terug  begin  verder
[p. 37]

De parafrase naar het handschrift van Henis

+
In dese voors. Leensaell sijn die nae bescreven vrouwen gheadmitteert om


in die stucken van den naevolgende Leengoederen met te deylen / 2


In den eersten, allen die wijffven die teghen hare mans ophanghen, 3


die wijffven die den man in sijne redenen oft woerden varen /


die all contrarie doene dan die mans gherne sien ende lieff is,


die den man allen dinck verwijten /


die drye segghen als den man maer een seght /


die teghen hare mans argueren ende willen altijts gelijck hebben /


die op die mans lichtelyck muylen / 9


die op die mans willen keken als die mans droncken syn / 10


die den mans andere vrouwen aentigen /


den welcken dunckt wijser te syne dan die mans ende willen die mans leeren


die altijt voerslaepen / 13


die den mont altyt hebben protelende gelijck den ertpot / 14


die op straet gherne roepen als sij in huyse niet en moghen spreken /


die de mans loopen bekijffven in de herbergen oft onder tgoet gheselschap.

+
die altyt teghen ijeghelick over die mans claeghen /


die haer altyt vol drincken /


die op straet loepen moert roepen als haer die mans dreeghen te slaen


die van haere mans willen ghescheyden woerden, omdat se niet noech ghe-


voegelt en worden / 21


die op die mans nijet en passen /


die den man doen haspelen ende tbedde maecken /


die de kinderen smijten uyt quaetheyt als sij niet en moegen op die mans keken


die op die maerten tieren als sy haer leedt niet en moeghen op die kinderen


vreken /


die den honden met den voet stoten als sy niet en moeghen of man, boden oft


kinderen sneuteren 28


die den man in alle quaet stoecken / 29


die alle maenden een maert verslijten /


die hen selffven willen verdrincken /


die niet en willen swijghen al soudense kruepel ende lam geslaghen worden /


die altijt willen loepen gaen /


die niet en moeghen sien eten noch drincken /


die den mans altijt preecken /


die den mans vrinden verachten ende altijt den man daer achterdeel aff seet / 36


die veel te veel claps hebben /

[p. 38]


die nimmer meer int besten spreecken / 38

+
die heijmelyck glorieeren als den man gram is /


die den man verwijten dat hij niet werdt en is dat hij hare man is /


die van tafelen met gramschap gaen loepen als sij den man niet moeghen helpen 41


inden dronck /


die hare terstont aller dinck belghen /


die heijmelyck schult maken /


die altijt teghen hare gebueren kijven /


die den pot altijt laten in dasschen loepen /


die den mans terstont helpen kijven op sijn knechten /


die altijt over knechten ende jonghens clachten doen aen den man /


die den knechten haten als sy hare niet gedienstigher syne dan den man /


die altyts sitten bij hare ouders en claghen /


die hare besieckt maecken als sy een soffelet hebben kreeghen / 51


die drye maerten haudt ende soude haer met eender wel ghedoene /


die hare kinderen bij de papen laten slapen als sij met lecken ende suypen 53


moeghen /


die den mans hoeden berghen / 55


die bij de mans slaepen eer sij van kindt uytgegaen sijn 56


die altijt heymelicke Commeerkens hebben daer sy met brassen als den man


niet thuys en is /


die jaloers syn /


die hare siecker weten te maecken dan sij sijn /

+
dieghene die muylen als die man elders ghenoijt is, dat sy niet mede ghenoijt


en is /


die men savonts niet slaepen en smorgens niet op ghecrijgen en kan /


die den mans bevechten willen /


die altijt aen hare kleederen pronselen / 65


die liever op straet kijven dan in huyse ende niet soe poertvast en sijne /


die den man altijt hare goet verwijten /


die in hare slaepkamer in die pispott schyten /


die doer hare vingeren pissen dat men se niet soude hoeren strollen / 69


die hare den rechten willen verstaene /


die altijt suerlyck sien /


die hare walsche groene scheere /


die van den hare dat op eghen hoefden wast, brasseletten maecken / 72


Ende voorts allen hoverdye van vrouwen van cleederen schoenheyt goet wor- 74


den en werken

 


[Die met haer mans den maeltijt niet en halden, mer snoepen als hij niet 76


thuis en is]

[p. 39]


[eenen dingen ons noetsaecfkelyc te weten moriendum certe est et id in-


certem 78 an eo ipso die, si vis ad vitam ingredi serva mandata dei]

 

+
Hier volgen die notabelste stucken ende percheelen van goederen die
onder den voors. Leenzaell behoeren ende gereleveert 81 werden.


