Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 137]

Munnekezijl

Dorp dat zich ontwikkelde bij een zijl (sluis) die circa 1476 in de Lauwers ter regulering van de afwatering van deze rivier op de Lauwerszee was gelegd (Rienks en Walther, 65). In de naam van de nederzetting komt het initiatief van de monniken (van Gerkesklooster) ten aanzien van de zijl tot uitdrukking. Met de voortgang van de bedijking van de Lauwerszee, eveneens op initiatief van dit klooster, werd de noordelijke verlegging van de spuisluis in de Lauwers noodzakelijk. De ‘Monken Nijen Zijll’ volgde dan ook de Pieterzijl op, die op haar beurt de opvolgster van de zijl te Visvliet was. De sluis werd gebouwd in een vanaf de Lauwerszee gegraven kanaalvak, dat enkele kilometers ten zuiden van de zijl op de Lauwers aansloot. De ligging van de zijl werd voorts bepaald door de situering van de eveneens rond 1476 aangelegde dijk tussen het reeds bedijkte ‘oech’, ten westen van de Lauwers en de Ruige Waard, ten oosten daarvan (Rienks en Walther, 64, 65).

De situatie rond de sluis en daarmee de aanleg van de nederzetting heeft in de eeuwen daarna verschillende wijzigingen ondergaan. De oorzaken daarvan zijn niet steeds bekend, maar zullen vermoedelijk met de verbetering van de afwatering te maken hebben. Zo is de sluis enkele malen verplaatst. In 1539 is er sprake van een ‘nye’ zijl (Charterb. ii, 768) en, volgens Rienks en Walther (66), tevens van een oostwaartse verplaatsing, terwijl circa 1740 de zijl over een korte afstand in westelijke richting verlegd is, naar de plaats waar nu de huidige schutsluis ligt (Van der Wal, 6). Het kadastrale minuutplan geeft westelijk van de huidige sluis een opvaartje, mogelijk het restant van het water naar de oudste sluis. Rechts van de huidige sluis is op dezelfde kaart in de percelering een aanwijzing te vinden, voor de daaropvolgende verplaatsing. Het tegengaan van dichtslibbing door het tot stand brengen van een grotere stroomsnelheid van het water, leidde tot het graven van een nieuw kanaalvak vanaf de Munnekezijl tot de monding in het Reitdiep, ter vervanging van het bestaande bochtige tracé. Ongeveer halverwege werd een sluis gelegd (1754), waardoor dit gedeelte, tussen de Lauwerzijl en de Munnekezijl als 1600 m lange spuikolk dienst kon doen (Rienks en Walther, 70). Verdergaande landaanwinning in noordelijke richting leidde tot de aanleg van een zeedijk tussen Zoutkamp en Nittershoek (1877), waarin twee naast elkaar gelegen sluizen werden aangebracht, een voor het Reitdiep en een voor de Lauwers. Met de afsluiting van dit water aan de monding kon de Lauwerzijl worden vervangen door een brug.

De initiatieven gedurende de laatste decennia van de 19e eeuw tot verbetering van de afwatering in Friesland, gestimuleerd door de toepassing van stoomkracht, betreffen mede de lozing op de Lauwerszee, waar uiteindelijk een groot deel van de provincie afhankelijk van was. In dat kader werd de capaciteit van de doorstroming te Munnikezijl sterk vergroot door de aanleg in 1882 van een nieuwe spuisluis in een door bochtafsnijding ontstaan kanaalvak, circa 200 m oostelijk van de bestaande sluis. Van de overige ruimtelijke ontwikkelingen te Munnekezijl dient de aanleg van de schans in 1585, oostelijk van de toenmalige zijl te worden genoemd. Afwateringssluizen van enig belang hadden tevens een militaire waarde wegens de mogelijkheid van inundatie van het achterliggende gebied. Gedurende de laatste twee decennia van de 16e eeuw, toen de opstand tegen het Spaanse gezag in Friesland een sterk militair karakter had, werden tal van vitale punten op last van de stadhouder versterkt. Deze

