Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Kollumerland en Nieuw Kruisland, voorafgegaan door Overzicht van de bouwkunst in Noordelijk Oostergo. SDU uitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 215]

Westergeest

Het dorp ligt op een pleistocene opduiking ten noordwesten van de woudgronden, daarvan gescheiden door een enkele honderden meters brede laagte. De betekenis van het onderdeel ‘geest’ uit de plaatsnaam, akkerland temidden van lager gelegen klei- en veengronden, komt goed overeen met de beschrijving van het dorp in de Tegenwoordige Staat van 1745 (222): ‘Bij de kerk is eene buurt, waaromtrent men hooge bouwlanden heeft; doch het overige is meest laag land’. Het bouwland heeft in de loop van de 20e eeuw plaats gemaakt voor grasland, maar in landschappelijk opzicht onderscheidt de ‘geest’ zich nog duidelijk van de omgeving door de aanwezigheid van beplanting en door het hoogteverschil. Het eerste deel van de plaatsnaam zal betrekking hebben op de ligging van de geest, namelijk westelijk van de Wijgeest te Oudwoude.

Een stelsel van centraal over de ‘geest’ gelegen wegen bepaalt de langwerpige plattegrond van het dorp, een situatie die door Schotanus reeds gegeven wordt. De zeer oude kerk (eerste helft 12e eeuw) ligt tussen beide wegen in die, blijkens het kadastrale minuteplan, onderling door enkele paden verbonden zijn. De aan het genoemde stelsel van wegen gelegen bebouwing is sinds de 19e eeuw toegenomen en is nu voor het merendeel niet agrarisch meer van karakter.

De noordpunt van de ‘geest’ wordt doorsneden door het in 1880-1881 gegraven kanaal de Nieuwe Zwemmer, dat met vergrote capaciteit de afwateringsfunctie van de Oude Zwemmer voor Kollumerland en delen van Achtkarspelen en Dantumadeel overnam.

[p. 216]



illustratie

Afb. 346. Kopie van het kadastrale minuteplan omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


[p. 217]



illustratie

Afb. 347. Luchtfoto. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 218]



illustratie

Afb. 348. Kopie van het kadastrale minuteplan Weerdeburen omstreeks 1823. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 349. Kopie van het kadastrale minuteplan 't Convent en Idema State omstreeks 1823, Schaal 1:7500


[p. 219]



illustratie

Afb. 350. Luchtfoto Weerdeburen. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.




illustratie

Afb. 351. Luchtfoto 't Convent en Idema State. Schaal ca. 1:6000. Opname 1980.


[p. 220]

Hervormde kerk

+ De oorspronkelijk aan S. Maarten gewijde, thans Hervormde kerk ligt op een ruim, verhoogd en omheind kerkhof aan de westzijde van de ongeveer noord - zuid lopende Eelke Meinertswei. De dorpskom ligt noordelijk van de kerk. De kerk is eigendom van de Hervormde Gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 352, 353, 355 t/m 381).

+ Naast het kerkhof bevindt zich een zoetwaterdobbe (Van der Bij, Pingo's etc. 25). De dobbe is geen terpdobbe geweest, daar Westergeest niet op een terp ligt, doch op een zandrug.

 

+ Benef. 232; r.v.g. 180; Andreae '85, ii, 34; j. en m. ii, 93 en 536; Muller, Reg. en Rek., 418; Van Buijtenen, Achtkarspelen 33-34; Bull. k.n.o.b. 1957, 213*; R. Meischke, Het kleurenschema van de middeleeuwse kerkinterieurs van Groningen, Bull. k.n.o.b. 1966, 59; Herma M. van den Berg, In pago cui nomen Ostrache, Zum Typus der einschiffingen Kirche mit Annexen in Friesland in: Baukunst des Mittelalters in Europa, H.E. Kubach zum 75. Geburtstag, Stuttgart 1988.

+ Tekening J. Bulthuis 1791, coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 355); bouwkundige schetsen door J.J. Bolman (afb. 356, 357) ib. De schetsen zijn rechts onder gemerkt: ‘opgenomen door de Hr. mr. J.J. Bolman secretaris van Kollumerland en mij vereerd den 22 Dec. 1854 W.E.’ (ekhoff); opmetingsschetsen door Ad. Mulder, 1895, archief r.d.m.z. Zeist.

+ Rekening en verantwoording kerkvoogdij 1730-1881 en 1902-1962 in Streekarchivariaat Noordoost Friesland te Dokkum; handschrift Schoolmeester, p.b. Leeuwarden.

 

+ In 1333 wordt de kerk van ‘Ghaest’ genoemd onder de kerken, waarvan de abt van Dokkum aanspraak maakt op de institutie. In 1374 komt eveneens onder kerken, waarop Dokkum recht laat gelden de kerk van ‘et Gast’ voor. Daar in het Beneficiaalboek van 1543 en in het Register van Opkomsten van 1580 gezegd wordt, dat de pastorie aan de abdij van Dokkum behoort, neemt men aan, dat in de 14e-eeuwse oorkonden eveneens van Westergeest wordt gesproken en niet van Rinsumageest, hetgeen dan ook in 1555 het geval blijkt te zijn (Andreae '83, 56). Volgens Muller was de kerk een seendkerk onder Dokkum. Andreae spreekt van een dekanale kerk.

De kerk is steeds rijk begiftigd geweest. Zowel het Beneficiaalboek als de Registers van 1580 noemen naast patroons- en pastoriegoederen een vicarie en een prebende; in 1580 bovendien kosterijgoederen, die in 1543 van de vicarie afgenomen werden. Naast de patroon S. Martinus wordt een altaar van H. Anna en voor Onze Lieve Vrouwe genoemd. Andreae weet te melden, dat de kerk ‘omstreeks een halve eeuw geleden’ (dus omstreeks 1835) vertimmerd was. Voordien was het een duister gebouw. In 1808 zou volgens de schoolmeesters aantekeningen van de toren een gedeelte afgenomen zijn, dat door een zadeldak gedekt was. De kerkvoogdijrekeningen geven daarover evenwel geen uitsluitsel.

Uit deze rekeningen blijkt wel dat er in 1822 veel reparatie is gedaan aan de kerk: onder andere het leggen van nieuwe balken. H.J. Helder leverde ‘twee zware Oostzeesche balken’ en er werd oud hout verkocht. Ook in 1841-1842 werd er meer onderhoud betaald dan gebruikelijk en verkocht men steen en puin. Aan W.P. Ruwersma werd zowel in 1812 als in 1841 verfwerk en glasmaken betaald.

In 1867 tenslotte vermelden de rekeningen buitengewone herstellingen, waartoe P.J. Schaafsma voor bestekken werd betaald. Joh. Pijnacker voerde de verbouwing uit.

De kerk is in 1955-1957 gerestaureerd onder leiding van ir. J.J.M. Vegter te Leeuwarden. Tijdens de restauratie kwam een noord - zuid lopend fundament aan het licht ‘bij de preekstoel’. Dit kan de fundering van een koorafscheiding betroffen hebben. De toren werd bij die gelegenheid op een betonbalk vóór de fundering verankerd; in de muren werd een betonnen ringbalk aangebracht.

