Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 29]

Foudgum

Het dorp was in het begin van de vorige eeuw, getuige het kadastrale minuutplan, nog een zeldzaam voorbeeld van een gave en regelmatig opgebouwde dorpsplattegrond. Verschillende elementen uit het ‘ideaaltype’ terpdorp waren er aan af te lezen, kenmerken die in ouderdom in ieder geval teruggaan tot de late middeleeuwen. Op de voet van de terp bevindt zich de ringweg, die een zeer regelmatig cirkelvormig beloop heeft. De kerk, gelegen op de 5,7 meter hoge kruin van de terp, vormt het middelpunt van deze cirkel. Een viertal op regelmatige afstand van elkaar gelegen paden zorgt voor een verbinding tussen de kerk en de ringweg. De aanwezigheid van vier kerkpaden is, evenals die van de ringweg, in overeenstemming met de omschrijving betreffende de dorpsplattegrond, zoals die wordt aangetroffen in het 12e-13e-eeuwse Schoutenrecht en door Spahr van der Hoek in diens ‘Undersyk’ (blz. 78) wordt weergegeven. De terp zelf was in het begin van de vorige eeuw nauwelijks meer bewoond; slechts een viertal boerderijen was toen aan de buitenzijde van de ringweg gelegen. Voorts is op de kadastrale minuut de radiale indeling van de percelen, zowel binnen als buiten de ringweg, duidelijk af te lezen. Een verandering in deze structuur onstond ook hier door de verbetering van de weg Dokkum-Holwerd in de jaren zestig van de vorige eeuw, waarbij een nieuw tracé langs het zuidwestelijke deel van de dorpsterp werd aangelegd en een gedeelte van de ringweg onderdeel van deze verbinding werd. De verbeteringen aan deze weg een eeuw later betekenden een ernstiger ingreep: een nieuw tracé werd over de terp aangelegd, waarmee de historische eenheid verbroken werd. In de loop van de 19e en 20e eeuw is de dorpsbebouwing slechts in geringe mate toegenomen. In 1896 konden dan ook delen van de terp worden afgegraven (Wumkes ii, 587). Recentelijk is een aantal gaten in de terp weer opgevuld; een zeldzaam voorbeeld van terprestauratie. Behoudens de aanleg van de verkeersweg over de terp, waarmee ook een van de vier kerkpaden is verdwenen, is de structuur zoals die hierboven voor de 19e eeuw werd geschetst, weinig veranderd en nog goed herkenbaar.

[p. 30]



illustratie

Afb. 37. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 38. Luchtfoto van de terp. Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 31]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk en toren staan op een beschermd restant van een terp met ringweg. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (afb. 39, 40 en 42-52).

Litteratuur

r.v.a. i, 133; Benef. 177; r.v.g.o. 106; Wumkes ii, 40.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1825-1963, Gemeentearchief Westdongeradeel; Historischbouwtechnisch rapport W.J. Berghuis 1974, Archief r.d.m.z. Zeist.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf, 1723 in coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 43).

Geschiedenis

In 1543 verklaart men in het Benificiaalboek geld te hebben moeten uitgeven voor ‘timmering der kercke’. In 1807 wordt ook te Foudgum overleg gepleegd over de bouwvalligheid van de toren (vgl. Hantum). De toren wordt echter niet afgebroken, doch wel de kerk. Volgens Stellingwerf was het een laatgotisch gebouw met steunberen, mogelijk dus van kort voor 1543. De nieuwe kerk wordt volgens de eerste steen in 1808 gesticht. In 1873 is 720 gulden besteed aan het vertimmeren van de kerk.

De toren is in 1977 gerestaureerd onder leiding van het architectenbureau Van Manen en Zwart te Drachten. Het muurwerk is bij die gelegenheid geïnjecteerd; het inwendige is beganegronds met specie geborsteld, waardoor het oude metselwerk niet duidelijk meer te zien is. De westgevel is opnieuw bemetseld en gaat thans door middel van inkassingen over in de bemetseling van de zuidgevel.