[p. 138]



illustratie

Afb. 230. Kopie van het kadastrale minuteplan, omstreeks 1823. Schaal 1:7500


schans zou volgens overlevering zijn opgebouwd uit materiaal dat vrijkwam bij het kort daarvoor afgebroken Gerkesklooster (Andreae, '83, 85). Behalve als straatnaam zijn geen herinneringen aan dit militaire element in het dorp meer aanwezig. De bouw van een kerk in 1665 geeft aan dat de nederzetting in die tijd een zekere omvang moet hebben gekend. De Schotanuskaart (1718), het kadastrale minuteplan (1822) en de Eekhoffkaart (1847) geven buurtjes aan weerszijden van de enkele sluis. Met de aanleg van een nieuw kanaalvak met sluis in 1882 kwam een deel van het dorp (‘De Schans’) tussen beide sluizen in te liggen. Door de sanering van dit buurtje in de jaren zeventig van deze eeuw, vormt het sluizencomplex thans de oostelijke begrenzing van de dorpsbebouwing.

De op het kadastrale minuteplan duidelijk aangegeven en op de luchtfoto herkenbare wielen langs de voormalige zeedijk, zijn de door diepe uitspoeling van de bodem ontstane, met water gevulde gaten, gevormd tijdens een van de dijkdoorbraken in het gebied.

[p. 139]



illustratie

Afb. 231. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000.
Opname 1980.


[p. 140]

Sluis

+ De Munnekezijl of -sluis, waaraan het dorp zijn naam ontleent, was, zoals boven uiteengezet, door de monniken van Gerkesklooster gebouwd omstreeks 1476.

+ Bij de sluis moet een gebouw gestaan hebben, waar de abt van Gerkes- of Gerrits-klooster in 1574 nog de abt van Bloemkamp ontvangen kon, naar Andreae weet mede te delen (Andreae, Het klooster Jeruzalem of Gerkesklooster, Kollum 1891, 90). Het zal een gebouw geweest zijn waar pachten en dergelijke geïnd werden en de administratie van de bezittingen en het beheer van de sluis gevoerd werden.

+ In 1740 is de sluis in steen gebouwd (Rienks en Walther, 69) en sindsdien herhaaldelijk verbeterd en vernieuwd (afb. 232). In het archief van Harinxma bevinden zich onder nr. 357 brieven en resoluties van de Staten over deze werken. H.D.E. van Aylva refereert aan de zijlbrief van 1545 en schrijft over het besteden en voltooien van deze werken. Uit een Resolutie van de staten van 1 april en van 21 juli 1740 blijkt, dat er ‘troupen’ naar Munnikezijl zijn gezonden, waarvan de officier ‘bij de slattingen praesent’ moet zijn. Waarschijnlijk gaat het om ‘genietroepen’ voor werk aan de sluis. In het archief van de Provinciale Waterstaat (thans r.a. Friesland) bevinden zich technische tekeningen van onderhoudswerken onder meer door J.M. Ypey (afb. 233). In 1740 ontstond een geschil met de Staten van Groningen over de wateroverlast en in 1754 besloot men volgens Rienks en Walther naar aanleiding daarvan om 1600 m buiten de bestaande sluis een houten spuisluis te bouwen in een nieuw gegraven diep. De kaartenverzameling van het Rijksarchief te Leeuwarden bevat een schetskaart door H. Hardenberg van die houten spuisluis (inv. nr. 13.124) (afb. 234). Ook de tekeningen van de ‘Eb Spuideuren in de buitesluis der Monnikezijle’ (afb. 237) hebben kennelijk betrekking op deze sluis, die waarschijnlijk in stand en functie is gehouden totdat in 1882 een nieuwe spuisluis gebouwd is zuidoostelijk van de scheepvaartsluis.

