18-19overlezen, de les lezen;
- met eenen vosse stœrt, vgl. Mnl. Wdb.
IX, 1218: ‘met een vossenstaert corrigeren’, een schijnstraf opleggen. De zin
van deze verzen is: zij die zij op een zeer zachtzinnige manier berispen, lopen
als schaapjes die alleen aan de oren (waar geen wol groeit) geschoren worden,
m.a.w. die trekken zich van hun vermaningen niets aan.
21een caproenken beghert,
verlangt naar de monnikskap, wil monnik worden (?).
24om zijn verstaerken, om een
machtige positie te veroveren.
29stupen en nyghen (synoniem en
veelal samengenoemd), vgl. Van Doesb. CXXXVII, 20;
De Castelein, Const v. Rhet. 107),
blijkbaar voor onderdanig zijn.
31Vgl. Gem. Duytsche Spreckw.
(1550) C iv vo: ‘Het is een ootmoedich schalck, Hy can
thoeft op die scholderen legghen’.
45afgoddelic voortstel, een
afgodische opvatting of voorstelling, nl. het stellen van menselijke
inzettingen als een goddelijke wet; vgl. het volgende
refrein, vs. 57.