Beschrijving

Het sobere kerkgebouw met driezijdige sluiting staat, althans wat betreft de noord- en zuidmuur, ter plaatse van de middeleeuwse kerk. Deze liep blijkens de gedichte bogen in de toren oorspronkelijk tot de westgevel daarvan door en vormde aldus met de toren een zogeheten gereduceerd westwerk. De hoeken waren gefundeerd op grote zwerfkeien, die sedert de restauratie in de toren geborgen zijn.

Materiaal

Het torenlichaam bestaat wat betreft de oostelijke helft tot de galmgaten uit baksteen van 29,5-31 × 8-8,5 cm, 10 lagen 92 cm; de baksteen is vrijwel uitsluitend in strekken toegepast. Boven de galmgaten is het materiaal iets groter: 30-31 × 8,5-9, 10 lagen 94-95 cm. De westelijke helft is herbouwd van het laatste materiaal, vrijwel uitsluitend in koppen, 10 lagen 95-98 cm. De westzijde en gedeelten van de noord- en zuidzijde zijn bemetseld met bruinrode kleine steen, groot 19,5 × 4,5 cm, 10 lagen 51 cm.

Toren

De toren gaat onversneden op en behoudens een bescheiden venster in de westgevel zijn de gevels tot aan de galmgaten, een aan elke zijde, gesloten. In de noord- en zuidgevel ziet men echter ongeveer drie meter boven de grond dichtgezette gedeelten van grote rondbogen (afb. 46 en 47), die eens vrijwel de gehele breedte van de gevel besloegen. Zij zijn gedicht met hetzelfde materiaal als waaruit het oostelijke gedeelte van de gevel bestaat, doch in tweede toepassing met een wat dunnere voeg. Ongeveer een meter boven het maaiveld ziet men voorts aanzetten van dergelijke bogen, zodat oorspronkelijk twee bogen boven elkaar gestaan moeten hebben, waardoor de torenruimte verbinding had met de aangrenzende gedeelten van het schip van de kerk. Aldus werd een zogeheten gereduceerd westwerk gevormd.

Het oostelijke torengedeelte helt sterk naar het westen. Op de oostgevel is de moet te zien van de kap en het tongewelf van het in 1808 afgebroken schip. De westelijke torenhelft staat ongeveer te lood en is uit afbraak opgetrokken. Bij deze herbouw verviel de westelijke helft van de bogen en werd de toren op de tegenwoordige hoogte gebracht. Galmgaten werden gedicht en nieuwe aangebracht boven de oude. In het inwendige van de noord- en zuidgevel zijn de eerste nog vrij gaaf aanwezig; als dorpel dient een roodzandstenen sarcofaagfragment. Tijdens de restauratie werd de basis van het deelzuiltje aangetroffen, evenals de aanzet van de kepervormige afdekkingen. De galmgaten in de oost- en westgevel werden tijdens de bemetseling met kleine steen rondbogig gesloten (afb. 44). Bij de laatstgenoemde verbouwing, die in een nokanker in de westelijke top ‘1753’ is gedateerd, kregen de topgevels een steilere helling.

Inwendig

Inwendig ziet men beganegronds dat na verwijdering van de benedenste boog aan de noord-, zuid- en oostmuur een hoogopgaand veld is gemaakt, dat met een enigszins terugliggende vulling is dichtgezet. Tijdens het optrekken van de nieuwe westgevel is boven de bogen een gewelf geslagen, waartoe in de noord-, zuid- en oostgevel muralen werden ingekapt. In de westgevel kwam een segmentbogig venstertje met holgeprofileerde bakstenen zijmontants. Aan de oostzijde kwam een grote doorgang naar de kerk, die later door een houten schot werd dichtgezet.

[p. 32]



illustratie

Afb. 39. Hervormde kerk en toren. Plattegrond en doorsnede voor de restauratie. Getekend in 1979 naar opmetingen uit 1950.


