Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 15]

Burum

Burum is het enige terpdorp in Kollumerland. Behalve de terp waarop de kerk en het kerkhof gelegen zijn, bevindt zich op korte afstand westelijk daarvan een grotere, tot voor kort onbebouwd gebleven terp. Deze terpen zijn, in tegenstelling tot het gebruikelijke beeld, nauwelijks bepalend voor de ruimtelijke structuur van het dorp: bepalend voor de plattegrond van het dorp is de samenkomst van een aantal wegen, waarvan een tweetal is aangelegd ter plaatse van een voormalige dijk. Nadat een dijk tussen Kollum en Visvliet was aangelegd, mogelijk begin 13e eeuw, zijn kort daarop kleine aangrenzende gebieden apart ingedijkt, waarbinnen ook de terpen van Burum lagen (Rienks en Walth̅er, 60-61). De huidige Herestraat en Wijtsmaweg zouden van dit dijkenstelsel deel hebben uitgemaakt. Volgens historieschrijver Andreae was het zuidelijk deel van het dorp op een dijk gebouwd, ‘hetgeen men aan de dijksbrokken en de richting der hoofdstraat nog kan bespeuren’ (Andreae, '81, 27).

Als oudste vermelding van de dorpsnaam geeft Andreae het jaar 1408, wanneer de kerk aan het vier kilometer zuidwestelijker gelegen Gerkesklooster wordt overgedragen. Dit klooster heeft grote belangen in het gebied: het bezit veel grond rond het dorp, heeft er een uithof en is betrokken bij de verdere inpolderingen van de Lauwerszee (Andreae, '85, ii, 71). Het oudste kaartmateriaal, de Schotanuskaart uit 1718, laat een verspreide bebouwing rond de kerk zien en een aaneengesloten bebouwing aan de Herestraat. Oostelijk van deze weg wordt een molen aangegeven, op dezelfde plaats als de huidige, en tevens eindigt hier de opvaart vanaf de Lauwers naar het dorp, de huidige Schipsloot, die in 1558 vermeld wordt als ‘dyepswal’ (Andreae, '85, ii, 75). Een dergelijke benaming geldt nog steeds voor de vaart door Kollum. Deze oudst bekende structuur verandert nadien niet wezenlijk meer. In de loop van de 20e eeuw vindt enige uitbreiding van de bebouwing plaats, aanvankelijk door uitbreiding van de lintbebouwing aan de doorgaande wegen, meer recent ook door de aanleg van nieuwe woonwijken.

Burum heeft in de late middeleeuwen wat betreft de rechtspraak niet tot Kollumerland behoord. De grond rond het dorp behoorde grotendeels aan Gerkesklooster, waaraan ook de rechtspraak over de kloostermeiers toekwam. Door dit grondbezit behoorde Gerkesklooster tevens tot de deelnemers aan de inpolderingen van het Nieuw Kruisland en tot de rechthebbers op de nieuwe grond. Dat het klooster recht sprak in wereldlijke zaken over zijn meiers, wordt in 1487 nog eens vastgelegd door de Groningers (Charterb. i, 742). Zelfs het lage wereldlijke recht werd namens het klooster gesproken door een wereldlijke rechter, zoals in 1521 opnieuw vastgelegd wordt. Met name bekend is R. Bionsma, die tot 1551 recht sprak. Door de grietmannen van Kollumerland en tijdens de periode dat men zich onder Groningen gesteld had, is daartegen herhaaldelijk geprotesteerd, doch tevergeefs (Andreae '85, ii, 69-75).

De kerk werd in 1408 met haar bezittingen aan dit klooster overgedragen. Als pastoor fungeerden geestelijken van Gerkes- of Vrouweklooster. Toch bleef de kerk van Burum kerkrechtelijk onder de deken van Oostergo behoren en dus onder de Utrechtse bisschop, terwijl het Gerkesklooster in Achtkarspelen onder de bisschop van Münster hoorde. In de 17e eeuw blijkt de predikant nog rente te trekken uit een pand, dat Uithof heette (zie aldaar). Dit zal een gevolg zijn van de band van het klooster met de kerk van Burum.

[p. 16]



illustratie

Afb. 19. Kopie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 17]



illustratie

Afb. 20. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 18]

Klooster Galilea

+ Ten zuiden van het dorp Burum lag een vrouwenklooster van de Cisterciënserorde, Galilea genaamd.

 

+ Eekhoff, Atlas; Andreae '85, ii, 96; Mon Bat. iii, 26; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 180 e.v.; Algra, Spionnagerapport, 17; Mol, Grootgrondbezit, 95.

+ Charterb. i, 690; ii, 578.

 

+ In tegenstelling tot het mannenklooster Gerkesklooster, dat in Achtkarspelen lag, heeft de tot Gerkesklooster behorende vrouwenpriorij Galilea binnen de grenzen van Kollumerland gelegen en wel ten zuiden van het dorp Burum. Evenals het mannenklooster lag de priorij ook vrij dicht bij de Lauwers op kleigrond.

+ De kaart van Eekhoff geeft als locatie van het klooster het terrein, waarop thans een boerderij staat, die de naam Vrouwenklooster Galilea draagt (Friese Straatweg 1-3), iets oostelijk van de weg, die van het dorp Burum naar de oude Friese Straatweg leidt. De terpenkaart van Halbertsma plaatst de terp evenwel tegenover deze weg. De lijst van archeologisch belangrijke terreinen uit 1984 geeft dit terrein in het geheel niet.

+ De priorij zal aanvankelijk als uithof gesticht zijn en wordt in stukken van 1517, 1518 en 1523 nog zo genoemd (Mol en Andreae), hoewel er in 1479 een deling van goederen tussen Gerkesklooster en Galilea plaatsvond (Charterb.). Alleen het gebruik van de venen, de blijkbaar moeilijk te scheiden en als energiebron zo belangrijke eigendommen, bleef gemeenschappelijk. Omtrent het jaar van stichting bestaat geen zekerheid. Gerkesklooster komt in de kapittelstatuten van Clairvaux reeds in 1244 voor als Augustijnerabdij (Van Buijtenen, 182) en moet dus voordien reeds gesticht zijn. Het klooster werd inderdaad kort daarop door de Orde van Citeaux overgenomen. Of de uithof toen reeds bestond is niet duidelijk. Mogelijk wel, wanneer wij aannemen dat de uithof van meet af aan voor vrouwen bedoeld was. Volgens Adreae ‘is het bekend, dat het klooster in 1302 aanwezig was’.

Galilea had evenals Gerkesklooster op de duur veel grondbezit, waarvan een groot gedeelte in Kollumerland lag. De verwevenheid met het leven in de late middeleeuwen in de grietenij moet daarom aanzienlijk geweest zijn. Ook vindt men geestelijken die in Galilea dienst deden, later vermeld als pastoors van zowel de kerk van Kollum (Andreae) als van die te Burum, welke kerk sedert 1408 onder Gerkesklooster gesteld was.

Het ‘Spionnagerapport van 1468’ vermeldt na ‘Claerkamp, 't grootste en 't meeste van alle cloisteren’ (zie Dantumadeel p. 142-151) dat er nog ‘acht groote starcke cloisteren’ zijn ‘in Dongeradeel’, waarbij Dongeradeel staat voor N. Oostergo en dat ‘die zeer rijcke ende machtich’ zijn. Als men zich strikt houdt aan Noordelijk Oostergo en Bethlehem niet meerekent, dat in Tietjerksteradeel lag en wel Sionsberg, komt men inderdaad tot acht kloosters, Galilea meegeteld en Gerkesklooster uitgesloten, daar het in Achtkarspelen lag.