In den eersten een schoene, goet, costelick, verveerlyck Leengoet, gelegen te
water ende tLande, hoeffende 83 onder een deel grauwelycke wolffven die Coe-
ninghen noch vorsten aen en sien, 84 comende uuijt Lombardijen, welcke beesten
hier int Landt oick hebben seer voerts ghebracht, 85 dienende met Rentmeesters,
muntmeesters, penninckmeesters, Tresoriers, Argentiers, thesauriers, Prossiers, 86
financiers, Banckiers enz. Regenoten: 87 ghelt verschoten op die penninck drye
ter eenre / alsoe veel offitiën als beneficiën beleenen ende vercoepen ter tweeder,
alle goeten met ghereede gelt binnen coeps 89 coepen ter derder / Ende loose
rekeninghe weten te maecken ter vierder zijden /

+
Item een schoene Leen dienende voer hoeven daer gheen moes en wast ende
voer heeren die gheen priesters en syne ende voor vorsten daer gheen steeden
en syne ende recht dat nijet crom en is ende voor den stoel van Roemen die
egheen staples 94 en heeft ende voerden Secreten Raedt die niet hemelyck en is
ende voor meesters van recht die hun text niet en kennen ende voer den 22
daer 15 wel doen souden 95/96 ende voer arme Commissarissen die egheen gelt en
nemen ende voer die Ridderschap die naer het hoff niet hooren ende voer den
drij Coeninghen die nijet ghecroent en sijn geheeten vuijlsaken, geleghen
onder allen bedroch, eijhgen profyte ende loose practijcke. Rgt: Ick salt soe
langhe appelleren 100 hij en sal my niet kunnen ghevolghen ter eenre, van beyde
syden even cryghel te syn ter 2der, Ick sal soe veele schincken dat Ick goede
expeditien van recht sal cryghen ter 3der, Ende als men grooten cost ghedaene
heeft peys maken ter vierder syden.

+
Item een tol geheeten den bijltol, 104 geleghen onder die zee der fiscalen. Regt:
ipse bene habet, hij heeft syne suster ghefoilt ter eenre, van een exces te weten
drie oft vier articulen te maecken 105 ter tweeder, Laet ons desen schepenen, pro-
chiaen, custers droncken maken, sij sullen al te wel clappen ende aenbrengen
ter derder, ende die hoerkens daeghen 108 dat sij se selfs voeghelen souden ter vier-
der zijden.


Item noch een schoene dienend leen, dienende te voet, te waeghen ende te
peerde, 110 som met een peerdt, twee peerden, drije peerden, daer nae dat die
Leenen sijne. Regt: allen cloesteren waeghens ter eenre / een geleent peert

[p. 40]


vyff off ses daeghen te rijden ter tweeder / om den cost wercken ter derder / ende
alle krewee waeghens 114 ter vierder zijden /

+
Item een Leen daer men al gheboterde koecken backt maer het deech blijft
een 116 al aen die handen hanghen, hovende onder Commissarissen, mombers,
executuers ende testamentuers, gasthuijsemeesters, heylegheestmeesters, kerck-
meesters ende weesmeesters. Regt: aen dat berdken te draeghen 118 en is geen
verlies ter eenre / veele vacatien rekenen ende segghen arbeit is loonsweert ter
tweeder / tgelt in die handt crijghen ende hem daer mede behelpen 120 ter derder /
ende achter nae een bescheten rekening 121 maeken ter vierder zijden /.


Item noch een grooten poel daer alle vuyle water in vergadert hoovende
onder Henrick loesleven. Regt: een ijgelycken te ontrekenen 123 ter eenre / ende
wat Ick op mynen eedt heb 124 dat is ghevanghen visken ter tweeder / van een
v een x te maecken ter derder / ende mijne Ruyme conscientie is my tsiaers
een koye 126 waerdt ter vierder zijden /

+
Item een stuck Leens dwelck nimmermeer met goeder meninghen en woert
opgehauwen 128 ende is nochtans daeghelix geschiedende. Regt: die vrinden oft
Luijden bekeijffven dat sy niet te kermessen oft maeltijt en quamen als se ge-
passeert syne ter eenre / noeden eens voer all als men liever heeft dat se thuijs
blijven oft niet en comen ter tweeder / die luijden noeden als men hoert dat se
elders ghenoijt sijn ter derder / ende als men die luijden genoijt heeft, dan
selffve nijet thuijs te syne, zegghende Ick dacht ghij en soude nijet ghecoemen
hebben ter vierder zijden. Noch een stuck Leengoets dwelck costelicke is,
nochtans lichte warec 135 ende is van alsulcken privilegien dat ment moet over
tafelen ophouden. Regt: schoetelen met breede canten 136 coopen dat se die tafel
wel vullen souden ter eenre / die weert heet den gasten die spijse ontginnen 137
als hij sij gheerne heel houden soude ter tweeder / ende den gasten wellecomme
heten tot der portien als sy 139 in een gheheele jaere niet baet teten en hebben
gehadt ter derder / ende meer wijns rekenen dan over tafel gedroncken is ter
vierder zijden.

