Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 3]

Augsbuurt

Het gehucht is gelegen ten zuidoosten van Kollum, tegen de grens met Achtkarspelen. Vanouds kwam de nederzetting ook voor onder de naam Lutjewoude. De achtergrond van beide namen is niet zeker: onduidelijk is of Lutjewoude geïdentificeerd mag worden met het uit 1374 bekende Lillingwald (Van der Molen, Turf, 33). De oudste vermelding van Augsbuurt stamt uit 1490. Er bestaat een interpretatie waarbij in het eerste deel van de naam een persoonsnaam wordt herkend, anderen houden de naam voor onverklaarbaar. Augsbuurt als uitbuurt (buitenbuurt) van Kollum, als zodanig werd de naam in het verleden soms opgevat, schijnt op ethymologische gronden niet juist te zijn (Moerman, 44; n.g.n., ii, 171). De naam Lutjewoude geeft wel duidelijk aan dat het hier een woudnederzetting betreft. De verkaveling van het dorpsgebied, bestaande uit een opstrekkende verkaveling, wijst eveneens in die richting. Het kaartbeeld laat duidelijk zien dat de middeleeuwse ontginning ter plaatse van Augsbuurt een zelfstandige ontwikkeling is geweest, ingeklemd tussen en dwars op de opstrekkende verkaveling van Kollum en Achtkarspelen. Mogelijk heeft Gerkesklooster bij de kolonisatie een rol gespeeld: een nauwe juridische relatie met dit klooster is aanwezig, wanneer de ‘kerkheer’ van Augsbuurt in 1490 vermeldt dat vanouds Gerkesklooster recht sprak over zijn meiers in dit gebied (Charterb. ii, 414). De omvang van de bebouwing is blijkens het kaartmateriaal altijd verspreid over het dorpsgebied gelegen geweest. Bepalend voor de structuur zijn de Clant State en de nabijgelegen kerk, waarvan de terreinen in elkaars verlengde liggen, dwars op de verkavelingsrichting. De ligging van state en kerk in elkaars nabijheid is ook elders in Noordelijk Oostergo geconstateerd, waarbij een relatie tussen statebewoners en kerkstichting kon worden verondersteld. Met de aanleg van de vaart tussen Kollum en Gerkesklooster in of kort na 1508, vlak langs het stateterrein, werd het dorpsgebied in twee delen verdeeld. Het beloop van de vaart, zo dicht langs de state kan bijna niet op toeval berusten en is mogelijk dan ook door de statebewoner mede vastgesteld. De nog duidelijk waarneembare oneffenheden in het veld vormen, met boerderij Clant State, de herinnering aan de in de 18e eeuw afgebroken state. Dit terrein en ook het aangrenzende kerkhof liggen duidelijk hoger dan de oostelijk daaraan grenzende terreinen, daarmee de overgang naar het voormalige kwelderlandschap markerend.

[p. 4]



illustratie

Afb. 1. Kopie van het kadastrale minuteplan, omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 5]



illustratie

Afb. 2. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk is een sober bakstenen gebouw, dat met de voormalige school en pastorie op een terrein ligt, dat vanouds direct ten zuiden van de bij Schotanus vermelde edele state Augsburg lag, ten zuid-zuidoosten van Kollum. De Trekvaart naar Groningen kwam onmiddellijk ten westen van het terrein te lopen. Kerk en toren zijn eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken te Leeuwarden (afb. 3-5, 9).

 

+ Charterb. ii, 414; r.v.g.o. 192; Andreae '85, ii, 57; Wumkes i, 326; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 34.

+ Rekeningboeken kerkvoogdij 1732-1834 in Streekarchivariaat noord-oost Friesland te Dokkum; dossier uit 1885 in archief Binn. Zaken, Rijksadviseurs voor de Monumentenzorg over kerk en pastorie, a.r.a. Den Haag, Inv. Bervoets nr. 1112. Rapport Fryske Akademy, Archeologyske wurkgroep d.d. 9 febr. 1976 in afschrift gevoegd bij Rekeningboeken kerkvoogdij.