+ In 1829 werd een nieuwe sluiswachterwoning gebouwd, waarvan in het Waterstaatsarchief een tekening berust. Onder het afdak staat: ‘Afdak voor het opbergen van werktuigen voor het sluisschouwen’ (afb. 236). Mogelijk gaat het om de opstal, die op de kadastrale minute op de dijk getekend staat ten noorden van de sluis.

 

+ In 1882 is een 11 kolken brede spuisluis met brug eroverheen gebouwd in een nieuw gegraven afvoerkanaal zuidoostelijk van de bestaande sluis. (afb. 240, 241).

+ Hiltje van der Wal, De brug annex keersluis te Munnekezijl. Rapport nr. 18 van de Stichting Moderne Architectuur Friesland, Leeuwarden 1983.

+ In een 36 m breed stroomkanaal is een waterkering gebouwd met 11 doorlaten ieder met twee stroomgaten, waardoor de waterlossing naar behoefte geregeld kan worden. Boven de pijlers, die door natuurstenen platen gedekt worden, werd een wegdek aangelegd met een natuurstenen balustrade aan de landzijde. Aan de zeezijde kwam een keermuur met contraforten. Twee trappen aan weerszijde geven toegang tot de bovenzijde van deze muur, waarlangs een dunne leuning voert. In de vloer bevinden zich metalen luiken die de bedieningsmechanismen voor de schuiven bedekken. De ontwerper van het kunstwerk is slechts bij naam bekend als ir. Methardus. De belangrijkste straat van het dorp is dan ook naar hem genoemd.

 

+ De schans, waarover in de vestingbouw-litteratuur zo goed als niets te vinden is, werd volgens Keune in het herdenkingsboekje ter gelegenheid van het 500-jarig bestaan van de plaats, (Munnekezijl 500 jaar, Uitgave Plaatselijk Belang. Munnekezijl 1976) door Caspar de Robles opgeworpen. In 1585 zou zij zijn verbeterd door de Staten van Friesland (brief van 12 juni 1585). De schans werd toen uitgebreid met een stenen wachthuis, waarvoor het materiaal uit de afbraak van Vrouwenklooster werd gehaald en naar Munnekezijl vervoerd (Keune, 26). Na de verovering van Groningen in 1594 werd het rustiger en kon rond de schans en bij de sluis een nederzetting uitgroeien, die+ in 1616 reeds een korenmolen rijk was. In die jaren ook was er reeds een jaarmarkt.

In 1661 zou er ook een brouwerij geweest zijn (Andreae 85, 1, 95).

Kerkelijke gebouwen

+ Het tegenwoordige Hervormde kerkgebouw vervangt een in 1897 afgebroken gebouw, waarvan foto's bestaan (afb. 239, 242, 243).

+ Smit, 36; Andreae '85, ii, 83 en 94.

[p. 141]

+ Correspondentie over de onverwachte afbraak van de kerk in 1897, a.r.a., Archief Bi. Za. inv. Bervoets nr. 1157; foto's in archief r.d.m.z., Zeist; Kerkvoogdij-archief Burum-Munnekezijl ter plaatse bij kerkvoogd.

 

+ Volgens Smit, die het kerkvoogdij-archief raadpleegde, werd in 1665 een kerk gebouwd te Munnekezijl, dat tot die datum onder Burum behoord had. De Staten hadden in 1655 reeds een ‘subsidie’ van 350 gld bijgedragen (Resol. van 25 sept. 1655). De aankoop van grond wordt in 1665 geproclameerd (q 6, 48). In 1759 zou de kerk een nieuwe westgevel gekregen hebben en werd een nieuwe preekstoel aangeschaft, waarna in 1856 een dakruiter op de nok werd gebouwd om een klokje in te hangen. Daardoor werd de schoolmeester van zijn taak van hoornblazen ontheven. Uit de correspondentie van het Ministerie met de Commissaris des Konings blijkt dat er in 1883-1889 circulaires waren uitgegaan inzake meldingsplicht van afbraak van oude gebouwen. De gemeente-architect H.A. Zondag schrijft dat er niets bijzonders aan het gebouw te zien was. Uit zijn brief leren we dat de kerk 11 × 9 m groot was en ‘vierkant’, ‘zonder houten dak’. Het ging dus waarschijnlijk om een open dakstoel.

