Mijn roman begint waar al de andere eindigen.
Ik ben gisteren getrouwd!
Om eenen roman te maken is er toch liefde noodig, en gij denkt misschien met vele zedelooze schrijvers, dat het huwelijk het graf der liefde is. Dat is mogelijk voor anderen; voor mij is die redeneering zeker valsch. Om een graf der liefde te hebben, moet er toch eerst liefde geweest zijn, en, eilaas! de mijne moet nog geboren worden.
Ik heb, wel is waar, aan mijne vrouw gezegd, dat zij schoon was, maar 't was eene afgrijselijke leugen: ge moest ze zien!
Ik heb haar gezworen bij maan en sterren - dat was geloof ik volgens het programma der verliefden - dat ik haar beminde: tweede, nog veel grootere leugen.
Twee grove doodzonden! Maar ik hoop, dat zij mij zullen vergeven worden; want ik was gedwongen: ik moest ze begaan.
Ik ben, geloof ik, wees geboren: van Vader of Moeder heb ik nooit iemand gekend. Dat zij bestaan hebben is zeker; maar dat is ook al wat ik verzekeren durf.
Een oom nam mij aan, gaf mij eenen kiel, alle zondagen eenen cent om knikkers te koopen, en alle dagen slagen om mij de deugd in te prenten, tot den ouderdom van twaalf jaar, wanneer ik mijne eerste communie deed. ‘Nu zijt gij geen kind meer,’ zegde mijn oom, en twee weken na die menschwording zat ik op eene kostschool, waar ik gedurende drie jaren de martelaar der grooten was en daarna de beul der kleinen werd, totdat de Hoogeschool mij hare poorten opende.
‘Studeer maar, dat gij spoedig gedaan hebt, Willem; want gij moet het u wel vóór oogen houden, op het geld, dat ik u
zend, hebt gij geen het minste recht, en 't is alleenlijk aan mijn goedheid, dat gij alles te danken hebt.’
Zoo schreef mijn oom alle maanden.
Wanneer ik een goed examen had afgelegd, ‘Het mag zoo wel zijn,’ bemerkte mijn brave oom, ‘hij kost mij geld genoeg.’
‘Dat is mijn neef,’ riep altijd en tegen iedereen mijn beste oom, ‘ik heb hem groot gekweekt, op mijne eigen kosten laten leeren en er alle jaren twee duizend frank aan verteerd, daar ik toch nooit eenen halven cent zal van terug zien.’
Het gedrag van mijn allerbesten oom was zeker schoon, en ik was er diep erkentelijk voor; maar zijne weldaden waren met zooveel tegenzin gedaan, hij verweet ze mij zoo dikwijls, zijne woorden waren zoo vernederend dat de erkentenis voor afkeer had plaats gemaakt.
Intusschen eindigde ik mijne studiën en de voorzitter van de jury had Willem Van den Berghe tot doctor in de geneeskunde uitgeroepen.
Ik woonde in bij mijnen oom, en deze had mij in een oogenblik van edelmoedigheid een plaatje op de deur toegestaan: ook ontbrak er niets tot mijn geluk - dan zieken.
Ik wachtte met geduld ééne maand, twee, drie maanden, deed haastige wandelingen door de stad om te laten zien, dat ik veel geroepen werd, en spande alles in om te gelukken.
‘Maar,’ dacht ik: ‘ik ben jong’ en ik wachtte met geduld vier, vijf maanden; maar het geduld is de deugd van al de stervelingen niet.
Op eenen namiddag zat ik gerust op mijne studeerkamer: ik droomde van liefde, - van zieken; - van wat men wil anders droomen als men drie en twintig jaar oud is en doctor in de geneeskunde? - wanneer de barsche stem van mijnen oom zich liet hooren.
‘Kleed u aan, Willem!... uw beste frak en handschoenen!...’ klonk het, en Willem gehoorzaamde.
Wij gingen te zamen de deur uit, trokken twee of drie straten door, totdat wij eindelijk voor een ouderwetsch huis, met eenen dubbelen trap voor den drempel, stil hielden en belden.
‘Wees nu maar eens wat beleefd tegen die juffrouw’ beval mijn oom, terwijl eene meid, zoo ouderwetsch als het huis, de deur opende en ons in eene kamer, die slecht verlicht was en verduft rook, binnen bracht.
Mevrouw Boedaart zat daar achter de tafel met eene muts
met roode linten op het hoofd en eene kat op haren schoot.
Ik dacht, dat ik al beleefd moest zijn en ik begon, wanneer men juffrouw Anna Boedaart aankondigde, met eene muts nog rooder dan die harer moeder en een kleedsel, dat eene schoone vrouw misschien zou versierd hebben, maar aan haar allerleelijkst stond.
Zeven en twintig jaar scheen mij juffrouw Boedaart: ik heb later ontdekt, dat zij maar zes en twintig en half was, waarop mijn oom bemerkte, ‘dat ik ook altijd alles op zijn slechts nam.’
Ik was zoo beleefd, als ik kon, en het moet goed genoeg geweest zijn; want juffrouw Anna scheen tevreden.
Mevrouw Boedaart heette mij altijd ‘mijnheer de Dokter’ en ik hoorde haar zeggen tegen mijnen oom, dat ik haar nog al aanstond.
‘Wat leelijk vrouwvolk!’ dacht ik bij mij zelven, toen wij op straat waren. Maar ik heb de slechte gewoonte dikwijls luidop te denken, en ik deed het thans weder.
‘Leelijk vrouwvolk!’ zegde mijn oom met verontwaardiging, ‘weet gij wel, dat die juffrouw tweemaal honderd duizend frank te verwachten heeft, en dat heet gij leelijk?’
Het was de eerste maal van mijn leven, dat ik hoorde, dat men iemand voor tweemaal honderd duizend frank schoon moest vinden.
‘Willem,’ zegde mijn oom, toen wij te huis waren, ‘dat heeft nu al lang genoeg geduurd, dat ledig loopen, gij moest maar trouwen.’
‘Ja, Oom,’ antwoordde ik, ‘maar om te trouwen is er eene vrouw noodig, gelijk men om dokter te zijn zieken moet hebben.’
‘Wel dààr, juffrouw Boedaart, dat was eene goede voor u, en ik geloof nog al, dat gij haar aanstaat,,’ zegde hij met eenen glimlach, die slim wilde zijn; ‘dat was het, jongen! dan waart gij er in eenen keer boven op!’
‘Ja maar, die is nu toch een beetje te leelijk,’ bemerkte ik met schuchterheid: ik was gewoon gemaakt niet tegen te spreken.
‘Te leelijk!’ schreeuwde hij mij toe, ‘zij heeft tweemaal honderd duizend frank!’ (dat was een antwoord op alles), en toen ging hij voort: ‘Ik ben moede u te houden: gij hebt mij nu al geld genoeg gekost, en gij zijt nog uw brood niet waard.’
Daar was weinig of niets tegen te zeggen: ik moest mij laten leiden, en gisteren sprak ik het jawoord uit.
‘Uw fortuin is gemaakt, jonge heer,’ zegde mij dezen morgen een man van veertig jaar en met ondervinding.
Ik heb inderdaad eene vrouw, een huis, twee honden, eene kat - mijne vrouw had die moeten medebrengen, zij was er zoo aan verkleefd! - en tweemaal honderd duizend frank te verwachten.