[p. 30]
arktiese gezangen I
[p. 31]
bivak
Zilverend ijs in de zon
steenarend biddend daarboven
donkere slaap tot de morgen;
geen parasolpijn
waaronder een mens als een sprinkhaan
tenietgaat
geen regenwoud
hoog op de bergrug
gedreven
meren beneden
als bekkens vol dauw in de dalen
en verre dorpen
als schorpioenen verstijfd in het grint
mistpluis
door winden van zee weggeblazen
in diepe kommen vliegen en dwergberken,
kniehoge wilgen talmend in schaduw
met toeven van rakelings licht
zwenkend op de steenvlakte
water dat struikelt in plooien en geulen
[p. 32]
wilde en duistere schaamspleet,
daar,
uit de bergkam gesneden,
vochtige kloof
door damp uit een gistende bedding
omgeven
hier,
voor het dunhuidig huis, stil
bij de kookpot
op keien gezeten
door mos schemert gruis
uit een voormenselijk heden
(bij narssarssuaq, 1972)
[p. 33]
vogel
1
De kreupele vlieger loert op het ei
het oog ziet de meeuw
die hem ziet
het ei is geschrokken
de kreupele vlieger heet raaf
[p. 34]
vogel
2
In zijn vlucht overvleugeld
is raaf van de rotsen getuimeld
ik deel in het licht
dat hem zwartmaakt
hij deelt in mijn armoe
en schrokt droge huidschilfers
ik schraap schrale
taalexcrementen
aan de voet van het steen
vreet de wind zich naar binnen
niets dat hier niet
wordt gebeten
hij klapwiekt al door het bewustzijn:
stip in het bergachtig brein
ik roep maar
hij rooft mijn bebloede verbeelding
ik monster omwolkte gedachten
hij schiet in versluierd terrein
[p. 35]
dan schep ik lucht
en verdwijn
zijn snavel vervaagt
mijn tekst wordt doorschijnend
steeds legere plekken
met licht volgestroomd
kreten verijlen
taal dunt al uit
wordt de raaf
door de beer op de hielen gezeten?
[p. 36]
ursus arctos
1
Geen fruit, dus een fistel;
stond aan het water die zweer te betasten
opzij, tussen stenen en rode papavers
een poetsende gors naast de muggenverslinder.
kon je niet zien
in de bries uit straat davis
zon op het kiezelstrand
zon in mijn ogen
het verre azuur
van de deining
de voetzool
in zilver gedoopt
blink van veelkleurige vlekken -
kobaltblauwe bergen
dreven de baai in;
kon je niet zien
door het opkomend tij,
[p. 37]
jij, in je boot,
toen dichtbij -
of je druipend van licht
uit de voedseltrog oprees
doorschenen beeld
van een vrouw:
bovenlijf bloot
lange vlechten
en brede schoot,
broedplaats
van sedna
+
waar je naar wees
en ik was de beer
die zijn ballen uitwierp als aas
voor de dochter der zee
[p. 38]
ursus arctos (horribilis)
2
‘De zon nog niet onder
de zon nog niet onder’
vermomd als forel
in het melkige zog meegesprongen
naar stille ogen
gebed in het mos van een klamme vallei
was de beer toen al los
bij die donkere plas?
ik heb daar mijn kieuwen,
mijn visschubben kleed afgelegd,
maalde om zalm
noch om bessen
je wenkte de beer
(en de beer was ik zelf)
je hebt je als luis
in mijn pels vastgebeten
en je gewarmd
aan mijn vacht
ik heb mij aan honing
en vochtige vliezen vergrepen;
[p. 39]
in blinde drift toen een-
drachtig het reukloos gesteente bepist en bescheten
en dan bezweet in de nacht
naar het leger gekropen
de klauwen geplooid
in de moedra van liefde
om helder en leeg op het mos
uit de mytiese slaap te ontwaken
[p. 40]
disko
een journaal
De baai dichtgevroren
de lamp uitgeblazen
acht denen
honderdvijftig eskimo
vijftienhonderd honden
dromen en drinken
op een onzekere toekomst
december op disko
droom van de rob die hen wenkt
in het ademgat,
feest voor de flenzende vrouwen
die zingen en kwekken
en op de rug, diep verscholen
hun kinderen wiegen,
wiegen en strelen
ajàajàa ajé -
dit hier
,
o deze winter
wanneer je altijd onder de schurft zit
,
die rotschurft op je vingers
,
altijd met vet ingesmeerd
,
met spekvet, ajá!
[p. 41]
‘mijn lieve kleine,
mijn kleine schele,
mijn schele
die kreupel en krom is;
ajaja-japapé;
wat is zij zwaar,
jají!
en die lucht uit haar schede...’
december op disko
drinken, en spelen
het spel van de zeehond,
het spel met de naam:
ik ben heet
de dans van de aanraking
‘laten we eerst even voelen,
daar, op de tweesprong van je lichaam,
jij die zin in een man hebt,
laten we eerst even snuffelen’
waar is je vrouw?
altijd maar zwanger
lachend, met bessen,
zij in haar klapmutsenbont
alsof de man van het grasvolk
die stralende zanger weer hoort -
wat ben je lief als je lacht
kleine walrus met je twee tanden
[p. 42]
En in een krant, een onwezenlijk week-
blad (te glad
Atuagagdliutit
voor pleepapier) gedroogde vis
en vergeelde berichten -
hver måned
!
spillet om millionen
!
Send os Deres bestilling endnu i dag, så at De med det
samme er med i
spillet i spillet
om millionen.
Med venlige hilsener!
Gerd Schulze
Nordwestdeutsche
Klassenlotterie
D 2 Hamburg 52, P.O.Box 520 725
dan de tekst
van een herrnhutterpreek,
aanprijzing van plastic rozen &
toms yankie bar chocolate
*
december op disko
‘geen rob ravot in schuim-gewitte cirkels’
geen wenk, nog geen wolkje
stijgt op uit het gat
[p. 43]
witte haas in de strik
schram op de lichtrose lepels
het vrouwenmes schuift in de vacht
‘ajaja, ik zing van die dingen
omdat ze zo leuk zijn om over te denken’
sneeuw is met bloesems bespat;
die alles hebben
die niets meer zijn
dan heren van honden
leggen beslag
op je lichaam, je glimlach,
je zwartomrand tandvlees
ijs in de engte
ijs op het land
jij bij het koude fornuis
in de schemer
ik in de krimpende wind
voor het huis -
een dode lemming, nog
warm in de muis van mijn hand
[p. 44]
evangeliese kamergenoot
‘Het zijn nog wilden
maar zij kennen jezus’
sprak gevleugeld de gezeten zwitser
op de nachtspiegel,
toen hij van zondag op maandag
geeuwend
de hemelse geur
voor de goddelijke geldzak verruilde
(in narssaq)
+
Sedna
, grote zeemoeder, eigenares van de diepzee
*
(giver energi og godt humør)