[p. 6]

+ Tekening door J. Stellingwerf 1723 in coll. Fries Museum, Leeuwarden; op het kerkzilver uit 1677, 1682 en geschonken in 1708 wordt de kerk afgebeeld (zie Zilver). In bovengenoemd dossier Binn. Za. 1885 berust een schetstekening 1:100 door J. Hubscher, hoofdopzichter bij de Rijksgebouwendienst te Groningen.

 

+ In een door Van Buijtenen gepubliceerde oorkonde uit 1374 wordt een kapel van Lillingwald genoemd, waarvan het benoemingsrecht deels aan de abt van Dokkum, deels aan de proost van Utrechts Oudmunster toekwam. Deze plaatsnaam komt ook voor in een oorkonde uit 1421 (Sipma ii, 34), waarin een stuk veenland in die plaats geschonken wordt aan het klooster Genezareth, ten westen van Ferwerd aan de Dokkumer Ee. De mede-ondertekenende pastoor van Hardegarijp deelt mede, dat het land in kwestie van hem (‘ons’) afkomstig is en verklaart zich akkoord met de gift. Men vraagt zich af of deze schenking, indien men aan Augsbuurt denkt, niet te ver verwijderd ligt van Genezareth en vooral van het gebied van de mede-ondertekenaren, hoofdelingen van Rinsumageest, Damwoude en Genum, pastoors van Ferwerd en Rinsumageest en van Hardegarijp, dekens van Oudkerk en Dokkum, abten van Dokkum en van Foswerd. Daarentegen wordt deze kapel, indien zij in Ferwerderadeel gelegen zou zijn geweest, nergens elders vermeld. Augsbuurt evenwel wordt in 1511 en 1525 nog Lutkewolde genoemd (volgens Andreae) en zelfs nog in de 19e-eeuwse rekeningboeken, waar gesproken wordt van de weeskinderen van Lutkewolde in de jaarrekening met opschrift ‘Augsbuur’. Over het algemeen is ‘Lutkewolde’ spraakgebruik en ‘Augsbuur’ officiëler. Mogelijk hebben er twee plaatsen ‘Lutkewolde’ bestaan, waarvan een in Ferwerderadeel.

De pastoor van Augsbuurt getuigde in 1490 over de vraag aan wie het wereldlijke recht toekwam, dat vanouds het Convent van Gerkesklooster over haar meijers gesproken had (Charterb. ii, 414). Ook Augsbuurt en blijkens deze getuigenis mogelijk juist Augsbuurt wist daarvan. Was deze plaats dan vanouds soms een uithof?

Omstreeks 1723 tekende Stellingwerf de kerk met steunberen en spitsboogvensters en een afsluitend boogfries onder de gootlijst. Deze kerk werd volgens Andreae afgebroken en vervangen in 1782. In de rekeningen, die 1732 beginnen, komt summier iets voor over het afbreken in 1741 van een toren waarbij aan een dakruiter gedacht moet worden. Wel wordt een legaat vermeld in 1746/7 van J.F. van Schratenbach de Coning groot 300 gld, waarvoor waarschijnlijk een nieuwe dakruiter gemaakt is. Jacob Ypes wordt in 1747 betaald ‘voor 't maaken van een nieuw toorentje’. S. Alefs, houtkoper, levert hout en materialen en Th. Nauta en zn., meester-loodgieter en leidekker te Leeuwarden, levert lood en leien. Ook vindt men in 1752 nog vermeld een omslag per pondemaat grondbezit voor het torentje. In 1784 worden nieuwe tekstborden verantwoord, ‘waar tekst op geschreven wordt’. In 1795/6 wordt W.L. Ruwersma betaald voor verven en glasmaken en worden er blauwe pannen voor het dak gekocht. Het kruis op de nok vermeldt 1782 en volgens Andreae waren de gebrandschilderde ramen ook alle 1782 gedateerd. In 1796 wordt een perceel land verkocht en pas in 1799 vindt men afbetalingen van verschotten in de orde van grootte van twee maal 306 gld en 255 gld vermeld en wordt opnieuw kerkeland verkocht. Waarschijnlijk zijn toen eerst de kosten afbetaald.

