+
In dese voors. Leensaell sijn die nae bescreven vrouwen
gheadmitteert om
in die stucken van den naevolgende Leengoederen met te deylen /
2
In den eersten, allen die wijffven die teghen hare mans ophanghen,
3
die wijffven die den man in sijne redenen oft woerden varen /
die all contrarie doene dan die mans gherne sien ende lieff
is,
die den man allen dinck verwijten /
die drye segghen als den man maer een seght /
die teghen hare mans argueren ende willen altijts gelijck hebben
/
die op die mans lichtelyck muylen /
9
die op die mans willen keken als die mans droncken syn /
10
die den mans andere vrouwen aentigen /
den welcken dunckt wijser te syne dan die mans ende willen die mans
leeren
die altijt voerslaepen /
13
die den mont altyt hebben protelende gelijck den ertpot /
14
die op straet gherne roepen als sij in huyse niet en moghen
spreken /
die de mans loopen bekijffven in de herbergen oft onder tgoet
gheselschap.
+
die altyt teghen ijeghelick over die mans claeghen /
die haer altyt vol drincken /
die op straet loepen moert roepen als haer die mans dreeghen te
slaen
die van haere mans willen ghescheyden woerden, omdat se niet
noech ghe-
voegelt en worden /
21
die op die mans nijet en passen /
die den man doen haspelen ende tbedde maecken /
die de kinderen smijten uyt quaetheyt als sij niet en moegen op die
mans keken
die op die maerten tieren als sy haer leedt niet en moeghen
op die kinderen
vreken /
die den honden met den voet stoten als sy niet en moeghen of man,
boden oft
kinderen sneuteren
28
die den man in alle quaet stoecken /
29
die alle maenden een maert verslijten /
die hen selffven willen verdrincken /
die niet en willen swijghen al soudense kruepel ende lam geslaghen
worden /
die altijt willen loepen gaen /
die niet en moeghen sien eten noch drincken /
die den mans altijt preecken /
die den mans vrinden verachten ende altijt den man daer achterdeel
aff seet /
36
die veel te veel claps hebben /
die nimmer meer int besten spreecken /
38
+
die heijmelyck glorieeren als den man gram is /
die den man verwijten dat hij niet werdt en is dat hij hare
man is /
die van tafelen met gramschap gaen loepen als sij den man niet
moeghen helpen
41
inden dronck /
die hare terstont aller dinck belghen /
die heijmelyck schult maken /
die altijt teghen hare gebueren kijven /
die den pot altijt laten in dasschen loepen /
die den mans terstont helpen kijven op sijn knechten /
die altijt over knechten ende jonghens clachten doen aen den man
/
die den knechten haten als sy hare niet gedienstigher syne dan den
man /
die altyts sitten bij hare ouders en claghen /
die hare besieckt maecken als sy een soffelet hebben kreeghen /
51
die drye maerten haudt ende soude haer met eender wel ghedoene /
die hare kinderen bij de papen laten slapen als sij met lecken ende
suypen
53
moeghen /
die den mans hoeden berghen /
55
die bij de mans slaepen eer sij van kindt uytgegaen sijn
56
die altijt heymelicke Commeerkens hebben daer sy met brassen als den
man
niet thuys en is /
die jaloers syn /
die hare siecker weten te maecken dan sij sijn /
+
dieghene die muylen als die man elders ghenoijt is, dat sy niet mede
ghenoijt
en is /
die men savonts niet slaepen en smorgens niet op ghecrijgen en kan
/
die den mans bevechten willen /
die altijt aen hare kleederen pronselen /
65
die liever op straet kijven dan in huyse ende niet soe poertvast en
sijne /
die den man altijt hare goet verwijten /
die in hare slaepkamer in die pispott schyten /
die doer hare vingeren pissen dat men se niet soude hoeren strollen
/
69
die hare den rechten willen verstaene /
die altijt suerlyck sien /
die hare walsche groene scheere /
die van den hare dat op eghen hoefden wast, brasseletten maecken /
72
Ende voorts allen hoverdye van vrouwen van cleederen schoenheyt goet
wor-
74
den en werken
[Die met haer mans den maeltijt niet en halden, mer
snoepen als hij niet
76
thuis en is]
[eenen dingen ons noetsaecfkelyc te weten moriendum certe est et id
in-
certem
78 an eo ipso die, si
vis ad vitam ingredi serva mandata dei]
+
Hier volgen die notabelste stucken ende percheelen van
goederen die
onder den voors. Leenzaell behoeren ende gereleveert
81 werden.
