terug  begin  verderprepost
[p. 118]

Drie indrukken der eerste jaren.

De eerste bezoekers.

Intusschen liep mijn proeftijd ten einde; en toen ik naar Brussel terugkeerde, moest ik mij als Mr. Staas, advocaat inrichten.

Ik nam mijn kwartier op den hoek der Keizerstraat bij monsieur Lefinaud, tailleur de Paris, geboortig uit Schaarbeek een heerschap, dat gekleed ging als een gezant, en zijne klanten ontving in een salon met tapijten, vergulde spiegels en fluweelen stoelen.

Op 't eerst verdiep had hij een kwartier te verhuren, bestaande uit twee groote kamers aan elkander, tegen de straat, en een klein kabinet aan de overzijde.

De verdeeling was voortreffelijk geschikt. De eerste kamer, gemeubileerd in Amerikaansch leder, behangen met bruin papier en donkere gordijnen, zou de spreekkamer wezen. In het tweede vertrek kon men eene bibliotheek plaatsen en te midden een bureau-ministre voor de eigenlijke studien van den advocaat, die in het kabinet zou slapen.

Bij den eersten oogopslag was ik overwonnen.

Monsieur Lefinaud bemerkte het dadelijk.

‘Gij zoudt niet beter kunnen wonen, mijnheer,’ verklaarde hij met eenen toon van overtuiging, die geene tegenspraak duldde. ‘Mijnheer zeide mij, dat hij advocaat is. Welnu, geef u enkel de moeite uit dit raam te kijken: de marmeren zuilen, die gij daar ziet, zijn de ingang van het paleis van justitie. Al wie met het gerecht iets te maken heeft, moet hier voorbijkomen, en belt natuurlijk bij den eersten rechtsgeleerde aan, welken hij op zijnen weg ontmoet.’

Of dit wel zoo natuurlijk was, is eene andere vraag: in alle geval deed de reden indruk op Tante, die, vergezeld

[p. 119]

van onz' Mie op haar paaschbest, ter eere mijner instelling de groote reis naar Brussel ondernomen had. Zij veroorloofde zich nog slechts eene kleine aanmerking over den hoogen prijs. Zij moest afdingen gelijk al de vrouwen.

Monsieur Lefinaud wierp zijnen frak achteruit, plaatste zijne duimen onder de armen, en liet zijne vingers eenen galop spelen op zijne vuurroode gilet.

‘Maar de ligging, mevrouw!’ riep hij uit. ‘Ik zeg maar dit enkel woord: de ligging! Daarin is alles besloten in eene groote stad. - Goede ligging: fortuin, - slechte ligging: ondergang en fail... liet!’ en de kleermaker, fier dat hij zulke hooge stadhuiswoorden kende, trok het zoo lang hij maar kon.

‘En failliet!’ herhaalde hij nog eens, terwijl zijne vingers hun dansje op de roode gilet herbegonnen.

Tante aarzelde: de prijs ging hare berekeningen te boven, en zij keek nog eens rond, of er niets op af te wijzen of te verminderen viel.

Monsieur Lefinaud zag het oogenblik gekomen om den grooten slag te slaan.

‘Mevrouw,’ hernam hij op ernstigen toon, zijne vingeren in de hoogte houdend en alle dartelende beweging stakend, ‘het is in uw belang, dat ik spreek. Mijn kwartier verhuren kan ik met honderd handen tegelijk. Het ware spijtig. Die kamers zijn als gemaakt voor eenen rechtsgeleerde. Vroeger woonde hier nog een jong advocaat aan huis. Hij was onbekend en moest zoeken, doch was werkzaam en knap gelijk mijnheer, en iedereen, die de hoofdstad kent, zal u kunnen zeggen, welk vermaard advocaat mijnheer Duruisseau, die hier klein begon, thans geworden is.’

Die beweegreden was afdoende.