In 1890 kreeg de kerk een opknapbeurt. V. de Stuers vroeg vanuit Den Haag de opzichter te Groningen om een rapport; hoofdopzichter J. Hubscher leverde dit en voegde er een schetstekening bij. Architect Velding te Buitenpost, verantwoordelijk voor de restauratie, vermeldt in een brief dat hij ‘aanwijzingen kan doen van de vroegere kerkglazen in het kerkje van Lutkewoude: “Enkele zijn aanwezig bij den Heer notaris Andreae te Kollum, welke gaarne disponibel worden gesteld, andere zijn aanwezig in het Oudheidkundig Museum te Leeuwarden”. Daarna wordt echter niets meer hierover vernomen: het Fries Museum bezit geen glazen noch aantekeningen over glazen uit Augsbuurt volgens informatie uit 1986.

In 1912 is de toren bij een poging tot richting ingestort en herbouwd onder leiding van J. Pijnacker. De kerk is in 1973-1975 gerestaureerd. Bij die gelegenheid is een oudheidkundig bodemonderzoek gedaan door de Archeologyske wurkgroep van de Fryske Akademy en het Fries Museum onder leiding van G. Elzinga.

Onder de bestaande muren bleken funderingen van middeleeuwse baksteen van 28 × 5 cm te bestaan, die 1,50 m onder het maaiveld staken en voor wat betreft de bovenste

[p. 7]



illustratie

lagen bij de herbouw opnieuw gemetseld waren. In het koor bleek een soort “vloerbedekking” aanwezig te zijn van turven. Voorts vond men een graf met een skelet met het hoofd naar het westen liggend: daaronder nog lagen doodsbeenderen verspreid in een kleilaag. De weinige scherfvondsten blijken niet ouder te zijn dan de 14e eeuw, hetgeen overeenkomt met de vondst van vrij diepe steunberen tegen de noord- en zuidmuren. Aan de zuidwestzijde is een gedeelte van een fundering aangegraven, waarvan zonder nader onderzoek de betekenis niet duidelijk is.

 

+ Op het avondmaalszilver is deze kerk afgebeeld met een puntvormig beëindigde westgevel met pinakels aan de topgevel. Achter de westgevel stond een dakruiter, die blijkbaar in 1746 vernieuwd is.

Kerk en ingebouwde toren zijn opgetrokken van bruinrode baksteen van het formaat 20-20,5 × 4,5 cm, 10 lagen 50 cm. De westelijke travee en de westgevel zijn in 1912 herbouwd. Het gebouw is aan de oostzijde driezijdig gesloten met vensters in de schuine zijden. Aan de hoeken en halverwege de noord- en zuidmuur zijn lisenen aangebracht. In de lange wanden staan telkens twee half rond gesloten grote vensters, waarvan de dagkanten een kop inspringen. In de halve steen brede dagkanten staan houten ramen met kleine roedeverdeling; in de kop een cirkel boven de spitsbogig verenigde roeden. De ingebouwde westtoren heeft een rondbogige, tweemaal met een kopse sprong omlijste ingang en dergelijke grote galmgaten aan elke zijde. Op het bovenvlak van de toren staat een korte achtzijdige spits.

De muren zijn verankerd door trekbalken. Het segmentbogige gewelf rust op een iets verbrede voorlijst. De lambrisering van brede vuren delen en de sobere banken waren vergaan en zijn bij de restauratie verwijderd.