+ De kerk bestaat uit een schip, dat uitwendig ter breedte van een kop versmalt bij de overgang naar het koorgedeelte. De halfronde sluiting van het koor springt met een steenlengte in. De westtoren is half ingebouwd en beneden versierd door een reeks spaarnissen, die zich over het schip voortzet. Aan de toren zijn deze echter iets smaller dan aan het schip. Juist voorbij de zuidwestelijke hoek van het schip was het muurwerk

[p. 221]



illustratie

Afb. 352. Hervormde kerk. Plattegronden, doorsneden. Getekend 1976 naar opmeting in dat jaar.


[p. 222]

tot de restauratie geschoord door een zware diepe steunbeer. Aan de zuidzijde zijn vijf grote spitsbogige vensters aangebracht ongeacht de oorspronkelijke vensterindeling.

+ Schip en koor zijn opgetrokken van baksteen. Aan de toren meet deze beneden 19 × 9 cm, 10 lagen 101 cm; van ongeveer de halve hoogte van de toren af is de baksteen iets dunner, zodat 10 lagen slechts 97 cm meten. Er zijn veel strekken verwerkt. Aan het schip meet de steen beneden 29-31 × 9 cm, 10 lagen 100 cm, verwerkt in verband van twee tot drie strekken afgewisseld door een kop. Binnen het bovenste spaarveld is de steen iets dunner en korter, doch met een dikkere voeg verwerkt. De koortravee is van steen van 28 × 8 cm, 10 lagen 89 cm in onregelmatig verband met zeer veel strekken; bovenaan zijn iets langere stenen gebruikt 29-30 × 8 cm evenals aan de absis, waar 10 lagen 91 cm meten.

+ De toren gaat onversneden op en behoudens een smalle rondbogig gesloten ingang aan de westzijde en een lichtspleet erboven, is hij gesloten tot de klokkezolder, waar aan elke zijde een breed korfbogig gedekt galmgat staat in een rondbogige omlijsting van een kopse sprong. De kanten van het oostelijke galmgat waren eens uitgebroken tot een aanvankelijk ronde opening (voor een wijzerplaat?). Aan de voet is het torenmuurwerk geleed door rondboognissen, telkens één aan noord- en zuidzijde en drie aan de westgevel, in de middelste waarvan de ingang is gevat met twee kopse sprongen omlijst. De ingang was tot de restauratie dicht gezet. Op de zuidwestelijke hoek lopen in het muurwerk ongeveer om de vier meter hoogte rood zandstenen lijsten, mogelijk als waterslag bedoeld op de meest kwetsbare hoek. Inwendig is de beganegrondse ruimte overkluisd geweest door een ribloos koepelgewelf, waarvan de muralen en hoekaanzetten aanwezig zijn; thans ligt er een houten zoldering over. De westelijke ingang kon door een sluitbalk vergrendeld worden. De ruimte staat in verbinding met de voorkerk door een brede rondbogige doorgang, die aan de kerkzijde geprofileerd is met twee bolprofielen en één hol, afgewisseld door sprongen. De verdieping is bereikbaar langs een ladder in de zuidelijke zijruimte naast de toren en via een later westwaarts verbrede rechthoekige doorgang in de zuidermuur; in de west- en oostmuur zijn smalle lichtspleten. Die in de oostmuur is spitsbogig gesloten. De korte klokkestoel steunt op een balklaag. Die boven de tweede versnijding is ingelaten. In de makelaar van het kapje staat ‘1870 is door MJ en Zn. MJ = HM is deese Maakelaa en souder gemaak’ (sic).

+ De ruim één meter dikke noordmuur van het schip heeft een indeling in twee zones.

De benedenste heeft zes ondiepe, rondbogig gesloten spaarnissen, in de derde waarvan de ingang staat. Het veld tussen ingangsboog en spaarboog is nog eens gedetailleerd door een boog. Rond de ingangsboog lopen twee strekse lagen mee, hetgeen op een wijziging duidt. Waarschijnlijk was de toegang aanvankelijk recht gedekt. De spaarnissen naast de ingang vertoonden voor de restauratie aanzienlijke resten van bepleistering.

Boven de rondbogige nissen staan twee grote rechthoekige spaarvelden tussen lisenen; zij zijn afgesloten door een rondboogfries op kraagsteentjes, die geprofileerd zijn met een kraal en een zaagtandlijst. De boogjes bestaan uit twee grote stenen en een kleine als sluitsteen. In de oostelijke helft van elk spaarveld staat een klein spitsbogig venster, waarvan de strekse rollaag langs de kop vergezeld is van een platte laag. De asymmetrische plaatsing van de vensters zal samenhangen met de ingebouwde toren. Daar op foto's van voor de restauratie het omringende metselwerk veel onregelmatigheden vertoont, nemen wij aan dat de vensters ooit gewijzigd zijn en aanvankelijk rondbogig waren, als aan de zuidzijde.

Het muurwerk van het koorgedeelte vertoont aan deze zijde bovenaan een groot spaarveld met een liseen aan de oostzijde. Het afsluitende boogfries is bij de restauratie weer aangebracht in het vervolg van twee resterende boogjes, aan het begin en aan het einde van het veld. Aan de westzijde ontbreekt de afsluitende liseen. Op de versnijding staat in het midden van de koortravee een klein rondbogig gesloten venster dat bij de restauratie hersteld is. Iets oostelijker aan de voet van de muur een rechthoekige opening gedekt door een roodzandstenen plaat.

In het muurwerk van het spaarveld zijn op oude foto's onregelmatigheden te zien, die samenhangen met de aanwezigheid van een grote, later gedichte boog, die het westelijke gedeelte van de versnijding van het spaarveld verstoort. Daar de dichtzetting in de dagkant van de doorgang is gezet, ziet men de twee sprongen nog, waarmee de

[p. 223]



illustratie

Afb. 353. Hervormde kerk. Details boogfries en consoles koorsluiting en noordzijde schip. Getekend 1988 naar gegevens H. van der Wal, 1955.


boog in het muurwerk stond. Voor de restauratie waren in het benedenste muurwerk de afgekapte noord - zuid lopende muren van een aanbouw duidelijk waar te nemen (afb. 359). Daar er geen moet van een zadeldak op de muur aanwezig is, nemen wij aan, dat de aanbouw door een lessenaarsdak gedekt werd.

Aan de zuidzijde van het schip is het muurwerk van het maaiveld af verdeeld in zes rondboognissen als aan de noordzijde. De eerste was verborgen achter de brede steunbeer, die hier eens was opgericht en die bij de restauratie verwijderd is. Een spaarveld is hier niet aanwezig. Wel zijn boven de later aangebrachte grote spitsboogvensters sporen te zien van twee rondbogige vensters in de vorm van de strekse laag, die over de rollaag van de oorspronkelijke vensters liep. Het meest westelijke van deze vensters is bij de restauratie opnieuw aangebracht en men heeft het rondbogig gesloten naar analogie van de moeten van de twee andere vensters aan deze zijde. Voordat de grote vensters aangebracht werden, waren de oorspronkelijke vensters reeds vervangen door andere op ongeveer dezelfde plaats, die iets smaller en spitsbogig waren en omlijst door een kopse laag, die nog aanwezig is.