In den eersten een schoene, goet, costelick, verveerlyck
Leengoet, gelegen te
water ende tLande, hoeffende
83 onder een deel grauwelycke wolffven die Coe-
ninghen noch vorsten aen en sien,
84
comende uuijt Lombardijen, welcke beesten
hier int Landt
oick hebben seer voerts ghebracht,
85 dienende met Rentmeesters,
muntmeesters,
penninckmeesters, Tresoriers, Argentiers, thesauriers, Prossiers,
86
financiers, Banckiers enz. Regenoten:
87 ghelt verschoten op die penninck drye
ter eenre / alsoe veel offitiën als beneficiën beleenen ende vercoepen ter
tweeder,
alle goeten met ghereede gelt binnen coeps
89 coepen ter derder / Ende loose
rekeninghe weten te maecken ter vierder zijden /
+
Item een schoene Leen dienende voer hoeven daer gheen
moes en wast ende
voer heeren die gheen priesters en syne ende
voor vorsten daer gheen steeden
en syne ende recht dat nijet crom
en is ende voor den stoel van Roemen die
egheen staples
94 en heeft ende voerden Secreten Raedt die niet hemelyck en is
ende voor meesters van recht die hun text niet en kennen ende voer
den 22
daer 15 wel doen souden
95/96 ende voer arme Commissarissen die egheen gelt en
nemen ende voer die Ridderschap die naer het hoff niet hooren ende voer den
drij Coeninghen die nijet ghecroent en sijn geheeten vuijlsaken,
geleghen
onder allen bedroch, eijhgen profyte ende loose
practijcke. Rgt: Ick salt soe
langhe appelleren
100 hij en sal my niet
kunnen ghevolghen ter eenre, van beyde
syden even cryghel te syn
ter 2der, Ick sal soe veele schincken dat Ick goede
expeditien
van recht sal cryghen ter 3der, Ende als men grooten cost ghedaene
heeft peys maken ter vierder syden.
+
Item een tol geheeten den bijltol,
104 geleghen onder die zee der fiscalen. Regt:
ipse bene habet, hij heeft syne suster ghefoilt ter eenre, van
een exces te weten
drie oft vier articulen te maecken
105 ter tweeder, Laet ons desen
schepenen, pro-
chiaen, custers droncken maken, sij sullen al te
wel clappen ende aenbrengen
ter derder, ende die hoerkens daeghen
108 dat sij se selfs voeghelen souden ter vier-
der
zijden.
Item noch een schoene dienend leen, dienende te voet, te
waeghen ende te
peerde,
110 som met een peerdt,
twee peerden, drije peerden, daer nae dat die
Leenen sijne. Regt:
allen cloesteren waeghens ter eenre / een geleent peert
vyff off ses daeghen te rijden ter tweeder / om den cost wercken
ter derder / ende
alle krewee waeghens
114 ter vierder
zijden /
+
Item een Leen daer men al gheboterde koecken backt maer
het deech blijft
een
116 al
aen die handen hanghen, hovende onder Commissarissen, mombers,
executuers ende testamentuers, gasthuijsemeesters, heylegheestmeesters, kerck-
meesters ende weesmeesters. Regt: aen dat berdken te draeghen
118 en
is geen
verlies ter eenre / veele vacatien rekenen ende segghen
arbeit is loonsweert ter
tweeder / tgelt in die handt crijghen
ende hem daer mede behelpen
120 ter derder /
ende achter nae een bescheten rekening
121
maeken ter vierder zijden /.
Item noch een grooten poel daer alle vuyle water in
vergadert hoovende
onder Henrick loesleven. Regt: een ijgelycken
te ontrekenen
123 ter eenre / ende
wat Ick op mynen eedt
heb
124 dat is
ghevanghen visken ter tweeder / van een
v een x te maecken ter
derder / ende mijne Ruyme conscientie is my tsiaers
een koye
126 waerdt ter
vierder zijden /
+
Item een stuck Leens dwelck nimmermeer met goeder
meninghen en woert
opgehauwen
128 ende is nochtans daeghelix geschiedende. Regt: die vrinden oft
Luijden bekeijffven dat sy niet te kermessen oft maeltijt en
quamen als se ge-
passeert syne ter eenre / noeden eens voer all
als men liever heeft dat se thuijs
blijven oft niet en comen ter
tweeder / die luijden noeden als men hoert dat se
elders ghenoijt
sijn ter derder / ende als men die luijden genoijt heeft, dan
selffve nijet thuijs te syne, zegghende Ick dacht ghij en soude nijet ghecoemen
hebben ter vierder zijden. Noch een stuck Leengoets dwelck
costelicke is,
nochtans lichte warec
135 ende is van alsulcken privilegien dat ment moet over
tafelen ophouden. Regt: schoetelen met breede canten
136 coopen dat se die tafel
wel vullen souden ter
eenre / die weert heet den gasten die spijse ontginnen
137
als hij sij gheerne heel houden soude ter tweeder / ende den
gasten wellecomme
heten tot der portien als sy
139 in een
gheheele jaere niet baet teten en hebben
gehadt ter derder / ende
meer wijns rekenen dan over tafel gedroncken is ter
vierder
zijden.
