Eind 1920 was hij uit Amerika teruggekeerd en begin Maart 1921 ging hij er weer heen.
‘Ik snap niet, dat je er niet gebleven bent,’ zegt een van de Hollandsche renners, die 't hier in Holland 'n ‘dooie rotzooi’ en ‘niks gedaan’ vindt.
‘Zoo!’ antwoordde Moeskops, ‘vind jij het hier niks gedaan! ... man! zwijg toch, je weet niet hoe goed het hier is.’
Hij maakt er zich nijdig om. Wat weet jij van de wereld af, bijt hij het rennertje toe. Ik ken nou België, Frankrijk, Duitschland, Italië en Amerika, maar er gaat geen land boven Holland. Er zijn 'n massa klieren en dooie dienders hier in Holland, ze zijn hier stinkend eigenwijs, vitterig, peuterachtig en hebben 'n idioot respect voor alles wat buitenland en buitenlander is, ga voor mijn part te keer tegen de Hollanders, maar zwijg over Holland, want Holland is een heerlijk land.
Moeskops zit op zijn stokpaardje.
Holland! ... O! als hij in den vreemde is, als hij daar in dat verschrikkelijke Amerika zit, ‘dan zou hij wel zijn handen vooruit willen steken en zijn land willen grijpen’.
Waarom is hij nu teruggekomen? Hij kon er toch blijven? Maar hij moest terug. Hij is er heen gegaan voor het geld en hij gaat er weer heen, en nog eens en later nog eens, ... om het geld. Dat is ook net het eenige in Amerika: geld. Maar voor de rest ... Neen, hij moest terug. Hij had er nooit aan gedacht, dat hij, de groote sterke onverschillige kerel, zoo zwak zou kunnen zijn; dat hij heimwee zou kunnen krijgen. Hij had ook niet geweten, dat hij het had. Hij was niet ziek geweest en lichamelijk was hij in beste conditie, maar toch had hij het gevoel, dat er iets niet in orde was. Hij wist niet wat hem mankeerde en toch scheelde hem wat. Eens attrapeerde hij zich zelf toen hij op een wandeling 'n tijdje had stil gestaan en hij had staan peinzen. Waar had hij aan gedacht? Hij wist het niet. Anders was hij toch nooit zoo abstract.
Een van de Amerikaansche renners noemde toen het woord: ‘Je bent home-sick,’ zeide deze hem. ‘Dat worden er hier zooveel in Amerika.’
En toen was het hem duidelijk geworden: ja! dat zou het zijn, hij was home-sick, hij had heimwee.
En daarom was hij niet gebleven en was hij direct nadat hij zijn reeks contracten had afgewerkt, naar huis en naar Holland gegaan. En nauwelijks thuis had hij den blauwschimmel van zijn vader ingespannen en was hij er in de brik op uitgegaan. Hij reed
het Westland in en liet den Argentiniër met veel bloed, draven op de smalle wegen achter de duinen waarop hij als jongen gedraafd had. En hij had er gesproken met de oude vogelvangers en de stroopers en hij was de duinen ingegaan en was in de struiken gaan liggen en had naar de konijnen gekeken en naar de bonkige wolken en naar de zeilende visschersschepen in zee ...
Hij was als de kievit die naar zijn geboorte-kuiltje was teruggekeerd.
‘Waar kon je beter dan in Holland zijn.’
Toen hij weer ‘een frisschen neus’ had gehaald en van den zilten Noordzee-wind doortrokken was, ging hij weer op tournee. Nu kon hij er weer tegen.
Midden Maart is hij weer in New York en er is nu in Europa veel meer belangstelling voor zijn Amerikaansche reis.
Want Spears, in Europa teruggekomen, had in een persgesprek over Amerika gesproken en er de aandacht op gevestigd, dat hij weliswaar zeer snel was geweest, maar dat er daar in Amerika waren die hem hadden geklopt.
Arthur Spencer en Eaton bijv. waren minstens zoo snel als hij maar ooit geweest was en als Moeskops het tegen hen kon bolwerken dan beteekende dat, dat de Hollander de beste van de heele wereld was.
Toen kwamen de berichten. Moeskops heeft Mac Namara geslagen, en Goullet, de gebroeders Bedell, Lawrens en Piani, Grenda, Magin, Eaton, Kramer, Willy en Arthur Spencer.
Ja, hij had het immers zelf gezegd; hij was stellig twee lengten sneller geworden.