In 1531 werd vastgelegd dat het klooster mee moest werken aan het onderhoud van waterlossingen en sluizen gemeenschappelijk met Gerkesklooster; het verkreeg daartoe inkomsten uit ‘twee heerden lants’ onder Burum (Charterb. ii, 578). De brug over de Lauwers, oostelijk van Galilea tussen Kollumerland en Visvliet draagt nog altijd de naam Gerkesbrug, verwijzend naar het mannenklooster.

+ Blijkens de stukken van na de Hervorming was het gebouwencomplex vrij uitgebreid en had men een groot landbouwbedrijf met 45 koeien, 10 hokkelingen, 7 jonge ossen en 9 kalveren, 5 werkpaarden, 8 schapen met lammeren en 25 zwijnen. Na de Hervorming trokken de laatste bewoners naar Groningen. Zij kregen vanwege de provincie een uitkering, nadat zij opgave gedaan hadden van de eigendommen van het klooster, die aan de provincie vervallen verklaard waren. In 1580 werden deze eigendommen openbaar verkocht en de door het klooster zelf gebruikte landerijen, het corpus, werden in vier ‘saten’ verdeeld en verhuurd. Elke sate werd een gedeelte van de economiegebouwen van het klooster toebedeeld (Andreae 99). Andere gedeelten als het ziekenhuis, het portiershuis, de nieuwe zaal, het blauwe (met leien gedekte) huis en het spinhuis werden op afbraak verkocht. Veel afbraak zou gebruikt zijn aan de schans te Munnekezijl. Pas in de jaren 1639-1644 zijn de landerijen van de vier ‘saten’ door de provincie verkocht.

[p. 19]



illustratie

Afb. 21. Plattegrond van de Hervormde kerk. Getekend 1984 naar opmeting 1952.


Kerkelijke gebouwen

+ De Hervormde kerk ligt op een verhoogd kerkhof in het midden van het dorp. De kerk is eigendom van de Hervormde Gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 21, 24, 25, 29).

 

+ Charterb. i, 367; r.v.g.o. 190; R. Smit, Gedenkschr. passim; Andreae '85, ii, 69, 77; Wumkes i, 332, 335.

+ Tekening door J. Stellingwerf 1722, coll. Fries Museum, Leeuwarden, afb. 24.

+ Kerkvoogdijrekeningen 1682-1820, door Andreae verwerkt en door R. Smit uitgetrokken; Schoolmeestersaantekeningen, hs 1150 P.B. Leeuwarden; Rapport J. Scheepens aug. 1899 met schetsen in archief Bi. Za. afd. k. en w. Inv. Bervoets nr. 865.

 

+ In een oorkonde van 1408 (Charterb. i, 367) stellen de parochianen van Burum zich ‘propter inopiam’ onder de jurisdictie van Gerkesklooster, opdat het klooster de kerkelijke zorg in het dorp op zich zou nemen. In 1580 vindt men deze verhouding nog vermeld. Blijkens diverse processen had Gerkesklooster ook de wereldlijke jurisdictie in Burum. De rechtssteen op het kerkhof herinnert aan deze situatie. In een proces wordt getuigd dat de rechter plaats nam op een grote flint, die op de zuidoostelijke hoek van de kerk op de weg lag (Andreae, 1885, 74). Stellingwerf geeft het kerkje weer met een rondboogfries als afsluiting van spaarvelden tussen lisenen. De lisenen zullen op een siersteen gestaan hebben (mogelijk vergelijkbaar met de platen zandsteen te Wetzens), waaruit Stellingwerf de ongebruikelijke boogjes contrueert.

De oude kerk is in 1784 afgebroken en herbouwd; zij werd in 1785 ingewijd (Wumkes). Smit vermeldt (p. 102) in 1850: ‘de glazen der ramen in de kerk.... tot nu toe in lood gevat, zijn door nieuwe houten ramen vervangen’. In 1962 is de noordelijke toegang gewijzigd in een raam en is aan die zijde een consistoriekamer ingebouwd.

+ Het kerkje van 1784 bestaat uit een schip met ingebouwde westtoren en een driezijdige sluiting. De muren die opgebouwd zijn uit bruinrode baksteen van het formaat 20-20,5 × 4,5 cm, 10 lagen 54 cm, zijn door spaarvelden tussen lisenen geleed in vier vakken waarin, met uitzondering van de westelijke, die de ingangen bevatten, rondbogige vensters staan, gedekt door een steens rollaag en gevuld met houten kozijnen met roedenverdeling in vier bij zes ruiten en een korte veer in de ronding (Smit, 1850). Boven de ingangen bevinden zich natuurstenen met wapentjes: gedeeld, heraldisch rechts een halve Friese adelaar, links roos, lelie en roos, paalsgewijs. Het wapen op de zerk Cleveringa heeft in de linkerhelft een roos en een lelie boven elkaar; mogelijk is hetzelfde wapen bedoeld in 1784. Op de nok aan de oostzijde staat een gesmeed kruis met jaartal 1784; het derde cijfer lijkt een vijf, doch is deels verroest. Het inwendige is overdekt door een korfbogig houten gewelf op een verbrede voorlijst. De muren zijn verankerd door trekbalken, waartussen onder de voorlijst consoles ingelaten zijn.

+ De kerk bezit:

+ Een gelakte eiken preekstoel met trap en klankbord volgens de Schoolmeester (Handschrift 1150 p.b.) gemaakt door een kistemaker uit Leeuwarden. Op de hoeken van de kuip voor een derde geornamenteerde en voor tweederde getorste kolommen

[p. 20]

met Ionische kapitelen. De panelen van de kuip zijn versierd met rocaille snijwerk, waarin onder meer een doodshoofd met zandloper en boek; onder de kuip voluten, eindigend in maskers bovenaan en klauwpoten onderaan. Op de bovenlijst gedateerd 1754. Trap met balusters. Onder de lezenaar pauwefiguren. Geen achterschot, alleen een kapstokbord (afb. 28, 30).

+ Naast de preekstoel collectezakkenkapstok, waarin gesneden is: ‘Jacob Klaesses Metzke Jans Kerkvoogden 1754’.

+ Doophek van paneelwerk met spijlenfries, volgens Andreae uit 1630; doopbanken met knoppen.

+ Het orgel is volgens Andreae in 1871 aangeschaft, volgens Smit in 1876.

+ In de kerk staat een negental dubbele herenbanken van paneelwerk met spijlenfriezen aan de voorzijde en aan de rugschotten; indien niet anders vermeld hebben ze tevens alle een opengewerkt opzetstuk boven het ruggeschot en op de hoeken knoppen. Daar de banken direct tegen elkaar staan, hebben zij de ingang aan de voorzijde.

