terug  begin  verder

Refreinen uit het handschrift Michiels

IV Refereyn

 
+Geluckich en salich is die partuere 1
 
Wiens houwelijck beghint inde vreese Godts puere,
 
Als Abraham en Sara by een syn versaemt; 3
 
Maer die daer versamen als beesten stuere
5
Alleen om te blusschen haer vleesch en natuere,
 
Over dese heeft macht den duyvel gevaemt, 6
 
Die de seven mans van Sara ter doot heeft gepraempt, 7
 
Als int boeck Tobie ons staet gescreven. 8
 
Heer bruydegom, vrouw bruyt, dit u nyet en betaemt /
10
Al[s] Isaack en Rebecka wilt na Godts weth leven.
 
Siet wat exempel u Tobias sal gheven, 11
 
Dat den Engel Raphael hem heeft geleert.
 
Eer dat ghij sult u bruyt uuyt lieffden aencleven,
 
Tot waecken en gebeden u ierstmael keert,
15
Dan sal Godt door u geslachte worden geeert,
 
Gelyckmen van verscheyden in den bijbel bevindt. 16
 
Salich ist houwelyck dat met Godt beghint.
[p. 55]
 
Aensiet hoe Tobias en Sara begonden,
 
Den houwelycken staet in Godts vreese bestonden, 19
20
En hebben salighe kinderen geprocreert.
 
Oyck Jacob en Rachel, na scriftuers oerconden,
 
Helcana en Anna hebben gratie gevonden 22
 
En Samuel den prophete gegenereert.
 
Dus, heer bruydegom / en vrouw bruyt, ist dat ghy begeert
25
Dat Godts benedictie aan u sal beclyven,
 
Siet dat ghij in Godts vreese persevereert,
 
Soe sult ghy vruchtbaer syn, na Davidts scryven,
 
U kinderen sullen staen als planten van olyven, 28
 
Gedienstich aen u tafel tot uwer baet.
30
En ist nyet lieffelyck voer mannen en wyven
 
Die alzoe leven inden houwelycken staet?
 
Tis een eertsch paradys vol welden delicaet, 32
 
Daermen hier namaels het eeuwich leven me wint.
 
Salich ist houwelyck etc.
 
 
35
+Ist dat u houwelyck in Godts vreese geschiet,
 
In al u hanteringhe na des heeren bediet, 36
 
Sult ghy geluckich en voerspoedich wesen;
 
Godts benedictie sal u vergeten nyet,
 
Gelyckmen dagelycx gebeuren siet
40
Al die wandelen in Godts weth gepresen.
 
Heer bruydegom, vrouw bruyt, siet dat ghy desen
 
Houwelycken staet onderhout soe Paulus vermelt,
 
Want hy is een groot Sacrament uuytgelesen,
 
Van Godt int aertsch paradys in gestelt.
45
Ghy die met den bant der lieffden by een syt gewelt, 45
 
Nu een geworden zyt onder u beyden,
 
Gelyck den Apostel Matheus vertelt, 47
 
Gheen mensche ter werelt en mach u scheyden.
 
Begeerdy een vreedsamich leven te leyden,
50
Blyfft inde lieffde die alle dinck verwint.
 
Salich ist houwelyck dat met Godt beghynt.
 
 
 
Men leest inden iersten brieff totten Corinthen claer,
 
Oyck totten Ephesien staet openbaer,
 
Hoe datmen het houwelyck sal onderhouwen.
55
Die vrouwe sal lieff hebben haren man voorwaer,
 
Hem onderdanich zijn als haer heere eerbaer,
[p. 56]
 
Om dat den man is het hooft der vrouwen.
 
Den man sal oyck lieff hebben sonder vercouwen 58
 
Syn eygen huysvrouwe en anders gheene,
60
Gelyck Christus bemindt heeft, soomen mach aenschouwen,
 
Syn heylighe Kercke, haer maekende Reene.
 
Alzoe. seyt Paulus, sal den man certeene
 
Syn huysvrouwe beminnen uuyt caritaten,
 
Want ghy twee nu geworden syt eene
65
Door dat sacrament des houwelycx, groot boven maten,
 
Daerom sal een mensche vader en moeder verlaten.
 
Met een geduerighe lieffde malcanderen bemint:
 
Salich ist houwelyck dat met Godt beghint.
 
 
 
Prince
 
 
 
Heer bruydegom en vrouw bruyt, hieraen sult ghy leeren,
70
Op dat u versaminghe sy tot Godts eeren, 70
 
Gelyck als kinderen der heyligen, na Tobias vermaen.
 
Dan sal Jesus u gast syn, den heer der heeren,
 
Hy sal u water in wyn verkeeren,
 
Gelyck hy in Cana Galileen heeft gedaen,
75
Alsmen uuit Johannes int tweede gescreven [siet] staen;
 
Daer geschiede die bruyloft na Godts behaghen.
 
Begeerdy oyck blysschap voor druck te ontfaen,
 
Hebt Godt voor ooghen alle u daghen.
 
Twist en tweedrachticheyt wilt van u verjaghen,
80
Soe sal Godt in u blyven en ghy in Godt.
 
Hy sal gestadich sorghe voer u draghen,
 
Ist dat ghy leeft nae syn heylich gebot.
 
Somma ten lesten, dit is het slot 83
 
Van desen sluytreghel, dat wel versint: 84
85
Salich ist houwelyck dat met Godt beghint /
 
 
 
finis per Vanden Berghe

+[37ro]
1partuere, (vereniging van) echtelieden.
3Als, zoals.
6gevaemt, omvat.
7Sara, de dochter van Raguel, later echtgenote van de jonge Tobias; haar eerste zeven mannen waren door de boze geest Asmodé gedood.
8t boeck Tobie, het apocriefe boek van het O.T. dat ook de stof voor een spel van de oude en de jonghe Tobias leverde, dat verloren is (vgl. Kalff, 16de Eeuw I, 226 en II, 51).
11Siet wat ..., werd dit refrein misschien gesproken voor de vertoning van het hiervoor genoemde stuk?
16van verscheyden, scil. personen.
19bestonden, aanvaardden.
22Helcana en Anna, vgl. 1 Samuel 1, 1 vg.; Anna = Hanna.
28als planten van olyven: zie Ps. 128 : 3: ‘Uwe kinderen als olijfplanten rontom uwe tafel’ (Statenvert.).
32Tis een eertsch paradys, vgl. de refreinen op de stok ‘Es dit niet ter werelt een paradijs’ bij Van Stijevoort, nrs. LXXXVIII, XC, XCII, XCIV, XCVI, IIC.
+[37vo]
36In, lees wellicht En; - bediet, voorschrift.
45byeen ... gewelt, aaneengesmeed Bij Kiliaan en in het Mnl W. komt wellen in deze bet. nog niet voor.
47 Matth. 19 : 6.
58vercouwen, verkoeling.
70versaminghe, vereniging, gemeenschap.
83slot, conclusie.
84sluytreghel, stok; - versint, bedenkt.
terug  begin  verder