Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Ferwerderadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag 1981


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 253]

Lichtaard

Het dorp, dat een geringe omvang heeft en nog een sterk agrarisch karakter bezit, wordt geïdentificeerd met Lihdanfurt uit de Fuldalijst van 945 (Dronke c. 37).

Onbebouwde delen van de terp zijn ook hier rond de eeuwwisseling afgegraven, waardoor het noordelijk gelegen kerkpad als een ‘dam’ door de afgegraven terreinen de kerk bereikt (afb. 309 en 310).

Een deel van de wat onregelmatig lopende ringweg aan de voet van de terp is aan de noordzijde als landweg te herkennen. Voor het overige maakt deze weg, rechtgetrokken, verhard en verbreed rond 1867 (Faber nr. 945) onderdeel uit van de doorgaande verbinding met de dorpen in West-Dongeradeel. De bebouwing is deels aan deze weg gelegen.

[p. 254]

Kerkgebouw

Kerkgebouw

Het kerkgebouw, oorspronkelijk waarschijnlijk aan S. Petrus gewijd, staat geïsoleerd op een hoge terprest, een in de serie Genum, Reitsum, Lichtaard, Raard. Het terprestant is beschermd als archeologisch monument uit de voor-Romeinse ijzertijd. De kerk met de ingebouwde toren is eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken, die er een tentoonstelling over de kloosters heeft ingericht (afb. 308 en 311-318).

Litteratuur

r.v.a. i, 103, iii, 107; Benef. 148; r.v.g.o. 74; Van Buijtenen, Dorp 106; Herma M. van den Berg, De kerken van Genum en Lichtaard in Publicatieband a.f.t. i, 87 (1972); Nieuwsbulletin k.n.o.b. 1973, 102-103; J.D. van der Molen, De restauratie van de kerken te Genum en Lichtaard en Herma M. van den Berg, Nadere gegevens over de bouwgeschiedenis van Genum en Lichtaard, beide in Publicatieband a.f.t. ii, resp. 96 en 94.

Bronnen en afbeeldingen

Kerkvoogdijrekeningen 1717-1842 bij kerkvoogdij te Reitsum.

Tekening J. Stellingwerf 1722 en door P. Idserdts Portier 1754 in coll. Fries Museum (afb. 311 en 313).

Geschiedenis

Blijkens een acte van 1550 over het uitgraven van de kerkhofgracht te Hallum waren de parochianen van de Flieterpen van Genum, Reitsum, Lichtaard en Jislum verplicht daaraan mee te werken. Deze kerken waren dus waarschijnlijk dochterkerken van die van Hallum (van Buijtenen). In 1580 verklaart men dat het grootste gedeelte van de inkomsten van de kerk besteed is aan reparatie. In de kerkvoogdijrekeningen zijn posten te vinden over verbouwingen in 1785 o.m. 154 gld. voor houtwaren; in 1851 vinden we een buitengewone reparatie aan kerk en toren vermeld onder toezicht van architect J.G. Rolsma, waarbij aangetekend wordt, dat het inwendige van de toren zo slecht was dat het rampen had kunnen veroorzaken. De doopschaal te Reitsum heeft een inscriptie herinnerend aan herstel van de kerk van Lichtaard in 1859. In 1861 worden nieuwe pannen op het dak gelegd. Tot 1820 komen posten voor voor onderhoud van een leidak.

In 1944 is ten zuiden van de kerk gegraven op een terrein dat in de volksmond de priesterhof heette. Volgens H. van der Wal (archief r.d.m.z.) zouden er toen kloostermoppen, tufsteen en een gebakken wijwatervat gevonden zijn. Nasporingen naar materiaal of rapport zijn zonder resultaat gebleven.

De vermelding van de patroonheilige Geertruida in 19e-eeuwse litteratuur berust op een verwisseling met Lutkewierum. Van der Aa vermeldt een stompe toren aan de westzijde die evenals de kerk met lei gedekt was, aan de noordzijde was een lage ingang, aan de zuidzijde een zonnewijzer. In 1973 is de kerk hersteld o.l.v. architectenbureau van der Molen en van der Zweep te Sneek. Aan de westzijde werd door de Rijksdienst voor het oudheidkundig Bodemonderzoek een oppervlakkig bodemonderzoek uitgevoerd, waarbij geen duidelijke sporen van een toren aan het licht gebracht konden worden.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een eenbeukige ruimte die aan de oostzijde onregelmatig vijfhoekig gesloten is. Ruim twee meter van de westmuur staat koud tussen de noord- en zuidmuur een dwarsmuur, die bovendaks zijn voortzetting vindt als oostmuur van de toren. De noord- en zuidzijde van de toren bestaan uit een beplanking op houten regelwerk (afb. 308, 312 en 314).

