terug  begin  verder
[p. 7]

+Daucteur.

 
Men seyt gemeynlic, tis ooc autentijck, 1
 
Elc heeft een Duvelken dat hem quelt oft slaet.
 
Ooc seytmen smenschen wille is zijn Hemelrijc,
 
Want elck prijst zijn opinie, tsy goet oft quaet,
5
Somen wel siet hoet nu in der Werelt gaet:
 
In hondert duysent secten mach tgeloof gedeylt || zijn,
 
Meest elck hem vermetelijck den coers verstaet, 7
 
Die als Schepen dolen die verre verseylt || zijn. 8
 
Tscrijven der Boecken die vercocht en geveylt || zijn
10
Is sonder noemer en sonder ghetal; 10
 
Elck wil ongebonden, vrij en ongebreylt || zijn 11
 
En strijden om de liberteyt over al.
 
Alle Rijck tweedrachtich vergaet met ongeval.
 
 
 
Nochtans en heb ick niet connen gelaten,
15
Ick en heb ooc wat moeten dichten en scrijven,
 
Maer ick heb my gevoecht in sulcker maten
 
Datmen daer meer om sal lachen dan kijven;
 
Tis schande ledich zijn en niet bedrijven.
 
Oock en prijse ick dit werck noch quaet noch goet,
20
Want ick sie, het let ons alle bey, mans en wijven, 20
 
Deen onder de huyve / dander onder den hoet. 21
 
So lang alsmen tkint zijn willeken doet,
 
So en crijtet niet, tis vrij van gheschille. 22-23
 
Wy hebben oock al verscheyden sin en moet;
25
Costen wy gevolgen deen danders wille,
 
So souden wy leven met vreden stille.
 
 
 
+Nu zijn wy al gebreckelijc bevonden,
 
Dit ghebreckelijc werck ooc dan bij maten laect.
 
Die eenen stock worpt onder een hoop honden,
[p. 8]
30
Tcoemt selden daer en wert yemant van al geraect; 30
 
Nochtans wert den peys wel weder gemaect 31
 
Alsmen hem een stuck vleesch worpt inden poot.
 
Dees ghecxcluchte ooc anders dan niet en smaect, 33
 
Niemant en belgh hem der saken, cleyn noch groot.
35
Dexempelen sien wy voor ons oogen bloot,
 
Hoe elck in dijdelheyt totten ooren stect.
 
In een bierschole men ons dees materie boot, 37
 
Dus en nemet voor geenen scimp, al schijnet gegect,
 
Want niemant en heeft schult dan diet hem aen en trect.
 
 
40
Beminde Leser, u moet ick verclaren 40
 
Een Keyserijck machtich, groot van valuere,
 
Twelck heeft geweest over duysent Jaren 42
 
Ende altijt sal blijven in zijnen fluere,
 
Met een deel Conincrijcken, costelijc van kuere, 44
45
Hertochdommen / Graefschappen / Baenderijen, 45
 
Heerlicheden / Vrijheden / geweldich al duere,
 
Steden / Dorpen / Hoven en Heerschappijen,
 
Lant en Zant / Muelens die malen by tijen, 48
 
Beemden en Bosschen en diepe Moraschen.
50
Die zijn al gelegen onder tbevrijen 50
 
Van desen Keyserrijcke en zijnder masschen, 51
 
Dus Leser: leest en hoort, wilt schimp afwasschen. 52
 
 
 
De Keyser van desen Rijcke verheven
 
Is / die dry werven als de valiande
55
+Den voghel heeft schutterlijck af ghedreven, 54-55
 
Met busse oft boghe, van zijnen stande.
 
Maer de Coningen groot van desen lande
 
Wil ick u tsamen int corte bescrijven:
 
De Coninc vander gans, Carolus de grande, 59
60
Diemen achter Rosbeyaert siet wonder bedrijven; 60
 
De Coninc vander caerten doet menigen kijven; 61
[p. 9]
 
Als de Coninc van Derthienavont regneert, 62
 
Elck hem verblijt, tsy mannen oft wijven,
 
Hoe groot, hoe cleyne, elck hem verjubileert, 64
65
Metten Coninc sonder landt elck triumpheert.
 
