Venetië slaapt te midden der Lagunen.
Geen gondel rimpelt het meer, geen lichtje glimt op het Canale: de Slavonische kade is eenzaam en verlaten, de levendige Piazzetta doodsch en duister, maar op het San Marcoplein schitteren honderden lichten, krioelen honderden menschen, verheffen zich duizenden klanken van muziek en gezang, gewoel en gejuich.
De schoone bruid der Adriatische Zee slaapt; maar haar hart klopt sneller, haar boezem jaagt feller dan ooit.
Het slaat middernacht, het leven op San Marco is in zijnen vollen gloed.
Onder de gaanderijen der Procuraties is het eene aaneenschakeling van heerlijke winkels, waar koraal en diamant op de toonbank fonkelen, van rijke koffiehuizen, waar goud en spiegels het gaslicht opvatten, weerkaatsen en in het oneindige vermenigvuldigen.
Het slaat middernacht, en alom klinkt de muziek in levendige akkoorden.
Het slaat middernacht, het koele windje waait, en Venetiaan en vreemdeling komen op de breede Piazza genot en verkwikking zoeken na de drukkende hitte van den dag.
Voor al de koffiehuizen zitten ontelbare ijsverbruikers en limonadedrinkers; doch geen, dat meer bezoekers heeft dan het oude Café Florian.
Reeds vermaard in de vorige eeuw als de vergaderplaats van den Venetiaanschen adel, is het nog heden het geliefkoosd plekje van al wat Venetië aan personen van naam en aanzien telt.
Wij vonden, dat ook daar onze plaats was, en hoewel onze kleeding menig spoor van regen en onweer droeg, en onze reishoeden meer van vermoeienis dan van elegantie getuigden, zaten wij te midden der schoone en rijke heeren, statig ons sigaartje te rooken, even ernstig als twee patriciërs, even fier als twee Dogen der oude Republiek.
Kleinhandelaars en muzikanten, bloemenmeisjes en zangers volgden elkander in bonte rij op. Reeds een tiental keeren hebben wij den Trovatore en de Traviata van Verdi, den geliefden zanger van het Italiaansche volk, gehoord op bas en viool, fluit en hobo, maar altijd uitgevoerd met eene levendigheid, eenen brio, waar wij in het smachtend en slepend, maar vooral zagend Noorden, geen denkbeeld van hebben. Eindelijk kwamen zich twee vrouwen, eene oude Italiaansche met gerimpeld geel gelaat en een jong meisje, voor het koffiehuis plaatsen.
‘Marietta! la bella Marietta!’ klonk het uit aller monden.
‘Il fiore di Venezia,’ bevestigde een Italiaan, die ons verwonderd zag opkijken.
Die verschijning bracht eene geheele opschudding teweeg.
De leurders in frutti canditi staakten hunne schelle kreten, de gondolieri, die op de marmeren trappen uitgestrekt lagen, rezen op, de kinderen, die gilden en sprongen, snelden toe, en de bigalante en waterdraagsters met hare vuurroode halsdoeken, de acquaiolo's met hunne stroohoeden, de bloemenmeisjes met hare lichte lijfjes en levendige gezichtjes, de schippers en visschers met hunne sombere trekken en bruin verbrande beenen, vormden aanstonds eenen schilderachtigen kring rondom het bloempje der Lagunen.
O! zij verdiende het wel, de schoone Marietta, Marietta de bloem, maar eene bloem van het Zuiden, door de zuiderzon verzengd, met warme kleuren en fluweelen tonen, lange wimpers en groote zwarte oogen, waaruit beurtelings de opgewondenheid van den wellust straalde, of het vuur der woeste drift zijne vlammen schoot.
Een donker tooisel omgordde hare slanke leest; maar boven het gladde, blanke voorhoofd, tusschen de gitzwarte lokken, schitterde eene gouden ster, la Stella d'Italia, het zinnebeeld van het herboren Italië, die des te meer geestdrift verwekte, daar zij nog maar onlangs boven den gezichteinder verschenen was.
De menigte schaarde zich op eerbiedigen afstand, wanneer
het meisje vooruittrad, en een gesmoorde kreet van bewondering ging op, toen zij haren ronden gespierden arm in de hoogte hief, en hare fijne vingeren liet glijden over de snaren der mandolien.
Marietta was de gevierde zangeresse van de Venetiaansche volksvreugde. De blauwe hemel en het schitterende meer, de zilveren stralen der maan en de vroolijke tochten der gondolen, de levendige feesten op den Lido en de zachte mijmeringen op de Lagunen, werden achtereenvolgens bezongen in haar verrukkend lied, en wanneer zij hare barcarolla eindigde met den groet aan de geliefde geboortestad:
gloeiden al die bruine aangezichten van geestdrift voor het gezegende Venetië, en herhaalden alle harten den eed, de beminde stad nooit te verlaten.
O, het is op zulke oogenblikken dat men het Italiaansche volk, dat hoop en levenslust aan smart en weemoed wist te paren, naar waarde schatten leert!
Dan begrijpt men die warme vaderlandsliefde, welke alle beproevingen overleefde; dan verstaat men, hoe na elken nederlaag, het woord van een redenaar, het lied van eenen dichter voldoende was om nieuwe strijders op te roepen en nieuwe martelaars te doen vallen; dan bewondert men het heldhaftige Venetië van 1849, dat verlaten van geheel Europa bespot door de reactie, gevloekt door de zegevierende dweperij door den hongersnood geteisterd en door de cholera verwoest, aan al dien haat en aan al dien hoon, aan al die vervloekingen der menschen en al die geesels des hemels weerstand bieden dorst.
Bij de eerste tonen van Marietta's lied waren wij opgesprongen, hadden de deftigheid van het Café Florian afgeschud, en stonden met ons gehavend reispak tusschen de visschers en schippers - een bonte schakel te meer in de keten van bewonderaars, die het schoone kind omringde en beschermde.
Op de barcarola volgden andere volksliederen, die aan de oude overleveringen of het grootsch verleden herinnerden. Zij gewaagden van de overwinningen in het Oosten, van de reuzenstrijden tegen de Turken en van de zegevierende Venetiaansche vloot, die al de schatten van Oost en West
onder hare wimpels voerde. Overal vonden hare zangen geestdriftige toejuichingen, en wanneer zij met heldere stem en glanzend gelaat, als vaarwel de Hymne van Garibaldi aanhief, en die wraakkreet van eene lange onderdrukking over het plein weergalmde, klonk het fuora d'Italia uit aller mond en werd door vrouwen en mannen, door dames en kinderen herhaald en in koor begeleid.
De menigte was grooter en grooter geworden, het getal volgelingen van Marietta tot een legioen aangegroeid, en toen zij de Piazza verliet, wierp zich eene schaar bewonderaars op hare vlugge stappen.
De smalle steegjes en plaatsjes, de straatjes en bruggen, de canalen en canaletto's dreunden van duizenden ‘Viva Marietta!’ en wij, Noorderlingen door de geestdrift van dit volk medegesleept, stonden tot bij den morgen, met de hoeden te zwaaien, te roepen en te juichen voor het lage en smalle poortje, waarachter de betooverende zangeres verdwenen was.