|
|
|
| |
| | | |
Luc Korpel
Aangesproken worden door het verleden.
Over intimiteit en moralisme
HET VERZOEK OM EEN BIJDRAGE TE LEVEREN AAN DEZE BUNDEL IS EIGENLIJK HEEL INDISCREET. AAN IEMAND VRAGEN OF JE écht van een oudere tekst uit de Nederlandse literatuur kunt houden, is volgens mij bijna een ongewenste intimiteit. Verpakt in dat verzoek zit toch de vraag door welke literatuur ik geraakt word en waarom. Alleen het antwoord op die vraag kan immers een begin zijn van het antwoord op de vraag of er een tekst is uit de oudere Nederlandse literatuur waarvan ik houd. Jarenlang heb ik mij verre weten te houden van al het, binnen de empirische literatuurwetenschap zo populair geworden, lezersonderzoek, en nu ben ik er door deze slimme vraagstelling toch ingeluisd: ik moet op schrift met de lezersbillen bloot.
Laat ik mij bij deze onthullingen maar beperken tot mijn relatie met oudere prozateksten uit de Nederlandse literatuur.
Jaren rondschuifelen in de Nederlandse cultuur van de achttiende en vroege negentiende eeuw heeft me tot de conclusie doen komen dat ik niet van achttiende-eeuws Nederlands proza houd. Hoe boeiend ik Nederland in die periode in cultuurhistorisch opzicht ook vind, ik lees niet voor mijn plezier in Wolff en Deken, in Van Effen, in Feith of in E.M. Post. En ook niet in Fokke Simonsz. of J.C. Weyerman. En dat terwijl ik wel van modern Nederlands proza houd. Dat kan niet liggen aan de talige afstand, want het achttiende-eeuwse Nederlands is over het algemeen makkelijk te lezen. Deze ontdekking kwam voor mij wel enigszins als een schok, want als anglist en literatuurwetenschapper
| | | | was ik wel enthousiast geworden over literatuur uit die periode in Engeland, Frankrijk en, zij het in iets minder mate, Duitsland.
Het komt door het gebrek aan relativeren in de Nederlandse achttiende-eeuwse literatuur. O, inhoudelijk is er zeker sprake van tolerantie en in die zin dus van het relativeren van het eigen standpunt. Maar met de presentatie van die standpunten en de bijbehorende literaire vormgeving ligt dat anders. Nederlandse auteurs uit die periode nemen zichzelf en hun teksten zo bloedserieus. Of ze nu een bepaalde moraal propageren of die juist aanvallen, hun teksten zijn eenduidig in hun bedoeling. De auteurs lijken niet door hun teksten te worden meegesleept en te twijfelen aan de mogelijkheden van het medium. Zelfs humor doet niets ontsporen, maar staat steeds in dienst van het overbrengen van een duidelijke boodschap.
Natuurlijk kun je hetzelfde zeggen over veel achttiende-eeuwse buitenlandse literatuur. Maar onder die buitenlandse literatuur vind je tegelijkertijd ook een Fielding, een Sterne of een Diderot. Soms lijkt het of deze auteurs er alles aan doen om ervoor te zorgen dat lezers hen vooral niet te serieus nemen. Dat uit zich heel duidelijk in hun spel met de taal en de vorm. Henry Fielding maakt er een punt van om de lezer door de verteller direct te laten aanspreken. Zo wordt je als lezer gevraagd je te identificeren met de aangesproken lezer, terwijl je je tegelijkertijd bewust wordt van je rol als reële lezer, die deze expliciete boodschappen aan de lezer interpreteert. En die boodschap is vooral: denk erom, je leest een verhaal, dat gemaakt is door een auteur die je kan manipuleren, maar die ook wil dat jij je daarvan bewust bent. Die bewustmaking gebeurt dan door de macht en onmacht van een verteller te thematiseren. Enerzijds maakt die duidelijk dat hij degene is die het verhaal ‘schrijft’, anderzijds toont hij beperkingen:
Reader, take care, I have unadvisedly led thee to the top of as high a hill as Mr Allworthy's, and how to get thee down without breaking thy thy neck, I do not well know. However, let us e'en venture to slide down together, for Miss Bridget rings her bell, and Mr Allworthy is summoned to breakfast, where I must attend, and, if you please, shall be glad of your company. (Tom Jones, Book 1, Ch. 4)