 

+ Ter vervanging van een middeleeuws bakstenen kerkgebouw is in 1782 de bestaande kerk gebouwd, waarvan de toren en de meest westelijke travee in 1912 herbouwd zijn na instorting van de toren. Opgraving van de fundering van de tegenwoordige kerk heeft aangetoond, dat deze op de middeleeuwse grondvesten staat. Aangetroffen steunberen bleken later tegen de oorspronkelijk tot 1 m breedte reikende fundering te zijn aangelegd. Verzwaring van de hoeken van de koorsluiting kan ons inziens duiden op een overwelving van deze mogelijk nog laatromaanse aanleg. De afmeting van de driezijdige koorsluiting is exact gelijk aan die van de kerk te Genum, die nog uit tufsteen bestaat. De aanwezigheid van een 12e-eeuws sarcofaagdeksel geeft aanwijzingen voor het bestaan van een vroege stenen kerk op deze plaats, die mogelijk eveneens in de 12e eeuw ontstaan kan zijn.

+ De kerk bezit:

+ Een preekstoel met rechthoekige kuip en klankbord. De onderzijde van het klankbord en zijkanten van de kuip zijn met zogenaamde gekorniste panelen versierd; op de voorzijde is een voorstelling van Mozes en Aäron, staande op voetstukken voor een draperie en houdende de Tafelen der Wet (“de Thien geboden”) boven een draagbare Arke des Verbonds. De ruimte tussen de voetstukken is gevuld met het alliantiewapen Aylva-Aylva, met op een spreukband “E.V. Aylva L.V. Aylva”. Op de hoeken van de kuip bevinden zich gladde kolommen met een ring, op een derde hoogte van de basis

[p. 8]

af gerekend. Blijkens de namen moet de preekstoel in of na 1668 besteld zijn; (vgl. Clant State) (afb. 7 en 8).

+ Eenvoudig doophek met spijlenzone en knoppen boven de stijlen.

+ Van de door Andreae genoemde rode en gele zandstenen grafzerken is nog aanwezig: Een geel zandstenen, taps toelopende zerk 210 × 75 - 60 cm, versierd met Jerusalemkruisen en kromstaven, Martin nr. 84, xiid. Het handschrift “Grafschriften” in het Rijksarchief te Leeuwarden geeft een schets van de steen in minder beschadigde toestand. (Voor de datering vgl. G. Kiesow, Ostfriesische Kunst. Bd. iv van Ostfriesland im Schutze des Deiches, Pewsum 1969, 24) (afb. 10 en 11).

Een aantal 17e-eeuwse zerken deels zwaar beschadigd.

Een grote zerk Roorda (2,25 × 1,25 m), waarop de uitgehakte wapentekens nog te herkennen zijn. Randschrift; “Ao 1617 dē 28 februar sterf dē Edelē Eerenfeste Jr. Sixtus vā Roorda olt int 49 iaer”.

In de hoeken alliantie-wapens Roorda-Herwei, Scheltema-Harkema, Scheltema-Harckema, Aylva-Unia (beide schilden gedeeld). In het vlak een cartouche met alliantiewapen Roorda-Scheltema, gehelmd met uitkomende struisveren. De hond in het wapen Scheltema is steeds naar het midden van de zerk gekeerd. Een zesregelig Latijns gedicht, dat blijkens een bijgewerkt oud afschrift luidde: “Conditur hic raptus quondam non parvus Iberi/Rhoorda metus, patriae spes columenque suae/Mundus habet lau(des, animam) sortitur Olympus/Quod superest, cineres, invida terra tegit/Disce mori, fluxis diffidere, disce viator/Ferre crucem, Christo fidere, disce mori”. Vertaald: “Bijgezet is hier, weleer de verbijsterende schrik van de Spanjaard,/Roorda, aan 't leven ontrukt, schutse en hoop van zijn land./Heeft al de wereld in zijn roem, zijn ziel valt ten deel aan d'Olympus;/Wat van hem rest, zijn as, dekt d'afgunstige aard”./Leer nu te sterven, 't vergank'lijke mijden, leer, reiziger, 't kruis te/torsen, op Christus vertrouw! ja, leer te sterven, mijn vriend’. (Vertaling drs. Verdenius; G.M. Bartelink in+ Hermeneus, liii, 1981, 282) (afb. 16). Kleine zesarmige koperen bolkroon, xviii (afb. 6).