Het rechthoekige zaalgebouw had drie paar smalle spitsbogige vensters, die door roeden in drie maal acht kleine velden voor glasruiten verdeeld waren. Het zeer hoge tentvormige dak gaf een bijzonder accent aan het gebouwtje. Op de hoeken stonden windwijzers met een wapen erin uitgesneden. De balken waren aan de muren bevestigd door middel van jaartalankers, waarvan alleen de laatste als 5 leesbaar is. Dit bewijst, dat het nog om het gebouw van 1665 ging. Met deze kennis valt op de foto ook de zes te herkennen.

+ Uit de foto van de preekstoel kan men aflezen dat de twee smalle vensters inwendig telkens gevat waren in een flauw spitsbogige nis en dat de preekstoel in 1759 aan een der lange zijden van het gebouwtje werd opgesteld. De achtzijdige preekstoelkuip was versierd met balusters op de hoeken, waarboven de kroonlijst verkropte. De panelen waren eenvoudig doch fraai van verhoudingen versierd met uitgegronde velden. De bijbehorende trap had soortgelijke balusters in de leuning; het klankbord had eenzelfde profiel als de kroonlijst. Uit de foto ziet men tevens, dat het doophek geheel onversierd en gesloten was en dat er hoogst simpele banken stonden.

+ Het nieuwe gebouw werd door dezelfde gemeente-architect ontworpen, die het rapport over de oude kerk gemaakt had. Het werd opnieuw een zaalgebouw, nu met topgevel aan de straat, waarboven een forse open klokkekoepel. Door de veel lagere dakhelling is deze gevel weinig interessant. Langs de vensters werden telkens drie natuurstenen blokken aangebracht, wat een levendig accent geeft aan de overigens saaie muren van machinale steen, die door steunberen willen aangeven, dat zij een kerkgebouw vormen.

+ In de klokkekoepel hing in 1940 een klok van 59 cm diam. gegoten door Petit en Fritsen in 1910.

Volgens Vrije Fries xvi, 1886 las men op de klok: ‘Waar vroeger 't hoorngeschal weerklonk/tot roepstem om Gods Woord te hooren/daar klinkt nu 't statig klokgebrom uit dezen nieuw gebouwden toren/En roept het volk naar 't huis des Heeren/om door gebed en lied Hem te eeren/En is de ziel aan 't stof ontvloden/Dan vergezelt haar dof geluid/Het lijk naar 't laatst verblijf der dooden/Uit vrijwillige bijdragen is in het jaar onzes Heeren 1856 deze toren op de kerk te Munnikeziel geplaatst, terwijl kerkvoogden waren J.E. Wiersma, J.T. Sikkema en L.J. Sikkema van welk werk aannemer was A.J. Nicolai. Gegoten door L.J. Elzinga en zoon in de Schrans bij Leeuwarden’.

 

+ Volgens Andreae ('85, ii, 95) zou er reeds in 1688 een school bestaan hebben. Smit vermeldt een met riet gedekt schoolgebouw te Munnikezijl, dat in 1809 vervangen werd. In 1873 werd er een nieuwe school gebouwd op een terrein buiten de bebouwde kom en een schoolmeesterswoning ernaast.

+ Kort na de Afscheiding te Ulrum is ook te Burum een afgescheide gemeente gesticht (zie aldaar). De Munnekezijlsters hebben in 1878 reeds een eigen hulpkerkgebouw opgericht aan de Poorthoek. In 1885 werden zij een zelfstandige gemeente. De kerk werd eerst in 1898 vergroot, maar in 1913 besluit de kerkeraad een nieuwe kerk te bouwen, waartoe opdracht wordt verstrekt aan de jonge architect E. Reitsma uit Groningen, die bekendheid zal krijgen als kerkbouwer.

