terug  begin  verder
[p. 5]

+¶ De drucker tot den leser +

 
Hier hebt ghy beminde Leser eersame /
 
Een Rethorijclijc werc weerdich gepresen:
 
Tis boerdelijck gestelt / nochtans bequame
 
Voor den ghenen die in sulcx lust heeft om lesen.
5
Want daucteur heeft hier wel in bewesen
 
Zijnen constrijcken gheest / die daer is drijvende 6
 
Belachelijck de materie van desen /
 
Ja int rijmen by Homerus stijl blijvende. 8
 
Veelderhande sin machmen zijn schrijvende /
10
Maer daermen toe geneycht is cost minst pijne:
 
Tblijct wel aen desen, zijt hem niet bekijvende
 
Om zijn werck twelck van cluchten heeft een schijne:
 
Want een yegelijc heeft zijn gave int zijne. 13
 
 
 
De schriften Crisippi, so seer diep om gronden /
15
Datmense voor Raetselen uutgeven sach: 14-15
 
En worden in dit Boecxken niet gevonden;
 
Nochtans dit inhout men wel overdencken mach: 17
 
Want elck crijcht van desen eenen schimpigen slach /
 
Daer hy hem int binnenste mede can raken:
20
Ghelijck wel eer Lutianus te doen plach/
 
Uut wiens schriften men schimp cost smaken.
 
Ja ghelijc Democritus in alle saken /
 
Belachte en bespotte Tswerelts manieren,
 
Can dese zijn boerdelijcke woorden maken
25
Dat sy niemanden ter werelt en vieren. 25
 
Tboerden brengt nutticheyt / daert duecht helpt vercieren.
 
 
 
+Erasmus (wiens Moria dese volcht rustich) 27
 
Schrijft int selfde Boecxken in zijn Voorreden:
[p. 6]
 
Ick achte voorwaer te zijn seer lustich /
30
Spot ende bueselen also te besteden 30
 
Als de selfde spottelijcke zeden
 
Ghehandelt worden in sulcker maten /
 
Dat de spotter gheen spot en schijnt te verbreden / 33
 
Want in sulcx can spot somtijts grootelijc baten:
35
Dees woorden als Silenische beelden laten / 35
 
Van buyten spottelijck / nochtans van binnen
 
Goddelijck / nut en aengenaem voor alle staten /
 
Die de waerschouwinge tot duecht versinnen: 38
 
Want de wijse sal zijnen straffer beminnen.
 
 
40
Den vernuften wert van ouden tijden /
 
Toegelaten dat sy met het volck ghemeyne
 
Ongestraft boerden: sonder eenich vermijden / 42
 
Bysonder op tsmenschen boos leven onreyne:
 
Mits datmen dees vrijheyt die niet en is cleyne /
45
Tot raserije gheheel niet en siet keeren:
 
Dit geschiet van desen genoech certeyne /
 
Die hier door spot smenschen ijdelheyt can leeren: 47
 
Hy sach de boosheyt so seer vermeeren /
 
Dies schimpt hy met haer die op ydelheyt bouwen /
50
Vint ghy yet daer u zijnen spot mocht onteeren,
 
Den spot in hemselven wilt niet aenschouwen /
 
Maer het welck bespodt wort (mijdt) dat wilt onthouwen. 52
Opschrift: G.: Den Drucker totten. - 3. boerdelijck, G. boertich.

+[Aij]
+Drucker, zie de Inleiding, pag. xvi.
6die is drijvende, die behandelt.
8by Homerus stijl, wsch. niet anders dan een redebloempje.
13int zijne, op zijn bijzonder gebied.
14-15Crisippi, van Chrysippus (3de eeuw v. C.), een der hoofden van de Stoa, zeer subtiel denker en vruchtbaar auteur; hij wordt genoemd in Erasmus' Moria, c. LXV; dat zijn geschriften voor raadselen doorgingen vond ik nergens vermeld; - gronden, doorgronden, begrijpen.
17dit inhout, tot in de 17de eeuw werd inhoud onzijdig gebruikt.
25vieren, vrij laten, ontzien.
+[vo]
27Moria, zie Inleiding, p. xv. - in zijn Voorreden: ‘Ut enim nihil nugacius, quam seria nugatorie tractare, ita nihil festivius, quam ita tractare nugas, ut nihil minus quam nugatus fuisse videaris’.
30te besteden, aan te wenden.
33verbreden, vertellen.
35als Silenische beelden, als beelden van Silenus, die, voorgesteld als steeds dronken, welgedaan en vrolijk, niettemin geldt als een wereldverachtende wijze; - laten, zich voordoen.
38versinnen, zich bezinnen op.
42boerden, de gek steken; - sonder enich vermijden, zonder iemand te ontzien.
47ijdelheyt, zijn hangen aan het wereldse, aan de onwezenlijke en dwaze dingen van deze wereld (verg. ben., vs. 36).
52de haakjes op te vatten als komma's.
terug  begin  verder