terug  begin  verderprepost
[p. 209]

VII.
De Laachersee.

De Berlijnsche geleerde had gelijk.

De molensteengroeven van Niedermendig, het Brohlthal en de Laachersee moeten onder de voornaamste deelen van de Rijnlanden gerangschikt worden. Hoogstbelangrijk voor de wetenschap, zijn zij niet min bemind door de natuurkenners en de Dusseldorpsche schilders.

Humboldt, Forster, Nöggerath en andere geologen hebben het land in alle zinnen doorkruist, en het vormen van het vulkanisch Brohlthal tot onderwerp hunner onvermoeibare opzoekingen genomen.

Hoe komt het inderdaad, dat daar de grond bestaat uit lava en leem, gelijk aan den voet van den Etna of op de helling van den Vesuvius?

Nergens gewaagt er het menschelijk geheugen van vuurbergen en vulkanen.

Vanwaar dan die lava? Vanwaar die turfsteen, die leem, die vreemde grond? Vanwaar dit inwendig meer, 800 voet boven den waterspiegel verheven, dat door geenen vloed gespijsd wordt, toch nooit uitdroogt, en sedert duizenden en duizenden van jaren daar onveranderd, immer hetzelfde ligt.

Een Duitsch schrijver heeft met Germaansche fantasie het tooneel beschreven, dat in de voorwereld moet bestaan hebben op de plaats, waar wij thans, op twee wagens geladen, zoo rustig over heen rijden.

‘In eenen tijd,’ zegt hij, ‘dat nog geene stad, geen dorp bestond, dat nog geen mensch ademde, dat nog geen der dieren, welke wij thans kennen, geschapen was, - maar toch ook in eenen tijd, dat reeds de Rijnvallei bestond en de bergen gevormdw aren, brandden op de plaats van het tegenwoordig Brohlthal, honderden vulkanen, die al de omstreken onder hunne assche brgroeven en 's nachts een dreigend licht wierpen over geheel de streek.’

[p. 210]

De Berlijnsche doctor kende al de stelsels der wetenschap, en wist ze met dichterlijke welsprekendheid voor te dragen.

Op een nietig plantje bouwde hij eene geheele theorie; een onbeduidend rotsstukje diende tot grond aan de geleerdste bespiegelingen.

Op zijne stem verandert de dorre en vlakke streek, welke wij van Andernach uit tot Niedermendig overvaren, en die sterk op ons Kempenland gelijkt, in een levendig tooneel. De sedert eeuwen onder dikke boomgewassen slapende heuvelen, schieten opnieuw vlammen en vuur. Uit den schoot der aarde stroomen brandende en blakende stoffen. In onzen geest wonen wij het natuurtooneel bij, dat de geleerden bestadigd of de dichters gedroomd hebben.

De Droge Rots teekent van tijd tot tijd eene gewaarwording op haar reisboekje aan. De tantjes zijn in 't geheel niet gerust gesteld over al die vlammen en dien gloed; niet dat zij benauwd zijn, maar enkel wegens Neef Dietrich, die zoo eens in een cataclysme moest vergaan!

Maar toen wij aan de steengroeven kwamen, was het een ander tooneel. Dietrich wilde met ons in de mijnen gaan, en de twee tantjes verstonden niet zijne gewaande weeke borst aan de ijskoude lucht der onderaardsche kelders bloot te stellen. Om te eindigen wierpen zij hem al wat zij zelven om hadden, op het lijf: eenen zijden mantel op de schouders, eenen dikken shal om den hals, eene Schotsche plaid over het alles, en zoo ingebusseld als een Hottentot, werd Dietrich onder duizenden aanbevelingen, naar onder gelaten.

In die groeven worden de molensteenen gehouwen en de tuf gegraven, welke gemalen en met kalk gemengd den tras vormt, waar wij onze kelders mede droog houden, en die bij de waterwerken der geheele wereld wordt gebruikt.

