[p. 65]
Item Hier volcht het Esbatement van Hanneken Leckertant
De personages sijn dese:
+
Goey Vrou Veughe
, een vrou.
Hanneken Leckertant
, duijpenachtig.
+
Vrecke Webbe
.
Lippen Loer
, Vrecke Webbens soon, spinnende.
Meester Jan Leurequack
.
Goey Vrou Veuge
Alle goeden dach! ick ben ommers op graeckt;
1
Hadde ick nu wadt goets, dat leckerlijck smaeckt,
Dat Hanneken mijns soons mage mocht verteren!
Leet hij oock gebreck, och! tsou mijn deren,
5
Want noijt man en sach kint so subtijl van liste.
Waert dat de Prince van Oraingien wiste
6
Hoe edel dat hij is in al sijn voorstel,
7
Hij sout mij affnemen / ja hij, dat weet ick wel.
Geen fraijheijt en is aan hem vergeten;
10
En al wadt lecker is / can hij wel eeten,
So natuerlijck groeijt hem d'edelheijt int lijff.
Grove spijse, seit hij / die maeckt de leden stijff,
Dies moet ick hem alle lieffelijckheijt bien.
13
Van hem sal mij noch deucht en eere geschien,
15
So eens tot mij een wijse vrouwe sprack.
15
Oock heeft mij geseijt Meester Jan Leurquack,
Dat hij is geboren, so hij in boecken las,
Inde beste planeet die in den hemel was.
18
Dus twaer tegens natuere, dede ick hem leet.
[p. 66]
Hanneken
20
+
Moeijer! Ou!
20
Goey vrou
V.
Wadt ist?
Hanneken
Is dwidtmoes noch niet gereet
Goey vrou
V.
Neent sone.
Hanneken
Dats mij een alte grooten verdriet.
21
Trouwens, ghij seijt mij gisteren, en dedij niet?
22
Dat ghij mij nu sout wadt lecker coocken.
Goey vrou
V.
Ick salt doen, kint, ick moet tvier eerst stoocken,
25
Maar 't is uuijte, mij dunckt ick geen en hebbe.
Slaept noch / ick gaen om vier tot die Vrecke Webbe,
Suldij Hanneken? en sijt wadt gerust.
Hanneken
Ja ick, moeijer, maer ghij en hebt mij niet gecust,
Dat sal ick clagen tot Lijse mijn nichtgen.
29
Goey vrou
V.
30
Nu cust mij / En ist niet een vrindelijck wichtgen?
Wie en sou hem sijn willeken niet gehingen?
31
Vrecke Webbe spreeckt tot haar soon Lippen
Spint! wildij.
Lippen Loer (spinnende)
Suldij mij dan t' eeten bringen?
Webbe
Peijnsdij alre om eeten, seght, onaerdich gast?
33
Lippen
En soudick niet? ick hebbe doch alden nacht gevast;
35
Ten is geen wonder al quelt mij de honger straff.
35
Webbe
Spint mij alder eerst dien rocking aff,
36
Eer ghij van eeten spreect, vuijl slappe leure!
37
Goey vrou
V.
Mij dunckt, vrecke Webbe sidt voor haer deure;
Noijt en sach ick wijf int werck so vierich!
[p. 67]
40
Goeden dach, Webbe, sijdij al eeven gierich?
40
Sal u herte nimmermeer sijn vervult?
Wie sal tgoet verteeren dat ghij winnen sult?
Ghy slaeft als eene die in dachuere spidt.?
43
Webbe
Wiet verteeren sal?
Goey vrou
V.
Ja.
Webbe
Dien loeris, die daer sidt,
44
45
Daer sorghe noch eere in en schuijlt.
45
Hij sidt daar alre om eeten en muijlt;
46
Nochtans en heeft hij nau drie draijen gesponnen.
Goey vrou
V.
Webbe, al en is den cost noch niet gewonnen,
Kinderen moeten eeten, wadt baetet geseijt?
49
50
Hanneken mijn soone heeft wel een uere geschreijt
En geroepen om die witmoes pappe.
+
Lippen
Sweepen, mijn herte quackelt vandien clappe!
52
Mocht ick daer aff eens vol steecken mijnen crop
Daer gaff ick omme mijnen besten top;
54
55
Van sulcken cost sou mijn herte verblijen.