Het koorgedeelte vertoont aan de zuidzijde eveneens de versnijding die aan de noordzijde aanwezig is. Er is echter geen rondboogfries, evenmin als aan het schipgedeelte. De rijkere uitvoering aan de noordzijde zal haar oorzaak vinden in het feit, dat het dorp aan die zijde van de kerk lag. Wel aanwezig is aan de zuidzijde de oostelijke liseen en de aanzet van het spaarveld en het op de versnijding van het spaarveld staande rondboogvenster, dat aan deze zijde met tufsteen omlijst is en hoger is dan aan de noordzijde. Een brede doorgang naar een aanbouw tekent zich ook aan de zuidzijde af. Bij de restauratie zijn aan deze zijde de noord - zuid lopende muren van de aanbouw drie lagen boven het maaiveld opgehaald. De dichting van de boog staat hier slechts een kopse sprong binnen het veld van de muur. Een van de grote spitsboogvensters is door deze dichting heen gehakt. Onder het oostelijke van deze drie ingehakte vensters is een laagstaand rondbogig gesloten venster hersteld; onder het naaste ingehakte venster is het benedenste gedeelte van een ander laagstaand venster als rechthoekig veld gedicht.

[p. 224]

De absis is verdeeld in vijf smalle spaarvelden, die ongeveer twee meter boven het maaiveld beginnen. Zij zijn gescheiden door smalle lisenen, die een basislijst en een lijstkapiteel hebben, beide in de vorm van geprofileerde bakstenen. Op de kapiteellijst komen de rondboogjes neer van het afsluitende fries. De zuidelijk helft van het fries is bij de restauratie aangebracht naar duidelijke sporen. In de as van het koor stond een spitsboogvenster met kopse rollaag als de grote schipvensters. In de westelijke velden zijn rondboogvensters aangetroffen, gevat in een nis met een kraalprofiel in de sprong. In de kop was tufsteen verwerkt. Het omlijstende metselwerk was voor de restauratie duidelijk in het bestaande werk aangeheeld. Men moet aannemen, dat er aanvankelijk andere vensters gestaan hebben, die vervangen zijn, toen de absis ingewelfd werd met het thans aanwezige gewelf.

+ Het inwendige is door een houten schotwerk verdeeld in een voorkerk, waarheen de beide toegangen leiden en een preekkerk. De beide meest westelijke vensters geven licht in de voorkerk. De gehele kerkruimte is gedekt door een vlak houten plafond.

Onder de balken zijn hier en daar uiteinden van gotische sleutelstukken met peerkraalprofiel aanwezig. De absis is gedekt door een half koepelgewelf, dat tegen een brede flauw spitsbogige absisboog rust. De boog gaat op van een omlopende lijst. Door de aan het licht gebrachte schildering heen kan men zien, dat dit absisgewelf uit secundair toegepast tufsteenmateriaal bestaat. In de westelijke hoeken van de absisboog zijn de aanzetten overgebleven van een graatloos gewelf over de koortravee, waarvan in de noordmuur de oplegging duidelijk te zien is (afb. 368). Aan de zuidzijde is het muurwerk waarschijnlijk bij het inhakken van de spitsboogvensters bijgewerkt en ziet men slechts een horizontale versnijding in de dam tussen de beide vensters. De doorgang naar de voormalige noordelijke aanbouw tekent zich ook inwendig duidelijk af; de boog gaat op van een lijst in de dagkant. Aan de zuidzijde is inwendig de dichting geheel weggewerkt ten behoeve van de daar opgestelde preekstoel. Aan de zuidzijde zijn bij de restauratie de latere vensters met houten kozijnen in wezen gelaten, aan de noordzijde zijn de nog aanwezige middeleeuwse vensters hersteld. In de absis is aan de zuidzijde direct achter de absisboog een piscina-nis, die in een uitmetseling staat, hersteld.

Het gebouw wordt gedekt door een kap van rondhout.

+ De geheel uit baksteen opgetrokken kerk vertoont aan het schip een metselverband van twee tot drie strekken afgewisseld door één kop, terwijl aan het koor tot vijf strekken naast elkaar voorkomen. Dit laatste verschijnsel wijst op het begin van de baksteenperiode, toen men nog in tufsteen imitatie dacht. De koorpartij met het kleine rondboogvenster in de noordmuur van de koortravee kan dan ook in het midden van de 12e eeuw gedateerd worden. Wij zien hier een directe navolging van de abdijkerk van Dokkum, daar de westelijke koortravee brede doorgangen bezat naar aanbouwen aan de noord- en de zuidzijde, die als te Dokkum met een abside gesloten zullen zijn geweest. De aanbouwen waren lager dan het muurwerk van het koor, zodat het afsluitende boogfries uitwendig doorgelopen heeft. Het ontbreken van de westelijke liseen, waarop dit boogfries aangesloten moet hebben, wijst erop dat het muurwerk van het schip over deze liseen heen aangehecht is en dus jonger is. De rijkere detaillering daarvan zou daarop tevens kunnen wijzen. Daar de plaatsing van de vensters samenhangt met de aanwezigheid van de half ingebouwde toren, moet deze in het plan van het schip voorzien geweest zijn. Het schip zal een tufstenen schip vervangen hebben. Gedeelten van het afkomende materiaal zijn toegepast bij verbeteringen van het koor, bestaande uit een nieuwe inwelving en grotere vensters, die van een kraal werden voorzien en waaraan ook tufsteen werd toegepast. Daar in het schip aanvankelijk nog slechts rondbogen werden aangewend zal er niet veel tijd verstreken zijn tussen de beide bouwperiodes en kan het schip ook nog 12e-eeuws gedateerd worden tot rond 1200, daar de boog, waartegen het gelijktijdig aangebrachte koorgewelf kwam te rusten, reeds flauw spitsbogig is. De spitsbogige vensters aan de noordzijde van het schip zouden dan einde 13e eeuw ontstaan kunnen zijn, wanneer de omlijsting met een strekse laag meer gezien wordt. Behoudens wijzigingen naar nieuwe smaak van de vensters aan de zuidzijde heeft de kerk haar middeleeuwse vorm behouden tot, zoals De Schoolmeester in 1857 schrijft: ‘voor enige jaren (de glasraamten) in eene geregelde orde gebragt (zijn), zoodat de kerk thans met groote en fraaije glasraamten is voorzien’. In de kerkrekeningen komen in 1841 posten voor die hierop betrekking kunnen hebben.

[p. 225]

+ De kerk bezit:

+ Een eenvoudige eiken preekstoel met zeszijdige kuip van paneelwerk, klankbord, achterschot en trap, xix (afb. 379).

+ Het orgel is in 1891 vervaardigd door de firma Bakker en Timmenga te Leeuwarden (Wumkes ii, 542) en is in een sierlijk getimmerde kas van drie torens gevat.

+ De banken van paneelwerk zijn grotendeels bij de restauratie vernieuwd; de oude banken hadden gezwenkte en deels opengewerkte hoekstukken.