1.De Fogelsanghbank is de enige die overhuifd is over de achterbank en omgeven door een raamwerk rustend op Ionische kolommen aan de voorbank. In de hoeken opengewerkte vulstukken. Opzetstuk op de overhuiving waarin wapen Fogelsangh en 1642. Het opzetstuk is geflankeerd en bekroond door opengewerkt snijwerk. In het ruggeschot geen spijlenfries. (afb. 31)
2.Ten oosten van de Fogelsanghbank een bank met in het rugschot een paneel met gesneden ornament xviiid.
3/4.In de koorsluiting een tweelingbank, in het achterschot cartouche met Anno 1785 en een bank, die in het achterschot een paneel heeft waarin een gekroond wapen is gesneden: gedeeld, heraldisch rechts halve Friese adelaar, links doorsneden, boven drie klavers twee en een, beneden geschubd; op de banderolle eronder 1784 en de initialen m.l.r. en g.m.l.
5.Tegen de noordwand westelijk van de Fogelsanghbank dubbele bank slechts versierd door een opengewerkt opzetstuk xviii.
6.Westelijk daarvan bank met spitsovale versieringen op de voorzijde; opzetstuk versierd met gestoken rozetten en gedateerd 1853.
7.Westelijk daarvan bank met gesneden alliantiewapen onder helmteken en dekkleden. De wapentekens zijn verwijderd. Te zien is slechts dat het mannewapen rechts een halve Friese adelaar heeft gehad en links gedeeld was in drie velden. Het vrouwewapen had eveneens de halve adelaar rechts. Boven het helmteken gedateerd 1630.
8.De bank westelijk daarvan mist het paneeltje in het midden van het achterste spijlenfries.
9.De meest westelijke bank heeft geen spijlenfries in het ruggeschot.

+ In de consistorie zijn drie zerken gelegd, twee met op het plat uitgesleten alliantiewapens en alleen nog leesbaar randschrift: ‘Ao 1613 dē ..Feb........ Harmens Cleveringa olt 53 jaer. Ao 1643 dē 26 Feb. sterf d'eerbare.....’. In de hoeken kraakbeencartouches met grotendeels uitgesleten wapens. De zerk met leesbaar randschrift heeft als helmteken op het plat een klaver, de onleesbare drie struisveren. Zerk met leeftijdskoppen in de hoeken en met het randschrift: ‘Ao 1599 de 10 novemb. sterf de eerbare Rittien Jacob Allertsdr. out 45 jaer d Huisfrou vā Jillert Rompts hier begraven. Ao 162. .. marty sterf de....’. Op het plat alliantiewapen: manlijk gedeeld, rechts halve adelaar, links doorsneden boven zespuntige ster en beneden geschubd; vrouw alleen leesbaar rechts halve adelaar. Helmteken drie struisveren. J. Scheepens zag in 1899 nog meer aan wapentekens op de zerken (afb. 27). Volgens Offringa in n.n.o.f. 18-iv-1973 gaat het om Jellert Rompts (Rosema) geh. met Rytien Jacob Allertsdr. (Doenga) en om (Pieter) Harmens Cleveringa geh. met Jetske Baukesdr. en Jacob Jillerts Rosema geh. met Trijntje Cleveringa, bewoners van Rosema State of Boschplaats onder Kollum.

+ In de ramen aan de noordzijde was tot 1847 volgens Smit het wapen van Friesland voorgesteld met het opschrift: ‘Edele Staten van Friesland 1784’. Op een glas aan de zuidzijde las men: ‘Alse Roelofs Nicolai, meester Verwer en Glazemaker te Buitenpost heb deze glazen gezet.’ Ook was er volgens de Nassause Domeinrekeningen uit 1786 een glas van de stadhouder.

+ Drie grote zestienarms koperen kronen, xviii, geschonken door ds. H.H. Hesse, die van 1794-1796 te Burum stond en gehuwd was met Geeske Klugkist (Geneal. Aant. R.A. Leeuwarden), (afb. 34).

[p. 21]

+ De kerk bezit twee zilveren avondmaalsbekers op voet, hg. 20,3 cm, diam. 12,3 cm (afb. 35). De bekers zijn in de bodem gemerkt. In de rand van de voet is in stippeltechniek gegraveerd: ‘Diaconiebeker te Burum 1694’ en op de andere: ‘Geschenk van eenige leden 1835’. Op de beker van 1694 staat: ‘Verkondigt den dood des Heren’. Op die van 1835: ‘Doet dat ter mijner gedachtenis’. De diaconiebeker is in de bodem gemerkt met Franeker, de x van 1694 en het meesterteken van Simon Agges Reinalda (Vriend. mededeling Fries Museum). De standring is echter nieuwer en draagt de merken Groningen 1835 en net meesterteken L. van Giffen (vriend. mededeling Groninger Museum). De jongste beker heeft alle merken in de bodem; zij zijn te identificeren als: Groningen 1794-1795 (waarschijnlijk over een ander merk heen geslagen) en meesterteken H.W. van Giffen over een ander onbekend teken heengeslagen (vriend. mededeling Groninger Museum). De oudste beker gemaakt door S.A. Reinalda te Franeker 1694 heeft blijkbaar een door L. van Giffen te Groningen in 1835 vernieuwde voet; de jongste beker, waarvan de maker en datum onbekend zijn, is door H.W. van Giffen in Groningen in 1794/5 verhandeld en wellicht van een nieuwe voet voorzien. De bekers dragen bovendien een 19e-eeuws belastingteken (vriend. mededeling Groninger Museum).

+ In de toren hangt een klok, diam. 89 cm. Opschrift: ‘Steen en Borchhardt fudunt Enchusae 1756. Soli deo gloria/Op preektijd yder een te trekken. Na Gods huis yder op te wekken/ter tijd van brand of watersnood en land en arbeidsman om brood/in 't zes daags werken an te zetten en schoft en rusttijd na de wetten/van 't oud gebruik te houden vrij en stemgeregtigde op een rij/ter stemming in de kerk te lokken door klipping neffens andre klokken en onder 't gaan van gansche drommen na 't graf vol stank(?) wel hard te brommen/is mijn post want daar mijn klank was doot door scheuring men my weder om goot/Ynto Nauta predikant te Burum/Gerryt Hendriks/ en Daniel Kiestra kerkvoogden van Burum.’

+ Ten zuidoosten van de kerk is op het kerkhof in 1969 de rechtssteen opgesteld op een met keitjes belegd terras. In de kerkmuur is een steen aangebracht met modern opschrift inzake de rechtspraak, die hier uitgeoefend werd. De afgevlakte zwerfkei is in de onmiddellijke nabijheid opgegraven en zal de steen zijn waarop door het klooster Gerkesklooster recht gesproken werd (zie inleiding Burum).

+ De in 1878 herbouwde pastorie staat aan de kop van de opvaart of Schipsloot.

 

+ Smit 39, 54, 56 e.v., 100; Andreae 1885, ii, 84.