[p. 142]

+ Volgens de klokregistratie door Heerma van Voss in 1942 hing er in de toren een klokje uit 1867, diam. 50,5 cm en gegoten door Petit en Fritsen. Op de mantel zag men hetzelfde wapen dat op de windvaan van de Hervormde kerk van 1665 te zien is, namelijk gedeeld, heraldisch rechts een monnikefiguur en links drie blokjes.

Boerderijen

+ Boerderij met twee schuren onder hoge schilddaken (afb. 249, 250). Ten westen voor de ene schuur staat reeds op de kadastrale minute het dwarsgeplaatste woonhuis onder zadeldak tussen zijtopgevels. De noorderzijgevel van dit gedeelte heeft de oude indeling nog behouden met beitelingen langs de zijden van de topgevel en twee vensters op de begane grond; deze geven licht in een vertrek, dat tegen de achterwand de bedsteden gehad zal hebben. In de topgevel zijn later drie vensters aangebracht en is de overkapping over de muur heen afgewerkt, hoewel de beitelingen duiden op een muur die voor de kap staat en door een dekplank gedekt dient te worden. In de topgevel boven de ingang in de langsgevel staat het jaartal 1775 dat de oorspronkelijke bouwdatum aangeeft. De topgevel zelf is echter aanzienlijk jonger en zal tegelijk met de nieuwe kap zijn aangebracht. Ook is toen een nieuwe balklaag aangebracht met gietijzeren wartels, die omstreeks 1860 in gebruik waren en is de ingang gewijzigd. Is er soms brand geweest, waarna het huis in dezelfde vorm is herbouwd? De rechthoekige vensters met zes glasruiten kunnen namelijk zeer wel uit 1775 dateren.

+ In 1982 is bij werkzaamheden aan de sluis een complete 17e-eeuwse stoepsteen opgebaggerd (afb. 244). De steen is opgesteld bij de sluis terzijde van de weg. Deze stenen dienden als voorste afwerking en als aanduiding van eigendom van een stoep voor de toegang van een huis (T. Brouwer, Stoepen, stoeppalen en stoephekken, Zutfen 1985, 67, 118 en 120 en tekening van deze steen op p. 118). Waarschijnlijk is de steen wel uit Munnekezijl afkomstig; mogelijk heeft hij later als grafsteen gediend.

+ Grote boerderij van het kop-hals-romptype met lang voorhuis (afb. 245, 246). Andreae vermeldt in zijn studie over de Lauwerszee (p. 164) dat hier vroeger een gevelsteen of stichtingssteen was met het jaartal 1559 en ziet in de plaats een soort uithof van Gerkesklooster of van Galilea. In het voorhuis bevindt zich tussen het tweede en derde venster van de ingang af gerekend, een dwarsmuur van een meter dikte en bestaande uit blonde kloostermoppen. De zuidelijke muur, waarin genoemde vensters staan, heeft een dikte van ongeveer 60 cm. De zware dwarsmuur gaat slechts twee meter hoog op uit kloostermoppen; daarboven bestaat hij thans uitwendig uit kleine gele steen. Een en ander pleit ervoor dat hier aan de oude zeedijk een stins gestaan kan hebben, die mogelijk in 1559 verbouwd werd, toen deze dijk verder buitenwaarts gelegd was en het Ooster Nieuw Kruisland ontstaan was.

+ Voor de beide schuren van deze boerderij is in 1932 een door architect W. Reitsema uit Leens (Karstkarel '84, 29) ontworpen woonhuis gebouwd, dat geen enkele relatie meer vertoont met de traditionele boerderijvormen (afb. 248). Behoudens de vensters van de hoekkamer zijn voorts na '45 de vensters van kalf en middenstijlen ontdaan, wat aan het ontwerp afbreuk doet.