Materiaal

De kerk is opgebouwd uit baksteen van 30,5-31 × 8,5-9,5 cm, 10 lagen 104 cm in afwisselende kopse en strekse lagen in een verband dat boven de plint kruisverband benadert. Voor de buitenzijde is gave steen toegepast, inwendig veel brokken en puin als vulling zonder dat van kistwerk gesproken kan worden. Aan de zuidoostzijde van het koor zijn op bakstenen inscripties gekrast: 1620 en enige huismerken, 1627, 1641. In de bakstenen zijn hier en daar voegen gekapt, die wijzen op een bepleistering met andere voegverdeling dan die van het baksteenwerk. Blijkbaar werd in de 17e eeuw de pleister verwijderd.

De westgevel is bemetseld met kleine paars-rode steen van 20-21 × 4,3 cm, 10 lagen 51,5 cm met uitzondering van kleine gedeeltes ongeveer ter breedte van de muurdiktes der zijmuren. Dit werk gaat op tot boven aan de torenvormige verhoging van de westgevel.

De oostgevel van de toren bestaat uit kleine gele steen van de nok van het schip af, daaronder bestaat de scheidingsmuur uit opnieuw gebruikte kloostersteen.

Schip en koor

Het muurwerk van schip en koor is van gelijke zwaarte en bleek bij de restauratie homogeen te zijn. Het heeft een hoge opgaande plint afgedekt door een profiellijst, behalve langs de zware westgevel, die niettemin, naar inwendig te zien valt, in verband met de zijgevels is opgetrokken.

[p. 255]



illustratie

Afb. 308. Het laatmiddeleeuwse kerkgebouw. Plattegrond en doorsneden. Getekend en bijgewerkt 1976 naar opmeting 1944 en waarnemingen tijdens de restauratie in 1973.


De plaatsing van de vensters is vrij onregelmatig: slechts het tweede en vierde venster van de zuidzijde vinden in hun aslijn een venster aan de noordzijde. De overige zijn naar behoefte geplaatst doch wel gelijktijdig met het muurwerk. Zij hebben rechte dagkanten en een segmentbogige dekking en zijn omlijst door smalle nissen met segmentbogige dekking, die dicht onder de gootlijst staan, zodat vermoed mag worden, dat het muurwerk ooit verlaagd is. Buitenwerks ziet men aan de zuidzijde in het vervolg van de dagkanten benedenwaarts een loodvoeg, alsof de onderdorpel ooit veel steiler liep, maar er waren geen exacte gegevens te vinden, die dit vermoeden kunnen bevestigen. Het kleine meest westelijke venster is eens even lang geweest als de overige.

De segmentbogig gedekte ingangen staan binnen een spitsboognis met vellingkant, die ter hoogte van het plint in een zg. teenstuk eindigt. Beide ingangen waren door een sluitboom vergrendelbaar. Midden in de westgevel bleek achter de latere bemetseling een dichtgezette ingang te staan, die rondbogig gedekt is en aan de binnenzijde geprofileerd met twee vellingkanten, die van een teenstukje ontspringen. De buitenzijde was verstoord door de beklamping die thans ter plaatse van deze doorgang verwijderd is. Voor een deuraanslag was in de oude situatie geen plaats.

Voor de westmuur die tot de hoogte van noord- en zuidmuur ruim een meter dik is, bleken twee kleine uitmetselingen onder het maaiveld aanwezig te zijn, waarvan echter in de bodem geen westwaartse voortgang gevonden kon worden.

Inwendig

In de noord-zuid lopende scheidingsmuur, die dezelfde afwijking heeft ten opzichte van de noord- en zuidmuren als de westmuur, is aan de noordzijde een kleine rondbogig gesloten doorgang aangebracht. In de noordmuur staat tussen deze muur en de westmuur een oorspronkelijk venster en eronder een korfbogig gedekte nis, mogelijk ooit de plaats voor een doopvont. Het venster vertoont de oorspronkelijke afwerking van het inwendige: ook over de dorpel doorgaand kwarthol profiel op twee verspringende lagen, die later tot horizontaal zijn aangevuld. De overige vensterdagkanten zijn bij de restauratie in de oorspronkelijke haakse vorm gebracht; voor de restauratie waren zij tot schuine dagkanten aangeheeld, zoals nog aan de beide westelijke vensters te zien is.