 

+ De kadastrale minute van 1822 geeft op deze plaats reeds de ‘pastory’ aan. Deze heeft de plattegrond van een boerderij van het kop-hals-romptype. Smit schrijft in 1880 dat de oude pastorie, die jaarankers 1678 droeg, (volgens Andreae 1687) in de lengte gebouwd was (p. 39) en dat de schuur voorheen veel groter was geweest. In 1784, tijdens het bouwen van de nieuwe kerk, kwam men dan ook voor de kerkdienst in de schuur van de pastorie bijeen (Andreae 77). In 1804 werd volgens de rekeningboeken een tuin aangelegd (Smit 96) bij de pastorie door een Duitse plattelands-chirurgijn, J.N. Stutman geheten. In 1828 is volgens Smit de Wendel vergraven ter verbetering van de Schipsloot, waarvoor de predikant jaarlijks f 3 ontving. De pastorie was in de jaren '70 van de vorige eeuw zo slecht geworden, dat geen predikant meer een beroep naar Burum aannam. Men maakte plannen voor een nieuwe pastorie. Het ontwerp van een architect te Kollum werd te kostbaar bevonden, waarop dr. Smit zelf een plan tekende, dat door een bouwkundige besteksklaar gemaakt en door aannemer van der Zaag uitgevoerd werd. In de pastorie was een catechiseerkamer.

+ Door een ruime tuin omgeven op een hooggelegen stuk grond, staat het veel ruimte bevattende blokvormige pand onder omgaand schilddak met vier hoekschoorstenen met borden. Boven de ingangsportiek staat een opschrift dat refereert aan de opheffing van de invloed van de floreenbetalers in het kerkelijk leven: ‘Door vrijwillige bijdragen van de inwoners van Burum en Munnikezijl en wel voornamelijk door die van Renschje Sikkema wedeeP.S. Dijkstra is dezen pastorie gebouwd in 1878 toen waren kerkvoogden R. Smit medicinae doctor en E. Wiersma Jz. landeigenaar. Gemaakt door E.E. van der Zaag. De oude pastorie dat. 1678’. (afb. 32).

+ De eerste afgescheiden gemeente in Friesland is in 1835 te Burum ontstaan. Men bouwde in 1845 een kerk (Schoolmeestersaant. 1857). Of deze op de plaats stond van

[p. 22]

de tegenwoordige wordt nergens vermeld. Thans staat een groot zaalgebouw achter de Herestraat bij de Molenwerf. In de zijgevels staan tussen lisenen vijf spitsboogvensters met gietijzeren harnassen. Het is niet duidelijk wanneer deze kerk precies gebouwd is. De gemeentekaart van Kuypers van 1865 geeft de kerk reeds op deze plaats, (afb. 38).

Woningen en particuliere gebouwen in de kom van het dorp

+ Zeven traveeën breed pand op de hoek van de Hoofdstraat en de Uithof. Deze omschrijving geeft Andreae ongeveer voor het pand, dat hij in 1662 als uithof vermeld vond (zie Uithof). In 1636, 1640 en 1644 waren kloostersaten onder meer in het dorp Burum door de provincie verkocht onder voorwaarde ‘dat de coopers ghelijckelijck sullen draghen het tractement van den Praedicant tot 200 ggld ende voorts onderholden de Kercke en Schole’ (Andreae '85, ii, 82). Op de kadastrale minute wordt een pand getekend met een achterbouw en twee smalle diepe percelen ernaast. Mogelijk was het ooit een groter perceel, zoals het nu weer is. De gevel met de flauw gebogen strekken boven de vensters en de omlijste ingang lijkt uit het midden van de 19e eeuw te stammen.

+ Eenvoudig pand onder zadeldak tegen zijtopgevel dat, afgezien van een onverantwoorde moderne ingreep aan de westzijde, goed meespeelt in de verhoudingen van het geheel van de Herestraat.

+ Vijf traveeën brede rentenierswoning in het centrum van het dorp die, door de opvallende versiering rond de deur en aan de dakkapel, een extra accent geeft aan de verbreding van de straat op deze plaats. Waarschijnlijk rond 1850 ontstaan (afb. 40).

+ Dwarshuis onder zadeldak tussen topgevels. Boven de ingang in het midden van de langsgevel is een stenen topgevel aangebracht, een late versie van de zogenaamde Vlaamse top, xix. Het pand komt niet voor op de kadastrale minute en moet dus na 1823 gebouwd zijn (afb. 40).

+ Boerderij met dwarsgebouwd woongedeelte onder schilddak met hoekschoorstenen, midden 19e eeuw. De boerderij staat vrij aan het begin van de dorpsbebouwing.

+ Boerderij van hetzelfde type als nr. 2 doch met het woongedeelte aan de rooilijn van de straat en daardoor reeds meespelend in de doorgaande bebouwing van de hoofdstraat van het dorp. Komt reeds voor op de kadastrale minute (afb. 39).

+ Dwarshuis aan de rooilijn van de straat onder schilddak met hoekschoorstenen, waarachter een dwarsgebouwde schuur staat. Deze situatie komt reeds voor op de kadastrale minute en behoudens wijzigingen aan de vensters en ingang kan het pand van voor 1820 dateren. In het centrum is de landelijke bebouwing sterk aangetast door winkelpuien.

+ Pand onder zadeldak evenwijdig aan de rooilijn. De oostelijke zijgevel heeft doorlopende beitelingen van rode baksteen in een muurveld van gele baksteen, xix.

+ Blokvormig pand zonder verdieping onder omgaand schilddak met vier hoekschoorstenen. Omlijste ingang en kroonlijst met kleine consoles, xixb.

+ Aan het einde van de dorpsbebouwing bij de molen staan drie dorpswoningen van gelijke hoogte en met ongeveer gelijke hellingen aan het voorschild van de kap, die daardoor een goed geheel vormen. Twee zijn vijf traveeën breed en gedekt door een dwarskap met hoekschoorstenen, de middelste is in de diepte gebouwd en heeft het smalle schild aan de rooilijn, alle xixb (afb. 41).

+ Op een verhoogd terrein aan de inrit van het dorp staande boerderij met dwarsgebouwd woongedeelte, dat rijk versierd is met stucwerk boven de vensters en de ingang en aan de dakkapel. Schilddak met twee hoekschoorstenen, omstreeks 1870.

+ Voor de merkwaardige naam van deze straat, die rond het kerkhof loopt, geeft Andreae een verwijzing: in 1662 vond hij als omschrijving van een pand ‘het uithof’ geheten: ‘hebbende het kerkhof ten oosten, de Heereweg ten zuiden en westen en Jelke Ates ten noorden’ (Andreae '85, ii, 166). De predikant trok grondpacht uit dat pand, dat een uithof geweest kan zijn van Gerkesklooster of van Vrouweklooster. Van der Meer vond nog een vermelding in het Proclamatieboek, waar in 1656 een sate Tuithof voorkomt (q 5, 116).

+ Minuscuul pandje, dat niet op de kadastrale minute voorkomt en dus na 1820 gebouwd is, achter en op het terrein van het toen bestaande pand aan de Herestraat (nu nr. 7) en de Uithof. De topgevel heeft langs de zijden beitelingen van gele steen en een turfluik. Aan de noordzijde heeft het pandje een schilddak en een uilebord (afb. 42).

[p. 23]



illustratie

Afb. 22. Plattegrond en doorsneden van het gebouw Uithof 4. Getekend 1987 naar opmeting in hetzelfde jaar.