+ In de vloer een aantal middeleeuwse rode en grijze zandstenen zerken en zerkfragmenten (niet bij Martin vermeld) (cf. G. Kiesow, Ostfriesische Kunst, Bd. ix van de serie Ostfriesland im Schutze des Deiches, Pewsum 1969, 20 e.v.).

In het koor:

1.een sterk gesleten roodzandstenen zerk, waarvan herkenbaar is de brede rand en de imitatie dakvorm. 70 - plm. 100 × 232 cm, xib-xii;
2.fragment omlijsting en imitatie dakvorm (afb. 380);
3.een roodzandstenen zerk met brede rand en imitatie dakvorm en ongeveer in het midden van de lengte nog een richel, 66-82 × 215 cm, xii (afb. 370);
4.een blond zandstenen zerk met palmettenrand en orante figuur gekleed in een door een midden voor geknoopte gordel gehouden kleed (afb. 378); boven het hoofd drie figuurtjes, te weten twee engelen, die de ziel van de gestorvene hemelwaarts dragen, 69-91 × 233 cm, xii;
5.een rood zandstenen zerk met brede rand, waarbinnen geometrisch ornament aan weerszijden van een middenregel, 64-85 × 214 cm, xii (afb. 371);
6.een 125 cm lang fragment van een roodzandstenen zerk met binnen de rand geometrisch ornament aan weerszijden van een middenregel, 83 cm breed, xii (afb. 381);
7.een later herbruikte roodzandstenen zerk, 75 × 84 cm, met in de hoeken wapenschilden met wapens en op het middenveld een uitgegrond veld en drie wapenschilden. Randschrift: ‘Ao 1551 den 2 novembris sterf dē eer..... Syye vā Buma Ao 1605 dē 21 october sterf de eerbare Anna vā Baeuma en leggen hier begraven.’ In de hoeken: links boven gedeeld, heraldisch rechts in drieën gedeeld en in het middenste deel een zespuntige ster, links twee klavers; links onder gedeeld rechts een halve adelaar, links drie klavers twee en een; rechts boven een engel die een schild houdt met zespuntige ster, rechts onder drie klavers twee en een. In het midden een vrouwelijk schild als rechts boven in de hoek te midden van twee manlijke schilden te weten, links gedeeld, heraldisch rechts de halve friese adelaar, links twee fleurs de lis, rechts een zwaan naar rechts;
8.onder de preekstoel een rood zandstenen zerk, 67-82 ×. 222 cm, met brede rand en geometrisch ornament aan weerszijden van een middenregel, xii (afb. 369);
9.een aan beide uiteinden geschonden fragment met imitatie dakvorm.
Voor de restauratie lagen de zerken in het westelijke gedeelte van de kerk en op het kerkhof. Enige grote hardstenen zerken zijn grotendeels door het plankier bedekt. Dr. O. Vries was zo vriendelijk zijn aantekeningen, die hij maakte toen het plankier verwijderd was, ter beschikking te stellen:
Een zerk met opschrift: ‘1581 de.... o Novemb. sterf dē eersame en geleerdē Hessel Tiepkē ređ..... Ao 1611 dē 15 december sterf de eerbare Wycke van..... ersma syn wyf’. Een zerk met opschrift: ‘Ao 1641 den 2 february sterf den E. Erentphes̄ Gadie Hessels van Broersma oud 60 jaren leit hier begraven’.
Volgens Gens Nostra 1966, 76 nog een zerk met opschrift: ‘Ao 1625 de 15 Octobris sterf den E. Eerentphesten Wieger van Buma en leit hier begraven’.
Op het kerkhof ten noorden van de kerk staan vier staande grafzerken ontstaan uit doorgezaagde stoeppalen.

+ Volgens het handschrift van De Schoolmeester hingen er in de kerk voorheen wapenborden, onder andere van de familie Buma en Hanecrooth.

+ Op de absisoverwelving is in 1895 een beschildering aan het licht gekomen (afb. 372 t/m 374).

 

+ A. Jolles en J. Kalff in Leeuw. Crt. 22 aug. 1895; dez. in Tak's Kroniek 1895, 266, f.v.a. 1898, 48; Hoogewerff i, 51; Jaarverslag Voorl. Monumentenraad 1956, 4.

+ Aftekening uit 1895 door Ad. Mulder in archief r.d.m.z.

+ Na de ontdekking in 1895 zijn de schilderingen wederom overgewit tot ze in 1957

[p. 226]

opnieuw aan het licht gebracht werden tijdens de restauratie van de kerk. De restauratie van de schilderingen geschiedde onder toezicht van de rijksinspecteur voor de roerende monumenten door de heer J. Nijendaal te Wijk bij Duurstede. Ook in het noordelijke muurvlak van de koortravee werd een fragment decoratieve beschildering geconserveerd.

 

+ Het koepelgewelf is door ornamentranden en opschriften in gotische kapitalen in drie evenwijdige stroken verdeeld; in de kalot is een cirkelsegment aangegeven door een zware lijn vergezeld van twee dunnere lijnen op verschillende afstanden, waardoor een lijst gesuggereerd wordt. De ornamentbanden zijn door zigzaglijnen in driehoeken verdeeld, waarbinnen tot lelies gewijzigde palmetten staan binnen driepassen. In de tweede band zijn gereduceerde bladranken met een hartvormig middendeel gebruikt, terwijl ook de zigzaglijnen minder geprononceerd zijn. In de benedenste band zijn opnieuw duidelijke zigzagbanden te zien, waarbinnen driebladen zijn aangebracht.

Boven de bovenste ornamentrand loopt een letterband met gotische kapitalen. Volgens de aftekening door Ad. Mulder liep ook boven de middelste band een letterband. Op het cirkelsegment in de kalot zal men zich een tronende Christus moeten denken, waarvan mogelijk nog sporen van het hoofd te zien zijn; van de figuren ter weerszijden zijn slechts plooifragmenten over. Evenals in de voorstellingen op de stroken vindt men hier en daar in de kalot kleine vijfbladen geschilderd, die mogelijk een vulpatroon van de achtergrond gevormd hebben.

In de bovenste strook is een aantal staande figuren uitgebeeld, waarvan er ter linkerzijde enige een kroon van drie fleurons dragen; in het midden meent men ‘heiligenschijnen’ te zien. De plooien hangen kokervormig met geschaduwde driehoeken. Ter rechterzijde lijkt een scène te zijn afgebeeld aan een tafel, waarbij een figuur gezeten is.

In de middelste strook is ter linkerzijde de Uitdrijving uit het Paradijs voorgesteld. De benedenste strook is niet meer te lezen. Kalff en Jolles meenden een Kruisafneming te zien, waarbij Christus op de arm van Jozef van Arimathea steunt en een Avondmaal, waarbij Johannes' hoofd in Christus' schoot rust. Hoogewerff meende het Avondmaal bovenaan te zien en de Kruisiging en de Kruisafneming onderaan. Bij beschouwing van het fotomateriaal is ons inziens niet meer dan een Uitdrijving uit het Paradijs en een serie figuren te zien, waarvan er een met een zwaard, dat een door een twijg omrankte pijl doorsnijdt. Wat betreft datering gaat Hoogewerff met Kalff mee, die rond 1300 dateerde, daar de onderhavige schildering niet als fresco doch met lijmverf op droge kalk geschilderd zou zijn en mede steunend op een lezing van een plaats in de kroniek van Lidlum, die vermeldt, dat eind 13e eeuw een nieuwe techniek van schilderen was uitgevonden.