+ Twee sobere rechthoekige rouwborden. De omlijsting wordt gevormd door kolommen die een hoofdgestel dragen. In het vlak onder een parelkroon bevindt zich het ovale wapenschild (afb. 17 en 18). 1. gevat tussen lauriertakken, en als meubelen twee rozen. Opschrift op de lambrequin: ‘Wel Ed Juffr. Catrijna van/Scheltinga Old xix jaar/ Overleden den vi Desem/ber aom d cc xii’; 2. gevat tussen een eikentak en een lauriertak, wapen gedeeld, rechts keper waaronder klaverblad, erboven twee sterren, links twee rozen. Onderschrift op lambrequin: ‘Vrouw/Jetske van Scheltinga.

Huisvrouw van de Heere Willem/Lievius van Fiersen Maijoor en Overst int Ree/ giment van de Hartogh van Saxseneijse/nach overleden den 28 Augusti Aetatis int/29 't jaar 1708’(sic).

+ Avondmaalsbeker hg. 12,8, diam. 10,2 cm. De gehele beker is versierd met horizontale gearceerde strepen met uitzondering van medaillons, waarin aan de ene zijde het kerkje is gegraveerd met een topgevel aan de westzijde en een dakruiter op de nok. Aan de andere zijde het gekroonde alliantiewapen Aylva-Aylva. Langs de bovenrand staat het opschrift: ‘Desen geven aen de kerck van Ausbuer door den wel Edele Hoog geboren heer Jr. Epo van Aylva ende de wel edele Frouw mefrouw Lucia van Aylva Ano 1682.’ Merken: Dokkum, K van 1682, en meesterteken van Thomas Hicht. Voet 125 (afb. 13). Schotel diam. 25,6 cm. Op de brede rand is aan de ene zijde het alliantiewapen Aylva-Aylva gegraveerd en ‘Anno 1708’; daaronder een banderol met het opschrift: ‘gegeven aen de kerk van Ausbuer door den wel Edele Hoogh geboren Heer J. Epo van Aylva en den wel edele geboren vrou Lucia van Aylva’. Aan de andere zijde binnen een krans is een afbeelding van het kerkje gegraveerd. Merken: Dokkum, niet gekroonde e van 1677, meesterteken Th. Hicht. Voet 125 (afb. 14).

Bekken diam. 14,8 cm. Op de vlakke rand aan een zijde staat een afbeelding van het kerkje en ‘Gegeven aan de kerck van Ausbuer’, aan de andere zijde het alliantiewapen Aylva-Aylva en het opschrift ‘door Haer Edē Epo van Aylva en Mevrou Lusia van Aylva.’ Merken: Leeuwarden groot keur, q van 1710 en meesterteken van Rimb. G. de Visscher afmetingen. Voet 429 (afb. 15).

Het zilverwerk wordt thans in de oudheidkamer Kollumerland te Kollum bewaard.

+ De na 1945 niet teruggekeerde klok was in 1917 gegoten door Van Bergen te Heiligerlee ter vervanging van de door Andreae genoemde klok van J. Balthasar. Het

[p. 9]

opschrift luidde volgens hem: ‘Jurjen Balthasar heeft mij geghooten in Leeuwaerden 1658. Pitter Jarigs mede Bisitter voor den geregte van Collumerlandt. Bodie Rompts Kerkvoogt Oege Ypes Committeerde Jan Lourens Brunie Jr. Feio van Scheltema Grietman over Collum, Collumerlant en het Nieuwe Cruislant mede raedt ter Admiraliteit tot Harlingen’. De Vrije Fries xvi voegt daar nog aan toe: ‘Georgius Proost pastor Ao dom 1658.’