+ Aan de voet van het kerkhof ten westen van de toreningang staat een blokvormig pand, bestaande uit een krap twee meter hoge begane grond en een ruim twee meter hoge bel-etage. Het wordt gedekt door een schilddak met twee hoekschoorstenen, waarvan de rechter loos is. Het pand is opgetrokken uit halfsteensmuren. De ingangsdeur met bovenlicht is uitwendig bereikbaar langs een houten bordes en geeft inwendig via nog vier treden toegang tot een smalle gang met rechts en links een deur naar een vertrek en in de gangbreedte een halfrond gesloten binnenpoortje. Het linker vertrek was verwarmbaar en had tegen de achterwand een bedschot en in de voorgevel twee zesruitsvensters en nog een venster in de zijgevel. Van het veel eenvoudiger rechter vertrek uit is via drie treden de zolderruimte bereikbaar van een lagere en bredere achterbouw onder breed zadeldak. Het rechtervertrek heeft een venster in de voorgevel en twee ruitvormige kleine lichttoevoeren in de zijgevel. De parterre had eveneens een toegang in de voorgevel en bevatte een doorloopruimte naar een achtervertrek en linksom naar een ruimte, deels onder de bovengang, waarin een bedstede was. Onder de verwarmbare kamer van de verdieping was een vertrek met eveneens een schouwtje. Achter in deze kamer waren twee bedsteden, slechts toegankelijk via de lage uitbouw, waarin een put en een pomp waren. In het vervolg van deze ruimte zouden nog muren gelopen hebben van een schuur of een stal. Dit gebouw, waarvan de bestemming voorlopig raadselachtig is, is na 1823, waarschijnlijk rond 1840 gebouwd, daar op de kadastrale minutekaart een kleiner perceel voorkomt op de helft van het terrein. Dit behoorde toen aan de kleermaker en de noordelijke helft, die onbebouwd was, aan de armvoogdij. Daar het pand in de parterre drie bedsteden had en een eigen ingang, lijkt de mogelijkheid niet uitgesloten, dat het om een armhuis ging met vertrekken voor een Vader en Moeder op de verdieping. Mogelijk is er beneden links gekookt en bevatte de aanbouw was- en werkplaatsen, terwijl op de zolder nog geslapen kon worden. Het pand is thans particulier bewoond (afb. 33).

+ Op dit terrein, dat in 1823 aan het dorp toebehoorde, stond mogelijk toen reeds de school. Deze is volgens Andreae in navolging van Smit in 1851 herbouwd. Het gebouw is later als boerderij gebruikt en onlangs als woning hersteld. De woonruimte aan de

[p. 24]

zijde van de uithof dateert kennelijk uit de tijd, dat er een veehouder in woonde; het vloerniveau is te hoog voor de grote rondboogvensters in de westgevel, die het gebouwtje als de school uit 1851 karakteriseren.

+ Haaks op de as van het schoolgebouw en met de gevel aan de uithof kwam de schoolmeesterswoning, die in 1857 aanzienlijk verbeterd werd (Andreae '85, ii, 85). Wellicht kwam toen de sierlijke dakkapel boven de met gelijksoortige motieven versierde ingangsomlijsting tot stand (afb. 37).

Industriemolen

+ Aan de oostzijde van het dorp staat de in 1786 gebouwde achtkante korenmolen. De molen is eigendom van de firma Gebr. Bremer te Burum, die de naam Windlust aan de molen gaven (afb. 46).

 

+ Molens van Friesland, 102, 162; Fries Molenhoek, 159; Keune, Korenmolens, 22-24.

 

+ Volgens Andreae stond er in 1578 reeds een molen te Burum. De kaarten van Schotanus van 1664 en 1689 laten zien, dat er in ieder geval in de tweede helft van de 17e eeuw te Burum een windmolen stond. De molen bracht kennelijk voldoende belasting op en wordt dan ook niet genoemd in de lijsten van niet rendabele en te slopen molens van 1639 en 1714. Van begin 1700 af zijn de eigendomsrechten te volgen. Bij verkoop in 1711 wordt gesproken van een ‘voortreffelijke weit-ofte roggemolen’. In 1785 brandde de molen echter af, doch hij werd het volgend jaar herbouwd. Voor dit werk vroeg A. Bos 12 juli 1786 per advertentie ‘molenaarsknechten om te werken aan een nieuwe Pel- en Rogmolen te Burum’ (Aantekening S.J. van der Molen). Volgens een opschrift op een van de voeghouten (vernieuwd tijdens de restauratie van 1969) brak in 1805 de kop van de bovenas af: ‘Een vreselijke ramp/Trof onze hand/Onze as ging breken/Daarom moesten wij/Er een nieuwe kop aansteken/1 mei 1805’. Op een van de plooistukken van het bovenwiel staat: ‘P.S. Kapinga 1858’.

+ De molen is gefundeerd op stiepen met hiertussen, thans tot ca. 50 cm boven het maaiveld te zien, de veldmuren. Op de stiepen liggen peulhouten waarop de stijlen van de achtkante voet rusten. Het achtkant en de achtkante voet zijn gebouwd van grenehout volgens het algemene systeem. Eerstgenoemde met drie bintlagen en rietgedekt, laatstgenoemde met twee bintlagen en gepotdekseld. De bovenste kruisen in de velden zijn aan de bovenkant niet tegen de achtkantstijlen maar tegen de klossen bevestigd. De huidige hondsoren zijn later aangebracht, mogelijk vervangen zij de oorspronkelijke. De basis van de kap en het achterkeuvelens is van eiken, laatstgenoemde is echter geheel vernieuwd, de spanten zijn van grenen; in het voorkeuvelens komen beide houtsoorten voor. De grenen lange spruit is als middelbalk gebruikt, eronder bevindt zich de ijzerbalk: deze is kennelijk later aangebracht (vervaardigd uit secundair hout). De kap is thans kruibaar op een Engels kruiwerk, de staart heeft een kruilier. In het riet van een van de velden is het jaartal 1944 uitgesneden; op de baard staat de naam van de molen geschilderd.

+ Wieksysteem: zelfzwichting met stroomlijnsysteem Dekker, stalen roeden fabrikaat Gebr. Pot, vlucht 21,20 m. Gietijzeren doorboorde bovenas in 1892 gegoten door de firma ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage. Verder in de molen een normaal bij een koren- en pelmolen behorend gaand werk; twee koppels maal- en twee koppels pelstenen.

 

+ Herstellingen vonden plaats in de jaren 1949 en 1957. De volgende werkzaamheden werden tijdens de restauratie van 1968-1969 uitgevoerd: de gietijzeren bovenas werd vernieuwd nadat de oude reeds in 1958 scheuren begon te vertonen; de nieuwe hiervoor genoemde as is afkomstig uit Borne. Het Engels kruiwerk kwam in de plaats van het kruiwerk met neuten. De staart en de stelling werden geheel vernieuwd. In de kap kwamen nieuwe voeghouten en in de velden hondsoren. Het verzakte achtkant werd rechtgezet, drie achtkantstijlen werden versterkt en één aangelast. Ook werden de onderste kruisen in de velden van de voet vernieuwd. Een van de roeden werd van nieuwe kleppen voorzien. De schade veroorzaakt tijdens de storm op 13 november 1972, hoofdzakelijk aan de roeden, het bovenwiel en de penbalk, werden in 1975 hersteld.

[p. 25]

States

+ De belangrijkste state van Burum is Eysma State geweest, ten oosten van de dorpskom gelegen.

 

+ Andreae '85, ii, 87.

+ Kloosterstukken Vrouwenklooster Regest i r.a. Leeuwarden.