Kerk

De muren van het schip zijn aan de westzijde en aan de hoeken van de koorsluiting geleed door smalle lisenen. De ruime rondbogige gesloten toegang aan de noordzijde heeft een houten kozijn met een bovenlicht dat door houten roeden waaiervormig is ingedeeld. De zuidelijke toegang is gedicht. De vensters hebben gietijzeren ramen met zestien ruiten en waaiervorm in de kop. Boven de ingang staat het opschrift: ‘Ao 1808 den 2 May/Heeft Boukje Gosses/De eerste Steen Gelegt/aan dit Nieuw Kerkgebouw/oud 2 jaren en Ruim 4 Maand/Toen waren Kerkvoogden/Gosse Thomas en F. de Ja(ger)’.

Inwendig

De muren worden verankerd door trekbalken op eenvoudig geprofileerde sleutelstukken. Het beschoten gewelfje gaat op van een verbrede voorlijst (afb. 48).

Bouwgeschiedenis

Blijkens het metselwerk, dat uit vrijwel louter strekken bestaat, is de toren in de vroege baksteenperiode ontstaan, eind 12e eeuw. Wegens verzakking zal men al spoedig zijn overgegaan tot het dichten van de verbindingsbogen aan noord- en zuidzijde. Daar de verzakking bleef voortgaan, is de westelijke torenhelft daarop na instorting of afbraak herbouwd uit afbraakmateriaal, bij welke gelegenheid de toren verhoogd werd en van nieuwe galmgaten voorzien. Dit kan in de 15e eeuw hebben plaatsgevonden. Tevens werd een gewelf boven de gedichte bogen aangebracht en werd aan de oostzijde de benedenste boog verwijderd. Ten slotte is waarschijnlijk in 1753 de westzijde bemetseld en zijn nieuwe topgevels aangebracht.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Tegen de oostwand staat een eikehouten preekstoel met achterschot en klankbord (afb. 51). De preekstoelkuip kan vroeg 17e-eeuws zijn; op de grote vlakke velden tussen de hoekkolommetjes kunnen schilderingen of geschilderde teksten gestaan hebben. Achterschot en klankbord xviii, trapje 1808?

Doophek

Eenvoudig doophek met spijlenfries, waarschijnlijk uit 1808.

Kabinetorgel

In 1924 is een kabinetorgel uit omstreeks 1775 overgenomen van de Vrije Evangelische gemeente te Leeuwarden (afb. 52). Het meubel is versierd met gesneden ornamenten langs de pijpvelden en op de stijlen tussen de velden. De deuren ontbreken. Dispositie bij J. Jongepier, Frieslands orgelpracht, 1, Sneek, 1970; vergelijk A.J. Gierveld, Het Nederlandse huisorgel in de 17e en 18e eeuw, Utrecht 1977, 215 en 349.

[p. 33]



illustratie



illustratie

Afb. 40. Isometrisch perspectief van de toren van het voormalig eind 12e-eeuwse gereduceerde westwerk van de kerk van Foudgum. Tekening 1980.


Klokken

In de toren hangen twee klokken:

Een cylindervormige, diam. 79 cm, met gotisch bovenrand-opschrift: ‘Anno dn̄i m ccc xcv facta ē h̄ cāpana s̄ (?) mar̄ m xi av̄’ (facta est haec campana s Maria Mater Christi ave). Op de mantel drie figuurtjes en een Mariamonogram; touwvormige beugels. De tweede klok heeft een diameter van 62 cm; langs de bovenrand opschrift: ‘Jan Nicolaas Derck tot Hoorn hergoot mij in de grond en weeg nu na behoren 402½ pond Ao 1732. Johannes Leopoldus Emanuel Colerus/predikant te Foutgum en Raard/Broer Jans Meinema/Kerkvoogd te Foudgum/Joncker Heszel Douwe Ernst van Aylva/Grytman over Westdongeradeel mede gecomidteerde/in de Generaliteitsrekenkamer in s' Hage/Curator van de Academie te Franeker etc. etc. etc.’. Gekroond wapen Aylva, gehouden door eenhoorns.

Uurwerk

Op de klokkezolder staat een gesmeed uurwerk in een raamwerk dat op de bovenrand gemerkt is ‘Anno 1640’ (afb. 49). De hoekstijlen zijn naar buiten omgebogen en eindigen peervormig. Het is in 1977 gerestaureerd en geautomatiseerd.