Aan de zuidzijde staat het eerste venster verder oostelijk en het vangt zoveel hoger aan,

[p. 256]

dat men vermoedt dat het ooit licht gegeven heeft op een ingebouwde (orgel?)tribune.

De dwarsmuur staat deels voor dit venster. Het meest oostelijke venster aan de noordzijde is gedicht (afb. 314).

In de koorsluiting is aan de zuidzijde een piscina-nis te voorschijn gekomen, waarvan de voorzijde door een accoladeboog met afgeschuinde kant gevormd wordt. De nis was omgeven door een 15 cm brede geschilderde rode band met witte schijnvoegen.

De ruimte is overdekt door een tongewelf met vlakke ribben, die geen relatie hebben met de spanten van de kap. Het gewelfje komt neer op een verbrede voorlijst, die op de trekbalken rust. De tweede tot en met vierde trekbalk ontbreken. Onder de trekbalken om de andere de gepeerkraalde uiteinden van sleutelstukken; alleen de meest westelijke nog aanwezige trekbalk heeft aan de zuidzijde een volledig sleutelstuk van een muurstijl-korbeelconstructie. De kap bestaat uit vijf eiken spanten ten oosten en twee ten westen van de scheidingsmuur, beide groepen zijn apart genummerd.

Bouwgeschiedenis

Het muurwerk van het gehele kerkje is in één periode tot stand gekomen blijkens details van ingangen en piscina-nis een eindweegs in de 16e eeuw en waarschijnlijk kort voor 1580 verlaagd. Hoewel men aanvankelijk het plan gehad moet hebben een toren op te trekken tegen de westgevel en de ingang daarop berekend is, moet men aannemen dat er van dit plan niets gekomen is en men de westelijke ingang voorzien heeft van een portaal, waarvan de aanzetten naast de ingang onder het maaiveld te zien waren. De 14e- en 15e-eeuwse klokken kunnen in een klokhuis gehangen hebben, waarvan de toren een imitatie lijkt. In reformatorische tijd is een westelijk gedeelte afgescheiden door een muur met een kleine doorgang naar de kerkruimte. In het voorgedeelte lag een balklaag met vloer; de bovenruimte was verlicht door het verkleinde venster naast de zuidelijke toegang. De scheidingsmuur werd vrij zwaar aangelegd omdat de opbouw van de toren daarop kwam te rusten. Mogelijk bevat de zeer zware westmuur nog resten van een voorgaande kerk, waarlangs de binnenmuur in verband is doorgetrokken. Het feit dat de oostelijke torenmuur uit kleine 18e-eeuwse steen is opgetrokken, geeft een dateringsmogelijkheid. (1748?, zie windvaan).

De niet steeds betrouwbare Stellingwerf en de tekenaar van 1754 moeten door het silhouet van de kerk verleid zijn tot het tekenen van een toren. Tenslotte is de westgevel in de 19e eeuw gedicht door een beklamping (1851?). Heeft men mogelijk in het westelijk gedeelte eens school gehouden tot 1829 toen er nieuwe scholen gebouwd zijn in de Grietenij?

(Faber Inv., nr. 909.31).

Waarom de twee spanten in het torengedeelte, die weinig verschil vertonen met die van de overige kap apart genummerd zijn, is niet duidelijk. Inwendig heeft men een tongewelf aangebracht over de kerk en tegen de scheidingsmuur een imitatie van de oostelijke sluiting geschilderd (1785).

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een eikehouten preekstoel met achtzijdige kuip, achterschot en klankbord. De kuip is op de hoeken versierd met gegroefde kolommen met een manchet en heeft Friese getoogde panelen. In de velden zijn gietijzeren ornamenten toegevoegd. De preekstoelkuip is verwant aan die te Reitsum doch van andere verhoudingen en is van latere details voorzien, grotendeels xix (afb. 316).

De kerk had tot de restauratie een eenvoudige lambrizering van paneelwerk xix.

Doophek

Doophek met balusters xviii, waarin hekje met gietijzeren vulling (1851?).

Op de oostzijde van de scheidingsmuur is een blauwe schildering met gebogen lijnen te onderscheiden, die een beëindiging van het gewelf als aan de oostzijde moet suggereren, xviii (1785?).

In de as van het schip is tijdens de restauratie in 1974 een gemetseld graf gevonden uit grote baksteen bestaand (vermelding Vrije Fries 1975, 165).