+
Item een warande vol kleynes ende eels wilbraets van dobbel 142 haesen, doer-
toghen vossen, loose fretten ende schalcke vissen. Regt.: hij heeft wel gedient,
hij heeft sijne noetkens wel ghekraeckt 144 ter eenre / hij weet wel ware syne kulle-
kens hanghen, hij is loes ghenoech ter tweeder / per ma foij als den heer hem
verliest, Ick verseker u dat hij een goeden officier sal verliesen ter derder / Ende
het is een man van verstandt, hij weet te gheven ende te nemen maer te nemen
aldermeest ter vierder zijden.


Item noch een warande vol groffs wilbraets van deenen, 149 rekels, buffels ende
esels, gelegen onder honsem. Regt: niemanden niet te vergheeffs doene ter

[p. 41]


eenre, gheen eere kavelen 151 die gelt cost ter tweeder / om een mijte een oerloghe
ende gekijff aennemen ter derder / ende hij is Ryck ghenoech, nochtans en
derre hij hem nijet halff sadt eten ter vierder zijden /

+
Item noch een Berch, geheeten den Keijenberch, geleghen in een quaet hoeft
al en ist niet schorft 155 comende, doer crijghelheyt al syn opinie volgende, duer
buijnheijt 156 een anderen schamperlyck aen te spreken, doer onverstandicheijt
tgoet met quaden te loenen, doer vermetentheyt een quaet stuck te doene,
doer nijdicheyt een anderen sijn duecht te beletten / sonder discretie 158 op die
heeren te roepen / doer ghirichheyt een ijgelijck ongelijck te doene, doer
hoverdicheyt een ijgelijck te verachten / doer gramschap metten hoeft teghen
den muer te loepen ende doer haesticheijt een anderen te incurieren. 161 Dit leen-
goet is zeer wilt ghelegen, want het heeft wel duijsent Regenoten /


Item eenen berch geheeten den vuylenberch, besedt met onghestelden hout, 163
horende onder een onpleijsanten meyer. Regt: lichtelijck met een anderen
spotten, niet moeghen ghespot lijden ter eenre / altijt goet gheselschap in
arguatie 166 te stellen ter tweeder / altijt nijdich spelen ende spotten ter derder /
ende van niemanden om beters wille niet verdragen ter vierder zijden /.

+
Item in desen Lande regneren veele quade craewagien 168 die welck al sweeren
op die tonghe sonder etter oft bloet. Regt: niet te vreden willen syn dat ons
heer gecruijst is mer moeten hem hercruijsen 170 ter eenre / veele costelijcke eeden
sweeren eer men die ghemaent is 171 ter iider / op syne vianden willen vreecken
met den santen plaeghen 172 ter iider / ende deen den anderen heeten hare moe-
der seyrden 174 twelck beestenwerck is ter vierder zijden.


Item een schoene Capelle daer men schoene musijck singt met veel parthijen,
mer het is quaet accordt ende men singt daer nijet veel uijt der stemmen 175 oft
veel luijden en moeghent nijet hoeren. Regt: Int facit 176 singhen ter eenre / een
dinck secretelijck een ijgelyck vertrecken tot dat alle die werelt weet ter twee-
der / wat men hoert oft siet terstont overdraeghen al ist oock over tafel geschiet
ter derder / yemanden uyt haet oft nijt verraden, al heeft hij die XXXe pen-
ningen niet 179 noch en heeft den eedt niet gedaen 180 ter vierder zijden.