[p. 34]

Voormalige pastorie

Ten noorden van de kerk staat de voormalige pastorie, een langgerekt gebouw, dat de toegang heeft in een aanbouw met verdieping en topgevel aan de oostzijde die in ankers ‘1723’ gedateerd is (afb. 41, 53-55). De oostmuur van het gebouw vertoont op de plaats waar de aanbouw aansluit, nog een gedeelte muurwerk van herbruikte grote baksteen. Mogelijk bestaat de aanbouw ook uit dit materiaal en is het in 1723 bemetseld met kleine steen. Ook aan de westgevel is een gedeelte van grote baksteen te zien. Inwendig sluit daar de noordmuur van een kelder tegenaan.

Het zuidelijke gedeelte van het gebouw is op vier meter ten noorden van de aanbouw begrensd door een tot de nok doorlopende gevel, die in een schoorsteen eindigt. Ook de topgevel van de aanbouw eindigt in een schoorsteen; het vertrek op de verdieping had blijkens inkassingen op de vliering een schouw; thans staat daar een venster met roedenverdeling, dat kennelijk van elders in het huis afkomstig is. De verdieping was tot de laatste wijzigingen in de jaren zeventig bereikbaar langs een spiltrap vanuit de toegangsruimte. Naast de opgang van deze trap was de toegang naar de kelder, waarboven men zich bedsteden in elk der twee aangrenzende vertrekken kan voorstellen. De entreeruimte was geheel betegeld en had vensters aan de noord- en zuidzijde, zowel beganegronds als op de verdieping. Boven het noordelijke vertrek was in de tijd van Wiersma's tekening (afb. 50) een vertrek verlicht door een grote dakkapel.

Het lijkt erop, dat in 1723 aan de oostzijde van een bestaand gebouw een nieuwe toegangsaanbouw is gemaakt, waarin op de verdieping een kleine ontvangkamer voor de predikant was. Waarschijnlijk had de pastorie voordien een topgevel aan de zuidzijde die toen vervangen is door een schilddak. De ingang zal steeds aan de oostzijde geweest zijn. Het gedeelte noordelijk van de brandgevel zal aanvankelijk als stalruimte gefunctioneerd hebben en later mogelijk deels als lesruimte.

In 1887 is een nieuwe pastorie gebouwd aan de oostzijde van de terp. Volgens de kerkvoogdijrekening was Keuning te Ternaard de ontwerper; hij krijgt in 1887 f 96,- ‘voor het maken van het model’ en het toezicht houden bij het bouwen. De oude pastorie werd verkocht.

Schoolgebouw

Het oude schoolgebouw, dat in de rekeningen van de 19e eeuw genoemd wordt, staat nog gedeeltelijk ten oosten van de kerk. In de jaren zeventig is het noordelijke gedeelte tot moderne woning voor de koster verbouwd.

De dorpsschool wordt door de kerkvoogdij in 1863 vergroot. In 1903 wordt een schoolhuis van de gemeente Westdongeradeel overgenomen en betaald met f 300,- als afkoopsom. De openbare school was in 1882 reeds opgeheven (Wumkes ii, 467).

Overige bebouwing

Stenstera State

Ten zuidoosten van de terp buiten de ringweg en daaraan grenzend ligt de Stenstera State.

Litteratuur

r.v.a. i, 133; Tegenw. Staat ii, 206; Sipma iv, 41.

Bron

Berns, 21, iii (Decr. Verk.).

Geschiedenis

Het stamboek noemt als oudste bewoner Sybeth Stenstera in 1417. De vermelding in de Tegenwoordige Staat van een Sasbout is niet in bronnen te achterhalen. De in een oorkonde van 1474 genoemde Jeppa zal een Stinstera geweest zijn. In 1511 is Sybren Stenstama na de pastoor de hoogst aangeslagene; zijn bezit is dan 88 pondematen. Een dochter van Sybrand huwde Hero van Burmania, waardoor de state in het bezit van de Burmania's kwam. Deze verkochten haar in 1640 (Decr. Verk. 13, f. 222), maar in de verkoopakte wordt bepaald dat ‘'t oudt stins’ een onderdeel was, waarop de bewoners geen recht hadden. Deze bewoners, gewone huurboeren, noemden zich Stinstra en hun nakomelingen werden een bekend Dokummer geslacht.