Ook in ethische kwesties stelt de verteller zich bescheiden op. Die bescheidenheid leidt er regelmatig toe dat de lezer een mengeling van schaamte en verongelijktheid voelt. In de volgende passage doet de verteller ons door de formulering ‘appearance of religion’ al snel denken: ‘o, zijn religiositeit was dus maar schijn’. Door daarna onmiddellijk te stellen dat hij geen criterium heeft om te toetsen of er achter die schijn wel of geen waar religieus gevoel zit, tikt de verteller de snel oordelende lezer op de vingers: die schaamt zich, maar is ook boos dat hij erin getrapt is:
| | | |
Besides this negative merit, de doctor [Dr. Blifil] had one positive recommendation. This was a great appearance of religion. Whether this religion was real, or consisted only in appearance, I shall not presume to say, as I am not possessed of any touchstone, which can distinguish the true from the false. (Tom Jones, Book 1, Ch. 10)
Zo kom je samen met de auteur in een soort complot te zitten en ben je samen bezig het verhaal te maken, compleet met eventuele moraal. Het is aan jou, als lezer, om te bepalen hoe serieus je Henry Fielding en zijn verteller neemt.
En dan Denis Diderot, die zijn roman Jacques le fataliste niet traditioneel begint met het voorstellen van zijn personages, maar met een reeks vragen, die lijken te suggereren dat de auteur een verteller gebruikt die weinig te melden heeft en die zelfs twijfelt aan de interesse van de lezer:
Comment s'étaient-ils recontrés? Par hasard, comme tout le monde. Comment s'appelaient-ils? Que vous importe? D'où venaient-ils? Du lieu le plus prochain. Où allaient-ils? Est-ce que l'on sait où l'on va? Que disaient-ils? Le maître ne disait rien; et Jacques disait que son capitaine disait que tout ce qui nous arrive de bien et de mal ici-bas était écrit là-haut (Jacques le fataliste, beginzinnen).
Volgt een korte dialoog waarin Jacques een verhaal over zijn liefdes belooft, met tot slot een ruzie waarin de meester zijn knecht in elkaar slaat, terwijl de knecht bij iedere klap de predestinatie verkondigt. Na deze nogal abortieve poging om het liefdesverhaal van Jacques te beginnen, betoogt de verteller dan doodleuk:
Vous voyez, lecteur, je suis bien en beau chemin, et qu'il ne tiendrait qu'à moi de vous faire attendre un an, deux ans, trois ans, le récit des amours de Jacques, et le séparant de son maître et en leur faisant courir à chacun tous les hasards qu'il me plairait...Qu'il est facile de faire des contes!
Ik heb niets te vertellen, ik kan je van alles wijsmaken en intussen is het verhaal begonnen. Deze problematisering van de vertellersrol door de auteur activeert de lezer en relativeert ten zeerste enerzijds de macht van de auteur, anderzijds zijn beperkingen. Denk erom lezer, dat geldt ook voor jou!
Een gebrek aan dergelijke relativering in de achttiende-eeuwse Nederlandse literatuur gaat samen met een onvermogen van Nederlandse auteurs uit die tijd om iets aan het toeval en dus aan de lezer over te laten. Dat is het grote verschil tussen bijvoorbeeld De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken en Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos. Alleen al de pro- | | | | grammanamen in Sara Burgerhart zetten je als lezer op het goede morele spoor. Mét het achttiende-eeuwse publiek weet je daarentegen na het lezen van Laclos' briefroman niet wat de schrijver nu vindt dat je van dit verhaal moet denken. Waar je sympathie moet liggen en wie je afkeurenswaardig vindt. Het lijkt alsof de afwezigheid van een sturende verteller in Les liaisons dangereuses wordt gebruikt om de lezer in morele verwarring achter te laten.