 

+ Volgens een stuk in het archief van het klooster Galilea zijn Hero Eysma in 1497 en Gielt Eysma in de eerste helft van de 16e eeuw rechter te Burum geweest. Waar zij gewoond hebben is onduidelijk. Een huis aan de weg naar Warfstermolen, tegenwoordig Van Eysingaweg geheten, komt voor onder de naam ‘'t Hoog’, welke naam aan huizen met bewoners met rechterlijke macht placht gegeven te worden. Het huis zou eigendom zijn geweest van Gerkesklooster (Andreae '85, ii, 87). Eysmastate lag echter, volgens Andreae en volgens gegevens door D.J. van der Meer bijeengebracht, aan het einde van de Stulpweg. Deze heette in 1492 volgens Andreae reeds Eysemawech en in de 17e eeuw ‘uytwech naar Eysmaheert of kerckpad van Eysma hornleger’. Eysmastate kwam in het einde van de 16e eeuw in bezit van Dirck van Fogelsangh, die de state naliet aan zijn dochter Sjouck gehuwd met Jacob Pybes van Doma. Een gedeelte, dat aan andere erfgenamen was gekomen, kocht Jacob er in 1616 bij. Het ging daarbij om ‘de gerechtigheit aent Steenhuys’ en de legersteden in de kerk van Burum (Procl. boek q 3, f. 6 en 7). Vier jaar later verkochten Jacob en Sjouck Eysma State en zaete met ‘huys, stins ende schuyren en 65 pdm land aan Gerrit Jelckeszn te Burum voor 10.925 gld’ (Procl. boek q 3, f. 115 vo). Ook de legersteden in de kerk en de zerken behoorden erbij. In 1616 werd een omschrijving gegeven van het huis, daar de meyer was overleden: ‘Het huys is lang 14 facken ende d'schuire ende melckencamer tsaemen lanck 12 faecken; met vier opgaende gevelen ende een affdack ofte huyve; voor met pannen ende achter met dack gedeckt, doch achter onder den draechholten eenige pannen; exempt het steenhuys den landhere (Jacob Pybes nom.ux.) toebehorende, die geholden is zoe wanneer hy tselve wech breeckt het huys voor wederom dicht te maecken’ (Weesboek p 5, f. 74 vo e.v.). We kunnen hieruit opmaken, dat de boerderij van 14 vakken lang, waarvan er twee de woning vormden, direct en zonder eigen gevel tegen het steenhuis was gebouwd, zoals dikwijls bij states wordt afgebeeld. Gedurende de gehele 17e eeuw worden slechts huurboeren vermeld op Eijsma. Volgens Andreae kwamen de goederen na de dood van Gerrit Jelckes aan Dirck Fogelsangh. Van der Meer vond dit bevestigd in het Proclamatieboek nr. 4 onder 1641: Theodorus Fogelsangh, secretaris van Franekeradeel koopt Eijsma State te Burum groot 56 pm. met ‘alle syn gerechtichheden ende pre(e)minentien van de stins, suaneiacht (zwanejacht) en legersteden’ van Jantien Jans weduwe Gerryt Jelckes op de Werff. Enige personen onder wie secretaris Wiersma, Jetscke Bauckes en Siouck Fogelsangh protesteren gerechtelijk omdat ze Jantien Jans een hypotheek hadden verschaft met Eijsma State als onderpand (q 4, f. 183v). Toch kwam de state aan Dirck Fogelsangh, die haar in 1661 verkocht aan Tjeerd van Scheltinga, voogd van het Soete Naam Jesusgilde (q 5, 279-293). In het archief van het Ritske Boelema Gasthuis, voortgekomen uit het Gilde, komt in de inventaris geen vermelding voor van Eijsma State. De oude stins en de legerstede in de kerk bleven in 1661 aan Dirck Fogelsangh vrij van dijks- en zijlsschatting en onderhoud van de brug en slattingen etc. (Andreae). De kaart van Schotanus van 1689 geeft iets oostelijker van het einde van het Eijsmapad slechts een stemdragende plaats; de stins en state zijn dan reeds afgebroken.

+ Aan de tegenwoordige van Eysingaweg voorbij de korenmolen lag Eijsinga State, dat door de schoolmeester in 1857 nog genoemd wordt. Bij deze state behoorde in de 19e eeuw geen land dan direct rond het hornleger. In het Recesb. Weeskinderen komt in 1664 voor Jan Reiners Eisinge (b 15, 10 jan.). Maar of hij met Eijsinga State te maken had, is niet duidelijk.

+ De kaart van Eekhoff van 1847 geeft direct ten westen van Burum een sterretje (‘voormalige staten en kloosters’) voor Rosema. De schoolmeester vermeldde in 1857 het voormalige Rosema op een ‘hoogte met stenen’.

+ Volgens Andreae ('85, ii, 86) werd Wytsma State ‘waarvan de vrij brede grachten nog aanwezig zijn’ in 1644 door de Staten als kloostergoed verkocht en was het toen 95½ pm groot. Het goed zou aan Galilea behoord hebben. Van der Meer vond in het

[p. 26]

Proclamatieboek in 1657 een state vermeld (q 5, 151) bewoond door Jucke Wytsma en in 1671 in het Hypotheekboek (v 11, 82) bewoond door zijn zoon Jacob (ook q 6, 214). Een Wytsma genaamd Jucke was in 1570 volmacht wegens Kollumerland. Hij komt als rechter te Burum voor in 1565 en 1575, maar woonde te Munnekezijl (Andreae '85, ii, 156). De Wytsma's zouden mogelijk het kloostergoed gekocht hebben en het sindsdien van hun naam voorzien hebben. Andreae bezat het goed later, aangekomen van de familie Eskes, zoals zijn moeder heette. In 1739 kocht volgens hem Focke Hylkes Eskes de helft van een sate en landen ‘Wytsmastate genaamd onder Burum’ van Ruirtje Sjordema; de andere helft behoorde aan haar zuster Lolck. In 1728 bezat Sierck Dircks Sjordema deze sate (Floreenkoh. 27/28). De state was toen dus reeds afgebroken.

Boerderijen en overige bebouwing buiten de kom van het dorp

+ Aan een oprit aan de Van Eysingaweg richting Lauwers staat een grote, in de late 19e eeuw gebouwde boerderij van het kop-hals-romptype. Het wit gepleisterde voorhuis draagt in het nokanker het jaartal 1879. Inwendig is het voorhuis grotendeels gemoderniseerd, behoudens de rijke stucplafonds uit het bouwjaar. Langs de noordzijde van het voorhuis liep een gang met een smal vertrek aan het einde. Het hek op het terrein is uit het Utrechtse meegebracht; de naam Vredehoef verwijst naar de naam van de tegenwoordige eigenaar (afb. 55).

+ De kaart van Schotanus geeft de achterste boerderij, thans genummerd 5, als plaats van het voormalig klooster Galilea. De boerderij 1-3 die thans de naam Vrouwenklooster Galilea draagt, zou dan ter plaatse van een dienstgebouw c.q. poortgebouw gestaan kunnen hebben (zie verder onder Klooster Galilea). De grote boerderij nr. 1-3 heeft het woongedeelte in de voorzijde van de schuur ingebouwd als ging het om een stelptype; de ingang is in de zijgevel naast een erkervormige uitbouw. Tevens heeft de boerderij echter een vier vensters lang voorhuis onder zadeldak, dat met een zeer weinig lager gedekt halsgedeelte bij de schuur aansluit. De westgevel is onlangs vernieuwd nadat een grote serre aan die zijde verwijderd was. Waarschijnlijk is deze boerderij in de tweede helft van de 19e eeuw als kop-hals-rompboerderij gebouwd met lang voorhuis en later aanzienlijk aan nieuwe wooneisen aangepast. De kadastrale minute geeft op het omgrachte terrein een boerenplaats met een veel korter voorhuis, mogelijk een dwarshuis; eerst na 1887 wordt het lange voorhuis weergegeven (afb. 53).