Windvaan

Op de nok gesmede windvaan s.a. 1748 (en niet 1642!).

Klokken

In de toren hangen twee klokken:

diam. 73 cm met bovenrandopschrift tussen touwbanden Sanctus Petrus xiv.

diam. 71 cm met bovenrandopschrift a.d.m. cccc iiii O Rex Glorie Criste veni cum pace.

Uurwerk

Op de torenvloer staat een smeedijzeren uurwerk gemerkt 1713 H I en in 1977 gerestaureerd, zie H. van de Kamp in Publicatieband a.f.k. ii, 99 e.v. (afb. 315 en 318). Het uurwerk werd aangedreven door een slinger met verticale lepelspil en werd opgewonden door middel van een kruk. Het schakelrad met lepelspil was later vervangen door een zg.

[p. 257]

Amentgang. Het uurwerk is na de restauratie uit overwegingen van toegankelijkheid lager geplaatst dan oorspronkelijk. H.I. staat mogelijk voor Hessel Johannes, zie blz. 62.

Boerderijen

Bennerhús

Aan de Dokkumer Ee ligt de boerderij Bennerhús (afb. 319).

Litteratuur

r.v.a. i, 102, 103, iii, 102; Benef. 142, 143 en 149.

Geschiedenis

Het register van den Aanbreng van 1511 vangt aan met de gronden van Juke tot Bennerhuus, waarvan de Keller van Klaarkamp eigenaar was. Ook Ancka to Bennerhuus geeft land aan waarvan dezelfde Heer landheer is. Verderop wordt Juke als landheer genoemd gemeenschappelijk met Focke Ropta. Ook onder Reitsum komt Juke to Bennerhuus voor. In 1540 worden deze laatste landerijen aangegeven door Feye Roorda. De landen onder Lichtaard geeft Jan Juckes dan aan, waarnaast Tjepke to Bennerhuus ook landeigendom heeft. Het Beneficiaalboek kent Douw to Bennerhuus op veengronden van Klaarkamp.

Boerderij

Op een omgracht en door een boomsingel omzoomd terrein staat een zeer grote boerderij van het kop-hals-romptype met onderkelderd voorhuis uit het derde kwart van de 19e eeuw.

Boerderij

Ten noordwesten van de kerk staat een boerderij van het kop-hals-romptype met kort voorhuis, die waarschijnlijk overeenkomt met de op de kadastrale minute voorkomende boerderij en in aanleg daarmede van voor 1832 dateert (afb. 320). De laatste jaren zijn enige wijzigingen aangebracht aan de ‘binnenzijde’ van het halsgedeelte en is een aanbouw aan de schuur wederom verwijderd. De melkkelder bevond zich in het voorste gedeelte van de schuur.

[p. 258]



illustratie

Afb. 309. Copie van de kadastrale minute omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 310. Luchtfoto schaal 1:6500. Opname april 1973.


[p. 259]



illustratie

Afb. 311. De kerk getekend door J. Stellingwerf 1722.




illustratie

Afb. 312. De laatmiddeleeuwse kerk uit het zuidwesten gezien. Opname 1971.




illustratie

Afb. 313. De kerk naar tekening van P.I. Portier 1754.


[p. 260]



illustratie

Afb. 314. De kerk van het noordoosten gezien. Ten oosten van het middelste venster is in gedichte vorm nog een koorvenster te zien. Opname 1976.




illustratie

Afb. 315. Het smeedijzeren uurwerk uit 1713. Opname 1973.


[p. 261]



illustratie

Afb. 316. De eikehouten preekstoel, geïnspireerd door die te Reitsum en met gietijzeren ornamenten opgesierd. Opname 1944.




illustratie

Afb. 317. De zilveren doopschaal ‘ter herinnering der herstelling der kerk van Lichtaard in 1859’. Opname 1976.




illustratie

Afb. 318. Datering 1713 en meesterteken h.i. op het uurwerk. Opname 1973.


[p. 262]



illustratie

Afb. 319. De 19e-eeuwse boerderij Bennerhús aan de Ee. Het Bennerhús werd in de 16e eeuw reeds vermeld als eigendom van het klooster Klaarkamp, dat aan de overzijde van de Ee lag. Opname 1979.




illustratie

Afb. 320. Boerderij van het kop-halsromptype met kort voorhuis ten noordwesten van de kerk, 18e of eerste kwart 19e eeuw. Opname 1965.