Waar Mr. Duruisseau groot geworden was, waarom zoude Ernest Staas daar ook niet lukken? Tante sloeg het akkoord toe: de jonge advocaat was geëtabliseerd.

Tegen den muur werd de boekenkast geplaatst; in 't midden der kamer het bureau-ministre, en er achter in eenen breeden leunstoel de rechtsgeleerde, de pen achter 't oor, het wetboek in de hand, bereid om te adviseeren, exploiteeren, procedeeren, concludeeren en appeleeren tegen geheel de wereld.

Er ontbrak hem niets meer dan... zaken en cliënten.

Het is waar, de ligging was voortreffelijk.

[p. 120]

Hij zag de zuilen van het paleis van justitie; hij zag de oude confraters de trappen optrekken, gebogen onder het gewicht hunner zware procesbundels, hij zag zelfs de pleiters zijn huis... voorbijtrekken; maar daar bleef het bij: niet een enkel, die bij hem aanklopte.

Het kwartaal liep ten einde.

Monsieur Lefinaud bracht zijne rekening, maar had nog den eersten bezoeker aan te kondigen.

‘De ligging is misschien wel zoo goed niet als u dacht,’ bemerkte ik.

‘Ho, monsieur!’ hervatte de kleermaker.

‘De cliënten althans schijnen er den weg niet van te kennen,’ poogde ik te lachen.

‘Dat kan zoo spoedig niet komen,’ bracht de huisbaas in, ‘doch als mijnheer mij veroorlooft, 't is maar eene vraag: houdt mijnheer zich niet ruim zedig, ruim stil? In eene groote stad moet er wat beweging, wat klatergoud, wat bluf bij zijn. Zie, mijnheer, als ik mij hier eerst vestigde, ging het juist gelijk met u. Ik geloof niet, dat ik op veertien dagen aan twee personen de maat nam, ik, die te Schaarbeek zulke schoone klanten had...’ en monsieur Lefinaud speelde bevallig met zijnen meter, die hem steeds om den hals hing.

‘Maar vriend Lefinaud,’ zeide mij eens een van hen, ‘ik ben wel driemaal misgeloopen, aleer uw huis te vinden. Wie hemel kan toch raden, dat gij hier ingekwartierd zijt?’

Die opmerking was een lichtstraal voor mij.

‘'s Anderendaags stonden al de vensters vol modeprentjes, en op mijn deur prijkte eene groote koperen plaat met de woorden “tailleur pour civil et militaire...” en sedert heb ik er nog veel in Duitsch en in het Engelsch doen bij schilderen,’ lachte de kleermaker.

‘Ik kan toch geen avocat pour civil et militaire aankondigen,’ deed ik opmerken.

‘Dat weet ik wel, mijnheer, zoo iets is goed voor onzen stiel. Een advocaat moet meer bescheiden handelen en eene plaat zou te veel in het oog geven. Maar, gij laat bij voorbeeld in kleine letterkens uwen naam rondom de bel of op den stijl der deur zetten, zoodat het meer den schijn heeft van eene terechtwijzing voor de personen, die zouden misloopen, dan van eenen oproep tot het publiek. Als mijnheer wil?...’

Ik maakte wel eenige tegenwerping, maar Monsieur Lefinaud vond, dat hij er mocht over heen stappen: en den

[p. 121]

volgenden morgen stond er rondom de huisbel in geschreven letterkens: Sonnez 2 fois pour M.E. Staas, avocat.

Het kon er geen twee uren opstaan, of ik hoorde de bel tweemaal overslaan, en aan den trap de stem van Lefinaud: ‘Pour Monsieur l'Avocat, au premier!’

Ik liep achter mijn bureau-ministre, sloeg een zwaarlijvig Romeinsch wetboek open, en zette mij de hand door de haren, die, verward en dooreengewerkt, van kommer en studie getuigden.

Een heer met eene groote brieventasch onder den arm, naderde met den hoed in de hand.

Ik lichtte mij half op uit den leunstoel, en verzocht mijnen bezoeker plaats te nemen en zijne zaak uit te leggen.