Op de kloosterplaats staat een grote tot bergruimte gedegradeerde boerderij van het stelptype, die aldus op de kadasterkaart van 1887 wordt weergegeven.

+ Grote stelpboerderij Scharnehuizen met ingebouwd dwarshuis, een vrij zeldzaam type, waarbij het voorschild van het dwarshuis in het vlak van het voorschild van het schuurdak loopt. Daar de kap over het voorhuis aan de korte zijden ook schilden heeft, is de nok zeer kort. De schoorstenen staan hier bovendien iets binnenwaarts van de beëindiging van de nok. De voorgevel is geleed door een middenrisaliet, waarin de ingang staat en lisenen aan de hoeken; de kroonlijst loopt daarin mee en geeft het geheel een statig aanzien. Naast de ingang zijn bakstenen verwerkt met initialen k.e.l. en b.e.l. en het bouwjaar 1887. De letters zouden verwijzen naar de naam Luimstra, een bouwer uit Kollum. Links van het woongedeelte in het voorhuis bevond zich de melkkelder. De vensters van het woongedeelte zijn gewijzigd. De naam Scharnhuysen komt in 1615 voor in het Weesboek (p 5, 24): Tjaerd Gerrits op Scharnehuizen. Voorts in het Proclamatieboek in 1657: Scharnhuysen onder Burum (q 5, 105) en huys Scharnhuysen onder Kollum (q 7, 143) (afb. 54).

+ Aan de Lauwers ten noorden van de Burumervaart of Schipsloot ligt een boerderij van het kop-hals-romptype, die in de gepleisterde voorgevel ankers draagt, die het jaartal 1652 vormen. Bij Schotanus wordt hier een stemdragende plaats getekend; Eekhoff vermeldt geen naam. Voor zover te zien, waar de pleister afvalt, bestaat het muurwerk van het voorhuis uit afbraak mopsteen. Het heeft een grote breedte en tamelijk flauwe dakhelling, zoals ook Wytsemaweg 2 had, dat jaartalankers 1651 had. Aan de noordzijde is blijkens een klein venster een huishoudkelder, waarboven bedsteden en kasten plachten aangebracht te zijn. De achtergevel van de schuur is vrij gaaf met de inrit aan de noordzijde, vensters met roedenverdeling en een dichtgezet kippepoortje aan de zuidezijde, xviiib-xix (afb. 51, 52).

+ Bij de boerderij behoort een verderop aan de Lauwers gelegen voormalige keuterij van het kop-romptype, thans als woonboerderij hersteld. Ook hier is de bedstede-

[p. 27]

kastenwand aan de buitenzijde van het huis gesitueerd, xiiib-xix.

+ Herberg aan de Gerkesbrug, thans landelijke woning met ingang in het midden.

Terzijde een stalgebouw of ‘doorreed’, waarin een tympaan is gemetseld met een gevleugeld puttokopje, xvii (afb. 49).

+ Keune vermeldt in zijn ‘Van rechtersteen tot gemeentehuis’ (Kollum 1974), dat de volmachten op 13 april 1609 in het Hoge Huys bijeen, goedkeurden, dat ‘het stenen wachthuis’ bij Gerckesbrug verkocht zou worden. De brug van die naam over de Oude Zwemmer in de Weerdbuursterweg is pas in de 20e eeuw zo genoemd. Het ging dus om een wachthuis aan de weg naar Groningen. Mogelijk werd het vervangen door de herberg, thans herbouwd als nr. 4 die thans nog een steen met putto bewaart, die van een herbouw kort na 1609 kan dateren.

+ Witgepleisterd gebouwtje op T-vormige grondslag, oorspronkelijk een tolhuis bij de grens met Groningen (afb. 48 en 50). In de verzameling tekeningen uit het archief van de Rijkswaterstaat, thans op het r.a. te Leeuwarden, komt de ontwerptekening voor van een Tolhuis tussen Steenharst en de Gerkesbrug, gedateerd 1839. De kadastrale minute geeft op deze plaats inderdaad geen bebouwing en de kaart van 1887 geeft een kleine uitstulping weer met een gebouwtje. De ontwerptekening betreft dus het gebouwtje, thans genummerd Friese Straatweg 8. Behoudens een nieuwe gootlijst en wijziging aan de indeling van de vensters en deur is het gebouw in redelijke staat bewaard.

+ Aan het einde van de Keegensterweg staat op een omgracht terrein een fraaie boerderij van het kop-hals-romptype. Het korte voorhuis heeft een geheel gesloten voorgevel en zijgevel; slechts aan de ‘buitengevel’ staan twee vensters. Omgaande bakgoot, twee vierkante vensters in de topgevel en twee bekronende schoorstenen completeren het aspect van het voorhuis. Terzijde staat een enigszins vergroot bakhuis. De schuur is geheel riet gedekt; de achtergevel daarvan vrijwel gesloten, behoudens de inrijdeuren en een toegang met zijlicht naar de stal. De kadastrale minute van 1823 geeft reeds deze vorm aan. De boerderij kan eind 17e-18e eeuw gebouwd zijn. Bij de gracht rond

illustratie

Afb. 23. Plattegrond in reconstructie van de boerderij Wijtsmaweg 2 door S.J. van der Molen, voor 1942.


[p. 28]

het terrein is in de jaren zeventig een hardstenen latei gevonden met opschrift in gotische kapitalen ‘int jaer ons ....... cccccxxvii’ en in Romeinse kapitalen ‘Gerrit Jelckes Iantie Jans’ en twee afgekapte familiewapens. Gerrit Jelckes en Jantje Jans woonden op de Warff onder Warfstermolen (zie aldaar) (afb. 56, 57).

+ Op een omgracht terrein gelegen grote boerderij van het kop-hals-romptype met korte hals. Het woongebouw is aan twee zijden geheel ommetseld en is sinds enige jaren van een rieten kap voorzien. Een oude foto in het bezit van de eigenaar-bewoner geeft de oude toestand weer met een lang, niet onderkelderd voorhuis, dat in de topgevel zg. kloosterkozijnen had en de jaartalankers 1651 droeg. Van der Molen maakte een schets van deze toestand en een reconstructie van de plattegrond van de oude toestand voordat de zeer brede riet gedekte schuur gebouwd werd (S.J. van der Molen, Het Friesche Boerenhuis in twintig eeuwen, 2e druk Assen 1943, 65-68). In de achterste kamer van het voorhuis bevindt zich een natuurstenen schouwlatei, twee geornamenteerde staanders en twee voluten. Op de latei staat in het midden ‘Int jare ons Hreen (sic) ccccclii’ tussen twee fantasie-wapenschilden. De staanders lijken onderste boven herbruikt te zijn en dragen door middel van een soort kapiteeltje en een voluutstuk een verbreding van de latei. Het ornament van de staanders is eer 17e-eeuws dan 1551 te dateren. Van der Molen meende de gehele boerderij te kunnen dateren naar het jaartal op de schouw. Wij menen dat het eer om een herbouw uit 1651 gaat, waarbij een schouw van een afgebroken state of ander, mogelijk kloosterlijk gebouw herbruikt is. Dit laatste wegens de onhandige ornamentering van de wapenschilden, die oudere ‘meubelen’ kunnen vervangen hebben. Ook het gebruik van kloostermoppen lijkt ons eerder op afbraak en hergebruik te wijzen, waarbij de voorgevel geheel van eigentijds materiaal werd opgetrokken (afb. 43, 44, 45).

