wij met dat land noch een handelsverdrag bezitten - dat van 1829 is in 1850 opgezegd, zie beneden -, noch eene consulaire conventie, noch een uitleveringstractaat - dat van 12 April 1842, Lagemans no. 193, betreffende weggeloopen slaven is in 1856 opgezegd, zie beneden.

Van de bovenvermelde collectieve sociale tractaten gelden de volgende voor onze west-indische koloniën: het postunieverdrag en eenige bij verdragen '07 S. 239, '07 G.B. 56, '07 P.B. 20; '08 G.B. 85; '07 G.B. 61, '07 P.B. 23; '08 G.B. 86; '07 G.B. 65, '07 P.B. 25 (zie POST, enz.); de verdragen over de bescherming van den industrieelen eigendom '84 S. 189, '90 G.B. 8, '90 P.B. 3, gewijzigd en aangevuld met de madridsche schikking betreffende internationale merkeninschrijving '93 S. 55, '93 G.B. 18, '93 P.B. 9, dan '02 S. 177, '02 G.B. 23, '02 P.B. 38, ten slotte '13 S. 142, '13 G.B. 40, '13 P.B.33; het verdrag op de uitgaaf van douanetarieven, zie goedkeuringswet '91 S. 41, '91 G.B. '15, 91' P.B. 11; de suikerconventie '03 S. 192, '03 G.B. 28, '03 P.B. 33, toetreding Zwitserland '07 S. 294, '08 G.B. 12, '08 P.B. 15, eerste verlenging enz. '08 S. 123, '08 G.B. 52, '08 P.B. 23, tweede verlenging enz. '12 S. 146, '12 G.B. 58, '12 P.B. 36; het verdrag over blankeslavinnenpolitie '07 S. 79, '07 G.B. 45, '07 P.B. 11; het radio-telegraafverdrag '08 S. 97, gew. '13 S. 132 alleen in Curaçao '10 P.B. 22 gew. '13 P.B. 26, terwijl het gewone telegraafunieverdrag in het geheel niet in de amerikaansche koloniën geldt; het verdrag betreffende het gezondheidsbureau te Parijs '12 S. 179, '12 G.B. 70, '12 P.B. 41; de Berner conventie voor auteursrecht '12 S. 323, '14 G.B. 23, '14 P.B. 10 gew. '15 S. 186, '15 G.B. 43, '15 P.B. 36; het strafrechtelijke blankeslavinnen verdrag '12 S. 355, '13 G.B. 5. '13 P.B. 7.

Hieronder volgt nog een misschien niet geheel volledig lijstje van verdragen met speciaal west-indische en venezolaansche bepalingen; de van vóór 1813 dagteekenende daarvan zijn bijeenverzameld door dr. H.D. Benjamins.