+ De kerk bezat tot kort voor 1885 zes gebrandschilderde glazen uit 1782, geschonken door Willem v, Gedeputeerde Staten, Staten in het Mindergetal, Raden 's Hofs van Friesland, Heren Rekenmeesters van Friesland en Martinus van Scheltinga Grietman, ‘alle met de daarbij behorende wapens’ (Andreae '85, ii, 145).

+ De pastorie ten westen van de kerk is in 1890 afgebroken en onder leiding van architect A. Velding te Buitenpost herbouwd. Andreae kende er nog de oude pastorie, die uit kloostermoppen bestond en volgens de kadastrale minute een brede schuur achter het woongedeelte had. Mogelijk dateerde dit gebouw uit de 17e eeuw, toen het oude Clantslot herbouwd werd en er moppen ter beschikking kwamen. In de kerkvoogdijrekeningen komt de pastorie jaarlijks voor met onderhoud, onder meer met geregeld ‘schoven’ voor dakbedekking. In 1764 wordt een gracht gegraven tussen pastorie (tuin) en kerkhof en wordt er een Engelse schoorsteen gemaakt. In 1779 worden er schuiframen met lood gemaakt. In 1796 worden er bomen bij de pastorie geplant, die geleverd worden door L. Vlaskamp.

+ In 1732 komt ook in Augsbuurt in de kerkerekeningen bij het jaarlijks onderhoud een armhuis voor.

+ Ten oosten van de kerk staan naast elkaar de volgens Andreae ('85, ii, 60) in 1833 en 1839 gebouwde school en de schoolmeesterswoning. Ons inziens is het pand met de ingang in het midden de laatstgenoemde geweest. Beide zijn thans als woning hersteld en ingericht.

Clant State

+ Het kadastrale minuteplan geeft langs de trekvaart een groot omgracht terrein, dat in de noordoostelijke hoek nog een kleiner, vierkant omgracht terrein bevatte. Hier moet de Clant State of Augsburg (Schotanus) gestaan hebben, een belangrijke state waarover vrij veel bekend is. Op de singel buiten de omgrachting staat nu een boerderij van het kop-hals-romptype, die de naam van de state draagt.

 

+ Tegenw. Staat ii, 225; Andreae '85, ii, 61.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1722 met het onderschrift: ‘'t huis Clant te Augsbuur bij Kollum in Kolummerlant behoort den heere D.F. van Aylva grietman aldaar’ coll. Fries Museum, Leeuwarden, (afb. 12)

 

+ De naam Clant naar de familie, die lange tijd de state bezat, dateert van 1536, toen Claes Clant de state kocht. Voordien heette het goed Harkema Heerd. De vroegste vermelding van een Harkema in verband met dit eigendom dateert van 1463, wanneer Hedde van Harkema voorkomt als getuige voor Aut up den Zwaech in een oorkonde van scheiding tussen hem en Tjaerd Meckema. Hedde heeft dan geen zegel en voor hem zegelt een oud-burgemeester van Groningen (Pax Gron. 18). Schotanus noemt kinderen van Sicke Harkema als edelingen in Kollumerland. Een zoon van Sicke, Herka genaamd, staat rond 1503 in Leeuwarden terecht wegens toegebrachte verwondingen (Sipma iii, 32). Hilcke Herkama en zijn dochter verkopen Herkama Heerd in 1536 aan Claes Clant (Rentmeestersrekeningen bd. 9a, f. 14). De heerd wordt dan omschreven als ‘Steenhuys myt dat sael ende andere huysen nu staende to Herckema in Lutkewolde’. Claes Clant werd in 1542 tot grietman aangesteld van Nieuw Kruisland. Ook na vereniging daarvan met Kollumerland bleef Claes grietman tot 1569 toen hij ‘vrijwillig’ afstand deed en Sierck van Donia, die katholiek gebleven was, hem opvolgde. Volgens de monstercedul van 1552 woonde Claes te Kollum; te Augsbuurt woonden toen Juw Harckema en Balling Harckema. Na de dood van Claes Clant in 1570 en van zijn vrouw in 1572 moesten de zes kinderen wegens de vele schulden alle goederen verkopen. Koper werd Schelte van Scheltema gehuwd met Ursul van Harckema. Het huis wordt dan omschreven: ‘het huijs, hoff, lanckhuijs, hiem, graft,