+
Item een warande vol kleynes ende eels wilbraets van
dobbel
142 haesen, doer-
toghen vossen, loose fretten ende schalcke vissen. Regt.: hij
heeft wel gedient,
hij heeft sijne noetkens wel ghekraeckt
144 ter eenre / hij weet wel ware syne kulle-
kens hanghen, hij is loes ghenoech ter tweeder / per ma foij als
den heer hem
verliest, Ick verseker u dat hij een goeden officier
sal verliesen ter derder / Ende
het is een man van verstandt, hij
weet te gheven ende te nemen maer te nemen
aldermeest ter vierder
zijden.
Item noch een warande vol groffs wilbraets van deenen,
149 rekels, buffels ende
esels, gelegen
onder honsem. Regt: niemanden niet te vergheeffs doene ter
eenre, gheen eere kavelen
151 die gelt cost ter tweeder / om een mijte een oerloghe
ende gekijff aennemen ter derder / ende hij is Ryck ghenoech,
nochtans en
derre hij hem nijet halff sadt eten ter vierder
zijden /
+
Item noch een Berch, geheeten den Keijenberch, geleghen
in een quaet hoeft
al en ist niet schorft
155
comende, doer crijghelheyt al syn opinie volgende, duer
buijnheijt
156 een anderen
schamperlyck aen te spreken, doer onverstandicheijt
tgoet met
quaden te loenen, doer vermetentheyt een quaet stuck te doene,
doer nijdicheyt een anderen sijn duecht te beletten / sonder discretie
158 op die
heeren te roepen / doer ghirichheyt een
ijgelijck ongelijck te doene, doer
hoverdicheyt een ijgelijck te
verachten / doer gramschap metten hoeft teghen
den muer te loepen
ende doer haesticheijt een anderen te incurieren.
161 Dit leen-
goet is zeer wilt ghelegen, want het
heeft wel duijsent Regenoten /
Item eenen berch geheeten den vuylenberch, besedt met
onghestelden hout,
163
horende onder een onpleijsanten meyer.
Regt: lichtelijck met een anderen
spotten, niet moeghen ghespot
lijden ter eenre / altijt goet gheselschap in
arguatie
166 te stellen ter tweeder / altijt nijdich spelen ende spotten ter
derder /
ende van niemanden om beters wille niet verdragen ter
vierder zijden /.
+
Item in desen Lande regneren veele quade craewagien
168 die welck al sweeren
op die tonghe sonder
etter oft bloet. Regt: niet te vreden willen syn dat ons
heer
gecruijst is mer moeten hem hercruijsen
170 ter eenre / veele costelijcke
eeden
sweeren eer men die ghemaent is
171 ter iider / op syne vianden willen vreecken
met den santen plaeghen
172 ter iider / ende deen den
anderen heeten hare moe-
der seyrden
174 twelck beestenwerck is ter vierder zijden.
Item een schoene Capelle daer men schoene musijck singt
met veel parthijen,
mer het is quaet accordt ende men singt daer
nijet veel uijt der stemmen
175 oft
veel luijden en moeghent nijet hoeren.
Regt: Int facit
176 singhen ter eenre / een
dinck secretelijck een
ijgelyck vertrecken tot dat alle die werelt weet ter twee-
der /
wat men hoert oft siet terstont overdraeghen al ist oock over tafel geschiet
ter derder / yemanden uyt haet oft nijt verraden, al heeft hij
die XXXe pen-
ningen niet
179 noch en heeft den eedt niet gedaen
180
ter vierder zijden.