Vastere voet vinden wij in een datering op stijlkenmerken, te weten de ornamentranden, de plooival en de manier van schilderen van bomen. De ronde majuskel van de opschriften heeft ‘in de 13e eeuw zijn definitieve vorm gekregen’ (Vriendelijke mededeling van dr. J. van der Gouw d.d. 1977). Wanneer daarnaast in overweging genomen wordt, dat de schildering op een zeer dunne onderlaag staat, die aangebracht is op het metselwerk, dat uit tufsteen bestaat, kan daarin een argument gevonden worden voor een vroege datering van de schildering. De tufsteen, die voor de koepel is toegepast, kwam ons inziens eerst vrij bij de afbraak van het tufstenen schip en is hier en daar ook toegepast rond de vensters van de absis, die zoals wij zagen, stroken met de thans aanwezige koepel. Deze rondbogig gesloten vensters met het kraalprofiel zouden vroeg 13e-eeuws gedateerd moeten worden en wij zien geen doorslaggevende bezwaren tegen een datering voor de schildering in deze bouwperiode. Vgl. vroege datering van schildering te Bozum in Publicatieband a.f.t. ii (1977), 60.

In de dagkant van het koorvenster aan de noordzijde is een gedeelte decoratieve schildering bewaard, bestaande uit sterk bijna cirkelvormig krullende ranken, rond 1200 (afb. 376). Boven aan de noordwand van de koortravee is een fragment bewaard van een figuur met heiligenschijn en een kopje, een Annunciatie?, xiii (afb. 375).

+ Een avondmaalsbeker op standring met spiraalband (afb. 377), hg. 14 cm, diam. 11 cm. Langs de bovenrand gegraveerde cartouches met allegorische voorstellingen van Geloof, Hoop en Liefde, waartussen afhangende vruchtfestoenen (cf. die te Kollum).

Inschrift: ‘Dese beeker behoort die Armen van Westergeest’. Merken Kollum, geen

[p. 227]

jaarletter of a(?), meesterteken van Gieke Andeles, Voet 311. Het derde teken is waarschijnlijk een versprongen meesterteken en geen jaarletter.

+ De klok van 1857 is in 1944 gevorderd en niet teruggekeerd.

Boerderijen en woningen

+ Boerderij van het kop-hals-romptype, die met deze plattegrond reeds voorkomt op de kadastrale minute en behoudens wijzigingen aan de indeling van de vensters de 18e-eeuwse bouwmassa behouden heeft. In de geveltop van het vooreind staan smalle vensters; langs de zijden beitelingen. Omgaande bakgoot en kelder tegen de achtergevel. De schuur is uit herbruikt materiaal gemetseld en later naar achteren verlengd. De naam Bumastate is ontleend aan een state van die naam, die in 1632 als Bumaheert in het Proclamatieboek voorkomt op naam van Wijger Buma, namens wie Hessel van Smimia proclameert (q 4, 106). De jonge Wijger woonde waarschijnlijk in 1656 en 1657 met Jeltje van Jeltinga op deze state (q 5, 109, 113 en 141; n.n.o.f. 12 sept. 1975). Een dochter van hen, Catherina, huwde Willem Maurits van Hanecrooth, die in 1675 de helft van de state kocht, waarvan de andere helft hem reeds toebehoorde (q 6, 296). Zijn gelijknamige kleinzoon verkocht Bumastate in 1748 tegelijk met het huis Bunlatiro op de Triemen (vriend. mededeling dr. O. Vries) (afb. 383).

+ Aan het pad langs het kerkhof aan de noordzijde staat een eenvoudige dubbele woning onder schilddak met hoekschoorstenen. De schoolmeester vermeldt het bouwen van een schoolmeesterswoning in 1843 en in het gemeente archief Kollumerland, doos 1000, nr. 510a, bevindt zich de bouwtekening met opschrift: ‘Plan of teekning eener onderwijzerswoning te Westergeest 1842’ (vriend. mededeling dr. O. Vries) (afb. 390).

+ Gaaf woudboerderijtje ten noord-westen van de kerk uit afbraak mopsteen gebouwd en reeds voorkomend op de kadastrale minute van 1823 (afb. 389).

+ Ook deze iets grotere boerderij dan de vorige moet voor 1823 gebouwd zijn; zij draagt inderdaad een, weliswaar verplaatst, anker met jaartal 1766. De achtergevel van de schuur met de beitelingen langs de schuine kanten kan nog uit die tijd dateren. Het voorhuis is sterk aangetast door moderniseringen (afb. 388).

+ Woudboerderijtje van voor 1823, dat de massa behouden heeft niettegenstaande aantastingen als woonboerderij.

+ Boerderij van het kop-romptype, die door een stichtingssteen in de achtergevel en een nokanker in de voorgevel 1860 gedateerd is, doch geheel traditionele details heeft als zeslichtsvensters, kleine lichtopeningen in de topgevel van het voorhuis, beitelingen langs de zijden van de topgevel, omlopende bakgoot (afb. 382). Het terrein was in 1820 volgens de kadastrale minute onbebouwd. De schuur heeft thans aan de zuidzijde een houten opbouw die in de jaren '50 van deze eeuw is toegevoegd ten behoeve van de bewoning van het pand. Aan die zijde staat ook het bakhuis. De steen in de achtergevel draagt het inschrift: ‘Gebouwd door F.T. en M.J. op den 8 October 1860 is aan dit gebouw den eersten steen gelegd door Jan J. Fokkema.’ (F.T. staat voor Fokke Tjebbes en M.J. voor Maaike Jans).

+ Kleine boerderij van het kop-romptype, omstreeks 1980 tot woonboerderij verbeterd.

Blijkens een foto uit 1965 (afb. 384) had het voorhuis in de geveltop zeer kleine ontluchtingsopeningen en liep ook toen het achterste schild van het zadeldak lager door dan het voorste en dekte de bedsteden, die daar aangebracht zullen zijn geweest.

De gevel aan de straatzijde had toen reeds het negenruitsvenster en de schuur had nog een oorspronkelijk klein venster. Luiken horen daar uiteraard niet voor. Ook dit terrein was in 1820 onbebouwd. Waarschijnlijk is het nog in de eerste helft van de 19e eeuw bebouwd.

+ Grote boerderij van het kop-hals-romptype in 1974-1975 verbouwd tot dorpshuis en toen Fokkema's Pleats genoemd (afb. 386). Deze liet in 1901 de schuur herbouwen. Het voorhuis met de negenruitsvensters, de steile kaphelling en het huishoudkeldertje tegen de achtergevel moeten 18e-eeuws zijn. Het huis komt in deze plattegrond reeds voor op de kadastrale minute van 1823. Aan de zuidzijde jonger bakhuis.

+ Eenvoudige dubbele woning onder schilddak met nok evenwijdig aan de rooilijn en hoekschoorstenen met borden; eerste helft 19e eeuw. Nr. 18 was voorheen de smederij.