1634 (21 Aug.). Verdrag tusschen Van Walbeeck en den spaanschen Gouverneur, waarbij Curaçao aan Van Walbeeck werd overgegeven.
1648 (30 Jan.). Vrede van Munster, waarbij ons het bezit van Curaçao en onderhoorige eilanden bevestigd werd en overeengekomem werd, dat Hollanders en Spanjaarden op elkaars koloniën.
[p. 706]
geen handel zouden drijven, Du Mont, Corps Dipl. VI I 429.
1648 (23 Maart). Verdrag tusschen Hollanders en Franschen betreffende het eiland St. Martin (zie den tekst o.a. in het Eerste jaarl. Verslag v.h. Gesch-, Taal-, Land- en Volkenk-Genootsch. gevestigd te Willemstad. Amst. 1897, blz. 160-162).
1667 (6 Maart). Verdrag tusschen Byam en Krijnssen betreffende de overgave van Suriname aan de Zeeuwen (zie KRIJNSSEN, blz. 434 en 435).
1667 (31 Juli). Vrede van Breda, waarbij door Engeland het bezit van Suriname aan ons gewaarborgd werd en St. Eustatius (en Tobago) door Lodewijk XIV aan ons werden teruggegeven, Du Mont, Corps Dipl. VII I 44.
1668 (18 Nov.). Verdrag tusschen den Gouverneur van Fransch Guiana en Krijnssen, waarbij werd vastgesteld, dat de rivier Sinamari zou strekken tot grens van fransch Guiana en Suriname (zie Hartsinck, Beschr. v. Guiana, Amst. 1770, II 559).
1674 (9 Febr.). Vrede van Westminster, waarbij ons recht op St. Eustatius en Saba werd erkend; deze eilanden werden echter eerst in 1679, na den vrede van Nijmegen (10 Aug. 1678) teruggegeven, Du Mont, Corps Dipl. VII I 253.
1697 (20 Sept.). Vrede van Rijswijk, waarbij ons recht op St. Eustatius werd erkend; het eiland was reeds in 1696 door Engeland aan ons teruggegeven. Du Mont, Corps Dipl. VII II 381.
1770 (......?) Cartel tusschen Frankrijk en H.H.M. betreffende de wederzijdsche uitlevering van deserteurs en slaven. Vermeld door J. Wolbers, Gesch. v. Suriname, Amst. 1861, blz. 280, noot. Ook Malouet, die in 1777 Suriname bezocht, spreekt op blz. 218 tome I van zijn Collection de Mémoires, Paris, an X, van uit Suriname naar Fransch Guiana gevluchte slaven ‘qui rentrent dans la classe des esclaves dont la restitution est convenue par nos traités’. Die traités zijn echter in geen enkele verzameling gevonden.
1784 (20 Mei). Vrede van Parijs waarbij ons door Engeland St. Eustatius, St. Martin en Saba werden teruggegeven en de handel op deze eilanden voor alle bevriende natiën werd vrijgesteld, De Martens, Rec. des Traités 2o uitg. III 560.
1791 (23 Juni). Cartel betreffende de wederzijdsche uitlevering van personen uit de spaansche en hollandsche koloniën in West-Indië. De Martens Rec. des Traités, 2o uitg. V 199.
1797 (23 April). Verdrag met Spanje tot het in dienst nemen van een spaansch korps tot beveiliging onzer west-indische koloniën, Van Dijk, Répert. hist. 24 v.v.
1799 (17 Aug.). Verdrag waarbij Suriname aan den britschen Admiraal Lord Hugh Seymour werd overgegeven en de kolonie onder het protectoraat van England kwam.
1802 (27 Maart). Vrede van Amiens, waarbij ons door England Suriname en de west-indische eilanden werden teruggegeven, Traités du XIXe siècle blz. 33 v.v.
1804 (28 April). Verdrag waarbij Suriname aan den Major General Sir Charles Green en den Commodore Samuel Hood werd overgegeven (zie Wolbers, blz. 512).
1807 (1 Jan.). Verdrag waarbij Curaçao aan de Engelschen werd overgegeven.
1814 (13 Aug.). Verdrag met Groot-Britannië over de wederzijdsche koloniën, Lagemans no. 9.
1815 (12 Aug.). Verdrag met Groot-Britannië over den handel tusschen het moederland en de koloniën Demerary, Essequebo en Berbice, 1815 S. 56.
1818 (4 Mei). Slavenverdrag met Groot-Britannië, met ophelderende en additioneele artikelen van 31 Dec. 1822, 25 Jan. 1823, 7 Febr. 1837 en 31 Aug. 1848, Ned. Stbl. 1848 no. 79. Vergelijk ook '19 P.B. 23, '23 P.B. 62, alsmede '19 G.B. 2, waarbij het Slavenhof te Paramaribo werd ingesteld.
1829 (1 Mei). Handelsverdrag met Columbië, waarvan Venezuela toenmaals een deel uitmaakte, '30 S. 6. Het verdrag is door Venezuela opgezegd tegen 1 Mei 1851, vgl. Staatscourant van 5 Maart 1850.
1836 (9 Nov.). Verdrag tusschen de gouverneurs van Suriname en fransch Guiana over de Bonninegers, De Clercq, Recueil des Traités de la France IV 3601).
1839 (28 Nov.). Verdrag, waarbij dat van 23 Maart 1648 betreffende St. Martin afgeschaft werd en vervangen door een ander (zie den tekst in het bovengenoemde Eerste jaarl. Verslag enz. blz. 163-165.)
1842 (12 April). Uitgewisselde notas met Venezuela betreffende de wederkeerige uitlevering van ontvluchte slaven, Lagemans no. 193, opgezegd door Venezuela in 1856.
1857 (5 Aug.). Verdrag met Venezuela tot onderwerping aan arbitrage van het geschil over het Aveseiland alsmede tot beëindiging van andere geschillen, '59 S. 1. Het vonnis in zake het Aveseiland is te vinden o.a. in La Fontaine, Pasicrisie Internationale 152 v.
1860 (3 Aug.). Uitleveringsverdrag met Frankrijk voor de west-indische koloniën, '60 S. 51, '60 G.B. 8, '60 P.B. 13, vervangen door het algemeene uitleveringsverdrag van 24 Dec. 1895, '98 S. 113, '98 G.B. 22, '98 P.B. 10.
1862 (18 Maart). Schikking met Venezuela ter oplossing van een geschil, Lagemans no. 411.
1870 (8 Sept.). Verdrag met Groot-Britannië betreffende de emigratie van vrije arbeiders uit Britsch-Indië naar de kolonie Suriname, '72 S. 16, '72 G.B. 14.
1872 (21 Maart). Protokol met Venezuela tot herstel der diplomatieke betrekkingen, Lagemans no. 546.
1888 (29 Nov.). Compromis met Frankrijk tot oplossing van het geschil over de grens tusschen Suriname en fransch Guiana (Lawakwestie), '89 S. 104, '89 G.B. 7. Het vonnis is o.a. te vinden in La Fontaine, Pasicrisie Internationale 329 en in deze Encyclopaedie, blz. 330 (vertaald).
1890 (28 April). Wijziging van het voorgaand verdrag, '90 S. 149, G.B. 18.
1894 (20 Aug.). Protokol met Venezuela tot herstel der diplomatieke betrekkingen, '95 S. 8.
1903 (28 Febr.). Compromis met Venezuela betreffende vorderingen van de nederlandsche regeering of nederlandsche onderdanen op Venezuela, '03 S. 157, '03 P.B. 15. De vonnissen zijn te vinden in Jackson H. Ralston, Venezuelan Arbitrations of 1903 (1904) bl. 896-916.
[p. 707]
1903 (13 Juni). Toetreding van Nederland tot de compromissen van Venezuëla met Italië, Groot-Britannië en Duitschland betreffende de onderwerping aan het Permanent Hof van Arbitrage van eenige punten rakende de verdeeling der door Venezuëla aan onderscheidene mogendheden afgestane 30 procent der inkomende rechten van La Guaira en Puerto Cabello, '03 S. 254. Het vonnis is o.a. te vinden in Lagemans XV 382 v.v.
1906 (5 Mei). Grensverdrag met Brazilië, '08 S. 423, '09 G.B. 31.
1909 (19 April). Protokol met Venezuëla tot herstel der diplomatieke betrekkingen; niet in werking getreden, Lagemans no. 1026.
1915 (30 Sept.). Marowijne-verdrag met Frankrijk, vgl. goedkeuringswet 46 S. 304, nog niet geratificeerd