+ Tegen de zeedijk staan twee grote boerderijen van het kop-hals-romptype, waarvan de gebouwen in aanleg waarschijnlijk uit de eerste helft van de 19e eeuw dateren (afb. 247). Beide staan reeds op de kaart van Schotanus als stemdragende plaatsen aangegeven.

Industriemolens

Aan de Poorthoek 8 staat een hoge stenen korenmolen (afb. 238).

 

+ Andreae '85, ii, 95; Keune, Korenmolens 20-26; Molens van Friesland 102, 152; Fries Molenhoek 148.

 

+ Op de kaart van Emmius uit 1616 staat te Munnekezijl ten westen van de Lauwers een windmolen aangegeven. De molen wordt ook genoemd in de lijst van niet rendabele molens, die in 1639 opgesteld werd in opdracht van de Staten. De molen werd echter niet afgebroken, want volgens Andreae werd er in 1642 gesproken van een ‘wyntmolen’ te Munnekezijl en op de kaart van Schotanus van 1689 staat een molen, nu ten oosten van de Lauwers. Dit zou echter ook betrekking kunnen hebben op de houtzaagmolen

[p. 143]

(zie hierna). Van vóór 1711 tot 1732 was de molen volgens Keune eigendom van Ypt Janssen en zijn zoon Jacob Ypes, die in 1728 zijn vader opgevolgd was. In mei 1741 werd de molen door de provincie aangekocht van Claes Klaassen en gesloopt.

+ Tussen 1741 en 1856 was er te Munnekezijl geen windmolen. In februari van het laatste jaar echter werd door b. en w. het verzoek behandeld van Nikel Bansema een koren- en pelmolen te mogen bouwen. Aangezien men meende dat er in het dorp geen behoefte aan bestond, werd het rekest in eerste instantie afgewezen. Later echter werd alsnog goedkeuring verleend, doch alleen voor een korenmolen. Een jaar later verzocht Bansema alsnog in zijn molen pelstenen te mogen aanbrengen. Bij onderzoek bleek echter, dat de pelstenen er van het begin af reeds geweest waren, waardoor b. en w. ontstemd raakten en afwijzend reageerden. Gedeputeerde Staten hadden echter begrip voor de zaak en verleenden alsnog in maart 1857 vergunning.

+ Op de hoeken van de gemetselde hoge voet (gemetseld in koppen- en strekken-lagen) bevinden zich pilasters die doorlopen tot aan de stelling. De pilasters van het gemetselde onderachtkant (gemetseld in halfsteensverband) zijn smaller dan die van de voet. In de voet bevinden zich, de stellingzolder inbegrepen, twee zolders. De balklagen bestaan uit vier balken als bintlagen kruislings gelegd. De segmentboog boven de toegang draagt een sluitsteen met het jaartal 1856. Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem met drie bintlagen. De basis en de opbouw van de kap zijn van eiken. Lange spruit (eveneens van eiken) als middelbalk, ter hoogte van de koningsspil met een slof verzwaard en tevens als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op een kruiring; de staart heeft een kruilier. Op de baard de jaartallen 1856 en 1971; het jaartal 1856 is eveneens in het riet van een van de velden uitgesneden.

+ Wieksysteem: fokwieken (systeem Fauël met remkleppen) oud-Hollands opgehekt, voorheen zelfzwichting met oud-Hollandse voorzoom; stalen roeden, vlucht 19,34 m. Gietijzeren doorboorde bovenas, gegoten in 1894 door de ijzergieterij ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage. Het verdere gaande werk bestaat thans uit: bovenwiel, koningsspil met een rondsel voor het luiwerk en spoorwiel, hierop aangesloten één koppel stenen (de steenkuip is met zinkplaten bekleed). In de twintiger jaren werd een elektromotor aangebracht. Thans bevindt zich in de voet een tweede koppel stenen aangedreven door een 30 pk dieselmotor.