 
 
Den gheestelijcken staet die moet ick stellen:
 
De Paus vanden dronckaerts in dyerste let;
 
Den cruepelen Bisschop sietmen dicwils quellen 68
 
Den abt daermen uut drinct en op de tafel set; 69
70
De Deken vander gulden maect soppen vet
 
Met alle de schijfpaters en maters mede; 71
 
De cloecke Vorsten en Baenderheeren net
 
Moet ick ooc stellen na doude sede.
 
Prince vanden Refereynen, God geve hem vrede,
75
In dit Rijcke vermaert oock groot is bekent;
 
De grave van Halfvasten hout oock zijn stede 76
 
Metten Ridder sint Joris, die heeft gheschent 77
 
Den vyerigen Draeck in Margrietens convent.
 
 
 
De Jonckers van desen Heeren voorscreven
80
Met grooten hoopen alomme men vint:
 
Joncker Jan nau gesocht, die qualijc can leven, 81
 
Maect hem altijt in de kueckene al waert een kint, 82
 
+Om dat hy zijnen Boden sou wesen ontrint 83
 
En om datmen ten twee steden niet en sou stoken
85
Vier / want tselve veel houts verslint.
 
Joncker Gijsbrecht quaeyen cost heeft tselve geroken, 86
 
Want hy ter maent nau eens en doet koken
[p. 10]
 
Eenen hutspot / want tvleesch is hem te diere;
 
De boden eten vlaemschen kese, men sieter niet smoken;
90
Als mijn Joncker uut gaet, te wijne oft te biere,
 
Betaelt een ander voor hem, hy eet als de giere.
 
 
 
Joncker Wouter de boose die altijt kijft
 
Tegen zijn knechten als sy begheeren
 
Haer ghelt / en hen dan uuten huyse drijft
95
En schut haer den rock uute met tieren en gebeeren. 95
 
Joncker Hendrick de drooge doet ooc vergheeren
 
Zijn oude vodden, tsy van cousen en schoen,
 
En vercooptse den lappers / hy sou hem verneeren 98
 
Een nieu cleet te maken al heeft hijt van doen.
100
Joncker Aert scherpgetant, noyt vremder fatsoen,
 
Die op zijnen rock doet maken twee rechten: 101
 
Binnen is hy blau ende buyten is hy groen,
 
Deen is den besten / dander is den slechten; 103
 
Men siet list tegen de armoede vechten.
 
 
105
Joncker Faes droochstrote wilt altijt hoveren 105
 
En even sat zijn, thooft staet hem groene; 106
 
Joncker Loy goet bloet laet hem regeren
 
Van zijnen wijve ghelijck eenen loene; 108
 
Joncker Coenraet geldeloos niet veel van doene
110
Gaet metten cruysen niet noch ooc met munte aen; 110
 
+Joncker Jenni uut Henegouwe avont en noene
 
Sietmen in de handt metten Pater noster gaen;
 
Joncker Arnout vander Borcht salt al aen slaen 113
 
Datmen hem borcht en seer qualijck betalen;
115
Joncker Job ongesont, al sout hem misstaen,
 
Moet altijt met leersen gaen sonder falen,
 
Maer meest so moetmen hem crucken halen.
 
 
 
Joncker Frans, een fatsoen die niet en vernieut 118
 
Zijn cleederen / peerden oft leverye;
120
Joncker Machiel dulcop die altijt perdieut 120
 
En eewelijck wilt vechten al waert om een eye;
[p. 11]
 
Joncker Hans suet gesouten die als een clappeye 122
 
Can zijnen Placebo net op zijn duymken; 123
 
Joncker Floris vol bedrochs die so ick u seye
125
Om meyskens te bedodden leyt op zijn luymken; 125
 
Joncker Joos broempot die leeft opt schuymken; 126
 
Joncker Merck quistwater diet al verdoet,
 
Ghelt en goet, de corsten metten cruymken;
 
Joncker Claes lichtvoet heeft eenen moet 129
130
Op zijn dansen en springen, het dunct hem al goet.
 