+ Kleine boerderij van het kop-romptype met gaaf voorhuis op traditionele wijze gebouwd met smalle vensters in de topgevel, omgaande bakgoot en zesruitsvensters (afb. 385). De schuur is door een jaartalsteen 1886 gedateerd; het voorhuis met zijn

[p. 228]

traditionele details, waar het keldertje aan de westgevel nog bijkomt, is evenals de schuur in 1886 herbouwd kennelijk met behoud van bestaande indeling. Aan de westzijde tevens de vuurhut.

Voormalige industriemolen

+ De korenmolen, die Schotanus aan de zuidzijde van het dorp tekent, oostelijk van de weg, wordt vermeld op de lijst van niet rendabele molens van 1639. Deze lijst had kennelijk geen effect, want in 1714 wordt hetzelfde vastgesteld, waarna sloop volgt (Van der Molen, Gemaal, 96).

Boerderijen buiten de dorpskom

+ Boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 394), waarschijnlijk uit de eerste helft van de 19e eeuw, blijkens de fraaie dakhelling van het vooreind en de halve kruiskozijnen in de geveltop. Achter in het voorhuis ziet men de dichting van een kelderluik, waarboven aanvankelijk de bedsteden getimmerd zijn geweest. In de voorzijde van de schuur, waar voorheen de kaaskamer geweest zal zijn, is aanvullende woonruimte gemaakt.

+ Boerderij met dwars voor de grote schuur gebouwd woonhuis (afb. 396). De terpenkaart van Halbertsma geeft hier een terp aan, waarmede het hogere terrein bedoeld zal zijn, dat volgens de topografische kaart ten noorden van het bebouwde perceel ligt. De naam Beintema komt, zij het verschreven, in 1552 voor in het monstercedul van Westergeest, waar vermeld wordt, dat Eecke Oeinttzyema (lees Beintema) in het bezit is van een volle rusting. Ook in de rentebrieven (t, f. 101) worden Eecke Oeinttzyema en Aeltgen genoemd op Beintema. De weesboeken noemen in 1615 (p 5 en 6) Lipcke Hendricx en Balling Egberts to ‘Beintemahuys’ maar dit betreft waarschijnlijk een andere boerderij. Het proclamatieboek kent vervolgens in 1620 op Beintema Douwe Douwesz en Beitske Peima (q 3, f. 120). Ook het stemkohier van 1640 noemt hen. Zij hadden een zoon Eecke en zullen dus directe afstammelingen geweest zijn van de 16e-eeuwse Eecke. Kort achter elkaar komt in het midden van de 17e eeuw Beintemahuis enige malen voor in het Proclamatieboek: In 1657, 1661 en 1662 wordt Eecke Douwes genoemd, gehuwd met Aukien Hayes (q 5, ff. 57-58, 124 en 299). Als in 1666 echter Eecke Harmens gehuwd met Jancke Tades op Beintemahuis genoemd worden (q 6, f. 90) moeten we concluderen, dat er inderdaad meer huizen op ‘Beintema’ gestaan hebben. In 1671 komt Eecke Douwes weer op het toneel, die zijn huis verkoopt aan Anthonius Jennema (q 6, f. 223), die volgens Andreae burgemeester van Dokkum was ('85, ii, 44). In 1718 en 1728 was Jan Hayes Eisma eigenaar (floreenkohier van 1718).

+ Stellingwerf geeft in 1723 een afbeelding van het ‘Slot Beyma of Beintema van burgemeester Heringa te Westergeest’ (afb. 395), dat een dwarshuis vormde met ingang in het midden, waarboven een Vlaamse topgevel en aan weerszijden drie vensters. Het huis is gedekt door een schilddak met hoekschoorstenen; de vorm van vensters en topgevel wettigen een datering eind 17e eeuw. Het onderschrift wekt evenwel twijfel of het afgebeeld huis wel op Beintema gestaan heeft. Burgemeester Heringa van Dokkum heeft namelijk in 1728 een plaats verkocht (q 8, f. 13) te Ketlingwier, die hij in 1706 gekocht had (q 7, f. 296) (vriend. meded. dr. O. Vries). Anderzijds blijkt Jan Hayes Eisma of Aisma in 1720 en in 1727 burgemeester van Dokkum te zijn geweest. Of de vergissing nu zit in de naam van het huis of in de naam van de burgemeester is niet meer te achterhalen. Wanneer we aannemen dat de naam van de eigenaar onjuist is, zou het afgebeelde huis ter plaatse van de tegenwoordige boerderij gestaan kunnen hebben en voorgesteld kunnen zijn op de kadastrale minutekaart.

+ De schuur van de boerderij is in ankers in de achtergevel gedateerd 1794 en moet dus dezelfde zijn, die op de kadastrale minute wordt afgebeeld. De daar getekende aanbouw naar het westen zou dan het landhuis kunnen zijn, dat Stellingwerf afbeeldde. Het is dan na 1823 vervangen door het nu bestaande woongedeelte. Dit had tot circa 1960 een schilddak en had blijkens het venster in de zijgevel in het linkervertrek tegen de achterwand het bedschot boven een keldertje.

+ Een stuk uit 1503 (Sipma i, 467) gaat over een geschil tussen het klooster Sion en Douwe Idema, waarbij de laatste als ‘zoen’ een rente aan het klooster moet betalen uit ‘dat gued thoe Katnye wierd’. Of dat goed naar Idema heette blijft open. Wel komt in het Register van renteverkopingen in 1555 en 1566 een boerderij voor ‘Idema heerdt

[p. 229]



illustratie

Afb. 354. Kopie van het kadastrale minuteplan Beintemahuis en omgeving, omstreeks 1823. Schaal 1:7500.


toe Cattingwier’ geheten en eigendom van Syewerdt Idema (t, f. 77v. en f. 92). Over de Idema's vergelijk Nederl. Leeuw 1984, 329-344.

+ Kleine boerderij van het kop-romptype als woonboerderij in gebruik, waartoe enige wijzigingen zijn aangebracht (afb. 387). Bouwmassa waarschijnlijk vroeg 19e-eeuws maar na 1823 (kad. minute).

+ Grote boerderij van het kop-hals-romptype, die als enige aan de zuidzijde van de toen ‘Zomerweg naar Dokkum’ aangeduide weg op de kadastrale minutekaart is getekend (afb. 393). Behoudens vernieuwingen van de voorgevel van het vooreind en moderniseringen in het woongedeelte onder de schuurkap, is de algemene bouwmassa behouden. Mogelijk 18e-eeuws, en blijkens bodemvondsten in 1978 op een minstens in de 14e eeuw bewoonde plaats staande (Ut de Smidte 1978, iii, ii en De Vrije Fries 1979, 190).

+ Op een door Halbertsma aangegeven terp staan drie opstallen: een grote boerderij van het kop-hals-romptype op een omgracht terrein en westelijk daarvan twee opstallen.