Op zekeren dag heeft hij het over zijn hooge versnellings-theorie en van dat praatje kwam een grapje.
‘Te hoog! ... wat is te hoog? ... ik maak me sterk, dat ik met een nog hoogere versnelling kan winnen.’
Hij heeft den volgenden dag een match à trois te rijden met Piani en Willy Spencer en hij geart zijn machine met 112 inch. Hij wint achter elkaar twee ritten en daarmede de geheele match en rijdt de laatste 200 Meter van den kop af in 11,8 sec. en dat met zoo'n ‘idioot’ hooge versnelling op zoo'n klein baantje.
Hij kan alles! zeggen de Yankees.
En dat zegt ook de Duitscher Lorenz die terzelfder tijd in Amerika was en nu, terug in Duitschland, aan journalisten van zijn Amerikaansche ondervindingen vertelt en daarbij gewaagt van het verbluffende meesterschap van den Hollander.
Hij voelde zich in top-conditie en hij had er vertrouwen in, dat hij iedere ontmoeting, iederen wedstrijd, welken hij wilde winnen, ook kon winnen. Dus ook het Wereldkampioenschap.
Daar piekerde hij over. Want ook nu in 1921 zou hem dat immers ontgaan. Hij had toch met Chapman een contract aangegaan voor 25 wedstrijden te verrijden tusschen 1 April en 1 September. En begin Augustus zouden te Kopenhagen de Wereldkampioenschappen worden verreden. Dan zou hij dus nog in Amerika zitten.
Ai! ... als hij eens van dat contract kon afkomen.
Zou hij er met promotor Chapman over praten?
Och! hij kende dat heer.
Geld, niks dan geld. All right! zou hij zeggen, geef me maar zooveel dollar. Chapman was een zwaard zonder genade.
Waarom zou hij nu ook niet genade-loos zijn.
Hij zou maar kalm afwachten; Chapman, die zich alleenheerscher voelde, zou vandaag of morgen wel een domme machtstreek begaan.
En 31 Mei ‘speelde het stuk’.
Chapman had hem ingeschreven voor een koppelwedstrijd over 50 mijl.
Moeskops verscheen niet aan den start.
Chapman stelde zich aan; was woedend en dreigde vervaarlijk.
Je hebt contractbreuk gepleegd en nu zal je bloeden, riep hij Moeskops toe.
No Sir, antwoordde Moeskops laconiek, U hebt contractbreuk gepleegd.
‘Ik!?’ gierde Chapman verbaasd.
Ja, U! Ik ben geëngageerd voor matches en open wedstrijden, voor individueele wedstrijden dus, doch niet voor koppelwedstrijden en nu U het contract geschonden heeft, ben ik er van af.
Chapman maakt erg veel misbaar en bezwoer hem wel te zullen krijgen. En hij vroeg ook bij de Union Cycliste Internationale disqualificatie aan.
De wereldbond stelde zich ten deele op het standpunt van Moeskops en tot een schorsing is het niet gekomen.
Moeskops had maar meteen de boot genomen en half Juni was hij in Europa terug.
Nu had hij maar poolshoogte te nemen hoe het hier inmiddels met de concurrenten in Europa was gesteld.
Er waren er drie, die als concurrent aandacht verdienden en dat waren Sergent, Spears en Kaufmann.
Hij wachtte even met het afsluiten van contracten, doch beet aanstonds toe toen hij wist, dat juist deze drie zijn tegenstanders zouden zijn. Hij kon hen nu vooraf, voor de groote gebeurtenis, even toetsen.
Eind Juni matcht hij eerst (al deze ontmoetingen hadden plaats in het Stadion te Amsterdam) tegen Leene, die een week te voren
den Franschen-Italiaan Mori en den Franschman Dupuy had geslagen en hij maakt het kort. Er zijn geen drie ritten noodig. Moeskops wint tweemaal achtereen vlotweg.
En dan 30 Juni rijdt hij tegen Kaufmann en den Belgischen kampioen Dhossche, die niet meetelde.
In den eersten rit dwingt Moeskops Kaufmann de leiding te nemen. Hij blijft achter den Zwitser tot op 80 M. van de streep, valt dan aan en wint. Niks eenvoudiger dan Kaufmann te slaan, zegt hij, zooals wij later uitvoeriger zullen vertellen.