+ In het Waterstaatsarchief, thans bewaard op het Rijksarchief te Leeuwarden, bevinden zich twee tekeningen van te bouwen boerenplaatsen door A. Bonnema. De ene heeft als opschrift ‘Boereschuur te Buurum Grond en opstand’. De andere wordt onder Kollum behandeld. Beide zijn gebouwd in opdracht van Bote Eskes volgens de bijbehorende stukken in het notarieelarchief (1809-1842, inv. a 71009 nr. 718, 1835, acte 40). Te Burum gaat het om een grote boerderij met plaats voor 26 stuks melkvee benevens zes stuks jongvee en zes paarden. Volgens het bestek werd er alleen een nieuwe schuur gebouwd ‘bij de huizinge bewoond door Jan Temmes Sikkema’ onder den dorpe Burum nr. 176 (afb. 58).

 

+ Binnen het grondgebied van het dorp Burum worden twee archeologisch belangrijke terreinen aangegeven, een op ongeveer 200 m ten noorden van het west-oost lopende gedeelte van de Wytsmaweg bij het p.t.t. terrein en een aan de oostzijde van het dorp, waar Rosemastate gestaan zou hebben. De kaart van Halbertsma geeft bovendien de terp van Vrouweklooster (zie aldaar) en een terp op de grens met Augsbuurt ongeveer 700 m ten noorden van het punt waar de oude rijksstraatweg de Strobosser Trekvaart kruist.

[p. 29]



illustratie

Burum dorpsgezicht met molen en Gereformeerde kerk omstreeks 1910 naar prentbriefkaart


[p. 30]



illustratie

Afb. 24. De middeleeuwse kerk op omgracht terrein getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 25. De kerk uit 1784 met ingebouwde westtoren. Op de voorgrond de rechtssteen. Opname 1976.




illustratie

Afb. 26. Collectezakken-kapstok uit 1754. Opname 1976.




illustratie

Afb. 27. Tekening van merken op grafzerken door J. Scheepens 1899.




illustratie

Afb. 28. Detail van de preekstoelkuip uit 1754. Opname 1976.


[p. 31]



illustratie

Afb. 29. Inwendige van de kerk naar het oosten gezien. Opname 1976.




illustratie

Afb. 30. De preekstoel en het doophek. Opname 1976.




illustratie

Afb. 31. De Fogelsanghbank met opzetstuk gedateerd 1642. Opname 1976.


[p. 32]



illustratie

Afb. 32. De Hervormde pastorie aan de Wendel 1 uit 1878. Opname 1986.




illustratie

Afb. 33. Het pand Uithof 4. Opname 1986.




illustratie

Afb. 34. Zestienarms koperen kroon in de Hervormde kerk eind 18e eeuw geschonken door ds. H.H. Hesse. Opname 1976.




illustratie

Afb. 35. De twee zilveren avondmaalsbekers van Burum uit 1694 en uit onbekend jaar doch vóór 1794. Opname 1986.


[p. 33]



illustratie

Afb. 36. De voormalige lagere school aan de Uithof 9 uit 1851. Opname 1986.




illustratie

Afb. 37. De voormalige schoolmeesterswoning Uithof 11 met details aan de ingang en de dakkapel, die waarschijnlijk in 1857 aangebracht zijn. Opname 1986.




illustratie

Afb. 38. De midden 19e eeuwse Gereformeerde kerk met later toegevoegd ingangsportaal. Opname 1986.




illustratie

Afb. 39. Boerderij met dwars voor de schuur gebouwd woongedeelte aan de Herestraat 4 uit het begin van de 19e eeuw. Opname 1987.


[p. 34]



illustratie

Afb. 40. Herestraat 27-35, midden 19e eeuw. Opname 1987.




illustratie

Afb. 41. Herestraat 48-52. Reeks brede dorpswoningen uit het midden tot 2e helft 19e eeuw. Opname 1985.




illustratie

Afb. 42. Pandje Uithof 3 op traditionele wijze gebouwd na 1823. Opname 1987.


[p. 35]



illustratie

Afb. 43. Boerderij Wijtsmaweg 2 in oorspronkelijke staat met jaartalankers 1651. Repro naar ongedateerde foto.




illustratie

Afb. 44. Wijtsmaweg 2. Geornementeerde staander onder de schouwboezem.
Opname 1986.




illustratie

Afb. 45. Wijtsmaweg 2. Natuurstenen latei onder de schouwboezem, gedateerd 1552. Opname 1986.




illustratie

Afb. 46. De molen Windlust aan de Herestraat uit 1786. Opname 1977.




illustratie

Afb. 47. Herestraat 26. Zogenaamde rentenierswoning, tweede helft 19e eeuw. Opname 1985.


[p. 36]



illustratie

Afb. 48. Friese Straatweg 8. Voormalig tolhuis uit 1839-1840. Opname 1986.




illustratie

Afb. 49. 17e eeuwse bekroning met puttokopje, thans in ‘doorreed’ bij de voormalige herberg Friese Straatweg 4. Opname 1986.




illustratie

Afb. 50. Bouwtekening van de ‘tolgaarderswoning op den Straatweg tusschen de Steenharst en Gerkesbruggen’, ingezonden 27 september 1839.




illustratie

Afb. 51. Friese Straatweg 2. Achtergevel van de schuur. Opname 1986.




illustratie

Afb. 52. Friese Straatweg 2. Vooreind van de boerderij, in ankers gedateerd 1652. Opname 1986.


[p. 37]



illustratie

Afb. 53. Friese Straatweg 1-3. Boerderij ‘Vrouwenklooster Galilea’ van het kophals-romptype met lang voorhuis. Tweede helft 19e eeuw. Opname 1987.




illustratie

Afb. 54. Friese Straatweg 11. Boerderij Scharnehuizen met dwars voor de schuur gebouwd woongedeelte, dat onder het voorschild van het schuurdak opgenomen is. Bouwjaar 1887. Opname 1987.




illustratie

Aft. 55. Van Eysingaweg 4. Grote boerderij van het kop-hals-romptype uit 1879. Opname 1986.


[p. 38]



illustratie

Afb. 56. Keegensterweg 29. Boerderij van het kop-hals-romptype, eind 17e of 18e eeuw. Opname 1986.




illustratie

Afb. 57. Fragment van een natuurstenen latei met de namen van Gerrit Jelckes en Jantje Jans, die in de 17e eeuw op de Warf onder Warfstermolen woonden. Opname 1986.




illustratie

Afb. 58. Bouwtekening door A. Bonnema van een boerderij, die in 1835 te Burum gebouwd moest worden voor Bote Eskes.