De stins wordt na 1640 niet meer genoemd, behoudens in de Tegenwoordige Staat. Hierin wordt gememoreerd dat ‘de slotstoren of stins deezer heerlijkheid voor ruim veertig jaren afgebroken’ werd. De kaart van Schotanus-Halma geeft de state als naamloze boerderij weer. De kadastrale minuut geeft een boerderij van het kop-halsromptype; het voorhuis is in deze eeuw gemoderniseerd herbouwd. De gebouwen worden thans door de autoweg gescheiden van de terp.

Mellema State

Ten noordoosten van de terp lag Mellema-state. Volgens Van der Aa (iv, 351 en vii, 816) was ook Mellema voorheen een state. Op de kaart van Schotanus-Halma is het een

[p. 35]



illustratie

Afb. 41. Voormalige pastorie ten noorden van de kerk. Plattegrond en doorsnede getekend en opgemeten in 1981-'82.


stemmende plaats. In 1511 wordt als tweede aangeslagene genoemd Eelke Mellema voor 66½ pondematen. Ook in de 16e-eeuwse processen komt hij voor, evenals in het Beneficiaalboek van 1543. Thans staan er slechts bedrijfsgebouwen ter plaatse.

Boerderij nr. 12

Aan de noordzijde van de ringweg rond de terp staat een boerderij van het kop-halsromptype, die in de achtergevel een anker heeft vormend de letters s.t. en e.k. en het jaartal 1806. Eekhoff noemt deze plaats Hiemstra; bij Schotanus-Halma betreft dit de meest oostelijke van de drie stemmende plaatsen aan de noordzijde van de terp.

[p. 36]



illustratie

Afb. 42. Het kerkgebouw en het voormalige schoolgebouw op het verhoogde kerkhof vanuit het zuidwesten vóór de restauratie van de toren. Opname 1974.




illustratie

Afb. 43. Kerk en toren naar J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 44. De toren met de bemetselde westgevel uit 1753 vóór de restauratie. Opname 1974.


[p. 37]



illustratie

Afb. 45. De oostgevel van de toren met ten behoeve van het nieuwe kerkdak later dichtgemetseld romaans galmgat. Opname 1980.




illustratie

Afb. 46. Opname van de noordzijde waarin de later dichtgezette bogen van het voormalige westwerk duidelijk te zien zijn. Opname 1980.




illustratie

Afb. 47. De toren van de zuidzijde na de restauratie. Beide bogen van het voormalige westwerk zijn in de oostelijke torenhelft te zien. Opname 1980.


[p. 38]



illustratie

Afb. 48. Het inwendige van de kerk van Foudgum uit 1808. Opname 1959.




illustratie

Afb. 49. In de toren staat een handgesmeed uurwerk uit 1640, thans geautomatiseerd. Opname 1980.


[p. 39]



illustratie

Afb. 50. Situatie van de kerk, school en pastorie, in 1925 getekend door Ids Wiersma. In het onderschrift vergist Wiersma zich; de pastorie staat geheel links.




illustratie

Afb. 51. De 17e-eeuwse preekstoel in de kerk van Foudgum. Opname 1974.




illustratie

Afb. 52. Het in 1924 aangekochte laat 18e-eeuwse kabinetorgel. Opname 1980.


[p. 40]



illustratie

Afb. 53. De voormalige pastorie in 1965. Links van de uitbouw is een gedeelte van herbruikte mopsteen zichtbaar.




illustratie

Afb. 54. De voormalige pastorie met herstelde ingang in de uitbouw. Opname 1981.




illustratie

Afb. 55. De pastorie van het zuidwesten gezien. Westgevel grotendeels van herbruikte mopsteen. Opname 1980.