terug  begin  verderprepost
[p. 181]

II.
Eenige jaren later.

Om acht uren 's avonds is het donker in den winter: dat kunt gij zelf bemerken, en wanneer dan geen licht in de kamer is, valt het moeielijk er eene beschrijving van te geven, en daarom kan ik het ook niet van de kamer, waar onze geschiedenis voortgaat.

Nochtans, indien men zich in den ingang van het vertrek plaatst, ontwaart men bij den schijn van de lantaarn der straat, vóór ieder raam, eene gedaante, de eene in den rechteren de andere in den linkerhoek der kamer, die zich beweegt en veel aan een menschenhoofd gelijkt. Uit een dier gedaanten kwam het volgende geluid:

‘Maar 't is toch maar treurig zoo in den donkere te zitten: 't is nu al acht uren.’

En het ander menschenhoofd antwoordde:

‘Maar waarom zouden wij onnoodig licht verbranden? Wij hebben immers nies te doen.’

Eerste gedaante: ‘Ik zou ten minste het een of ander boek kunnen lezen.’

Tweede menschenhoofd: ‘Ja, daar is het weeral met uw lezen, en dan weet ik wel wat er voorvalt: dan spreekt gij geen enkel woord meer tegen uwe vrouw van den heelen avond; en dan al die liefdesgeschiedenissen, die maken uwen kop maar zot.’

‘Nu, daar wordt gebeld,’ was het antwoord, ‘nu zult gij toch licht ontsteken.’

En beide gedaanten verlieten haar respectief venster, wanneer eene derde schim den trap opkwam en van buiten de kamer reeds uitriep:

‘Ha! daar zitten de twee getrouwden bij elkaar! ik kom u misschien storen... Ja, in de eerste jaren van het huwelijk, als men in den schemeravond bij elkander zit, dan ontvangt men niet gaarne bezoek.’

[p. 182]

‘Jawel, Moeder,’ antwoordde de vrouwelijke stem, ‘gij stoort ons in het geheel niet, integendeel.’ En ware het niet donker geweest, men hadde kunnen zien, dat het geeuwen van de mannelijke gedaante dit gezegde bevestigde.

‘Wacht, Moeder, ik zal licht aansteken’ en een lucifertje verspreidde zijnen glans door de kamer en kwam de aangezichten van den heer Willem Van den Berghe, van zijn teedere wederhelft, mevrouw Anna Van den Berghe, geboren Boedaart, en van hare moeder, mevrouw Boedaart zelve, verlichten.

‘Dat is nu goed, Willem,’ zegde mevrouw Boedaart, terwijl zij haren riticule op den stoel nederlegde en er haar breiwerk uit nam, ‘gij hebt gelijk zoo 's avonds bij uw vrouwtje te blijven in plaats van die vuile koffiehuizen af te loopen; ik heb het u altijd gezegd: het huiselijk leven geeft alleen hetgeluk.’

‘Ja, Moeder,’ antwoordde Willem met een gelaat, dat deed zien, dat hij minder tehuis bleef om het geluk te vinden dan om de zure gezichten zijner vrouw te verdrijven en aan het eeuwige gezaag zijner schoonmoeder te ontsnappen.

‘Wel ja,’ viel bitsig mevrouw Van den Berghe in de rede, ‘die mannen zijn ook nooit tevreden; wij hebben immers ook onze kransjes, en wij vermaken er ons wel: waarom zouden zij het er insgelijks niet kunnen doen?’

....................................................

Een half uur later was het gezelschap, waarvan mevrouw Van den Berghe gesproken had, vereenigd.

Bij eene kaars, die treurig brandde, zaten zes personen rondom eene tafel, waarop voor ieder drie loto-kaarten uitgestrekt lagen. Daar stonden twaalf centiemen in den pot, voor ieder twee - men speelde immers maar voor het vermaak - en elkeen was voorzien van eenige ronde glaasjes, om aan te wijzen, en eenige stukjes kork, die fiches verbeelden moesten.

Mijnheer van den Berghe was met juffrouw Martijns, een jonge juffrouw van twee en dertig jaren, welke door mevrouw Van den Berghe er altijd mede werd geplaagd, dat zij steeds met haren man wilde zijn, en hem haar nog wel eens zou hebben willen ontnemen.

Moeder Boedaart, die te dezer gelegenheid haren ouden bril opgezet had, ging met juffrouw Mimi Stockbeen, oud veertig jaar, gezicht langwerpig, voorhoofd laag, oogen grijsachtig, neus lang en kin zeer scherp.

[p. 183]

Die juffrouw had drie keeren kunnen trouwen, zoo vertelde zij ten minste; maar den eerste had zij niet gewild, omdat hij rookte, den tweeden, omdat hij te veel van de herberg hield, en den derde, omdat hij te weinig eerbied voor haar had. Zij was door de minste woorden gekwetst, en kon maar van de mannen geen kwaad genoeg spreken.

Er ontbrak een zesde persoon. Aan Trees de keukenmeid werd gezegd, dat zij den wasch maar tot 's anderendaags zoude laten staan, en door mevrouw Van den Berghe werd zij als medespeelster gekozen.

Juffrouw Martijns, als de jongste vertegenwoordigster van het schoone geslacht, mocht trekken. Met aandacht stak zij de hand in het lijnwaden zakje, en na het driemaal onderschud te hebben, om eerlijk te zijn, riep zij met al de waardigheid en het gewicht, welke de omstandigheid vereischte: ‘Twee en twintig!’

‘De twee zwaantjes komen daar weeral aangezwommen,’ bemerkte Moeder Boedaart, en het gezelschap lachte.

‘Och Moeder, gij doet ons altijd lachen,’ zei mevrouw Van den Berghe, als om genade smeekend.

‘Ja, kind, zoo ging dat in mijne jonge jaren,’ hernam Moeder, ‘en de oude deuntjes zijn de beste.’

‘Twee en twintig!’ onderbrak juffrouw Martijns, terwijl zij op iedere lettergreep drukte; ‘twee en twintig!’ hernam zij nogmaals, opdat geen enkel speler zoude kunnen klagen, dat zij te spoedig ging.

Moeder Boedaart zette haren bril fijn, doorliep met oplettendheid al de rijen harer kaarten en herhaalde langzaam en binnensmonds bij iedere rij: ‘Twee en twintig’.

‘Ik heb er weeral twee,’ bemerkte met vreugde Trees de keukenmeid.

‘Och, ik heb er nooit één,’ riep bitsig juffrouw Mimi Stockbeen; ‘'t is altijd zoo in 't spel: er moet maar een nummer uitkomen, opdat het zeker zij, dat ik het niet heb; en zij overtelde de stukjes kurk, die haar deel uitmaakten, waarna zij verklaarde, dat zij er weeral twee verloren had, en zich nog arm zou spelen.

Willem Van den Berghe zocht op zijne kaarten en nam een glaasje om twee en twintig aan te duiden.

't Is al een heel ander mensch geworden,’ fluisterde moeder Boedaart in het oor harer dochter, ‘ik heb wel gezegd, dat hij zoude veranderen.’

prepostterug  begin  verder