terug  begin  verder
[p. 89]

De Wellustige Mensch

[p. 91]

+Item hier begint een spreeckende Prologe vant tspel genaempt Den wellustigen mensch.

1
 
Const lustige sinnen || van buijten en binnen, 1
 
Edele oft onedele die hier sijt present,
2
 
Wij bidden uuijt minnen || hoort ons ontwinnen, 3
 
Constlustige sinnen || van buijten en binnen,
1
5
Tverstant wilt innen van dat wy beginnen 5
 
Als honich suijgende bijkens ongeschent.
2
 
Constlustige sinnen van buijten en binnen,
 
Edele oft onedele die hier sijt present.
1
 
+Al sijn wij pellicaennisten niet constich bekent, 9
10
Nochtans streckt tot Conste al ons begeren.
2
 
Daerom wij hier comen vrijmoedich omtrent
 
Om een sinnelijck spel u te presenteren 12
1
 
Vanden Wellustigen Mensch, die hem ginck keren,
 
Tot het gebruijck van wereltsche ijdelheijt,
2
15
Niet achtende goods gracij oft haer goddelijcke leren
 
Die sij hem inblies, want hij werde verleijt
1
 
Door quaet gelooff en vleijschlijck sin die hem maeckten bereijt
 
Om met den schadt der boosheijt sijn lust te boeten,
2
 
Als breder int vervolg sal werden verbreijt,
20
Want hem dagelijckx duijsent perijckelen ontmoeten 20
[p. 92]
1
 
So datmen in alle ijdelheijt den mensch sach wroeten,
 
Volgende des werelts samblant tot allen stonden,
2
 
Twelck voor sijn siel maeckten een cleijn versoeten 23
 
Om dat hij was vallende in mennichte der sonden.
1
25
Maer sijn corte weelde, hoort dit vermonden,
 
En mocht bij hem niet lange blijven noch duijren,
2
 
Want goods gramschap heeft hem over gesonden
 
Tswaert der wraecken, twelck hem dede truijren,
1
 
En den geessel der plagen die hij most besuijren,
30
So dat hij alle verganckelijcke vreucht most affsnijen. 30
2
 
Want hij worde gequelt om sijn sondige cuijren
 
Met oorloch / pestilentij / en dieren tijen
1
 
Die hem aen alle canten quaemen bestrijen
 
En hebben groot lijen || den mensch aengedaen.
2
35
Maer de mensch, siende aen allen sijen
 
Dat hij met sulcke benautheijt was bevaen
 
En dat hij den dood niet sou mogen ontgaen,
 
So heeft hij sijn toevlucht tot den heer genomen
 
+Die door sijn gratije den mensch weer heeft ontfaen,
40
Want hij wil niet versmaen die tot hem comen,
 
En hij heeft hem bevrijt van sulcke verdomen,
 
Affnemende de plagen die hem mochten quellen.
2
 
Om dit hier te spelen sullen wij niet schromen,
 
Maer sonder beromen van ons constich voorstellen. 44
1
45
Ist dat wij faeijlgeren, wilt ons niet mellen 45
 
Als Monus gesellen || maer wilt met ons verduldich || sijn.
2
 
Hoort na ons saluteeren so wij van outs schuldich || sijn:
1
 
Hij die hemel en aerde van niet heeft gemaeckt
[p. 93]
2
 
En door sijn gracij hout alle ding int wesen,
1
50
Die den doot voor ons altsamen heeft gesmaeckt,
2
 
Hij die hemel en aerde van niet heeft gemaeckt
 
En door sijn gratije hout alle ding int wesen, 52
1
 
Bewaer onsen stathouder op dat hij ongelaeckt
 
Altijt mach blijven in eeren gepresen,
2
55
Hij die hemel en aerde van niet heeft gemaeckt
 
En door sijn gracije alle ding hout int wesen.
1
 
Wij bidden dat vrientschap mach sijn geresen
 
Toschen onzen schout en die loffelijcke heeren
 
Burgemeesters en schepenen, die wij midts desen
60
Met ootmoedighe salutacij vereeren,
2
 
Wenschende dat sij mogen administreeren
 
Recht en justij[ci]e int haerlemsche dal.
1
 
En op dat vree en vrientschap mach vermeeren
 
Tusschen ons en ons broeders van Lieft boven al, 64
2
65
So groeten wij haer vriendlijck met een blij geschat,
 
Om dat sij vervult sijn met constige practijcken.
1
 
Oock die in Liefden getrou sijn, groot en smal. 67
 
Groeten wij vriendlijck, want ons Trou moet Blijcken.
+
2
 
En die Jonge scholieren die in const beswijcken 69
70
Willen wij niet vergeten in ons salutacije.
1
 
Voorts alle borgers en vreemden, armen en rijcken,
 
Die herwaerts quamen strijcken op dese stacije, 72
2
 
Die wenschen wij dat godt alle blamacije 73
 
Van haer wil nemen en haar weer gerijven
75
Met vreucht en welvaert tot elcken spacije,
 
Op dat vreed en eendracht eens mach beclijven,
[p. 94]
1
 
Waer door twist en discoort sullen moeten wech blijven
 
En verder drijven uuijt haerlemsche prieel.
2
 
Wij bidden u altsaemen, ghij mannen ende wijven,
80
Bewaert wel u buijdels naer ons beveel,
1
 
Op dat ghij naemaels niet en maeckt crackeel
 
Door tverlies us gelts, naer ons oorconden || plaen. 82
2
 
Hoort, siet en swijcht, wij beginnen van stonden || aen.

[Daarna volgt in het hs. de proloog van de ‘Cluyt van Ronsefael’, d.i. Tielebuys.]

+[85vo]
1van buijten en binnen, van buiten de stad en uit de stad; deze aanhef komt geheel overeen met het slot van het Esbattement van den Preecker (N.V.D. LAAN, Uit het Archief d. Pellicanisten 25).
3ontwinnen, voor ontwinden, ontvouwen.
5innen, in u opnemen; dezelfde wending Esb. v. d. Preecker, vs. 395.
+[86ro]
9pellicaennisten, leden van Trou moet Blycken.
12sinnelijck spel, zinnespel.
20duijsent perijckelen, vgl. vs. 127 en 516.
23een cleijn versoeten, een weinig aangename ervaring.
30affsnijen, laten varen.
+[86vo]
44zonder ons te beroemen op een artistieke opvoering.
45mellen, melden, bekend maken, nl. onze fouten.
52het hs. heeft na ding nog eens hout.
64Lieft boven al, devies van de Wyngaert rancken te Haarlem.
67in Liefden getrou, devies van de Witte Angieren, de Vlaamse kamer te Haarlem.
+[87ro]
69in const beswijcken klinkt vreemd; misschien is niet uitgevallen?
72staijc, plaats.
73blamacij, tegenspoed.
82oorconden, betogen.
terug  begin  verder