+
Item noch een berch geheeten den alffberch staende voll costelycke appel-
boemen geheeten wittinghen, 182 hovende eensdeels onder malleborch. Regt: die

[p. 42]


kinderen in hare quaetheyt prijsen ter tweeder / den kinderen soe veele over-
gheven 183 dat d'ouders achter nae gebreck lijden ter derder / ende borghe blijffven
dat men achter nae selffs betaelen moet ter vierder zijde /


Ende eensdeels hovende onder die van Loeven. 186 Regt: die hen selffven laeten
duncken dat sy wys syn ter eenre / die gherne voer hoeff 187 gepresen syn ter twee-
der / die altijt lichtelyck lachen ter derder / ende die hen selffven aldermeest
prijsen ter vierder sijden /


Item onder desen berghe voergenoempt woent den vader van den alffen
ende heft syn leengoet op onder die brabanders hoe auder hoe sotter ende is soo
wonderlick in sijnne oude daeghen / wat felder beeste moet dat geweest sijnne
In syn Jongghe daeghen dat hij die Jonghe alffen soude groote schade doene, maer
met dese manieren moesten sy hem onderhouden: Ierst moet al goet syn
wat hy seet oft doet, ten tweeden wilt hijt all ghepresen hebben / ter derder +
moet men hem al nae sijn mont spreecken / ter vierder behoeffden hij van
achter 196/7 wel twee ooren. Regt: alle ouden stultisen 197 ende meestendeel woenen sy
in Brabant ter eenre / herhauwelycken ende een wijff nemen die den helft
jongher is als hij ter tweeder / In syn oude daeghen syne maert trouwen ende
doen die voerkinderen in have ende erffve grote schade alsoe dat die leste
kinderen 200/1 oock niet veele en behouden ter derder / ende als hy een penninck
gewonnen heeft om in sijne oude daeghen met ghenuechte te verteeren, dien
moet d'jonck wijff verteeren met den lesten kinderen ende hij moet daer toe in
sorghen leven ende sterffven alsoe in sijn katijwicheyt 204, dwelck hy wel weert is,
ter vierder zijden.


Item een schoen dorpe geheeten lastaert 206 dwelck schoene stucken leengoedts
allen tlandt duer heeft onder hem sorterende. Regt: eenen ijegelijck sijn staet
weten te vertrecken 207/8 ter eenre / van niemant moegen goet segghen oft hoeren
ter tweeder / allen dinck in quaet weten te vertrecken ter derder ende nijet
te moeghen helen oft swijghen dat secreet is al gaet hem selffven aen ter vierder
zijden.

+
Item in dit dorp gaet een haeghemunt 212 die allen tlandt duer verboden is /
nochtans blijffse in allen plaetsen grooten cours houdende. Regt: over die doel
schietende ter eenre / blasen sonder blaesbalck ter iier / stofferen sonder verwe
ter iiier / ende stijffven sonder stijffsel ter vierder zijden /


Item noch een berch geheeten den molenberch met een costelijcken wint-
moelen, waijende met allen winden, maer men can daer niet dan licht goet op
malen. Regt: gheloven ende niet voldoen ter eenre / nooden ende ontnooden
ter iier /allen dinck vermeten ende beroemen ende niet daer toe doene ter
iiier, ende nyemandt ennighe waerheyt houden ter vierder zijden /


Item noch een costelyck slot met dobbel graven maer het is op quaeden
gront gefundeert / maar is al wel gewaepent dat daer op leet, 222 maer lichtelijck
gekleet. Regt: schoene voer thoeft en achter stekende ter eenre / al grenende 223
gheveynsde vrientschap maken ter tweeder / dat die mont anders spreeckt dan
het hert mey[n]t ter derder / ende alle wywater van den hove ter vierder zijden /

[p. 43]

+
Item een prochie geheeten onser vrouwen prochie die welcke zeer groet is,
want sij heeft vele communicanten onder hare. Regt: Ick sal mij met mijne
wijffve beraeden ter eenre / dat die man moet haspelen / keeren / bedde
maecken ende dwater putten ter tweeder / niemandt moeghen in huijse brin-
ghen het en moet sijn wijff believen ter derder / ende alst wijff spreeckt dan
moet den man swijghen ter vierder zijden.


Item onder dese prochie woenen een deel sotten geheeten cutte sotten, hoe-
vende gemeynelyck onder die jonghe jonckers of clercxkens van loeven ende
die hun wat sot gestudeert hebben. Regt: zeer vroech een quaet houwelyck
doene ter eenre / ende dan by twijff altijt den achternoen slaepen ter tweeder /
die cutt kussen ter derder / ende jaloers sijne ter vierder zijden /


Item in die selffve prochie woenen een deel gapaerts die meer doer den
mondt laeten ghaene dan duer den oeren. Regt: teghen quaet wijffs kijffven
ter eenre / Ick bedraechs mij 239 ter tweeder / teghen die kinderen ende sotten
ophanghen ter derder / ende allen dinck becouten oft berispen ter vierder
zijden /