 
 
Joncker Steven sonder Wet die so seer ontsiet
 
Onsen Heere / dat hy niet wel en derf blijven
 
In Kercke oft Cluyse / het dunct hem, siet,
 
Dat sy vallen sal met stucken en schijven; 134
135
Joncker Huben veelclaps die wonder can bedrijven
 
Metter tongen ende seer wel can stuyten; 136
 
Joncker Joseph goenmoet, die, als sommige wijven,
 
Hem drymael ontcleet eer den dach can uuyten, 138
 
+En noch een deel Jonckers die hoochelijc fluyten 139
140
En maken haer edel, al zijn sy ontvallen 140
 
Eenen groven boer oft torftreder van buyten.
 
Dees Jonckers vintmen vele diese hoort callen,
 
Sy slachten den Cappuyn alle met allen. 143
 
 
 
De vier Hooftsteden om logeren seer milde
145
Zijn Bordeaus / Putiers / Boevines en dolen; 145
 
De Vrijheden zijn Miscom en ghilde, 146
 
Cort te naken, lichtaert, wat batet verholen; 147
 
De Casteelen daer vele om laten haer scholen
 
Zijn Contick / blijdenberge / cortersen en malle; 149
[p. 12]
150
De Dorpen die den Heeren zijn bevolen
 
Zijn seer vele en groot van ghetalle:
 
Dyerste is grimberghe met zijnen vervalle, 152
 
Suerbemden / suerenborne / homsen en mishagen, 153
 
Maer den gront is brack en bitter als galle,
155
Selden sietmen daer goey vruchten dragen,
 
Grimmen en muylen het zijn al quaey plagen. 156
 
 
 
Joncker Jan vanden quaden beleye
 
Is stadthouder vanden Leenen vermaert, 158
 
Maer Claes duechniet, al quelt hem de keye, 159
160
Is zijnen griffier; sy zijn wel ghepaert.
 
Den ongetijdigen Dries als een rouwaert 161
 
Is vinder vanden Leenen, wijt en breet. 162
 
De Leenmannen sal ick ooc setten een paert, 163
 
Want den hoop is groot die zijn vanden eedt: 164
165
Lemmen dullaerts, die altijt is ghereet
 
Met Augustijn raescop om een campken te slane;
 
+Jan ongeluckich die yeghelijcken weet, 167
 
En Plissus lichtvoet, die niet weet hoe te gane, 168
 
Is altijt ghepluymt ghelijck eenen hane.
 
 
170
Machiel lueterere en Steven schijtpot, 170
 
Willeken sonder sorge en Bertel al bedorven,
 
Goris van Mallenbroeck niet beter dan sot,
 
Huben goetbloet die woont by de torven, 173
 
Christoffel doverdrager die heeft verworven 174
[p. 13]
175
Datmen niet mach crayen noch hem noemen haen hoen; 175
 
Antuenis ruymconscientie bijna was gestorven
 
Om dat so lange achter bleef het pardoen;
 
Valentijn vuylpoorte als onreyn cappoen 178
 
Schijt in zijne broecke als hy is versmoort; 179
180
Robbert de povere die druypt door zijn schoen, 180
 
Peter cort voort hooft die hem lichtelijc stoort,
 
Dees mannen van Leene houden qualijc accoort. 182
 
 
 
De parceelen van den Lande zijn verre gelegen,
 
Deen hier, dander daer, so ghy muecht hooren.
185
Ten yersten een velt met vele wegen,
 
Gheheeten bijstervelt, daer en wast geen cooren; 186
 
Tselve is gelegen Suytwest tot by den Mooren,
 
Hovende onder Peter sonder achter dincken / 188
 
Oudtstock goet, dwelc plach te orbooren 189
190
Het edel gheselschap, God wilse gedincken,
 
Geheeten nimmermeer thuys maer altijt uutdrincken, 191
 
Gheenen lust om wercken, altijt op de bane,
 
Vuylwijfs sonder sorge die altijt moeten clincken,
 
Thuys vol kinderen ende die omme noch aene; 194
195
+Op dit velt behoort dese gemeynte te gane.
 
