terug  begin  verderprepost
[p. 215]

X.
Het ongeval van vriend Edward.

Voor óns had dit uitstapje erger gevolgen!

Den armen Edward kreeg ik geheele dagen niet meer te zien. Hij hing letterlijk aan de voetstappen van Fräulein Othilie. Zij reden samen uit, hielden samen berg- en rotspartijen, gingen samen bloemen plukken en planten zoeken; Fräulein Othilie beminde, zoo zij zegde, de botanie en droeg zeer bevallig een blikken kruidbusje aan een groen lint.

Van dergelijke tochtjes kwam Edward terug met een bosje wilde reseda in het knoopsgat, dat hij voor geen ridderkruis zou verwisseld hebben, en zat geheele avonden bij de piano, terwijl Othilie met verrukkende stem de Duitsche volksliederen zong, die meesterstukken van zachten weemoed en teedere droomerij.

Zij schenen slechts nog voor elkander te leven.

‘Edward,’ zegde ik hem op eenen avond, dat wij bij helder maanlicht een wandelingtje maakten door een der eenzame valleitjes, die door het Siebengebirge heenkronkelen, ‘ik ben gelukkig u eens te bezitten.’

‘Gij schijnt de oude vrienden geheel te vergeten,’ voegde ik er half lachend bij.

‘Hoe kunt gij zulks denken, mijn beste Willem? Zijt gij niet mijn schoolmakker, de vriend mijner kindsheid, de vertrouweling van al mijn lief en leed?’

‘Gij toont het in alle geval weinig,’ hernam ik meer aandringend. ‘Geheele dagen laat gij mij alleen rondzwerven, om ik weet niet wie achterna te loopen.’

‘Welnu ja,’ hernam hij, en het maanlicht wierp door de bladeren heen, zijnen bleeken glans op het schoon en bezield gelaat van den jongen kunstenaar; ‘welnu ja - ik bemin haar, uit al de kracht mijner ziel, met al het vuur eener eerste

[p. 216]

liefde. Ik aanbid haar gelijk nooit eene vrouw aanbeden werd, en gelijk zij alleen eene aanbidding waardig is.

“Maar Edward,” poogde ik te bedaren, is het geene begoocheling, die u misleidt? Die prachtige natuur, dit eenzaam buitenleven, het schoone, dat ons omringt, geeft dit niet aan alles eenen glans, welken de wezenlijkheid niet bezit?’

‘O neen!’ riep hij ontzet. ‘Van het eerste oogenblik, dat ik haar zag, klopte mij het hart. Ik trachtte die gedachte te verwerpen als eenen voorbijsnellenden indruk. Ik heb gekampt, geworsteld; elken dag voelde ik mij sterker vastgeketend. O, de ware liefde alleen heeft zulke macht!’

Ik had nauwelijks moed tot spreken; maar de plicht dwong.

‘Arme jongen,’ hernam ik, na eenige oogenblikken stilte, weet gij dan niet, wat men van dit meisje verhaalt? Hoe zij er genoegen in schept aan elken jongman te behagen, zonder ooit iemand te beminnen.

‘Othilie! Othilie!’ was al wat ik uit Edward krijgen kon.

De jonge kunstenaar, met zijn gevoelig gemoed, was in den strik gevallen met al de begoochelingen van een jong en onervaren hart.

Zijne eerste kunstreis werd zijne eerste proef van 't leven.

Ik wist, eilaas, reeds wat den armen jonkman te wachten stond.

Toen wij voor de avondwandeling uitgingen, had ik Fräulein Othilie in den tuin vinden staan, in druk gesprek met een jeugdig student uit Bonn, en wanneer wij in het pension terugkwamen, was het dartel meisje vertrokken, zonder Edward de hand te drukken of eenen afscheidsgroet te geven.

De schitterende Schmetterling was heengevlogen.

Arme Edward, goede jongen!

Hoe aandoenlijk was zijn leed! Hoe vloeiden hem de bittere tranen uit de oogen! Hoe rechtzinnig was zijne smart!

Met welke teedere zorg verzamelde hij de plantjes en bloempjes, verdorde herinnering zijner eerste liefde!..

Geen woord van smaad, geene schaduw van verwijt hoorde ik ooit uit zijnen mond.

Othilie, gij weet niet, welk hart gij hebt gefolterd en versmaad!

's Anderen daags bij vroegen morgen verlieten wij het pension.

Dikke dampen, ondoordringbare nevels bedekten geheel de streek. Van het Siebengebirge was geene kruin zichtbaar.

[p. 217]

Van het stadje Honnef kon men den kerktoren niet ontwaren.

Stilzwijgend namen wij plaats in het bootje, dat ons acht dagen vroeger overbracht en nu terugvoerde naar den anderen oever van den vloed.

Op eens drong de morgenzon door den grauwen nevel. Een straal viel op den Drachenfels en verlichtte, te midden van den donkeren mist, het verwoeste slot met zijne holle vensters, afgeteerde wanden, gevallene torens, dat als een spookachtige gevaarte schijnt te zweven in de lucht.

Van uit het bootje aanschouwde ik een oogenblik dit tooverachtig tooneel.

Onwillekeurig schoten mij de tranen in de oogen. Ik dacht aan den lijdenden Edward, aan zijn duister gemoed, aan zijn verbrijzeld hart.

prepostterug  begin  verder