In den tweeden rit toetst hij Kaufmann op andere wijze. 't Kan immers zijn, dat hij door toedoen van derden, indien hij Kaufmann in het Wereldkampioenschap tegenover zich zou krijgen, eerst later tot den aanval zou kunnen, overgaan. Daarom nu maar eens geprobeerd of hij hem kon laten gaan tot hoogstens 40 M. van de streep. Daar valt Moeskops aan. Hij vliegt op Kaufmann toe en ligt in eens gelijk met hem. Ja, zóó gaat het ook nog. Hij zit er zóó aan te denken, dat hij eenige Meters voor de streep gaat opzitten, waardoor Kaufmann met handbreedte wint.
In den derden rit past hij zijn theorie van rakelings passeeren toe.
Hij wint met volle lengte. De Zwitser is zoo geschrokken van dat rakelings passeeren, dat hij beweert geduwd te zijn. Zijn protest wordt niet toegewezen; er is per sé niet geduwd zegt de Jury, hij heeft je niet aangeraakt.
Dan vraag ik revanche aan Moeskops, zegt de Zwitser.
Mij best! antwoordt Moeskops.
Zij rijden over en de Hollander wint gedecideerd.
Wel verliest hij een week later tegen Kaufmann, maar toen was zijn fiets defect en reed hij op een geleende machine.
Hij wist het echter zeker, voor den Zwitser behoefde hij niet bang te zijn. Och wat! Hollandsche bladen hadden geschreven, dat Kaufmann sterker was, ‘Moeskops kon niet tegen den langen spurt van Kaufmann’.
Op den Vijverberg hield hij er ons over aan.
Heb je dat gelezen? 't Is om je een spierverrekking te lachen. Mijn spurt is dus te kort. Kon Kaufmann maar korter spurten! Zijn lange spurt is juist zijn zwakte. En dan herhaalt hij het nog eens. Niemand is zoo eenvoudig te slaan als Kaufmann.
21 Juli klopte hij drie maal Spears en Peyrode, elken rit anders rijdend, om zeker te weten, dat hij kon winnen uit elke positie, en dan 28 Juli toetst hij bij de klassementsspurts in een koppelwedstrijd Sergent, die het niet verder dan zijn trapas kan brengen.
Drie dagen later is hij op reis naar Kopenhagen, waar hij voor de eerste maal het wereldkampioenschap wint.
De Ordrupbaan te Charlottenlund, waarop het Wereldkampioen-
schap verreden wordt is oud en dus van verouderd model. Zij is van cement, heeft voldoende breedte maar weinig opgehoogde bochten. Toch is het voor den sprint, een regelmatige baan.
Moeskops oefent wat en laat zich uit de bocht zakken. De bocht is te flauw om te plongeeren. Het gevaar, dat er een van het hek omlaag zal schieten is niet groot. Het zal dus wel een vlakke effen wedstrijd worden.
Zaterdag, 10 Augustus worden de series verreden. Hij heeft het tegen den Deen Olsen en den Franschman Poulain niet zwaar en met hem winnen hun series nog de Deen Ellegaard, de Italiaan Moretti, de Australiër Spears, de Belg Degraeve, de Hollander Leene, de Zwitser Kaufmann en de Franschman Sergent. De herkansing wordt gewonnen door den Franschman Louet (die zijn landgenoot Dupuy en de Belgen Dhossche en Jean Louis slaat), waardoor zich ook nog Louet in de halve beslissingen plaatst.
De wedstrijd-commissarissen van den Wereldbond houden er rekening mee, dat twee Franschen en twee Hollanders aan bod zijn en regelen het zoo, dat de landgenooten in den halven eindstrijd niet tegen elkaar uitkomen.
Zij deelen de halve beslissingen als volgt in. Moeskops krijgt Degraeve en Moretti tegenover zich: Spears heeft af te rekenen met Louet en Ellegaard (als titelhouder krijgt Spears volgens usance den lichtsten rit) en Kaufmann moet het uitvechten tegen Sergent en Leene.