 
 
Dickwils zijn lant versetten en verpassen, 196
 
Van quade coopmanschappen roucoop geven,
 
Verteeren de Schuere eer tcoren is gewassen,
 
Altijt gast of weert, tdoet menighe sneven,
200
Buyten teeren, thuys scherpelijck leven, 200
 
Niemant betalen sonder schade oft schande,
 
Die niet en can noch niet en is bedreven
 
Nochtans moet coopmanschappen, met cleynen verstande,
 
Crijgen en soetelen loopen achter lande; 203-4
205
Van eenen gulden twee geven op dyerste kint 205
 
Of opt houwelijck, dus worptmen uuten hande, 206
[p. 14]
 
Een quaey schult coopen eer datmen wel versint, 207
 
Huyshouwen met hoeren / hebben al op dit veldt bewint.
 
 
 
Noch eenen beemt van grooter weerden
210
Ghelegen tuytkercken byder niet hagen, 210
 
Den selven is leengoet dienende met vier peerden 211
 
Spruytende van die edel magen,
 
Te wetene: passediex diet altemael wagen,
 
Nimmermeer ghelijcken, qualijck becanst 214
215
En gheenen troef, dwelck menigen doet clagen
 
En is met dese vier bescanst: 216
 
Boeverije doen ter eenre alst spel qualijck danst, 217
 
Ter tweeder opscrijven oft borgen spelen, 218
 
Ten derden als de borse heel is verganst 219
220
Niet willen betalen maer liever daer toe noch stelen,
 
En hersteken ter vierder, al soutment bequelen. 221
 
 
 
+Noch een finantie, seer schoon en groot, 222
 
Die hovende is onder loose practijcken 223
 
En reckt so breet en wijt haren schoot
225
Dat by Lombardijen strecken haer rijcken, 225
 
Maer met vreemde lieden oft dier gelijcken,
 
Oock metten naesten is sy seere belast,
 
Dat sy niet en dooch en menigen doet beswijcken 228
 
Want den Intrest loopt en grotelijc wast. 229
230
Op borghe innecoopen en met gereeden verpast 230
 
Van deser finantien is dyerste pale;
 
Ten tweeden op versterffenisse te maken last, 232
 
Tertia te gelooven der Makelaren tale,
 
Quarta die leyt by tgasthuysen dale. 234
 
 
[p. 15]
235
Noch een stucxken leengoets en vaste rente,
 
Ghelegen te Miscom vast aen de heye, 236
 
Maer tis wat belast met quaden regimente, 237
 
Hoorende onder Jan vanden quaden reye, 238
 
Woonende in Taverne in welcke contreye
240
En drincken maer borgers als lieden van degen, 240
 
Twaer jammer datmen zijn palen verleye:
 
Nimmermeer nuchteren ter eenre vercregen, 242
 
Ter tweeder sijden so meestendeel plegen
 
Tcoreken groen eten al te gadere,
245
Ten derden lastmaken, ten baet niet verswegen, 245
 
Op zijn kints ghedeelte, al leeft moeder en vadere,
 
Quarto ten gaet uute, coemt niet meer nadere. 247
 
 
 
Noch een schoon hoeve met een huysken van plaisanse, 248
 
Ghelegen te Putiers en wert gehouwen 249
250
+Van mijn Heere van grooter valiance
 
Augustijn duechniet, een man vol ontroumen.
 
Tis een dienende leen / maar tdoet de mans flouwen 252
 
En den ploech trecken met grooten labuere; 253
 
Niet dan strijckvoren, heb ict wel onthouwen, 254
255
En canmen daer ackeren mits tquaet humuere 255
 
Twelck desen lande is quallende alduere,
 
Winter en Somer, quaet om doorbouwen saen;
 
Het doet menigen man met grooten getruere
 
Zijnen arbeyt om niet daer inne slaen,
260
Dat hy achter na van gebreken moet vergaen. 260
 
 
 
Dese Landen zijn so costelijck om mesten
 
Dat niet mogelijc en is daer op bedijen;
 
Nochtans wilt schier alleman daer op nesten 263
 
En dees hoeve besitten en bevrijen. 264
265
Het tis een ghilde ter eender sijen 265
 
Die gheen wijf so noode en mint als de zijne;
 
Ter tweeder sou ick my altijt met eender lijen 267
[p. 16]
 
En in eenen com vollen, twaer groote pijne, 268
 
Ick mocht Lasarus werden ten fijne, 269
270
Neen ick sekere, ick heb anders ghedacht;
 
Ter derder ick moet gaen by myn trijne; 271
 
Ter vierder ten wert voor gheen sonde gheacht
 
Ben ick by een schoonder dan de mijne vernacht.
 