Webbe
Ghij sult u wel met een schootel bonen lijen!
56
Hebdij honger, verslaet daer mede uwen lost.
57
Lippen
Ja, dats oock dagelijckx mijnen besten cost;
Maer quam u vrijer, die sou wadt leckers crijgen.
Webbe
60
Wadt segdij daer?
Lippen
Niet moeijer, ick ga swijgen.
Daer wasse bijcans geterden op haeren teen!
61
Maer om die witmoes pappe peijnsick alleneen,
62
Mocht ick daer op mijn tanden eens wetten,
63
[p. 68]
Ick sou mijnen buijck so viercant setten
64
65
Als een biertonneken, vrij sonder sparen.
Goey vrou
V.
Webbe, wij souden van ons voorleden jaren
Wat couten, gaefft pas en sweech Lippen stille.
66-67
Lippen
Teerlinck! daer ontvalt mijn mijnne spille!
68
Eeten! / eeten! / off dwerck en sal niet willen sijn.
Webbe
70
Wadt doedij mij al verdriets, ghij vuijle cockijn!
70
Ghij waert weert dat ick tot uwen hooffde ginck.
71
Goey vrou
V.
Sijt te vreden, Webbe, 't is al kinder dinck!
72
Gheefft hem teetene / en daer mee gedaen.
Och heere! ick blijve hier oock te lange gestaen;
75
Hanneken sal hem hebben / al waer hij sodt.
75
Hebdij geen vier?
Webbe
Ja ick, in mijnen lolle podt.
76
Een coolken oft twee; suldijt wel ontsteecken?
77
Goey vrou
V.
Ja ick / daer toe weet ick al aerdighe treecken,
78
Ick en machs niet hebben na mijnen geneuchge.
79
80
Adieu, vrecke Webbe!
Webbe
Adieu, goeij vrou Veughe,
Compt hier bij ons spinnen, indient u belieft.
Goey vrou
V.
Ick sal comen, had ick mijn Hanneken gerieft;
Ick weet wel, hij schreijt van grooten hongere.
Lippen
Ick sou wel eeten, bij gans longere!
84
85
Mijnen buijck valt in tot aan mijn rebben.
[p. 69]
Webbe
En ick sal heden geen vree mogen hebben!
Van eeten en rust niet uwen clepele;
87
Nu hout die schotele en dien lepele,
88
+
Daer is oock broot / wilt nu wel brocken!
89
90
Ick sal u gaen ander vlas op rocken;
Die wil eeten, die moet oock werkens beginnen.
Ick mach u bonen gaen halen hier binnen,
Mij dunckt, ghij hebt veel te lange geseten.
Lippen
Ramp hebbe dleet! moet ick al weer boonen eten?
94
95
Sal ick mijn leven met sulcken cost verslijten?
Och waerse doot / quets alle die ses mijten
96
Die sij gepodt heeft, een groote somme,
Daer soudick dan al waeffelen coopen omme,
Soetemelckxken / coecken / appelen / en peeren.
100
Ick sal vrij dat goeijken wel anders verteeren,
Dwelck sij mij nu dus vroeijlijck verspaert.
101
Webbe
Hebdij schier gebrockt, seght, luijen draijlaert?
102
Lippen
Ja ick, moeijer.
Webbe
Hout! steeckt dat onder u snuijte
103
En eet mij geringe die schotel uuijte,
104
105
So dat ghij u dan weder aent spinnen rast.
105
Lippen
Aijmij, ick was schier van honger geheel verlast!
106
Mijn herte dat clopt, hoort, al waert een steen.
Hanneken
Wel become mij datte / ende dan noch een;
Hier op en sal ick immers geen tanden breecken.
Lippen
110
Nu wel, ick gae Hanneken Leckertant spreecken;
Hij heeft, weet ick wel, die witmoes pappe gereet.
[p. 70]
Hij compt hier gaende / siet, bij gans sweet,
112
Met een groote teijl pappen inde hant!
113
Hanneken
Dach Lippen Loer!
Lippen
Dach Hanneken Leckertant!
115
Wadt eet ghij daer?
Hanneken
Ick eete al watte.
Lippen
Aij, 't is witmoes pappe, wat goeijer cost is datte!
116
Laet mij toch mee eten / uijt uwer teijlen,
Ick sal u van mijn goeij bonen deijlen,
118
Ghij en aet u dagen noijt beteren cost.