W.J.M.v.E.

Vereeniging voor Suriname.

Deze te Amsterdam gevestigde vereeniging werd in 1876 opgericht (K.B. 14 Dec. 1876 no. 19, Staatscourant 9 Febr. 1877). Het doel der vereeniging is de bevordering der zedelijke en stoffelijke belangen van de Kolonie Suriname. Over haar aandeel in het wetenschappelijk ondeszoek van Suriname zie ONDERZOEKINGSTOCHTEN, blz. 529. In de laatste jaren heeft zij weinig teekenen van leven gegeven. Zie ook ZEE- en LANDKAARTEN, suriname sub. 18.

Vereul (Abraham),

geb. te Paramaribo in 1770, overl. te Amsterdam 27 Oct. 1817, kwam op zijn derde jaar in Nederland, studeerde later in de rechten, vestigde zich te Amst. als advocaat en werd o.a. directeur, daarna president van de ‘Societeit van Suriname’ (zie BESTUURSREGELING, blz. 118). In de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden 4 Aug. 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op zijn voordracht geresolveerd, ‘de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H.H.M. daarheenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname, Juriaan, François Friderici, die in weerwil der misdadige poging des gewezen stadhouders, in zorgelijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H.H.M. bij zijne speciale resolutie hoogst derzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op ditzelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.’

Toen H.H.M. den 5en Oct. 1795 de directie der Societeit van Suriname vernietigd en den 9en inplaats daarvan ingesteld hadden een ‘Committé tot de zaken van de Coloniën en Bezittingen op de kust van Guinea en in America’ (zie BESTUURSREGELING, blz. 129) werd Vereul tot president daarvan benoemd. Zie Wolbers, blz. 462, 471 en 475).

Verfhout.

Zie HAEMATOXYLON.

Vergiften.