Evenals hij had gedaan tegen Olsen en Poulain, (die na een periode van rust weer op de wielerbaan was verschenen) scheidde hij ook nu zijn tegenstanders door tusschen hen in te kruipen. Moretti ging voorop en Degraeve zat aan het wiel van Moeskops. Na de bel, toen nog ongeveer 300 M. gereden moesten worden, vloog Degraeve naar voren. Het sterke wantrouwen van Moeskops ten opzichte van Moretti deed hem voorzichtig zijn. Bleef hij achter den Italiaan, dan zou deze Degraeve wel achterna gaan maar ... niet hard genoeg en dan zou Moeskops er op het laatste moment net niet meer kunnen komen. En ging hij zelf Degraeve achterna, dan kroop Moretti achter hem, gebruikte hem als gangmaker en zou dan in de laatste meters een fellen aanval kunnen doen. Het zaakje sloot als een bus; die twee hadden het aardig bekeken. Er viel niets aan te doen; Moeskops moest Degraeve achterna. Maar hij zou nu meteen de kracht van Moretti breken. Liep hij geleidelijk op Degraeve in, ja! dan zou hij voor gangmaker van Moretti spelen. Doch hij moest het nu op zoo'n manier doen, dat Moretti geen kans had zijn wiel te houden en dus geheel op eigen kracht zou moeten volgen.
Het kost ons vele regels en dus minuten om deze tactische overweging te schetsen, doch het brein van den geroutineerden renner
en tacticus heeft er zelfs niet 1/5 seconde voor noodig. De tacticus overziet de geheele situatie ineens. Het beeld staat plotseling scherp gefixeerd voor hem.
En Moeskops zette zoo geweldig aan toen hij Degraeve navloog, dat de Italiaan los raakte en al zijn kracht moest geven om weer bij Moeskops te komen juist op het moment, waarop deze Degraeve passeerde. Moretti had dus ook zijn volle portie werk gehad en Moeskops wist nu de kracht van Moretti te hebben gebroken.
Hij wachtte den aanval van den Italiaan rustig af doch toen deze de geheele laatste bocht achter hem was gebleven, versnelde Moeskops weer op het laatste rechte eind. Moretti had niet meer de kracht gehad om van zijn wiel naast hem te komen.
Spears had het tegen Louet en Ellegaard niet moeilijk, maar Kaufmann had het kwaad en werd door Sergent geslagen. Leene had hem gehinderd werd beweerd. De Jury besloot echter niet tot overrijden en Sergent werd als winnaar gehandhaafd en zoo werd dus de beslissing uitgevochten tusschen Moeskops, Spears en Sergent.
De Hollander had dus twee renners tegenover zich wier kracht in een gansch verschillende methode school.
Sergent was de man van demarreeren, afstoppen, weer demarreeren, weer afstoppen en Spears de man van den gelanceerden spurt en een die concurrenten vóór zich moest hebben. Deed hij de tactiek van Spears falen, door bij hem te blijven, dan zou Sergent wegvluchten. En liep hij gelijk met Sergent mee, dan kreeg hij tegen diens tactiek te vechten, terwijl Spears dan volgens diens geliefde methode kon naderen.
Voor dat hij aan den start ging stond het verloop van de race Moeskops reeds levendig voor den geest. Er was voor hem maar één weg. Eerst de kracht van Sergent breken en dan die van Spears.
Geheel volgens verwachting liet Spears zich afzakken; hij liet zijn concurrenten een paar lengten voorsprong nemen. En Sergent ging voorop om, als Moeskops naar Spears zou omkijken, met een ruk te vertrekken.
Deze positie bleef onveranderd tot na de bel. Nog even wachtte Moeskops. Hij had er zoo het gevoel van, dat Sergent in het midden der voorlaatste bocht zou demarreeren. En dan zou op hetzelfde moment Spears komen aanvliegen. Hij moest Sergent voor zijn. En bij het ingaan van de voorlaatste bocht vloog Moeskops met een ontzaggelijken aanzet langs Sergent heen. Hij spurtte meteen door en nam eenige lengten voorsprong op Sergent, die totaal verrast was. Onder den arm doorkijkend zag hij Spears komen. Even spurtte hij nog door, maar toen hij zag, dat Spears Sergent passeerde, wendde hij geen kracht meer aan. Ziezoo, Sergent was al
geslagen, want die lag nu derde en zou op het laatste moment twee tegenstanders moeten passeeren, waartoe hij natuurlijk niet in staat was.
Nu Spears nog.
Hij zag hem komen en door in te houden, ontnam hij hem den prikkel van een renner voor zich te hebben. Hij liet hem bij zich komen en toen Spears in de laatste bocht naast hem lag, begon hij weer uit volle macht te spurten. Spears lag een moment met hem gelijk, maar op het rechte eind gaf Moeskops zulke vervaarlijke duwen, dat hij een halve lengte voorsprong nam om die tot de streep toe te behouden. Sergent had geen aansluiting meer kunnen krijgen en was derde.
