En inderdaad Willem was veranderd: hij was een geheel ander mensch geworden, een man volgens den wil zijner vrouw.
Dochter en moeder spreken in 't algemeen dikwijls over huwelijk, en de Boedaarts hadden daartoe tot zeven en twintig jaren tijd gehad; ook waren zij er zeer diep in getreden.
‘Een goede man, kindlief,’ had Moeder Boedaart gezegd, ‘is moeilijk te vinden; een man, die gezet is, bij zijn vrouw blijft, deugdzaam en christelijk leeft, is een schat op de wereld’
En Kind Boedaart had nagepeinsd, welke hoedanigheden zulk een goede man moest hebben, zich eenen man-modèle voorgesteld, en Willem van den Berghe was de ongelukkige, die dit ideaal verwezenlijken moest.
Van de eerste week af was zijne kleerkast hervormd.
Van losbollen had juffrouw Boedaart eenen buitengewonen afkeer, en die had zij zich onveranderlijk voorgesteld met eene klak op het hoofd, eenen korten frak, eene witachtige broek en een gekleurden halsdoek.
Ook de klak van Willem werd aan eenen straatjongen gegeven, die er al fluitend en huppelend mede heenliep, terwijl zijne andere kleedingstukken den rug van den hovenier of den bakkersgast gingen versieren.
Willem kreeg eenen langen frak, eenen grooten hoed, eene gilet met groote bloemen, een dik zakuurwerk en eenen witten halsdoek.
Zoo mocht hij des Zondags met zijne vrouw naar de mis en naar lof en vespers gaan.
‘Nu was hij ten minste deftig voor eenen dokter,’ bemerkte Moeder Boedaart, ‘die losbandige kleeding, dàt stond immers niet.’
Willem was wel niet gaarne belachelijk; maar, als men daarmede dan toch den vrede in huis kan herstellen, dan ‘in
Gods name’ had hij gezegd, en al zuchtend had hij zich met den witten das versierd.
De vrijheid van zijnen persoon had hij spoedig moeten slachtofferen; maar er was een punt, waarop de strijd langer had geduurd. Willem had vrienden van vroeger jaren; hunne vroolijkheid, hun gezelschap was zijn eenige troost in zijn ongeluk, en van 's morgens verheugde hij zich al dat hij 's avonds eenige uren de vreugde van weleer in hunnen kring terug zou vinden.
De vrouw had in het begin weinig tegenstand geboden; maar het was uitgesteld en geen verlaten werk.
Allengskens vond men, dat de man te laat tehuis kwam, en om half tien 's avonds zag men Willem huiswaarts trekken. Dan was het: ‘och! gij kunt ook geenen enkelen keer tehuis blijven,’ en ten minste éénen dag ter week moest Willem zijn gezelschap missen.
Op eens werd hij bij Moeder Boedaart geroepen.
‘Zie Willem,’ zegde zij op plechtigen toon, ‘als ik u mijne dochter gegeven heb, hebt gij beloofd, dat zij met u gelukkig zou zijn.’
‘Ja, Moeder,’ antwoordde Willem.
‘Welnu, doet gij wel al wat gij kunt om haar het leven zoet en aangenaam te maken? Hebt gij u niets te verwijten?’
‘Neen, Moeder,’ hernam Willem, en hij zoude haar zijne geslachtofferde sigaar kunnen aangehaald hebben, en zijnen witten halsdoek laten zien; maar hij had liever het tempeest af te wachten.
‘Nu, ik moet het u maar vlakaf zeggen,’ vervolgde de moeder met verontwaardiging, ‘met uwe vrouw zoo alleen te laten, haar des avonds te laten treuren, terwijl gij de koffiehuizen afloopt, het is schande, gij zult het arm meisje nog in haar graf helpen!’
Willem verschrikte zelf, dat hij een zoo diepe booswicht was.
‘Maar Moeder,’ stamelde hij, ‘ik zit den ganschen dag bij haar.’
‘Ja en gij ziet zeker niet, hoe mager dat uwe vrouw wordt: zij vergaat van dag tot dag.’
Willem zag er niets van, maar verstond, dat men hem van zijne laatste vrijheid wilde berooven.
Hij kende die wet. Hij ging naar huis en zijne vrouw ontving hem barsch; des avonds ging hij uit, en zijne vrouw was ziek gaan slapen, toen hij terug kwam; des anderen daags
was het eten niet gereed, wanneer hij des avonds zijne vrienden wilde gaan bezoeken; en altijd zag zijne vrouw stuursch en gedurig zaagde zijne schoonmoeder.
Hij moest het opgeven, en nu leeft hij volgens de wenschen zijner vrouw.
Hij staat alle dagen om acht uren op en blijft in zijnen kamerrok tot twaalf uren rondloopen: dan mag hij eens uitgaan; ‘maar op slag van één uur juist tehuis te zijn!’
Zijne vrouw heeft voor regel nooit te wachten.
Des namiddags mag hij alles doen, behalve uitgaan: dan zit zijne vrouw alleen, - behalve lezen: dan klapt hij tegen zijne vrouw niet, - behalve slapen: daar is hij nog veel te jong voor.
Voor het overige doet hij wat hem aanstaat, bij voorbeeld het garen ophouden of op de stoof passen.
Des avonds uitgaan is afgeschaft; en werken..., hij heeft het immers niet noodig?
Alle veertien dagen gezelschap!
Zijn oom, die somtijds bezoek komt geven, alhoewel mevrouw met al dat vreemd volk in huis niet om kan, klopt Willem op den schouder: ‘Gij ziet wel, jongen, dat uw oom nog zoo geen botterik was! dat is een leventje! niets moeten doen, zijn brood gewonnen hebben, als men opstaat... Ja, vriend, dat zijn zoo van die partijtjes, welke men moet kunnen ontdekken: gij zijt waarlijk met eenen helm geboren!’
Willem heeft inderdaad eene vrouw, eene schoonmoeder, een huis, twee honden en twee katten (zijne vrouw heeft er eene bij genomen, zij heeft immers geene kinderen), - en tweemaal honderd duizend frank te verwachten.
De gelukkige jongen!