Deze situatie komt overeen met die op de kaart van Schotanus. Deze geeft bij de meest westelijke stemdragende plaats de naam 't Convent en bij de aangrenzende de naam Idema. Dit nu komt voorts overeen met de vermelding van Andreae (Lauwerszee 162 naar Proclamatieboek en Tegenw. Staat i, 415), die spreekt van een in 1570 genoemd Monnikehuys, dat een uithof van Veenklooster geweest zou zijn. In 1572 geeft het Proclamatieboek (q i, 64) een omschrijving van ‘het Monckhuys’, dat de bezittingen van Haye Idema als oostelijke naastligger heeft. Wanneer men van het kadaster en het floreenkohier uitgaat blijken deze gegevens juist te zijn:

+ Het oostelijke van de beide hornlegers, thans Weerdebuorsterwei 10 (afb. 392), was in het floreenkohier nr. 124 en in 1860 eigendom van Herman Klugkist Hesse; in 1728 behoorde het aan Vrouwe van Schratenbach en had stemkohier nr. 68. In 1698 blijkt dit goed te behoren aan Johannes Jennema en in 1640 aan Haye Bauckes. Deze was een zoon van Baucke Hayes en Auck Romptsdr. (een zuster van Jeldert Rompts Rosema). Na hun dood in 1607 werd een boedelinventaris opgemaakt, waaruit blijkt, dat zij verschillende kleine percelen land rond de door hen bewoonde Idemastate tijdens hun huwelijk gekocht hadden (p 3, 114). Het huis wordt beschreven als een

[p. 230]

‘huys lanck van vooren tot achteren 14 fack met drie opgaende gevels, met dack gedeckt, ende enige pannen, daertoe een melckencamer van drie fack met een opgaende gevel; ende een schuyre groot vijf fack alles met dack en pannen gedeckt; noch een strooen huys’. Baucke Hayes was een zoon van Haeye Idema, die in 1552 te Westergeest een van de zeven inwoners was, die een ‘Harnass, rijngcolier, speets en degen’ bezaten (Monstercedul). In 1572 zat hij in financiële moeilijkheden, want hij verkocht een rente uit zijn ‘heert toe Idemahuis’ (Register van renteverkopingen t, f. 92). Over de Idema's: Nederl. Leeuw 1984, 329-344.

Haye en Syurt komen in 1565 voor in het Protocol Cleuting onder nr. 354. Zij hadden van Uwe Idema het jus patronatus geërfd en lieten als collators de benoeming van een nieuwe beneficiant registreren. Hayes zoon Douwe pretendeert in 1603 nog het jus patronatus en gebruiksrecht van de vrije prebende te Westergeest te willen uitoefenen (Hof van Fr. Dantumadeel k 1, 139), nadat Haye in 1580 geprotesteerd had ‘dat hem deselve prebendeleen toekompt als jus patronatus, de welke prebende als nu geneetet ener Fock Bawkes, synde een klerck op de prebende studerende’ (r.v.g.o., p. 182). In 1566 en 1555 komt in het Register van rentebrieven (t, f. 92) voor Syurdt Ydema als eigenaar van ‘Idemaheerdt toe Cattingwier’. Dit moet een ander huis zijn dan het onderhavige op Weerdburen (zie onder Kettingwier).

+ In bruikleen van het Fries Museum hangt op het raadhuis te Kollum een portret van Harmen Arends Idema ‘geboren in stadt Doccum heeft gewoont op Wederburen tussen Doccum en Collum op Idemastate gesturven den 26 juny 1646 en is begraven tot Westergeest, heeft tweemaal na Romen geweest’, (n.n.o.f. 15 mei 1974). De vader van Harmen Arends was Arend Bauckes waardoor aansluiting gevonden kan worden met de namen van de vroegere eigenaars van dit goed.

De op de kadastrale minute getekende boerderij met kort voorhuis is in de jaren zestig van de vorige eeuw herbouwd in stelpvorm. Het vrij diepe voorhuis is met pannen belegd; het schuurdak met riet. Links in het voorhuis is de melkkelder met vier vensters, die de oude detaillering hebben. Ook de woonvertrekvensters zijn nog origineel met indeling in zes ruiten. De balken zijn door ankerschotels, die karakteristiek zijn voor de jaren zestig, aan het muurwerk bevestigd.

+ Bescheiden boerderij van het kop-romptype, die op de kadastrale minute reeds deze vorm heeft en in wezen nog uit de 18e eeuw kan dateren, doch waaraan veel is vernieuwd met behoud van de massa. Het terrein is het erf van floreenkohier nr. 123, een grote boerderij met 102 pondemaat land in 1860 en 1728. In 1640 was Ipe Sybrens eigenaar, nadat hij in 1638 nog 88 pm. ‘vermeerderd met binnen- en buitendycx delten’ van de Staten van Friesland huurde (verkopingen van voormalig kloosterland). Toen in 1618 de kloostermeiers de huur werd opgezegd, was ook Epe Sibrants daarbij als huurder van 88 pondematen ‘ende binnen als buytendycx delten’. Deze gegevens liggen kennelijk ten grondslag aan de kaart van Schotanus, die deze boerderij 't Convent noemt. Het gaat om een uithof van Veenklooster (zie aldaar).

+ Op een omgracht terrein staat een grote boerderij van het kop-hals-romptype, die reeds op de kadastrale minute zo getekend is (afb. 391). Wel is de voorgevel eens vernieuwd sindsdien, doch ongeveer in gelijke vorm. De bakgoot gaat nog om langs de voorgevel.

Het voorste gedeelte is sindsdien niet meer onderkelderd, wat met het achterste deel wel het geval is. De massa en de dakhelling met de twee forse schoorstenen geven aan, dat het hier om een minstens 18e-eeuwse boerderij gaat. Onder de aanbouw ten oosten van de schuur ter plaatse van een in 1983 afgebroken bijschuur, zijn onlangs door de eigenaar funderingen van kloosterstenen aangetroffen, mogelijk afkomstig van een middeleeuws gebouw.

Deze sate moet de nr. 65 van het stemkohier zijn en nrs. 125 en 126 van het floreenkohier. De sate is na 1640 gesplitst in twee boerderijen, samen groot 119 pm. In 1640 was zij door Haye Bauckes gehuurd van de Staten; de huurder werd in 1640 eigenaar. Het zal eveneens een kloostersate geweest zijn, waarschijnlijk degene die met 100 pm. land ‘ende de binnen als buytendycx delten 7 pm.’ in 1640 door de Staten verkocht werd. In 1618 werd de huur opgezegd aan Albertus Jacobs.

+ Op een terprest gelegen grote boerderij van het kop-hals-romptype met een merkwaardig lang vooreind, dat schuilgaat onder een vernieuwde kap met overstek over de voorgevel (afb. 398). De ‘binnengevel’ is verlaagd maar bevat geen enkele lichtopening. Dit gedeelte kan nog 17e-eeuws zijn.

[p. 231]

+ Ten noorden van de Zwemmer op ongeveer 300 m en ongeveer 450 m oostelijk van de Gerkesbrug ligt een verhoging in het terrein, waarop in voorhistorische tijden een woonplaats geweest moet zijn (terrein 33). Recht ten zuiden daarvan precies tussen de Oude en Nieuwe Zwemmer ligt een groter, deels beschermd terrein, waarop een terprestant en een terpzool rusten (terrein 34). Zoals ter plaatse vermeld is, komen op de kaart van Halbertsma terpen voor van Beintema en Idema. De lijst van archeologische belangrijke terreinen geeft bovendien bij Wâlddyk 6 een zodanig terrein aan (nr. 32).