+
Item noch een berch geheeten den alffberch staende voll
costelycke appel-
boemen geheeten wittinghen,
182 hovende eensdeels onder malleborch. Regt: die
kinderen in hare quaetheyt prijsen ter tweeder / den kinderen soe
veele over-
gheven
183 dat d'ouders achter nae gebreck lijden ter derder / ende
borghe blijffven
dat men achter nae selffs betaelen moet
ter vierder zijde /
Ende eensdeels hovende onder die van Loeven.
186 Regt: die hen selffven
laeten
duncken dat sy wys syn ter eenre / die gherne voer hoeff
187 gepresen syn ter twee-
der / die altijt lichtelyck
lachen ter derder / ende die hen selffven aldermeest
prijsen ter
vierder sijden /
Item onder desen berghe voergenoempt woent den vader van
den alffen
ende heft syn leengoet op onder die brabanders hoe
auder hoe sotter ende is soo
wonderlick in sijnne oude daeghen /
wat felder beeste moet dat geweest sijnne
In syn Jongghe daeghen
dat hij die Jonghe alffen soude groote schade doene, maer
met
dese manieren moesten sy hem onderhouden: Ierst moet al goet syn
wat hy seet oft doet, ten tweeden wilt hijt all ghepresen
hebben / ter derder +
moet men hem al nae sijn mont spreecken / ter
vierder behoeffden hij van
achter
196/7 wel twee ooren. Regt: alle ouden stultisen
197 ende meestendeel woenen sy
in Brabant ter
eenre / herhauwelycken ende een wijff nemen die den helft
jongher
is als hij ter tweeder / In syn oude daeghen syne maert trouwen ende
doen die voerkinderen in have ende erffve grote schade alsoe dat
die leste
kinderen
200/1 oock niet veele en behouden ter derder / ende als hy een
penninck
gewonnen heeft om in sijne oude daeghen met ghenuechte
te verteeren, dien
moet d'jonck wijff verteeren met den lesten
kinderen ende hij moet daer toe in
sorghen leven ende sterffven
alsoe in sijn katijwicheyt
204,
dwelck hy wel weert is,
ter vierder zijden.
Item een schoen dorpe geheeten lastaert
206 dwelck schoene stucken leengoedts
allen tlandt
duer heeft onder hem sorterende. Regt: eenen ijegelijck sijn staet
weten te vertrecken
207/8 ter eenre / van niemant moegen goet segghen oft hoeren
ter tweeder / allen dinck in quaet weten te vertrecken ter derder
ende nijet
te moeghen helen oft swijghen dat secreet is al gaet
hem selffven aen ter vierder
zijden.
+
Item in dit dorp gaet een haeghemunt
212
die allen tlandt duer verboden is /
nochtans blijffse in allen
plaetsen grooten cours houdende. Regt: over die doel
schietende
ter eenre / blasen sonder blaesbalck ter iier / stofferen sonder verwe
ter iiier / ende stijffven sonder stijffsel ter vierder zijden
/
Item noch een berch geheeten den molenberch met een
costelijcken wint-
moelen, waijende met allen winden, maer men can
daer niet dan licht goet op
malen. Regt: gheloven ende niet
voldoen ter eenre / nooden ende ontnooden
ter iier /allen dinck
vermeten ende beroemen ende niet daer toe doene ter
iiier, ende
nyemandt ennighe waerheyt houden ter vierder zijden /
Item noch een costelyck slot met dobbel graven maer het
is op quaeden
gront gefundeert / maar is al wel gewaepent dat
daer op leet,
222 maer lichtelijck
gekleet. Regt: schoene voer
thoeft en achter stekende ter eenre / al grenende
223
gheveynsde vrientschap maken ter tweeder / dat die mont anders
spreeckt dan
het hert mey[n]t ter derder / ende alle wywater van
den hove ter vierder zijden /
+
Item een prochie geheeten onser vrouwen prochie die
welcke zeer groet is,
want sij heeft vele communicanten onder
hare. Regt: Ick sal mij met mijne
wijffve beraeden ter eenre /
dat die man moet haspelen / keeren / bedde
maecken ende dwater
putten ter tweeder / niemandt moeghen in huijse brin-
ghen het en
moet sijn wijff believen ter derder / ende alst wijff spreeckt dan
moet den man swijghen ter vierder zijden.
Item onder dese prochie woenen een deel sotten geheeten
cutte sotten, hoe-
vende gemeynelyck onder die jonghe jonckers of
clercxkens van loeven ende
die hun wat sot gestudeert hebben.