+ In 1937 werd de molen door een windhoos getroffen; schade werd vooral aangericht aan de roeden en het gaande werk. In 1970-1971 vond een restauratie plaats, waarbij onder andere vernieuwd werden: de basis (met uitzondering van de penbalk) en de opbouw van de kap en een deel van de staart, de gehele stelling, een veldkruis en een deel van het ondertafelment; ook werd toen het koppel maalstenen weer opgesteld. De zelfzwichting werd verwijderd en vervangen door het hierboven omschreven systeem.

 

+ Volgens Andreae ('85, ii, 95) stond er een houtzaagmolen ten oosten van de Lauwers. De molen heeft tot ongeveer 1920 bestaan en is waarschijnlijk eerst in de 19e eeuw gebouwd, waarschijnlijk voor Jan Sytses Bok, geboren in 1830. Mogelijk is de molen gebouwd door Jan Ritsma, molenbouwer te Munnekezijl. Het ongezaagde hout werd bij Halbertsma in Grouw gekocht en via het Kolonelsdiep en Lauwers naar Munnekezijl vervoerd, waar voor boerderijen in de nieuwe polders veel hout benodigd was. De eigenaar van het bedrijf heeft te Munnekezijl woningen bezeten, de zogenaamde Bokkebuurt (n.n.o.f. 11 februari 1976).

+ In het Weesboek (p 1, f. 93 v.) komt in het jaar 1572 een kalkoven voor te Munnekezijl (Van der Meer).

[p. 144]



illustratie

Afb. 232. De in 1740 gebouwde sluis in de toenmalige zeedijk. Opname 1965.




illustratie

Afb. 233. Technische tekening van een gedeelte van de sluiswerken door J.M. Ypey.




illustratie

Afb. 234. Voorstel voor sluiswerken in een nieuw te graven afwateringskanaal door H. Hardenberg.


[p. 145]



illustratie

Afb. 235. Technische tekening van de sluis in ‘Rhijnlandse voeten’.




illustratie

Afb. 236. Bouwkundige tekening van een sluiswachterswoning uit 1829.




illustratie

Afb. 237. Technische tekening van de ‘Ebspuideuren in de buitensluis der Monnikezijlen’.


[p. 146]



illustratie

Afb. 238. De korenmolen van Munnekezijl. Opname 1977.




illustratie

Afb. 239. De Hervormde kerk uit 1898. Opname 1987.




illustratie

Afb. 240. Bovenaanzicht van de spuisluis van 1881. Opname 1987.




illustratie

Afb. 241. De spuisluis van 1881 van de landzijde gezien. Opname 1987.


[p. 147]



illustratie

Afb. 242. De preekstoel van 1759 in de voormalige 17e eeuwse kerk. Opname waarschijnlijk 1897.




illustratie

Afb. 243. De in 1897 afgebroken 17e eeuwse kerk met de dakruiter uit 1856. Opname waarschijnlijk 1897.




illustratie

Afb. 244. Uit de sluis opgedolven 17e eeuwse stoepsteen. Opname 1987.




illustratie

Afb. 245. Inwendige van het vooreind van de boerderij Olde Borchweg 40, waaruit de dikte van de scheidingsmuur valt af te lezen. Opname 1987.




illustratie

Afb. 246. Noordmuur van het vooreind van de boerderij Olde Borchweg 40. Opname 1987.


[p. 148]



illustratie

Afb. 247. Boerderij Olde Borchweg 46 met laat 18e of vroeg 19e eeuws muurwerk met hanekammen boven de vensters en hooggeplaatst venster van de opkamer achterin het vooreind. Opname 1987.




illustratie

Afb. 248. Boerderij Olde Borchweg 65 met woonhuis uit 1932. Opname 1987.




illustratie

Afb. 249. Zijgevel van het woongedeelte van de boerderij Methardusstraat 2. Opname 1987.




illustratie

Afb. 250. De boerderij Methardusstraat 2. Opname 1987.