120
Wildij, goey Hanneken?
Hanneken
Ick en hebs geen lost,
Lippen, u bonen sijn mijn veel te hert.
Siet, sij hebben vellen so dicke als een bert!
122
Dunckt u dat goeijen cost? hoort toch desen goeijen bloet!
Lippen
Jaet / want moeijer seijt / sij sijn voort stoppen goet.
125
+
En aet ick geen boonen met groten hoopen,
Mijn dermen, seijt sij, souden wech loopen;
En dan most [ick] sterven / met een groote pijne.
127
Hanneken
Mij en lust nochtans niet gestopt te sijne;
Ik hou mij al open / so ick best can.
Lippen
130
Hanneken, laat ons mangelen, sijdij een man;
130
Ick sal u dat versch steertgen toe geven, siet!
Hanneken
Neen manneken, ghij en hebt mij noch daer niet!
Meijndij mij te verdullen? ick en ben geen boer!
133
Hoe gaerne waerdij aan mijn pappen, Lippen Loer!
135
Ghij en haelter niet, ghij hebt te cort geschooten.
135
Lippen
Deijlt mij nu, ick sal u geven al mijn kooten
136
Die ick thuijs hebbe en hier in mijnen sack,
En dien top oock, daer eens een pinne in stack;
Ick salt u al geven / noot mij te gaste!
[p. 71]
Hanneken
140
Lippen, eet bonen, so blijven u darmen vaste!
Dees pappe sou u veel te qualijck smaecken.
Lippen
Ick hou, cost icker nochtans an geraecken,
142
Ick sou met haer spelen alte schoonen spel.
143
Hanneken
Lippen Loer, dat gelooff ick herde wel,
144
145
Niet veel en sout ghij met haer slapen!
145
Maer offt ick u deijlden, soudij wel gapen
Wijt genoech / om in te steecken nae mijn gevoech?
147
Lippen
Ghapen, segdij? ja ick, siet is dat wijdt genoech?
Suldijt wel in steecken / sonder genaecken?
149
Hanneken
150
Ick staeck wel die heel teijle in u caecken!
Tjan, Lippen / u aensicht is wel gecloven,
151
Ghij sout wel gaepen / tegen eenen hoven;
152
Daer sou wel een catte metter jongen in woonen.
Lippen
Nu deijlt mij pappe!
Hanneken
Neen Lippen, eet boonen!
155
Dees pappe en waer u niet gesont.
Lippen
En ghij soutse mij steecken inden mont?
Ick en seyts niet, als ick niet doen en woude.
157
Hanneken
Nu gaept dan / en doet beij u oogen touwe.
158
Ick salse u in steecken sonder respijt.
Lippen
160
+
Willick dan gaepen?
Hanneken
Jae ghij, Lippen, gaept wijt!
Lippen
Noch wijder gapen? dat sal ick doen.
[p. 72]
Hanneken
Wadt dunckter u off, is dit niet een goet fatsoen?
162
Alle de ghene die hier nu sijn vergaert,
Die noijt en sagen eenen grooten gapaert,
165
Die mach hier comen / en sien hem nu.
Lippen
Waer blijft ghij Hanneken? steeck in, haest u!
Ick wachter, siet, naer, en doet mij geen loos.
167
Hanneken
Neen ick, trouwens, Lippen / maer gaept ghij altoos?
Doet u oogen vast toe / en dat ghij niet en kickt!
169
170
Hout / ghij hadt mijn hant bijcans oock opgeslickt
170
Metten lepele / ick spranck uijtten weghe.
171
Lippen
Ja, ja, ghij en doeget niet te degen.
172
Was dat pap?
Hanneken
En ist niet?
Lippen
Tsijn boonen, ick houwe.
173
Hanneken
Hoe meijndij, dat ick u bedriegen souwe?
Lippen
175
Ja ghij, twaeren bonen / ghij hebt mij verdult.
Hanneken
Nu, ick sal insteecken, dat ghijt sien sult.
Gaept wijt, ick en sal niet meer met u gecken.
Lippen
Ja, dats beter.
Hanneken
Siet Lippen eens lecken!
Wat segdij daer aff, quant / smaeckt u dat niet badt?
