terug  begin  verderprepost
[p. 187]

Acht dagen in een Duitsch pension.
Een verhaal uit het Siebengebirge.

I.
Rolandseck.

Het najaar was reeds verre gevorderd.

De dagen werden korter, de nachten koud.

Dikke nevels bedekten 's morgens de kruinen der bergen, - en op de oevers van Nonnenwerth vereenigden zich duizenden zwaluwen, die haar laatste vaarwel kwamen zeggen aan de boorden van den Rijn.

Op dien tijd van 't jaar kwamen wij te Rolandseck aan.

Rolandseck is geen gehucht, maar enkel een station van den Rijnspoorweg, waar een tiental hutten staan door visschers en schippers bewoond, - en drie hôtels - geheel den zomer, door de Hollandsche touristen ingenomen.

Ondanks Hildebrand, richt de zucht om een keitje op den Rolandstoren te rapen, of een bloempje op Nonnenwerth te plukken, jaarlijks grootere verwoestingen tusschen zijne landgenooten aan.

Met geheele families komen zij, bij de eerste schoone dagen, uit de Noorder provintiën, den Rijn afgezakt, nemen de drie hôtels van Rolandseck in Nederlandsch bezit, zoodat men er van Mei tot einde Augusti, geen kamertje vindt, dat niet door eenen Hollander bewoond, gehuurd of minstens besproken is.

Hun smaak is er overheerschend, hunne guldens geven er de wet.

Lach Hannes, de eenige koetsier uit den omtrek, kent niets boven de Hollandsche natie.

‘Beste Leute,’ zegt hij, ‘verzot op rotspartijen en wagen-

[p. 188]

ritjes. Als zij hier zijn, staat mijn paard geenen dag stil. Dan krijgt gij veel haver, he Schimmel, en Hannes goed drinkgeld?’

‘Ha ha ha’ en de luidruchtige ‘ha ha ha's’ duren een kwartier voort, totdat iedereen meelacht, en ook diep in zijnen zak schiet, om de goede luim niet te storen van zulk een opgeruimd man.

Alles draagt hier sporen van Nederlandsche deftigheid, Hollandsch fatsoen en Bataafsche beschaving. In de hôtels, eene buitengewone reinheid voor Duitschland - kellner's, welke diep buigen, stil spreken, bedaard dienen, zich Jan laten noemen en as j'blieft antwoorden, - sigarenrook het geheele huis door, - voetbankjes onder al de tafels, - witte dassen, - de Haarlemmer Courant, - lekkere thee - en slechte koffie.

't Is hier dat gij den Noordnederlander op reis 't best bestudeeren kunt.

Eerder beleefd dan vriendelijk, meer bescheiden dan uitgelaten, en altijd door fatsoenlijk, stoot hij u niet af gelijk de Engelschman, - dringt zich niet op gelijk de Franschman, - valt u niet op 't lijf gelijk de Duitsche Jood. - Gij hebt aan hem noch ongemak, noch vermaak. - Hollandsch genot is vooral inwendig.

Wij zagen er een treffend voorbeeld van.

Op het hoogste punt van den Drachenfels zit een straat-muziekant, die elken bezoeker van het oude slot met een deuntje op zijne harmonica begroet. Ziet deze speelman op de helling eenen deftigen heer opdagen, met witten halsdoek, blinkend lijnwaad, ernstig gelaat en zwaren rotting, gevolgd door twee freules, lang gekruld, blozend van kleur en stijf van taille, zoo loopt hij seffens naar een punt der rots en slaat ‘Wien Neerlandsch bloed’ op zijn speeltuig aan.

Bij zulke verrassing zou een Engelschman in een wanklinkend en schor ‘God save the Queen’ losbarsten.

Een Français zou zijnen hoed zwaaien, van verre het vaderland groeten, de Rijnboorden annexeeren en glorie met victorie doen rijmen.

Pa, met zijne twee dochters, plaatst zich recht als eene kaars voor de balustrade, en laat zijnen helderen blik langzaam en rustig rondzweven over het verrukkend natuurtooneel.

Van de muziek schijnen zij geene noot te hooren, van den speler niets te begrijpen. Doch deze kent zijn volk. Zonder

[p. 189]

de reizigers te overvallen, speelt hij stil voort, en ondervindt, bij het scheiden, hoe streelend het den Nederlander viel, op vreemden bodem door het vaderlandsch lied, onthaald te worden. De fooi staat in evenredigheid met de geconcentreerde geestdrift en het innig genoegen.

Dien zelfden muzikant stelden wij eens op eene harde proef.

Hij stond op loer, toen wij met vier Vlamingen, hijgend en zweetend, afgemat en uitgeput, meer dood dan levend, met vijf en twintig graden Reaumur en ons reispak op de leden, den Drachenfels met armen en beenen opklauterden.

De helling was steil, de zon bradend. Bij elken stap ontsnapte een dier krachtige Vlaamsche noodkreten aan onze brandende borst. Aanstonds zat de man op zijnen steenen zetel, en 't ‘Neerlandsch bloed’ klonk ons van boven tegen.

Naarmate wij echter naderden, verflauwde het Hollandsche lied, de tonen werden twijfelachtig, het Neerlandsch bloed verzwakte, en toen wij eindelijk op het toppunt geklommen, begonnen te huppelen en te springen, bravo te roepen, en elkaar in 't Fransch geluk te wenschen, hield het deuntje geheel op. De speler voelde, dat hij zich misgrepen had, en deed de oude ruïne weergalmen van de Marche der Reine Hortense.

Wij bleven koud als ijs. Geen hoed werd gezwaaid, geen vreugdekreet aangeheven. Niemand liet den kleinsten lust blijken om van den Drachenfels naar Syrie te vertrekken.

De musiker keek ons verwonderd aan. Hij begreep er niets van, en om zich niet verder te comprometteeren oordeelde hij het geraadzaam en voorzichtig het neutraal, maar afgezaagd ‘du hast die schönsten Augen’ te laten hooren.

Kon de man raden, dat als men een mengelmoes van gebrekkig Fransch met nog slechter Nederlandsch hoort spreken het oogenblik daar is om een dartele Brabançonne aan te heffen?

prepostterug  begin  verder