[p. 10]

singel, coetsen, ledicanten, bancken ende andere losse houtwercken’ (Hof van Friesl. Decr. Verkopen iii, 4). Scheltes zoon Otto kwam om in de slag bij Boxum; zijn dochter huwde Wybren van Roorda, waardoor de state in handen van de Roorda's kwam. Hun zoon Syds werd in 1617 begraven in de kerk van Augsbuurt onder de nog aanwezige zerk (zie Herv. kerk). In de boedelbeschrijving van ‘wijlen jonker Sydts van Roorda en Ludts van Scheltema (Weesboek p 5, f. 136 e.v.) komt o.m. voor ‘het blaeuhuijs ende andere camers en achterhuysinge met het lantsatehuys over het diept’. Voorts worden genoemd ‘tien schilderijen’, acht ‘cleyne taferelen’; twee ‘landschapscaerten’ en veel zilveren gebruiksvoorwerpen. Een kleinzoon, wederom Syds geheten, verkocht de state aan de toenmalige bewoners Feyo van Scheltema gehuwd met Lucia van Aylva. De koop wordt in 1667 pas geproclameerd (Procl. boek q 6, f. 87). Lucia is dan reeds weduwe van Feyo van Scheltema, die bij de pestepidemie van 1666 het leven liet en met wie zij in 1650 gehuwd was. Feyo was Raad ter Admiraliteit in Harlingen en een zoon van Frans van Scheltema van Bornwerd. Bij haar huwelijk had Lucia een grote bruidsschat gekregen van haar vader Douwe Douwesz. van Aylva van Herwey State te Ternaard (zie Dongeradelen p. 178). Later zou er onenigheid komen over de eigendom van de state tussen de Scheltema's en de Aylva's. De nalatenschap van Feyo werd eerst in 1675 geïnventariseerd, hoewel Lucia in 1668 reeds hertrouwde met haar neef Epo van Aylva, ambtsopvolger van haar eerste man (Biogr. Woordenboek viii, 54).

Feye bleek een sate lands bezeten te hebben ‘tot Ausbuyr ten oosten gelegen van de grote plaats Ausburgh genaemt’. Voorts bezat hij een ‘gedreven zilveren lampet met een gieter’ een ‘fruijdt schuttel’, ‘drie grote zelveren kandelaars, een groot schovet, drie convoren en twee kleine schavotten, een grote hoorn met zilveren beslach’ enz. enz. (bijlagen Civ. Sententies 1724, ss 416, nr. 2a). De erfgenamen van Lucia stelden, dat ‘'t groote huijs door de rendantes wijlens vader is gebouwd’; ‘voorts komt nogh de vrouw rendante 't geen bij haar alleen is gedaan in 't maaken van de noorderringmuijr om 't huijs, 't toorentie, de kleijne kelder en 't kamertje daarboven, in totaal voor 2800 car. gld.’

In 1706 was er reeds geprocedeerd door de nazaten van Feye tegen Epo van Aylva en Lucia (Civ. Sententies ss 130, 10). Het ziet er naar uit, dat het slot nieuw gebouwd is kort na 1650, wat ook met het door Stellingwerf weergegeven uiterlijk overeenkomt: kruiskozijnen tussen pilasters die van een basement opgaan en een Vlaamse top, eveneens met pilasters. De genoemde kelderkamer en het torentje zullen in bijgebouwen gezocht moeten worden, die samenhingen met het maken van de ringmuur.