Lippen
180
Ghij hadt mij vlus bedrogen / ick seijde wel dat,
180
Quansuijs offt ick niet beters en wiste.
181
Hanneken
Ghij sijt een geselleken van schalcken liste,
182
Dat ghij wel bonen kent voor witmoes pappe.
183
[p. 73]
Lippen
Ick heb verstant, al en draech ik geen cappe!
184
185
Och, hoe wel smaeckt datte / Noch eens, och! och!
Hanneken
Nu, gaept dan!
Lippen
Hanneken Leckertant / noch! noch!
Hanneken
Hoe gaet dat keelgat open, al waert een sluijsse.
187
Lippen
Noch! noch!
+
Hanneken
So seijt de soch oock vanden gasthuijse.
188
‘Noch! noch!’ ja, ghij singt al eenen sanck.
190
Neen, Lippen, uwen derm is mij veel te lanck.
Ick hebbe u gegeven / dat ick u jonne;
Ghij ater wel vol een haering tonne
Eer dat uwen buyck sou sijn versaeijt.
193
Lippen
Ke, noch een lepeltgen!
194
Hanneken
Lippen, hout u gepayt!
195
Ick wil dit selve steecken in mijnen mage.
Lippen
Dat ick sulcken cost moch eeten alle dagen,
Ick sou oock worden een aerdich pronckere.
197
Hanneken
Men sou u eer lang noch heeten mijn jonckere,
Gelijckemen mij doet / ick sal vlus ridder zijn.
199
200
Om dat ick leckerlijck eete ben ick dus fijn;
Dan en sidt ick oock nemmermeer inden roock,
Dies ben ick so schone.
Lippen
Besiet mij eens oock!
Ben ick niet goetaerdich en jent van leden?
203
Hanneken
Ja ghij, al waerdij uuijt eenen stronckeijck gesneden,
204
205
Viercant gedraijt / als een mulders stock.
[p. 74]
Lippen
Ick, heb ick niet goet fatsoen in desen rock?
Hanneken
Ja ghij / ghinck deur de mouwe een strepe.
207
Lippen
En heb ick oock niet een aerdige nepe?
208
Die mij wel besiet / ick ben een fraij geselleken.
Hanneken
210
Ghij hebt een nepe als een akerwelleken,
210
Daermen de cluijten opt lant me breeckt ontwee.
211
Lippen
Aij, van dees bonen doet mijnen buijck so wee!
Tis jammer, ick ben anders net en propere.
Hanneken
Uwen cost is te groff / en ghij sijt sopere;
214
215
Ghij most al leijen een ander leven.
Lippen
Ghij segt wel, Hanneken / maer wie sout mij geven?
Mijn moeijer is veel te vreck en quaet.
Hanneken
Tjans hoij, Lippen / ick weet u goeijen raet,
218
Dat ghij u moeijer wel sult verschalcken.
219
Lippen
220
Ick spronge van blijsscap op tot aen de balcken,
Cost ghij dat gedoen en mijnen commer stelpen.
Hanneken
Sijt te vreden, ick sal u wel helpen,
Dat ghij wel sult verlacken den blieck.
223
+
Lippen
Maer hoe soo?
[p. 75]
Hanneken
Ghij sult u gaen maecken zeer sieck,
225
225
Crochen, steenen / en clagen van veel gebreecken
En seggen uwen buijck is al vol steecken,
En dat ghij moet eeten, om u verfraijen,
227
Pasteijkens / taerkens, / roffioelen en vlaijen.
228
Ghij sullet so crijgen / ick derffis mij beroemen.
229
Lippen
230
Alsulcken cost en hoordick noijt noemen:
Platteijrkens / quaertgens / en pompornoelen, quant?
Hanneken
Hoe segdij dat? dats immers quaet verstant!
232
Tsijn pasteijkens, taerkens en roffioelen.
Lippen
So sou ick alleenskens tverstant gevoelen.
234
235
Maer off ick so dede / sout hem wel schicken?
235
Hanneken
Jaet / want u moeijer salder haer aff verschricken,
Om dat sij uwer sieckten is ongewone;
En want ghij dan sijt een eenich sone,
238
Sij soude u herde noij laten sterven.
239
Lippen
240
Ick salt doen / al soud ick de peeper bederven.
Hanneken
Maer wadt ghij doet, maeckt altijt een wemoedig getier.
241
Goeij vrou
V.
