terug  begin  verder
[p. 57]

V Refereyn

 
+Hoort, alle die benaut in tswerelts foreest || leeft,
 
Int vleesch dangireus, waerdeur uwen gheest || beeft,
 
Belast synde met veel swaer Ranckeuren, 3
 
Al eest dat ghy swaermoedich int sondich tempeest || sneeft, 4
5
Deur tswerelts aencleven, die u sulcken keest || gheeft 5
 
Midts dingheboren werck in onser natueren:
 
En wanhoept nyet, roept Christum / troost zal u gebueren.
 
Weet dat hy warachtich es en goederthieren,
 
Betrout syn beloften vol zoeter geuren,
10
Aenmerckt syn lieffde, syn jonstich crijieren. 10
 
Hy roept u / hy lockt u / in veel manieren /
 
Clopt, spreckt hy / ghy wert in gelaten /
 
Soeckt / ghy sult vinden / vreest gheen dangieren /
 
Bidt, men sal u gheven volle maten.
15
Dus, broeders, nempt dit confoort tot uwer baten,
 
En wilt in u bangicheyt nyet verflouwen;
 
Ghy sult vertroost worden uuyt charitaten:
 
Hebt in Christus' beloften een vast betrouwen /
 
 
 
Werdt u conscientie deur t'svleeschs bedwanck || cranck
20
Benaut, en dat duchten in u heeft bevanck || stranck, 20
 
Om dat de sonden in u domineren,
 
En vreest nyet, al gaeydij den rechten ganck || manck, 22
 
Maer bidt Christum die u der genaden dranck || schanck,
 
Die salse verstroyen die u tempteren.
25
U gebedt en sal hy nyet refuseren;
 
Hemel, eerde, es vol van syn bermherticheyt.
 
En wilt in syn beloften nyet murmereren, 27
 
Maer verwacht den troost die hy u heeft toegeseyt.
 
Goetheyt, genade es Christus' proprieteyt;
30
Hy heeft u [v]erlost met syn bloet onsachtich. 30
 
Al hebdy als tverloren kindt lange gebeyt,
 
Keert weder, hy sal uws syn gedachtich /
 
+Al dunckt u dat ghy syn genade crachtich
 
Grootelyck misbruyckt hebt deur tsondich ontfouwen, 34
35
Thoont leetschap, troost suldy vinden warachtich. 35
 
Hebt in Christus' beloften een vast vertrouwen /
[p. 58]
 
Meyndy, die u verlost heeft deur syn wonden || root,
 
Dat hy u sal verdoemen om u sonden || groot?
 
O neen / syn genade es veel te rycke;
40
Al oordeelt u die wet tot veel stonden || doot, 40
 
Begheert als tcananeeus vrouken der honden || broot, 41
 
Syn bermherticheyt en sal u slaen gheen swycke. 42
 
Hy die u hem selven heeft gemaeckt gelycke,
 
En sal dwerck synder handen nyet versmaden,
45
Want daerom es hij comen in dit dal van slycke,
 
Den last te draghen die ons hadde verladen. 46
 
Dus broeders, vliet tot Christum, den troost der genaden,
 
Soe en sal u de rechtveerdicheyt Godts nyet crincken,
 
Want hy spreckt: wy dat sucht voer syn misdaden, 49
50
Ick en salse inder eeuwicheyt nyet gedincken.
 
Kendy dat u zonden voer Godts aenschijn stincken, 51
 
Die kennisse compt u doer tgoddelyck aenschouwen. 53
 
Daerom, broeders, sal troost in u herte sincken,
 
Hebt in Christus' beloften een vast betrouwen /
 
 
 
Prince
 
 
 
Al sydij benaut, hebt gheen vaer || swaer,
60
Betrout op Christum, tgoddelyck pylaer || claer,
 
Die u verlost heeft van tsondich bederven,
 
Sonder u verdienste / daer en volght gheenen maer || naer.
 
Leest syn goddelyck woordt / ghy vindt openbae || daer
 
Dat hy om den sondaer alleen wilde sterven,
65
Op dat wy deur syn doot souden dleven erven
 
Als broeders tsamen by Godt den vadere.
 
Daer toe roept hy noch soe menich werven:
 
Compt tot my die belast syt allegadere,
 
+Ick ben een fonteyne, een levende adere, 69
70
Ick sal u vertroosten, in u allendich mesval. 70
 
Al comdy inden wyngaert spadere
 
Dan dandere / ghy sult loon hebben van al. 71-72
 
Merckt Petrus, Paulus, ja tes sonder getal, 73
 
Dat al sondaers waeren en bleven behouwen.
75
Prince, den gheest der waerheyt u oyck troosten sal: 75
 
Hebt in Christus' beloften een vast betrouwen /
 
 
 
finis
 
 
 
per vanden berghe.
+[68ro]
3Ranckeuren, grieven.
4int sondich tempeest sneeft, ten val komt door zondige hartstocht.
5die u sulcken keest ghesft, die u zulk een pit te smaken geeft.
10crijieren, verkondiging; vgl. v. Doesborch XXIII, 5.
20duchten, beduchtheid; - in u heeft bevanck, u beheerst.
22al gaeydij ... manck, al wijkt gij af van.
27in ... murmereren, morren tegen zijn (nog niet vervulde) beloften.
30onsachtich, op een smartelijke wijze.
+[68vo]
34deur tsondich ontfouwen, door u te buiten te gaan in zonde.
35leetschap, berouw.
40versta: al zijt gij volgens de geboden ten (eeuwigen) dode gedoemd.
41tcananeeus vrouken, zie Matth. 15: 22 vg.
42slaen ... swycke, in de steek laten.
46ons hadde verladen, ons te zwaar drukte.
49wy, wie
51Kendy, erkent gij
53sal, als er zal (wil).
+[69ro]
69adere, bron.
70mesval, rampspoed.
71-72Vgl. Matth. 20.
73tes sonder getal, zij zijn talloos (die).
75Misschien schuilt hierin het devies van een kamer.
terug  begin  verder