+
Item een schone velt geleghen allen tlandt doer, geheten t'Byster velt,
hovende onder Peter sonder achterdencken, out stockgoet 243 / comende vuijter
limiten van edel gheselschap, nimmermeer thuijs, egheen wercklost, altijt op
die baene, dickwels van ertryck te scheijden 245 / buijten teeren al soud men thuys
vasten / thuyse veele kinderen en een vuijle wijff sonder sorghe, ltijt gast oft
weerdt maekende goet chier opt goet dat noch versterffven sal / veele quade
coepmanschappen doene ende veele rauwe coepen 248 gheven, niemanden betalen
sonder schaede ende met hoeren ende boeven huijs te houden /


Iten noch een schoene bempt geleghen tuytkercken bij den uuijthaeghen, 250
leengoet spruytende van de vier edel quartieren passeert, 251 egheenen troest, qual-
lyck becanst ende nimmermeer gheluck. Regt.: boverye ende ongelijck int
spel doene ter eenre / op screven 253 ende borghen spelen ter tweeder / niet willen
betaelen ter derder / ende dan een hersteken 254 ter vierder sijden /.

+
Item een schoene groete finantie hoevende onder loese practycke om ghelt
te kryghen ende sy is soe wijdt ende soe groet dat sy streckt in Lombardien,
maer sy is soe seer belast met vreempde luijden ende sonderlingen 257 metten
naesten vrinden als sij malcanderen onversiens overloopen, 258 met Kermessen ende
bruijloften te houden / ende nieuwe kleederen te maecken, alsoe dat se niet
veele en doecht. Regt: op borghen incoepen, met ghereeden gelt wederom
vercoepen ter eenre / alle oude cleere mercten ter tweeder / Ick moet lasten 261
maken, ick soude gheerne een goet onderstaene 262 ter derder / ende het bedde
vercoepen ende te slaepen in stroije ter vierder zijden /


Item noch een stuckxken leengoets gelegen te miscum ende is wat belast met
quade regenoten ende is hoevende onder Joncker Jan van der quade beleij,
geleghen in tavernen daer meer borghers drincken dan buijten luyden. Regt:
nimmermeer nochteren ter eenre, het coernken groen eten ter tweeder / op syne

[p. 44]


kindts ghedeelten last maecken ter iiier ende achternae ten ghat uuyt 268 ter vier-
der zijden /

+
Item een schoene groete hoeve geleghen te Putiers, hovende onder Augustyn
deuchniet ende is dienende Leen, want den mannen moeten den ploech trecken
/ ende men ackert daer met den strijck voerre 272 ende die landen syn soe hemel-
vloedich 272 dat se winter noch soemer droech en syn, daerom en syn sij niet goet,
want men can se niet wel doerboiren, waer duer mennich man woert bedorffven
om dat sij egheen profyt en doene / want sij allen haeren arbeyt daer in schieten
ende en kunnen egheen vruchten ghewinnen dan dat sy daer noch meerder
cost met hebben, nochtans wilt ijeghelijck op die hoeve woenen, ende die lan-
den sijn soe kostelyck om mesten dat niet moeghelijck en is dat daer ijemant
mach op bedijen. Regt: het is een groote ghilde, hij en mindt gheen wijff noeder
dan die sijnne ter eenre / soude ick altijt 280 in een kuijl vallen, ick zoude Lazarus
worden ter iier / Ick moet oick somtijts kiecken vlees eten ter iiier / ende mindt
hy gheen schoender als de syne, soe en is gheen schade ter vierder zijden /.


Item noch een coerken 283 daer men noeten singt die den vercken eten, het is
leengoet maer daer gaet veele uyt, hoevende onder die onghetijdighe 284 drijs /
Regt: een kalffken werpen 285 sonder hornen ter eenre / een vosken kabbelen son-
der vel ter iier / schoene bullen beseeghelen sonder wasch 286 ter iiier / ende het
bedde beseycken ter vierder zijden /

+
Item noch een vol heerghewaye 288 allen tlandt duer ende meestendeel in Spaen-
gien ende Napels ende dese landen moeghen oick wel mede ghaene, dienende
onder een ghesalffden Coeninck, hovende onder den man metten bonten benet,
geleghen tusschen Hercules pilernen doer die broeckstrate aen een sluijse, bij
den keervonder daer die levende gheesten woenen, by een warande vol kleyne
wilt ghebraets wit ende roet, onder een doot gheleeghe bij een krank fonda-
ment, dienende met twee leeniagers ende eenen meyer. 294 Regt: een klapoere
ter eenre / al fluymen in die keele ter iier / het krausel aen die beenen ter iiier /
ende den druypenden vingher 296 ter vierder zijden /


Item noch een vrempt lant 297 welck profytelycke is, maer die menschen eten
een den anderen al levende op. Regt: Rinten al willens laten op loepen opdat
men den gront krighen soude ende uyt daeghen 299 voer den chijnse ter eenre / voer
hefflicke schult erff weten te krijgen omdat men den luijden dreijcht te be-
schaemen oft te panden ter iier / Renten coepen 301 met den penninck xiiii die
welck met den penninck xviii ende niet min te lossen en sijn ter iiier / ende
een man goede chier maken, 303 etende, thoevende met drincken omdat men
hem alsoe syn erffve afftuytelen 304 soude ter vierder zijden.