Waer sijdij Hanneken?
Hanneken
Moeijer, ick ben hier
Bij Lippen Loer; dus moeijer en sijt niet gram.
Goeij vrou
V.
Neen ick, kint.
Hanneken
Moeijer, eenen witten bootterham
245
Haddick seer geerne.
245
Lippen
Longeren en rebben!
[p. 76]
Goeij vrou
V.
Compt in huijs, mijn kint, ghij sullet hebben;
Twaer schae, leet gebreck sulcke schoone spruijte.
247
Webbe
Waer blijffdij Lippen, en hebdij noch niet uijte?
248
Mij dunckt, van uwen wercke crijch ick cleijn gebruijck.
249
Lippen
250
Och neen ic, moeijer, mijnen buijck! mijnen buijck!
Ach mijnen buijck die doet mij al te zeere.
Webbe
Sijdij dan sieckt soone?
Lippen
Dat weet godt den heere!
Och noijt en was ick so vol sieckten gelaijen!
Moeijer, siedij niet mijn hoot staen draijen?
255
Mij duckt daer in wonen pijpers en bommers.
255
Webbe
Kint, u hooft staet stille.
256
Lippen
Moeijer, het draijt jommers?
+
Och noijt so en leet ick meerder smerte.
Aij mij, die milte smijt daer op mijn herte!
258
Webbe
Smijt u de milte?
Lippen
Och ja, sij niet doet dan smijten.
260
Aij noijt so seere / als mij die mieren bijten.
260
Mijn dermen tegen een vechten en sammelen.
261
Webbe
Vechten u dermen?
Lippen
Hoordijse niet rammelen?
Ick sorge, die doot sal mij genaecken.
263
Moeijer, hoordij daer niet mijn lever craecken?
265
Och noijt en leet ick meerder pijn!
Ick sal sterven.
[p. 77]
Webbe
Lieff kint, wadt mach u sijn?
Meuchdij ijet quaets hebben ingenomen?
Lippen
Neen ick, moeijer, 't is mijn vande bonen gecomen.
Webbe
Van de bonen segdij?
Lippen
Ja, die niet en deugen.
Webbe
270
En sout ghij gheenen goeijen brij meugen?
Ick souts u coocken eenen vollen ketele.
Lippen
Neen ick, moeijer, set mij in vaeijerkens setele,
272
Mij wort so cranckelijck, ick moet wat rusten.
Webbe
Lieff kint en sou u nergens naer lusten?
275
Segt u gebreck en laetet mij weten.
275
Lippen
Moeijer, ick sou gaerne vlaykens eeten
En plateijerkens, wilt mij die copen, siet.
Webbe
Plateijerkens, kint? die en ken ick niet;
De eyeren sijn rondt die de hennen leggen.
Lippen
280
Goey Vrou Veuge die salt u wel seggen;
Gaet, haeltse nu rasschelijck sonder draelen.
Webbe
Suldij wel sitten?
282
Lippen
Ja ick.
Webbe
Ick gaese haelen.
Och, noijt en was mijn herte so swaer!
Hou seck, hou! isser niemant thuijs?
284
Goeij vrou
V.
Jaet, wie is daer
Webbe
285
Ick bent, goey vrou Veuge, comt tonsent geringe!
285
[p. 78]
Goeij vrou
V.
Wadt isser te doene?
Webbe
+
Mijn handen ick wringe,
Lippen Loer wilt sterven, noijt meerder noot!
287
Goeij vrou
V.
Waer houwet hem?
288
Webbe
Sijnen buijck is bijcans doot!
Noijt kint ter werrelt en leet meer ongemack.
Goeij vrou
V.
290
Twaer best dat ghij ginck tot meester Jan Leurequack;
Dat is een meester die veel consten thoont.
Webbe
Ick en weet niet waer die groote meester woont;
Want hulpe soeck ick vroech en laete.
Goeij vrou
V.
Hij woont hier, siet, inde rechte strate;
295
Daer en is nijemant die hem helpen mach badt.
Hanneken
Wil ick hem halen?
Webbe
Hanneken doet doch dat.
Gaen wij, ick salt u lonen, lieve gebueren.
Lippen
Ick hope nu oock mijn querne te rueren;
298
Hanneken geraijde dat wel beschelijck.
299
Goeij vrou
V.