Regt: zeer vroech een quaet houwelyck
doene ter eenre / ende dan
by twijff altijt den achternoen slaepen ter tweeder /
die cutt
kussen ter derder / ende jaloers sijne ter vierder zijden /
Item in die selffve prochie woenen een deel gapaerts die
meer doer den
mondt laeten ghaene dan duer den oeren. Regt:
teghen quaet wijffs kijffven
ter eenre / Ick bedraechs mij
239 ter tweeder / teghen die kinderen ende sotten
ophanghen ter derder / ende allen dinck becouten oft berispen ter vierder
zijden /
+
Item een schone velt geleghen allen tlandt doer, geheten
t'Byster velt,
hovende onder Peter sonder achterdencken, out
stockgoet
243 /
comende vuijter
limiten van edel gheselschap, nimmermeer thuijs,
egheen wercklost, altijt op
die baene, dickwels van ertryck te
scheijden
245 /
buijten teeren al soud men thuys
vasten / thuyse veele kinderen
en een vuijle wijff sonder sorghe, ltijt gast oft
weerdt maekende
goet chier opt goet dat noch versterffven sal / veele quade
coepmanschappen doene ende veele rauwe coepen
248 gheven, niemanden betalen
sonder schaede ende
met hoeren ende boeven huijs te houden /
Iten noch een schoene bempt geleghen tuytkercken bij den
uuijthaeghen,
250
leengoet spruytende van de vier edel quartieren
passeert,
251 egheenen troest, qual-
lyck becanst
ende nimmermeer gheluck. Regt.: boverye ende ongelijck int
spel
doene ter eenre / op screven
253 ende borghen spelen ter tweeder / niet
willen
betaelen ter derder / ende dan een hersteken
254 ter vierder sijden /.
+
Item een schoene groete finantie hoevende onder loese
practycke om ghelt
te kryghen ende sy is soe wijdt ende soe groet
dat sy streckt in Lombardien,
maer sy is soe seer belast met
vreempde luijden ende sonderlingen
257 metten
naesten vrinden als sij malcanderen
onversiens overloopen,
258 met Kermessen ende
bruijloften te houden / ende
nieuwe kleederen te maecken, alsoe dat se niet
veele en doecht.
Regt: op borghen incoepen, met ghereeden gelt wederom
vercoepen
ter eenre / alle oude cleere mercten ter tweeder / Ick moet lasten
261
maken, ick soude gheerne een goet onderstaene
262 ter derder / ende het bedde
vercoepen ende te slaepen in stroije ter vierder zijden /
Item noch een stuckxken leengoets gelegen te miscum ende
is wat belast met
quade regenoten ende is hoevende onder Joncker
Jan van der quade beleij,
geleghen in tavernen daer meer borghers
drincken dan buijten luyden. Regt:
nimmermeer nochteren ter
eenre, het coernken groen eten ter tweeder / op syne
kindts ghedeelten last maecken ter iiier ende achternae ten ghat uuyt
268 ter vier-
der zijden /
+
Item een schoene groete hoeve geleghen te Putiers,
hovende onder Augustyn
deuchniet ende is dienende Leen, want den
mannen moeten den ploech trecken
/ ende men ackert daer met den
strijck voerre
272 ende die landen syn soe hemel-
vloedich
272 dat se winter noch soemer
droech en syn, daerom en syn sij niet goet,
want men can se niet
wel doerboiren, waer duer mennich man woert bedorffven
om dat sij
egheen profyt en doene / want sij allen haeren arbeyt daer in schieten
ende en kunnen egheen vruchten ghewinnen dan dat sy daer noch
meerder
cost met hebben, nochtans wilt ijeghelijck op die hoeve
woenen, ende die lan-
den sijn soe kostelyck om mesten dat niet
moeghelijck en is dat daer ijemant
mach op bedijen. Regt: het is
een groote ghilde, hij en mindt gheen wijff noeder
dan die sijnne
ter eenre / soude ick altijt
280 in een kuijl vallen, ick zoude Lazarus
worden ter iier / Ick moet oick somtijts kiecken vlees eten ter iiier / ende
mindt
hy gheen schoender als de syne, soe en is gheen schade ter
vierder zijden /.