+
Item noch een Leengoet / dwelck sonder achterdincken woert opgehauwen,

[p. 45]


daerom loepen daer dickmaels groote schade op want dikmaels woert belast.
Regt: [cetera desunt].

 

+
Ordniantien 308 ende Statuten hoe ende in wat manieren die voerghenoemde
Leengoederen ontfangen worden, hoe dat men behoert te hande ende
monde te coemen / Ende oick alle poincten ende articulen hoe ende in wat
manieren zij moeten onderhouden woerden ende hoe dat sy hare successie
hebben, te weten hoe sij in rechte linie versterffen moeten /


Ierst soe wanneer datter yemant gebuert dat hij sijne Leengoet moet ont-
fangen, soe sal men terstont sijne wapen suecken ende lesen hem syne artickel
ende moet den selffen wapen cussen ende soe wanneer hij ijemant vindt die by
successie oft bij verborghenesse oft bij hem selffven eijnighe goeden hier in
heeft liggende, dien sal hij terstonts aenbringhen om inghescreven te worden
ende tzijne tontfangen alsoe tselffve behoert ende soe menichmael als yemant
tot ontfanck coempt, die sal telcken reijse niet meer gheven voer rechten, te
weeten voer stadthouder, greffier ende manschap een pot wijns te voren ende
in dien dat men wel toesiet ende goede inquisitie ende executien doet, die man-
schap sal wijnes ghenoech hebben voer hare drincken sonder eynighen teghen
segghen /

+
Item hy moet zeer arme van goet sijne die hier niet een stuxken leens en
heeft onder liggende ende soe wij syne artyckel kent ende gherne van selffs,
sonder gesomeert te syne met waerschouwe brieffven oft met den leeniagere
versocht, te hove coempt om tzyne te ontfanghen, dien sal men weerdlick
accepteren ende ontfangen ende egheen boeten noch rechten affnemen, ende
alsulcken luijden sal men nemen tot manschap als richters van alle quaestien,
die in desen hoff vallen of rijsen moeghen slichten.


Item oft gebuerden datter ijemant ware die syne leengoet nyet kennen en
wilde ende dae tseghen argueerden ende viel van een leengoet tot op dander
gelijck oft ware van den vuylenberch tot op den Keyenberch ende daer in per-
sisteerden ende hem in manschap nyet en wilde overgheven tot vuytsprake van
selffven ende liever wilde met gewalt te keeren den totten ontfanck te coemen,
dien sal men moeghen priveren van alle syn leenghoederen ende thoff verbie-
den alsoe dat hy nyet en sal moeghen in gheselschap van leenmannen verkee-
ren, mer men sal den selfffden senden tot Sint Hubrecht in Ardennen dat hy
aldaer den boet houdt, ende indien den boet miraeckel doet alsoe d... 339 betert
en hij dan begheert gratie, soe sal men hem op dobbel recht in ghenade nemen
ende indien den boet gheen miraeckel en doet ende lancx soe dulder woert,
soe sal men hem die papen overgeven ende laten hem besweren /.

