
Mr. ANTON BERGMANN (1835-1874)
Het is met meer dan een groot genoegen, dat wij onder onze uitgaven ook het alom bekende Ernest Staas van Anton Bergman op kunnen nemen, terwijl wij er tevens een keur van zijn fijne en keurige novellen bij kunnen voegen.
Een kleine inleiding van het leven en werk van dezen bijzonderen letterkundige is hier wel op zijn plaats.
Anton Bergmann, of wel Tony, werd den 29 Juni 1835 in Lier, een klein plaatsje in België, geboren. Hij ontving hier tevens zijn eerste onderwijs; later vervolgt hij zijn studiën aan het Gentsche Athenaeum en hier besteden hij en zijn vrienden hun vrijen tijd zooveel mogelijk voor ernstige Nederlandsche taalstudiën. Vele lesuren werden niet besteed voor hun moedertaal, maar des te grooter was hun liefde voor de letterkunde. Na eerst in Gent te hebben gestudeerd, promoveert hij in 1858 als doctor in de rechten aan de Vrije Hooge school te Brussel.
Gedurende zijn studietijd schrijft hij echter telkens en dan ontstaan de fijne novellen, waarvan wij de hoofdzaak ook in onze uitgave brengen.
Dan volgt een tijd van ernstigen arbeid. Hij neemt een groote plaats in in den strijd voor het Nederlandsch, dat in België toch reeds een moeilijk bestaan had. In het door hem gestichte blad ‘De Lierenaar’, trekt hij te velde tegen de vijanden van de Vlaamsch-Nederlandsche taal. Zijn artikelen zijn scherp en hij is een gevaarlijk tegenstander. Hij vocht voor zijn taal, maar was ook zeker een der eersten, die geroepen was voor deze taak. Hij beheerscht zijn taal volkomen en weet door zijn bijzonder geestigen en levendigen schrijftrant uitstekende typeeringen te maken.
In 1858 trouwt hij met Eliza van Acker; een dochtertje, eveneens Eliza geheeten is de vrucht van hun huwelijk.
Als advocaat is hij wel druk door allerlei werk in beslag genomen. Toch weet hij nog in 1873 een groot werk uit te
geven, de geschiedenis van Lier, zijn geboortestad, dat een meesterwerk van historische beschrijving wordt. In hetzelfde jaar komt zijn hoofdwerk ‘Advocaat Ernst Staas’ uit en wij kunnen niet beter doen, dan den brief hier te vermelden, dien Nicolaas Beets, de groote schrijver van de Camera Obscura, die in dien tijd de grootmeester der Nederlandsche literatuur was, aan Bergmann schreef, als antwoord op de toezending van dit werk. Het tragische was, dat Bergmann dezen brief nimmer ontving. Hij stierf den 21 Januari 1874, nog geen 39 jaar oud.
De brief, die hier volgt, verkondigt beter dan wij het zouden doen, in keurige bewoordingen den welverdienden lof over Ernst Staas:
Hooggeachte Heer,
Ik behoef alleszins uwe vergiffenis daarvoor, dat ik de ontvangst van uw treffelijk geschenk, mij reeds vóór meer dan ééne week geworden, tot hiertoe nog niet dankbaar erkend heb.
Tot verschooning heb ik het volgende aan te voeren.
Op het enkel doorbladeren van uw boek zag ik terstond, dat dit een boek was, dat mij leek, waarvan de lezing mij een ongewoon genot beloofde.
Ware het tegendeel het geval geweest, ik had terstond naar de pen gegrepen, en zonder verdere kennisneming mijn oprechten dank betuigd voor de vriendelijke schenking.
Maar nu stelde ik uit, totdat ik alles zou hebben gesmaakt.
Ongelukkig noodzaakten mij zeer drukke bezigheden, en onvoorziene gebeurtenissen ook de lezing uit te stellen, en zoo ging het van den eenen dag op den anderen... Vergeef het mij!
Eindelijk kwam de gelukkige ‘gelegene tijd’. En zoo ik u thans hartelijk mijn dank betuig voor uwen ‘Ernst Staas’, het is niet maar voor de vriendelijke toezending, niet slechts voor de streelende bewoordingen, waarvan Gij het geschenk op het schutblad, hebt doen verzeld gaan, maar bij en boven dit alles, voor het boek zelven, om zijn voortreffelijken inhoud, voor het groot en rijk, veelvuldig en rein genoegen, bij de lezing gesmaakt. In alle waarheid en oprechtheid kan ik u betuigen, onder de boeken van dezen, onzen tijd er in lang geen gelezen te hebben, dat mij zoo smaakte, en ik geloof niet dat de Vlaamsche letterkunde iets heeft aan te wijzen, dat er boven gaat.
Indien ‘Ernst Staas’, in België en Holland geen grooten opgang maakt, beklaag ik den smaak mijner tijdgenooten.
Het is waarheid en leven, geest en gevoel, fijnheid van teekening met losheid van trek. Juistheid van opvatting, en schilderachtigheid van uitdrukking. En in plan en aanleg zoowel als uitvoering die matiging, die sobriëteit, die gelijk zij van het zelfbezit in den schrijver getuigt, ook de kracht van zijn werk is.
Daarenboven, dit boek kan niet dan goed doen. Het is door en door gezond; het komt uit een rijp verstand en liefderijk gemoed. Er is veel uit te leeren, omdat het veel geeft te zien. Ik wil bij geen bijzonderheden stilstaan daar met ter daad alles mij even goed gelukt schijnt: - elk portret - elke scène - elk gesprek - maar bladzijden als b.v. bl. 28-29, worden niet lichtelijk overtroffen. Het ‘doch hij weet wel beter’, bracht mij bij de voorlezing de tranen in de stem. Bij de voorlezing, want dit alles is een boek, dat ik voorlees; dat ik den mijnen niet onthouden mag. En gij moest het gezien hebben, hoe het door ouderen en jongeren in mijn huiselijken kring genoten, gesavoureerd werd.
Waarde Tony, dit alles moest Hildebrand u zeggen! Hooggeachte Heer Bergmann, neem deze uitdrukking zijner innige deelneming in uw schoon werk, met de hartelijke betuiging zijner ware erkentelijkheid, in welgevallen aan van
Uw oprecht toegenegen
NICOLAAS BEETS.
Deze brief van Hildebrand, is zeker de beste aanbeveling die wij den lezer van dit werk kunnen bieden.
DE UITGEVER.