Wij hebben er - bij de behandeling van ‘het krankzinnige kwartiertje’ van het Nederlandse Elftal reeds van gewaagd, dat al spelende, geleidelijk aan, een toestand van exaltatie en van extase werd bereikt, een toestand van inspirerende vervoering, welke de nauwkeurigheidsdrang aanwakkert en het nauwkeurigheidsvermogen doet toenemen.
Wij weten, dat er in de sportwereld lieden worden aangetroffen die zich, vaak alleen op grond van hun meerdere leeftijdsjaren, de functie van raadgever hebben toegemeten en die het bovenstaande je reinste ketterij noemen.
Exaltatie, extase, vervoering, opwinding, geënerveerd zijn, kortom alles wat op verhoogde spanning wijst, is voor hen nervositeit. En nervositeit is volgens hen juist een felle aanvechtster, een aanrandster, een ondermijnster van de nauwkeurigheidsdrang en van het nauwkeurigheidsvermogen.
Zij prediken kalmte.
Slechts kalmte kan je redden!
Wij hebben zo'n adviseur bij een grote sportgebeurtenis zelfs in de weer gezien met Hoffmann-druppeltjes, een kalmeringsmiddel, hetwelk de moraal van den athleet als het ware ontmande.
Vervoering, spanning, emotionaliteit, geënerveerd zijn, .... het is nervositeit enne.... dat is ketterij.
Nervositeit is voor hen de felste ketterij in de sport!
Doch zij onderscheiden niet, zij zien geen verschil. Zij weten niet, dat er een superieure nervositeit en een inferieure nervositeit in de sport bestaat.
De inferieure is de gewone platte burgerlijke zenuwachtigheid, bijvoorbeeld die van de juffrouw, die alles uit haar handen laat vallen als er ‘hoog bezoek’ op komst is, deze nervositeit is de zenuwachtigheid der verwarring, der angstige verwarring, de nervositeit der intimidatie, de nervositeit der bedremmeling.
Vervoering, spanning, is de superieure nervositeit, de bezielende nervositeit, de scheppende nervositeit, de nervositeit, welke levendigheid van geest verwekt, welke de waakzaamheid verscherpt, kwikzilverachtige reacties te weeg brengt, de daadkracht verhoogt mede doordat - en daar komt het weer!.... doordat zij de nauwkeurigheidsdrang aanwakkert en het nauwkeurigheidsvermogen doet toenemen.
De inferieure nervositeit doet den athleet in de strijd velerlei domme dingen begaan, hij zondigt bijvoorbeeld op het gebied der taktiek en technisch is hij zeer onzeker. Maar de superieure nervositeit, de nervositeit der spanning, deze prikkelt de intelligentie, zij maakt de geest vaardig en zuivert het kunnen.
En nu is stellig dit merkwaardig, dat een man als Nurmi op dit punt evenmin onderscheid wist te maken. Doordat hij last had van de gewone platte burgerlijke zenuwachtigheid (de inferieure nervositeit) meende hij ook ‘last’ te hebben van de athleten-nervositeit. Hij zag geen verschil tussen de superieure en de inferieure.
Want hij zei het volgende: ‘Mijn zwak - als athleet wel te verstaan - is mijn nervositeit.’ En daar liet hij nota bene op volgen: ‘Ik ben nogal gevoelig geweest en tot op de huidige dag bloos ik bij de geringste aanleiding.’