Poldermolen

+ In de ten noorden van Westergeest gelegen Beintemapolder staat een in 1870 te Warfstermolen gebouwde achtkante molen (afb. 397). De molen is eigendom van ‘De Fryske Mole’.

 

+ Molens van Friesland, 142; Fries Molenboek, 137-138.

+ De z.g. boerenmolen is gefundeerd op stiepen, deze en de ertussen gemetselde veldmuren lopen tot iets boven het maaiveld door, hierop ligt het ondertafelment. Het onderachtkant en de kap zijn met staande delen bekleed, de romp is gepotdekseld. Het grenen achtkant is gebouwd volgens het normale systeem, met twee bintlagen. De basis van de kap is van eikehout, de spanten zijn van grenen. De lange spruit is als middenbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. De kap is kruibaar op de rondom lopende kruiring. De staart heeft een kruihaspel.

+ Houten roeden volgens het oud-Hollandse systeem opgehekt, vlucht 14,28 m. Houten bovenas, bovenwiel met grenen armen en Vlaamse vang. Vijzel van hout in een betonnen vijzelkom.

+ Tijdens de restauratie van 1968-1969 werden onder andere de vijzel, de windpeluw, de hondsoren en een gedeelte van het boventafelment vernieuwd. In 1985 vond een ingrijpende restauratie plaats waarbij een groot deel van het achtkant, een deel van de kap, de kruiring, de lange en de korte spruit en nagenoeg de gehele staart vernieuwd werden. De buitenzijde werd opnieuw gepotdekseld.

[p. 232]



illustratie

Afb. 355. De kerk getekend door J. Bulthuis eind 18e eeuw.




illustratie

Afb. 356. De noordgevel van de kerk getekend door mr. J. Bolman in 1854.




illustratie

Afb. 357. De plattegrond van de kerk met uitslag van de noord- en westgevel en profiel doorgang van toren naar kerk, getekend door mr. J. Bolman in 1854.


[p. 233]



illustratie

Afb. 358. De Hervormde kerk gezien van het noordoosten. Opname 1987.




illustratie

Afb. 359. De Hervormde kerk van het noordoosten gezien in 1939.


[p. 234]



illustratie

Afb. 360. De Hervormde kerk gezien van het zuidoosten. Opname 1987.




illustratie

Afb. 361. De kerk van het zuidoosten gezien in 1943.


[p. 235]



illustratie

Afb. 362. De noordgevel van de kerk gezien van het westen. Opname 1987.




illustratie

Afb. 363. De koorsluiting na de restauratie met het venster uit de tweede fase. Opname 1976.




illustratie

Afb. 364. Het venster boven de ingang aan de noordgevel. Opname 1987.




illustratie

Afb. 365. Het jongere venster bij de ingang aan de zuidzijde en sporen van vroegere vensters op die plaats. Opname 1987.




illustratie

Afb. 366. De westgevel van de toren met de ingang. Opname 1987.




illustratie

Afb. 367. De oostgevel van de toren met de doorgang naar het schip. Opname 1977.


[p. 236]



illustratie

Afb. 368. Hervormde kerk, interieur naar het oosten. Opname 1966.




illustratie

Afb. 369. Roodzandstenen 12e-eeuwse zerk onder de preekstoel. Opname 1977.




illustratie

Afb. 370. Roodzandstenen 12e-eeuwse zerk. Opname 1977.




illustratie

Afb. 371. Roodzandstenen 12e-eeuwse zerk. Opname 1977.


[p. 237]



illustratie

Afb. 372. Het absisgewelf, bovenste gedeelte. Opname 1966.




illustratie

Afb. 373. Schets door Ad. Mulder van de stroken schildering op het absisgewelf.




illustratie

Afb. 374. Gedeelte van een der aftekeningen door Ad. Mulder van de schildering op het absisgewelf. Opname 1973.




illustratie

Afb. 375. Fragment muurschildering noordgevel koor. Waarschijnlijk een Annunciatie voorstellend. Opname 1966.




illustratie

Afb. 376. Fragment muurschildering in absisvester noordzijde. Opname 1987.


[p. 238]



illustratie

Afb. 377. Zilveren avondmaalsbeker van Westergeest. Opname 1987.




illustratie

Afb. 378. Blond zandstenen portretzerk uit de 12e eeuw met bovenaan de voorstelling van engelen die de ziel begeleiden. Opname 1977.




illustratie

Afb. 379. De eikenhouten preekstoel van Westergeest. Opname 1987.




illustratie

Afb. 380. Roodzandstenen zerkfragment, 12e eeuw. Opname 1977.




illustratie

Afb. 381. Roodzandstenen zerkfragment, 12e eeuw. Opname 1977.


[p. 239]



illustratie

Afb. 382. Boerderij Eelke Meinertswei 5 uit 1860. Opname 1987.




illustratie

Afb. 383. Grotendeels 18e-eeuwse boerderij Bumawei 23. Opname 1986.




illustratie

Afb. 384. Kleine boerderij uit de eerste helft van de 19e eeuw, Eelke Meinertswei 7. Opname 1965.




illustratie

Afb. 385. Boerderij Eelke Meinertswei 22 in 1886 herbouwd. Opname 1965.


[p. 240]



illustratie

Afb. 386. Grote boerderij Eelke Meinertswei 2, thans tot dorpshuis verbouwd. Opname 1965.




illustratie

Afb. 387. Kleine boerderij tot woning verbouwd, Keatlingwier 11. Opname 1986.




illustratie

Afb. 388. Boerderij Kalkhûswei 8; achtergevel waarschijnlijk 18e-eeuws. Opname 1986.




illustratie

Afb. 389. Woudboerderijtje uit afbraak mopsteen voor 1823 gebouwd, Kalkhûswei 6. Opname 1986.




illustratie

Afb. 390. De in 1843 gebouwde schoolmeesterswoning Tsjerkepaed 5-7. Opname 1986.


[p. 241]



illustratie

Afb. 391. Grote boerderij van het kophals-romptype met onderkelderd vooreind. Weerdbuorsterwei 16. Opname 1986.




illustratie

Afb. 392. Weerdbuorsterwei 10. In de 19e-eeuw in stelpvorm herbouwde boerderij ter plaatse van Idema State. Opname 1986.




illustratie

Afb. 393. ‘Binnengevel’ van het vooreind van de grote boerderij, Keatlingwier 15. Opname 1986.




illustratie

Afb. 394. Negentiende eeuwse boerderij Beintemawei 3. Opname 1986.


[p. 242]



illustratie

Afb. 395. ‘'t Slot Beyma/Beintema van Burgemeester Herijnga te Westergeest’ getekend door J. Stellingwerf 1723.




illustratie

Afb. 396. Het dwarshuis van de boerderij Beintemawei 6. Opname 1986.




illustratie

Afb. 397. De molen van de Beintemapolder uit 1870. Opname 1969.




illustratie

Afb. 398. De lage binnengevel van het vooreind van de boerderij Walddyk 6. Opname 1986.