‘Mijnheer,’ zegde hij eenigszins bedeesd. ‘ik ben de representant van het huis Raibaud en comp. van Parijs, dat u waarschijnlijk bekend is.’

Bravo, dacht ik, een Parijsisch huis voor eersten cliënt, dat zal mij poseeren.

‘Inderdaad,’ knikte ik, ‘die naam is mij niet vreemd,’ alhoewel ik niet meer wist van het huis Raibaud, alsof het in de maan gelegen was.

‘Wij hebben,’ ging hij voort, ‘al de werken over rechten, en zijn de voornaamste verhandelaars van de groote Encyclopédie du droit, het algemeen rechterlijk woordenboek, dat geen advocaat, geen rechter, geen notaris, zelfs geen deurwaarder missen kan,’ en hij wierp eenen schuinschen blik op mijne boekenkast, waarin eenige magere en verouderde werkjes overschot van plaats hadden.

Ik wilde het nut der Encyclopédie niet miskennen; echter voor het oogenblik dacht het mij, dat ik ze nog zoozeer niet noodig had.

Gelijk alle rechtwerken kostte die Encyclopédie uitermate duur. De heer had de onbeschaamdheid voor te stellen ze tegen achthonderd frank over te maken.

Achthonderd frank! en Tante die zulke zware opofferingen deed om mijne meubeltjes aan te koopen!

‘Als gij de Encyclopédie niet neemt, dan moet gij zeker het nieuw commentaire op het burgerlijk wetboek hebben?’

‘Onnoodig,’ hernam ik.

‘Gebonden en met al de nota's.’

‘Ook niet.’

‘Dan ten minste de Uitleggingen van het Strafwetboek met

[p. 122]

al de verslagen,... of de Verhandelingen over den eigendom door... in allen gevalle de nieuwe Hypotheekwet met al de redevoeringen en discussiën... of...’

Ik schudde altijd ontkennend; maar de man gaf het zoo gemakkelijk niet op, en ik moest nog de titels van een twintigtal werken hooren, alle even onmisbaar voor advocaten en rechters, notarissen en deurwaarders, gebonden en ongebonden, met en zonder nota's, aleer hij eindelijk zijne papieren samenraapte en vertrok, op mijne tafel een tiental prospectussen achterlatend.

‘Welnu!’ - en monsieur Lefinaud stak zijnen gekrulden kop tusschen de spleet der deur. ‘Wat heb ik gezegd? Doen de letters haar uitwerksel niet?’

Hij wreef zich de handen en liep lachend op en neer.

‘Ja, zonder gerucht, zonder bluf blijft men vergeten, verloren in de wereld. De aankondiging is de koning onzer eeuw, en het plaatje zijn eerste minister!’ en de heer Lefinaud bleef eindelijk staan in afwachting, dat ik met hem de zege van 't plaatje zou vieren.

Het deed mij waarlijk leed den opgetogen man te moeten ontgoochelen.

Ook als ik hem uitlegde, dat de heer, welken hij met zooveel gerucht aangekondigd had, niemand anders was dan een koopman in boeken, die wat zocht te verdienen juist gelijk ik, viel zijne geestdrift op eens, en wist hij niet, wat uit te vinden om mijn vertrouwen in zijne hulpmiddelen te behouden.

Dergelijke cliënten ontbraken mij in het vervolg niet meer.

Pianisten die een concert geven, schrijvers die hun eerste werk laten drukken, Flaminganten met eene inteekenlijst, Joden met eene nieuwe uitvinding, kooplieden in wijn juist uit Bordeaux aangekomen, ongelukkigen eindelijk, die maar rechtaf eene aalmoes vragen, arme duivels, die aan elke bel trekken - van hen allen mocht voortaan geen enkel meer de Keizersstraat doorgaan, zonder voor M.E. Staas, avocat, tweemaal te schellen.

prepostterug  begin  verder