300
Hoe vaerdij, Lippen?
Lippen
Och, noyt so weelijck!
Mij overquam vlus een alte quaijen vlage.
301
Goeij vrou
V.
Waer lettet u, Lippen?
302
Lippen
Al in mijn mage
Ende in mijnen buijck princepalijck;
En hout mijn hoot / mij wort so qualijck.
304
305
Ick gevoele daer wadt na mijn blase cruijpen.
[p. 79]
Goeij vrou
V.
Webbe, oft ghij hem maeckte een goet suijpen
306
Oft een papken, ten waer hem niet ongesont.
Lippen
Och, dat sou mij wel helpen inden mont.
Webbe
Goey Vrou Veuge / ick en cans niet, comt, wijset mij!
Meester Jan Luerequack
310
Waer ist Hanneken?
310
Hanneken
Meester, 't is hier bij;
Maer eerst voor al so moet ick u ontsluijten:
311
Al gelaet hem Lippen Loer seer cranck van buijten,
312
Hij en is vrij niet sieck, al spreeckt hij flouwe.
Meester
Wadt ledt hem dan?
Hanneken
Tjan, dat hij geernne souwe
315
Eens leckerlijck eeten / dwelck ik hem riedt,
Dat hij hem sou sieck maecken, verstadij tbediet?
316
So heeft hijt gedaen, daer na moettijt passen.
317
+
Meester
Eest soo?
318
Hanneken
Jaet, meester.
Meester
So sal ick mee brassen.
Nu genoch van dien, ik hebbe tverstant.
319
320
Sijn wij schier bijt huijs, Hanneken Leckertant?
Hanneken
Siet, hier ist, gaen wij naerder ons tweester.
321
Meester
Goeden dach, ghij vrouwens!
[p. 80]
Webbe
Wellecomme meester.
Mijn kint wilt sterven / het wert u geclaecht.
323
Goeij vrou
V.
Meester Jan, oft ghij sijn water besaecht?
324
325
Sout ghij u dies wel dorren onderwinden?
325
Meester
Wat segdij? waer sout ghij mijns gelijcke vinden?
Sulcken meester als ick ben / en was noch noijt gebooren.
Ick besie dwater wel in eenen koehooren,
328
Mij en roeckx, crijg ick tgelt rechs in mijn tessche;
329
330
Oock besie ickt wel in een leeren flessche.
Meendij dat ick geen water besien en can?
Goeij vrou
V.
Ja ghij, en belght u doch niet, goeij meester Jan!
Wij bidden / cost ghij hem gehelpen lichte.
333
Meester
Ick sal tgebreck wel sien uuijt sijnen gesichte,
335
Ghij en dorft mij daerom geen water togen.
335
Heij, laet ons sien dlock in sijn oogen:
336
Dees knecht en mach niet eeten erten / bonen / noch loock
Het hout hem al inde mage.
338
Webbe
Meester, dat seijt hij oock.
Leurequack
Dees knecht is zeere inden buijck gequelt;
340
Sijn dermen sijn binnen al vrempt gestelt,
Sij leggen gewrongen gelijck eenen palinck leijt.
Webbe
Meester Jan / 'tis oock seecker also hij seijt.
Meester
Rassch! haelt hem soetemelckxken / en werm rijsken,
Een gebraijen hoenken oft een patrijssken,
345
Haelt hem taertgens / vlaijkens en pasteijkens,
Haelt hem wittebroot / en gedoopte eijkens,
346
Haelt hem gebotert bierken voor een medecijnken,
Braet hem kiecxkens / laet hem rijnswijnken
Drincken / so mach sijn pijne wadt worden gestilt.
[p. 81]
Hanneken
350
Ja, ja / daer stoot ghij hem rechs daer hij vallen wilt.
350
Lippen Loer sal nu eens vaeren inde feeste.
351
Webbe
Siet, hier ist meester.
Meester
Nu, met lichten geeste!
352
+
Set hier van als, wilt u selven toeven!
353
Lippen
Dees witmoes pappe wil ick eerst gaan proeven,
355
Op dat ick daarmede mijnen noot ontlaste.
Goeij vrou
V.
Webbe, segt den meester dat hij oock toetaste,
Oft hij spraeckx u schant inde tavernne.
357
Webbe
Meester, eedt oock!
Meester
Wel vrouwe, herde gernne!