 
 
Noch een vol hergeweyt dwelc is gelegen 274
275
Tgheheel lant duere, maer meestendeel
 
In Spaengien en Napels die meest zijn genegen 276
 
Tot sulcker Jachten volgen sy som geheel;
 
+Dees Neerlanden mogen ooc wel trecken een seel, 278
 
Want sy dit hergewey ooc gheern besetten.
280
Een ghesalft Coninc regeert dit prijeel 280
 
Die eewelijck gaet metter bonter bonetten; 281
 
Tselve is gelegen, wilter wel op letten,
 
Tusschen Herculex van pilaernen een paert 283
 
En de broecpoorte vander sluys, seer quaet om netten, 284
285
By de keerondere daert volc neemt zijnen aert 285
 
In een warande die alomme is bewaert. 286
 
 
 
Dese warande is vol wreeder dieren,
 
Vol cleyns wiltbraets wit ende root, 288
 
Onder een doyleeghe gequelt metten mieren, 289
290
By een cranc fondament dwelc dicwils lijdt noot.
 
Dese warande heeft so menigen goot, 291
 
Maer dats noch al de minste sake;
 
Zijn palen liggen alomme seer bloot,
 
Een clapoore ter eender met ongemake, 294-298
295
Fluymen in de kele ter tweeder stake,
[p. 17]
 
Het crausel aen de beenen ter derder sijen, 296
 
Ter vierder een plaester rechts op de Kake
 
Oft carbonckels inden hals, niet wel om lijen; 298
 
Diet wilt volgen seer selden bedijen
 
 
300
Noch een clippelleen ghelegen al hiere 300
 
Tusschen hals en hooft bij grimmendale;
 
Met stockvis sonder boter en scherpen biere 302
 
Houtmen daer huys met vreemder tale,
 
Den ongetijdigen Dries hevet teenemale 304
305
Te Leene gehouwen over langen tijen. 305
 
+Vuystloock van desen is dyerste pale, 306
 
Een ghebacken vischken ter tweeder sijen; 307
 
Dorsschen sonder stroy, den rugge niet mijen, 308
 
Ist derde, heb ict noch wel onthouwen;
310
Een muylpeer ter vierden en verbonden by tijen. 310
 
Tis vol calaengie, men moet het wel schouwen, 311
 
Twert saen vergeven en saen berouwen.
 
 
 
Noch een lant twelc is seer profijtelijck,
 
Maer de menschen als wolven en beesten seer wreet
315
Eten deen dandere al levende subijtelijck;
 
Ick en hoorde mijn dagen noyt van meerder veet. 316
 
Ter eenre al willens laten wijt en breet
 
De renten oploopen om gheraken
 
Aen den gront voor den chijns en lutter ghereet
320
Daer voor te gevene; ter tweeder om maken 317-320
 
Voor haeffelijcke schult met listighe saken 321
 
Erve te chrijgene door dreygementen 322
 
Oft doen beschamen oft panden doen staken, 323
 
Geeftmen hen gheen giften oft eenige presenten;
325
Hoet is vercregen het zijn al goe renten.
 
 
 
Item noch een schoon groot costelijck leen
 
Dwelck is ghelegen te water en te lande,
[p. 18]
 
Hovende onder een deel wolven ghemeen
 
Die voor Vorsten en Heeren aensien gheen schande,
330
Comende uut Lombardijen en van langer hande 330
 
In desen lande oock zijn voort ghebracht,
 
Dienende met grossiers als volck van verstande, 332
 
Financiers, banquiers, seer hooghe gheacht,
 
+Douse pour cent ter eenre bedacht,
335
Ter tweeder beneficien beleenen met ghelt,
 
Ter derder crijghen een goet met grooter macht
 
Binnens coops coope met ghereeden ghetelt, 337
 
Ter vierder een loose rekeninghe ghestelt.
 