Het is het appèl dat door dergelijke teksten op mij als lezer wordt gedaan, waardoor ik me na twee eeuwen nog aangesproken en betrokken voel. Ik hoef niet alleen te luisteren naar een mening die wordt verkondigd en die cultuurhistorisch misschien wel interessant is; ik word uitgedaagd om uit dat talige bouwsel zélf iets te maken: een verhaal en de moraal.
Er is één vorm van literatuur waarin de auteur, ook de Nederlandse, zijn lezers bijna per definitie niet stuurt: teksten die niet voor publicatie bedoeld zijn. In brieven, dagboeken, kladboeken en dergelijke zie je een auteur trachten in taal positie te bepalen in de wereld, zwenkend en wendend, vaak (nog) niet zeker van zijn of haar oordeel, zichzelf tegensprekend, op verrassende momenten herhalend. Als lezer ben je dan in de opwindende positie om op intieme voet met schrijvers te verkeren, zij het dat er van wederzijdsheid geen sprake is. En ja, dat doe ik met plezier, al zijn er natuurlijk achttiende-eeuwers waarbij ik mij al lezende, steeds minder op mijn gemak voel.
Als ik dan toch mijn liefde voor een Nederlands auteur zou moeten bekennen, dan is het voor Joannes Lublink de jonge. Niet voor Lublink als letterkundige, maar voor Lublink als liefhebber en beschouwer van literatuur. Het is zeker geen hartstochtelijke liefde, meer een gevoel van sympathie dat gegroeid is doordat ik tijdens mijn onderzoek naar opvattingen over het vertalen zo veel met hem te maken heb gehad. Hij is een typisch Nederlandse auteur in die zin dat hij zichzelf heel serieus neemt. Zo was hij bijzonder precies in het bijhouden van alles wat hij wel en niet gepubliceerd had.
Lublink is op mij overgekomen als een niet al te opwindende, maar wel erg betrokken man. Betrokken bij literaire aangelegenheden. Hij heeft zich, getuige zijn geschriften en uitlatingen in brieven en activiteiten, waarschijnlijk sterk verantwoordelijk gevoeld voor het welzijn van de maatschappij en hij kende literatuur, in de achttiende-eeuwse, ruime betekenis van het woord, daar een essentiële plaats in toe. Niet voor niets heeft hij veel vertaald en daarbij gekozen voor teksten waarvan hij geloofde dat mensen er beter van zouden worden. Ook in verschillende genootschappen heeft hij zich ingezet voor literatuur-in-de-samen-leving. Lublink las veel en was goed op de hoogte van de poëticale discussies in West Europa. Hij ‘vertaalde’ die ook voor het Nederlandse publiek in zijn verhandelingen. Veel originele gedachten heeft hij aan deze beschouwingen niet toegevoegd, maar
| | | | wel kon hij vaak goed aangeven wat de essentiële elementen in de diverse standpunten waren en die vaak ook met elkaar in vruchtbaar verband brengen. Hij was niet polemisch van aard en geneigd tot compromissen. Ook in zijn correspondentie toont hij zich bereid steeds twee kanten van de medaille te zien, bijvoorbeeld wanneer hij zich in een brief aan J. Immerzeel op 22 maart 1809 uitlaat over Bilderdijks vertaling van Popes Essay on Man: ‘Wat had ik nog veel te schrijven, zo wel over het toverend kunstvermogen, als den insolenten toon van onzen Bilderdijk, voor al in zyne proeve van den Mensch, naar Pope, doch my dunkt ik mag het nu by deze hartontlasting wel laten berusten.’
Toch denk ik dat mijn sympathie voor Lublink de jonge vooral gevoed wordt door de glimlach die hij mij af en toe ontlokt, bijvoorbeeld wanneer hij in een brief van 14 mei 1772 bedankt voor het lidmaatschap van het genootschap Diligentiae Omnia, waarvan hij mede-oprichter was. Hij zegt zijn lidmaatschap op, omdat er op de bestuursvergaderingen zoveel gepraat wordt over ‘plannen, waarvan sommigen met een zeker soort van champignons vry wel konden vergeleken worden’. Mijn ahistorische associatie met ‘zwammen’ maakt dat ik dan even, glimlachend, op voet van intimiteit verkeer met deze reeds lang overleden man. |
|
|