Dat kiecxken tast ick ane / dat leijt mij naest.
359
Lippen
360
Meester, dat ghij u niet te seere en haest,
Ick moet van dien oock een beetgen behouwen.
Hanneken
Dats goet ondersproocken.
362
Meester
Wel zoone, in trouwen,
Ick en sal u den cost niet al ontvremen.
Wadt ou / desen siecken sal wel wadt innemen;
364
365
Hij werckt op sijn stucken, hij haest hem te degen.
365
Lippen
Die schootel is uuijte; setse uuijtte wegen!
Hanneken
En can Lippen niet schoon schuetten schieten?
367
Lippen
Dit gebotert bierken wil ick binnen gieten.
Aij mij / dat doet mijn mage verwarmen;
370
En met dat soetemelckxken spoel ick mijn dermen.
[p. 82]
Meester
En ick aen dit pasteijken / so ick schatte.
Lippen
Eet properlijck, meester, ontbeijt watte!
372
Ick moet van die spijse oock eeten mede.
Meester
Ick sal beijen also ons koeijen dede.
374
Hanneken
375
Lippen vreest te verliesen sijn paertgen.
375
Lippen
Nu aen dees vlaijen en aen dit taertgen!
Mijn bloet verblijt hem / tot in mijn teenkens.
Meester
Hout daer, Lippen! cnaecht aan die beenkens!
Lippen
Neen meester, tvleijssken sal mij ock wel smaecken.
Hanneken
380
Siet, hoe vol steeckt Lippen beij sijn caecken!
380
Vrij, knecht, crijget oppe / waerom soudijt sparen?
381
Webbe
Och! nu sal alle mijn potgelt qualijk varen,
382
Dat ick lange so wijsselijck so gespaert hebbe.
Goeij vrou V.
Ick hebt u wel lange geseijt, Vrecke Webbe,
385
Dat ghij daer mede so sout varen in inde.
385
Ghij gaeft veel te groven cost uwen kinde;
Nu en valt u int leste niet dan tegenspoet.
+
Lippen
Aij mij! dees pasteijbrocxkens sijn oock seer goet
Ende dit rijnswijnken mijn herte verblijt.
Webbe
390
Betert het niet, mijn soone?
Lippen
Jaet, moeijer, metter tijt.
391
Hanneken
Hij swemt in vreuchden als een endde kuijckentgen.
391
Lippen
Moeijer, hou!
[p. 83]
Webbe
Wadt ist kint?
392
Lippen
O suijckertgen, suijkertgen
Geeff mij voor die bitterheijt in mijn kele!
Webbe
Lieff Lippen, zone, ghij eet so vele,
395
Ick en siet niet / waer ickt al halen sal.
Lippen
Lieff moeijer, die sieckte verteret al.
Meester
Ja, so doende soudij noch veel behoeven!
Wadt segdij doch van dese jonge boeven,
Weeten sijt haer ouders niet aff te strijen?
399
400
Gans doot / ick en saechs niet langer te lijen.
400
Hou, Lippen Loer, ick wil u noch badt verheugen.
En soudij geen bercke struijven meugen?
402
Ghij souter fraij aff worden en heel gesont.
403
Lippen
Moeijer, ick moet bercke struijven eeten terstont,
405
Meester Jan Leurequack heeftet gesproocken.
Webbe
Wat cost is datte?
Meester
Ick salt wel coocken.
Geefft mij eenen bessem / dat ick mach stoocken tvier.
407
Sedt ditte wech en gaet altsaemen van hier,
408
Ick en wil mijn conste niemant leeren.
410
Nu Lippen, ghij sult u gaen ommekeeren;
Doet uwen rock uuijte / ghij leves te sachtere.
411
Lippen
Hoe, sal ick bercken struijff eeten van achtere?
Meester
Men sal u wadt strijcken tegent vercoelen.
Lippen
Ist oock goeijen cost?
Meester
Dat suldij wel gevoelen.
415
Her! her! Lippen, eet nu leckernije!
415
[p. 84]
Lippen
Aij mij! lijeff meester! wat maeckt ghije?
416
Meester
Tsijn die bercken struijven / die ick u bieck.
417
Lippen
Aij mij! meester Jan, ick en ben niet sieck!
Wech, wech met uwen bercken struijven!
+
Meester
420