 
 
Item noch een schoon leen daer niet en wast
340
Eenich moes / maer is dienende voor heeren
 
Die niet en zijn Priesters noch in Cloosters vast
 
En voor Vorsten die in gheen steene verkeeren; 342
 
Voor Recht dat niet crom en is voor tscap van eeren, 343
 
Den stoel van Romen sonder stapels gewijt; 344
345
Voor den secreten Raet om tghetal vermeeren 345
 
Die niet int heymelijck maer int open crijt; 346
 
Voor Meesters van Rechte die tot gheender tijt
 
En verstonden den text van haren boecken;
 
Voor arme Commissarisen die ghelt noch profijt 349
350
En begeeren van yemant noch na eygen baet en roecken, 350
 
Maer dicwils den vetten Da nobis versoecken. 351
 
 
 
Ter eenre ick salt so lange appelleren 352
 
Dat ick hem verdrincken sal in de golgen 353
 
Met vuyle saken / mijn proces wel regeren,
355
Hy heeft doch so menich root vosken geswolgen; 355
 
Ter tweeder van beyder sijden verbolgen
[p. 19]
 
En al even crijgel en obstinaet;
 
Ter derder ick salt so dapperlijc vervolgen
 
En schencken so vele mijnen Advocaat,
360
Dat ick van hem crijgen sal goeden raet
 
En goede expeditie van mijnen Rechte; 361
 
+Ter vierder na grooten cost en overdaet 362
 
Peys te maken / den commer sy slechten;
 
Die saen lachen en crijten / haest kijven en vechten.
 
 
365
Noch eenen grooten tol den Biltol genaemt, 365
 
Gheleghen onder de seeude ende fiscalen: 366
 
Ipse habet bene ter eenre / hy is befaemt
 
Dat hy zijn genuechte gefaelt heeft, hy moet betalen; 368
 
Ter tweeder op een proces constich afmalen 369
370
Veel valsche artijckelen en soecken discoort;
 
Ter derder laet smeeren en wijns ghenoech halen
 
En helpen Prochiaen en coster over tboort, 372
 
Sy sullen te bet clappen al waert een moort 373
 
En brenghen voort alle de secreten;
375
Ter vierder voor den landen soot behoort
 
Dees Hoerkens manen eer sy zijn beseten 376
 
Om dat syse selfs souden hechten en speten.
 
 
 
Item noch een leen daermen meestendeel backt
 
Goe vette coecken, maer tdeech blijft hanghen
380
Aen handen en vingheren daer elck na snackt, 380
 
Want tis seer soete, tdoet elcken verlanghen;
 
Tselve leen met alle zijn omganghen 382
 
Is hovende onder een deel treffelijcke Heeren,
 
Als Commissarissen die altijt zijn bevanghen 384
385
Met schriften en bullen die crackeel vermeeren;
 
Kercmeesters en weesmeesters als volc van eeren,
 
Oock onder Momboors en Testamenteurs
 
Die den Weesen niet gheern en laten in verseeren,
 
Meesters vanden Gasthuysen en Controlleurs
390
+Ende van allen Cloosters die Commandeurs. 390
 
 
[p. 20]
 
Ter eenre aen die handelinge en is geen verlies,
 
Want Sint Andries doet menighen bedijen; 392
 
Veel vocatien rekenen, wy vermoghen dies 393
 
En seggen arbeyt is loons weert ter eender sijen;
395
Ter tweeder van Weesen sommighe partien
 
Ghelt te ontfanghen / en soomen mach dencken
 
Hem selven daer met te behelpen ten drien,
 
Al werdet verhandelt / wat mach hem dat crencken? 398
 
Ter vierder laet ons die goey mannen beschencken,
400
Sy sullen ons rekeninghe voor goet lauderen, 400
 
Al isser wat doncker men sal ons niet hencken, 401
 
Tis een abelheyt sulck practiseren. 402
 
Onder sulck een decksel sietmens veel passeren.
 