Moeskops was Wereldkampioen!
Even was het stil op de baan. De Denen, alhoewel zij de Hollandsche renners toch gaarne mogen, hadden het op Spears gehouden en toen zij den Australiër hadden zien naderen en hem in de laatste bocht gelijk hadden zien liggen, waren zij er zeker van geweest, dat Spears zou winnen.
Het kleine groepje Hollanders op het middenterrein aanwezig, hief echter een uitbundig gejuich aan en nu de stilte was gebroken, kwamen ook de Denen los. Moeskops moest een eereronde rijden en terwijl de Denen hem toejuichten, klommen Hollandertjes, die in Kopenhagen in betrekking waren, over de balustrade en voorafgegaan door een Hollandschen hotelbediende die voor deze gelegenheid een grooten oranjestrik had opgedaan, snelden zij op Moeskops toe, die links en rechts handen gaf en blij was met, en te midden van, zijn landgenooten.
Ook de Nederlandsche gezant, Ridder Van Rappard, kwam hem complimenteeren en even later kwam onze gezant aangestapt vergezeld van den Deenschen kroonprins, Prins Harold, die den zegevierenden Hollander zijn gelukwenschen wilde aanbieden.
Het was echter juist begonnen met regenen en toen de Prins zijn speechje zou afsteken vroeg Moeskops, die in het minst niet geïntimideerd was, gemoedelijk: Do you speak English? En terwijl de prins antwoordde: Yes I do! pakte hij hem familiaar bij de hand en trok hij den prins een tent binnen hem toevoegende, ‘dat als hij het hier wilde zeggen, zij tenminste allebei droog stonden’.
Op die manier was de Kroonprins stellig nog nooit toegesproken. Hij vond het zoo origineel dat hij er om schaterde en hij complimenteerde den Hollander op hartelijke wijze.
Moeskops had een goede pers en zelfs de Fransche bladen moesten erkennen, dat de sterkste man gewonnen had.
Zoo schreef onder meer l'Echo des Sports:
‘dat het niemand bovenmate behoeft te verwonderen, dat de blonde Hollander het Wereldkampioenschap heeft gewon-
nen, want allen herinneren zich nog zijn prestaties in den winter van 1919-1920 en het daarop volgende voorjaar. In die wedstrijden bleek echter aanvankelijk, dat Pierre Sergent met zijn hoofd nog beter kon werken, dan Peter Moeskops met zijn beenen. Maar toen hij in het voorjaar uit het Tulpenland terugkeerde, won hij den grooten Paaschprijs gemakkelijk en bewees daarmede, dat hij niet alleen physiek, maar ook tactisch groote vorderingen had gemaakt. De roem hiervan ging hem naar Dollarland vooraf en daar klopte hij de beste mannen. Uit de ontmoetingen hier en in Amerika met de snelste renners heeft Moeskops geleerd en hij zal altijd zijn uiterste best doen om te winnen ... als 't hem de moeite waard lijkt. Want ... hij houdt er soms rare gedachten op na’.
Moeskops werd in Den Haag een grootsche ontvangst bereid. Er werd een stoet van auto's geformeerd en voorafgegaan door een muziekkorps en omringd door bereden politie, werd door Den Haag gereden, une entrée triomphale.
Tienduizenden stonden langs den weg geschaard en juichten den Wereldkampioen toe.
Hij werd ontvangen door een Comité en hij werd door velen gehuldigd o.a. door wijlen Baron Van Tuijll van Serooskerken en door Baron Baud, die den Burgemeester van 's-Gravenhage vertegenwoordigde. Maar den volgenden dag kwam in de pers een insolvent brein aan het woord:
‘Men juichte een hardfietser toe, maar de Nederlandsche geleerden moesten het zonder bijval stellen. De knappe Hollanders werden niet toegejuicht en de kunst werd vergeten. Litteratoren ging men voorbij zonder den hoed af te nemen en het volk wist niet eens wie Professor Kamerlingh Onnes was enzoovoort. 't Was treurig met Holland (dat een sportheld had ingehaald en toegejuicht) gesteld.’
Dat was de moraal van het armgeestige klaaglied, dat werd aangeheven en zich ook later nog deed hooren.