Dat in een land met zulk een rijke flora als Suriname talrijke planten voorkomen, die gift bevatten behoeft geen betoog. Bij vele in deze Encyclopaedie genoemde planten is vermeld of zij vergiftig zijn en, zoo dat bekend is, welk vergift zij bevatten. Afzonderlijk behandeld zijn het pijlgift (curare) en de verschillende vischvergiften. De litteratuur over dit onderwerp is, in tegenstelling met Nederl. Oost-Indie, uiterst schraal. Enkele mededeelingen vindt men in Dr. J. Sack's artikel Plantaardige voortbrengselen van Suriname in Bulletin no. 23, Maart 1913 van het Dept van den Landbouw aldaar.

Van de vergiftige dieren komen het eerst in aanmerking de vergiftige slangen en enkele padden, voorts eenige vergiftige visschen, die, of niet gegeten kunnen worden omdat ze vergiftig zijn, zooals de Colomesus- of Tetrodon-soorten of wier steek moeilijk te genezen wonden maakt, zooals de spari (Potamotrygon). Op de W.I. Eilanden houdt men sommige visschen geheel of gedeeltelijk voor vergiftig. Vooral op St. Eustatius worden tal van visschen geschuwd als vergiftig, waaronder vele, die overal elders als goede voedselvisschen bekend staan (zie Dr. J. Boeke, Rapp. betr. een voorl. onderz. naar den toestand van de Visscherij enz. in de kol. Curaçao, 's Gravenh. 1907, blz. 101 en 105/106). Over de vergiftige spinnen, de duizend pooten, schorpioenen, wespen, enz. wordt gehandeld in de desbetreffende artikelen.

In de oudste tijden der slavernij schijnen in Suriname vergiftmoorden veel te zijn voorgekomen. Hartsinck II, 905 vlg. wijdt daar over uit en ook bij latere schrijvers vindt men daarvan gewag gemaakt, zoo b.v. bij Van Schaick, De Manja, Arnh. 1866. Daarbij werd hoofdzakelijk gebruik gemaakt van planten vergiften, maar het schijnt ook voorgekomen te zijn dat lijkengift aangewend is. De wisiman's (giftbereiders) zijn zeer gevreesd. Eenige jaren geleden stierf te Paramaribo een neger, die terecht of ten onrechte als zoodanig bekend stond. Zijne begrafenis bracht een volksoploop en heel wat opschudding te weeg. Sterfgevallen worden door de boschnegers dikwijls als het werk van den wisiman beschouwd, waarop bij hen de doodstraf staat (zie BOSCHNEGERS, blz, 159, GODSGERICHTEN, OBIA, PIMBA en WISI).

Verhof (Dominicus),

(Dujardin) geb. 4 Febr. 1706 te Bailleul, jezuiet 27 Sept. 1723, priester 1737. Reeds in 1739 werd hij naar Curaçao gezonden om er Van Schelle (zie aldaar) bij te staan en vertaalde zijn naam Dujardin in Verhof. Hij wijdde zich vooral aan het zielenheil der negers en mulatten, maakte zich hun talen eigen en won spoedig hun achting en liefde. Hij bezat een zeldzame gave des woords, waardoor hij ook vele niet-katholieken voor de Katholieke Kerk won. Door hat vertrek van Van Schelle rustte op hem alleen de taak, de geestelijke verzorging der inwoners te behartigen. Ofschoon door maaglijden belet het noodige voedsel te nemen, trok hij toch mijlen ver, met bloote en gewonde voeten, om de verdoolde schapen zijner kudde op te sporen. Op een dezer tochten verloor hij het bewustzijn, doch kon in een helder oogenbllik de laatste H.H. Sacramenten uit de handen van zijn medebroeder, Karel van Heumen, ontvangen. Hij stierf 15 Sept. 1741. Ruim een half jaar later overleed ook pater Van Heumen, waarop de oversten der Societeit van Jezus besloten Curaçao als missiegebied op te geven. In armoede, gebrek en tegenwerking waren er zeven harer zendelingen bezweken. Zie: W. van Nieuwenhoff in Studien, 1907, Dl. 68 blz. 217-219.

Verkeers- en vervoermiddelen.