+[1ro]
2met te deylen, mede deel te hebben.
3ophanghen, zie boven, vs. 618.
9muylen, zuur kijken.
10keken, kijven (vs. 651).
13voerslaepen, vooraan in het bed, de bedstede liggen, zodat de man ‘achter de batterij’ ligt.
14protelende, pruttelende, in beweging; - ertpot, wsch. voor haardpot, pot te vuur.
+[1vo]
21ghevoegelt, vgl. boven vs. 670.
28sneuteren, bekijven (? niet in de wdbb.).
29stoecken, drijven, aanzetten.
36daer achterdeel aff seet, hen (de vrienden) afbreekt, er kwaad van spreekt (vgl. boven vs. 687).
38int besten spreecken, iets ten goede duiden.
+[2ro]
41helpen inden dronck, meedrinken.
51besieckt, vgl. boven vs. 705.
53met lecken, meesmullen.
55den mans hoeden berghen ? duister. Als men hierin hoeden mag opvatten als symbool van heerschappij, kan men denken aan: die trachten de heerschappij aan zich te trekken, maar ook dit is zeer onzeker.
56eer sij van kindt uytgegaen sijn, eer zij haar eerste kerkgang na een bevalling hebben gedaan.
+[2vo]
65pronselen, frutselen.
69strollen, vgl. boven vs. 739.
72hare walsche groene scheere: voor de verklaring hiervan kan ik mij op geen enkel positief gegeven beroepen, maar in verband met hetgeen volgt ben ik geneigd in deze uitdrukking een aanduiding te zien van het scheren of epileren der schaamharen; - dat op eghen hoefden wast, dat niet op het hoofd groeit; vgl. boven vs. 730.
74van cleederen, wat betreft kleren enz.
76vg. Wat tussen teksthaken staat is later bijgeschreven.
78moriendum etc.: ‘zeker is het dat wij sterven moeten, wellicht zelfs op dezen dag; als gij tot het (eeuwige) leven wilt ingaan, volg dan Gods geboden’.
+[3ro]
81gereleveert, verheven, door den leenheer als leen ontvangen.
83hoeffende, hovende, vgl. boven vs. 188.
84aen en sien, ontzien.
85voerts ghebracht, zich voortgeplant.
86Prossiers, prossers, vilders.
87Regenoten, vgl. boven vs. 215 en 578; - op die penninck drie, tegen een interest van 1/3 van de geleende som; vgl. boven vs. 334 ‘douse pour cent’ en zie de Inleiding, pag. xix.
89binnen coeps, beneden de prijs (vgl. boven vs. 337).
+[3vo]
94staples, vgl. boven vs. 344.
95/96den 22 daer 15 wel doen souden, naar de aannemelijke verklaring van Dr. Huysmans slaat dit op de uit 22 leden bestaande rechtbank van Luik.
100appelleren, vgl. boven vs. 352 volgg., waarmee deze passage geheel overeenkomt.
+[4ro]
104bijltol,... onder die zee der fiscalen, vgl. boven vs. 365. vg.; wsch. heeft de bewerker hier de oorspr. tekst niet geheel begrepen.
105van een exces ... maecken, een overtreding op drie of vier artikelen betrekken en er dus even zo vele malen voor straffen (boete voor heffen).
108daeghen, oproepen, bestellen.
110dienende te voet, te waeghen ende te peerde, gedoeld wordt op de herendiensten.
114krewee waeghens, wagens waarmee men ter corvée (voor de herendienst) moet komen.
+[4vo]
116een (dat.), iemand.
118aen dat berdken te draeghen, zich met dergelijke zaken in te laten (t.w. enig geldelijk beheer).
120tgelt ... behelpen, andermans geld in handen krijgen en het voor zichzelf gebruiken.
121rekening, afrekening.
123ontrekenen, door valse rekening ontnemen.
124wat Ick op mynen eedt heb, wat ik ontvang op goed geloof, omdat ik het zo gedeclareerd heb; - dat is ghevangen visken, dat is binnen.
126koye, koe.
+[5ro]
128opgehauwen, verheven (vgl. beneden).
135lichte warec, waaraan niet veel werk is.
136canten, randen, boorden.
137ontginnen, aansnijden.
139als sy, die zodanig zijn (volgens zijn zeggen) als zij in geen jaar gegeten hebben.
+[5vo]
142dobbel, dubbel, dubbelhartig; - doertoghen, door de wol geverfd.
144sijne noetkens wel ghekraeckt, goed voor zichzelf gezorgd (WNT IX, 2139); weet wel ware syne kullekens hanghen, weet wel waar voordeel voor hem te behalen is.
149deenen, damherten; vgl. boven vs. 445. en volgg.
151gheen eere kavelen, niets doen om zijn eer op te houden als het geld kost (vgl. WNT VII, 1904).
+[6ro]
155schorft, schurftig.
156buijnheijt, blijkbaar voor korzeligheid; het woord is elders niet aangetroffen.
158discretie onderscheid, oordeel.
161incurieren, lees iniuriëren?
163onghestelden hout, verward of krom groeiend hout.