Item noch een coerken
283 daer men noeten singt die den vercken eten,
het is
leengoet maer daer gaet veele uyt, hoevende onder die
onghetijdighe
284 drijs /
Regt: een kalffken werpen
285 sonder hornen ter eenre /
een vosken kabbelen son-
der vel ter iier / schoene bullen
beseeghelen sonder wasch
286 ter iiier / ende het
bedde
beseycken ter vierder zijden /
+
Item noch een vol heerghewaye
288 allen tlandt duer
ende meestendeel in Spaen-
gien ende Napels ende dese landen
moeghen oick wel mede ghaene, dienende
onder een ghesalffden
Coeninck, hovende onder den man metten bonten benet,
geleghen
tusschen Hercules pilernen doer die broeckstrate aen een sluijse, bij
den keervonder daer die levende gheesten woenen, by een warande
vol kleyne
wilt ghebraets wit ende roet, onder een doot gheleeghe
bij een krank fonda-
ment, dienende met twee leeniagers ende
eenen meyer.
294 Regt: een klapoere
ter
eenre / al fluymen in die keele ter iier / het krausel aen die beenen ter iiier
/
ende den druypenden vingher
296 ter vierder zijden /
Item noch een vrempt lant
297 welck profytelycke is, maer die menschen eten
een den anderen al levende op. Regt: Rinten al willens laten op loepen opdat
men den gront krighen soude ende uyt daeghen
299 voer den chijnse ter eenre / voer
hefflicke schult erff weten te krijgen omdat men den luijden
dreijcht te be-
schaemen oft te panden ter iier / Renten coepen
301 met den penninck xiiii die
welck met den penninck xviii ende niet min te lossen en sijn ter iiier / ende
een man goede chier maken,
303 etende, thoevende met drincken omdat men
hem alsoe
syn erffve afftuytelen
304
soude ter vierder zijden.
+
Item noch een Leengoet / dwelck sonder achterdincken
woert opgehauwen,
daerom loepen daer dickmaels
groote schade op want dikmaels woert belast.
Regt: [cetera desunt].
+
Ordniantien
308 ende Statuten
hoe ende in wat manieren die voerghenoemde
Leengoederen ontfangen
worden, hoe dat men behoert te hande ende
monde te coemen / Ende
oick alle poincten ende articulen hoe ende in wat
manieren zij
moeten onderhouden woerden ende hoe dat sy hare successie
hebben,
te weten hoe sij in rechte linie versterffen moeten /
Ierst soe wanneer datter yemant gebuert dat hij sijne
Leengoet moet ont-
fangen, soe sal men terstont sijne wapen
suecken ende lesen hem syne artickel
ende moet den selffen wapen
cussen ende soe wanneer hij ijemant vindt die by
successie oft
bij verborghenesse oft bij hem selffven eijnighe goeden hier in
heeft liggende, dien sal hij terstonts aenbringhen om inghescreven te worden
ende tzijne tontfangen alsoe tselffve behoert ende soe menichmael
als yemant
tot ontfanck coempt, die sal telcken reijse niet meer
gheven voer rechten, te
weeten voer stadthouder, greffier ende
manschap een pot wijns te voren ende
in dien dat men wel toesiet
ende goede inquisitie ende executien doet, die man-
schap sal
wijnes ghenoech hebben voer hare drincken sonder eynighen teghen
segghen /
+
Item hy moet zeer arme van goet sijne die hier niet een
stuxken leens en
heeft onder liggende ende soe wij syne artyckel
kent ende gherne van selffs,
sonder gesomeert te syne met
waerschouwe brieffven oft met den leeniagere
versocht, te hove
coempt om tzyne te ontfanghen, dien sal men weerdlick
accepteren
ende ontfangen ende egheen boeten noch rechten affnemen, ende
alsulcken luijden sal men nemen tot manschap als richters van alle quaestien,
die in desen hoff vallen of rijsen moeghen slichten.
Item oft gebuerden datter ijemant ware die syne leengoet
nyet kennen en
wilde ende dae tseghen argueerden ende viel van
een leengoet tot op dander
gelijck oft ware van den vuylenberch
tot op den Keyenberch ende daer in per-
sisteerden ende hem in
manschap nyet en wilde overgheven tot vuytsprake van
selffven
ende liever wilde met gewalt te keeren den totten ontfanck te coemen,
dien sal men moeghen priveren van alle syn leenghoederen ende
thoff verbie-
den alsoe dat hy nyet en sal moeghen in gheselschap
van leenmannen verkee-
ren, mer men sal den selfffden senden tot
Sint Hubrecht in Ardennen dat hy
aldaer den boet houdt, ende
indien den boet miraeckel doet alsoe d...
339 betert
en hij dan begheert gratie,
soe sal men hem op dobbel recht in ghenade nemen
ende indien den
boet gheen miraeckel en doet ende lancx soe dulder woert,
soe sal
men hem die papen overgeven ende laten hem besweren /.