 
 
Item noch eenen poel daer inne vergadert
405
Alle tvuyl water van desen lande;
 
Hy is gheleghen aen de goeyen, hy seer nadert 406
 
Van Joncker Machiel vol bedrochs sonder schande.
 
Ter eenre een yegelijck te trecken uuten tande, 408
 
Rapen en schrabben tot allen termijnen;
410
Ter tweeder wat ick can crijgen in mijn hande
 
Op mijnen eedt / dat mach ick wel mijnen; 411
 
Ter derder van een v. een x. pijnen 412
 
En veranderent subijtelijck tot haerder baten;
 
Ter vierder alle tgoet dat Sonne mach beschijnen
415
Soect happe qui peult sonder verlaten. 415
 
Tghebreck is seer groot in alle staten.
 
 
 
+Noch een stuck Leens twelc noyt wert verheven 417
 
Met goeder meyninge, gelijc dicwils geschiet;
 
Ter eenre werden de vrienden bekeven
420
Dat sy ter Kermissen en zijn comen niet
 
Als sy ghepasseert is / ter tweeder met bediet 421
 
Nooden eens voor al / en tselve niet begeeren;
 
Ter derder nooden alsmen merckelijcken siet
 
Dat sy elders gebeden zijn om gaen smeeren; 424
[p. 21]
425
Ter vierder selve gaen buyten teeren 425
 
Alsmen volck genoot heeft en seggen: voorwaer,
 
lck dachte dat ghy hadt eenige affeeren
 
Die u belette te comen hier naer.
 
Veel soecken eere sonder cost, dit sietmen openbaer. 429
 
 
430
Noch een warande die seer is verladen
 
Met loose hasen en dobbel foretten, 431
 
Sulcke Vossen die doen groote schaden,
 
En doortogen Visschen, quaet om vangen met netten. 433
 
Hy is loos genoech ter eenre om yet beletten;
435
Ter tweeder / hy is werm van smunters vier; 435
 
Ter derder par ma foy soutmen hem versetten 436
 
De Heere sou verliesen eenen goeden Officier;
 
Ter vierder tis een man van bestier, 438
 
Hy weet waer nemen en waer geven,
440
Maer meestendeel te nemen is zijn desier;
 
Al comet vander sijen, hy isser in gedreven. 441
 
By primum mihi wert menighe verheven.
 
 
 
Noch een warande vol grooter dieren, 443
 
Als Buffels en Esels van grover aert,
445
+Deynen en Rekels quaet om bestieren, 445
 
Ghelegen onder Honsem de meeste paert. 446
 
Ter eenre om een mijte te wesen beswaert
 
En aen te nemen een Proces oft ghekijf; 448
 
Ter tweeder op zijn goet te wesen vermaert
450
Voor een deyn en sparent uut zijn lijf; 450
 
Ter derder tegen elcken te wesen seer stijf
 
En niemant yet te vergeefs doen oft raden; 452
 
Ter vierder noch schaemte noch eere int lijf
 
Maer als eenen sloef thuys sitten beladen.
455
Een edel herte soect vrome daden.
 
 
 
Noch eenen berch den keyenberch geheeten, 456
[p. 22]
 
Ontrent eenen crancken hoofde ghelegen,
 
Comende door crijgelheyt diet al wilt weeten 458
 
En volgen zijn opinie tot boosheyt genegen.
460
Een ander schampelijc berispen en bewegen 460
 
En door onverstandicheyt wat quaets bescrijven; 461
 
Met grooter vermetentheyt, ten dient niet verswegen,
 
Tgoet met quaden loonen en even nijdich blijven;
 
Door haet eens anders goede fame verdrijven
465
En sonder discretie op de Heeren crayen;
 
Commotie maken, vechten en kijven
 
En als een riet met alle winden wayen
 
Zijn palen die liggen tot veel stayen. 468
 
 
 
Noch eenen berch, den vuylenberch genaemt,
470
Alomme beset met ongeschicten houte,
 
Den selven hovende en wort geraemt 471
 
Onder eenen Meyer mal pleysant van coute.
 