Na korte tijd bewoond te zijn geweest door Douwe Feye van Aylva, zoon van Epo en Lucia, kwam het huis door huwelijk van hun dochter met een Van Schratenbach in die familie. Na aan een Van Scheltinga verkocht te zijn geweest, werd het huis in 1757 afgebroken. Volgens een sloopcontract (archief Van Harinxma inv. nr. 260) waren er toen twee poorten, een torentje en een ringmuur; in het hof stond een zomerhuis. Het hoofdgebouw had een ‘groot huis’, dat terstond afgebroken mocht worden en een ‘ander’ gedeelte, dat moest blijven staan tot november 1757. De koper was Sj.

Noteboom meester-timmerman binnen Leeuwarden.

+ De boerderij Clant State komt op de kadastrale minutekaart reeds voor als van het kop-hals-romptype, welke vorm de boerderij nog heeft. Aan de Trekweg nr. 3 staat een kleine boerderij van het kop-romptype, die eveneens reeds op de kadastrale minute voorkomt en dus ouder dan 1822 kan zijn.

 

+ Behoudens het terrein, waarop de state Augsburg of Clant State gestaan heeft, worden op het gebied van Augsbuurt nog twee terreinen vermeld, een aan de Clantweg juist bij de grens van Augsbuurt en Kollum, de Goudberg genaamd, en 300 m noord-noord-oostelijk daarvan een verhoogde voor-historische woonplaats.

[p. 11]



illustratie

Augsbuurt van het noordoosten uit de lucht gezien. Opname 1985


[p. 12]



illustratie

Afb. 4. De middeleeuwse kerk getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 5. De kerk uit 1782 met de in 1912 herbouwde toren. Opname 1976.




illustratie

Afb. 6. Kleine koperen kroon in de kerk. Opname 1976.




illustratie

Afb. 7. Het voorste paneel van de preekstoelkuip met de voorstelling van de Arke des Verbonds en de Wetstafelen gehouden door Mozes en Aäron; daaronder de alliantiewapens Aylva-Aylva duidend op het huwelijk van Lucia van Aylva met haar neef Epo van Aylva, dat in 1668 gesloten werd. Opname 1976.




illustratie

Afb. 8. De preekstoel met rechthoekige kuip uit 1668 of kort daarna. Opname 1976.


[p. 13]



illustratie

Afb. 9a Opmetingstekening uit 1885 door J. Hubscher, hoofdopzichter bij de Rijksgebouwendienst te Groningen.




illustratie

Afb. 9b. Opmetingstekening uit 1885 door J. Hubscher, hoofdopzichter bij de Rijksgebouwendienst te Groningen.




illustratie

Afb. 10. Geel zandstenen zerk uit de 12e eeuw, thans bij de preekstoel in de kerkvloer. Opname 1976.




illustratie

Afb. 11. Schetstekening van de zerk in gavere toestand.


[p. 14]



illustratie

Afb. 12. Clant State door J. Stellingwerf getekend in 1722.




illustratie

Afb. 13. De zilveren avondmaalsbeker in 1682 door Lucia en Epo van Aylva geschonken. In het medaillon afbeelding van de middeleeuwse kerk. Opname 1977.




illustratie

Afb. 14. De zilveren avondmaalsschotel in 1708 geschonken. In de rand afbeelding van de middeleeuwse kerk. Opname 1977.




illustratie

Afb. 15. Zilveren doopbekken uit 1710, geschonken door Lucia en Epo van Aylva en voorzien van een afbeelding van de middeleeuwse kerk. Opname 1977.




illustratie

Afb. 16. Bovenste gedeelte van de Roordazerk uit 1617 met wapen Roorda-Scheltema in rolwerk gevat en latijns gedicht. Opname 1976.




illustratie

Afb. 17. Rouwbord voor Catrijna van Scheltinga overleden 1712. Opname 1976.




illustratie

Afb. 18. Rouwbord voor Jetske van Scheltinga gehuwd met Willem Livius van Viersen en overleden in 1708. Opname 1976.