SURINAME. Hoewel de kolonie niet ligt aan de groote verkeerswegen Europa-West-Indië-Panama en Europa-Zuid-Amerika, bestaat er toch een zeer voldoende stoom vaart verbinding met het moederland, met de Vereenigde Staten en met eenige havens in West-Indië. Zie daarover het art. HANDEL EN SCHEEPVAART, blz. 347. Als regel beginnen en eindigen de booten de reis te Paramaribo. Zij

[p. 708]

zouden echter ook de rivieren Commewijne en Cottica, die zeer diep zijn, kunnen bevaren om direct de plantage-producten te kunnen inladen, zooals b.v. op de plantage Mariënburg geschiedt (zie HANDELMAATSCHAPPIJ), maar de meeste landbouw-ondernemingen worden op te kleine schaal gedreven om steigers voor zeeschepen geschikt, te kunnen bekostigen en zenden daarom de producten naar Paramaribo. De suikerplantages aan de Nickerie-rivier worden nu en dan bezocht door zeilschepen, die plantage-benoodigdheden aanvoeren en de suiker, enz. inladen. Overigens is in Suriname de zeilvaart grootendeels verdrongen door de stoomvaartlijnen.

Kustvaart.

Het verkeer van Paramaribo met de beide Nickerie-districten werd tot het midden van de vorige eeuw onderhouden door de z.g. droogers-vaartuigen (zie aldaar). Omstreeks 1850 schafte het gouvernement twee schoeners aan voor den maildienst op deze districten en op Demerary, in verbinding met de mail uit Europa. Inmiddels was er een openbare dienst der ‘Koloniale Vaartuigen’ ingesteld (zie voorts DEP. V. ALGEM. BESTUUR, blz. 267), en op 14 April 1854 kwam de eerste voor den maildienst op Demerary bestemde ijzeren schroefboot Paramaribo aan, die bijna 25 jaren in de vaart is geweest. Haar opvolgster, de ijzeren raderboot Curaçao, voldeed evenmin als de Paramaribo aan de eischen, die men aan een boot in de tropen stellen mag. Beter waren in dit opzicht de nieuwe Paramaribo - reeds lang weer van de hand gedaan - en de nieuwe Curaçao, die nog in de vaart is.

Thans onderhoudt het gouvernement een zeedienst eenmaal in de 14 dagen met een zeestoomer voor vracht- en reizigersvervoer over Nickerie naar Demerary en terug; (op de terugreis doet de boot Springlands in Berbice aan); een zeedienst eenmaal in de 15 dagen tusschen Paramaribo en Coronie; eveneens tusschen Paramaribo en Albina aan de Marowijne. De verbinding met Coronie is altijd gebrekkig geweest en laat nog steeds te wenschen over. De oorzaak moet gezocht worden in de voor het district liggende modderbank, die de schepen dwingt ver uit den wal te blijven liggen. Personen en goederen moeten in kleine vaartuigen, bij vaak zeer onstuimige zee, van en naar het schip gebracht worden, hetgeen veel ongerief veroorzaakt (zie hierover o.a. B.E. Heldring, Surinaamsche belangen, T.A.G. 1 Mei 1901, blz. 357 en het Rapport der Suriname-commissie, 1911, blz. 110). Een Demerary'sche stoomvaartlijn onderhoudt een ongeveer halfmaandelijkschen dienst Georgetown-Berbice-Nickerie-Paramaribo. Voorts varen nog particuliere schoeners op Nickerie en Albina en kottertjes tusschen Paramaribo en Coronie; deze laatste maken gewoonlijk van de springvloeden gebruik om over de modderbank te komen en varen soms door de Saramacca.

Verkeer op de rivieren.

In Suriname met zijn voortreffelijk stelsel van waterwegen treedt het verkeer te water op den voorgrond. Het vervoermiddel, zoo voor personen als voor goederen, van Indianen en Boschnegers was en is nog steeds de korjaal (zie aldaar). Ook vele kleine landbouwers maken van deze vaartuigen gebruik. Van oudsher dienen tentbooten voor het passagiers- en al of niet overdekte ponten (zie KROES-KROES) voor het goederen-vervoer naar en van de plantages. Deze liggen aan de benedenrivieren niet verder landwaarts in dan tot daar waar vloed en eb nog merkbaar zijn. Tentbooten zijn roeibooten van 30 tot 40 voet lengte, met een diepgang van gewoonlijk niet meer dan 1 voet en worden door 4 tot 6 roeiers voortbewogen. Een houten kajuitbouw biedt ruimte voor 8 of meer personen. De groote, mooie tentbooten uit den slaventijd zijn verdwenen. Men vaart op tij. Ook de ponten worden geroeid met lange zware riemen, en gestuurd met een langen riem achteraan. De groote ponten laat men met den stroom mededrijven; de riemen dienen