+Met een ander spotten, elcken seggen zijn soute 473
 
Ter eenre / en die zijne niet mogen tijen; 474
475
Ter tweeder goet geselschap met plompen assoute 475
 
In arguwacien stellen; ter derder sijen 476
 
Eens anders welvaert en gheluck benijen;
 
En therte door afgonst inwendich knagen;
 
Ter vierder hemselven niet connen vermijen 479
480
En om een beter yet lijden oft verdragen.
 
Desen berch alomme heeft veel quaey slagen.
 
 
 
Item noch een Capelle daermen dagelijcx singt
 
Musijcke die met veel partijen gaet,
 
Maer daccordantie seer qualijck clingt
485
Want het zijn al montetten van calaengien quaet. 485
 
Men tiert daer niet luye, elck mijt hem, Jaet 486
 
Uuter stemmen te singen, want niet betaemt 487
 
Dat alleman hoore / dus houtmen besijen maet 488
[p. 23]
 
Veel stucken met discoorde versaemt.
490
Haer palen moeten oock zijn vernaemt:
 
Ter eenre een dinck secretelijck vertrecken 491
 
Tot dat alle de Werelt door is befaemt
 
En dat alleman wete en can ontdecken.
 
Achterclap doet veel onvreets verwecken.
 
 
495
Ter tweeder singmen in tfauset een liet; 495
 
Ter derder watmen elders siet oft hoort
 
Terstont overdragen, al ist oock geschiet
 
Over eens goets mans tafele een lichtverdich woort; 498
 
Ter vierder alomme te maken discoort,
500
Van een ander te clappen door nijt en haet
 
+En niet te verswijgen al waert ooc een moort,
 
Maer tselve aen te brengen met valsch verraet,
 
Al en heeft hy den loon niet die daer toe staet, 503
 
Noch den Officier van dien gheenen eedt gedaen,
505
Hy verblijdt hem dat hy mach sayen zijn zaet
 
Daer een ander af mach verdriet ontfaen.
 
Haet en nijt heefter vele doen vergaen.
 
 
 
Noch isser den Alfsberch, op welck zijn versaemt 508
 
Veel costelijcke boomen van grooter weerden.
510
Die selve dragen appelen, Wittingen genaemt, 510
 
Hovende onder Mallenborch en zijnder eerden. 511
 
Ter eenre hemselven prijsen en aenveerden
 
Lichtelijck de eere diemen hem biet;
 
Ter tweeder terstont in sotten clap volheerden
515
En lichtelijc lachen al waert ooc om niet;
 
Ter derder hemselven laten duncken siet
 
Dat hy seer wijs is en daer toe hooge geleert;
 
Ter vierder die gheern heeft datmen yet
 
Toont schoon samblant en gheerne is gheeert.
520
Eygen lof aentrecken sotten hoochmoet vermeert.
 
 
[p. 24]
 
Onder desen berch moet hem onderhouwen 521
 
Die vader vanden alve en die meeste part
 
Van zijnen lande dat doet hy doorbouwen
 
Meest vanden Brabanders, die zijn vermaert 524
525
Hoe ouder hoe sotter, tis wel haren aert.
 
Die selve vader is van dier natueren
 
Dat hy zijn tonge om schande noch schade en spaert,
 
Ten sy dat yegelijc wilt volgen zijn kueren, 528
 
Yerst moet al goet zijn, oft hy en can niet gedueren, 529
530
Al wat dat hy seyt en wesen ghelaudeert;
 
Ooc moetmen loven en prijsen tallen hueren
 
En honich om den mont werden ghesmeert.
 
Had de sulcke noch twee ooren, hy waer gestoffeert. 533
 
 
 
Item noch een schoon dorp, geheeten lichtenaert.
535
Dit stucxken leengoets heeft dat gansche lant
 
Onder hem sorterende en is verre vermaert;
 
Zijn palen zijn alomme seer wel becant:
 
Ter eenre eenen yegelijcken met bot verstant
 
Zijnen staet vertrecken / blasen en fluyten; 539
540
Ter tweeder te glorieren als een truwant 540
 
In alle quaetheyt en valsche statuyten; 541