De luchtgesteltenis daaronder is bestendig dezelfde, en daar men in de heetste dagen dikwijls in de diepte ijs vindt, worden de verlatene mijnen tot bierkelders benuttigd. Dertig, veertig brouwerijen in den omtrek opgericht, vullen die bewaarplaatsen gestadig aan, en 't is vandaar dat wij het koel en frisch Niedermendigerfelsenbier ontvangen.

Dit gevaar hadden de tantjes niet voorzien. Zoover kenden zij haren neef niet en wisten niet, welke kennis zijn bedaard uiterlijk bedekte.

Eens in den rotskelder trad Dietrich op als een volmaakt

[p. 211]

bierkenner. Hij proefde aan alle vaten, keurde ieder brouwsel, en beoordeelde naar degelijke ondervinding elke soort.

De brouwersgasten namen hunne klak af voor zijn talent; maar toen hij boven kwam beving hem de warme lucht. Het sterke bier liep hem naar 't hoofd.

Lieber neef begon te flikkeren en te dansen, te springen en te jubelen, zong van de schöne Mädchen en den zoeten wijn, en eindigde met zijne tantjes den zijden mantel over het hoofd te werpen en ze rond te draaien in eenen dwarrelenden wals.

Mevrouw Stuyp gilde, Jetje weende, de Justitieräthin dreigde in zwijm te vallen, de Droge Rots en Othilie wendden lofwaardige pogingen aan om de zusterkens onder den mantel uit te halen, terwijl wij met ons drieën al de moeite der wereld hadden om den teeren en zwakken Dietrich bij zijnen frak te vatten, weder in het rijtuig te krijgen en de reis voort te zetten.

De weg van Niedermendig blijft nog eenen tijd treurig en eentonig, het landschap kaal en naakt. 't Gelijkt meer dan ooit het Kempenland met zijne onafmeetbare vlakten en zijn aldoordringend stof.

Op eens opent zich een dal, en daar, aan uwe voeten, in de diepte, te midden van frissche wouden en weelderig boomgewas, rust ongerimpeld en glad als een spiegel, de donkere Laachersee.

Het onverwacht tooneel trof elk van ons. Wij richtten ons op in den wagen, en Dietrich zelf, eindelijk uit zijnen slaap gewekt, liet luidruchtige wunderschön's, reizend's, prachtvoll's hooren.

Ja, de Laachersee levert voorzeker een der meest woeste en tevens aangrijpende tooneelen op, welke men droomen kan.

Verbeeldt u eene sombere watermassa, twee uren breed en lang. Aan alle zijden hooge bergen. Op de oevers niet het kleinste huisje, niet de nederigste hut. Niets dat aan het bestaan van den mensch herinnert. Overal het ondoordringbaar woud, dat zijne laagste takken tot in het water baadt.

Alleen aan eenen kant de bouwvallen eener verlatene Byzantijnsche kerk, met grauwe torens en sombere wanden, als een verschijnsel uit eeuwen, die lang verloopen zijn.

In het schuitje, dat ons rondvaart, het eenig vaartuig op geheel het meer, heerscht plechtige stilte. Geen kreet, geen

[p. 212]

woord, geen zucht. Wij zitten als biddend nevens elkaar.

Het potlood der Droge Rots blijft haar roerloos voor de lippen hangen. De professor vergeet zijne theorieën, de Frau Justitieräthinn haren dominé. Het lachend gezichtje van Jetje draagt sporen van ernst en indruk.

Aan den achtersteven staat de schoone Othilie, hoog van gestalte, slank van leden. Het koeltje speelt haar in de blonde lokken, en den stouten blik verre vooruit op het meer gevestigd, schijnt zij de Sylphe der Laachersee te zijn.

Edward zit aan hare voeten in bewondering verzonken.

‘Wie zal haar ooit genoeg kunnen liefhebben, beminnen, aanbidden?’ fluistert hij mij toe.

‘'t Is de toovergodin, die verrukt, begoochelt, verleidt, maar geene liefde schenkt,’ waarschuw ik stil.

Hij hoorde mij niet meer. Reeds had de geestdrift hem overmeesterd. 't Is voortaan geene vriendenstem meer, die zijn hart nog treffen kan.

prepostterug  begin  verder