166in arguatie stellen, in twist brengen.
+[6vo]
168craewagien, uitslag, huidziekten.
170moeten hem hercruijsen, hem weder aan het kruis nagelen (door zijn liefdegebod niet na te komen); - costelijcke, dure, hoge.
171eer men die ghemaent is, voor het gevraagd wordt.
172met den santen plaeghen, met de plagen waartegen de heiligen worden aangeroepen (vgl. Volkskunde XXXIII, 143, vg.).
174seyrden, vgl. voor dit zeer curieuze woord, in geen woordenboek opgetekend, maar vermoedelijk overoud, Muller in Ts. XLV, 15 vg. Zowel door de vorm als door de betekenis (futuere, stuprare) is het rechtstreeks te verbinden met on. Serðda, ags. Seorðdan, ohd. mhd. sertan. Leeft het misschien nog in zndl.-barg. zirren, door P. de Keyser opgetekend (Ts. 46, 137) in de bet. ‘scheren’, ook in de zegsw. zirt de juut, loop naar den duivel? Stellig hangt hiermee samen de zndl. uitdr, den zeerd van iets hebben (De Bo), den sjeer, den neuk van iets geven (Schuermans; Corn.-Vervliet), geheel overeenstemmend met nndl. de brui van iets hebben of geven, dat de stam is van bruien, futuere.
175uijt der stemmen, vgl. boven vs. 487 vg.
176Int facit, in fausset (vgl. vs. 495).
179al heeft hij die XXXe penningen niet, al krijgt hij het verradersloon er niet voor? (zinspeling op de dertig zilverlingen);
180en heeft den eedt niet gedaen, is hij niet door ambtseed gehouden (tot het aanbrengen).
+[7ro]
182wittinghen, vgl. boven vs. 510.
183overgheven, vooruit geven van hun erfdeel.
186Loeven, Leuven, met zinspeling op loven, prijzen.
187voer hoeff, in hun gezicht.
+[7vo]
196/7van achter, achter aan zijn hoofd.
197ouden stultisen, die aan ‘oud mal’ laboreren.
200/1leste kinderen, doelt blijkbaar (verg. even verder) op kinderen uit dit huwelijk op zijn oude dag; dat zij ook niet veel krijgen komt doordat de tweede vrouw alles opmaakt.
204katijwicheyt, misere
206lastaert, zinspeling op lasteren.
207/8sijn staet ... vertrecken, vgl. vs. 539.
+[8ro]
212haeghemunt, vgl. vs. 547 (en vg.; deze en de volgende alinea's lopen geheel parallel met het gedicht)
222dat daer op leet, de bezetting.
223grenende, grinnikende.
+[8vo]
239Ick bedraechs my, vgl. boven vs. 616.
+[9ro]
243stockgoet, erfgoed.
245van ertryck te scheijden? misschien: zich in fantasieëen verdiepen? of ‘zalig’ (dronken) zijn?
248rauwe coepen, rouwkoop.
250uuythaeghen, vgl. vs. 210.
251passeert, pas(zijn beurt voorbij laten gaan
253screven, schrapjes die aangeven hoeveel men schuldig is.
254hersteken, doorsteken; vgl. boven vs. 221 en 666.
+[9vo]
257sonderlingen, in 't bijzonder.
258overloopen, bij elkaar komen.
261lasten, schulden.
262een goet onderstaene, hypotheek nemen op een stuk goed.
268ten ghat uuyt, de poort uit (als bankroetier?)
+[10ro]
272met den strijck voerre, vgl. boven vs. 254
272hemelvloedich, overstroomd wordende door de regens (niet in de wdbb.).
280soude ick altijt enz., vgl. boven vs. 267 vg.
283coerken, koortje (met zinspeling op koer, nog thans in Z.-Nederl. gewoon voor bestekamer); - noeten ... die den vercken eten, ‘le superflu de la digestion’ vgl.Le Francq v. Berkhey, Ged. 311: ‘moet Lijsje lief eens noten?’ (niet in WNT).
284onghetijdighe, vuile (vgl. vs. 161).
285een kalffken werpen, vomeren, evenals een vosken kabbelen.
286bullen beseeghelen sonder wasch, zijn hemd bevuilen.
+[10vo]
288noch een vol heerghewaye, vgl. boven de geheel parallel lopende verzen 274 vgg.
294dienende met twee leeniagers ende eenen meyer, scil. de teelballen en de roede; vgl. voor leenjager vs. 786.
296druypenden vingher, druiper.
297noch een vrempt lant, vgl. vs. 312 vg.
299uyt daeghen, er een rechtsvordering op instellen.
301Renten coepen enz., geld geven tegen 14%, welke rentelast men slechts kan afkopen als men 18% boven de geleende som terugbataalt.
303een man goede chier maken, iemand gul onthalen; - thoevende, wachtende, nl. dat hij bescheid zal doen.
304afftuytelen, afsjacheren (vgl. Kiliaan op tuytelen).
+[11ro]
+[12ro]
308Ordinantien enz., vgl. het geheel parallel lopende slot van het gedicht, vs. 746 vg.
+[12vo]
339d ... onleesbaar; wsch. datt.
terug  begin  verder